Bijlage 6 Vormvrije m.e.r.-beoordeling.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke Onderbouwing
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Pierikstraat 11 te Gaanderen Bouw expeditiehal Kaemingk B.V. en bedrijfshal ISG Lettink Gemeente Doetinchem
Gemeente Aalten
Projectnummer: 3345.01 Datum: 5 juli 2021
Inhoudsopgave Algemeen ............................................................................................................... 3 Toetsing ................................................................................................................. 4 2.1
Algemeen ................................................................................................................................................... 4
2.2
De kenmerken van het project ................................................................................................................... 4
2.3
De plaats waar de activiteit wordt verricht ............................................................................................... 5
2.4
De kenmerken van het potentiële effect .................................................................................................... 5
Conclusie ................................................................................................................ 9 Bijlage 1 Ecologisch onderzoek Lievense Bijlage 2 Ecologisch onderzoek Buro Ontwerp & Omgeving Bijlage 3 Stikstofberekening WSP Global Bijlage 4 Stikstofberekening Buro Ontwerp & Omgeving
2
Algemeen Om te bepalen of voor het project een milieueffectrapport (M.E.R.) moet worden opgesteld, is het van belang om te kijken of de ontwikkeling een activiteit is als opgenomen in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.). In de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. Het onderscheid tussen deze twee bijlagen is dat in bijlage C er direct sprake is van een m.e.r.-plicht voor besluiten met een omvang boven de drempelwaarden en besluiten onder de drempelwaarden zijn niet m.e.r.-plichtig. Onderdeel D geeft aan of er voor besluiten beoordeeld moet worden of er m.e.r. noodzakelijk is. Voor besluiten met een omvang boven de drempelwaarden moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Pas na het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r-beoordeling is duidelijk of er een M.E.R. moet worden opgesteld.
3
Toetsing 2.1
Algemeen Het initiatief ziet toe op de realisatie een nieuwe expeditiehal voor Kaemingk B.V. en een nieuwe bedrijfshal voor ISG Lettink met bijbehorende parkeerplaatsen. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt een bestemmingsplan in procedure gebracht. Om te bepalen of voor het project een milieueffectrapport (M.E.R.) moet worden opgesteld, is het van belang om te kijken of de ontwikkeling een activiteit is als opgenomen in de bijlagen van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.). De realisatie van de woningen met bijbehorende ontsluiting en parkeerplaatsen kan worden gekwalificeerd als "de aanleg of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: • een oppervlakte van 100 hectare of meer; • een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen; • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De activiteit valt ruim beneden de gestelde drempelwaarde voor bedrijfsvloeroppervlakte, waardoor geen sprake is van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag zich ervan moet vergewissen of de activiteit, wanneer deze onder de drempelwaarden zit, daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben, waarbij het in het bijzonder moet worden nagegaan of sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij het bepalen van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu wordt, conform de Bijlage III van de Europese Richtlijn, ingegaan op de volgende onderdelen: • de kenmerken van het project; • de plaats waar de activiteit wordt verricht; • de kenmerken van het potentiële effect.
2.2
De kenmerken van het project Op het bedrijventerrein ’t Broek zijn er plannen om het bedrijventerrein uit te breiden. Het Aaltens bedrijf Kaemingk B.V. is voornemens om op de locatie een nieuwe expeditiehal te realiseren. De hal wordt gebruikt voor logistieke activiteiten zoals de verzameling (inslag), opslag, verwerking en verzending en verlading van goederen. Tijdens dit proces vinden waardevermeerderende logistieke activiteiten zoals voorprijzen en decoreren van producten plaats. Tegelijkertijd is het Aaltens bedrijf ISG Lettink voornemens om op de locatie een nieuwe bedrijfshal te realiseren. Hier zal voornamelijk opslag van goederen plaatsvinden. Met het plan is sprake van herstructurering binnen bestaand stedelijk gebied.
4
2.3
De plaats waar de activiteit wordt verricht Het plangebied is gelegen ten zuiden van bedrijventerrein 't Broek. Het plangebied wordt aan de noordwestzijde begrensd door de Vierde Broekdijk en aan de noordoostzijde door enkele bedrijfspanden. Aan de zuidzijde van het plangebied liggen twee woningen en agrarische gronden. De westzijde van het plangebied grenst aan een grote groenstrook en een woonperceel. Op circa 9 kilometer van het plangebied liggen de Natura 2000-gebieden ‘Bekendelle’ en ‘Korenburgerveen’. Direct grenzend aan het plangebied ligt een stuk Gelders natuurnetwerk. Navolgend is de globale ligging van het plangebied weergegeven.
Globale ligging van het plangebied, geel omkaderd.
2.4
De kenmerken van het potentiële effect De omvang van het project ligt ver beneden de voor de m.e.r.-beoordeling gedefinieerde drempelwaarden. In de navolgende paragrafen van dit hoofdstuk is aangetoond dat voor deze ontwikkeling geen sprake is van negatieve effecten op het milieu. Op grond van de kenmerken van het plan en de ligging, kan de realisatie van de woningen, met bijbehorende ontsluiting en parkeerplaatsen in potentie de volgende milieueffecten hebben: • verslechtering van de luchtkwaliteit in de omgeving; • invloed op omliggende beschermde natuurgebieden.
2.4.1
Luchtkwaliteit In dit plan worden twee nieuwe bedrijfshallen met bijbehorende parkeerplaatsen gerealiseerd. Ten opzichte van de situatie in het verleden, toen het plangebied een agrarische bestemming had, zal het aantal verkeersbewegingen sterk toenemen. Verkeer zorgt voor uitstoot van stikstofdioxide en fijnstof. In deze paragraaf zijn de voormalige verkeersbewegingen niet meegenomen en wordt uitgegaan van de toekomstige situatie. Voor wat betreft het te verwachten aantal verkeersbewegingen is uitgegaan van de memo Verkeersbewegingen van Kaemingk B.V. en de kengetallen van CROW.
5
2.4.1.1
Kaemingk B.V. Het totaal aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie bedraagt 266 per dag. Hiervan is circa 50,4% vrachtverkeer. De bedrijfsvoering van Kaemingk bestaat grotendeels uit het vervoeren van goederen, waardoor het aandeel vrachtverkeer hoog is. Uit de NIBM rekentool blijkt dat dat de bijdrage van het extra verkeer voor de nieuwe expeditiehal van Kaemingk B.V. niet in betekende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging (zie navolgende afbeelding).
2.4.1.2
ISG Lettink Het totaal aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie bedraagt 60 per dag (zie paragraaf 4.10). Hiervan is circa 50,0% vrachtverkeer. De bedrijfsvoering van ISG Lettink bestaat voornamelijk uit het produceren van goederen op de locatie. Uit de NIBM rekentool blijkt dat dat de bijdrage van het extra verkeer voor de nieuwe bedrijfshal van ISG Lettink niet in betekende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging (zie navolgende afbeelding).
6
2.4.1.3
Cumulatief Het totaal aantal nieuwe verkeersbewegingen dat kan worden toegeschreven aan de ontwikkeling van onderhavig bestemmingsplan is 326 verkeersbewegingen per dag. Hiervan is circa 50,2% vrachtverkeer. Uit de NIBM rekentool blijkt dat dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging (zie navolgende afbeelding). Deze tool gaat uit van een worstcase situatie: bij de berekening van de concentratietoename zijn de kenmerken van het verkeer, de straat en de omgeving zo gekozen dat een situatie ontstaat met een maximale luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is op grond van de Wet milieubeheer niet noodzakelijk.
2.4.2
Beschermde natuurgebieden
2.4.2.1
Natura 2000-gebieden Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen en ook niet in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied "Bekendelle" is gelegen op een afstand van circa 9 km. Op een vergelijkbare afstand ligt het Natura 2000-gebied 'Korenburgerveen'. Uit ecologisch onderzoek van Lievense Adviseurs en Buro Ontwerp & Omgeving, beide uit 2021, is gebleken dat de ontwikkelingen in het plangebied niet zullen leiden tot negatieve effecten op de genoemde Natura 2000-gebieden, omdat deze gebieden op een afstand van meer dan 9 km van het projectgebied bevinden. De onderzoeken zijn als bijlage 1 en bijlage 2 bijgevoegd. In het onderzoek werd niet ingegaan op de effecten van mogelijke stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied als gevolg van de ontwikkeling. Om die reden is door WSP Global en Buro Ontwerp & Omgeving in 2021 een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. De onderzoeken zijn als 3 en 4 bijgevoegd.
7
2.4.2.2
Kaemingk B.V. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er voor de bouwfase is bepaald dat een totale emissie van 229 kg NOx niet leidt tot een toename van depositie op nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Een dergelijke emissie biedt ruimte aan verkeersbewegingen van 2.000 personenwagens en 1.000 vrachtwagens naar de bouwlocatie. Dit biedt ruimte voor een emissie van 213,9 kg NOx op de bouwlocatie zelf. Het is aan de aannemer om het noodzakelijke bouwproces zo in te richten dat aan de totale stikstofemissie van 229 kg NOx op jaarbasis is voldaan. Indien meer transportbewegingen nodig zijn dan hierboven omschreven, kan ervoor gekozen worden voor minder stikstofemissie op de bouwplaats te gaan door zoveel mogelijk gebruik te maken van STAGE IV materieel of zelfs elektrisch materieel. Verder blijkt uit de AERIUS-berekening dat er geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar plaatsvindt in de gebruiksfase. Dit betekent dat de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
2.4.2.3
ISG Lettink Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de realisatiefase de stikstofdepositie niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Verder blijkt uit de AERIUS-berekening dat er geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar plaatsvindt in de gebruiksfase. Dit betekent dat de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
8
Conclusie Op grond van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van het initiatief kunnen worden uitgesloten. Het bestemmingsplan kan zonder m.e.r.(-beoordeling) worden vastgesteld.
9
Bijlage 1 Ecologisch onderzoek Lievense
Quickscan ecologie Vierde Broekdijk te Aalten
Opdrachtgever: Kaemingk B.V.
Organisatie
Telefoon
Projectnummer
Lievense Milieu B.V.
+31 (0)88 910 20 00
SOB010086
Adres
Datum
Documentnummer
Orionweg 28 8938 AHLeeuwarden
5 september 2019
1.0, versie 1.0
1/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
Colofon Contactgegevens Lievense Milieu B.V. De heer ing. W. Lemstra Tel: +31 (0)88 910 2223 E: WLemstra@Lievense.com Opdrachtgever Kaemingk B.V. T.a.v. de heer M. Scholten Broekstraat 13 7122 MN Aalten
Autorisatie Projectnummer
Documentnummer
Versie
Status
SOB010086
1.0
1.0
Concept
Paraaf
Opgesteld door
Functie
Datum
W. Lemstra
Ecoloog
28-08-2019
Akkoord projectleider
Functie
Datum
D. van der Veen
Senior ecoloog
28-08-2019
Paraaf
LIEVENSE MILIEU B.V.
NIEUWEGEIN
Ringwade 41 3439 LM Nieuwegein
LEEUWARDEN Postbus 422 8901 BE Leeuwarden Orionweg 28 8938 AH Leeuwarden
E-mail: info@Lievense.com 2/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019 KvK-nummer: 30152124
MAASTRICHT Postbus 1323 6201 BH Maastricht Sleperweg 10 6222 NK Maastricht
Website: Lievense.com BTW-nummer: NL. 8075.03.368.B.01
HOOGVLIET Postbus 551 3190 AM Rotterdam-Hoogvliet Hoefsmidstraat 41 3194 AA Rotterdam-Hoogvliet IBAN:NL63 ABNA 0570208009
Inhoudsopgave 1
Inleiding
5
2
Wettelijk kader 2.1 Soortenbescherming 2.2 Gebiedsbescherming
7 7 7
3
Plangebied 3.1 Huidige situatie 3.1 Toekomstig gebruik/planontwikkeling
9 9 11
4
Onderzoeksopzet 4.1 Beschikbare gegevens 4.2 Veldbezoek 4.3 Effectenbeoordeling
12 12 12 12
5
Beschermde soorten 5.1 Planten 5.2 Grondgebonden zoogdieren 5.3 Vleermuizen 5.4 Amfibieën 5.5 Reptielen 5.6 Vissen 5.7 Libellen, dagvlinders en overige ongewervelden 5.8 Vogels
13 13 13 15 16 17 18 18 19
6
Beschermde gebieden 6.1 Natura 2000-gebieden 6.2 Natuurnetwerk Nederland
20 20 21
7
Effectbeoordeling 7.1 Toetsing beschermde soorten 7.2 Toetsing beschermde gebieden 7.3 Eindconclusie
22 22 23 24
8
Advies 8.1 Advies 8.2 Vervolgtraject 8.3 Geldigheid onderzoeksgegevens Literatuur
26 26 27 28
-
3/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
Bijlagen Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3:
Wetgeving en beleid Regionale ligging Foto’s van het plangebied
4/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
1
Inleiding
In opdracht van Kaemingk B.V. is een Quickscan Ecologie uitgevoerd voor het plangebied Vierde Broekdijk te Aalten. De aanleiding voor het uitvoeren van het vooronderzoek is de voorgenomen bouw van een magazijn ter plaatse van de Vierde Broekdijk te Aalten. Wanneer plannen worden ontwikkeld voor ruimtelijke ingrepen moet vooraf beoordeeld worden of sprake is van mogelijke nadelige effecten op beschermde natuurwaarden. De Quickscan vormt de eerste fase in het kader van de procedure van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) en Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). In bijlage 1 wordt de natuurwetgeving en het natuurbeleid nader toegelicht. De voorliggende toets leent zich niet direct voor een eventueel noodzakelijke ontheffingsaanvraag voor de geplande planontwikkeling. De toetsing is gedaan middels een quickscan aan de hand van een oriënterend veldbezoek en beschikbare verspreidingsgegevens. In onderhavige rapportage worden de resultaten van de quickscan beknopt besproken en worden op basis van de conclusie praktische adviezen gegeven.
Het doel van de quickscan is, om op basis van een literatuuronderzoek en een veldonderzoek, een inschatting te maken of: beschermde planten- en diersoorten in het plangebied of directe omgeving (binnen een straal van circa 5 kilometer) van het plangebied kunnen voorkomen; de planontwikkeling mogelijk effect(en) heeft op de al dan niet aanwezige beschermde plant- en diersoorten; een noodzaak aanwezig is voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar de mogelijk voorkomende beschermde plant- en diersoorten, door een gerichte veldinventarisatie volgens de geldende protocollen en/of kennisdocumenten; de planontwikkeling plaatsvindt in of nabij een beschermd natuurgebied (Natura 2000gebied of binnen provinciaal beleid beschermde gebieden) en of daarbij sprake is van de noodzaak voor nadere toetsing en vergunning in het kader van gebiedsbescherming conform de Wnb inclusief externe werking en/of het provinciale beleid. Zowel bij mogelijke effecten als bij onvoldoende gegevens over de mogelijke aanwezige beschermde soorten of gebieden, volgt doorgaans het advies voor het uitvoeren van een nader onderzoek en/of toetsing. Op basis daarvan kan een vergunning en/of ontheffing bij het bevoegd gezag aangevraagd worden.
Als in het plangebied geen beschermde soorten of functies (onder andere verblijfplaatsen) aanwezig zijn, en het plangebied geen functie heeft voor deze soorten is het aanvragen van een ontheffing en het nemen van soortgerichte maatregelen niet noodzakelijk. Bij het voorkomen van algemene (niet strikt beschermde) soorten geldt wel de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb).
5/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
Lievense Milieu B.V. is door Normec Certification gecertificeerd voor de ISO 9001- en de 14001-normen en heeft een eigen kwaliteitssysteem. De medewerkers van Lievense Milieu B.V. voor de uitvoer van flora- en faunaonderzoeken zijn allen VCA gecertificeerd. Daarnaast is Lievense actief lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Lievense Milieu B.V. is niet aansprakelijk voor (vervolg)schade welke kan voorkomen op basis van de inhoud en resultaten van de opgestelde quickscan. Dit rapport is opgesteld op verzoek van de opdrachtgever en is haar eigendom.
6/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
2
Wettelijk kader
De Wet natuurbescherming (Wnb) bestaat uit een soortbeschermingsdeel (paragraaf 2.1) en een gebiedsbeschermingsdeel (paragraaf 2.2). In dit hoofdstuk zijn deze kort uiteengezet, een nadere toelichting is opgenomen in bijlage 1. 2.1
Soortenbescherming
De Wnb voorziet in de bescherming van planten- en diersoorten. De basis wordt gevormd door de zorgplicht (artikel 1.11) waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. In de Wnb zijn hiernaast, op basis van internationale afspraken, drie beschermingsregimes opgesteld voor strikt beschermde soorten: - Artikel 3.1: Vogelrichtlijnsoorten. - Artikel 3.5: Habitatrichtlijnsoorten en soorten van de Conventie van Bern Appendix II en de Conventie van Bonn Appendix I. - Artikel 3.10: Andere (nationale) soorten. Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening. Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime. In bijlage 1 staat uitgelegd welke verboden dit zijn en wat deze inhouden. In tabel 2.1 zijn de verboden per beschermingsregime opgenomen. Tabel 2.1: Verboden per beschermingsregime Soorten Artikel Verboden VRL-soorten 3.1 Lid 1. Opzettelijk doden/vangen Lid 2. Opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten/eieren Lid 3. Wegnemen van nesten Lid 4.
Eieren rapen/onder zich hebben Lid 5. Opzettelijk verstoren (indien van wezenlijke invloed op de SVI) HRL-soorten, soorten uit 3.5 Lid 1. Opzettelijk doden/vangen bijlage I en II van de Bern Lid 2. Opzettelijk verstoren conventie en bijlage I van Lid 3. Eieren te rapen of vernielen de Bonn conventie Lid 4. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen Lid 5. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten Andere beschermde 3.10 Lid 1 a. Opzettelijk doden/vangen van zoogdieren, amfibieën, reptielen, soorten vissen en ongewervelden (vernoemd in onderdeel a) Lid 1 b. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen van soorten (als bedoeld in onderdeel a) Lid 1 c. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten (als bedoeld in onderdeel b)
2.2
Gebiedsbescherming
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wnb voorziet in de bescherming van natuurgebieden van Europees belang welke behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere
7/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. De basis wordt gevormd door de zorgplicht (artikel 1.11) waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Naast de wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden heeft Nederland de bescherming van andere gebieden vastgelegd in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In de provincie Gelderland is het beleid ten aanzien van het NNN vastgelegd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (Provincie Gelderland, 2018), het NNN wordt in Gelderland het Gelders Natuurnetwerk in Gelderland (GNN) genoemd.
8/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
3
Plangebied
Dit hoofdstuk geeft beknopt de huidige situatie van het plangebied (paragraaf 3.1) en de voorgenomen planontwikkeling (paragraaf 3.2) weer. 3.1
Huidige situatie
Het plangebied (figuur 3.1) heeft een oppervlakte van circa 3,5 hectare en is gelegen aan de zuidrand van een bedrijventerrein dat op zichzelf ten zuidwesten van de kern van Aalten gelegen is binnen de Provincie Gelderland. Het terrein betreft een braakliggend terrein begrensd door de openbare weg ‘Vierde Broekdijk’ (westzijde), diverse bedrijven (noordzijde), een woning met tuin (oostzijde) en bosschages (zuidzijde). De onderzoekslocatie was voor 2013 nog gedeeltelijk bebouwd met een boerderij. De regionale ligging is weergegeven in bijlage 2. Binnen het plangebied is een geasfalteerde weg met daartussenin een droogstaande greppel aanwezig (zie figuur 3.2 en 3.3). Aan de noordzijde, aan de overzijde, van het plangebied is een bomenlaan aanwezig bestaande uit grove den. Binnen het plangebied bestaat de vegetatie uit pitrus, grote kattenstaart, koningskaars, zeepkruid, tuinwegdistel, grote brandnetel, grote teunisbloem, jakobskruiskruid, dagkoekoeksbloem en boerenwormkruid. Aan de randen van het plangebied zijn meerdere gronddepots en is een dijkje aanwezig (zie figuur 3.4). In de droogstaande greppel, langs het dijkje en langs de erfgrens aan de oostzijde van het plangebied zijn bosschages aanwezige bestaande uit brem, wilde gagel, eik, perenboom, kerspruim, grauwe abeel en Amerikaanse volgelkers.
Figuur 3.1: Locatie van het plangebied (rood kader; bron: Pdok.nl)
9/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
Figuur 3.2: Geasfalteerde weg binnen plangebied
Figuur 3.3: Droogstaande greppel binnen plangebied
10/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
Figuur 3.4: Dijkje langs oostzijde plangebied
3.2
Toekomstig gebruik/planontwikkeling
Het plan betreft het realiseren van een magazijn van circa 2,2 hectare en rondom een parkeerterrein. Het parkeerterrein biedt 198 parkeermogelijkheden. Binnen het plangebied wordt de aanwezige vegetatie verwijderd. De bomenlanen/houtwallen aan de randen van het plangebied blijven onaangetast. De aanwezige droogstaande greppel binnen het plangebied wordt gedempt.
11/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
4
Onderzoeksopzet
Het voorliggende onderzoek –Quickscan ecologie – bestaat uit het raadplegen van beschikbare gegevens (paragraaf 4.1), gevolgd door een veldbezoek (paragraaf 4.2) en tot slot een effectenbeoordeling (paragraaf 4.3) van de beschikbare gegevens en het veldbezoek. Hieruit worden conclusies getrokken en advies gegeven met betrekking tot de Wet natuurbescherming en globale toetsing provinciaal beleid (NNN). 4.1
Beschikbare gegevens
Grote delen van Nederland zijn in de afgelopen jaren reeds onderzocht op aanwezige beschermde soorten. De gegevens afkomstig van deze onderzoeken worden grotendeels gepubliceerd in boeken (soortverspreidingsatlassen), rapportages of zijn op internet te raadplegen. De geraadpleegde literatuur en internetbronnen staan weergegeven in de literatuurlijst. Tevens is gebruik gemaakt van de informatie uit de Nationale Databank Flora en Fauna van 2009 tot en met 2019 (NDFF, 2019). De beschikbare gegevens over het voorkomen van beschermde natuurwaarden in en binnen de invloedsfeer (binnen een straal van maximaal vijf kilometer) van het plangebied zijn voorafgaand aan het veldbezoek geanalyseerd en in het veld geverifieerd. 4.2
Veldbezoek
Inzicht in het voorkomen van beschermde soorten wordt verkregen door het uitvoeren van een oriënterend veldbezoek. Met dit veldbezoek kan beoordeeld worden of de planten- en diersoorten die in de bron gegevens zijn genoemd, ook daadwerkelijk in het gebied voorkomen of verwacht kunnen worden. Daarnaast wordt beoordeeld of ook andere beschermde soorten voorkomen of te verwachten zijn op basis van de aanwezige terreinkenmerken en het beheer. Het veldonderzoek is door Lievense Milieu B.V. op 7 augustus 2019 uitgevoerd door een ecoloog van Lievense. Ten tijde van de inspectie was het 19 oC, zonnig, droog weer met matige zuidwesterwind (3 Bft). De foto’s van het veldbezoek zijn opgenomen in bijlage 3. 4.3
Effectenbeoordeling
De omvang van de werkzaamheden en de veranderingen die worden aangebracht in het plangebied vormen de basis voor de effectenbeoordeling. De effectenbeoordeling houdt rekening met tijdelijke effecten (gedurende de uitvoering van de werkzaamheden) en langdurige effecten (na de uitvoering). In hoeverre het mogelijk is om een complete effectanalyse te maken, is afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare verspreidingsgegevens en duidelijkheid over de uit te voeren werkzaamheden en uitvoeringsplanning. In de effectenbeoordeling wordt ervan uitgegaan dat de werkzaamheden gedurende daglichtperiode worden uitgevoerd. Omdat de exacte werkzaamheden en uitvoeringsperiode nog niet bekend zijn, wordt in de effectenbeoordeling aangegeven in welke periode veel dan wel weinig (of geen) effecten worden verwacht en of aanvullend onderzoek noodzakelijk is.
12/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
5
Beschermde soorten
5.1
Planten
Uit verspreidingsgegevens blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied (tot vijf kilometer) de beschermde kluwenklokje is aangetroffen (NDFF,2019). Het zeldzame kluwenklokje heeft haar standplaats op zonnige plaatsen op matig droge tot vaak vochtige, matig voedselrijke, kalkhoudende- en humushoudende grond. Het kluwenklokje bloeit in de maanden juni tot en met oktober en betreft een vaste plant (verspreidingsatlas, 2019). Binnen het plangebied zijn gedurende de inventarisatie geen standplaatsen waargenomen van het kluwenklokje. Het voorkomen van het kluwenklokje kan gezien de verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikt habitat worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Op basis van de terreinkenmerken (dicht grasland), habitateisen en recente verspreidingsgegevens wordt het voorkomen van beschermde planten soorten binnen het plangebied en binnen de invloedsfeer van het plangebied uitgesloten. 5.2
Grondgebonden zoogdieren
De verspreidingsgegevens van grondgebonden zoogdieren (Broekhuizen et al., 2016; NDFF, 2019) geven aan dat in de directe omgeving van het plangebied diverse grondgebonden zoogdierensoorten kunnen worden aangetroffen. Voor de binnen de omgeving (tot vijf kilometer) van het plangebied voorkomende soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (provincie Gelderland, 2017). Binnen de omgeving (tot vijf kilometer) van het plangebied voorkomende soorten boommarter, bunzing, damhert, das, eekhoorn, hermelijn, steenmarter en wezel geldt geen vrijstelling. Op circa 2,2 kilometer ten zuiden het plangebied is de boommarter waargenomen. De boommarter is sterk gebonden aan een bosrijke omgeving met voldoende dekking in de vorm van een kruid of struiklaag met voldoende nestgelegenheid en voldoende foerageergebied. De boommarter bouwt vaak niet zelf een hol maar gebruikt vaak rottingsholen in bomen, oude spechten- en eekhoornholen. Het voorkomen van de boommarter kan gezien de verspreidingsgegevens en het geboden habitat worden uitgesloten binnen het plangebied. De bunzing komt in allerlei verschillende landschapstypen voor maar heeft een voorkeur voor kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden.
Bunzing maakt voor dekking gebruik van bijvoorbeeld oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden, akkerranden, rietvelden en moerasgebieden. In de winterperiode is de bunzing vaak te vinden in de buurt van boerderijen waar ze op hooizolders warm blijven. Het voorkomen van de
13/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
bunzing kan gezien de verspreidingsgegevens en het geboden habitat niet worden uitgesloten binnen het plangebied. Het damhert komt vooral voor in lichte loofbossen en gemengde naaldbossen. Het damhert heeft een voorkeur voor oudere bossen met een dichte onderbegroeiing en voldoende gras. Ook langs randzones bij open plekken, graslanden, akkerlanden en parkachtige gebieden komt het damhert voor. Gezien de verspreidingsgegevens en het geboden habitat wordt het voorkomen van het damhert uitgesloten binnen het plangebied De das heeft de voorkeur op kleinschalige cultuurlandschappen met voldoende dekking in de vorm van houtwallen, bosjes en heggen. Langs randen en elementen foerageert de das naar paddenstoelen, insecten, kleine zoogdieren, larven, mais en vruchten. Het voorkomen van de das kan gezien de verspreidingsgegevens en het geboden habitat niet worden uitgesloten binnen het plangebied. De eekhoorn is net als de boommarter vooral gebonden aan bossen met voldoende nestgelegenheid en voldoende foerageermogelijkheden. Maar ook parken en tuinen bieden geschikt leefgebied. Eekhoorn is voor haar voedselvoorziening afhankelijk van vruchten en noten dragende bomen. Daarnaast is de eekhoorn voor het bouwen en het voorzien in nestmateriaal vooral afhankelijk van bomen.
Er zijn ook gevallen bekend dat eekhoorns gebruik maken van bebouwing (verblijfplaatsen op zolders en onder zonwering). Tijdens de inventarisatie is ten noordwesten van het plangebied, ter plaatse van de grove dennenlaan een eekhoorn waargenomen. De Hermelijn komt in allerlei verschillende habitats, met voldoende schuilmogelijkheden voor, van open plekken, in bossen, houtwallen, duinen, akkers en vochtig terrein. Het voorkomen van de hermelijn kan gezien de verspreidingsgegevens en het geboden habitat niet worden uitgesloten binnen het plangebied. De steenmarter is een nachtdier dat solitair leeft. Het leefgebied van de steenmarter bestaat uit meerdere schuilplaatsen. De schuilplaatsen bestaan meestal uit zolders, boerenschuren, en daarnaast sporadisch uit boomholtes, takkenhopen of dichte struwelen. Het voorkomen van de steenmarter kan gezien de verspreidingsgegevens en het geboden habitat niet worden uitgesloten binnen het plangebied. Wezels leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap. De wezel komt voor binnen verschillende biotopen, zoals bossen, duinen, wei en akkerlanden. Voldoende schuilmogelijkheden in de vorm van heggen, bosschages en houtstapels zijn belangrijk voor de wezel. Het voorkomen van de wezel kan gezien de verspreidingsgegevens en het geboden habitat niet worden uitgesloten binnen het plangebied.
Tijdens de veldinventarisatie zijn uitwerpselen aangetroffen van de ree, haas, konijn en van een hermelijn. Aan de oostzijde van het plangebied zijn holen aanwezig van het konijn (zie figuur 5.1 en 5.2) en algemeen voorkomen muizensoorten waargenomen. Ten slotte zijn er in het hoge gras ligsporen en is een veegboom aangetroffen van een ree.
14/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
De aanwezigheid van de das, eekhoorn, marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en/of wezel) binnen het plangebied kan gezien het aanwezige habitat niet worden uitgesloten. Op basis van de verspreidingsgegevens wordt het voorkomen van andere strikt beschermde soorten uitgesloten.
Figuur 5.1 en 5.2: Konijnenholen noordzijde plangebied
5.3
Vleermuizen
De verspreidingsgegevens van vleermuizen (Broekhuizen et al. 2016; NDFF, 2019) geven aan dat in de omgeving van het plangebied (tot vijf kilometer) vleermuizen kunnen voorkomen. Alle vleermuizen zijn strikt beschermd conform de Wnb. De in de directe omgeving voorkomende vleermuizen zijn gewone- en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. - De laatvlieger (in de winterperiode) is vooral (uitzonderingen daar gelaten) een gebouwbewonende soort. - De gewone- en ruige dwergvleermuis zit zowel in gebouwen als bomen. Er staan geen gebouwen in het plangebied zelf, daarmee zijn er geen vleermuisverblijfplaatsen in gebouwen aanwezig in het plangebied. - Rosse vleermuizen (in de zomerperiode) zijn vooral (uitzondering daargelaten) boombewonende soorten. Binnen het plangebied zijn geen geschikte bomen met holtes aanwezig, daarmee zijn er geen vleermuisverblijfplaatsen in bomen aanwezig in het plangebied.
15/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
De bomenlanen aan de noordzijde van het plangebied, langs de Vierde Broekdijk, biedt een vliegroute en foerageergebied voor de laatvlieger, gewone- en ruige dwergvleermuis en/of rosse vleermuis. Dit is vastgesteld in het nader onderzoek flora- en faunawet (CSO adviseurs, kenmerk 08:090, d.d. 02-06-2008). De lijnvormige landschapselementen (zoals de bomenlanen in figuur 5.3) vallen buiten het plangebied. Het plangebied zelf biedt voldoende plekken waar vleermuizen kunnen foerageren, mogelijk gebruiken de in de omgeving van het plangebied waargenomen vleermuissoorten het plangebied als onderdeel van het foerageergebied. Het plangebied wordt omringd door bomen. Binnen deze bomen zijn (mogelijk) geschikte verblijfplaatsen aanwezig voor de voornoemde boombewonende vleermuissoorten.
Figuur 5.3: Potentieel foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen (noordzijde plangebied)
5.4
Amfibieën
De verspreidingsgegevens van amfibieën (RAVON, 2016; NDFF, 2019) geven aan dat in de omgeving van het plangebied (tot vijf kilometer) diverse amfibieënsoorten kunnen worden aangetroffen. Voor de binnen de omgeving (tot vijf kilometer) van het plangebied voorkomende soorten bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (provincie Gelderland, 2017).
16/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
Binnen de omgeving (tot vijf kilometer) van het plangebied voorkomende soorten poelkikker en rugstreeppad geldt geen vrijstelling. Op circa 2,3 kilometer ten noordwesten van het plangebied is de poelkikker waargenomen. De poelkikker heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. De poelkikker leeft bij voorkeur in onbeschaduwde wateren met een goed begroeide oeverzonde. De kikker komt vooral voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en in de uiterwaarden. Binnen het plangebied is geen dergelijk geschikt habitat aanwezig door ontbreken van open water. De poelkikker wordt niet binnen het plangebied verwacht. Op circa 3,0 kilometer ten noordwesten van het plangebied is de rugstreeppad waargenomen. De rugstreeppad is pionierssoort van dynamische milieus, zoals rivierduinen, uiterwaarden, afgravingen en bouwterreinen. De rugstreeppad plant zich voort in ondiepe snel opwarmende wateren zoals tijdelijke plassen, poeltjes, slootjes en/of vennen. De rugstreeppad trekt rond half april vanuit de winterverblijfplaats naar de voortplantingsverblijfplaats. Het plangebied biedt geschikt habitat in de vorm van open zandgrond en snel opwarmende plassen. Hoewel de plassen op het moment droog stonden, kan de aanwezigheid van de rugstreeppad niet worden uitgesloten binnen het plangebied.
De aanwezigheid van de rugstreeppad binnen het plangebied kan niet worden uitgesloten. Op basis van de verspreidingsgegevens wordt het voorkomen van andere strikt beschermde soorten uitgesloten. 5.5
Reptielen
De verspreidingsgegevens van reptielen (RAVON, 2016; NDFF, 2019; zoogdierenvereniging, 2017) geven aan dat in de omgeving van het plangebied (tot vijf kilometer) de beschermde reptielensoorten hazelworm en zandhagedis zijn waargenomen. De hazelworm heeft een voorkeur voor vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden (vooral bossen, bosranden, heide maar ook houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden, vestingwerken, steenhopen, ruderale plaatsen en tuinen). Door de geïsoleerde ligging van bekende verspreidingsgebieden en het ontbreken van structuur en een dichte vegetatie kan het voorkomen van de hazelworm binnen het plangebied worden uitgesloten. De zandhagedis is sterk gebonden aan duin- en heidegebieden. In het binnenland en in de kalkarme duinen wordt hij vooral aangetroffen in droge struikheideterreinen. In de kalkrijke duinen komen de meeste zandhagedissen voor in het open struweelduin. Het plangebied biedt geen dergelijk geschikt habitat. De zandhagedis wordt niet binnen het plangebied verwacht. De aanwezigheid van andere strikt beschermde reptielensoorten wordt op basis van verspreidingsgegevens en vanwege het ontbreken van geschikt habitat uitgesloten.
17/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
5.6
Vissen
De verspreidingsgegevens van vissen (RAVON, 2016; NDFF, 2019) geven aan dat in de omgeving (tot vijf kilometer) van het plangebied de beschermde grote modderkruiper en de beekprik zijn waargenomen. Binnen het plangebied zijn geen waterpartijen aanwezig. Op basis van het ontbreken van open water wordt het voorkomen van strikt beschermde vissoorten uitgesloten. 5.7
Libellen, dagvlinders en overige ongewervelden
De verspreidingsgegevens van libellen, dagvlinders en overige ongewervelden geven aan dat in de omgeving (tot vijf kilometer) van het plangebied de beschermde beekrombout, bosbeekjuffer, grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage en kleine ijsvogelvlinder voorkomen (NDFF, 2019; Bos et al., 2006; Vlinderstichting; 2019). De beekrombout, waargenomen op circa 2,3 kilometer ten noordwesten van het plangebied, is afhankelijk van zuurstofrijkwater. De larven graven zich in de beek- en rivierbodem, op ondiepe, traag stromende plaatsen waar veel slib of fijn zand is afgezet. Vaak zijn grote delen van de oever rijk begroeid en is het landschap in de omgeving kleinschalig met bosjes, houtwallen, hooilanden, heidevelden en ruigten. Binnen het plangebied is geen dergelijk geschikt habitat aanwezig door ontbreken van open water. In dit kaderen wordt de beekrombout binnen het plangebied uitgesloten. Op circa 3,0 kilometer ten noordoosten van het plangebied is de bosbeekjuffer waargenomen. De bosbeekjuffer is komt voor langs beschaduwde, koude en zuurstofrijke bosbeken. Het omliggende landschap is vaak gevarieerd, met bosjes, hooilanden, struwelen, houtwallen en ruigten. In holle oevers tussen de uitgespoelde wortels van bomen en struiken die op de beekoever staan leven de larven van de bosbeekjuffer. Binnen het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig door ontbreken van open water.
In dit kader wordt de bosbeekjuffer binnen het plangebied uitgesloten. De grote vos is een vlindersoort die voorkomt in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De vlinders zijn vooral te vinden op warme, zonnige, open maar beschutte plaatsen. De waardplanten van de grote vos zijn de iep, zoete kers en enkele wilgensoorten. De grote vos gaat vroeg in de zomer in winterrust. De winterrustplaatsen zijn vaak stapels hout, holle bomen of oude, houten schuurtjes. Binnen het plangebied is geen geschikt habitat (ontbreken waardplanten) aanwezig en daarmee wordt de grote vos binnen het plangebied uitgesloten. De grote weerschijnvlinder, waargenomen op circa 5,0 kilometer ten noordoosten van het plangebied, is een vlindersoort van oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. De grote weerschijnvlinder vliegt in het genoemde habitat vooral op open plaatsen, bij bospaden, bosranden of daar waar beekjes het bos doorsnijden. De waardplant van de grote vos is vooral de boswilg (soms grauwe wilg). De eieren worden hoog in deze en soms grauwe wilg afgezet. Binnen het plangebied is geen
18/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
geschikt habitat (ontbreken waardplanten) aanwezig en daarmee wordt de grote weerschijnvlinder binnen het plangebied uitgesloten. Op circa 5,0 kilometer ten noordoosten van het plangebied is de iepenpage waargenomen. Iepenpage is een vlindersoort van de (vochtige) bossen, bosranden, parken en grotere tuinen, waar diverse soorten iep (gladde iep, ruwe iep) hun standplaats hebben. De vlinder leeft vooral bij bloeiende en vruchtdragende bomen of op relatief jonge iepen. De vlinder legt haar eitjes af op de eindtoppen van met name sleedoorn. Binnen het plangebied is geen geschikt habitat (ontbreken waardplanten) aanwezig en daarmee wordt de iepenpage binnen het plangebied uitgesloten. De kleine ijsvogelvlinder, waargenomen op circa 1,5 kilometer ten noordoosten van het plangebied, is een vlindersoort van de gevarieerde, vochtige gemengde bossen of loofbossen, zoals elzenbroekbos. Geschikte waardplanten (Wilde kamperfoelie) groeien doorgaans in de halfschaduw. De vlinder vliegt in de halfschaduw op open plekken, bredere bospaden en langs bosranden. Binnen het plangebied is geen geschikt habitat (ontbreken waardplanten) aanwezig en daarmee wordt de kleine ijsvogelvlinder binnen het plangebied uitgesloten.
De aanwezigheid van andere beschermde Libellen, dagvlinders en overige ongewervelden wordt op basis van verspreidingsgegevens en vanwege het ontbreken van geschikt habitat uitgesloten. 5.8
Vogels
Algemene broedvogels Tijdens het veldbezoek zijn in en om het plangebied algemeen beschermde vogelsoorten waargenomen (onder andere: merel, koolmees, houtduif en ekster). Het plangebied en de directe omgeving biedt in de vorm van grasland, ruigte en bosschages diverse mogelijkheden als broedlocatie en foerageergebied voor deze vogelsoorten. Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats In de omgeving (straal van vijf kilometer) van het plangebied zijn de volgende vogelsoorten bekend met een jaarrond beschermd nest, dit betreft: boomvalk, bosuil, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, roek, ransuil, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief (NDFF, 2019). Tijdens het veldbezoek zijn in en binnen de invloedsfeer van het plangebied geen nesten of aanwijzingen van jaarrond beschermde vogelsoorten aangetroffen. Gezien de locatie (ontbreken van gebouwen en bomen met grote nesten), de eisen van deze vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest en het gebruik van plangebied worden deze ook niet verwacht. Rondom het plangebied zijn voldoende potentiële verblijfplaatsen aanwezig voor boombewonende jaarrond beschermde broedvogels. Voornamelijk aan de zuidkant van het plangebied zijn diverse geschikte bomen aanwezig.
19/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
6
Beschermde gebieden
Binnen dit hoofdstuk wordt de status van het plangebied beschreven als Natura 2000-gebied (paragraaf 6.1) en NNN-gebied (paragraaf 6.2). 6.1
Natura 2000-gebieden
Het plangebied heeft geen status als beschermd Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Bekendelle’ op circa 9,2 kilometer meter ten noordoosten van het plangebied (figuur 6.1).
Figuur 6.1: Ligging plangebied (globaal rode cirkel) ten opzichte van het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (Bron:synbiosys.alterra.nl)
20/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
6.2
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied heeft geen status als Natuurnetwerk Nederland (NNN). In de provincie Gelderland is het beleid ten aanzien van het NNN vastgelegd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (Provincie Gelderland, 2018), het NNN wordt in Gelderland het Gelders Natuurnetwerk in Gelderland (GNN) genoemd (zie figuur 6.2). Het dichtstbijzijnde GNN-gebied grenst aan de zuidoostzijde direct aan het plangebied.
Figuur 6.2: Ligging plangebied (globaal rode stippellijn) ten opzichte van het NNN/GNN (groen; bron: provincie Gelderland, 2019).
21/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
7
Effectbeoordeling
In dit hoofdstuk worden de effecten op de verwachte natuurwaarden besproken op basis van de in hoofdstuk 3 omschreven planontwikkeling. Op basis van de verwachte effecten wordt inzicht gegeven over de kans dat de werkzaamheden leiden tot een overtreding van de Wnb (tabel 2.1). Waar een overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten wordt, waar mogelijk, een praktisch advies gegeven om de werkzaamheden alsnog zonder ontheffing (en overtreding) te kunnen laten doorgaan. Deze informatie wordt overzichtelijk gepresenteerd in de conclusie (hoofdstuk 7), waarna eventuele soortgerichte maatregelen of vervolgstappen worden geadviseerd in hoofdstuk 8. 7.1
Toetsing beschermde soorten
Op basis van het literatuuronderzoek, het veldbezoek en de planontwikkeling wordt geconcludeerd dat er beschermde soorten grondgebonden zoogdieren, amfibieën, vleermuizen en (broed)vogels verwacht worden in het plangebied. De aanwezigheid van andere beschermde soorten wordt uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens en ontbreken van geschikt habitat. Algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen naar verwachting algemene amfibieën en algemene grondgebonden zoogdieren voor waarvoor een vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (Provincie Gelderland, 2017). Dit wil zeggen dat voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen ontheffing van de Wnb hoeft te worden aangevraagd. Voor deze soorten geldt echter, net als voor niet beschermde soorten, te allen tijde de zorgplicht. Omdat deze soorten jaarrond actief zijn kan geen voorkeurs periode worden aangegeven. Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen is voor algemeen beschermde soorten geen nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. Grondgebonden zoogdieren In het plangebied komen mogelijk bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, steenmarter en/of wezel voor. Voor deze soorten geldt geen vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (provincie Gelderland, 2017). Het plangebied biedt geen verblijfplaatsen voor de das en de eekhoorn.
Het plangebied heeft enkel een functie als foerageergebied voor de das en de eekhoorn. In de omgeving van het plangebied is voldoende foerageergebied beschikbaar waardoor de functionaliteit van eventuele verblijfplaatsen buiten het plangebied niet word aangetast. Om een volledig beeld te krijgen van het al dan niet voorkomen van de bunzing, hermelijn, steenmarter en/of wezel binnen het plangebied dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd door middel van wildcamera’s in loopbuizen en loopsporen onderzoek.
22/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
Rugstreeppad Het plangebied en omgeving biedt (mogelijk) geschikt habitat als leefgebied, voortplantings- of verblijfplaats voor de rugstreeppad. De planontwikkeling veroorzaakt mogelijk een geschikt habitat in de vorm van een bouwplaats. Om te bepalen of het plangebied een functie als voortplantings- of verblijfplaats heeft voor de rugstreeppad dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd. Vleermuizen Het is mogelijk dat het plangebied en directe omgeving gebruikt wordt door vleermuizen (gewone- en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis) als foerageergebied en/of vliegroute. Rondom het plangebied zijn lijnvormige elementen aanwezig, in de vorm van bomenlanen. De bomenlanen fungeren als vliegroute en foerageergebied voor de gewone- en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en/of rosse vleermuis. Wanneer de lijnvormige elementen niet worden verwijderd, verstoord (lichtvervuiling) of worden onderbroken zal dit niet leiden tot verlies aan foerageergebied of negatieve effecten op de vliegroutes. Het plangebied zelf biedt voldoende plekken waar vleermuizen kunnen foerageren, mogelijk gebruiken de in de omgeving van het plangebied waargenomen vleermuissoorten het plangebied als onderdeel van het foerageergebied. Het plangebied vormt een onderdeel van een groot aantal vergelijkbare foerageerlocaties binnen de omgeving.
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een essentieel foerageergebied voor de voornoemde vleermuizen. Vogels (algemeen en jaarrond beschermd) Het plangebied biedt in potentie mogelijkheden als broedlocatie van diverse algemene vogelsoorten. Werkzaamheden die tijdens de broedactiviteit worden uitgevoerd kunnen leiden tot verstoring of vernietiging van (nesten van) broedende vogels. Verstoring van nesten met eieren of kuikens is niet toegestaan en hier wordt geen ontheffing voor verleend. Buiten het broedseizoen zijn onbezette nesten niet beschermd, behalve als het nesten van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nest betreft (zie bijlage 1). Het plangebied heeft mogelijk een functie als onderdeel van het foerageergebied van soorten met een jaarrond beschermde nestplaats. In de omgeving is voldoende foerageergebied beschikbaar waardoor de functionaliteit van nesten buiten het plangebied niet wordt aangetast. Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen is voor vogels geen nader onderzoek nodig. 7.2
Toetsing beschermde gebieden
Het plangebied heeft geen status als Natura-2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied (‘Bekendelle’) ligt op circa 9,2 kilometer van het plangebied. Gezien de ruime afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebied (9,2 kilometer) en de aard van de ingreep doet het voornemen vooralsnog naar verwachting geen afbreuk aan de
23/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. Een onderzoek in het kader van de Wnb (Natura 2000-Voortoets) is daarmee naar verwachting niet nodig. Wanneer de AERIUS Calculator weer beschikbaar is, dan kan zekerheidshalve een berekening gemaakt worden van de stikstofemissie als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling en de depositie op Natura 2000-gebieden. De toename van de stikstofdepositie kan het gevolg zijn van bouwwerkzaamheden in de aanlegfase en het gebruik in de gebruikersfase. Bij bijvoorbeeld bouwprojecten moet gedacht worden aan het aanvoeren van bouwmaterialen en het realiseren van gebouwen en bij het gebruik het autoverkeer van bewoners en bezoekers van de woningen. Als er geen sprake is van stikstofdepositie (0,00 mol/ha/jr) op de Natura 2000-gebieden als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling dan kan worden volstaan met een Quickscan stikstofemissie en – depositie middels AERIUS Calculator, waarna de gemeente (voor wat betreft het aspect stikstof) het bestemmingsplan kan vaststellen of de omgevingsvergunning kan verlenen. Als sprake is van een toename aan stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten, dan moet nader onderzoek middels een voortoets stikstofdepositie uitwijzen of er sprake is van significant negatieve effecten. Het plangebied heeft geen status in het kader van Natuurnetwerk Nederland (NNN/GNN).
Het dichtstbijzijnde GNN-gebied grenst direct aan de zuidoostzijde van het plangebied. Geadviseerd wordt rekening te houden met het plaatsen van lichtbronnen, ter plaatse van de toekomstige parkeergelegenheden, langs het GNN-gebied. Het voornemen heeft door zijn locatie, aard en omvang dan geen negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN. Vanuit het provinciale natuurbeleid is er daarom geen bezwaar tegen de voorgenomen ingreep. Een nadere beoordeling (‘nee, tenzij’-toetsing) is niet nodig. 7.3
Eindconclusie
Het plangebied heeft mogelijk een functie voor algemene amfibieën en grondgebonden zoogdieren en beschermde grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels (algemene broedvogels). In deze quickscan wordt het volgende geconcludeerd: De verspreidingsgegevens en het veldbezoek geven een voldoende duidelijk beeld van het (mogelijk) voorkomen van beschermde planten, vleermuizen, reptielen, vissen, libellen, ongewervelden, algemene en jaarrond beschermde broedvogels. Het veldbezoek en de verspreidingsgegevens geven een onvoldoende beeld van het (mogelijk) voorkomen van grondgebonden zoogdieren (bunzing, hermelijn, steenmarter, wezel) en amfibieën (rugstreeppad). - Nader onderzoek naar de daadwerkelijke aan- of afwezigheid van beschermde grondgebonden zoogdieren (bunzing, hermelijn, steenmarter, wezel) en amfibieën (rugstreeppad) is noodzakelijk om een volledige effectenbeoordeling te kunnen maken. Mogelijk dienen mitigerende of compenserende maatregelen genomen te worden (anders
24/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
-
-
-
-
dan maatregelen in het kader van de algemene zorgplicht) en is het aanvragen van een ontheffing van de Wnb aan de orde. De planontwikkeling heeft naar verwachting geen negatieve effecten op beschermde planten, vleermuizen, amfibieën, vissen, libellen, dagvlinders, ongewervelden en jaarrond beschermde broedvogels. Voor deze soortgroepen behoeven geen mitigerende maatregelen genomen te worden (anders dan maatregelen in het kader van de algemene zorgplicht) en is het aanvragen van een ontheffing van de Wnb niet aan de orde. Wel kunnen tijdens het broedseizoen algemene broedvogels aanwezig zijn. In verband met het voorkomen van algemene broedvogels in en binnen de invloedsfeer van het plangebied moeten mogelijk mitigerende maatregelen worden genomen. Dit is sterk afhankelijk van het moment en de duur van uitvoering. Voor alle soorten, ongeacht bescherming via natuurwetgeving of niet, geldt de zorgplicht waarbij eenieder voldoende zorg in acht neemt voor de in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Er is naar verwachting geen sprake van effecten op GNN-gebieden en Natura 2000gebieden.
25/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
8
Advies
In dit hoofdstuk wordt advies (paragraaf 8.1) gegeven over maatregelen voor en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden, op basis van hoofdstuk 7. In paragraaf 8.2 wordt vervolgens geadviseerd over het vervolgtraject. In paragraaf 8.3 staat beschreven wat de geldigheid is van dit rapport. 8.1
Advies
Zorgplicht Voor alle aanwezige soorten, ook die niet beschermd zijn via de Wnb, geldt altijd de zorgplicht (artikel 1.11). In de zorgplicht wordt gesteld dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Dit betekent dat tijdens de werkzaamheden rekening dient te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van diverse soorten. Aanwezige dieren dienen de gelegenheid te krijgen om het terrein zelfstandig te verlaten. Indien deze dieren het terrein niet zelfstandig kunnen verlaten, dienen deze te worden verplaatst naar geschikt habitat buiten de ingreep. De voorkeur gaat uit naar het uitvoeren van werkzaamheden in de minst kwetsbare periode. Planning werkzaamheden t.o.v. kwetsbare periode van broedvogels Door de werkzaamheden op te starten voorafgaand aan het broedseizoen wordt de bouw van nesten door broedvogels ontmoedigd. De nesten die dan alsnog worden gebouwd worden niet aangetast omdat deze immers binnen de verstoringszone liggen. Broedende vogels (in gebruik zijnde broedlocaties/nesten) zijn beschermd en mogen derhalve niet verstoord worden (geen ontheffing mogelijk). Het broedseizoen is een globale periode (in ieder geval tussen 15 maart en 15 augustus, maar kan eerder beginnen en langer doorgaan), waarin de kans op broedgevallen groot is.
Omdat alle broedgevallen beschermd zijn, vallen ook broedgevallen buiten deze globale periode onder de bescherming van de Wnb. Aangepaste verlichting Voorts wordt geadviseerd met de verlichting (tijdens de werkzaamheden en in de gebruikssituatie) rekening te houden met soorten die gevoelig zijn voor licht (bijvoorbeeld vleermuizen). Dit kan door het licht zo veel mogelijk te richten, niet tijdens de nacht en schermer te werken en strooilicht zo veel mogelijk te beperken. Verlichting dient zo veel mogelijk gedimd en gericht worden (figuur 8.1) en waar mogelijk zoveel mogelijk worden afgeschermd van geschikt habitat voor vleermuizen en andere lichtgevoelige soorten.
26/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
Figuur 8.1: Voorbeeld gerichte verlichting. Links: ongerichte verlichting. Rechts: gerichte verlichting waarbij lichtverstoring wordt voorkomen. (Bron: Zoogdiervereniging, 2013)
Natuur inclusief bouwen en ontwikkelen biodiversiteit in de omgeving De biodiversiteit in Nederland staat onder druk. Ook in de bebouwde omgeving. Door het massaal toepassen van vogelschroten, opvullen van spouwmuren (ter isolatie), bomenkap en de verstening van tuinen (betegelen in plaats van gras, bomen en struiken), zijn veel verblijfplaatsen en leefgebied verloren gegaan. Door natuur inclusief te bouwen kan het tij worden gekeerd. Een omgeving waar plek is voor biodiversiteit is tevens een gezonde omgeving waar het prettig verblijven is voor de mens. Door het treffen van de juiste voorzieningen, zoals: vogelvides, (inbouw-)vleermuiskasten en nestkasten kan een bijdrage worden geleverd aan verschillende soorten en dus biodiversiteit. Deze voorzieningen zijn dusdanig ontworpen dat, mits juist geplaatst, fauna geen schade of overlast kan veroorzaken en gaan daarom goed samen met de gebruiksfunctie voor mensen. Naast prefab oplossingen dient ook gekeken te worden naar de juiste groenvoorzieningen. Deze zijn van belang voor de verspreidings- en foerageermogelijkheden van aanwezige soorten. Denk daarbij aan afwisseling tussen vegetatielagen (kruid-, struik- en boomlaag) en waterpartijen als poelen en sloten. Ook dit draagt bij aan een prettige leefomgeving. Denk daarbij niet alleen aan de tuin op het maaiveld, maar ook aan een kruidenrijk groen dak.
Er zijn zelfs zogenaamde ‘bruine daken’, als een groen dak niet haalbaar is. Deze zijn onder andere van belang voor de witte kwikstaart. 8.2
Vervolgtraject
Nader onderzoek Geadviseerd wordt om een nader onderzoek te laten uitvoeren naar de aanwezigheid van de bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel. Afhankelijk van de uitkomst van deze onderzoeken kan een ontheffing soortbescherming in het kader van de Wnb aan de orde zijn. Bij het nader onderzoek worden struikroverscamera’s neergelegd op strategische plaatsen. Buiten de cameravallen wordt onder andere gelet op vraatsporen, uitwerpselen, bewonings- en loopsporen (zoogdiervereniging, 2019)
27/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
Rugstreeppad Om te bepalen of het plangebied een functie als voortplantings- of verblijfplaats heeft voor de rugstreeppad dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd. Het onderzoek dient middels avondbezoeken in het voorjaar (tweede helft april en mei) naar de kooractiviteiten (voortplantingsactiviteiten) en avondbezoeken in het najaar (juli tot oktober) naar vaste verblijfplaatsen te worden uitgevoerd (BIJ12). Maatregelen ten behoeve van aanwezige plant- en diersoorten Geadviseerd wordt bij het bouwrijp maken van het plangebied, de voorgenomen maai- en kapwerkzaamheden en bij specifieke bouwwerkzaamheden de werkzaamheden te laten uitvoeren onder ecologische begeleiding. Door tijdens de voornoemde activiteiten rekening te houden met de aanwezige plant- en diersoorten wordt tevens voldaan aan LE3 criteria “inventarisatie aanwezige plant- en diersoorten”. 8.3
Geldigheid onderzoeksgegevens
Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegd gezag hanteert over het algemeen de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.”
28/36 — SOB010086 — Definitief — 5 september 2019
Literatuur Quickscan Natuurwetgeving ‘planlocatie Vierde Broekdijk te Aalten’, CSO adviesbureau, kenmerk 07J093, d.d. 20-03-2008. BIJ12, 2017 Kennisdocument Rugstreeppad versie 1.0, juli 2017, BIJ12, Utrecht Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, De Dagvlinders van Nederland, 2006, Odonata, KNNV, Utrecht. Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J., Buys, J.C. 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren, KNNV Uitgeverij, Utrecht. Provincie Gelderland, 2018, Omgevingsvisie Gaaf Gelderland, Provinciale verordening (19-122018), Provincie Gelderland, Arnhem NDFF, 2019. Bekende verspreiding van soorten ten opzichte van het plangebied – levering uit de NDFF, NDFF – ndff-ecogrid.nl Provincie Gelderland, 2017, Besluit van Provinciale Staten van Gelderland van 25 januari 2017, inzake het vaststellen van de wijziging omgevingsverordening Wet natuurbescherming Gelderland 2017. Internetbronnen: www.pdok.nl/viewer Kernkwaliteiten GNN, 2019, bezocht op 5 augustus 2019 via http://gelderland.maps.arcgis.com www.vlinderstichting.nl www.bij12.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.telmee.nl www.vleermuis.net www.zoogdiervereniging.nl www.minez.nederlandsesoorten.nl/soorten