Bijlage 3 Quickscans Slingeplas - 't Broock (Buro Ontwerp en Omgeving)
Tekst van het document
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
De grote weerschijnvlinder komt voornamelijk voor rond oude, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of bossen langs beekdalen. De soort gebruikt de boswilg en grauwe wilg als waardplant (Bos, 2006b). Binnen het plangebied werden meerdere breedbladige wilgen waargenomen, waaronder in een groenstrook parallel aan de Pastoorsdijk. Negatieve effecten op de grote weerschijnvlinder kunnen daarom niet worden uitgesloten. De iepenpage komt voor langs bosranden, in vochtige bossen, grotere tuinen en parken. Bijna de gehele levenscyclus van de soort speelt zich af rondom de boomkronen van de waardplant. De waardplant van de soort is de iep. Vrijwel alle iepensoorten die in Nederland voorkomen kunnen hiervoor worden gebruikt (Vliegenthart, 2020). In het plangebied zijn geen iepen waargenomen. Negatieve effecten op de iepenpage kunnen daarom worden uitgesloten. De kleine ijsvogelvlinder komt voornamelijk voor langs bosranden en in structuurrijke, vochtige loofbossen. De soort gebruikt de wilde kamperfoelie als waardplant (Geerling & Oosterveen, 2007). De waardplant van de soort werd echter niet aangetroffen, en waarnemingen uit de omgeving beperken zich tot Kloosterbos Landgoed ’t Nijveld en het Vragenderveen. Hierdoor kunnen negatieve effecten op de kleine ijsvogelvlinder worden uitgesloten.
5.2.6 Overige beschermde diersoorten Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde kevers, kreeftachtigen en weekdieren in de ruime omgeving van het plangebied. Negatieve effecten op deze soortgroepen kunnen daarom worden uitgesloten. De strikt beschermde gevlekte witsnuitlibel, beekrombout, bosbeekjuffer, gevlekte glanslibel, hoogveenglanslibel en grote modderkruiper komen echter wel voor in de ruime omgeving van het plangebied. De gevlekte witsnuitlibel is een uiterst kritische soort die gevoelig is voor eutrofiëring en alleen voorkomt in stabiele ecosystemen. Dit kunnen laagveenmoerassen, vegetatierijke vennen en duinplassen. Als larve verblijft de soort hier tussen een dichte vegetatie met vederkruiden, fonteinkruiden en waterviolier. Bij voorkeur zijn ook gele plomp en waterlelies aanwezig. In de laatste fase van het larvestadium bevinden ze zich echter in oevervegetatie bestaande uit zeggen, biezen of holpijp (van Grunsven & Bos, 2019). Deze soort kan worden uitgesloten omdat geschikt habitat ontbreekt en recente waarnemingen afkomstig zijn uit Kloosterbos Landgoed ‘t Nijveld. De beekrombout komt voor in verschillende typen stromend water, met name in de buurt van stromingsluwe plekken in de meander van beken en rivieren. Ook langs gekanaliseerde beken komt de soort voor (De Vlinderstichting, 2024 a). In het plangebied zijn geen beken of rivieren aanwezig.
Door dit gebrek aan geschikt leefgebied kunnen negatieve effecten op de soort als gevolg van de werkzaamheden worden uitgesloten. De bosbeekjuffer komt voor langs de midden- en bovenlopen van beken en rivieren. Delen van de waterloop met een variatie in stroomsnelheid hebben de voorkeur, zoals langs meanders en natuurlijke obstakels. De larven worden aangetroffen tussen de wortels van bomen in holle oevers (De Vlinderstichting, 2024b). In het plangebied zijn geen beken of rivieren aanwezig. Door dit gebrek aan geschikt leefgebied kunnen negatieve effecten op de soort als gevolg van de werkzaamheden worden uitgesloten. 27
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
De gevlekte glanslibel is een vrij zeldzame soort die zich voortplant in matig voedselrijke moerassen. De volwassen dieren jagen in en langs bos en struweel in de buurt van de voortplantingswateren (De Vlinderstichting, 2024c). Het water in het plangebied voldoet niet aan de eisen die deze soort aan zijn leefomgeving stelt. Hierdoor kunnen negatieve effecten op de gevlekte glanslibel worden uitgesloten. De hoogveenglanslibel is een soort van hoogvenen en matig voedselrijke vennen. De larven leven in dichte pakketten van veenmos, waar ze twee tot vijf jaar in het larve stadium doorbrengen (De Vlinderstichting, 2024f). De aanwezigheid van een uitgebreide begroeiing van veenmos is cruciaal voor deze soort. Het water in het plangebied voldoet niet aan de eisen die deze soort aan zijn leefomgeving stelt. Hierdoor kunnen negatieve effecten op de hoogveenglanslibel worden uitgesloten. De grote modderkruiper heeft een voorkeur voor ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een grote hoeveelheid waterplanten. De soort staat bekend om zijn vermogen om bij droogvalling in de modder te overleven (NDFF & RAVON, 2024). De Slingeplas voldoet niet aan de eisen die de grote modderkruiper aan zijn omgeving stelt. De plas is relatief diep en er is een matige hoeveelheid waterplanten aanwezig. Hiernaast zullen de geplande werkzaamheden geen effect hebben op de Slingeplas zelf.
Er wordt wel een deel van het strand afgegraven/verbreed, aan de kant van de nieuwe horeca en voetbalvelden. Omdat hier geen nagenoeg geen oevervegetatie aanwezig is kunnen negatieve effecten op de grote modderkruiper worden uitgesloten. 5.2.7 Vaatplanten en mossen Op basis van openbare verspreidingsgegevens blijkt dat het strikt beschermde wilde ridderspoor in de ruime omgeving van het plangebied te verwachten is. Wilde ridderspoor groeit op stroomruggen in het rivierengebied en wintergraanakkers op kalkhoudende en zandige kleigrond. De soort is zeer sterk in aantal afgenomen door het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen en overmatige bemesting van landbouwgrond (NDFF & FLORON, 2024). In het plangebied zijn dergelijke biotopen niet aanwezig, waardoor negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Tijdens de quickscan werden alleen algemene plantensoorten waargenomen in en rondom het plangebied, waaronder de beuk, boswilg, zomereik, klimop, look-zonder-look, hondsdraf, gewone es, madeliefje, gewone paardenbloem, smeerwortel, wilde lijsterbes, gewone vogelkers, paarse dovenetel, kleefkruid, stinkende gouwe, grote brandnetel, gewoon speenkruid, witte dovenetel en duizendblad. De rijksregels voor een flora- en fauna-activiteit zijn niet van toepassing op deze soorten en er hoeft voor deze soorten geen omgevingsvergunning te worden aangevraagd.
5.2.8 Rode lijst-soorten Tijdens de quickscan werd vastgesteld dat de boerenzwaluw en huiszwaluw aanwezig is in het plangebied. Daarnaast blijkt uit verspreidingsgegevens dat het plangebied ook geschikt is voor de haas, konijn en de egel. 28
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
5.2.9 Invasieve exoten Planten en dieren op de Unielijst Er zijn tijdens de quickscan geen waarnemingen van invasieve uitheemse soorten en invasieve exoten gedaan. Omtrent invasieve exoten hoeft geen melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag.
29
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Aziatische duizendknopen Er zijn tijdens de quickscan geen waarnemingen van Aziatische duizendknopen gedaan. Er hoeven daarom geen aanvullende stappen te worden ondernomen omtrent de Aziatische duizendknopen.
30
Quickscan natuurtoets
5.3
Buro Ontwerp & Omgeving
Samenvatting Tabel 1 geeft een overzicht van soorten die (mogelijk) aanwezig zijn, de effecten waar ze last van kunnen hebben en eventuele vervolgstappen die genomen moeten worden. Tabel 1. Soortenoverzicht. Soortgroep
Soort(en)
Aanwezigheid
Mogelijk effect
Opmerkingen
Vleermuizen
Verblijfplaatsen
Mogelijk
Verstoren, beschadigen
Nader onderzoek
gebouwbewonende
of vernielen van rust-
nodig
soorten
of voortplantingsplaatsen
Verblijfplaatsen
Verstoren, beschadigen
Nader onderzoek
boombewonende
Mogelijk
of vernielen van rust-
nodig
soorten
of voortplantingsplaatsen
Foerageergebieden
Mogelijk
Verdwijnen
Nader onderzoek
foerageergebieden
nodig indien foerageergebieden aangetast worden
Vliegroutes
Mogelijk
Verdwijnen vliegroutes
Nader onderzoek indien lijnvormige elementen verwijderd worden
Grondgebonden
Bunzing, wezel,
zoogdiersoorten
Mogelijk
Beschadigen of
Nader onderzoek
hermelijn,
vernielen van rust- of
nodig
boommarter,
voortplantingsplaatsen
steenmarter, das, eekhoorn, grote bosmuis en woelrat Vogels
Algemene soorten
Mogelijk
Nee*
-
Boomvalk, buizerd,
Mogelijk
Verstoren, beschadigen
Nader
sperwer, kerkuil,
of vernielen van
nodig
ransuil, steenuil,
rustplaatsen,
gierzwaluw en
nestplaatsen of
huismus
onderzoek
functioneel leefgebied
Algemene soorten
Mogelijk
Verstoren nestplaatsen
Werken buiten het
Reptielen en
Ringslang en
Mogelijk
Verstoren, beschadigen
Nader
amfibieën
hazelworm
of vernielen van
nodig
vogelbroedseizoen onderzoek
rustplaatsen, nestplaatsen of functioneel leefgebied Vlinders
Algemene soorten
Mogelijk
Nee*
-
Grote vos en grote
Mogelijk
Beschadigen of
Nader onderzoek
vernielen van
nodig
weerschijnvlinder
overwinteringsplaatsen
31
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Overige
Strikt beschermde
diersoorten
soorten
Vaatplanten en
Strikt beschermde
mossen
soorten
Rode lijst-
Boerenzwaluw,
soorten
huiszwaluw, haas, konijn en egel
Nee
Nee
-
Nee
Nee
-
Mogelijk
Beschadigen of
Opnemen van
vernielen van
passende
rustplaatsen,
preventieve
voortplantingsplaatsen,
maatregelen in
nestplaatsen of
een ecologisch
functioneel leefgebied*
werkprotocol indien deze soorten een rust-, nest- of verblijfplaats hebben. Tijdens verdere ecologische onderzoeken blijven controleren op soorten uit deze categorie
Exotische
Soorten van de
soorten
Unielijst Aziatische
Nee
-
-
Nee
-
-
duizendknopen *Er dient rekening te worden gehouden met de specifieke zorgplicht.
32
Quickscan natuurtoets
6.
Conclusie
6.1
Gebiedsbescherming
Buro Ontwerp & Omgeving
Er is onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten op beschermde gebieden. Natura 2000 Het plangebied ligt buiten de Natura 2000-gebieden. Aangezien het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op ca. 2,9 km afstand ligt zijn negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten uitgesloten. Door het gebruik van werktuigen en voertuigbewegingen kunnen er wel gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Om de eventuele effecten van stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt aangeraden om een AERIUS-berekening (voortoets stikstof) uit te laten voeren voor zowel de realisatiefase als gebruiksfase. Negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden kunnen worden uitgesloten als uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr op Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Het plangebied ligt op ca. 5 meter afstand van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en op ca. 900 meter afstand van de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast.
Houtopstanden De groenvoorzieningen in het plangebied vallen merendeels onder de definitie houtopstanden, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet. De te kappen bomen en/of struiken bevinden zich grotendeels buiten de bebouwingscontour houtkap. De rijksregels over het vellen van houtopstanden zijn daarom van toepassing (artikel 11.111, Bal). Indien er houtopstanden worden geveld dient rekening te worden gehouden met de aanvraag van een omgevingsvergunning bij het Omgevingsloket. Er wordt geadviseerd om een Vergunningcheck uit te voeren, alvorens wordt besloten om groenvoorzieningen te verwijderen.
33
Quickscan natuurtoets
6.2
Buro Ontwerp & Omgeving
Soortbescherming Er is onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten op beschermde soorten.
6.2.1 Jaarrond beschermde soorten Van een aantal soorten is de aanwezigheid in het plangebied niet uit te sluiten. Hieronder wordt per soort ingegaan op de bescherming en de mogelijke effecten die zij kunnen ondervinden door de werkzaamheden. Alle onderstaande soorten dienen nader onderzocht te worden. Vleermuizen Tijdens het veldbezoek zijn invliegopeningen aangetroffen in het kantinegebouw van de sportvereniging, het gebouw en de schuur op het parkeerterrein, het toiletgebouw en de kiosk op de ligweide van de Slingeplas en in een groot aantal bomen verspreid door het plangebied die vleermuizen toegang kunnen bieden tot potentiële verblijfplaatsen. Het gaat bijvoorbeeld om openingen onder kantpannen, nokvorsten en langs dakgoten. Alle vleermuissoorten zijn beschermd op grond van de Habitatrichtlijn. Het is daarom verboden om de soorten opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.46 lid 1a, Bal), opzettelijk te verstoren (artikel 11.46 lid 1b, Bal) of de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of vernielen (artikel 11.46 lid 1d, Bal). De geplande werkzaamheden zoals de sloop van de bebouwing en de kap van houtsingels kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van vleermuizen.
Ook verstoring door de werkzaamheden, zoals geluidstrillingen en het gebruik van bouwlampen kan tot een overtreding van het Bal leiden. De aanwezigheid van vleermuizen in de bebouwing, de vliegroutes en de foerageergebieden moet om deze redenen nader worden onderzocht. Bunzing, hermelijn, wezel De aanwezigheid van de bunzing, hermelijn en wezel is in het plangebied niet uit te sluiten, waardoor negatieve effecten op rust- of voortplantingsplaatsen van deze soorten niet kunnen worden uitgesloten. Deze kleine marters zijn soorten van nationaal belang en zijn in de provincie Gelderland niet vrijgesteld. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de soort. Nader onderzoek naar de kleine marterachtigen is daarom noodzakelijk. Steenmarter en boommarter De aanwezigheid van de steenmarter en boommarter is in het plangebied niet uit te sluiten door de aanwezigheid van takkenhopen en dicht struweel die voldoende schuilgelegenheid bieden. Hierdoor kunnen negatieve effecten op een rust- of voortplantingsplaats van de steenmarter en boommarter niet worden uitgesloten.
De steenmarter en boommarter zijn soorten van nationaal belang en zijn in de provincie Gelderland niet vrijgesteld. Het is daarom verboden om de soorten opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de soorten. De eventuele aanwezigheid van de steen- en boommarter moet daarom nader worden onderzocht. 34
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Das Aangezien het plangebied voldoet aan de habitatseisen van de das, is de aanwezigheid van de soort hier niet uit te sluiten. De das is een soort van nationaal belang en is in de provincie Gelderland niet vrijgesteld. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de soort. De eventuele aanwezigheid van de das moet daarom nader worden onderzocht. Eekhoorn Tijdens het veldbezoek is het terrein geschikt bevonden voor de eekhoorn als gevolg van de aanwezigheid van geschikte boomholtes en meerdere potentieel geschikte nesten. De eekhoorn is een soort van nationaal belang en is in de provincie Gelderland niet vrijgesteld. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de soort. De eventuele aanwezigheid van de eekhoorn moet daarom nader worden onderzocht.
Grote bosmuis Aangezien het plangebied voldoet aan de habitatseisen van de grote bosmuis, is de aanwezigheid van de soort hier niet uit te sluiten. De grote bosmuis is een soort van nationaal belang en is in de provincie Gelderland niet vrijgesteld. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de grote bosmuis. De eventuele aanwezigheid van de das moet daarom nader worden onderzocht. Woelrat Aangezien het plangebied voldoet aan de habitatseisen van de woelrat, is aanwezigheid van de soort hier niet uit te sluiten. Tevens zijn gangenstelsel aangetroffen die met grote waarschijnlijkheid door de woelrat gemaakt zijn. De woelrat is een soort van nationaal belang en is in de provincie Gelderland niet vrijgesteld. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de woelrat.
De eventuele aanwezigheid van de woelrat moet daarom nader worden onderzocht. Boomvalk Een aantal potentiële nesten waar de boomvalk in kan broeden werden aangetroffen in het plangebied. De boomvalk is beschermd op grond van de Vogelrichtlijn. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.37 lid 1a, Bal), de nestlocaties, rustplaatsen en eieren opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.37 lid 1b, Bal) en de soort opzettelijk te storen (artikel 11.37 lid 1d, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of nestplaats van de soort. De aanwezigheid van de boomvalk moet daarom nader worden onderzocht. 35
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Buizerd De buizerd werd tijdens de quickscan overvliegend waargenomen. In het plangebied werden geen nesten aangetroffen, maar de werkzaamheden kunnen alsnog impact hebben op het functioneel leefgebied indien de soort vlak buiten het plangebied broedt. Daarnaast is aanvullend onderzoek nodig om de afwezigheid van de buizerd in het plangebied aan te kunnen tonen. De buizerd is beschermd op grond van de Vogelrichtlijn. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.37 lid 1a, Bal), de nestlocaties, rustplaatsen en eieren opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.37 lid 1b, Bal) en de soort opzettelijk te storen (artikel 11.37 lid 1d, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van negatieve effecten op een rust- of nestplaats van de soort. De aanwezigheid van de buizerd moet daarom nader worden onderzocht. Sperwer Tijdens het onderzoek werd de sperwer vastgesteld in het plangebied en deze vertoonde territoriaal gedrag. Hierdoor is het aannemelijk dat de soort in het plangebied broedt. De sperwer is beschermd op grond van de Vogelrichtlijn. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.37 lid 1a, Bal), de nestlocaties, rustplaatsen en eieren opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.37 lid 1b, Bal) en de soort opzettelijk te storen (artikel 11.37 lid 1d, Bal).
De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of nestplaats van de soort. De aanwezigheid van de sperwer moet daarom nader worden onderzocht. Kerkuil Het campinggebouw is geschikt bevonden als verblijfplaats voor de kerkuil. Hiernaast is het plangebied geschikt als functioneel leefgebied van de soort, wat door de werkzaamheden aangetast zal worden. De kerkuil is beschermd op grond van de Vogelrichtlijn. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.37 lid 1a, Bal), de nestlocaties, rustplaatsen en eieren opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.37 lid 1b, Bal) en de soort opzettelijk te storen (artikel 11.37 lid 1d, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of nestplaats van de soort. De aanwezigheid van de sperwer moet daarom nader worden onderzocht. Ransuil Tijdens de onderzoeken werden geen ransuilen vastgesteld, maar in het plangebied bevinden zich meerder boomnesten die geschikt zijn als nestlocatie voor de soort. De ransuil is beschermd op grond van de Vogelrichtlijn. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.37 lid 1a, Bal), de nestlocaties, rustplaatsen en eieren opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.37 lid 1b, Bal) en de soort opzettelijk te storen (artikel 11.37 lid 1d, Bal).
De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of nestplaats van de soort. De aanwezigheid van de ransuil moet daarom nader worden onderzocht.
36
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Steenuil Tijdens de onderzoeken werden geen steenuilen vastgesteld in het plangebied, maar er zijn meerdere potentieel geschikte boomholten waargenomen waar de steenuil gebruik van kan maken als rust- of nestlocatie. Bovendien kan het plangebied behoren tot het functioneel leefgebied van de soort. De steenuil is beschermd op grond van de Vogelrichtlijn. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.37 lid 1a, Bal), de nestlocaties, rustplaatsen en eieren opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.37 lid 1b, Bal) en de soort opzettelijk te storen (artikel 11.37 lid 1d, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of nestplaats van de soort. De aanwezigheid van de steenuil moet daarom nader worden onderzocht. Gierzwaluw Tijdens het veldbezoek zijn potentiële invliegopeningen met een vrije aanvliegmogelijkheid aangetroffen aan een zijde van het campinggebouw. De gierzwaluw wordt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.37 lid 1a, Bal), de nestlocaties, rustplaatsen en eieren opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.37 lid 1b, Bal) en de soort opzettelijk te storen (artikel 11.37 lid 1d, Bal).
De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of nestplaats van de soort. De aanwezigheid van de gierzwaluw moet daarom nader worden onderzocht. Huismus Een deel van de bebouwing in het plangebied is geschikt als nestlocatie voor de huismus. Zowel het campinggebouw als het toiletgebouw en de kiosk beschikken over ruimtes onder dakpannen en langs kantpannen die toegankelijk zijn voor de soort. De huismus is beschermd op grond van de Vogelrichtlijn. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.37 lid 1a, Bal), de nestlocaties, rustplaatsen en eieren opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.37 lid 1b, Bal) en de soort opzettelijk te storen (artikel 11.37 lid 1d, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of nestplaats van de soort. De aanwezigheid van de huismus moet daarom nader worden onderzocht. Ringslang De rietkragen met afgestorven riet verzorgen een geschikte omgeving voor de ringslang om tot broeden te komen. De ringslang is een soort van nationaal belang. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en om de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal).
De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de soort. De aanwezigheid van de ringslang moet daarom nader worden onderzocht. Hazelworm De aanwezige houtsingels in het plangebied behoren tot een potentieel geschikte leefomgeving voor hazelworm. De hazelworm is een soort van nationaal belang. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en om de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de soort. De aanwezigheid van de hazelworm moet daarom nader worden onderzocht. 37
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Grote vos In het plangebied zijn meerdere waardplanten van de grote vos waargenomen, waaronder een zoete kers en breedbladige wilden. Hiernaast kan de bebouwing als overwinteringsplaats voor de soort dienen. De grote vos is een soort van nationaal belang. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en om de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de soort. De aanwezigheid van de grote vos moet daarom nader worden onderzocht. Grote weerschijnvlinder In het plangebied breedbladige wilgensoorten aangetroffen die kunnen dienen als waardplant voor de grote weerschijnvlinder. Hierdoor kan het plangebied dienen als rust- of voortplantingsplaats voor de soort. De grote weerschijnvlinder is een soort van nationaal belang. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.54 lid 1a, Bal) en om de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen (artikel 11.54 lid 1b, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van de soort.
De aanwezigheid van de grote weerschijnvlinder moet daarom nader worden onderzocht. 6.2.2 Algemene diersoorten Het kan zijn dat er tijdens de werkzaamheden algemene broedvogels en andere diersoorten in het plangebied voorkomen. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden moet de specifieke zorgplicht in acht worden genomen (artikel 11.27, Bal). Handelingen die nadelige effecten hebben moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Indien dit niet mogelijk is moeten passende preventieve maatregelen worden genomen om nadelige effecten te beperken of ongedaan te maken. Bovendien moet zowel tijdens als na het verrichten van de activiteit worden nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben tijdens. Het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen. Passende herstelmaatregelen moeten worden getroffen als het staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is. 6.2.3 Rode lijst-soorten Tijdens de quickscan werd vastgesteld dat de grote lijster, boerenzwaluw en huiszwaluw aanwezig is in het plangebied. Daarnaast blijkt uit verspreidingsgegevens dat het plangebied ook geschikt is voor de haas, konijn en de egel. 6.2.4 Invasieve exoten Planten en dieren op de Unielijst Er zijn tijdens de quickscan geen waarnemingen van invasieve uitheemse soorten en invasieve exoten gedaan.
Omtrent invasieve exoten hoeft geen melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag.
38
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Aziatische duizendknopen Er zijn tijdens de quickscan geen waarnemingen van Aziatische duizendknopen gedaan. Er hoeven daarom geen aanvullende stappen te worden ondernomen omtrent de Aziatische duizendknopen. 6.2.5 Verlichting Maak in de actieve periode van vleermuizen ’s avonds en ’s nachts geen of zo min mogelijk gebruik van bouwverlichting. Uitstraling naar groen, bomen, water en het GO-/GNN-gebied moet worden voorkomen. Indien verlichting in de permanente situatie noodzakelijk is wordt aangeraden om gebruik te maken van vleermuisvriendelijke, amberkleurige verlichting. Zodoende kan eventuele verstoring tot een minimum worden beperkt. Er mag geen gebruik worden gemaakt van blauw en ultraviolet licht. Waar verlichting noodzakelijk is, dienen de lichtstralen gebundeld te zijn en op de grond te worden gericht.
6.3
Nader onderzoek Gelet op de geschiktheid van het plangebied voor gebouwbewonende vleermuizen, boombewonende vleermuizen, bunzing, hermelijn, wezel, boommarter, steenmarter, das, eekhoorn, grote bosmuis, woelrat, boomvalk, buizerd, sperwer, kerkuil, ransuil, steenuil, gierzwaluw, huismus, ringslang, grote vos en grote weerschijnvlinder is nader onderzoek noodzakelijk om de daadwerkelijke functie van het plangebied voor deze soorten te kunnen bepalen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van het Bal aan de orde zijn. Vleermuizen Het nader onderzoek naar vleermuizen dient te worden uitgevoerd conform het vleermuisprotocol 2021 (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus & Zoogdiervereniging, 2021). Voor gebouwbewonende soorten worden de onderzoeksmethoden van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, watervleermuis en laatvlieger aangehouden, waarmee ook andere vleermuissoorten kunnen worden aangetoond. Er dient rekening te worden gehouden met een mogelijke functie als zomerverblijf, kraamverblijf, paarverblijf en (inclusief zwermende dieren bij massawinterverblijven). Hierdoor zijn in totaal vijf vleermuisinventarisaties noodzakelijk rond observatiepunten bij gebouwen.
Van deze onderzoeken dienen per observatiepunt drie rondes te worden uitgevoerd in de zomer- en kraamperiode (15 mei t/m 15 juli), waarvan twee avondrondes en één ochtendronde. Twee andere rondes dienen te worden uitgevoerd in het paarseizoen (15 augustus t/m 15 oktober). Omdat de aanwezigheid van een massawinterverblijf (van de gewone dwergvleermuis) niet op voorhand kan worden uitgesloten (ligging in buitengebied), dient echter ook deze functie in het najaar te worden onderzocht. Zwermende gewone dwergvleermuizen kunnen worden aangetroffen bij massawinterverblijfplaatsen in de periode 1 augustus t/m 10 september. Onderzoek naar paar- en massawinterverblijven kunnen daarom gecombineerd worden uitgevoerd indien het onderzoek plaatsvindt in de periode 15 augustus t/m 10 september.
39
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Omdat er nadelige effecten op bomen met holen zullen plaatsvinden is ook nader onderzoek noodzakelijk naar boombewonende vleermuizen. Zowel het vellen van bomen als verstoring door de bouwwerkzaamheden moet daarbij in beschouwing worden genomen. Voor boombewonende soorten dienen ook de onderzoeksmethoden van de rosse vleermuis en franjestaart te worden aangehouden, met twee rondes in de zomer- en kraamperiode (15 mei t/m 15 juli) en twee rondes in het paarseizoen van de rosse vleermuis (1 augustus t/m 15 september) en twee rondes in het paarseizoen van de franjestaart (15 september t/m 15 oktober). Daarnaast dienen de foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen in kaart te worden gebracht. Bunzing, hermelijn, wezel Het nader onderzoek naar de bunzing, hermelijn en wezel moet worden uitgevoerd tussen 1 juni en 15 november conform het kennisdocument van BIJ12 (BIJ12, 2024). In deze periode is de trefkans het grootst aangezien populatieaantallen hier het hoogst zijn en omdat in deze periode dispersie plaatsvindt. Een onderzoeksperiode dient minimaal acht aaneengesloten weken te duren. Om binnen de geschikte periode te blijven moet het nader onderzoek uiterlijk half september starten. Onderzoek naar de kleine marters vindt plaats aan de hand van een combinatie van onderzoeksmethoden, namelijk door middel van cameravallen, sporenbuizen en marterboxen.
Hierbij geldt de minimale inzet van één methodiek per 0,25 hectare geschikt leefgebied. Voor sporenbuizen geldt dat een grotere inzet nodig is, waarbij het toepassen van 10 sporenbuizen gelijk staat aan één cameraval of marterbox. Elk meetpunt dient elke te onderzoeken soort te dekken. Binnen de onderzoeksperiode van acht weken bestaat de mogelijkheid om na vier weken het onderzoeksmateriaal te verplaatsen om meer meetpunten te creëren. De bunzing, hermelijn en wezel kunnen voor de camera gelokt worden met een sterk geurende lokstof. Er wordt daarom gekozen voor een combinatie van gekookt ei en/of sardines om de potentieel aanwezige soorten te lokken. Boommarter en steenmarter Voor de boommarter en steenmarter is geen onderzoeksprotocol beschikbaar. Om onderzoek naar deze soorten te doen kan echter gebruik worden gemaakt van de onderzoeksmethoden naar kleine marterachtigen, zoals gehanteerd in het kennisdocument van BIJ12 (BIJ12, 2024). Het nader onderzoek dient te worden uitgevoerd met behulp van cameravallen en/of marterboxen. Hiermee kunnen ook de boommarter en steenmarter worden vastgesteld. Hierbij geldt de minimale inzet van één methodiek per 0,25 hectare geschikt leefgebied. Verder dienen de onderzoeksmaterialen minstens acht weken op de locatie aanwezig te zijn. De meest geschikte periode voor het onderzoek is tussen 1 juni en 15 november.
In deze periode is de trefkans namelijk het grootst, aangezien populatieaantallen hier het hoogst zijn en omdat in deze periode dispersie plaatsvindt. Das Het nader onderzoek naar de das dient te worden uitgevoerd conform het kennisdocument van BIJ12 (BIJ12, 2017a). De aanwezigheid van de das kan jaarrond worden aangetoond door het plaatsen van cameravallen, door drie sporenonderzoeken te doen en door gebruik te maken van de verspreidingsgegevens die bekend zijn bij Stichting Das & Boom. Het onderzoek met cameravallen naar de kleine marterachtigen, steenmarter en boommarter overlapt daarom met het onderzoek naar de das.
40
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Eekhoorn Als gevolg van het grote aantal boomholen en nesten in het plangebied is nader onderzoek naar de eekhoorn noodzakelijk. Om vast te kunnen stellen of de eekhoorn in het projectgebied aanwezig is moeten in totaal drie veldbezoeken worden afgelegd in verschillende jaargetijden. Grote bosmuis Voor de grote bosmuis is geen soortspecifiek onderzoeksprotocol beschikbaar. Het nader onderzoek naar de grote bosmuis kan echter worden uitgevoerd aan de hand van het kennisdocument van de noordse woelmuis (BIJ12, 2017g). Het onderzoek dient plaats te vinden met inloopvallen (bijv. Longworth-inloopvallen). Deze worden paarsgewijs geplaatst over de lengte van de geschikte gebieden met een onderlinge afstand van 10 meter. Gedurende twee dagen worden de vallen zowel ’s ochtends als ‘s avonds eenmaal gecontroleerd. Voorafgaand aan het onderzoek dienen de vallen (gevuld met hooi) drie nachten ongebruikt te worden neergezet om de dieren te laten wennen. Eén nacht voorafgaand het onderzoek wordt er voer in de vallen gedaan en waar nodig wordt dit gedurende het onderzoek aangevuld. De optimale periode voor het uitvoeren van het onderzoek is tussen 1 augustus en 31 oktober. Woelrat Nader onderzoek naar de woelrat vindt plaats binnen het voortplantingsseizoen van de soort, waarin twee inventarisatiemomenten plaatsvinden.
Het voortplantingsseizoen begint in maart en eindigt in september-oktober (Zoogdiervereniging, 2024f). Tussen de twee inventarisatiemomenten moet minimaal twee maanden zitten. Tijdens de veldbezoeken wordt gezocht naar zowel sporen als exemplaren van de soort (Dean et al., 2016). Aangezien de soort zich vaak in de ondergrondse gangen bevindt, is het waarnemen van exemplaren lastig. In het veld wordt gezocht naar latrines, vraatsporen, pootafdrukken en (ingangen van) gangenstelsels. Dit gebeurt zowel langs geschikte oevers, als in geschikte terrestrische habitats. Habitat wordt voor de woelrat geschikt geacht wanneer er water in de buurt is, met enige ruigte in de (oever)vegetatie (Provincie Gelderland, pers. comm., 2024). Van de sporen kunnen alleen de uitwerpselen op zichzelf als voldoende bewijs voor de aanwezigheid van de soort dienen (Dean et al., 2016). Boomvalk Het nader onderzoek naar de boomvalk dient te worden uitgevoerd in de periode 1 mei tot en met 31 augustus conform de BMP-methode en telrichtlijnen van SOVON Vogelonderzoek Nederland (Vergeer et al., 2016). Gedurende twee veldbezoeken moet worden gekeken of er sprake is van nestindicatieve waarnemingen, dan wel balts of de aanwezigheid van exemplaren. Buizerd Het nader onderzoek naar de buizerd dient te worden uitgevoerd in de periode 1 maart tot en met 15 mei conform het kennisdocument van BIJ12 (BIJ12, 2017 b).
Gedurende twee tot vier veldbezoeken moet worden gekeken of er sprake is van nestlocaties, dan wel de aanwezigheid van bewoonde territoria. Er dienen tenminste tien dagen te zitten tussen de veldbezoeken. Sperwer Het nader onderzoek naar de sperwer dient te worden uitgevoerd in de periode 1 maart tot en met 15 juli conform de BMP-methode en telrichtlijnen van SOVON Vogelonderzoek Nederland (Vergeer et al., 2016). Gedurende twee veldbezoeken moet worden gekeken of er sprake is van nestindicatieve waarnemingen, dan wel balts of de aanwezigheid van exemplaren. 41
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Kerkuil Het nader onderzoek naar de kerkuil dient te worden uitgevoerd in de periode 1 februari tot en met 31 augustus conform het kennisdocument van BIJ12. Gedurende drie veldbezoeken moet worden gekeken of er sprake is van nestindicatieve waarnemingen, dan wel balts of de aanwezigheid van exemplaren. Indien de soort aanwezig is dient ook het terreingebruik in kaart worden gebracht om te kunnen bepalen of er onderdelen van de essentiële functionele leefomgeving verloren gaan (BIJ12, 2017c). Ransuil Het nader onderzoek naar de ransuil dient te worden uitgevoerd in de periode 20 februari tot en met 20 juli conform de BMP-methode en telrichtlijnen van SOVON Vogelonderzoek Nederland (Vergeer et al., 2016). Gedurende twee veldbezoeken moet worden gekeken of er sprake is van nestindicatieve waarnemingen, dan wel balts of de aanwezigheid van exemplaren. Steenuil Het nader onderzoek naar de steenuil dient te worden uitgevoerd conform het kennisdocument van BIJ12. Er moet worden onderzocht of het plangebied deel uitmaakt van het territorium van een steenuil en of de soort in het plangebied broedt. Om vast te kunnen stellen of de soort aanwezig is, worden er drie inventarisaties uitgevoerd in de periode van 1 februari tot en met 30 april. Overigens kunnen nestindicatieve waarnemingen gedaan worden van begin februari tot en met half juli.
Er dient minimaal één maand te zitten tussen het eerste en het laatste bezoek. Indien de soort aanwezig is dient ook het terreingebruik in kaart worden gebracht om te kunnen bepalen of er onderdelen van de essentiële functionele leefomgeving verloren gaan. Daarnaast dient er ook een dagbezoek te worden uitgevoerd waarbij wordt onderzocht of er sporen en dergelijke aanwezig zijn (BIJ12, 2017 d). Gierzwaluw Het nader onderzoek naar de gierzwaluw moet worden uitgevoerd tussen 1 juni en 15 juli conform het kennisdocument van BIJ12. Dit is de periode waarin gierzwaluwen gebruik maken van de nestlocaties. In deze periode moeten er drie veldbezoeken worden afgelegd met een tussenperiode van tenminste tien dagen. Hiervan moet tenminste één van de veldbezoeken plaatsvinden tussen 1 juni en 30 juni en tenminste één van de veldbezoeken tussen 1 juli en 15 juli. De inventarisaties duren van anderhalf uur voor zonsondergang tot een half uur na zonsondergang (BIJ12, 2023a). Huismus Het nader onderzoek naar de huismus moet worden uitgevoerd tussen 1 april en 15 mei conform het kennisdocument van BIJ12. In deze periode moeten twee veldbezoeken worden afgelegd met een tussenliggende periode van minimaal tien dagen. Gedurende één uur moet worden gekeken of er zingende mannetjes aanwezig zijn en of er gebruik wordt gemaakt van invliegopeningen naar nestlocaties (BIJ12, 2023b).
42
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Ringslang Het nader onderzoek naar de ringslang dient te worden uitgevoerd conform het soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (2023). Drie inventarisatiemethodes moeten worden toegepast, welke in beperkte mate gecombineerd kunnen worden uitgevoerd . De eerste methode bestaat uit het zoeken naar eischalen in potentiële broeihopen. Dit betreft één controle in de periode oktober t/m maart. De tweede methode bestaat uit het zoeken naar zonnende vrouwtjes bij potentiële broeihopen. Bij dit onderzoek dienen drie inventarisaties te worden uitgevoerd in de periode juni t/m juli. Bij voorkeur worden de controles uitgevoerd in de ochtend, op zonnige tot half bewolkte dagen. De derde methode die moet worden toegepast betreft onderzoek met behulp van reptielplaten. Dit type onderzoek bestaat uit vijf veldbezoeken in de periode april t/m september. Hiervan dient de eerste ronde voor het neerleggen van reptielplaten, waarop een gewenningsperiode van tenminste 14 dagen plaatsvindt. Van de vier inventarisaties dienen er minimaal twee plaats te vinden in de periode april t/m mei en minimaal één in de periode augustus t/m september. Naast het controleren van de reptielplaten dient ook een route langs structuurovergangen en/of oeverzones te worden gelopen.
Verder bedraagt de periode tussen de inventarisaties minimaal één week en vinden de rondes bij voorkeur plaats in de ochtend, op zonnige tot half bewolkte dagen (NGB, 2023). Hazelworm Het nader onderzoek naar de hazelworm dient te worden uitgevoerd conform het soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (2023). Dit houdt in dat er zes veldbezoeken moeten worden afgelegd in de periode 1 april t/m 30 september. Hiervan dient de eerste ronde voor het neerleggen van reptielplaten, waarop een gewenningsperiode van tenminste 14 dagen plaatsvindt. De periode tussen de vijf inventarisaties bedraagt minimaal één week. Daarnaast wordt niet geïnventariseerd bij extreem weer, zoals bij zeer natte of zeer warme weersomstandigheden (NGB, 2023). Grote vos Om vast te kunnen stellen of de grote vos in het gebied aanwezig is dienen er drie inventarisaties te worden uitgevoerd. Deze zijn gericht op het waarnemen van de imago en het kunnen vaststellen of er sprake is van eventuele overwinteringsplaatsen. De optimale periode voor het waarnemen van de imago is van begin maart tot en met begin juni (eerste generatie) en van half juni tot begin september (tweede generatie) (De Vlinderstichting, 2024 d). De inventarisaties dienen daarom binnen deze periodes te worden uitgevoerd.
Met betrekking tot de weersomstandigheden wordt geadviseerd om de ‘Handleiding landelijke meetnetten vlinders, libellen en nachtvlinders’ te volgen (van Swaay et al., 2018). Dit houdt bijvoorbeeld in dat de tellingen alleen plaatsvinden bij temperaturen vanaf 13°C en dat wordt geteld tussen 10:00 en 17:00. Bij tellingen tussen 13 en 17°C vinden alleen inventarisaties plaats als het zonnig tot maximaal 50% bewolkt is. De derde inventarisatie wordt gericht op het waarnemen van overwinterende exemplaren in het campinggebouw.
43
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Grote weerschijnvlinder Om vast te kunnen stellen of de grote weerschijnvlinder in het gebied aanwezig is dienen er twee inventarisaties te worden uitgevoerd. Deze zijn gericht op het waarnemen van de imago. De optimale periode voor het waarnemen van de imago is van 15 juni tot begin augustus (De Vlinderstichting, 2024e). De inventarisaties dienen daarom binnen deze periode te worden uitgevoerd. Met betrekking tot de weersomstandigheden wordt geadviseerd om de ‘Handleiding landelijke meetnetten vlinders, libellen en nachtvlinders’ te volgen (van Swaay et al., 2018). Dit houdt bijvoorbeeld in dat de tellingen alleen plaatsvinden bij temperaturen vanaf 13°C en dat wordt geteld tussen 10:00 en 17:00. Bij tellingen tussen 13 en 17°C vinden alleen inventarisaties plaats als het zonnig tot maximaal 50% bewolkt is.
44
Quickscan natuurtoets
7.
Literatuurlijst
7.1
Referenties
Buro Ontwerp & Omgeving
Arntzen, J.W. & Smit, G.F.J. (2009). Amfibieën en reptielen: Kamsalamander. Natuur van Nederland, 9(1), 105-113. BIJ12 (2017a). Kennisdocument Das (versie 1.0, juli 2017). Utrecht, Nederland: BIJ12 BIJ12 (2017b). Kennisdocument Buizerd (versie 1.0, juli 2017). Utrecht, Nederland: BIJ12 BIJ12 (2017c). Kennisdocument Kerkuil (versie 1.0, juli 2017). Utrecht, Nederland: BIJ12 BIJ12 (2017d). Kennisdocument Steenuil (versie 1.0, juli 2017). Utrecht, Nederland: BIJ12 BIJ12 (2017e). Kennisdocument Roek (versie 1.0, juli 2017). Utrecht, Nederland: BIJ12 BIJ12 (2017f). Kennisdocument Levendbarende hagedis (versie 1.0, juli 2017). Utrecht, Nederland: BIJ12 BIJ12 (2017g). Kennisdocument Noordse woelmuis (versie 1.0, juli 2017). Utrecht, Nederland: BIJ12 BIJ12 (2023a). Kennisdocument Gierzwaluw (versie 2.0, juli 2023). Utrecht, Nederland: BIJ12. BIJ12 (2023b). Kennisdocument Huismus (versie 2.1, februari 2023). Utrecht, Nederland: BIJ12. BIJ12 (2024). Kennisdocument kleine marterachtigen (versie 1.0, januari 2024). Utrecht, Nederland: BIJ12 Bos, B. van den (2015). Ringslangen en broeihopen. Schubben & Slijm, 7(1), 4-5. Bos, F. (2006a). Dagvlinders: Grote vos Nymphalis polychloros. Natuur van Nederland, 7(1), 268-271. Bos, F. (2006b). Dagvlinders: Grote weerschijnvlinder Apatura iris. Natuur van Nederland, 7(1), 243-245. Creemers, R.C.M. (2009). Amfibieën en reptielen: Hazelworm.
Natuur van Nederland, 9(1), 248256. De
Vlinderstichting (2024a). Beekrombout. Geraadpleegd op 10 mei 2024 via https://www.vlinderstichting.nl/libellen/overzicht-libellen/details-libel/beekrombout
De
Vlinderstichting (2024b). Bosbeekjuffer. Geraadpleegd op 3 mei 2024 via https://www.vlinderstichting.nl/libellen/overzicht-libellen/details-libel/bosbeekjuffer
45
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
De Vlinderstichting (2024c). Gevlekte glanslibel. Geraadpleegd op 10 mei 2024 via https://www.vlinderstichting.nl/libellen/overzicht-libellen/details-libel/gevlekteglanslibel De Vlinderstichting (2024d). Grote vos, Nymphalis polychloros. Geraadpleegd op 15 mei 2024 via https://www.vlinderstichting.nl/vlinders/overzicht-vlinders/details-vlinder/grote-vos De Vlinderstichting (2024e). Grote weerschijnvlinder, Apatura iris. Geraadpleegd op 31 mei 2024 via https://www.vlinderstichting.nl/vlinders/overzicht-vlinders/details-vlinder/groteweerschijnvlinder De Vlinderstichting (2024f). Hoogveenglanslibel. Geraadpleegd op 15 mei 2024 via https://www.vlinderstichting.nl/libellen/overzicht-libellen/detailslibel/hoogveenglanslibel Dean, M., Strachan, R., Gow, D., Andrews, R. (2016). The Water Vole Mitigation Handbook (The Mammal Society Mitigation Guidance Series). Eds Fiona Matthews and Paul Chanin. The Mammal Society, London. Gedeputeerde Staten van Gelderland (2022). Regels versterking Groene Ontwikkelingszone. Geraadpleegd via https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR677648/1 Geerling, R. & Oosterveen, N. (2007). Maatwerk voor de kleine ijsvogelvlinder. Vlinders, 22(1), 20-21. Groeneveld, A. (2009). Amfibieën en reptielen: Zandhagedis. Natuur van Nederland, 9(1), 257269. Grunsven, R. van & Bos, G. (2019). De sierlijke witsnuitlibel, een verrassende terugkeer.
De levende natuur, 120(6), 212-219. Jong, T.H. de & Vos, C.C. (2009). Amfibieën en reptielen: Heikikker. Natuur van Nederland, 9(1), 199-208. Mulder, J. & Creemers, R.C.M. (2009). Amfibieën en reptielen: Poelkikker. Natuur van Nederland, 9(1), 229-235. Netwerk Groene Bureaus [NGB] (2023). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie nov 2023). Geraadpleegd via https://www.netwerkgroenebureaus.nl/downloads/21?download=926 NDFF & FLORON (2024). Consolida regalis Gray. Geraadpleegd op 30 mei 2024 via https://www.verspreidingsatlas.nl/0396# NDFF & RAVON (2024). Misgurnus fossilis. https://www.verspreidingsatlas.nl/V1201
Geraadpleegd
op
31
mei
2024
via
Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit [NVWA] (2021). Factsheet Japanse duizendknoop. Geraadpleegd op 1 januari 2024 via https://www.nvwa.nl/documenten/plant/planten-inde-natuur/exoten/risicobeoordelingen/factsheet-japanse-duizendknoop 46
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Provincie Gelderland (2018). Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Arnhem, Nederland: Provincie Gelderland. Provincie Gelderland (2024). Omgevingsverordening (januari 2024). Arnhem, Nederland: Provincie Gelderland. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland [RVO] (2020). Gevonden dierlijke invasieve exoten. Geraadpleegd op 10 mei 2024 via https://www.rvo.nl/onderwerpen/invasieveexoten/algemene-regels/gevonden-dier SOVON Vogelonderzoek Nederland (2024). Grote gele kwikstaart. Geraadpleegd op 10 mei 2024 via https://stats.sovon.nl/stats/soort/10190 Swaay, C. van, Bos, G., Grunsven, R. van, Deijk, J. van, Kok, J. & Huskens, K. (2018). Handleiding landelijke meetnetten vlinders, libellen en nachtvlinders (Rapport VS2018.011). Wageningen, Nederland: De Vlinderstichting. Vergeer, J.W., van Dijk, A.J., Boele, A., van Bruggen, J. & Hustings, F. (2016). Handleiding SOVON broedvogelonderzoek: BMP & kolonievogels. Nijmegen, Nederland: SOVON Vogelonderzoek Nederland. Vliegenthart, A. (2020). De iepenpage is terug in Nederland. Vlinders, 35(4), 18-20. Vogelbescherming Nederland (2024a). Boomvalk. Geraadpleegd op 10 mei 2024 via https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-overvogels/vogelgids/vogel/boomvalk Vogelbescherming Nederland (2024b). Sperwer.
Geraadpleegd op 15 mei 2024 via https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-overvogels/vogelgids/vogel/sperwer Vogelbescherming Nederland (2024c). Ransuil. Geraadpleegd https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-overvogels/vogelgids/vogel/ransuil
op
15
mei
2024 via
Vogelbescherming Nederland (2024d). Roek. Geraadpleegd op https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-overvogels/vogelgids/vogel/roek
10
mei
2024
via
Vogelbescherming Nederland (2024e). Ooievaar. Geraadpleegd op 10 mei 2024 via https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-overvogels/vogelgids/vogel/ooievaar Water Vole (2024). Field Signs and Surveying. Geraadpleegd op 15 mei 2024 via https://watervole.org.uk/home/field-signs-and surveying/#:~:text=Water%20voles%20have%20star%2Dshaped,into%20a%20star%2Dshap e). 47
Quickscan natuurtoets
Zoogdiervereniging (2024a). Boommarter. Geraadpleegd op 15 https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/boommarter
mei
2024
via
Zoogdiervereniging (2024b). Steenmarter. Geraadpleegd op https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/steenmarter
mei
2024
via
april
2024
via
Zoogdiervereniging (2024d). Grote bosmuis. Geraadpleegd op 15 https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/grote-bosmuis
mei
2024
via
Zoogdiervereniging (2024e). Waterspitsmuis. Geraadpleegd op 20 https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/waterspitsmuis
april
2024
via
2024
via
Zoogdiervereniging (2024c). Eekhoorn. Geraadpleegd op https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/eekhoorn
Zoogdiervereniging (2024f). Woelrat. Geraadpleegd op https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/woelrat
7.2
Buro Ontwerp & Omgeving
8
20
20
april
Gebruikte websites www.floron.nl www.pdok.nl www.ravon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.gelderland.nl
7.3
Overige geraadpleegde bronnen Dietz, C. & Kiefer, A. (2016). Bats of Britain and Europe. Londen, Verenigd Koninkrijk: Bloomsbury Publishing. Jędrzejewski, W. & Sidorovich, V. (2010). The art of tracking animals. Białowieża, Polen: Mammal Research Institute Polish Academy of Sciences Białowieża. Svensson, L., Mullarney, K. & Zetterström, D. (2009). Birds of Europe (2e ed.). Londen, Verenigd Koninkrijk: HarperCollins Publishers. Tolman, T. & Lewington, R. (2008). Collins Butterfly Guide: The Most Complete Guide to the Butterflies of Britain and Europe. Londen, Verenigd Koninkrijk: HarperCollins Publishers. Vogelbescherming Nederland & Stichting Veldonderzoek Flora en Fauna (2007). Topografische atlas voor flora en fauna van Nederland (1e ed.). Papendrecht, Nederland: Mouthaan Grafisch Bedrijf
48
Bureauonderzoek Archeologie Plangebied Slingeplas te Bredevoort, Gemeente Aalten
Opdrachtgever BOO - Buro Ontwerp & Omgeving Mevr. M. van Dijk - Wagemakers Velperweg 157 – 6824 MB Arnhem 06-82403962 m.wagemakers@ontwerpenomgeving.nl Projectnummer
244853 Kenmerk RB/SPB/HAMA/244853
Eindredactie/kwaliteitscontrole
Drs. E.E.A. van der Kuijl
Hamaland Advies Vof, Ambachtsweg 9b, 7021 BT Zelhem, t. 06-51873933
Paraaf
Datum
08-05-2024
Project Kenmerk
: BO Archeologie Plangebied Slingeplas te Bredevoort : RB/SPB/HAMA/244853
Colofon Opdrachtgever
BOO – Buro Ontwerp & Omgeving
Project
Bureauonderzoek Archeologie Plangebied Slingeplas te Bredevoort
Projectnummer
244853
Titel
Bureauonderzoek Archeologie Plangebied Slingeplas te Bredevoort, Gemeente Aalten
Datum en versie
08-05-2024, versie 1.1 (concept)
Auteurs
R. Barth MA en drs. E.E.A. van der Kuijl
Kwaliteitscontrole
Drs. E.E.A. van der Kuijl (senior KNA archeoloog / senior KNA prospector)
Afbeelding voorzijde:
Recente luchtfoto van het plangebied (PDOK)
© Hamaland Advies, Ambachtsweg 9b, 7021 BT Zelhem
2 van 51
Project Kenmerk
: BO Archeologie Plangebied Slingeplas te Bredevoort : RB/SPB/HAMA/244853
Inhoud Samenvatting ........................................................................................................................... 4 1.
2
3
Inleiding ............................................................................................................................. 6 1.1
Inleiding en onderzoekskader .................................................................................. 6
1.2
Doel en vraagstelling van het bureauonderzoek ...................................................... 7
1.3
Werkwijze Bureauonderzoek ................................................................................... 7
1.4
Beleidskaders ........................................................................................................... 8
1.5
Administratieve gegevens ...................................................................................... 12
Bureauonderzoek en verwachtingsmodel....................................................................... 13 2.1
Landschapsgenese ................................................................................................ 13
2.2
Historische ontwikkeling van Bredevoort en het plangebied ................................. 17
2.3
Archeologische waarden ........................................................................................ 28
2.4
Archeologisch verwachtingsmodel ......................................................................... 33
Conclusie en aanbeveling ............................................................................................... 35 3.1
Conclusie................................................................................................................ 35
3.2
Selectieadvies ........................................................................................................ 35
3.3
Voorbehoud ............................................................................................................ 36
Gebruikte literatuur ................................................................................................................. 37 BIJLAGEN .............................................................................................................................. 39
3 van 51
Project Kenmerk
: BO Archeologie Plangebied Slingeplas te Bredevoort : RB/SPB/HAMA/244853
Samenvatting Hamaland Advies heeft in opdracht van Buro Ontwerp & Omgeving een archeologisch bureauonderzoek conform de BRL 4002 uitgevoerd voor het plangebied ‘Slingeplas’ te Bredevoort, gemeente Aalten. Het plangebied ligt aan de noordoostzijde van Bredevoort, heeft een omvang van ca. 46,8 ha en is momenteel in gebruik als sportvelden en recreatiegebied. Het plangebied wordt in het (zuid)westen begrensd door het historisch centrum van Bredevoort, in het noorden door de Schaarsbeek, in zuiden door de Slinge en in het oosten door weilanden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd in het kader van de BOPA ten behoeve van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de reconstructie van de noordoostelijke vestingwerken van Bredevoort, de nieuwbouw van een woonwijk en de realisatie van nieuwe sportvelden. Omdat de beoogde ontwikkeling nog in ontwerpfase is, zijn de verstoringsdieptes van de verschillende bodemingrepen nog niet bekend. Volgens het vigerende bestemmingsplan “Kern Bredevoort 2012” (vastgesteld 2013) ligt het uiterste westen van het plangebied binnen de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie beschermd stadsgezicht”. Het beleid in deze zone is dat bij graafwerkzaamheden dieper dan 0,4 m-mv of bij het ophogen van de bodem met meer dan 1 m archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het overige deel van het plangebied ligt binnen de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie laag”.
Het beleid in deze zone is dat bij bodemingrepen met een omvang groter dan 5.000 m2 én een verstoringsdiepte dieper dan 0,5 m-mv archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Omdat de beoogde ontwikkelingen de vrijstellingsgrenzen zullen overschrijden, heeft Hamaland Advies een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het uitgevoerde onderzoek bestaat uit een KNA conform bureauonderzoek (KNA 4.2, BRL protocol 4002). Het bevoegd gezag, Gemeente Aalten en diens adviseur, de regioarcheologen van Omgevingsdienst Regio Achterhoek (ODA), zullen de resultaten van het bureauonderzoek en het selectieadvies toetsen. Conclusie Het plangebied is grotendeels gelegen in dalvormige laagte, dat in het zuiden en noordwesten wordt begrensd door een complex van dekzandwelvingen. Voor het dekzandgebied geldt dat de relatief hoge, droge delen van het landschap zoals dekzandruggen- en welvingen in de nabijheid van water gunstige vestigingslocaties vormen voor zowel jager-verzamelaars vanaf het Laat-Paleolithicum als voor landbouwsamenlevingen vanaf het Neolithicum en daarom hoge archeologische verwachting hebben. De lager gelegen dalvormige laagte waarin het plangebied ligt is echter vanwege de van oorsprong drassige bodemomstandigheden minder aantrekkelijk geweest als vestigingslocatie.
Het plangebied heeft daarom een lage archeologische verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. In de 12e eeuw wordt kasteel Bredevoort gesticht ten zuidwesten van het plangebied op een hogere zandrug omringd door een lager moerassig gebied. Hierna ontwikkelt zich aan de zuidwestkant van het kasteel de gelijknamige nederzetting die in 1388 stadsrechten verkrijgt. Uit de geraadpleegde historische kaarten blijkt dat het plangebied van oorsprong grotendeels gelegen is in drassig heidegebied en weilanden. In het zuidwesten van het plangebied hebben vanaf de 17e eeuw vestingwerken van Bredevoort gelegen bestaande uit het bastion Onversaegt, de vestinggracht en de natte horizon (schootsvelden). Eventueel kunnen in dit deel van het plangebied onder de vestingwerken ook nog resten van de 16e-eeuwse gedempte gracht(en) rondom Kasteel Bredevoort aanwezig zijn. Op de kadastrale minuut van 1811-1832 is in het plangebied met uitzondering van een tuinhuis in het centraal-zuiden geen bebouwing aanwezig. In de tweede helft van de 19e eeuw wordt het heidegebied ontgonnen en in gebruik genomen als weiland. In de jaren ’30 van de 20e eeuw is bastion Onversaegt afgegraven en is de vestinggracht binnen het plangebied gedempt. In de eind jaren ’80 en de jaren ’90 wordt de Slingeplas aangelegd. Met uitzondering van resten gerelateerd aan bastion
4 van 51
Project Kenmerk
: BO Archeologie Plangebied Slingeplas te Bredevoort : RB/SPB/HAMA/244853
Onversaegt, de voormalige vestinggracht en de natte horizon (schootsvelden) worden in het plangebied geen bouwhistorische waarden verwacht. Selectieadvies Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek kunnen in het zuidwesten van het plangebied resten van de 17e-eeuwse bastion Onversaegt en vestinggracht en de voormalige natte horizon (schootvelden) aanwezig zijn. Ook kan de aanwezigheid van resten van de oudere 16e-eeuwse grachten rondom kasteel Bredevoort binnen het plangebied niet uitgesloten worden. Hamaland Advies adviseert om in het zuidwesten van het plangebied een verkennend booronderzoek uit te voeren (zie advieskaart Bijlage 4, oranje zone, ca. 23.130 m2). Het verkennend booronderzoek heeft het doel om de aard en mate van intactheid van het bodemprofiel te bepalen en om de diepte van de verwachte resten van de vestinggrachten vast te stellen. Voorafgaand aan het verkennend booronderzoek dient conform BRL SIKB protocol 4003 een Plan van Aanpak (PvA) te worden opgesteld. Voor het overige deel van het plangebied wordt de kans dat bij de beoogde bodemingrepen archeologische vindplaatsen bedreigd worden laag ingeschat. Hamaland Advies adviseert de rest van het plangebied vrij te geven (zie advieskaart Bijlage 4, groene zone, ca. 445.060 m2). Voorbehoud Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden.