Bijlage 3 Quickscans Slingeplas - 't Broock (Buro Ontwerp en Omgeving)
Tekst van het document
Quickscans Slingeplas – ‘t Broock
Gemeente Aalten
Projectnummer: 3683.02 Versie: 2 Datum: 08-05-2025
Inhoud 1.
Quickscan natuurtoets
2.
Bureauonderzoek archeologie
3.
Vooronderzoek bodem
Quickscan natuurtoets Slingeplas te Bredevoort Gemeente Aalten
Projectnummer: 3683.02 Versie: 1 Datum: 05-06-2024
Inhoud 1.
Algemeen .................................................................................................................................................. 1 1.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 1
2.
Plangebied en werkzaamheden .......................................................................................................... 2 2.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 2 2.2 Algemene constateringen ....................................................................................................... 2 2.3 Geplande werkzaamheden ..................................................................................................... 3
3.
Werkwijze .................................................................................................................................................. 5 3.1 Bureauonderzoek ...................................................................................................................... 5 3.2 Veldbezoek .................................................................................................................................. 5 3.3 Betrouwbaarheid....................................................................................................................... 5
4.
Wet- en regelgeving ...............................................................................................................................6 4.1 Omgevingswet ............................................................................................................................6 4.2 Gebiedsbescherming ................................................................................................................6 4.3 Soortbescherming .................................................................................................................... 8 4.4 Houtopstanden ..........................................................................................................................9 4.5 Invasieve exoten........................................................................................................................9
5.
Resultaten ...............................................................................................................................................10 5.1 Gebiedsbescherming ..............................................................................................................10 5.2 Soortbescherming ................................................................................................................... 13 5.3 Samenvatting ........................................................................................................................... 31
6.
Conclusie .................................................................................................................................................33 6.1 Gebiedsbescherming ..............................................................................................................33 6.2 Soortbescherming .................................................................................................................. 34 6.3 Nader onderzoek .....................................................................................................................39
7.
Literatuurlijst ........................................................................................................................................ 45 7.1 Referenties............................................................................................................................... 45 7.2 Gebruikte websites ................................................................................................................ 48 7.3 Overige geraadpleegde bronnen ....................................................................................... 48
Quickscan natuurtoets
1.
Algemeen
1.1
Inleiding
Buro Ontwerp & Omgeving
In opdracht van de gemeente Aalten is door Buro Ontwerp & Omgeving een quickscan natuurtoets uitgevoerd aan de locatie bekend als de Slingeplas te Bredevoort. De initiatiefnemer is voornemens 80 woningen te bouwen, een nieuw sportpark te realiseren en recreatieve functies verder te ontwikkelen. Hiervoor zal het huidige sportpark verdwijnen, aangezien de nieuwe woningen op de locatie ontwikkeld worden. Het doel van de natuurtoets is om een indicatie te krijgen van de aanwezigheid en (mogelijke) effecten van de ingreep op beschermde gebieden en dier- en plantensoorten. Uit deze natuurtoets moet blijken of er nadelige effecten zijn op gebieden met een speciale beschermingsstatus, namelijk op Natura 2000-gebieden, het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Vervolgens worden de mogelijke effecten onderzocht op onder de Omgevingswet (Ow) beschermde dier- en plantensoorten. Als nadelige effecten niet uit te sluiten zijn moet nader onderzoek plaatsvinden, dienen er mogelijk mitigerende maatregelen en compenserende maatregelen te worden getroffen en een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Deze natuurtoets is gebaseerd op bureauonderzoek en een veldonderzoek.
In het voorliggende rapport worden achtereenvolgens het plangebied (hoofdstuk 2), de werkwijze (hoofdstuk 3), de relevante wet- en regelgeving (hoofdstuk 4), de resultaten (hoofdstuk 5) en de conclusie (hoofdstuk 6) beschreven.
1
Quickscan natuurtoets
2.
Plangebied en werkzaamheden
2.1
Inleiding
Buro Ontwerp & Omgeving
Het plangebied bevindt zich ten noordoosten van de bebouwde kom van Bredevoort. Op de locatie bevindt zich een recreatieplas, een sportvereniging met diverse sportvelden, een camping met campinggebouw, parkeerterreinen en meerdere houtopstanden. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich akkers, graslanden, houtopstanden, waterpartijen en diverse woonerven. Op de navolgende afbeelding is de begrenzing van het plangebied weergegeven (Figuur 1).
Figuur 1. Luchtfoto van het plangebied aan de Slingeplas te Bredevoort (rood kader).
2.2
Algemene constateringen In het plangebied bevindt zich de voetbalclub Sportvereniging Bredevoort, gelegen op Sportpark ‘t Broock. De sportclub bestaat uit twee voetbalvelden, een klein trainingsveld, een kantinegebouw met kleedkamers en een parkeerterrein. De sportvelden zijn omgeven door houtopstanden en ruigte, waaronder langs de Izermanstraat. Tevens loopt er een wandelpad tussen de sportvelden door. Ten noordoosten van de sportvereniging loopt de Pastoorsdijk, die aan beide kanten een bomenrij heeft. Aan de oostkant van de Pastoorsdijk loopt een natte greppel. Aan de overzijde van deze natte greppel bevindt zich een kleine weide, welke op het moment van de quickscan werd begraasd door schapen. Wanneer de Pastoorsdijk naar het noordwesten gevolgd wordt, kruist hij met de Kruittorenstraat. Aan deze weg bevindt zich het kampeerterrein voor campers en een bakstenen gebouw met open schuur. Langs de Kruittorenstraat groeien aan beide kanten lindebomen. De Kruittorenstraat komt uit bij het recreatieterrein De Slingeplas. Op dit terrein zijn twee parkeerterreinen aanwezig, een grote waterpartij, meerdere grasvelden, diverse houtopstanden, een toiletgebouw, een kiosk, een ligweide, een strandgedeelte en een verhard wandelpad rondom de gehele plas. 2
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Figuur 2. De natte greppel langs de Pastoorsdijk (linksboven), het kantinegebouw van Sportvereniging Bredevoort gezien vanaf het parkeerterrein (rechtsboven), de Kruittorenstraat gezien vanuit noordoostelijke richting (linksonder) en de Slingeplas gezien vanuit het noordwesten (rechtsonder).
2.3
Geplande werkzaamheden De initiatiefnemer is voornemens 80 woningen te bouwen op de huidige locatie van het sportpark. Het sportpark krijgt hiervoor een nieuwe locatie toegewezen, op het terrein van de Slingeplas. Op deze locatie is nu een parkeerterrein aanwezig, welke verplaatst zal worden. Op deze aangewezen locatie zal tevens een nieuw camperterrein gerealiseerd worden. Hiernaast worden aan de Slingeplas recreatieve functies verder ontwikkeld door de realisatie van een horecagebouw met bijbehorende voorzieningen. Dit wordt tevens de nieuwe voetbalkantine, met kleedkamers en dergelijke. Ook zal de huidige houtopstand worden ingericht als klimbos. Voor de leesbaarheid van het verslag zijn de locaties van de geplande ontwikkelingen (bij benadering) weergegeven in Figuur 3.
3
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Figuur 3. De locatie van het huidige sportpark en de toekomstige woningen (roze), de aangewezen locatie voor het nieuwe sportpark (groen), de aangewezen locatie voor het horecagebouw (blauw), de aangewezen locatie voor het nieuwe camperterrein/parkeerterrein (rood) en de geplande locatie voor het klimbos (oranje).
4
Quickscan natuurtoets
3.
Werkwijze
3.1
Bureauonderzoek
Buro Ontwerp & Omgeving
Voorafgaand aan het veldbezoek is onderzoek gedaan naar de ligging van het gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden, de voorkomende habitats en de verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en rondom het plangebied. De bronnen die hiervoor zijn geraadpleegd zijn te vinden in de literatuurlijst (zie hoofdstuk 7).
3.2
Veldbezoek Het veldbezoek is uitgevoerd op 11 april 2024 en vond plaats van 14:00 tot 16:00. Tijdens het veldbezoek was het bewolkt en droog, stond er een matige wind (ZW3) en was het circa 13 graden Celsius. Er is gekeken naar het terrein en de geschiktheid hiervan voor beschermde flora en fauna. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van beschermde soorten, met inbegrip van sporen als braakballen, uitwerpselen, nesten en andere mogelijke verblijfplaatsen. Tabel 1. Deskundigheid betrokken medewerker(s). Naam
Deskundigheid
J. Metselaar
Studie: Afgestudeerd in Diermanagement op Hogeschool Van Hall Larenstein (VHL) te Leeuwarden. Functie: Ecoloog bij Buro Ontwerp & Omgeving sinds januari 2020.
K. de Groot
Studie: Afgestudeerd in Biologie aan de Wageningen University & Research (WUR) te Wageningen Functie: Ecoloog bij Buro Ontwerp & Omgeving sinds mei 2023
3.3
Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de huidige wet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van het plangebied voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van deze soorten. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan natuurtoets geldig is voor een periode van maximaal drie jaar, tenzij de ecologische omstandigheden in deze periode wezenlijk zijn veranderd en/of de Omgevingswet en de bijbehorende uitvoeringsregelgeving, of inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Wanneer de uitvoering van een plan meer dan drie jaar wordt uitgesteld, verdient het de aanbeveling de resultaten van de natuurtoets opnieuw te onderzoeken.
5
Quickscan natuurtoets
4.
Wet- en regelgeving
4.1
Omgevingswet
Buro Ontwerp & Omgeving
Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Omgevingswet bundelt 26 wetten en diverse regels en voorschriften in één wet. Ook de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet. In de Omgevingswet speelt bij milieubelastende activiteiten het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een belangrijke rol. In het Bal staan rijksregels voor de fysieke leefomgeving, waaronder voor flora- en fauna-activiteiten. Daarnaast wordt hierin vermeld voor welke activiteiten een melding of omgevingsvergunning nodig is en wie toezicht houdt. Een belangrijk verschil met de Wnb is dat de bepalingen over de zorgplicht (artikel 1.11, Wnb) concreter zijn aangegeven in de specifieke zorgplicht (artikel 11.27, Bal). Aanvullend zijn regels opgenomen over ongewone voorvallen (artikel 11.34, Bal en artikel 11.35, Bal). Onder de Wnb bestonden geen vergelijkbare bepalingen. De Omgevingswet bevat ook instrumenten om natuurgebieden te beschermen. Zo kan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) bijzondere nationale natuurgebieden en Natura 2000-gebieden aanwijzen en instandhoudingsdoelen voor deze gebieden vaststellen (artikel 2.44, Ow). Ook is in het aanwijzingsbesluit opgenomen dat gebieden bij omgevingsverordening kunnen worden aangewezen tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN), bijzonder provinciaal natuurgebied of bijzonder provinciaal landschap.
Verder zijn instructieregels voor de omgevingsverordening opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De instructieregels verplichten provincies tot het aanwijzen van Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden), het vastleggen van de kenmerken en waarden van de NNN-gebieden en het stellen van regels voor de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de NNN-gebieden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt bovendien regelgeving voor het vellen van houtopstanden en voor activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg kunnen hebben.
4.2
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn opgenomen in de Omgevingswet middels een aanwijzingsbesluit (artikel 2.44, Ow). Natura 2000-gebieden zijn gebieden waarin habitats en soorten worden beschermd die van communautair belang zijn. Per Natura 2000-gebied zijn specifieke instandhoudingsdoelen opgesteld. Activiteiten die significant nadelige effecten hebben op de kwaliteit van de habitats en/of de instandhoudingsdoelen van het gebied mogen niet plaatsvinden zonder een vergunning voor een Natura 2000-activiteit. Dit geldt niet alleen voor activiteiten binnen het Natura 2000gebied. Ook bij activiteiten aangrenzend of buiten het gebied kunnen significant nadelige gevolgen optreden.
6
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland bestaat uit een netwerk van natuurgebieden en heeft als doel deze beter met elkaar en omringende agrarische gebieden te verbinden. In Gelderland zijn deze gebieden bekend als het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De GNN-gebieden zijn aangewezen in de provinciale omgevingsvisie en beschermd volgens de bijbehorende provinciale omgevingsverordening (Provincie Gelderland, 2018; Provincie Gelderland, 2024). § 2.6.1 Instructieregels bestemmingsplan bescherming Gelders natuurnetwerk Artikel 2.39 (bescherming kwaliteit Gelders natuurnetwerk) 1. Voor zover een bestemmingsplan van toepassing is op het Gelders natuurnetwerk wordt een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten als die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. 2. Er is geen sprake van nadelige gevolgen voor de oppervlakte als die in overeenstemming met paragraaf 2.6.2 worden gecompenseerd: a. buiten het Gelders natuurnetwerk; of b. in het Gelders natuurnetwerk op gronden die op de ambitiekaart bij het Natuurbeheerplan zijn aangeduid met code N00.01. Artikel 2.40 (afweegruimte bij groot openbaar belang) In aanvulling op artikel 2.39 lid 1, kan een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling toelaten als: a.
sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reële alternatieven zijn; en c. de nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd in overeenstemming met paragraaf 2.6.2. Groene ontwikkelingszone Om de samenhang van de natuur in het Gelders Natuurnetwerk te beschermen wil de provincie verbindingszones aanleggen in de vorm van de Groene Ontwikkelingszone. Het bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur die vervlochten zijn met het GNN. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk mits tegelijk de kernkwaliteiten worden versterkt. Dit dient te worden getoetst aan artikel 2.52 van de Gelderse omgevingsverordening. § 2.6.5 Instructieregels bestemmingsplan Groene ontwikkelingszone Artikel 2.52 (beschermen Groene ontwikkelingszone) 1. Voor zover een bestemmingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat: a. de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en b. de samenhang niet verloren gaat. 2. Gedeputeerde Staten stellen regels vast om de versterking uit te werken.
7
Quickscan natuurtoets
4.3
Buro Ontwerp & Omgeving
Soortbescherming Soorten met specifieke beschermingsregels Het Besluit activiteiten leefomgeving van de Omgevingswet kent drie beschermingsregimes voor soorten: • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 lid 1, Bal) • Beschermingsregime soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het verdrag van Bern en bijlage I van het verdrag van Bonn (artikel 11.46 lid 1, Bal) • Beschermingsregime andere soorten uit Bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving (artikel 11.54 lid 1, Bal), ook wel soorten van nationaal belang genoemd. In bovengenoemde wetsartikelen uit het Bal zijn schadelijke handelingen opgenomen en is vastgesteld voor welke handelingen een vrijstelling kan worden verleend. De verbodsbepalingen houden in dat Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of gevangen en dat hun vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren niet opzettelijk mogen worden beschadigd of vernield. Ook is het rapen en onder zich hebben van eieren van vogelsoorten die onder deze richtlijnen vallen verboden. Voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten geldt bovendien dat ze niet opzettelijk mogen worden gestoord. Daarnaast is het verboden om beschermde planten opzettelijk te plukken, verzamelen, ontwortelen, vernielen of af te snijden in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
Als de activiteiten leiden tot het overtreden van deze verbodsbepalingen moet worden nagegaan of een provinciale vrijstelling geldt of dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit moet worden verkregen. Rode lijsten Kwetsbare en met uitsterven bedreigde soorten die niet onder de hiervoor genoemde beschermingsregimes vallen zijn door de minister van LNV opgenomen in de rode lijsten. Rode lijst-soorten vallen niet noodzakelijkerwijs onder specifieke beschermingsregels, zoals een vergunningsplicht bij schadelijke handelingen. Hiervan is alleen sprake als de soort ook beschermd is conform de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of Bijlage IX van het Bal. Desondanks zijn rode lijsten relevant bij ruimtelijke ontwikkelingen. Indien een activiteit nadelige effecten heeft op een rode lijst-soort wordt namelijk gesproken van een activiteit waarvoor de specifieke zorgplicht geldt. Specifieke zorgplicht Een activiteit kan nadelig zijn voor de van nature in het wild levende dier- en plantensoorten. Iemand die weet of kan weten dat er bij het verrichten van een activiteit nadelige effecten optreden moet zich houden aan de specifieke zorgplicht (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt voor alle dier- en plantensoorten.
De volgende stappen zijn noodzakelijk: • Controle op aanwezige soorten en leefgebieden in het plangebied; • Nagaan of nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten kunnen worden uitgesloten; • Nagaan wat nadelige gevolgen zijn als uitsluiten daarvan niet mogelijk is; • Passende preventieve maatregelen nemen om nadelige effecten te voorkomen; en • Stoppen met de activiteit of herstelmaatregelen treffen.
8
Quickscan natuurtoets
4.4
Buro Ontwerp & Omgeving
Houtopstanden Als houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap worden geveld kan er een meld- en herbeplantingsplicht gelden. Dergelijke houtopstanden worden in de Omgevingswet omschreven als een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Voor het vellen en herbeplanten zijn er een aantal uitzonderingen op de rijksregels opgenomen in artikel 11.111 van het Bal. Voor de kap van houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap geldt gemeentelijke regelgeving, zoals verwoord in het omgevingsplan van de desbetreffende gemeente (artikel 5.165b, Bkl).
4.5
Invasieve exoten Algemeen In de Omgevingswet is regelgeving opgenomen voor activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg kunnen hebben. Hierdoor is het onder zich of voorhanden hebben, vervoeren of ten vervoer aanbieden (van delen van invasieve exoten) expliciet aangemerkt als verhandelen. Invasieve exoten vormen een bedreiging voor de inheemse biodiversiteit en ecosystemen. Daarnaast kunnen invasieve exoten schadelijk zijn voor de economie, de openbare veiligheid en menselijke gezondheid. Bekende voorbeelden van invasieve exoten zijn de beverrat, Siberische grondeekhoorn, nijlgans, zonnebaars en Aziatische hoornaar. Het is onder meer verboden om deze soorten opzettelijk te houden, vrij te laten in het milieu, te kweken of vervoeren en het toestaan om zich voort te planten (artikel 11.108 lid 1, Bal en artikel 7 lid 1 van de Europese invasieve-exotenbasisverordening). Nationaal handelsverbod Aziatische duizendknopen Per 1 januari 2022 geldt er tevens een nationaal handelsverbod voor Aziatische duizendknopen (artikel 11.109a, Bal). Het verbod heeft betrekking op drie soorten: de Japanse duizendknoop, Sachalinse duizendknoop en bastaardduizendknoop. Het handelsverbod op Aziatische duizendknopen geldt ook voor besmette grond.
Gelet op deze ruime definitie van het woord ‘verhandelen’, maakt het hierbij niet uit of het gaat om de delen van de duizendknoop zelf, of om de delen van de duizendknoop in het transport van een partij grond. Dit betekent dat grondtransport met (levensvatbare delen van) Aziatische duizendknopen verboden is, tenzij een vrijstelling van toepassing is. Een vrijstelling geldt als er sprake is van niet-commerciële doeleinden, wanneer het transport plaatsvindt in het kader van uitroeiing, bestrijding of beheersing en op voorwaarde dat geen verdere verspreiding of introductie in het milieu plaatsvindt. Daarnaast geldt er een vrijstelling voor het verhandelen of in bezit hebben van dode delen of dode producten van Aziatische duizendknopen (NVWA, 2021).
9
Quickscan natuurtoets
5.
Resultaten
5.1
Gebiedsbescherming
Buro Ontwerp & Omgeving
5.1.1 Natura 2000 In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft het Korenburgerveen dat op circa 2,9 kilometer ten noordoosten van het plangebied ligt. Andere (Nederlandse en Duitse) Natura 2000-gebieden op minder dan 25 km afstand zijn weergegeven in Tabel 2. Op de navolgende kaart is de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden weergegeven (Figuur 4). Tabel 2. Overzicht nabijgelegen Natura 2000-gebieden Gebiedsnaam
Land
Afstand (km)
Korenburgerveen
NL
2,9
Bekendelle
NL
3,8
Wooldse Veen
NL
8,2
Burlo-Vardingholter Venn und Entenschlatt
DU
8,5
Willinks Weust
NL
9,9
Vogelschutzgebiet 'Moore und Heiden des westlichen Münsterlandes'
DU
10,8
Zwillbrocker Venn und Ellewicker Feld
DU
10,8
Witte Venn, Krosewicker Grenzwald
DU
14,8
Klevsche Landwehr, Anholtsche Issel, Feldschlaggraben und Regnieter Bach
DU
16,0
Berkel
DU
16,1
NSG Hetter-Millinger Bruch, mit Erweiterung
DU
19,9
Vogelschutzgebiet 'Unterer Niederrhein'
DU
19,9
Buurserzand & Haaksbergerveen
NL
20,4
Stelkampsveld
NL
20,5
Lüntener Fischteich und Ammeloer Venn
DU
20,7
Schwattet Gatt
DU
20,9
NSG Bienener Altrhein, Millinger und Hurler Meer und NSG Empeler Meer
DU
21,6
NSG Sonsfeldsche Bruch, Hagener Meer und Düne, mit Erweiterung
DU
22,8
NSG Altrhein Reeser Eyland, mit Erweiterung
DU
24,2
Wacholderheide Hörsteloe
DU
24,9
10
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Figuur 4. Ligging plangebied (rood vlak, zwarte pijl) ten opzichte van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (groen gearceerde vlakken en lijnen).
Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is namelijk meer dan 1 km. Door het gebruik van werktuigen en een toename van voertuigbewegingen kunnen er wel gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Omdat twintig Natura 2000gebieden op minder dan 25 km afstand van het plangebied liggen vindt er mogelijk stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van deze Natura 2000-gebieden. Om de eventuele effecten van stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt aangeraden om een AERIUS-berekening (voortoets stikstof) uit te laten voeren voor zowel de realisatiefase als gebruiksfase. Negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden kunnen worden uitgesloten als uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr op Natura 2000-gebieden plaatsvindt. 5.1.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Het plangebied ligt op ca. 5 meter afstand van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en op ca. 915 meter afstand van de Groene Ontwikkelingszone (GO) (Figuur 5).
Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast.
11
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Figuur 5. Ligging plangebied (rood) t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk (donkergroen) en de Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen).
5.1.3 Houtopstanden De groenvoorzieningen in het plangebied vallen merendeels onder de definitie houtopstanden, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet. De te kappen bomen en/of struiken bevinden zich grotendeels buiten de bebouwingscontour houtkap. De rijksregels over het vellen van houtopstanden zijn daarom van toepassing (artikel 11.111, Bal). Indien er houtopstanden worden geveld dient rekening te worden gehouden met de aanvraag van een omgevingsvergunning bij het Omgevingsloket. Er wordt geadviseerd om een Vergunningcheck uit te voeren, alvorens wordt besloten om groenvoorzieningen te verwijderen.
12
Quickscan natuurtoets
5.2
Buro Ontwerp & Omgeving
Soortbescherming
5.2.1 Vleermuizen Op basis van openbare verspreidingsgegevens kunnen de bosvleermuis, franjestaart, baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en watervleermuis in de ruime omgeving van het plangebied voorkomen. Alle vleermuissoorten zijn op Europees niveau beschermd conform de Habitatrichtlijn (artikel 11.46 lid 1, Bal). Verblijfplaatsen Vleermuizen kunnen globaal opgedeeld worden in boombewonende soorten zoals de rosse vleermuis en gebouwbewonende soorten zoals de gewone dwergvleermuis. Ook zijn er soorten die zowel gebouw- als boombewonend zijn. Gebouwbewonende vleermuizen maken doorgaans gebruik van spouwruimtes, spleten en vergelijkbare ruimtes in gebouwen. De bebouwing werd daarom geïnspecteerd op potentiële invliegopeningen. Het kantinegebouw van Sportvereniging Bredevoort is rondom voorzien van open stootvoegen. Een deel van de open stootvoegen is afgesloten met bijenbekjes. Een aantal open stootvoegen zijn echter open, waardoor gebouwbewonende vleermuizen toegang hebben tot de spouwmuur van het gebouw. Hiernaast zijn rondom het gehele gebouw openingen langs de daktrimmen waargenomen (figuur 6). Negatieve effecten van de sloop van het kantinegebouw op verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen kunnen hierdoor niet worden uitgesloten.
Figuur 1. Voorbeeld van invliegopening onder de daktrim (gele pijl ) en open stootvoeg (gele cirkel).
13
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Het gebouw en de schuur op het kampeerterrein zijn eveneens onderzocht op mogelijke verblijfplaatsen en/of invliegopeningen voor vleermuizen. In de zuidwestelijke gevel van het gebouw zit een luik waarlangs meerdere openingen waargenomen zijn, die kunnen functioneren als invliegopeningen voor gebouwbewonende vleermuissoorten. Ook is vanuit deze kant een gat onder de nokvorst te zien (figuur 7). De situatie is vergelijkbaar aan de tegenovergestelde gevel van het gebouw, waar zich een grotere schuurdeur met verschillende spleten bevindt. Rondom het gehele gebouw zijn tevens openingen langs de onderste rij dakpannen aanwezig, waaronder vleermuizen kunnen verblijven. Figuur 7: De
Figuur 7. De zuidwestelijke gevel van het gebouw op het kampeerterrein met verschillende invliegopeningen (gele pijlen).
De schuur op het kampeerterrein is over het algemeen weinig geschikt voor vleermuizen, echter heeft de schuur een dakgoot waarachter vleermuizen kunnen verblijven (Figuur 8).
Figuur 8: De schuur op het kampeerterrein met mogelijke verblijfplaatsen achter de dakgoot (gele pijlen).
14
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Het toiletgebouw en de kiosk op de ligweide van de Slingeplas zijn tevens onderzocht op invliegopeningen of verblijfplaatsen. Beide gebouwen vertoonden invliegopeningen ter plaatse van de nokvorsten. Boombewonende vleermuizen verblijven in boomholtes, holle oksels, spechtenholen, holle takken en achter loshangend schors van (oude) bomen. In en vlak rond het plangebied bevinden zich diverse bomen met potentieel geschikte holen waargenomen. Aan de noordzijde van de Slingeplas is tevens een rij wilgen met per boom een groot aantal holen en spleten, echter zal deze tijdens de werkzaamheden behouden blijven. Door de grote hoeveelheid boomholen kunnen negatieve effecten op verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen niet worden uitgesloten. In figuur 9 zijn de locaties van de boomholen weergegeven.
15
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Figuur 9. Locaties van boomholen aan de westkant van het plangebied (boven, oranje stippen), locaties van boomholen aan de oostkant van het plangebied (onder, oranje stippen) en locatie van de wilgen met holen en spleten (onder, oranje gearceerd).
Vliegroutes Vleermuizen volgen vaak lijnvormige elementen om heen en weer te bewegen tussen de verblijfplaatsen en foerageergebieden. Het behoud van lijnvormige landschapselementen is daarom van groot belang voor de instandhouding van vleermuispopulaties. Binnen het plangebied zijn lijnvormige elementen voornamelijk aanwezig in de vorm van bomenrijen (Figuur 10). Negatieve effecten op de vliegroutes van vleermuizen kunnen niet worden uitgesloten, indien (delen van) deze bomenrijen gekapt worden.
Figuur 10. Lijnvormige elementen binnen het plangebied (oranje lijnen) die door vleermuizen als vliegroute gebruikt kunnen worden.
Essentiële foerageergebieden De in Nederland voorkomende vleermuizen leven allemaal van insecten. Ze foerageren daarom op allerlei plekken waar veel vliegende insecten aanwezig zijn. Enkele voorbeelden van dit soort gebieden zijn wind beschutte plaatsen langs lijnvormige elementen (bijv. sloten, beken, bosranden en houtwallen), maar ook in bosgebieden, open plekken in bossen of langs oevers met rietkragen. Bij het verdwijnen van essentiële foerageergebieden gaan de verblijfplaatsen ook verloren. Delen van het huidige sportpark zijn geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Het verwijderen van groenvoorzieningen en ruigte in dit gebied in het belang van de realisatie van nieuwe woningen zal leiden tot verlies van potentieel foerageergebied. Ook zal de nieuwe sportvereniging en de horecagelegenheid gerealiseerd worden aan de Slingeplas. Ook dit gebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. In Figuur 11 zijn alle gebieden binnen het plangebied aangegeven die geschikt zijn als foerageergebied voor vleermuizen. Negatieve effecten op deze gebieden als gevolg van de werkzaamheden kunnen vooralsnog niet worden uitgesloten.
16
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Figuur 11. Gebieden binnen het plangebied die voldoen als foerageergebied voor vleermuizen (oranje). Hieronder vallen boomopstanden, gebieden met ruigte, sloten en de recreatieplas.
Verlichting Maak in de actieve periode van vleermuizen ’s avonds en ’s nachts geen of zo min mogelijk gebruik van bouwverlichting. Uitstraling naar groen, bomen en de omliggende woningen (inclusief de vrijstaande woning) moet worden voorkomen. Indien verlichting in de permanente situatie noodzakelijk is wordt aangeraden om gebruik te maken van vleermuisvriendelijke, amberkleurige verlichting. Zodoende kan eventuele verstoring tot een minimum worden beperkt. Er mag geen gebruik worden gemaakt van blauw en ultraviolet licht. Waar verlichting noodzakelijk is, dienen de lichtstralen gebundeld te zijn en op de grond te worden gericht. 5.2.2 Grondgebonden zoogdieren Algemene soorten Verschillende algemene grondgebonden zoogdieren kunnen voorkomen in en rondom het plangebied. Het is niet uit te sluiten dat deze zoogdieren (nog) in het plangebied aanwezig zijn tijdens de werkzaamheden. De meeste grondgebonden zoogdieren zijn in provincie Gelderland vrijgesteld. Wel dient voor deze soorten de specifieke zorgplicht te worden nageleefd, waarbij passende preventieve maatregelen moeten worden genomen om nadelige effecten te beperken. Wanneer er toch nadelige effecten optreden moeten de activiteiten worden gestaakt, of dienen er passende herstelmaatregelen te worden getroffen indien dit niet mogelijk is (artikel 11.27, Bal).
17
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Strikt beschermde soorten Op basis van verspreidingsgegevens kunnen de bunzing, hermelijn, wezel, boommarter, steenmarter, das, eekhoorn, grote bosmuis, waterspitsmuis en woelrat in de ruime omgeving van het plangebied voorkomen. De bunzing, hermelijn en wezel zijn kleine marterachtigen die in allerlei landschappen kunnen voorkomen, zoals kleinschalige cultuurlandschappen, natte hooilanden, duingebieden, bossen, houtwallen en plekken langs beken en rivieren. Alle kleine marters zoeken graag dekking in houtstapels, takkenrillen, steenhopen of heggen. Daarnaast wordt de bunzing vaak aangetroffen in oude holen van konijnen, vossen en dassen, maar bijvoorbeeld ook andere beschutte ruimtes zoals onder boomwortels of takkenrillen. ’s Winters trekt de bunzing vaker naar bewoonde gebieden en kan de soort ook in schuren verblijven. De hermelijn verblijft vaak in tunnels onder mossen, openingen tussen boomwortels, openingen onder omgevallen bomen en holen van konijnen, muizen en ratten. De wezel verblijft vooral in openingen tussen boomwortels en holen van muizen, ratten en mollen. Zowel de functionele leefomgeving als de rust- en voortplantingsplaatsen van deze soorten zijn beschermd (BIJ12, 2024). In het plangebied zijn takkenhopen en dicht struweel aanwezig die voldoende dekking bieden om te kunnen dienen als rust- of verblijfplaats voor de kleine marters.
Het geschikte leefgebied heeft een oppervlakte van circa 4,84 hectare (Figuur 12). Bij deze berekeningen zijn de geschikte delen ten oosten van de Slingeplas niet meegenomen, aangezien hier geen werkzaamheden plaats zullen vinden. Negatieve effecten op de bunzing, hermelijn en wezel kunnen door de ruime aanwezigheid van geschikt leefgebied niet worden uitgesloten.
Figuur 12. Weergave van geschikt leefgebied binnen het plangebied (paars).
18
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
De boommarter is bij voorkeur een bosbewoner die in verschillende bostypen voorkomt. Boommarters verblijven in holen van andere diersoorten en passen die naar eigen behoefte aan. Vaak zijn dit holtes die zijn uitgehakt door spechten of burchten van vossen en dassen. Ook verblijven ze in openingen onder boomwortels en ruimtes onder takkenhopen (Zoogdiervereniging, 2024a). In het plangebied is een grote hoeveelheid boomholen aanwezig, waaronder holen die zijn uitgehakt door spechten. Ook zijn er meerdere gebieden met dichte bosschages en ruigte, waaronder de begroeiing rondom de sportvelden. Ook de houtopstand langs de Slingeplas voorziet in boomstammen en takkenhopen die voldoende dekking kunnen bieden voor de soort. Negatieve effecten op de boommarter kunnen daarom niet worden uitgesloten. Steenmarters kunnen binnen het leefgebied meerdere schuilplaatsen hebben, zoals takkenhopen, boomholtes, dichte struwelen, kruipruimtes of zolders. Ook ruimtes onder dakbedekkingen en spouwmuren worden gebruikt door steenmarters. Openingen van 5 à 6 cm zijn al van voldoende grootte om een schuilplaats te bereiken (Zoogdiervereniging, 2024 b). In het plangebied zijn takkenhopen en dicht struweel aanwezig die voldoende dekking bieden om te kunnen dienen als rust- of verblijfplaats voor de steenmarter. Hiernaast kan de soort de zolder van het campinggebouw als verblijfplaats gebruiken.
Negatieve effecten op de steenmarter kunnen daarom niet worden uitgesloten. De das is een nachtactieve soort die voornamelijk voorkomt in kleinschalige landbouwlandschappen. Belangrijke onderdelen binnen een dassenterritorium zijn structuurrijke eikenbossen of bosjes en bemeste graslanden. In bepaalde delen van het jaar kunnen hoogstamboomgaarden, ruigte en akkers ook belangrijk zijn. Burchten kunnen bijvoorbeeld worden aangetroffen in houtwallen, langs bosranden, singels en heggen. De burchtingangen maken deel uit van een uitgebreid holenstelsel van lange gangen en kamers die onderling verbonden zijn. Andere sporen waaraan de das kan worden herkend zijn bijvoorbeeld graafsporen, wissels, haar aan prikkeldraad en mestputjes (BIJ12, 2017a). Binnen de begrenzing van het plangebied zijn alle gedeelten met gras geschikt om door de das als foerageergebied te gebruiken. Hieronder vallen de voetbalvelden, de ligweide van de Slingeplas, de schapenwei en de overige met gras begroeide delen rondom de huidige parkeerplaatsen. De bomenrijen en lijnvormige gebieden met ruigte kunnen dienen als verbindingen tussen de verschillende geschikte foerageergebieden. Negatieve effecten op de soort kunnen daarom niet worden uitgesloten. Eekhoorns bouwen bolvormige nesten in bomen. Deze hebben een doorsnede van 30 tot 50 cm en zijn vooral ‘s winters goed waarneembaar.
Soms gebruiken ze ook boomholtes, oude kraaien- of eksternesten of grote nestkasten als nestplaats. Nesten van eekhoorns kunnen op die van de ekster lijken, maar zijn te onderscheiden aan de aanwezigheid van blaadjes (Zoogdiervereniging, 2024c). In het plangebied is een grote hoeveelheid nesten aanwezig, welke door de eekhoorn gebruikt kunnen worden (Figuur 14). Indien er bomen met holen of nesten worden gekapt kunnen negatieve effecten op de rust- en verblijfplaatsen van de eekhoorn niet worden uitgesloten. Hiernaast kunnen intensieve werkzaamheden in de buurt van rust- en verblijfplaatsen van de soort het verlaten van het nest tot gevolg hebben. Hierdoor kan het voorkomen dat ook zonder het kappen van een boom met een hol of een nest toch indirect een rust- of verblijfplaats verloren gaat.
19
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
De grote bosmuis is een nachtactieve soort die voorkomt in bosgebieden en een voorkeur heeft voor oude eiken- en beukenbossen. Dekking in de vorm van lage begroeiing en stenen zijn hierin erg belangrijk. Nesten kunnen zich bevinden onder grote wortelstronken van oude bomen, burchten van dassen of holen van woelmuizen en mollen (Zoogdiervereniging, 2024 d). De houtopstand aan de rand van de Slingeplas behoort mogelijk tot leefgebied van de soort, maar deze zal niet worden aangetast als gevolg van de werkzaamheden. Echter zijn in het plangebied meerdere holen aangetroffen die mogelijk toebehoren tot de woelrat of de mol, en kunnen dienen als nestplaats voor de grote bosmuis. Negatieve effecten op de soort kunnen daarom niet worden uitgesloten. De waterspitsmuis komt voor in en langs, schoon, stromend tot stilstaand water met een goed ontwikkelde oevervegetatie. De soort wordt daarom aangetroffen langs beken, rivieren en andere watergebieden. De holen worden gemaakt in de oevers en er moet voldoende schuilgelegenheid aanwezig zijn (Zoogdiervereniging, 2024e). In de oever van de natte greppel langs de Pastoorsdijk werden holen aangetroffen die in theorie tot de waterspitsmuis zouden kunnen behoren (Figuur 13). Echter is het water in deze greppel niet schoon en biedt de oever niet voldoende schuilgelegenheid voor de soort.
Hiernaast zullen deze oevers niet aangetast worden, waardoor negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. De woelrat komt voor langs de oevers van beken, rivieren, sloten, greppels en meren. Verder weg van waterrijke gebieden wordt de soort ook aangetroffen in boomgaarden en op akkerland. De woelrat leeft ondergronds in gangenstelsels die tot wel 100 meter lang en 1 meter diep kunnen worden. Graafsporen kunnen gemakkelijk worden aangetroffen, maar zijn vaak moeilijk te onderscheiden van die van andere knaagdieren (Zoogdiervereniging, 2024 f). In de oever van de natte greppel van de Pastoorsdijk werden veel holen waargenomen die naar verwachting door de woelrat gemaakt zijn (Figuur 13), maar deze oever zal niet aangetast worden door de geplande werkzaamheden. Echter zijn op de ligweide in het gebied tussen de houtopstand en het zanderige gedeelte naast de Slingeplas meerdere gangenstelsels aangetroffen (Figuur 13). Gezien de geschiktheid van de oevervegetatie van de Slingeplas kan de aanwezigheid van de soort hier niet worden uitgesloten.
Figuur 13. Holen in de oever van de natte greppel langs de Pastoorsdijk (links, gele cirkels), een gangenstelsel die naar verwachting van de woelrat is (rechts)
20
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
5.2.3 Vogels Algemene soorten Verschillende vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond beschermd is kunnen voorkomen in en rondom het plangebied. Hiervan werden onder andere de wilde eend, kauw, roodborst, aalscholver, meerkoet en vink tijdens de quickscan waargenomen in het plangebied. Conform de Vogelrichtlijn is het verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van in het wild levende vogelsoorten te vernielen of te beschadigen, of nesten van deze vogels weg te nemen. Tevens zijn alle vogelsoorten tijdens het broedseizoen beschermd. De Omgevingswet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Voor de meeste vogels kan worden aangenomen dat het broedseizoen van 15 maart tot en met 15 juli loopt (indicatief broedseizoen), maar bij enkele soorten begint het broedseizoen eerder of loopt het langer door. Dichter bij het indicatieve broedseizoen is de kans op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten groter. Op het moment dat sprake is van een nest dat in gebruik is, zijn werkzaamheden die kunnen leiden tot beschadiging of vernieling hiervan verboden. Hierop is geen uitzondering en er is ook geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit mogelijk. Er wordt daarom geadviseerd om werkzaamheden waarbij nesten verstoord kunnen worden, (ruim) buiten het indicatieve broedseizoen uit te voeren.
Strikt beschermde soorten Van sommige vogelsoorten zijn de vaste rust- en nestplaatsen jaarrond beschermd (beschermingscategorie 1 t/m 4). Buiten de bebouwde kom van Bredevoort kunnen dit de boomvalk, buizerd, havik, slechtvalk, sperwer, wespendief, kerkuil, ransuil, steenuil, roek, gierzwaluw, huismus, ooievaar en grote gele kwikstaart zijn. Van deze soorten kunnen negatieve effecten op de havik, slechtvalk en wespendief op voorhand worden uitgesloten. De slechtvalk broedt op hoge structuren zoals flats of hoogspanningsmasten, welke in het plangebied niet aanwezig zijn. De havik en wespendief zijn bosbewoners, waardoor het plangebied niet geschikt is als nestlocatie. Waarnemingen uit de omgeving van de havik en wespendief beperken zich dan ook voornamelijk tot het Vragenderveen, wat zich op circa 3,5 km van het plangebied bevindt. De boomvalk jaagt in open en halfopen landschap zoals parklandschappen, heiden of boerenland. Ze broeden in verschillende typen bos, maar geven de voorkeur aan halfopen bos of bosranden (Vogelbescherming Nederland, 2024a). De soort broedt in oude kraaien- of eksternesten. Dergelijke nesten werden aangetroffen in de bomen langs de sportvelden. Deze bomen worden mogelijk gekapt ten behoeve van de nieuwe woonwijk.
In de rest van het plangebied werden nog meer bomen met eksternesten waargenomen, die mogelijk gekapt worden voor de realisatie van de nieuwe sportvereniging en de horecagelegenheid. Een overzicht van alle waargenomen nesten is te zien in Figuur 14. Hiernaast kan de bouw van de sportvereniging ten westen van de Slingeplas een effect hebben op het leefgebied van de soort. Hierdoor kunnen negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestplaatsen van de boomvalk niet worden uitgesloten.
21
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
Figuur 14. Locaties van boomnesten binnen het plangebied (roze stippen).
De buizerd is een roofvogel die voorkomt in gevarieerde landschappen waar weilanden worden afgewisseld met houtwallen, bosranden en andere houtopstanden. De soort komt ook voor nabij en in stedelijke omgevingen, zoals bijvoorbeeld in grote parken, indien er voldoende rust wordt verkregen (BIJ12, 2017b). Het plangebied is deels gelegen buiten de bebouwde kom van Bredevoort, omgeven door weilanden en vormt dus een potentieel geschikte leefomgeving voor de soort. Tijdens het veldbezoek werd een overvliegende buizerd waargenomen en werden verschillende buizerds waargenomen buiten het plangebied. Er werden geen horsten van deze soort aangetroffen, maar het plangebied kan deel uitmaken van het functioneel leefgebied indien de soort vlak buiten het plangebied broedt. Daarnaast is aanvullend onderzoek nodig om de afwezigheid van de buizerd in het plangebied aan te kunnen tonen. Negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestplaatsen van de buizerd kunnen vooralsnog niet worden uitgesloten. De sperwer broedt voornamelijk in jonge dichte naaldbossen en halfopen landschappen, maar kan ook in laanbomen, geïsoleerde bosjes en parken broeden (Vogelbescherming Nederland, 2024b). In de houtopstand langs de Slingeplas werd tijdens de quickscan een sperwer waargenomen. Deze vertoonde territoriaal gedrag richting een zwarte kraai, waardoor het aannemelijk is dat de sperwer hier verblijft.
In de bomen van de houtopstand werden meerdere grote nesten gezien, die mogelijk tot de sperwer behoren. Op deze locatie is de realisatie van een klimbos gepland, wat mogelijk gevolgen heeft voor de nestgelegenheid van de soort. Negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestplaatsen van de sperwer kunnen daarom niet worden uitgesloten.
22
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
De kerkuil leeft doorgaans in cultuurlandschappen waar ook kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen en bosjes worden aangetroffen. De soort broedt in Nederland in ongeveer 90% van de gevallen in nestkasten die in boerenschuren, torens, kerken of kastelen zijn geplaatst en heel incidenteel in boomholten (BIJ12, 2017 c). Het gat onder de nokvorst van het campinggebouw is mogelijk groot genoeg om door de kerkuil als toegang tot het gebouw gebruikt te worden. Hiernaast is het plangebied geschikt als functioneel leefgebied voor de soort. Negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestlocaties en het functioneel leefgebied van de kerkuil kunnen daarom niet worden uitgesloten. De ransuil leeft in kleinschalige landbouwlandschappen, bosranden, parken en open bosgebieden. De soort broedt meestal in oude nesten van kraaien, eksters en soms in oude nesten van reigers, roofvogels of eekhoorns. Bij voorkeur bevinden deze zich in naaldbomen, maar ook in boomopslag, houtwallen en vrijstaande bomen (Vogelbescherming Nederland, 2024c). In het plangebied is een groot aantal eksternesten aanwezig die mogelijk als broedplaats voor de ransuil kunnen dienen. Negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestplaatsen van de ransuil kunnen daarom niet worden uitgesloten. De steenuil is een soort die voorkomt in kleinschalige cultuurlandschappen.
Steenuilen broeden meestal in boomholten, nestkasten of nauwe ruimtes in gebouwen, bijvoorbeeld tussen de dakbedekking en het beschot. De steenuil is een zeer honkvaste soort die jaarrond gebruik maakt van het nest (BIJ12, 2017d). Het gat onder de nokvorst van het campinggebouw kan de soort toegang tot het gebouw verlenen. In het plangebied is tevens een groot aantal bomen aanwezig met geschikte holen voor de steenuil. Hieronder vallen een aantal bomen die gekapt zullen worden ten behoeve van de realisatie van het nieuwe sportpark. Daarnaast heeft de verplaatsing van de sportvereniging mogelijk een impact op het leefgebied van de soort. Negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestlocaties en het functioneel leefgebied van de steenuil kunnen daarom niet worden uitgesloten. De gierzwaluw is een soort die voorkomt in dorpen en steden waar hij broedt in donkere holtes, spleten en onder dakpannen van gebouwen die tenminste drie meter hoog zijn (BIJ12, 2023a). Het kantinegebouw beschikt over een plat dak zonder dakpannen, waardoor deze locatie uitgesloten kan worden als potentiële broedplaats voor de gierzwaluw. Hiernaast is de kantine niet hoog genoeg. Ook het toiletgebouw en de kiosk op de ligweide naast de Slingeplas zijn niet hoog genoeg om dienst te doen als verblijfplaats.
Van het gebouw op het kampeerterrein is de zuidwestelijke kant niet geschikt aangezien hier geen vrije aanvliegroute is door de hoge bomen. De noordoostelijke kant is echter wel geschikt. Het gebouw is hoog genoeg en de aanvliegroute is vrij. Negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestplaatsen van de gierzwaluw kunnen daarom niet worden uitgesloten. De roek is een koloniebroeder die van oorsprong voorkomt in vochtige gras- en bouwlanden met verspreid staande houtopstanden (BIJ12, 2017d). Tegenwoordig worden meer dan de helft van de nesten binnen de bebouwde kom aangetroffen. De nesten worden dicht bij elkaar gebouwd in hoogopgaande bomen en zijn daardoor goed herkenbaar (Vogelbescherming Nederland, 2024f). Dergelijke kolonies zijn echter niet in het plangebied aangetroffen. Negatieve effecten op jaarrond beschermde nesten van de roek kunnen worden uitgesloten.
23
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
De huismus is een standvogel die gebonden is aan bebouwing en komt voornamelijk voor in dorpen en steden. Nesten worden gebouwd onder dakpannen, in kieren en gaten van gebouwen en in speciaal voor de soort ontworpen mussenkasten (BIJ12, 2023 b). Het kantinegebouw beschikt over een plat dak zonder dakpannen, waardoor deze locatie uitgesloten kan worden als potentiële broedplaats voor de huismus. Het toiletgebouw en de kiosk op de ligweide naast de Slingeplas zijn echter wel geschikt bevonden voor de huismus. Ook het campinggebouw beschikt over geschikte verblijfplaatsen voor de soort. Als gevolg hiervan kunnen negatieve effecten op eventuele nestlocaties van de huismus niet worden uitgesloten. De ooievaar komt voor in cultuurlandschappen en broedt op schoorstenen, kerktorens, telefoonpalen, in bomen, hoogspanningsmasten of speciaal voor de soort gemaakte ooievaarspalen. De nesten zijn groot en daardoor goed herkenbaar (Vogelbescherming Nederland, 2024e). In het plangebied zijn echter geen nesten van de ooievaar aanwezig. Negatieve effecten op de vaste rust- en nestplaatsen van de ooievaar kunnen worden uitgesloten. De grote gele kwikstaart komt hoofdzakelijk voor langs beken en rivieren in bosrijke gebieden. Het nest wordt gebouwd tussen de wortels van bomen langs oevers, langs gaten in muren van watermolens of onder bruggen (SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2024).
Ten zuiden van het plangebied loopt de Boven-Slinge. Dit is een beek met oevers die geschikt geacht worden voor de grote gele kwikstaart. Er zijn dan ook waarnemingen van de soort bekend langs de BovenSlinge. Echter valt deze beek buiten het plangebied en zullen de oevers van de Boven-Slinge niet aangetast of verstoord worden als gevolg van de geplande werkzaamheden. Negatieve effecten op de grote gele kwikstaart kunnen daarom worden uitgesloten. Naast strikt beschermde soorten, vallen er ook soorten onder de Vogelrichtlijn, waarvan het nest alleen jaarrond beschermd is als er zwaarwegende ecologische redenen zijn. Deze soorten zijn opgenomen op de lijst van beschermde vogelsoorten uit beschermingscategorie 5 van het bevoegd gezag (rijk of provincie). Dit zijn voornamelijk holenbroeders, maar ook soorten die op of tegen gebouwen aan nestelen. Hiervan werden de boerenzwaluw, huiszwaluw, spreeuw, koolmees, pimpelmees, ekster, zwarte kraai, boomkruiper, groene specht, grote bonte specht en de gekraagde roodstaart tijdens de quickscan waargenomen. Deze soorten zijn jaarrond strikt beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Voor soorten als de koolmees zijn er in de directe omgeving voldoende uitwijkmogelijkheden, waardoor de staat van instandhouding niet in gevaar komt.
Er zijn dan ook geen ecologisch zwaarwegende redenen om potentiële nesten van deze soort jaarrond te beschermen. Voor de boerenzwaluw en huiszwaluw dienen passende preventieve maatregelen te worden genomen als blijkt dat deze soorten daadwerkelijk in het plangebied broeden. Tijdens verdere onderzoeken dient dit te worden onderzocht. Ook dient tijdens verdere onderzoeken te worden gecontroleerd of er nog meer soorten uit beschermingscategorie 5 aanwezig zijn die tevens op de rode lijst staan. De passende preventieve maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol.
24
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
5.2.4 Reptielen en amfibieën Algemene soorten Op basis van de openbare verspreidingsgegevens zijn verschillende algemene amfibieën te verwachten in de omgeving van het plangebied. De meeste algemene amfibieën zijn in provincie Gelderland vrijgesteld. Wel dient voor deze soorten de specifieke zorgplicht te worden nageleefd, waarbij passende preventieve maatregelen moeten worden genomen om nadelige effecten te beperken. Wanneer er toch nadelige effecten optreden moeten de activiteiten worden gestaakt, of dienen er passende herstelmaatregelen te worden getroffen indien dit niet mogelijk is (artikel 11.27, Bal). Strikt beschermde soorten Uit de openbare beschikbare verspreidingsgegevens blijkt dat de heikikker, poelkikker, kamsalamander, zandhagedis, hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang in de ruime omgeving van het plangebied kunnen voorkomen. Van deze soorten worden de heikikker, kamsalamander, poelkikker en zandhagedis op Europees niveau beschermd conform de Habitatrichtlijn (artikel 11.46 lid 1, Bal) en zijn de levendbarende hagedis en ringslang soorten van nationaal belang (artikel 11.54 lid 1, Bal). De heikikker komt voornamelijk voor in voedselarme wateren in hoog- en laagveengebieden, moerassen en uiterwaarden. De voortplantingsbiotoop bestaat uit ondiepe, stilstaande wateren met een rijke oevervegetatie.
Voedselrijke sloten met een krooslaag worden vermeden (de Jong & Vos, 2009). Waarnemingen uit de omgeving hebben betrekking tot het Vragenderveen en het Meddose Veen, gelegen ten noordoosten van het plangebied. In tegenstelling tot deze gebieden is de Slingeplas geen geschikt leefgebied voor deze soort. Hierdoor kunnen negatieve effecten op de soort worden uitgesloten. De poelkikker heeft een voorkeur voor zwak zure, schone, stilstaande wateren in heide- en hoogveengebieden. Daarnaast komt de soort ook voor in de uiterwaarden, in veedrinkpoelen en in sloten van rivierkleipolders en halfnatuurlijke graslanden. In minder zure en voedselrijke wateren komt de soort alleen voor als er sprake is van een goede waterkwaliteit en een rijke begroeiing van oever- en waterplanten (Mulder & Creemers, 2009). De aanwezige sloten in het plangebied hebben steile, kale oevers en zijn daarom niet geschikt als leefgebied of voortplantingsplaats voor de poelkikker. Waarnemingen van de soort beperken zich dan ook tot het Vragenderveen en het Meddose Veen. Negatieve effecten op de soort zijn daarom uitgesloten. De kamsalamander komt voor in relatief diepe, stilstaande wateren met een goed ontwikkelde watervegetatie. In deze wateren zijn gewoonlijk geen vis en watervogels (ganzen en eenden) aanwezig. Vaak zijn deze gelegen in kleinschalige landschappen met elementen als struweel en houtwallen.
In het rivierengebied komt de soort ook voor in strangen, kleiputten en kolken (Arntzen & Smit, 2009). In en rondom de Slingeplas zijn veel watervogels waargenomen, waaronder de aalscholver, kuifeend, krakeend en meerkoet. Hiernaast staat de plas bekend als visstek, wat de aanwezigheid van vis indiceert. Als gevolg van de zeer waarschijnlijke aanwezigheid van vis en de grote hoeveelheid watervogels in het gebied kunnen negatieve effecten op de kamsalamander worden uitgesloten.
25
Quickscan natuurtoets
Buro Ontwerp & Omgeving
De zandhagedis is in Nederland sterk gebonden aan duin- en heidegebieden. Daarnaast wordt de soort ook gemeld langs spoor- en wegbermen, wat met name het geval is als deze op een talud liggen, zijn ingezakt en op het zuiden zijn gericht. Ze hebben voldoende zonnige plekken nodig om op te kunnen warmen (Groeneveld, 2009). In het plangebied zijn deze habitattypen niet aanwezig, waardoor negatieve effecten op de soort kunnen worden uitgesloten. De hazelworm komt voor op structuurrijke plekken langs bosranden, houtwallen, heideterreinen, open plekken in bossen en langs spoor- en wegbermen. Rustplaatsen bevinden zich onder dood hout, in gaten of holen in de grond, holtes onder stenen of in composthopen. De overwintering vindt in droge holtes onder de grond plaats (Creemers, 2009). Omdat er in het plangebied structuurrijke plekken zoals houtsingels aanwezig zijn kunnen negatieve effecten op de hazelworm niet worden uitgesloten. De levendbarende hagedis komt voornamelijk voor op heidevelden en hoogvenen en wordt hier vaak op vochtige plekken waargenomen. De soort komt ook voor in bermen, ruige graslanden, open bossen en duingebieden (BIJ12, 2017f). Waarnemingen van deze soort uit de omgeving van het plangebied beperken zich wederom tot het Vragenderveen en het Meddose Veen.
Gezien de vele barrières ten opzichte van het plangebied kunnen negatieve effecten op de levendbarende hagedis worden uitgesloten. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats en is de enige slangensoort in Nederland die eieren legt. Voor de incubatie van de eieren is het noodzakelijk dat deze worden afgezet op plekken waar warmte wordt opgewekt. Voortplantingsplaatsen zijn daarom bijvoorbeeld ingerotte boomstobben, broeihopen van afgestorven riet en in door de mens aangelegde compost- en mesthopen (van den Bos, 2015). Het plangebied is door de aanwezigheid van aquatische elementen geschikt als leefgebied voor de ringslang. Op meerdere plekken rondom de plas zijn rietkragen aanwezig, met deels afgestorven riet. Negatieve effecten op de ringslang kunnen daarom niet worden uitgesloten. 5.2.5 Vlinders Uit de openbare beschikbare verspreidingsgegevens blijkt dat de grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage en kleine ijsvogelvlinder in de ruime omgeving van het plangebied kunnen voorkomen. Deze soorten zijn allemaal van nationaal belang (artikel 11.54 lid 1, Bal). De grote vos is een zeldzame, zwerflustige vlinder die zich sinds 2019 weer verspreid door Nederland heeft voortgeplant. De belangrijkste waardplanten voor deze soort zijn breedbladige wilgensoorten, iepen en zoete kers. Ook functioneren de ratelpopulier en peer als waardplant voor de grote vos.
De rupsen leven namelijk vaak op struiken en bomen die zich bevinden langs brede bospaden, bosranden, in boomgaarden of op kapvlaktes. De rupsen van de grote vos leven in groepen van tientallen tot enkele honderden rupsen bij elkaar en kunnen zich hoog in struiken en bomen bevinden. De soort overwintert als vlinder in oude, houten schuren, in holle bomen en tussen houtstapels (Bos, 2006 a). In het plangebied zijn meerdere waardplanten van de soort waargenomen, waaronder een zoete kers aan de rand van het parkeerterrein van de sportvereniging. Hiernaast zijn binnen het plangebied meerdere breedbladige wilgen waargenomen, waaronder in een groenstrook parallel aan de Pastoorsdijk. Door de aanwezigheid van deze waardplanten kunnen negatieve effecten op de voortplantingsplaatsen van de grote vos niet worden uitgesloten. 26