Bijlage 1b - TAM-omgevingsplan Landelijk gebied, herziening 2025_ontwerp_1_Regels
Tekst van het document
34/66
Artikel 9
Horeca
9.1 Gebruiksregels De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een horecabedrijf in de horeca categorieën 1 en/of 2; b. het wonen ten behoeve van het horecabedrijf in een bedrijfswoning uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'. 9.2 Beoordelingsregels voor het bouwen 9.2.1 Bouwen van bedrijfsgebouwen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels: a. bedrijfsgebouwen zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan, tenzij in deze bouwregels anders bepaald; b. de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan de oppervlakte ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m²)'; c. de bouwhoogte mag maximaal 10 m bedragen; d. de dakhelling dient minimaal 200 en maximaal 600 te bedragen. 9.2.2 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels : a. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m; b. de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
35/66
Artikel 10 Natuur 10.1 Gebruiksregels In het voor 'Natuur' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan: a. natuurgebieden en het behoud, herstel en ontwikkelen van natuur- en landschapswaarden; b. (onverharde) fiets- en wandelpaden; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; d. extensieve (dag)recreatie; met bijbehorende (parkeer)voorzieningen. 10.2 Beoordelingsregels voor het bouwen Op of in de gronden mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, behoudens eenvoudige voorzieningen in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor extensief recreatief medegebruik, zoals informatieborden, picknickplekken, banken en afvalbakken en/of waterhuishoudkundige voorzieningen, mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2,5 m. 10.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 10.3.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag: a. op de in artikel 10.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: b. het vellen of rooien van gewassen dan wel zodanig handelingen te verrichten die ernstige schade aan de gewassen kunnen veroorzaken; c. het vergraven, afgraven en egaliseren van gronden; d.
het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen. 10.3.2 Uitzondering vergunningplicht De in lid 10.3.1 bedoelde omgevingsvergunning is niet vereist voor: a. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die behoren tot het normale onderhoud en beheer; werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die op het tijdstip van het van kracht worden van het TAM-omgevingsplan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning. 10.3.3 Beoordelingsregels De in lid 10.3.1 bedoelde omgevingsvergunning wordt verleend, indien geen blijvende onevenredige afbreuk wordt gedaan door het uitvoeren van het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheid dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen aan de natuur- en landschapswaarden dan wel het karakteristieke verkavelingspatroon.
36/66
Artikel 11 Recreatie - Dagrecreatie 11.1 Gebruiksregels 11.1.1 Toegestaan gebruik In het voor 'Recreatie - Dagrecreatie' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan: a. dagrecreatief verblijf in de vorm van speel- en sportweiden, picknickplaatsen en mits het gebruik uitsluitend plaatsvindt tijdens de dagperiode en geen sprake is van het houden/huisvesten van dieren; b. een antennemast, ter plaatse van de aanduiding 'antennemast' en tevens voor: c. hobbymatige ambachtelijke activiteiten in de vorm van houtbewerking, waarbij deze uitsluitend mogen worden uitgeoefend door de eigenaar en/of hoofdgebruiker; met bijbehorende voorzieningen, waaronder voet- en fietspaden en ontsluitingsvoorzieningen. 11.2 Beoordelingsregels voor het bouwen 11.2.1 Bouwen van een gebouw Voor het bouwen van een gebouw, gelden de volgende beoordelingsregels: a. een gebouw is uitsluitend toegestaan binnen een bouwvlak; b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven goothoogte; c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte; 11.2.2 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels: a.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde bedraagt maximaal 1 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van een informatiepaneel maximaal 2,50 m bedraagt; b. de bouwhoogte van een antennemast ter plaatse van de aanduiding 'antennemast' bedraagt maximaal 40 m;
37/66
Artikel 12 Recreatie - Verblijfsrecreatie 12.1 Gebruiksregels In het voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan: a. verblijfsrecreatie en recreatief verblijf in stacaravans, trekkers- en/of blokhutten en kampeermiddelen; b. algemene voorzieningen ten behoeve van het recreatief (nacht)verblijf, daaronder begrepen, een bed and breakfast- en groepsaccommodatie, nutsvoorzieningen, sanitaire voorzieningen, voorzieningen voor sport en spel, voorzieningen ten behoeve van het beheer van het verblijfsrecreatieterrein en ondergeschikte horecavoorzieningen (categorie 1) en ondergeschikte detailhandel; c. het wonen in bedrijfswoningen ten behoeve van de bedrijfsvoering; d. ondergeschikte detailhandel met een oppervlakte van maximaal 100 m2; e. groenvoorzieningen ten behoeve van de inrichting en de inpassing in het landschap; met bijbehorende voorzieningen parkeergelegenheden en ontsluitingswegen. 12.2 Beoordelingsregels voor het bouwen 12.2.1 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:
binnen het bestemmingsvlak
38/66
erf- en terreinafscheidingen
vlaggenmasten en antennes
lichtmasten
2m
10 m
8m
overige bouwwerken, geen gebouw zijnde 6m
Artikel 13 Sport - Manege 13.1 Gebruiksregels De voor 'Sport - Manege' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan: a. een manege; b. het wonen in bedrijfswoningen ten behoeve van de bedrijfsvoering ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; c. het wonen in voormalige bedrijfswoningen ter plaatse van 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning'; d. detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij een manege tot een verkoopvloeroppervlakte van maximaal 50 m2; e. ondergeschikte horeca met een maximale oppervlakte van 200 m2; f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - manege 1' kleinschalige verblijfsrecreatie in de vorm van: 1. een kleinschalig kampeerterrein met daarbij behorende voorzieningen; 2. kleinschalige verblijfsrecreatie, uitsluitend in de vorm van een groepsaccommodatie, waarvoor maximaal 180 m2 van de bestaande bebouwing mag worden gebruikt; met bijbehorende voorzieningen. 13.2
Beoordelingsregels voor het bouwen
13.2.1 Bouwen van een bedrijfsgebouw Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - manege 1' gelden de volgende beoordelingsregels: a. de gezamenlijke oppervlakte bedraagt niet meer dan 7.000 m2, exclusief de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfswoningen met daarbij behorende bijbehorende bouwwerken; b. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 m; c. een goothoogte van maximaal 5,5 m; 13.2.2 Bouwen van een bedrijfswoning Voor het bouwen van bedrijfswoningen en plattelandswoningen gelden de volgende beoordelingsregels: a. bedrijfswoningen en plattelandswoningen zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan, tenzij in deze bouwregels anders bepaald; b. in totaal ten hoogste twee woningen zijn toegestaan, bestaande uit 1 bedrijfwoning en 1 plattelandswoning; c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m; d. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m bedraagt. 13.2.3 Bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoningen gelden de volgende beoordelingsregels: a. de gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 150 m2 per bedrijfswoning bedragen; b. de bouwhoogte mag maximaal de bestaande bouwhoogte van de bedrijfswoning minus 1 m bedragen tot een maximum bouwhoogte van 7 m; c. de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen.
39/66
13.2.4 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Ik zou hier overige Voor het bouwen van bouwen van bouwwerken, geen gebouw en overkappingen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels: a. de bouwhoogte bedrijfsinstallaties mag niet meer dan 8 m bedragen; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer dan 2 m bedragen. 13.3 Specifieke beoordelingsregels voor het bouwen De omgevingsvergunning wordt ook verleend, wanneer sprake is van: a. van het verhogen van de maximale goothoogte van bouwwerken zoals bepaald artikel 13.2.2 onder c tot een maximum goothoogte van 6 m, mits; 1. sprake blijft van een goed bebouwingsbeeld; en, 2. de belangen van de in omgeving aanwezige functies en waarden iet in onevenredige mate worden geschaad, wanneer sprake is.
40/66
Artikel 14 Verkeer 14.1 Gebruiksregels De voor 'Verkeer' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan: a. verkeersdoeleinden, en de daarbij behorende wegen, voet- en fietspaden en op- en afritten, met bermen; b. parkeervoorzieningen; c. groenvoorzieningen d. voorzieningen voor de waterhuishouding; e. buis- en kabelverbindingen voor riolering, nutsbedrijven overeenkomstige doeleinden; f. straatmeubilair; g. beeldende kunstwerken; en tevens bestemd voor: h. een koetunnel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - koetunnel'; met bijbehorende voorzieningen. 14.2 Bouwregels 14.2.1 Bouwen van een gebouw Voor het bouwen van gebouwen, geldt dat deze niet zijn toegestaan, met uitzondering van abri's waarvan de bouwhoogte niet meer dan 3 m bedragen; 14.2.2 Bouwen van bouwwerken van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende beoordelingsregels: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2 m bedragen; b. in afwijking van het bepaalde in sub a mag de bouwhoogte van beeldhouwwerken en daarmee gelijk te stellen kunstzinnige elementen niet meer dan 4 m bedragen; c. in afwijking van het bepaalde in sub a mag de bouwhoogte van een koetunnel als bedoeld in artikel 14.1 onder h maximaal 1 m mag bedragen en de bouwdiepte maximaal 3,5 m; d.
in afwijking van het bepaalde in sub a mag de bouwhoogte van de geleiding en beveiliging en regeling van het verkeer niet meer bedragen dan 10 m bedragen.
41/66
Artikel 15 Wonen - 1 15.1 Gebruiksregels 15.1.1 Gebruiksregels In het voor 'Wonen - 1' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan: a. wonen; b. per bestemmingsvlak één woning is toegestaan, dan wel ten hoogste het aangegeven aantal woningen ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'; en tevens voor: a. recreatief wonen; b. de uitoefening van nevenactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 20, met dien verstande dat: 1. het hiervoor gebruikte oppervlak maximaal 50% van de bestaande bebouwing mag bedragen, tot een absoluut maximum van 350 m2; 2. de nevenactiviteiten uitsluitend binnen bestaande bebouwing zijn toegestaan, waarbij voor zover het activiteiten betreft op het gebied van dagrecreatie en zorg de activiteiten ook in de openlucht mogen worden uitgeoefend en het hiervoor gebruikte oppervlak maximaal 100 m2 mag bedragen; 3. alle vormen van verblijfsrecreatie, met uitzondering van het verblijf in kampeermiddelen, in het hoofdgebouw dienen plaats te vinden, met dien verstande dat het gebruik van één vrijstaand bijbehorend bouwwerk ten behoeve van verblijfsrecreatie is toegestaan waarbij de exploitatie uitsluitend mag worden uitgeoefend door de hoofdbewoner en/of eigenaar; 4.
detailhandel uitsluitend is toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit in producten die ter plaatse zijn vervaardigd, dan wel direct verband houden met een toegestane nevenactiviteit; 5. opslag, uitsluitend is toegestaan ten behoeve van het wonen en/of de toegestane nevenactiviteiten; 6. het gebruik van de bestaande, in voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aanwezige, mestkelder ten behoeve van de opslag van mest. c. het hobbymatig telen van gewassen en/of houden van dieren, met dien verstande dat: 1. het hobbymatig agrarisch gebruik van gronden en opstallen niet meer bedraagt dan 23.000 Standaard Opbrengst; d. paardrijden in bestaande paardenbakken. met bijbehorende voorzieningen, zoals inritten, erven, terreinen, tuinen, parkeervoorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding. 15.1.2 Verbod In het voor 'Wonen - 1' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten verboden: het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning. 15.2 Beoordelingsregels voor het bouwen 15.2.1 Bouwen van een hoofdgebouw Voor het bouwen van een hoofdgebouw gelden de volgende beoordelingsregels: a. als hoofdgebouw mag uitsluitend een woning worden gebouwd; b. een hoofdgebouw mag uitsluitend op de bestaande locatie binnen een bestemmingsvlak worden gebouwd,
42/66
met dien verstande dat indien binnen het bestemmingsvlak een bouwvlak is aangegeven het hoofdgebouw daarbinnen moet worden gebouwd; c. ter plaatsen van de aanduiding 'vrijstaand' uitsluitend een vrijstaande woning mag worden gebouwd; d. de afstand van het hoofdgebouw tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 5 m; e. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m, dan wel de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven goothoogte; f. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m, of de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte; g. het hoofdgebouw moet voorzien worden van een kap, waarvan de helling minimaal 30° bedraagt; h. de inhoud van het hoofdgebouw mag niet meer dan 750 m³ bedragen; i. de inhoud van het hoofdgebouw mag niet meer dan 750 m³ bedragen; 15.2.2 Bouwen van aangebouwde bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van aangebouwde bijbehorende bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels: aang a. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend op minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw c.q. het verlengde daarvan worden gebouwd; b. de afstand van bijbehorende bouwwerken tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 3 m; c.
de gezamenlijke inhoud van aangebouwde bijbehorende bouwwerken per hoofdgebouw mag niet meer dan 75 m3 bedragen, met dien verstande dat ingeval van een gesplitste dan wel twee- of drie-aaneengebouwde woningen die inhoud ten hoogste 40 m3 per woning mag bedragen; d. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 m bedragen dan wel de bouwhoogte van de vloer van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,30 m; e. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan maximaal de bouwhoogte van het bestaande hoofdgebouw minus 1 m bedragen met een maximale bouwhoogte van 7 m. 15.2.3 Bouwen van overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen Voor het bouwen van overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen gelden de volgende beoordelingsregels: a. overige bijbehorende bouwwerken zijn, wanneer sprake is van de aanduiding 'bijgebouwen' uitsluitend toegestaan ter plaatse van deze aanduiding; a. overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen mogen uitsluitend op minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw c.q. het verlengde daarvan worden gebouwd; b. de afstand van overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 3 meter; c. de (kortste) afstand van overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen tot het hoofdgebouw mag niet meer dan 25 m bedragen; d.
de gezamenlijke oppervlakte van overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen mag per hoofdgebouw niet meer dan 150 m2 bedragen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)' de gezamenlijke oppervlakte van overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan het ter plaatse aangegeven oppervlakte mag bedragen; e. in afwijking van het bepaalde onder d mag de gezamenlijke oppervlakte van overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 200 m2 per hoofdgebouw bedragen, mits de bij de woning behorende kavel groter is dan 1.500 m2; f. de goothoogte van overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen mag niet meer dan 3 m bedragen;
43/66
g. de bouwhoogte van overige bijbehorende bouwwerken en overkappingen mag niet meer dan maximaal de bouwhoogte van het bestaande hoofdgebouw minus 1 meter bedragen met een maximale bouwhoogte van 7 m; 15.2.4 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevel van de woning c.q. het verlengde daarvan mag niet meer dan 1 m bedragen; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel van de woning dan wel het verlengde daarvan mag niet meer dan 2 m bedragen; c. er zijn maximaal twee vlaggenmasten per woning toegestaan, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 6 m; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen, mits gelegen op tenminste 1 m achter de voorgevel van de woning. 15.3 Specifieke beoordelingsregels voor het bouwen De omgevingsvergunning wordt ook verleend, mits geen onevenredige inbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende, wanneer sprake is: a.
van het verhogen van de maximale goothoogte van het hoofdgebouw zoals bepaald in artikel 15.2.1 onder e waarbij de goothoogte méér bedraagt dan 3 meter; b. van een afwijkende dakhelling voor een hoofdgebouw zoals bepaald in artikel 15.2.1 onder h waarbij de dakhelling/dakvorm van het hoofdgebouw niet is voorzien van een kap of dat de helling minder bedraagt dan 30°; c. van het vergroten van de woonruimte, zoals bepaald in artikel 15.2.1 onder j met inachtneming van de volgende voorwaarden: 1. de vergroting vindt plaats in de bestaande hoofdbebouwing; 2. vaststaat dat het aantal woningen niet toeneemt; 3. de kenmerkende vorm van de hoofdbebouwing gehandhaafd blijft; 4. voor zover een geurgevoelige functie wordt gerealiseerd mogen de belangen van de in de omgeving gelegen functies niet onevenredig worden geschaad. d. van het bouwen van een bijbehorend bouwwerk op minder dan 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw c.q.
het verlengde daarvan worden gebouwd, zoals bepaald in artikel 15.2.3 onder a, onder voorwaarde dat tot aan of vóór de voorgevel van het hoofdgebouw en/of het verlengde daarvan wordt gebouwd; 15.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 15.4.1 Vergunningplicht Het is verboden buiten een bouwvlak zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen van de bodem dan wel het aanleggen van een grondwal vóór de voorgevel dan wel vóór de naar de openbare weg gekeerde achtergevel tot een hoogte van méér dan 1 meter boven maaiveld. b. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen, het vergraven, afgraven en egaliseren van gronden en het vellen van
44/66
houtopstanden ter plaatse van de aanduiding 'houtsingel'. 15.4.2 Uitzondering vergunningplicht De in lid 15.4.1 bedoelde omgevingsvergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a. behoren tot het normale onderhoud, gebruik en beheer; b. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die op het tijdstip van het van kracht worden van het TAM-omgevingsplan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning. 15.4.3 Beoordelingsregels De in lid 15.4.1 bedoelde omgevingsvergunning wordt verleend, indien: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan landschapswaarden;
45/66
Artikel 16 Waarde - Archeologie gematigde verwachting 16.1 Gebruiksregels De voor 'Waarde - Archeologie gematigde verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies en gebruiksactiviteiten, de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan: 16.2 Beoordelingsregels voor het bouwen 16.2.1 Bouwen van bouwwerken Voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan groter dan 2.500 m2 moet alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overlegd, waarin naar het oordeel van burgemeester en wethouders: a. de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 16.2.2 Voorwaarden omgevingsvergunning Indien uit sub 16.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht, of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, of; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden voor een archeologische deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, en/of; 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. 16.2.3 Advies archeoloog Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 16.2.1 sub a, wint het advies in bij de archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 16.2.4 Uitzondering bouwregels Het bepaalde in artikel 16.2.1 sub a geldt niet indien: a.
op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 2.500 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders, of;
46/66
c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen. 16.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 16.3.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m; b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 2.500 m2, waartoe wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakte verhardingen; c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist; d. het verlagen van het waterpeil; e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
16.3.2 Uitzonderingen vergunningplicht Het in artikel 16.3.1 opgenomen verbod geldt niet: a. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik; c. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; d. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend; e. ingeval op grond van de monumentenwet 1988 een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet 1988 van toepassing zijn. 16.3.3 Beoordelingsregels Ten aanzien van de in artikel 16.3.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingsregels: a. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld.
In dien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.
47/66
16.3.4 Voorwaarden aan omgevingsvergunning a. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waaronder (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn, of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, of; 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologische deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, en/of; 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; b. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 16.3.1 wint deze advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
48/66
Artikel 17 Waarde - Archeologie hoge verwachting 17.1 Gebruiksregels De voor 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies en gebruiksactiviteiten, de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan: behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. 17.2 Beoordelingsregels voor het bouwen 17.2.1 Bouwen van bouwwerken Voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m2 moet alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overlegd, waarin naar het oordeel van burgemeester en wethouders: a. de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 17.2.2 Voorwaarden omgevingsvergunning Indien uit sub 17.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht, of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, of; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden voor een archeologische deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, en/of; 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. 17.2.3 Advies archeoloog Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 17.2.1 sub a, wint het advies in bij de archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 17.2.4 Uitzondering bouwregels Het bepaalde in artikel 17.2.1 sub a geldt niet indien: a.
op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 500 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe
49/66
kelders, of; c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen. 17.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 17.3.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m; b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m onder het maaiveld, waartoe wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakte verhardingen; c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist; d. met een gezamenlijke oppervlakte van niet meer dan 500 m², e. het verlagen van het waterpeil; f. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; g. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; h. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; i.
het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 17.3.2 Uitzondering vergunningplicht Het in artikel 17.3.1 opgenomen verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: a. in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. in het kader van het normale agrarische gebruik; c. binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; d. met een gezamenlijke oppervlakte van niet meer dan 500 m2, e. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend; f. ingeval op grond van de monumentenwet 1988 een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet 1988 van toepassing zijn. 17.3.3 Beoordelingsregels Ten aanzien van de in artikel 17.3.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingsregels: a. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen.
In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld. In dien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.
50/66
17.3.4 Voorwaarden aan omgevingsvergunning a. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waaronder (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn, of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, of; 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologische deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, en/of; 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; b. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17.3.1 wint deze advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
51/66
Artikel 18 Waarde - Archeologie lage verwachting 18.1 Gebruiksregels De voor 'Waarde - Archeologie lage verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies en gebruiksactiviteiten, de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan: behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. 18.2 Beoordelingsregels voor het bouwen 18.2.1 Bouwwerken Voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan groter dan 5.000 m2 moet alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overlegd, waarin naar het oordeel van burgemeester en wethouders: a. de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. c. Indien uit sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht, of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, of; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden voor een archeologische deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, en/of; 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; 18.2.2 Voorwaarden omgevingsvergunning Indien uit sub 17.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 5.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht, of; 6. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, of; 7. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden voor een archeologische deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma
52/66
van Eisen, en/of; 8. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. 18.2.3 Advies archeoloog Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 18.2.1 sub a, wint zij advies in bij de archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 18.2.4 Uitzondering bouwregels Het bepaalde in artikel 18.2.1 sub a geldt niet indien: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 5.000 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders, of; c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.
18.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 18.3.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m; b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2, waartoe wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakte verhardingen; c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist; d. het verlagen van het waterpeil; e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 18.3.2 Uitzonderingen vergunningplicht Het in artikel 18.3.1 opgenomen verbod geldt niet: a.
voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik; c. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
53/66
d. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend; e. ingeval op grond van de monumentenwet 1988 een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet 1988 van toepassing zijn. 18.3.3 Beoordelingsregels Ten aanzien van de in artikel 18.3.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingsregels: a. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. 18.3.4 Voorwaarden aan omgevingsvergunning a. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder: 1.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waaronder (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn, of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, of; 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologische deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, en/of; 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; b. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 18.3.1 wint deze advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
54/66
Hoofdstuk 3
Algemene regels
Artikel 19 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
55/66
Artikel 20 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de te gebruiken materialen; b. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en c. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.
56/66
Artikel 21 Algemene bouwregesl 21.1 Algemene beoordelingsregels voor het bouwen Bij de beoordelingsregels voor het bouwen als bedoeld in hoofdstuk 2 en op de verbeelding gelden tevens de volgende beoordelingsregels en wordt de omgevingsvergunning ook verleend als: a. de in de beoordelingsregels gegeven maten, afmetingen en percentages, met uitzondering van de oppervlaktematen, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages worden overschreden; b. de grenzen van het bouw- c.q. bestemmingsvlak naar de buitenzijde worden overschreden door: 1. trappen, trappenhuizen en galerijen; 2. entreeportalen, luifels, veranda's en balkons; 3. overstekende daken; en andere daarmee gelijk te stellen ondergeschikte delen van gebouwen, mits de bouwgrens met niet meer dan 1,25 m wordt overschreden; c. wordt afgeweken van bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen en overige aanduidingen in het horizontale vlak op de verbeelding, indien en voor zover de afwijking noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein en er geen dringende reden zijn die zich tegen de afwijking verzetten, mits de afwijking ten opzichte van hetgeen op de verbeelding is aangegeven niet meer dan 2,5 m bedraagt; d.
wordt afgeweken van bouwgrenzen en overige aanduidingen in het horizontale vlak op de verbeelding, niet zijnde bestemmingsgrenzen, indien en voor zover afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de grond, mits de afwijking ten opzichte van hetgeen op de verbeelding is aangegeven niet meer dan 2,5 m bedraagt; e. wordt afgeweken afwijken van de maximale bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen indien en voor zover deze afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de grond, mits de afwijking ten opzichte van hetgeen in de desbetreffende regels is aangegeven niet meer dan 3 m bedraagt; f. sprake is van de bouw van bouwwerken voor nutsvoorzieningen zoals pompgemalen, verdeel- en regel- of transformatorruimten, telefooncentrales en telefooncellen waarvan de inhoud niet meer dan 75 m³ bedragen; g. sprake is van zonnecollectoren op het bouwperceel bij een (bedrijfs)woning, met dien verstande dat: 1. de zonnecollectoren worden gebouwd achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning; 2. de bouwhoogte niet meer dan 2,5 m mag bedragen; 3. er dient te worden voorzien in landschappelijke inpassing middels streekeigen erfbeplanting; 21.2 Bestaand Wanneer een bestaand gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde: a. een grotere goothoogte; b. een grotere bouwhoogte; c. een grotere (bebouwings-)oppervlakte; d. een grotere dakhelling; e.
een kleinere dakhelling, f. een andere afstand dan de voorgeschreven afstand (tot een bouwwerk of (zijdelingse) perceelgrens), heeft dan in de bouwregels is toegestaan, dan mag:
57/66
a. de goot- en/of bouwhoogte en/of oppervlakte en/of dakhelling ten hoogste de bestaande goot- en/of bouwhoogte en/of oppervlakte en/of dakhelling bedragen; b. de dakhelling ten minste de bestaande dakhelling bedragen; c. de afstand de bestaande afstand zijn. 21.3 Bodemgevoelig gebouw bouwen 21.3.1 Meldingplicht bodemgevoelig gebouw Voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie geldt een meldingplicht. 21.3.2 Indieningsvereisten melding a. Indien sprake is van een bodemgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 5.89g van het Bkl, op een bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in artikel 5.89h van het Bkl, dan moet dit ten minste vier weken voor het begin van de bouw worden gemeld bij burgemeester en wethouders. b. De melding als bedoeld onder a wordt ondertekend en bevat ten minste; 1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; 2. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; 3. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht; 4. de dagtekening; en 5. bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen; 6.
1 en 5 zijn niet van toepassing op locaties die zijn aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl redelijkerwijs is uit te sluiten.
58/66
Artikel 22 Algemene aanduidingsregels 22.1 cultuurhistorische ensembles Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch ensemble' wordt bij de beoordeling in aanvulling op de beoordelingsregels voor het bouwen in Hoofdstuk 2, het cultuurhistorisch ensemble in acht genomen en advies ingewonnen bij de gemeentelijke culturele erfgoedcommissie. 22.2 gelders natuurnetwerk en groene ontwikkelingszone 22.2.1 Aanduidingsomschrijving De gronden ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - groene ontwikkelingszone' en 'overige zone - groene ontwikkelingszone' zijn behalve voor de functies en gebruiksactiviteiten zoals bepaald in hoofdstuk 2 mede bestemd voor het beschermen en ontwikkelen van landschappelijke en ecologische waarden. 22.2.2 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning wordt niet eerder verleend bij het toepassen van specifieke beoordelingsregels voor het bouwen of gebruiken indien is aangetoond dat geen sprake is van een significante aantasting van kernkwaliteiten of omgevingscondities van het gebied en advies is gevraagd aan een deskundige op het gebied van natuur en landschap met dien verstande dat significante aantasting van kernkwaliteiten of omgevingscondities van het gebied geen belemmering vormt voor het nemen van dat besluit: a. voor zover mitigerende maatregelen deze aantasting te niet doen, of; b.
voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. bij het verlenen van een omgevingsvergunning sprake is van groot openbaar belang; 2. er geen reëel alternatief is voor de voorgenomen omgevingsvergunning; 3. de aantasting wordt zoveel mogelijk beperkt door mitigerende maatregelen; 4. voor zover de aantasting niet door mitigerende maatregelen wordt beperkt, worden hiervoor compenserende maatregelen getroffen. 22.3 geluidzone - industrie 22.3.1 Aanduidingsomschrijving De gronden ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' zijn, zijn behalve voor de functies en gebruiksactiviteiten zoals bepaald in hoofdstuk 2 mede bestemd, voor de bescherming c.q. instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van het gezoneerde industrieterrein (bedrijventerrein 't Broek). 22.3.2 Bouwregels In afwijking van het bepaalde in de daar voorkomende bestemmingen, mogen op de in artikel 22.3.1 bedoelde gronden geen nieuwe woningen/bedrijfswoningen en andere in de geluidgevoelige gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van herbouw van woningen overeenkomstig deze regels. 22.4 karakteristieke bebouwing 22.4.1 Karakteristieke bebouwing Ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' mogen bestaande bouwwerken, slechts gedeeltelijk worden vernieuwd en/of veranderd in afwijking van de beoordelingsregels voor het bouwen in Hoofdstuk 2, mits: a.
het uitwendig karakter van het bouwwerk in bestaande toestand niet wordt veranderd voor wat betreft de hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen, de dakvorm, de nokrichting en de dakhelling alsmede de gevelindeling door ramen, deuropeningen en erkers;
59/66
b. voor het overige voldaan wordt aan het bepaalde in de bouwregels voor het bouwen in hoofdstuk 2. 22.4.2 Specifieke beoordelingsregels voor het bouwen Bij de beoordelingsregels voor het bouwen als bedoeld in artikel 22.4.1 geldt tevens de volgende beoordelingsregel en wordt: a. de omgevingsvergunning ook verleend indien strikte toepassing van bepaalde in artikel 22.4.1 onder a zou leiden tot een onevenredige grote beperking van het toegestane gebruik, en; b. de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.4.2 niet eerder verleend dan nadat bevoegd gezag daarover een advies heeft ingewonnen van de gemeentelijke culturele erfgoedcommissie. 22.4.3 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek', geheel of gedeeltelijk te slopen. b. De omgevingsvergunning wordt verleend, indien; 1. door het geheel of gedeeltelijk slopen dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen blijvende onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de beeldbepalende waarden van het bouwwerk, en; 2. nadat het bevoegd gezag daarover een advies heeft ingewonnen van de gemeentelijke culturele erfgoed commissie. 22.4.4 Uitzondering vergunningplicht Een omgevingsvergunning is niet vereist voor: a.
werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die behoren tot het normale onderhoud en beheer; b. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning. 22.5 milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied 22.5.1 Aanduidingsomschrijving De gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' zijn, zijn behalve voor de functies en gebruiksactiviteiten zoals bepaald in hoofdstuk 2 mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening, met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen. 22.5.2 Beoordelingsregels voor het bouwen Op de in artikel 22.6.1 bedoelde gronden bedraagt de bouwhoogte, in afwijking van de beoordelingsregels voor het bouwen in Hoofdstuk 2 a. de oppervlakte van bouwwerken bedraagt maximaal 25 m2; b. de bouwhoogte van bouwwerken bedraagt maximaal 3,5 m. 22.5.3 Specifieke beorodelingsregels voor het bouwen Bij de beoordelingsregels voor het bouwen als bedoeld in artikel 22.5.2 gelden tevens de volgende beoordelingsregels en wordt de omgevingsvergunning ook verleend als: a. Het bouwen in overeenstemming is met de beoordelingsregels voor het bouwen in hoofdstuk 2 en; b.
een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.5.3 onder a, wordt niet eerder verleend dan nadat bevoegd gezag daarover een advies heeft ingewonnen van het waterleidingbedrijf. 22.5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op de in artikel
60/66
b. 1. 2. a.
22.5.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggen van verharde en onverharde wegen; 2. het gebruiken, storten en opslaan van meststoffen, bestrijdingsmiddelen, verontreinigde grond en schadelijke stoffen; 3. het vergraven, afgraven en egaliseren van gronden; 4. het uitvoeren van diepe grondbewerkingen; 5. het verrichten van bodemonderzoek; 6. het uitvoeren van werken in het kader van ontwatering, bronnering of grondwaterwinning; 7. het aanbrengen van ondergrondse leidingen, constructies en apparatuur. De omgevingsvergunning wordt verleend, indien: geen blijvende onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van het grondwater voor de drinkwatervoorziening , en; daarover advies is ingewonnen van het waterleidingbedrijf. Een omgevingsvergunning is niet vereist voor: 1. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die behoren tot het normale onderhoud en beheer; 2. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.
22.6
vrijwaringszone - molenbiotoop 2
22.6.1 Aanduidingsomschrijving De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop 2' zijn, zijn behalve voor de functies en gebruiksactiviteiten zoals bepaald in hoofdstuk 2 mede bestemd voor de bescherming van de functie van de in het aanliggend gebied gesitueerde molen als werktuig en zijn waarde als landschapsbepalend element. 22.6.2 Beoordelingsregels voor het bouwen Op de in artikel 22.6.1 bedoelde gronden bedraagt de bouwhoogte, in afwijking van de beoordelingsregels voor het bouwen in Hoofdstuk 2: a. binnen een afstand van 100 m van de molen, nieuwe bouwwerken niet worden gebouwd voor zover de bouwhoogte hoger is dan de hoogte van het onderste punt van de verticaal staande molenwiek; b. binnen een afstand van 100 m tot 400 m van de molen, nieuwe bouwwerken niet worden gebouwd voor zover de bouwhoogte hoger is dan de hoogte van het onderste punt van de verticaal staande molenwiek vermeerderd met: 1. 1/75 van de afstand tussen het nieuw op te richten bouwwerk en de molen ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop 2'. 22.6.3 Afwijken van de bouwregels Bij de beoordelingsregels voor het bouwen als bedoeld in artikel 22.6.2 gelden tevens de volgende beoordelingsregels en wordt de omgevingsvergunning ook verleend als: a. Het bouwen in overeenstemming is met de beoordelingsregels voor het bouwen in hoofdstuk 2 en; b.
nadat bevoegd gezag daarover een advies heeft ingewonnen van de beheerder van de molen. 22.6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op de in artikel 22.6.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te
61/66
b. a. b. c.
62/66
voeren: 1. het ophogen van gronden hoger dan de op grond van de in artikel 22.6.2 maximaal toelaatbare bouwhoogte voor bouwwerken; 2. het beplanten met bomen, heesters en andere opgaande beplanting hoger dan de op grond van de in artikel 22.6.2 maximaal toelaatbare bouwhoogte voor bouwwerken; 3. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties en apparatuur hoger dan de op grond van de in artikel 22.6.2 maximaal toelaatbare bouwhoogte voor bouwwerken. De omgevingsvergunning wordt verleend, indien: geen blijvende onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het huidige en/of het toekomstig functioneren van de molen als werktuig door windbelemmering en/of waarde van de molen als landschapselement , en; daarover advies is ingewonnen van de beheerder van de molen. Een omgevingsvergunning is niet vereist voor: 1. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; 2. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.
Artikel 23 Overige regels 23.1 Voorwaardelijke verplichting erfinpassingsplan a. In het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel Aladnaweg 26 te Aalten, uiterlijk binnen 12 maanden nadat de boerderijwoning is gesplitst, erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en in stand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Aladnaweg 26 te Aalten, zoals opgenomen in bijlage 4; b. in het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel Barloseweg 9 te Aalten, uiterlijk binnen 12 maanden nadat de nieuw te bouwen bedrijfswoning op dit perceel gerealiseerd is, erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en in stand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Barloseweg 9 te Aalten, zoals opgenomen in bijlage 5; c. in het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel Bolwerkweg 13 te Aalten, uiterlijk binnen 12 maanden nadat de agrarische bestemming definitief is omgezet naar (dag)recreatie en natuur met een gebouw, erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en instand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Bolwerkweg 13 te Aalten, zoals opgenomen in bijlage 6; d.
in het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel Bosweg 2 te Aalten, uiterlijk binnen 12 maanden nadat intensieve veehouderij is gewijzigd naar akkerbouw en het agrarisch bouwvlak is verkleind, erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en instand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Bosweg 2 te Aalten, zoals opgenomen in bijlage 7; e. in het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel Elshoekweg 5/Slatdijk 2-1 te Aalten, uiterlijk binnen 12 maanden nadat het tiny house op het perceel Elshoekweg 5 en de nieuw te bouwen woning op het perceel Slatdijk 2-1 gerealiseerd is, erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en in stand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Elshoekweg 5/Slatdijk 2-1 te Aalten, zoals opgenomen in bijlage 8; f. in het kader van een goede landschappelijke inpassing worden op/bij het perceel Geersweg naast 3 De Heurne, uiterlijk binnen 12 maanden nadat de nieuw te bouwen vrijstaande woning op dit perceel gerealiseerd is, erfinrichtings- en landschapsmaatregelen aangelegd, beheerd en in stand gehouden, overeenkomstig het Erfinpassingsplan Geersweg naast 3 De Heurne, zoals opgenomen in bijlage 9; g.