Bijlage 1b - TAM-omgevingsplan Landelijk gebied, herziening 2025_ontwerp_1_Regels
Tekst van het document
Regels
TAM-omgevingsplan Landelijk gebied, herziening 2025 Aalten
DATUM IMRO IDN
03-12-2025 NL.IMRO.0197.TAM20240009-ON01
PROJECT PROJECTLEIDER
Landelijk gebied, herziening 2025
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20250348
AUTEUR STATUS
A. Flapper, P. van Dijk ontwerp
Inhoudsopgave
Regels Hoofdstuk 1
5 Inleidende regels
6
Artikel 1
Begrippen
6
Artikel 2
Meet- en rekenbepalingen
17
Artikel 3
Toepassingsbereik
19
Artikel 4
Algemeen verbod
20
Regels voor functies en activiteiten
21
Artikel 5
Agrarisch
21
Artikel 6
Agrarisch met waarden
26
Artikel 7
Bedrijf
31
Artikel 8
Bos
33
Artikel 9
Horeca
35
Artikel 10
Natuur
36
Artikel 11
Recreatie - Dagrecreatie
37
Artikel 12
Recreatie - Verblijfsrecreatie
38
Artikel 13
Sport - Manege
39
Artikel 14
Verkeer
41
Artikel 15
Wonen - 1
42
Artikel 16
Waarde - Archeologie gematigde verwachting
46
Artikel 17
Waarde - Archeologie hoge verwachting
49
Artikel 18
Waarde - Archeologie lage verwachting
52
Algemene regels
55
Anti-dubbeltelregel
55
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3 Artikel 19
Artikel 20 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
56
Artikel 21
Algemene bouwregesl
57
Artikel 22
Algemene aanduidingsregels
59
Artikel 23
Overige regels
63
Hoofdstuk 4
Overgangsregels
65
Artikel 24
Overgangsregels
65
3/66
4/66
Regels Dit plan voorziet in het verwerken van verleende/aangevraagde mgevingsvergunningen in afwijking van het bestemmingsplan of omgevingsplan, die nog niet zijn verwerkt in regels in het omgevingsplan van de gemeente en ontwikkelingen in het buitengebied van Aalten. Ook voorziet het plan tot slot in een passende juridisch regeling voor bestaande situaties. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Aalten. De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22i van het omgevingsplan van de gemeente Waadhoeke. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22i' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22i' gelezen worden.
5/66
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij hierna hiervan is afgeweken; 1.1 plan het Omgevingsplan gemeente Aalten; 1.2 TAM-omgevingsplan het TAM-omgevingsplan Landelijk gebied, herziening 2025 met identificatienummer NL.IMRO.0197.TAM20240009-ON01 van de gemeente Aalten; 1.3 aan huis gebonden bedrijf Het beroepsmatig verlenen van diensten c.q het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid waarvan de omvang in een woning met bijbehorende gebouwen past en de woonfunctie behouden blijft, door de gebruik(st)er van de woning. 1.4 aan huis gebonden beroep Het uitoefenen van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op zakelijk (niet zijnde detailhandel), maatschappelijk, juridisch, administratief, persoonlijk, medisch, therapeutisch, kunstzinnig dan wel ontwerptechnisch gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning met daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, door de gebruik(st)er van de woning.
1.5 aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.6 aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.7 achtergevel De denkbeeldige lijn die wordt getrokken langs de achtergevel van het gebouw - zonder bijbehorende bouwwerken - alsmede het verlengde daarvan. In hoeksituaties is sprake van slechts één achtergevel, waarbij de oriëntering van de woning bepalend is. 1.8 agrarisch bedrijf Een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.
6/66
1.9 agrarisch bouwvlak Een in het plan als zodanig aangegeven bouwvlak, waarop de agrarische bedrijfsbebouwing met de (bedrijfs)woning is geconcentreerd. 1.10 agrarisch grondgebruik: een agrarische activiteit ten behoeve van agrarisch bedrijfsmatig gebruik of agrarisch hobbymatig gebruik, gericht op het benutten van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond. 1.11 agrarisch loonwerkbedrijf: een bedrijf waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht voor de productie of levering van goederen of diensten aan agrarische bedrijven met behulp van landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur en/of het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud of reparatie van landbouwwerktuigen of -apparatuur. Kenmerkende werkzaamheden zijn cultuurtechnische werken en grondverzet, mest(stoffen)bewerking en/of -distributie, onderhoud van (openbare)groenvoorzieningen en ander daaraan gerelateerd (agrarisch) loonwerk. 1.12 akker- en tuinbouw: de teelt van gewassen op open grond; 1.13 archeologisch deskundige de regionaal (beleids)archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg.
1.14 archeologisch onderzoek onderzoek (bureauonderzoek en/of boren en/of geofysisch onderzoek en/of graven en/of begeleiden) verricht door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK/SIKB), beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet 1988 en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie. 1.15 archeologische waarden de aan gebieden toegekende waarden in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden. 1.16 bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.17 bed-and-breakfast Een kleinschalige overnachtingsaccommodatie, gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, gevestigd in een woonhuis en/of bijbehorende bouwwerken en volledig gedreven door de bewoner van het betreffende woonhuis. 1.18 bedrijf Het bedrijfsmatig vervaardigen en/of bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen en/of het leveren van diensten .
7/66
1.19 bedrijfsgebouw Een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf of bedrijfsactiviteit met uitzondering van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij de woning. 1.20 bedrijfsverzamelgebouw Een gebouw of een complex van gebouwen ten behoeve van meerdere bedrijven en/of instellingen 1.21 bedrijfsvloeroppervlakte (bvo) De totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een bouwwerk en/of op een terrein die wordt gebruikt voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden-beroep c.q. een bedrijf, kantoor of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke. 1.22 bedrijfswoning Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daarin, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is. 1.23 bestaand a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het plan rechtens bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald; b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van de inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan rechtens bestaat en in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime.
1.24 bestaande stikstofdepositie de stikstofdepositie die een veehouderij ten tijde van de vaststelling van het TAM-omgevingsplan Landelijk Gebied, herziening 2025 22i op grond van een onherroepelijk verleende vergunning als bedoeld in artikel 2.7 Wet natuurbescherming of als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 danwel een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet of artikel 7, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming is aangehaakt en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt, zoals opgenomen in bijlage 1, mag voortbrengen met dien verstande dat: 1. een ten tijde van de vaststelling van het TAM-omgevingsplan verleende en onherroepelijke vergunning zoals in de aanhef bedoeld, waarbij in het geval sprake is van beweiden en bemesten wordt uitgegaan van de wijze van beweiden en bemesten conform de feitelijk bestaande en planologisch legale situatie in de periode van 1,5 jaar voorafgaand aan de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan; 2.
indien geen sprake is van een onherroepelijke vergunning als in de aanhef bedoeld is de bestaande stikstofdepositie: de hoogste stikstofdepositie die door een agrarisch bedrijf 1,5 jaar voorafgaand aan de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan op grond van het feitelijk aanwezig en planologisch toegestane gebruik van de gronden en bouwwerken behorend tot die veehouderij is voortgebracht. 1.25 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak;
8/66
1.26 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.27 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.28 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.29 boomkwekerij een bedrijf dat uitsluitend of hoofdzakelijk is gericht op het produceren van houtachtige gewassen; 1.30 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.31 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.32
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.33 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel; 1.34 bouwvlak den geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.35 bouwwijze de wijze van bouwen van een woning, te weten vrijstaand, twee-aaneen (halfvrijstaand) of aaneengebouwd, waarbij a. onder “vrijstaand” wordt verstaan dat de woning niet begrensd is door scheidingsmuren; b. onder “twee-aaneen” wordt verstaan dat het hoofdgebouw van een woning naar één zijde door een scheidsmuur van een naastgelegen hoofdgebouw is begrensd. 1.36 cultuurhistorisch ensemble: Een samenhangend geheel van cultuurhistorisch waardevolle elementen – zoals gebouwen, landschappen, structuren, routes en open ruimten – waarvan de onderlinge relatie bepalend is voor de erfgoedwaarde. . 1.37 cultuurhistorische waarde: de aan een bouwwerk en/of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of gebied heeft gemaakt;
9/66
1.38 dagrecreatie: activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting niet is toegestaan; 1.39 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.40 evenement een voor het publiek toegankelijke uitvoering/verrichting van vermaak op het gebied van sport, muziek dan wel op sociaal-cultureel terrein, zoals periodieke en/of incidentele (sport)manifestaties of -wedstrijden, concerten, buurt-, oogst-, zomer- of Oranjefeesten, bijeenkomsten, voorstellingen, tentoonstellingen, shows, thematische beurzen en/of markten; 1.41 extensieve (dag)recreatie recreatief medegebruik waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte, zoals wandel-, ruiter- en fietspaden, vis- en picknickplaatsen en naar de aard, omvang en schaal daarmee gelijk te stellen voorzieningen; 1.42 glastuinbouw een agrarisch bedrijf, dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen onder glas of daarmee gelijk te stellen materialen; 1.43 groepsaccommodatie een (deel van een) gebouw, geen appartement zijnde, dat blijkens haar indeling geschikt en bestemd is voor een groep of groepen van personen te dienen als
recreatief dag- en nachtverblijf; 1.44 grondgebonden agrarisch bedrijf een agrarische bedrijfsvoering, waarbij de productie voor méér dan de helft afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond (als productiemiddel) waar het bedrijf over kan beschikken, waaronder een melkrundveehouderijbedrijf, een melkgeitenhouderijbedrijf, een schapenhouderijbedrijf, een akkerbouwbedrijf, een vollegronds tuin-bouwbedrijf, een productiegerichte paardenhouderijbedrijf, en naar de aard daarmee gelijk te stellen agrarische bedrijven; 1.45 grondverzetbedrijf: een bedrijf waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht ter productie of levering van goederen of diensten op het gebied van cultuurtechnische werkzaamheden, grondverzet, grond-/ (onderhouds)werkzaamheden, infrastructurele voorzieningen, opslag en transport van zand, grind, kalk en teelaarde en op de recycling van bouw- en sloopafval. 1.46 hoofdbouwmassa De aaneengesloten bebouwing waarin de woning is opgenomen, te weten de woonruimte met de direct en volledig (en dus niet met een tussenlid) aangrenzende deel of soortgelijke inpandige ruimte, met uitzondering van aangebouwde bijbehorende bouwwerken.
10/66
1.47 hoofdgebouw gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is; 1.48 horeca categorie 1 een horecabedrijf dat is gericht op het hoofdzakelijk overdag verstrekken van (niet of licht alcoholhoudende) dranken en eenvoudige etenswaren aan bezoekers van andere functies, zoals plattelandsontwikkeling en dagrecreatie, zoals een ijssalon, theetuin, een ontvangstruimte, en/of een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen horecabedrijf; 1.49 horeca categorie 2 een horecabedrijf met een in het algemeen hoge bezoekersfrequentie gedurende de avond, dat voornamelijk is gericht op het verstrekken van maaltijden en/of (alcoholische) dranken, zoals een bar, (grand)café, eetcafé, restaurant, café-restaurant en/of een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen horecabedrijf, al dan niet in combinatie met logiesvertrekking of een zaalaccommodatie; 1.50 horecabedrijf een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies
wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie; 1.51 intensieve veehouderij een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van het houden van dieren, zoals een rundveemesterij (exclusief vetweiderij), een varkens-, vleeskalver- of pluimveehouderij, of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen en (nagenoeg) geen weidegang, met uitzondering van bedrijfsvoeringen waarin dieren worden gehouden overeenkomstig de regels ten aanzien van de biologische productiemethoden; 1.52 kampeermiddel Een tent, een tentwagen/vouwcaravan, een kampeerauto/camper of een caravan, dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Onder kampeermiddelen wordt niet verstaan: stacaravans, chalets en trekkershutten.
1.53 kampeerterrein terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf; 1.54 kantoor een ruimte of bij elkaar horende ruimten die bestemd is/zijn om voornamelijk te worden gebruikt voor administratieve werkzaamheden of administratieve dienstverlening;
11/66
1.55 kassen bouwwerken van glas of ander lichtdoorlatend materiaal ten behoeve van de (agrarische) bedrijfsvoering; 1.56 kleinschalig kampeerterrein kampeerterrein voor maximaal 25 kampeerplaatsen, waarbij uitsluitend gedurende de periode 15 maart tot en met 31 oktober en tijdens de Kerstvakantie(gedurende de periode tussen 15 december en 15 januari) kampeermiddelen aanwezig mogen zijn. In de mei- en zomervakantie, in het Paasweekend en in de week waarin Hemelvaartsdag valt tot en met de week van Tweede Pinksterdag mogen ten hoogste 40 kampeermiddelen aanwezig zijn; 1.57 koetunnel een bouwwerk, geen gebouw zijnde voor infrastructurele doeleinden voor het geleiden/verplaatsen van koeien of daarmee gelijk te stellen vee via een tunnel; 1.58 landschapswaarden de aan een gebied toegekende waarde in visueel-ruimtelijk en/of cultuurhistorisch en/of ecologisch en/of geomorfologisch opzicht; 1.59 manege een pubieksgericht paardenhouderijbedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden en daarvoor paarden en/of pony's houdt, in combinatie met een of meer van de volgende hiermee samenhangende activiteiten of voorzieningen: het in pension houden van paarden en/of pony's, ondergeschikte horeca (kantine, foyer en dergelijke), verenigingsaccommodatie en het houden van wedstrijden of andere daaraan gerelateerde evenementen; 1.60 multifunctionele bosbouw het geheel van (bedrijfsmatig)
handelen en activiteiten gericht op de duurzame instandhouding en ontwikkeling van bestaande en nieuwe bossen ten behoeve van natuur, houtproductie, landschap, milieu of extensieve dagrecreatie; 1.61 negatief effect op een Natura 2000-gebied door stikstofdepositie elke toename van stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol stikstof) per hectare per jaar op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied; 1.62 niet grondgebonden agrarische bedrijfsvoering een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk in gebouwen plaatsvindt, en die als zodanig niet afhankelijk is van agrarische gronden als productiemiddel, zoals een intensieve veehouderij; 1.63 normaal onderhoud en beheer werkzaamheden met het doel objecten in zodanige conditie te houden of te brengen dat voortbestaan van deze objecten op tenminste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt;
12/66
1.64 ondergeschikte horeca horeca die ondergeschikt en gerelateerd is aan een andere, nader in de planregels omschreven (hoofd)functie en tot doel heeft het verstrekken van kleine etenswaren en niet- of zwak-alcoholische dranken; 1.65 overig bouwwerk eenn bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.66 overkapping een voor mensen toegankelijke, overdekte en zonder wanden omsloten ruimte; 1.67 paardenbak een (omheind) terrein waarvan de natuurlijke bovenlaag is vervangen door zand of ander doorlatend materiaal waar paarden vrije uitloop kunnen hebben en waar paarden kunnen worden getraind; 1.68 paardenhouderij een agrarisch bedrijf gericht op het fokken van (sport)paarden, het houden, stallen of africhten van paarden ten behoeve van de vlees- en/of melkproductie, handel en/of de gebruiksgerichte paardenhouderij; 1.69 paardenhouderij, gebruiksgerichte paardenhouderij waar het rijden met paarden primair gericht is op de ruiter/amazone; 1.70 paardenhouderij, productiegerichte paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan/met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten en trainen en verhandelen van paarden; 1.71 perceelsgrens de scheiding tussen bouwpercelen, die niet aan éénzelfde eigenaar behoren dan wel niet door éénzelfde gebruiker worden benut; 1.72
perifere detailhandel detailhandel die vanwege de omvang van de te koop aangeboden goederen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling ervan, zoals de verkoop van auto's, boten, caravans, grove bouwmaterialen, keukens en sanitair, alsmede de verkoop van bouw- en doe-het-zelf producten en van meubelen en artikelen ten behoeve van de woninginrichting en daarmee samenhangende artikelen; 1.73 permanente bewoning bewoning door een persoon of door groepen van personen, zoals bedoeld in de Wet basisregistratie personen, van een voor wisselende bewoning bedoelde ruimte als hoofdverblijf c.q. vaste woon- of verblijfplaats; 1.74 plattelandswoning een bedrijfswoning, (voorheen) behorend tot een binnen hetzelfde bouwvlak gevestigd agrarisch bedrijf, die wordt bewoond door derden die geen functionele binding hebben met dat agrarisch bedrijf, en die voor de toepassing van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de daarop rustende bepalingen wordt beschouwd als onderdeel van dat agrarisch bedrijf;
13/66
1.75 prostitutiebedrijf een natuurlijk persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig is, zich beschikbaar stelt of aanbiedt om tegen een vergoeding seksuele of erotische handelingen te verrichten; 1.76 recreatief wonen uitsluitend bewoning vanuit een recreatieve doelstelling, door een persoon of door groepen van personen die hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben; 1.77 regulier assortiment detailhandel in de vorm van verkoop van artikelen in de volgende assortimentsgroepen: bomen/heesters/coniferen, vaste, één- en tweejarige planten, levende dieren en diervoeding en -benodigdheden, gewasbescherming/verdelgingsmiddelen, meststoffen, grondproducten, bollen/knollen/zaden, verlichting/elektriciteitsartikelen, tuinmeubels, bestratingsmaterialen, tuinhout/houtwaren, blokhutten/kassen, vijvers/zwembaden, kamerplanten, snij-/droog- en zijdebloemen, potterie/plantenbakken/beelden/ornamenten, tuingereedschappen, tuin- en doe-het-zelf gerelateerde werkkleding, barbecues, tuinspeelapparaten en -speelgoed, tuin- en interieurgerelateerde cadeauartikelen/sfeer/interieur/ decoratieartikelen, dienstverlening/advies en verhuur m.b.t. deze assortimentsgroepen niet tot het regulier assortiment behorende seizoens- of andere (actie)artikelen, alsmede aan deze artikelen aanverwante zaken en gelijk te stellen artikelen.
1.78 schuilgelegenheid een agrarisch gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat dient voor beschutting van vee tegen weersinvloeden; 1.79 slopen Het geheel of gedeeltelijk afbreken. 1.80 staloppervlak de gezamenlijke oppervlakte van de vloeren van de stallen, die kunnen worden gebruikt voor het houden van dieren, inclusief de voerpaden en centrale gangen, maar exclusief opslagruimten en daarmee gelijk te stellen ruimten; 1.81 straatmeubilair objecten die in de openbare ruimte staan en die niet tot de weg zelf behoren zoals verkeersgeleiders, verkeersborden, lichtmasten, zitbanken en bloembakken, abri's, voorwerpen van beeldende kunst, speeltoestellen, kleinschalige bouwwerken ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie, energievoorziening en brandkranen, afvalinzamelsystemen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen; 1.82 teeltondersteunende voorzieningen voorziening in, op of boven de grond die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten wordt gebruikt om één of meer van de volgende doelen na te streven: a. verbetering van de productie, onder meer door teeltvervroeging en -verlating, terugdringing van
14/66
onkruidgroei en beperking van vraatschade; b. verbetering van de arbeidsomstandigheden, onder meer door gewassen verhoogd te telen; c. bereiken van positieve effecten op milieu en water (bodembescherming, terugdringen onkruidbestrijding, effectief omgaan met water). Voorbeelden van teeltondersteunende voorzieningen zijn: aardbeiteelttafels, afdekfolies, antiworteldoeken, boomteelthekken, hagelnetten, insectengazen, plastic tunnels, ondersteunende kassen, schaduwhallen en vraatnetten. Knalapparatuur wordt niet aangemerkt als teeltondersteunende voorziening; 1.83 trekkershut een (houten) huisje met uitsluitend slaap- en kookgelegenheden, zonder verwarming of sanitaire voorzieningen, dat dienst doet als overnachtingsgelegenheid; 1.84 tuincentrum een detailhandelsvestiging waar de volgende goederen ter verkoop worden aangeboden: a. boomkwekerijproducten, planten, kamerplanten, (bloem)bollen, knollen, zaden en snijbloemen; b. gewasbeschermingsmaterialen, meststoffen, grondproducten; c. attributen voor de verfraaiing en het onderhoud van tuinen, zoals tuingereedschappen, en daarbij nodige hulpmaterialen, zoals bestratingsmateriaal, tuinhout en vijvermateriaal; d. tuinmeubilair, tuinhuisjes en kassen; e. randassortiment, waarbij de volgende goederen worden onderscheiden: 1. potterie; 2. dieren en dierbenodigdheden; 3. verlichtingsartikelen; 4. cadeauartikelen; 5.
kerst- en paasartikelen; 6. tuinaccessoires, zoals barbecuebenodigdheden. 1.85 veeplateau een plateau dat er voor zorgt dat vee beschikt over twee verblijfsniveaus en dat tot doel heeft de verblijfsruimte van vee te vergroten en niet tot doel heeft het aantal stuks vee per vierkante meter stal te vermeerderen; 1.86 voorgevel de naar architectuur, indeling en/of uitstraling meest gezichtsbepalende gevel van een gebouw dan wel de naar de weg toegekeerde gevel van een gebouw; 1.87 voorgevellijn De lijn (in hoeksituaties: de lijnen) waarin de naar de weg of ander openbaar gebied gekeerde gevel(s) van het dichtst bij die weg of ander openbaar gebied gelegen gebouw is (zijn) gelegen alsmede het verlengde daarvan; 1.88 windturbine een gebouwde voorziening voor het omzetten van de energie van bewegende lucht in andere energievormen, waaronder begrepen elektriciteit en warmte;
15/66
1.89 woning een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden (één verblijfsobject met een woonfunctie); 1.90 woningsplitsing het bouwkundig en functioneel in tweeën delen van een woning, zodanig dat, met handhaving van het bestaande woongedeelte van het gebouw en zonder uitbreiding, een tweede zelfstandig functionerende woning in het gebouw wordt gemaakt; 1.91 zorgboerderij een zorgfunctie als hoofdtak waarbij de sociaal-medische opvang van personen, die al dan niet ter plaatse woonachtig zijn, gecombineerd wordt met agrarische activiteiten waarbij de cliënten in enige zin behulpzaam zijn bij de agrarische of natuurbeherende activiteiten.
16/66
Artikel 2
Meet- en rekenbepalingen
2.1 afstand tot de perceelgrens tussen grenzen van een bouwperceel en een bepaald punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd)gebouw, waar die afstand het kortst is; 2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.3 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.4 de goothoogte vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel Voor wat betreft woningen wordt bij de toepassing van de goothoogte niet meegerekend: maximaal een derde van de gezamenlijke goot- en/of boeiboordlengten. 2.5
de hoogte van een windturbine
vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine; 2.6 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken; dakkapellen, dakopbouwen, kelders en onderbouwen tellen niet mee bij de inhoud. Voor wat betreft woningen wordt bij de toepassing van de inhoud niet meegerekend: bijbehorende bouwwerken, tenzij anders aangegeven. 2.7 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van scheidsmuren en boven de begane grondvloer. Voor wat betreft woningen wordt bij de toepassing van de oppervlakte niet meegerekend: bijbehorende bouwwerken, tenzij anders aangegeven. 2.8 ondergeschikte bouwdelen bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bebouwingsvlakken, bouwpercelen of bestemmingsvlakken worden ondergeschikte bouwdelen als goot- en kroonlijsten, dorpels, plinten, regenpijpen, pilasters, stoeptreden, kozijnen en dergelijke ondergeschikte bouwedelen buiten beschouwing gelaten; 2.9
17/66
peil voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg of pad grenst: de hoogte van die weg of dat pad ter plaatse van de hoofdtoegang;
in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte terrein ter plaatse. 2.10 relatie daar waar op de verbeelding twee of meer bestemmingsvlakken dan wel bouwvlakken door middel van de aanduiding 'relatie' met elkaar zijn verbonden, gelden die bestemmingsvlakken dan wel bouwvlakken bij de toepassing van deze regels als één bestemmingsvlak respectievelijk één bouwvlak;
18/66
Artikel 3
Toepassingsbereik
a. De regels in dit TAM-omgevingsplan wijzigen de regels van het Omgevingsplan gemeente Aalten zoals opgenomen in: artikel 3 'Agrarisch', artikel 4 'Agrarisch met waarden', artikel 5 'Bedrijf', artikel 8 'Bos', artikel 14 'Recreatie Dagrecreatie', artikel 19 'Sport - Manege', artikel 24 'Wonen - 1', artikel 15 'Recreatie - Recreatiewoningen', artikel 23 'Water', artikel 32 'Archeologie - gematigde verwachting', artikel 33 'Waarde - Archeologie hoge verwachting', artikel 34 'Waarde - archeologie lage verwachting', artikel 40.1 'gelders natuurnetwerk en groene ontwikkelingszone', artikel 40.2 'geluidzone - industrie', artikel 40.3 'milieuzone grondwaterbeschermingsgebied' en artikel 40.9 'vrijwaringszone - molenbiotoop' van het bestemmingsplan Landelijk gebied 2015 (vastgesteld 21 maart 2017).
artikel 4 'Agrarisch met waarden' en artikel 14 'Waarde - Archeologie lage verwachting' van het bestemmingsplan Landelijk gebied, herziening 2022 (vastgesteld 20 juni 2023); artikel 3 'Bos' van het bestemmingsplan Landelijk Gebied, uitbreiding recreatieterrein Goorzicht (vastgesteld 23 september 2021); artikel 7 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' en artikel 11 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' van het bestemmingsplan Landelijk gebied, tweede herziening 2017 (vastgesteld 28 februari 2018); artikel 9 'Wonen - 1' en artikel 4 'Agrarisch met waarden' van het bestemmingsplan Landelijk gebied, herziening 2023 (vastgesteld 22 april 2022). op de locatie als bedoeld onder d. b. De regels van het Omgevingsplan gemeente Aalten blijven onverminderd van toepassing op de locatie zoals bedoeld onder d, voorzover de regels in dit TAM-omgevingsplan deze regels niet hebben gewijzigd. c. De regels van het Omgevingsplan gemeente Aalten, met daarbij inbegrepen afdeling 22.2 en afdeling 22.3 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, blijven buiten toepassing indien er sprake is van strijdigheid met de regels van dit TAM-omgevingsplan. d. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan Landelijk gebied, herziening 2025', waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0197.TAM20240009-ON01.
19/66
Artikel 4
Algemeen verbod
Niet genoemde functies en activiteiten en functies en activiteiten die niet zijn toegestaan of op grond van dit TAM-omgevingsplan zijn verboden, tenzij sprake is van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit waarvoor een omgevingsvergunning kan worden verleend en met uitzondering van de functies en activiteiten.
20/66
Hoofdstuk 2 Artikel 5
Regels voor functies en activiteiten
Agrarisch
5.1 Gebruiksregels 5.1.1 Algemeen In het voor 'Agrarisch' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan: a. agrarisch grondgebruik; b. een grondgebonden agrarisch bedrijf; c. een akker- en/of tuinbouwbedrijf, niet zijnde glastuinbouw; d. ter plaatse van de aanduiding 'akkerbouw' is uitsluitend een akkerbouwbedrijf toegestaan; e. een productiegerichte paardenhouderij; f. het gebruik van gronden en bouwwerken behorend tot een veehouderij, mits deze niet leidt tot een stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied welke stikstofdepositie groter is dan de bestaande stikstofdepositie (mol/ha/jaar); g. een koetunnel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - koetunnel'; h. het wonen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering in een bedrijfswoning; i. het wonen in een voormalige bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen plattelandswoning'; j. recreatief wonen binnen bestaande bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning'; k. het behoud, herstel en ontwikkeling van kleinschalige landschapselementen, zoals bosjes, houtwallen en poelen; l. productiebossen. en tevens voor: m. de uitoefening van nevenactiviteiten als bedoeld in bijlage 20, uitsluitend binnen een bouwvlak, met dien verstande dat: 1.
het hiervoor gebruikte oppervlak maximaal 50% van de aanwezige bebouwing, tot een absoluut maximum van 350 m2 mag bedragen; 2. de nevenactiviteiten uitsluitend binnen bestaande bebouwing is toegestaan en voor zover het activiteiten betreft op het gebied van dagrecreatie en zorg de activiteiten ook in de openlucht mogen worden uitgeoefend en het hiervoor gebruikte oppervlak maximaal 100 m2 mag bedragen; 3. alle vormen van verblijfsrecreatie, met uitzondering van het verblijf in kampeermiddelen, in de hoofdbouwmassa van de bedrijfswoning dienen plaats te vinden, met dien verstande dat het gebruik van één vrijstaand bijbehorend bouwwerk ten behoeve van verblijfsrecreatie is toegestaan waarbij de exploitatie uitsluitend mag worden uitgeoefend door de hoofdbewoner en/of eigenaar. n. ondergeschikte horeca, uitsluitend binnen een bouwvlak, met dien verstande dat de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen ten behoeve van deze functie niet meer mag bedragen dan 150 m2; o. watergangen ten behoeve van de waterhuishouding; p. extensieve (dag)recreatie; q. de opwekking van duurzame energie uitsluitend door middel van zonnepanelen binnen een agrarisch
21/66
bouwvlak en ten behoeve van de energievoorziening; r. het gebruik zoals aanwezig van de bestaande schuilgelegenheden, paardenbakken, sleufsilo's, kuilvoerplaten, foliebassins met bijbehorende omheiningen, bezinkbassins en/of mestzakken en/of daarmee gelijk te stellen voorzieningen buiten het agrarisch bouwvlak; s. het paardrijden in paardenbakken; t. sleufsilo's, kuilvoerplaten, foliebassins met bijbehorende omheiningen, bezinkbassins en/of mestzakken en/of daarmee gelijk te stellen voorzieningen; u. het hobbymatig beweiden van agrarische gronden en/of akker- dan wel tuinbouw, waaronder volkstuinen; v. de bestaande nevenactiviteiten voor zover deze niet voldoen aan het bepaalde onder a; w. detailhandel in ter plaatse geproduceerde goederen, uitsluitend binnen het agrarisch bouwvlak tot een maximum oppervlakte van 50 m2 ; x. een antennemast ter plaatse van de aanduiding 'antennemast'; met bijbehorende voorzieningen, toegangs- en ontsluitingswegen. 5.1.2 Verbod a. Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen ten behoeve van uitoefening van fruitteelt is niet toegestaan binnen een afstand van 50 m van bestemmingsvlakken ten behoeve van voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies (een plek waar mensen langdurig verblijven zoals een woning of kantoor), met uitzondering van bestaand gebruik waarbij de bestaande afstand als minimale afstand dient te worden aangehouden. b.
Het gebruik van een agrarisch bedrijf is niet toegestaan indien binnen gebouwen meer dan één bouwlaag gebruikt wordt voor het houden van dieren, met uitzondering van de bestaande bouwvlakken waarop volière- en scharrelstallen voor pluimvee in meer bouwlagen aanwezig zijn. Op die bouwvlakken mogen dieren in ten hoogste drie bouwlagen worden gehuisvest. Indien in een deel van de stalruimte een veeplateau is gerealiseerd in het kader van dierwelzijn, dan wordt dat plateau niet als een bouwlaag aangemerkt. 5.2 Beoordelingsregels voor het bouwen 5.2.1 Bouwen van bedrijfsgebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen, gelden de volgende beoordelingsregels: a. bedrijfsgebouwen zijn uitsluitend binnen een agrarisch bouwvlak toegestaan, tenzij in deze bouwregels anders bepaald; b. de oppervlakte van bedrijfsgebouwen bedraagt ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte' de maximum aangegeven oppervlakte; c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 m, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' de aangegeven bouwhoogte het maximum is voor dat (deel van het) bouwvlak; d.
de dakhelling mag niet minder bedragen dan 200 en niet meer dan 600 dan wel de bestaande kleinere of grotere dakhelling met dien verstande dat voor zover de bouwhoogte van een (deel van een) gebouw niet meer bedraagt dan 4 m dan wel het een technische installatie betreft (bijvoorbeeld een luchtwasser), de dakhelling van dat (deel van het) gebouw minimaal 00 en maximaal 600 bedraagt; e. de gezamenlijke oppervlakte van kassen ten dienste van het agrarisch bedrijf mag niet meer bedragen dan respectievelijk 200 m2 en de bouwhoogte niet meer dan 4,5 m; f. in afwijking van het bepaalde in artikel 5.2.1, onder d mag de gezamenlijke oppervlakte van kassen ten
22/66
dienste van het tuinbouwbedrijf niet meer bedragen dan de oppervlakte van het agrarisch bouwvlak en de bouwhoogte niet meer dan 6 m. 5.2.2 Bouwen van bedrijfswoningen Voor het bouwen van bedrijfswoningen en plattelandswoningen gelden de volgende bepalingen: a. per bouwvlak is één woning toegestaan, dan wel ten hoogste het aangegeven aantal woningen ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan; b. een woning is slechts toegestaan op de bestaande locatie binnen het agrarisch bouwvlak; c. de bouwhoogte mag maximaal 10 m bedragen; d. de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen, danwel maximaal de hoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)'; e. de dakhelling bedraagt minimaal 20° en maximaal 60°; f. de inhoud mag maximaal 750 m3 bedragen. 5.2.3 Bouwen van bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoningen Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen zijn uitsluitend binnen een agrarisch bouwvlak toegestaan, tenzij in deze bouwregels anders is bepaald; b. de gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 150 m2 per woning bedragen; c. de bouwhoogte mag maximaal de bestaande bouwhoogte van het hoofdgebouw minus 1 m bedragen tot een maximum bouwhoogte van 7 m; d.
de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen; met dien verstande dat bijbehorende bouwwerken ten opzichte van de bedrijfswoning zodanig gesitueerd moeten zijn dat: e. de onderlinge afstand tussen de bedrijfswoning en de bijbehorende bouwwerken en mag maximaal 25 m bedragen; f. bijbehorende bouwwerken moeten minimaal 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning worden gesitueerd. 5.2.4 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, is toegestaan conform het bepaalde in onderstaande tabel en met inachtneming van de onder de tabel uitgewerkte maatvoerings- en situeringseisen: erf- en vlaggenmasten hooibergen en overige teeltondersteun teeltonderst terreinafschei en antennes voedersilo's bouwwerken, ende eunende dingen en geen gebouw voorzieningen voorzieninge sleufsilo's zijnde met n t.b.v. fruituitzondering van en boomteelt voorzieningen t.b.v. fruit- en boomteelt.
23/66
binnen het 2m 10 m 15 m 8m 4,5 m 4,5 m agrarisch bouwvlak buiten het 1,25 m niet niet toegestaan 1m 2,5 m 4,5 m agrarisch toegestaan bouwvlak* * sleufsilo's en mestopslagplaatsen zijn niet buiten het agrarisch bouwvlak toegestaan, tenzij zulks op basis van deze regels wel is toegestaan. Teeltondersteunende voorzieningen zijn buiten het bouwvlak uitsluitend gedurende 6 maanden per jaar toegestaan. b. de bouwhoogte van een koetunnel zoals bedoeld in artikel 5.1.1 onder g mag maximaal 1 m bedragen en de bouwdiepte maximaal 3,5 meter; c. de hoogte van zonnepanelen mag maximaal 3 m bedragen ten opzichte van het erf dan wel de bouwhoogte van het bouwwerk waarop wordt gebouwd; d. de hoogte van een antennemast zoals bedoeld in artikel 5.1.1 onder x mag niet meer bedragen dan 40 m. 5.3 Specifieke beoordelingsregels voor het bouwen De omgevingsvergunning wordt ook verleend wanneer sprake is: a. van het verhogen van de maximale goothoogte van bedrijfswoningen zoals bepaald in artikel 5.2.2 onder d, waarbij de goothoogte maximaal 7 m mag bedragen; b. van een afwijkende dakhelling voor een bedrijfswoning zoals bepaald in artikel 5.2.2 onder e; c. van het verhogen van de maximale inhoud van bedrijfswoningen zoals bepaald in artikel 5.2.2 onder f en de vergrotging ten hoogste 75 m3 mag bedragen mits het een vergroting in de vorm van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk betreft; d.
van het vergroten van de inhoud van de woning binnen de bestaande hoofdbouwmassa, zoals bepaald in artikel 5.2.2 onder f, mits: 1. de vergroting plaats moet vinden in de bestaande hoofdbouwmassa; 2. vaststaat dat het aantal woningen niet toeneemt; 3. de kenmerkende vorm van de hoofdbouwmassa gehandhaafd blijft. 5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1 Vergunningplicht Het is verboden buiten een bouwvlak zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen of verharden van erfontsluitingswegen, paden en andere oppervlakteverhardingen buiten een bouwvlak én op gronden ter plaatse van de aanduiding 'openheid'; b. het aanleggen van (geluids)wallen. 5.4.2 Uitzondering vergunningplicht De in lid 6.4.1 bedoelde omgevingsvergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a. behoren tot het normale onderhoud, gebruik en beheer; b. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die op het tijdstip van het van kracht worden van het TAM-omgevingsplan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning.
24/66
5.4.3 Beoordelingsregels De in lid 5.4.1 bedoelde omgevingsvergunning wordt verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschapswaarden dan wel de landschapselementen.
25/66
Artikel 6
Agrarisch met waarden
6.1 Gebruiksregels 6.1.1 Algemeen In het voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan: a. agrarisch grondgebruik; b. een grondgebonden agrarisch bedrijf; c. een akker- en/of tuinbouwbedrijf, niet zijnde glastuinbouw; d. een productiegerichte paardenhouderij; e. een gebruiksgerichte paardenhouderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij'; f. het gebruik van gronden en bouwwerken behorend tot een veehouderij, mits deze niet leidt tot een stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied welke stikstofdepositie groter is dan de bestaande stikstofdepositie (mol/ha/jaar); g. het wonen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering in een bedrijfswoning; h. het wonen in een voormalige bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen plattelandswoning'; i. het opslaan van energie ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch energieopslagsysteem'; j. behoud, herstel en ontwikkeling van kleinschalige landschapselementen, zoals bosjes, houtwallen en poelen; k. behoud, herstel en ontwikkeling van de volgende landschapselementen ter plaatse van de aanduidingen: 1. 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - hoogteverschillen': hoogteverschillen; 2. 'openheid': openheid; 3.
'specifieke vorm van verkeer - onverharde paden': onverharde paden; l. productiebossen, met dien verstande dat de uitoefening van productiebos niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'openheid'; en tevens voor: m. de uitoefening van nevenactiviteiten als bedoeld in bijlage 20, met inachtneming van de onderscheiden aanduidingen, uitsluitend binnen een bouwvlak, met dien verstande dat: 1. het hiervoor gebruikte oppervlak maximaal 50% van de aanwezige bebouwing, tot een absoluut maximum van 350 m2 mag bedragen; 2. de nevenactiviteiten uitsluitend binnen bestaande bebouwing is toegestaan en voor zover het activiteiten betreft op het gebied van dagrecreatie en zorg de activiteiten ook in de openlucht mogen worden uitgeoefend en het hiervoor gebruikte oppervlak maximaal 100 m2 mag bedragen; 3. alle vormen van verblijfsrecreatie, met uitzondering van het verblijf in kampeermiddelen, in de hoofdbouwmassa van de bedrijfswoning dienen plaats te vinden, met dien verstande dat het gebruik van één vrijstaand bijbehorend bouwwerk ten behoeve van verblijfsrecreatie is toegestaan waarbij de exploitatie uitsluitend mag worden uitgeoefend door de hoofdbewoner en/of eigenaar; n. ondergeschikte horeca, met dien verstande dat de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing voor ondergeschikte horeca niet meer mag bedragen dan 150 m2;
26/66
o. p. q. r.
watergangen ten behoeve van de waterhuishouding; extensieve (dag)recreatie; een antennemast ter plaatse van de aanduiding 'antennemast'; de opwekking van duurzame energie door middel van zonnepanelen uitsluitend binnen een agrarisch bouwvlak en ten behoeve van de eigen energievoorziening; s. gebruik van de bestaande schuilgelegenheden, paardenbakken, sleufsilo's, kuilvoerplaten, foliebassins met bijbehorende omheiningen, bezinkbassins en/of mestzakken en/of daarmee gelijk te stellen voorzieningen; t. paardrijden in paardenbakken; u. sleufsilo's, kuilvoerplaten, foliebassins met bijbehorende omheiningen, bezinkbassins en/of mestzakken en/of daarmee gelijk te stellen voorzieningen; v. het hobbymatig beweiden van agrarische gronden en/of akker- dan wel tuinbouw, waaronder volkstuinen; w. de bestaande nevenactiviteiten voor zover deze niet voldoen aan het bepaalde onder a; x. detailhandel, mits sprake is van ter plaatse geproduceerde goederen tot een maximum oppervlakte van 50 m2 binnen het agrarisch bouwvlak; met bijbehorende voorzieningen, paden en erfontsluitingswegen.
6.1.2 Verbod Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen ten behoeve van uitoefening van fruitteelt is niet toegestaan binnen een afstand van 50 m van bestemmingsvlakken ten behoeve van voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies (een plek waar mensen langdurig verblijven zoals een woning of kantoor), met uitzondering van bestaand gebruik waarbij de bestaande afstand als minimale afstand dient te worden aangehouden. 6.2 Beoordelingsregels voor het bouwen 6.2.1 Bouwen van bedrijfsgebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen, gelden de volgende beoordelingsregels: a. bedrijfsgebouwen zijn uitsluitend binnen een agrarisch bouwvlak toegestaan, tenzij in deze bouwregels anders is bepaald; b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 m, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' de aangegeven bouwhoogte het maximum is voor dat (deel van het) bouwvlak; c. de dakhelling mag niet minder bedragen dan 20° en niet meer dan 60°, met dien verstande dat voor zover de bouwhoogte van een (deel van een) gebouw niet meer bedraagt dan 4 m dan wel het een technische installatie betreft (bijvoorbeeld een luchtwasser), de dakhelling van dat (deel van het) gebouw minimaal 0° en maximaal 60° bedraagt; d.
de gezamenlijke oppervlakte van kassen ten dienste van het agrarisch bedrijf mag niet meer bedragen dan respectievelijk 200 m² en de bouwhoogte niet meer dan 4,5 m. 6.2.2 Bouwen van bedrijfswoningen Voor het bouwen van bedrijfswoningen en plattelandswoningen gelden de volgende beoordelingsregels: a. per bouwvlak is één woning toegestaan, dan wel ten hoogste het aangegeven aantal woningen ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', met dien verstande dat: 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' uitsluitend een bedrijfswoning ter plaatse van deze aanduiding is toegestaan; b. de woning is slechts toegestaan op de bestaande locatie binnen het agrarisch bouwvlak; c. de bouwhoogte mag maximaal 10 m bedragen;
27/66
d. de goothoogte mag van maximaal 3 m bedragen; e. de dakhelling mag minimaal 20° en maximaal 60° bedragen; f. de inhoud mag maximaal 750 m3 bedragen. 6.2.3 Bouwen van bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen zijn uitsluitend binnen een agrarisch bouwvlak toegestaan; b. de gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 150 m² per bedrijfswoning bedragen c. de bouwhoogte mag maximaal de bestaande bouwhoogte van het hoofdgebouw minus 1 m bedragen tot een maximum bouwhoogte van 7 m; d. de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen; met dien verstande dat bijbehorende bouwwerken ten opzichte van de bedrijfswoning zodanig gesitueerd moeten zijn dat: e. de onderlinge afstand tussen de bedrijfswoning en de bijbehorende bouwwerken mag maximaal 25 m bedragen; f. de bijbehorende bouwwerken moeten minimaal 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning worden gesitueerd. 6.2.4 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels: a.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, is toegestaan conform het bepaalde in onderstaande tabel en met inachtneming van de onder de tabel uitgewerkte maatvoerings- en situeringseisen: erf- en vlaggenmasten hooibergen en overige teeltonders teeltonderst terreinafscheidinge en antennes voedersilo's bouwwerk teunende eunende n en, geen voorziening voorzieninge gebouw en m.u.v. n t.b.v. fruitzijnde teeltonders en teunende boomteelt voorziening en t.b.v. fruit- en boomteelt 2m 10 m 15 m 8m 4,5 m 4,5 m
binnen het agrarisch bouwperceel buiten het 1,25 m x 1m 2,5 m** 4,5 m** agrarisch bouwperceel* * sleufsilo's en mestopslagplaatsen zijn niet buiten het agrarisch bouwvlak toegestaan. ** m.u.v. van gebieden ter plaatse van de aanduiding 'openheid': hier zijn geen nieuwe teeltondersteunende voorzieningen toegestaan. Teeltondersteunende voorzieningen zijn buiten het bouwvlak uitsluitend gedurende 6 maanden per jaar toegestaan.
28/66
b. de hoogte van zonnepanelen mag maximaal 3 m bedragen ten opzichte van het erf dan wel de bouwhoogte van het bouwwerk waarop wordt gebouwd. c. de bouwhoogte van een antennemast, zoals bedoeld in artikel 6.1.1 onder p bedraagt niet meer dan 40 m; d. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde voor energieopslag zoals bedoeld in 6.1.1 onder h bedraagt niet meer dan 3,00 m, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - energieopslagsysteem' niet meer bedraagt dan 2,5 m. 6.3 Specifieke beoordelingsregels voor het bouwen De omgevingsvergunning wordt ook verleend wanneer sprake is: a. van het verhogen van de maximale goothoogte van bedrijfswoningen zoals bepaald in artikel 6.2.2 onder d waarbij de goothoogte maximaal 7 m mag bedragen; b. van een afwijkende dakhelling voor een bedrijfswoning zoals bepaald in artikel 6.2.2 onder e; c. van het verhogen van de maximale inhoud van bedrijfswoningen zoals bepaald in artikel 6.2.2 onder f de vergrotging ten hoogste 75 m3 mag bedragen mits het een vergroting in de vorm van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk betreft,; d. van het vergroten van de inhoud van de woning binnen de bestaande hoofdbouwmassa, zoals bepaald in artikel 6.2.2 onder f, mits: 1. de vergroting plaats moet vinden in de bestaande hoofdbouwmassa; 2.
vaststaat dat het aantal woningen niet toeneemt; 3. de kenmerkende vorm van de hoofdbouwmassa gehandhaafd blijft. 6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.4.1 Vergunningplicht Het is verboden buiten een bouwvlak zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen of verharden van erfontsluitingswegen, paden en andere oppervlakteverhardingen buiten een bouwvlak én op gronden ter plaatse van de aanduiding 'openheid'; b. het ophogen van gronden en het aanleggen van (geluids)wallen; c. op gronden ter plaatse van de aanduiding 'houtsingel' alsmede voor zover het betreft kleinschalige landschapselementen als bedoeld in artikel 6.1.1 onder k: het vellen en rooien van beplanting dan wel zodanig handelingen te verrichten die ernstige schade aan de landschapselementen kan veroorzaken; d. op gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - hoogteverschillen': het vergraven, afgraven en egaliseren van gronden buiten het bouwvlak; e. op gronden ter plaatse van de aanduiding 'openheid': het beplanten met bomen, heesters en andere opgaande beplanting.
6.4.2 Uitzondering vergunningplicht De in lid 6.4.1 bedoelde omgevingsvergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a. behoren tot het normale onderhoud, gebruik en beheer; b. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die op het tijdstip van het van kracht worden van het TAM-omgevingsplan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning.
29/66
6.4.3 Beoordelingsregels De in lid 6.4.1 bedoelde omgevingsvergunning wordt verleend, indien: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan aan de landschapselementen, beplantingselementen respectievelijk landschapswaarden; b. de waterhuishouding niet onevenredig wordt aangetast en hier advies voor ingewonnen is bij de waterbeherende instantie.
30/66
Artikel 7
Bedrijf
7.1 Gebruiksregels In het voor 'Bedrijf' aangewezen gebied zijn de volgende functies en bedrijfsactiviteiten toegestaan: a. één bedrijf per bestemmingsvlak met uitsluitend het type bedrijfsactiviteit zoals opgenomen in bijlage 2 Bedrijven en instellingen; b. het wonen ten behoeve van de bedrijfsvoering ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' niet is toegestaan; c. de opwekking van duurzame energie door middel van zonnepanelen uitsluitend binnen een agrarisch bouwvlak en ten behoeve van de eigen energievoorziening; d. detailhandel is toegestaan, mits: 1. het productiegebonden detailhandel betreft; 2. reeds bestaande detailhandelsbedrijven die als zodanig zijn genoemd in de kolom 'type bedrijf' in bijlage 2 Bedrijven en instellingen; met bijbehorende voorzieningen, zoals (on)verharde paden en wegen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, erfverhardingen en parkeervoorzieningen. 7.2 Beoordelingsregels voor het bouwen 7.2.1 Bouwen van een bedrijfsgebouw Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels: a. de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan de oppervlakte, die is aangegeven in de kolom “bij recht toegestaan aantal m2” van bijlage 2 Bedrijven en instellingen; b. de afstand ten opzichte van de erfgrens dient ten minste 5 m te bedragen; c.
de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m; d. de dakhelling dient minimaal 20° en maximaal 60° te bedragen; e. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' mogen geen bedrijfsgebouwen worden gebouwd. 7.2.2 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m; b. de bouwhoogte van bedrijfsinstallaties mag niet meer bedragen dan 8 m; c. de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 m; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 7.3 Specifieke beoordelingsregels voor het bouwen De omgevingsvergunning wordt ook verleend wanneer sprake is: a. van het vergroten van de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen zoals bepaald in artikel 7.2.1 onder a met dien verstande dat deze vergroting maximaal de oppervlakte bedraagt, zoals aangegeven in de kolom “met afwijking toegestaan aantal m2” van bijlage 2 Bedrijven en instellingen. b. van het verhogen van de maximale bouwhoogte van bouwwerken zoals bepaald artikel 7.2.2 onder d, geen gebouw zijnde, tot een bouwhoogte van maximaal 12 m met inachtneming van de volgende voorwaarde:
31/66
1. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden worden niet in onevenredige mate geschaad.
32/66
Artikel 8
Bos
8.1 Gebruiksregels De voor 'Bos' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan: a. multifunctionele bosbouw; b. het behoud, herstel en ontwikkelen van het bos en de natuur- en landschapswaarden; c. extensieve (dag)recreatie; d. (onverharde) fiets- en wandelpaden; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; f. een parkeerterrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein'; g. niet-commerciële extensieve dagrecreatieve activiteiten, (bos)beheer en/of educatie; h. een antennemast ter plaatse van de aanduiding 'antennemast'. 8.2 Beoordelingsregels voor het bouwen 8.2.1 Bouwen van een gebouw Ter plaatse van bestaande gebouwen is de bouw van gebouwen toegestaan met de bestaande inhoud, goot- en bouwhoogte ten behoeve van het onder 8.1 onder f genoemde gebruik. 8.2.2 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels: een bouwhoogte van maximaal: 1. 1 m voor overige bouwwerken, geen gebouw zijnde; 2. 40 m voor een antennemast, zoals bedoeld onder 8.1 onder g. 8.3 Specifieke beoordelingsregels voor het bouwen De omgevingsvergunning wordt ook verleend wanneer sprake is van de herbouw van een gebouw met inachtneming van de volgende voorwaarden: a.
de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden niet in onevenredige mate geschaad; b. het gebouw dient goed op het perceel te worden gesitueerd en landschappelijk te worden ingepast; c. de ter plaatse voorkomende bos- en natuurwaarden dienen zoveel mogelijk te worden behouden en/of versterkt; d. de afstand tot woningen van derden dient ten minste 30 m te bedragen; e. vast dient te staan dat het bestaande gebouw wordt gesloopt. 8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.4.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op de in artikel 8.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: a. het vellen of rooien van gewassen dan wel zodanig handelingen te verrichten die ernstige schade aan de gewassen kunnen veroorzaken; b. het vergraven, afgraven en egaliseren van gronden; c. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen;
33/66
d. het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen en kolken. 8.4.2 Uitzondering vergunningplicht Een in lid 8.4.1 bedoelde omgevingsvergunning is niet vereist voor: a. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die behoren tot het normale onderhoud en beheer; b. werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning. 8.4.3 Beoordelingsregels De in lid 8.4.1 bedoelde omgevingsvergunning wordt verleend, indien: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuur- en landschapswaarden dan wel het karakteristieke verkavelingspatroon.