Bijlage 1 toelichting
Tekst van het document
6.1.2 Onderzoek Het initiatief bestaat uit de sloop van de huidige bebouwing en de realisatie van zestien grondgebonden woningen. De nieuwe woningen staan nabij één geluidsbron, namelijk de Lichtenvoordsestraatweg. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede uit de 'Atlas Leefomgeving'. De globale ligging
TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
35
van het projectgebied is hierop aangeduid met een groene cirkel.
Uitsnede kaart Atlas Leefomgeving
Eindconclusie Bkl Uit de 'Atlas Leefomgeving' blijkt dat ter plaatse van het projectgebied de maximale geluidbelasting 41 dB bedraagt. Voor gemeentewegen geldt een streefwaarde van maximaal 53 dB. De streefwaarde wordt dus ruimschoots gehaald. Een nadere toetsing aan het aspect geluid is dan ook niet noodzakelijk. Eindconclusie Bbl Op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dient een akoestische binnenwaarde van 33 dB gegarandeerd te worden. Volgens artikel 4.102 van het Bbl bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB. Bij de aanvraag van een 'Omgevingsvergunning bouwen' (voormalige bouwvergunning) moet door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek worden aangetoond dat de binnenwaarde van 33 dB uit het Bbl wordt gehaald. 6.1.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geluid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.2
Luchtkwaliteit
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 6.2.1 (Wettelijk) kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl
TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
36
volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier berekend worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten.
De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen. Ten slotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren. 6.2.2 Onderzoek Het voorgenomen initiatief voorziet in de sloop van een varkensstallen en de realisatie van zestien woningen in het projectgebied. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. Het CIMLK geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) in het projectgebied tussen 2022 en 2030.
Het CIMLK maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2022, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Het rekenpunt (51468751_15574953) dat het dichtst bij het projectgebied ligt kent de volgende gemeten waarden voor NO2, PM10 en PM2,5 in 2022: NO2: 12,8906 µg/m3 PM10: 15,7568 µg/m3 PM2,5: 8,6317 µg/m3 Voor NO2 en PM10 verbindingen geldt een grenswaarde van 40 µg/m3. Voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 20 µg/m3. De hoeveelheid NO2, PM10 en PM2,5 in het projectgebied blijft ruimschoots onder de gestelde grenswaarden. De monitoringstool maakt dus duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2022, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter
TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
37
bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. 6.2.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.3
Geur
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 6.3.1 (Wettelijk) kader De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. 6.3.2 Onderzoek Door ForFarmers is in augustus 2024 een geuronderzoek agrarische geurhinder uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 3. Hieronder worden kort de conclusies van dit onderzoek behandeld. Gemeente Aalten heeft in haar beleid vastgesteld dat voor woningen in het buitengebied een geurhinderpercentage van maximaal 25% nog als aanvaardbaar wordt beschouwd.
Dit betekent dat de voorgrondbelasting maximaal 14 OUE/m3 mag bedragen en de achtergrondbelasting maximaal 28 OUE/m3. Achtergrondbelasting Van alle veehouderijen in een straal van 4 km rondom de nieuwe woningen zijn de geuremissies geïnventariseerd. De brongegevens zijn afkomstig van de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) en gebaseerd op defaultwaarden. De receptorpunten zijn de 4 hoekpunten van de huidige woning conform de situatietekening die separaat is toegevoegd. In de onderstaande tabel wordt de achtergrondbelastingen weergegeven. Cumulatieve geurbelasting op rectorpunten, zoals berekend Recep Geurnorm 1000 28 1001 28 1002 28 1003 28
Geurbelasting [OU/m3] 0.97 0.97 0.97 0.95
Uit de berekeningsresultaten volgt dat nergens een te hoge achtergrondbelasting van geur is, waardoor sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
38
Voorgrondbelasting Gezien de hoogte van de achtergrondbelasting geur kan niet automatisch gesteld worden dat de voorgrondbelasting geur automatisch ook aan de plaatselijk vastgestelde geurnorm (voor het buitengebied van Aalten) van 14 OUE/m3 voldoet. Daarom is eveneens een voorgrondbelasting geurberekening gemaakt voor de emissie van de varkenshouderij Lichtenvoordsestraatweg 68 te Aalten. Ter plaatse van de bestaande woning bedraagt de geurbelasting 0,3 OUE/m3. Gezien de hoogte van de voorgrondbelasting geur ten opzichte van de achtergrondbelasting geur kan gesteld worden dat de achtergrondbelasting geur bepalend is voor de effecten op Lichtenvoordsestraatweg 68. De voorgrondbelasting is overal onder de norm van 14 OUE/m3 . 6.3.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.4
Bodemkwaliteit
Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 6.4.1 (Wettelijk) kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het Aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.
6.4.2 Onderzoek Door Buro Ontwerp & Omgeving is in januari 2025 een verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem en puin uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4. Hieronder worden de conclusies van dit onderzoek kort behandeld. De bovengrond van de onderzoekslocatie betreft grotendeels matig grof en zwak siltig zand. Ten noorden en noordwesten van de schuren bevindt zich een puinlaag tot maximaal 0,5 mmv. Tot een diepte variërend van circa 0,2 tot zo'n 0,9 m-mv is deze bovengrond zwak tot matig humeus, plaatselijk is de bodem tot een diepte van circa 1,6 m-mv humeus. De ondergrond betreft voornamelijk matig grof en zwak tot matig siltig zand, welke TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
39
plaatselijk grindhoudend is. incidenteel is een (zandige) leemlaag aanwezig in de ondergrond. In de bovengrond zijn bij meerdere boringen bijmengingen met sporen en plaatselijk resten baksteen aangetroffen, met name in het gebied rond de schuren en in de grondwal. Ten westen van de schuren is een puinlaag aanwezig, bestaande uit menggranulaat. Ook onder de klinkers ten noorden van de schuur is puin aanwezig. Tussen de schuren is naast divers bodemvreemd materiaal ook asbesthoudend materiaal aangetroffen. De hypothese 'onverdachte locatie' wordt op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek niet bevestigd. De bovengrond ter plaatse van asbestgat 118 is sterk verontreinigd met asbest, waarbij er zowel in de fractie < 20 mm als > 20 mm hechtgebonden chrysotiel bevattend materiaal. Naast een sterk verhoogd gehalte asbest bevat deze bodemlaag een matige verontreiniging met minerale olie en lichte verontreinigingen met kobalt, zink en PAK. (bodemklasse 'wonen' of 'industrie'). Naar inschatting is er circa 75 m3 (sterk) verontreinigde grond aanwezig. In de grondwal ten noorden van de schuren is, op indicatieve wijze, een gehalte van circa 20 mg/kg ds. aan asbest (hechtgeboden chrysotiel) aangetoond. Daarnaast is in de grond van deze wal een licht verhoogd gehalte PAK aangetoond.
In de overige boven- en ondergrond zijn geen gehaltes boven de kwaliteitseis van de bodemklasse 'landbouw/natuur' en de interventiewaarde bodemkwaliteit aangetoond. In het grondwater zijn geen concentraties boven de signaleringswaarde aangetoond. Aanbevelingen Deze sterk verontreinigde grond dient voorafgaand aan de ontwikkeling van de locatie gesaneerd te worden. Hiervoor dient een Plan van Aanpak opgesteld te worden en dient een melding verricht te worden via het Omgevingsloket. Deze melding is op 16 april 2025 ingediend in het Omgevingsloket. Hierbij is door de Omgevingsdienst Achterhoek op 23 april 2025 akkoord gegeven op de voorgestelde sanering en Plan van Aanpak. Daarnaast is de grondwal op indicatieve wijze onderzocht op de aanwezigheid van asbest. Omdat er hierbij een gehalte van circa 20 mg/kg ds. aan asbest is aangetoond, kan deze grond niet zonder meer verwerkt worden op de locatie. Voor het verwerken van de grond zal overleg plaats moeten vinden met de Omgevingsdienst en/of de gemeente Aalten. De bovengrond rondom de schuren bevat een gehalte lood waardoor de bodemklasse tot 'industrie' behoort. Aangezien de toekomstige functie van het plangebied 'wonen' betreft, zal er met de Omgevingsdienst de Achterhoek moeten worden afgestemd wat hiervoor de vervolgstappen zijn.
6.4.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied. De sterk verontreinigde grond zal voorafgaand aan de ontwikkeling gesaneerd worden en de juiste meldingen zijn reeds gedaan in het Omgevingsloket.
6.5
Water
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water.
TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
40
6.5.1 (Wettelijk) kader In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een instructieregel voor het meewegen van het waterbelang opgenomen. In paragraaf 5.4 is het beleid van het waterschap beschreven. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen initiatief in overeenstemming is met het beleid van het waterschap. Ten aanzien van het onderzoek is de Digitale Watertoets ingevuld om na te gaan welke waterbelangen er voor het initiatief in het projectgebied relevant zijn. 6.5.2 Onderzoek Door Buro Ontwerp & Omgeving is in januari 2025 een quickscan water opgesteld. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5. Hieronder worden kort de resultaten van dit onderzoek behandeld. Op basis van de voorgenomen ontwikkeling zal er circa 4.900 m2 verhard oppervlak gerealiseerd worden. Dit is een afname van verharding, ten opzichte van de huidige situatie, van circa 3.600 m2. Voor deze verharding is de bergingseis van 80 mm van Waterschap Rijn en IJssel van toepassing. Dit resulteert in een benodigde waterberging van 392 m3. Centraal in het plangebied zal een wadi gerealiseerd worden. Uitgaande van de grootte van deze wadi van circa 1.960 m2 en vulling van 30 cm kan er circa 590 m3 hemelwater (tijdelijk) geborgen worden. De voorziene parkeerplaatsen zullen voorzien worden van waterpasserende verharding (b.v. grasbeton).
Onder deze waterpasserende verharding kan hemelwater geborgen worden, middels het aanbrengen van grof zand. Aangezien er in de wadi al voldoende waterberging aanwezig is, is deze maatregel niet vereist. Daarnaast kan berging plaatsvinden in de vijver, welke in de noordoostelijke hoek gerealiseerd zal worden. Dit is echter niet noodzakelijk vanwege de grootte van de wadi. Gezien de resultaten van onderhavige analyse worden er met de voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied geen negatieve gevolgen verwacht voor de waterhuishouding ter plaatse. Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. De uiteindelijke wijze van berging dient afgestemd te worden met de gemeente en het waterschap. Het hemelwatersysteem dient in een latere fase verder gedimensioneerd en civieltechnisch uitgewerkt te worden. Digitale watertoets Voor het doorlopen van het wateradvies gebruikt het waterschap de website www.hetwateradvies.nl. Het waterschap kijkt, op basis van de antwoorden die op de website worden ingevuld, of bij de ruimtelijke ontwikkeling voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. Via de het wateradvies is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het initiatief relevant zijn. Voor dit initiatief is op 8 november 2024 de digitale watertoets doorlopen.
Deze is als Bijlage 6 bijgevoegd. Ten aanzien van wateradvies geldt er voor het initiatief een normale procedure. De verharding in het nieuwe plan neemt in de toekomstige situatie af. Er worden echter meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd, waardoor de normale procedure van toepassing is. In de huidige situatie wordt het hemelwater op het riool geloosd. In de toekomstige situatie zal al het hemelwater gescheiden worden van het vuilwater. 6.5.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect water geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
41
6.6
Mobiliteit en parkeren
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.6.1 (Wettelijk) kader In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel kan een verandering van functies zorgen voor een verkeersaantrekkende werking. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente Aalten heeft parkeerbeleid opgesteld met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. 6.6.2 Onderzoek Verkeer De realisatie van de zestien woningen in het projectgebied zorgt voor een verkeersaantrekkende werking. In de huidige situatie is het aantal verkeersbewegingen dat aan de veehouderij is toe te schrijven te verwaarlozen.
Gezien de ligging van het projectgebied moet worden uitgegaan van de verstedelijkingsgraad 'weinig stedelijk' en het gebiedstype 'buitengebied'. Het aantal verkeersbewegingen per dag is als volgt: Type woning
Gemiddelde aantal verkeersbewegingen
Vrijstaand 8,2 Twee-onder-een-kap 7,8 LLB (vrijstaand) 8,2 LLB (goedkope koop/huur) 7,4 Rijwoningen (tussen/hoek) 7,4
Aantal woningen 3 2 1 1 9
Totaal aantal verkeersbeweging en 24,6 15,6 8,2 7,4 66,6
In totaal is er in de toekomstige situatie sprake van 122,4 verkeersbewegingen per dag die aan het gebruik van de woningen kan worden toegeschreven. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid voor het hobbymatig houden van dieren op het weiland aan de oostzijde van het plangebied, en het starten van een kleinschalig bedrijf door de voormalige veehouder. De verkeersbewegingen die hieraan worden toegeschreven zullen echter altijd minder zijn dan in de huidige situatie aan de veehouderij kunnen worden toegeschreven. Gezien bovenstaande zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen. Het projectgebied wordt ontsloten op de Lichtenvoordsestraatweg. Deze weg heeft voldoende capaciteit om deze hoeveelheid verkeersbewegingen op te vangen. Daarnaast is de N313 op twee minuten rijden van het projectgebied te bereiken, waardoor de verkeersbewegingen ook goed worden opgevangen in de regio. Parkeren TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
42
Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. In de toekomstige situatie zal de parkeerbehoefte die aan het bestaande woonhuis kan worden toegeschreven volledig worden opgevangen op het terrein bij het woonhuis. Om deze reden wordt het bestaande woonhuis verder buiten beschouwing gelaten. Op basis van de 'Beleidsregel parkeernormen gemeente Aalten' moet het aantal benodigde parkeerplaatsen worden berekend. Volgens het bestemmingsplan 'Parapluplan gemeente Aalten' ligt het projectgebied in het buitengebied. Het aantal benodigde parkeerplaatsen is als volgt: Type woning
Gemiddelde aantal parkeerplaatsen Koop, vrijstaand 2,0 Twee-onder-een-kap 1,8 LLB (vrijstaand) 2,0 LLB (goedkope koop/huur) 1,6 Rijwoningen (tussen/hoek) 1,6
Aantal woningen 3 2 1 1 9
Totaal aantal parkeerplaatsen 6,0 3,6 2,0 1,6 14,4
In totaal is er een behoefte aan 27,6 parkeerplaatsen. Alle vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen zullen op eigen terrein ruimte krijgen om twee parkeerplaatsen te realiseren. Daarnaast zullen er achttien parkeerplaatsen worden gerealiseerd in de openbare ruimte. Deze parkeerplaatsen kunnen worden gebruikt door de bewoners van de rijwoningen en bezoekers. De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 32 parkeerplaatsen op eigen terrein. Hiermee worden er meer dan voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd om aan de behoefte te voldoen. 6.6.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect mobiliteit en parkeren geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.7
Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 6.7.1 (Wettelijk) kader De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit
TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
43
leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 6.7.2 Onderzoek Het voorgenomen initiatief voorziet in de realisatie van zestien nieuwe woningen. Deze woningen worden aangemerkt als 'kwetsbaar object'. Hiermee voorziet de ontwikkeling in nieuw kwetsbare objecten. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de Risicokaart Nederland. De globale ligging van het projectgebied is hierop aangeduid met een groen vierkant.
Uitsnede kaart omgevingsveiligheid, bron: Atlas leefomgeving
Het projectgebied is niet gelegen binnen een PR 10-6 risicocontour. Tevens is het projectgebied niet gelegen in een brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied. Er is daarom geen (beperkte) verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.
TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
44
6.7.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.8
Bedrijven en milieuzonering
Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies of milieuhinderveroorzakende functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu binnen en buiten het projectgebied mogelijk is. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van nieuwe gevoelige functies. 6.8.1 (Wettelijk) kader Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de aanbevolen richtafstanden met één stap worden verminderd.
De afstand wordt gemeten vanaf de grens van de locatie van de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies. 6.8.2 Onderzoek Het projectgebied en haar omgeving maakt gezien de aanwezige functies deel uit van een 'rustig buitengebied'. Hinderveroorzakende functies in het projectgebied Binnen het plangebied worden geen functies gerealiseerd die milieuhinder veroorzaken. De nieuwe woningen kunnen worden aangemerkt als milieuhindergevoelig. Hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied Naast voorgenoemde toetsing moet onderzocht worden of de functies in het projectgebied hinder ondervinden van hinderveroorzakende functies in de omgeving van het projectgebied. In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich geen hinderveroorzakende functies. Voor eventuele geurhinder wordt verwezen naar paragraaf 6.3. Voor eventuele hinder van spuitzones wordt verwezen naar paragraaf 6.16. 6.8.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen initiatief.
6.9
Natuur
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
45
6.9.1 (Wettelijk) kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 6.9.2 Onderzoek Door ForFarmers is in samenwerking met Brabant Eco in juli 2024 een Quickscan besluit activiteiten leefomgeving; soortenbescherming opgesteld. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7. De belangrijkste resultaten uit het onderzoek zijn in de navolgende alinea's samengevat. Gebiedsbescherming Ruimtelijke ingrepen in of nabij Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten zijn niet toegestaan wanneer deze significante negatieve effecten op de kernkwaliteiten veroorzaken. Het projectgebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft 'Korenburgerveen', dat gelegen is op een afstand van circa 4,3 kilometer ten oosten van het projectgebied.
Tevens ligt het Natura 2000-gebied 'Bekendelle' op een afstand van circa 7,1 kilometer ten oosten van het projectgebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand van het projectgebied. Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het projectgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. Indirecte negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen echter niet op voorhand worden uitgesloten. In lijn met de voorwaarden van de stoppersregeling dient de maximale stikstofemissie beperkt te worden tot 15%. Hiertoe wordt in onderhavig dossier een gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit verzorgt. De overige 85% stikstofemissie, die moet worden ingeleverd in lijn met de Lbv-regeling, leidt tot veel positieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden op de lange termijn. De 15% wordt in voorliggend geval benut ten behoeve van de toekomstige activiteiten en functies op locatie wat betreft de aanstaande aanlegfase (sloop en nieuwbouwactiviteiten) en de toekomstige gebruiksfase in de zin van het woonerf op locatie.
In dit kader is door ForFarmers FarmConsult in augustus 2024 een AERIUS berekening uitgevoerd, die een weergave geeft van de voorgenomen activiteiten ten aanzien van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Voor meer informatie zie Bijlage 8. De stikstofdepositie op locatie heeft betrekking op de sloop- en bouwfase en de gebruiksfase van de nieuwe woningen en de bestaande woning met enkele hobbydieren en erfbewegingen ten behoeve van bouw- en akkerbouwwerkzaamheden thuis en bij derden. Uit de depositie berekeningen conform AERIUS blijkt dat de totale depositie niet stijgt ten opzichte van de afgegeven vigerende WNB-vergunning. De ontwikkeling leidt niet tot een significant negatief effect op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De gevolgen van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
46
van 18-12-2024 in relatie tot de Lbv-regeling (intrekking van 85% stikstofemissie ten behoeve van natuur herstel en verbetering) zijn op dit moment onbekend. In overleg tussen ministerie, provincies en omgevingsdiensten is een handreiking opgesteld om vergunningverlening voor de nieuwe activiteiten van stoppende bedrijven mogelijk te maken. In lijn met deze handreiking zal initiatiefnemer als gevolg op de gedeeltelijke intrekking (85% stikstofemissie) voor de resterende 15% stikstofemissie een omgevingsvergunningaanvraag indienen voor de Natura 2000-activiteit. Deze methode is in voorliggend planspoor mogelijk, omdat er onder de Omgevingswet geen sprake meer is van een onlosmakelijkheid. Kortom, met het oog op de deelname in de stoppersregeling in relatie tot de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18-12-2024 is het onderdeel 'gebiedsbescherming' in voorliggend plan in voldoende mate onderbouwd. Het projectgebied ligt binnen de groene ontwikkelingszone (GO). Hiervoor dienen specifieke maatregelen getroffen te worden op het moment dat ontwikkelingen plaatsvinden. Deze maatregelen zijn beschreven in Bijlage 1, pagina 15. Hier wordt aangetoond dat het initiatief de GO versterkt zoals staat beschreven in de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland. Op circa 100 meter liggen gebieden die behoren tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN).
Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingen van het GNN bij de werkzaamheden niet aangetast. Soortenbescherming Er zijn zowel in het NDFF als tijdens het veldbezoek geen waarnemingen bekend van beschermde soorten in het plangebied. Enkele bekende waarnemingen van beschermde soorten zijn op behoorlijke afstand. De te slopen gebouwen als ook de aanwezige begroeide grondwal blijken geen leefgebied te kunnen zijn voor beschermde soorten. Na uitvoering van het voornemen en wordt het gehele plangebied 'groener ingericht'; en ontstaat meer potentieel leeffoerageergebied. Mits buiten het broedseizoen uitgevoerd kunnen de meerdere werkzaamheden, zoals o.a. sloop van de gebouwen en verwijdering grondwal en windsingel, ter realisering van het voornemen onder effecten op broedvogels of overige beschermde soorten uitgevoerd worden. Er is geen vergunning op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving noodzakelijk; zeker vanwege de positieve impact van het voornemen in zijn geheel. Er is ook voor de overige natuurwaarden geen vergunning/ontheffing noodzakelijk. 6.9.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect natuur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.10
Cultureel erfgoed
Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken. 6.10.1 (Wettelijk) kader Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische
TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
47
monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 6.10.2 Onderzoek Archeologie Archeologische bescherming zorgt ervoor dat archeologische waarden van gronden worden behouden en beschermd. In de regels horende bij het 'Omgevingsplan gemeente Aalten' wordt de bescherming en het gebruik verder geregeld. Het projectgebied ligt volgens het geldende bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2015' (als onderdeel van het 'Omgevingsplan gemeente Aalten') in een zone met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' en in een zone met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie gematigde verwachting'. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan respectievelijk 500 m2 en 2.500 m2. Bureauonderzoek Door Hamaland Advies is in maart 2025 een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek archeologie uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 9 bijgevoegd. Hieronder worden kort de resultaten van dit onderzoek behandeld. Op basis van historisch kaartmateriaal was het plangebied in gebruik als bouwland en heide. De heidepercelen zijn later als bos aangeduid. Van oost naar west en van noord naar zuid lopen twee wegen door het plangebied, waaraan de bebouwing ontstaat.
De oudste bebouwing is op de kaart van 1886 weergegeven op (globaal) de locatie van de huidige woning. De locatie van de stallen is voor het eerst bebouwd op de kaart van 1955. Op basis van het bouwdossieronderzoek kan geconcludeerd worden dat de diepte van de bodemverstoring per stal verschillend is. De minimale verstoring bedraagt 75 cm-mv en de maximale verstoring 332 cm-mv. Onder twee stallen is sprake van een lokale diepere verstoring tot maximaal 353 cm-mv. Vanwege de ligging van het plangebied en de vondsten die in de omgeving gedaan zijn, wordt aan resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen een hoge archeologische verwachting toegekend. Uitzondering hierop vormen de delen waar de stallen staan – wegens verstoring wordt daaraan een lage verwachting toegekend. Verkennend booronderzoek De bodemopbouw bestaat in vrijwel alle boringen uit één of meerdere subrecente ophogingslagen van grijs, bruin en geel gevlekt fijn siltig zand met soms een geringe bijmenging van grindjes of kiezels. De top van het gele fijne dekzand (C-horizont) is verspreid over het plangebied aangetroffen op dieptes variërend van 25 cm-mv tot 170 cm-mv. In een aantal boringen bevat het dekzand wat grindjes. De overgangen tussen de verschillende bodemlagen is in alle boringen scherp.
Selectieadvies Het conceptrapport en het selectieadvies zijn op 3 maart 2025 namens gemeente Aalten getoetst door mw. A. Lugtigheid-Hendriks, Regioarcheoloog van de ODA. Er zijn geen opmerkingen op het rapport en het selectieadvies wordt overgenomen. Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk.
TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
48
6.10.3 Cultuurhistorie De bestaande bedrijfswoning en varkensstallen hebben geen specifieke cultuurhistorische waarde. Het voorgenomen initiatief heeft eveneens geen negatief effect op eventuele cultuurhistorisch waardevolle elementen in de omgeving. Om deze reden is verdere toetsing aan het aspect cultuurhistorie niet noodzakelijk. 6.10.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect cultureel erfgoed geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.11
Duurzaamheid
Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; 'energietransitie', 'circulariteit' en 'klimaatadaptatie en water'. 6.11.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip 'duurzame ontwikkeling' als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming.
Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken. Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie Hoofdstuk 5). 6.11.2 Onderzoek energietransitie De woningen zullen gasloos worden uitgevoerd en met een (lucht)warmtepomp worden uitgerust. Deze warmtepomp zal zorgen voor het verwarmingssysteem. Daarnaast zullen de woningen geschikt zijn voor zonnepanelen. Hiermee zijn de woningen klaar voor de energietransitie.
TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
49
6.11.3 Onderzoek circulariteit De exacte wijze van bouwen en het materiaalgebruik is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Het is wel goed denkbaar dat de woningen zullen traditioneel worden gebouwd met systeemvloeren. De dragende wanden worden van kalkzandsteen gebouwd. Kalkzandsteen is een duurzaam materiaal dat wordt gemaakt van kalk, water en zand. Kalkzandsteen is in principe 100% recyclebaar, en heeft een zeer lage MKI- en MPG-score. 6.11.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect duurzaamheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.12
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. 6.12.1 (Wettelijk) kader In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen.
Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als 'de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.' Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie (zie bijvoorbeeld uitspraak ABRvS201501297/1/R4). Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 6.12.2 Onderzoek In voorliggend plan worden per saldo zestien woningen in het projectgebied gerealiseerd. Gezien dit méér dan elf woningen betreft, is het opstellen van een Ladder voor duurzame verstedelijking noodzakelijk. Om deze reden is door Buro Ontwerp & Omgeving in september 2024 een Ladder voor duurzame verstedelijking opgesteld. Deze is bijgevoegd als Bijlage 10. Geconcludeerd kan worden dat met het initiatief buiten bestaand stedelijk gebied wordt voorzien in zowel de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte aan woningen binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de (her)ontwikkellocatie.
Verder wordt geconcludeerd dat in de provinciale, regionale en gemeentelijke beleidsstukken op het gebied van wonen, de regionale/lokale behoefte voldoende is aangetoond. De ontwikkeling van het woongebied ter uitbreiding van de kern Barlo voorziet daarmee in een volkshuisvestelijke behoefte. De
TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
50
ontwikkeling voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking (Bkl). 6.12.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.13
Ontplofbare Oorlogsresten (OO)
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze in het projectgebied bij de activiteit rekening wordt gehouden met niet-gesprongen explosieven en ontplofbare oorlogsresten. Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog. Van al het explosieve materiaal dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) is ingezet, verschoten of afgeworpen, is een gedeelte om verschillende redenen niet tot uitwerking gekomen of gebracht. 6.13.1 (Wettelijk) kader In Nederland kennen we geen wet- en regelgeving of landelijk beleid dat richting geeft aan de omgang met risico's/gevaren van Ontplofbare Oorlogsresten (OO), tenminste waar het gaat om publieke risico's (dus anders dan het arbeidsomstandighedenrisico). Er is dus geen sprake van landelijke risiconormen over welke risico's/gevaren van OO al dan niet aanvaardbaar zijn. Dit betekent dat het lokaal bevoegd gezag een eigen afweging moet maken op grond van haar verantwoordelijkheid voor de openbare veiligheid over de acceptatie van risico's/gevaren van OO. 6.13.2 Onderzoek De Omgevingsdienst Achterhoek heeft aangegeven dat het niet noodzakelijk is om het projectgebied te onderzoeken op aanwezigheid van oorlogsmunitie in de bodem. Het gebied is aangemerkt als 'niet verdacht'.
Nadere toetsing aan dit aspect is dan ook niet noodzakelijk 6.13.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect OO geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.14
Milieubelastende activiteiten
Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba's) mogelijk maakt, en zo ja; Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten; Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld. 6.14.1 (Wettelijk) kader Het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
51
Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba's bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld 'Milieubelastende activiteiten' en bevat gemeentelijke regels over mba's. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van 'activiteiten'. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee 'milieubelastende activiteiten' worden bedoeld. 6.14.2 Onderzoek Het initiatief voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het initiatief richt zich voornamelijk op de functie wonen binnen een omgeving waar de functie wonen de boventoon voert. Daarbij worden kleinschalige bedrijfsfuncties toegestaan door het toestaan van bedrijven/beroepen aan huis. Dit is echter tevens passend binnen de functie wonen en een omgeving waar de functie wonen de boventoon voert. Deze activiteiten zullen bovendien niet tot nauwelijks milieubelastend zijn.
6.14.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect milieubelastende activiteiten geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.15
M.e.r.- beoordeling
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 6.15.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of; Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen.
Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd.
TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
52
6.15.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling is te categoriseren als een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen', zoals opgenomen onder Nr. J11 in Bijlage V bij het Ob. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is een plan-m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 11 bijgevoegd. 6.15.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect m.e.r.-beoordeling geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het voorgenomen initiatief in het projectgebied.
6.16
Gezondheid
De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). 6.16.1 (Wettelijk) kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. 6.16.2 Onderzoek intern Gelet op de aard en schaal van het initiatief zullen er geen aspecten worden geraakt die rondom het thema gezondheid belangrijk zijn. Gelet op de overige omgevingsaspecten is er sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
6.16.3 Onderzoek extern Rondom alle zijden van onderhavig projectgebied ligt een perceel met een agrarische bestemming, met specifiek de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - wisselteelt boomteelt 1'. In de land- en tuinbouw kunnen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Er gelden op dit moment echter geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld/bespoten en woningen (en tuinen) of andere gevoelige functies. Op basis van die jurisprudentie is een vuistregel ontstaan om 50 meter aan te houden tussen agrarische grond en gevoelige functies. Het noordelijk perceel is onderdeel van de ontwikkeling. Hier worden in de toekomstige situatie natuurelementen aangebracht ter versterking van de Groene ontwikkelingszone. De overige percelen rondom het projectgebied bevinden zich wel agrarische percelen waarop het gebruik van gewassenbeschermingsmiddelen mogelijk zijn. Onderstaande afbeelding toont de locatie waar, volgens Boer&Bunder, de activiteiten van het agrarische perceel plaatsvinden. Dit is niet tegen onderhavig projectgebied aan. Het projectgebied is met een rode stippellijn weergegeven.
TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
53
Uitsnede kaart Boer&Bunder
Door ForFarmers is in september 2024 een memo opgesteld omtrent spuitzonering ter hoogte van onderhavig projectgebied. Deze memo is als Bijlage 12 bijgevoegd. Hieronder wordt deze memo kort behandeld. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag mensen verblijven of samenkomen. Een woning met tuin wordt als zodanig aangemerkt. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners van de woningen. De 50 meter afstand is echter een indicatieve en willekeurige afstand. Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Rondom het plangebied zijn gronden aanwezig met een agrarische bestemming. Binnen 50 meter vanaf de woonkavels zijn geen landbouwgronden in gebruik voor open teelten van sierplanten, bomen, boomgaarden of fruitteelt (teelten waar de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen relevant is). De gronden zijn namelijk in gebruik als grasland. De gronden behoren al sinds jaar en dag toe aan een melkveehouderij. In het vigerende bestemmingsplan, zoals onder de Omgevingswet opgenomen in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan, is bomenteelt en fruitteelt ook in juridisch planologische zin niet direct toegestaan.
Tevens zijn er bij de gemeente geen plannen bekend voor een andere vorm van agrarisch grondgebruik ter plaatse, dat een intensief of intensiever gebruik van gewasbeschermingsmiddelen met zich mee brengt. Gelet op de aard van het voornemen, de voorgestelde inrichtingsmaatregelen, de afstanden, feitelijke situatie en planologische situatie tot open teelten van bomenteelt en fruitteelt, is er ten gevolge van het aspect spuitzones en gewasbeschermingsmiddelen geen sprake van onaanvaardbare volksgezondheidsrisico's. Daarnaast leidt het planvoornemen niet tot het schaden van de belangen van omliggende waarden en functies en leidt het planvoornemen niet tot het schaden van belangen van de eigenaren en/of gebruikers van nabijgelegen gronden. Het planvoornemen wordt ten aanzien van het aspect spuitzonering aanvaardbaar en uitvoerbaar geacht. 6.16.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect gezondheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
54
Hoofdstuk 7 7.1
Beperkingengebieden
Beperkingengebieden
Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom (spoor)wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, zowel ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk alsook in de daaraan grenzende (beschermings)zones.
7.2
Conclusie
Het projectgebied ligt niet in een beperkingengebied. Nadere toetsing aan dit aspect is dan ook niet noodzakelijk.
TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
55
TAM-omgevingsplan Lichtenvoordsestraatweg 69
NL.IMRO.0197.TAM20240003-VG01
vastgesteld
56
Hoofdstuk 8 8.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
8.1.1 Financieel economische haalbaarheid De gemeente hoeft geen belangrijke voorinversteringen te doen om het plan haalbaar te maken. De overige kosten komen op rekening van de initiatiefnemer. Hiermee is het plan volledig financieel economisch haalbaar. 8.1.2 Kostenverhaal De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van een particulier. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan is hiermee voldoende aangetoond. 8.1.3 Nadeelcompensatie In geval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakend besluit nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerst lid van de Omgevingswet, kan dit tot voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie leiden.