CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

26. Raadsmededeling 141-2024 Evaluatie inlooppunt Dinxperlo Centrum Oost en het vervolgtraject

Gemeenteraad 29 oktober 2024, gemeente AaltenBij agendapunt: Mededelingen van de voorzitter en advies van de agendacommissie over de ingekomen stukken38.908 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

BU0205 Kippensluis Zuid

Warmtenet Uit­voerings­ plan vast­ gesteld in 2026

Woningcorporaties zijn gecommitteerd; 50%particuliere woningeigenaren hebben intentie om aan te sluiten kenbaar gemaakt. Warmtenet aanleg start in 2028, beoogde afsluitdatum gas 2034

BU0206 Lommerhaven

212

Elektrisch

Tabel 10. De resultaten van de transitievisie warmte op hoofdlijnen.

Dit voorbeeld beschrijft een casus in de fictieve gemeente Nieuwerland.

65

Deel I Wat is een warmteprogramma?

Deel II Opbouw warmteprogramma

Deel III Opstellen warmteprogramma

Deel IV

Fictief voorbeeld

Deel V Factsheets

Tijdens de evaluatie bleken de keuzes uit de transitievisie grotendeels logisch (zie figuur 8). Op een paar punten wijken we in dit warmteprogramma af van de techniekkeuzes die destijds gemaakt zijn: 1. N  ieuwerland Centrum, waarvoor we in de transitievisie warmte van 2021 groengas als alternatief voor aardgas hadden opgenomen. De meest recente onderzoeken laten zien dat er vooralsnog onvoldoende groengas geproduceerd wordt om te gebruiken in de gebouwde omgeving. Daarom voorzien we voor Nieuwerland Centrum in de komende 10 jaar nog geen collectieve oplossing. 2. H  erontwikkeling Lommerhaven aardgasvrij. De herontwikkeling van Lommerhaven is eind 2025 voltooid. De oude gebouwen zijn afgebroken en er zijn nieuwe woningen voor in de plaats gekomen. De nieuwe woningen worden verwarmd met all-electric warmtepompen. Ook wordt er elektrisch gekookt. Het gasnet is verwijderd

Figuur 8. De kaart met warmtetechniek (WAT-kaart) uit de transitievisie warmte van 2021.

Dit voorbeeld beschrijft een casus in de fictieve gemeente Nieuwerland.

66

Deel I Wat is een warmteprogramma?

Deel II Opbouw warmteprogramma

Deel III Opstellen warmteprogramma

Deel IV Fictief voorbeeld

Deel V

Factsheets

Deel V

Factsheets Deel V van deze handreiking bevat factsheets met verdiepende informatie over het juridisch planproces, data, participatie en de planning voor het opstellen van een warmteprogramma.

67

Deel I Wat is een warmteprogramma?

Deel II Opbouw warmteprogramma

Deel III Opstellen warmteprogramma

Deel IV Fictief voorbeeld

Deel V

Factsheets

Inhoudsopgave deel V Factsheet: Planning en overgangsrecht

69

Factsheet: Participatie

73

Factsheet: Het juridisch planproces

77

Factsheet: Data

84

68

Deel I Wat is een warmteprogramma?

Deel II Opbouw warmteprogramma

Deel III Opstellen warmteprogramma

Factsheet: Planning en overgangsrecht Alle gemeenten moeten naar verwachting op 31 december 2026 een warmte­ programma hebben vastgesteld. Maar hoe plan je de werkzaamheden die nodig zijn om het warmteprogramma op te stellen? Dit lichten we toe in deze factsheet. We bespreken belangrijke wetgevingsontwikkelingen en wat het moment van vaststelling van het warmteprogramma betekent voor de inzet van de aanwijsbevoegdheid. Niet alle gemeenten willen de aanwijsbevoegd­ heid inzetten en er zijn ook andere redenen om eerder of juist later te starten met het opstellen van het warmteprogramma. Het doel van deze factsheet is om bij te dragen aan de afweging die gemeenten hierover maken. Wetgevingsontwikkelingen Een aantal wetten die invloed hebben op het warmteprogramma moeten nog door de Eerste Kamer worden behandeld en zijn dus nog niet in werking getreden. Dit gebeurt naar verwachting de komende 2 jaar. We beschrijven hieronder de verwachte ontwikkelingen rondom nieuwe wetgeving. Houd hiermee rekening bij de planning voor het opstellen van het warmteprogramma: • Het wetsvoorstel voor de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) wordt na het zomerreces van 2024 behandeld door de Eerste Kamer. Op 1 juli 2025 zou de Wgiw in werking moeten treden.

• Het ontwerp-Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw) komt naar verwachting in de herfst van 2024 beschikbaar. Dit besluit zal meer duidelijkheid geven over de vereisten voor een warmteprogramma. Op 1 juli 2025 zou het Bgiw in werking moeten treden. • De nieuwe versie van de startanalyse aardgasvrije wijken komt naar verwachting eind 2024 beschikbaar. De startanalyse helpt gemeenten bij de technischeconomische analyse voor het warmteprogramma. • De Wet collectieve warmte (Wcw) zou op 1 juli 2025 in werking moeten treden. • Het Besluit collectieve warmte (Bcw) zou op 1 juli 2025 in werking moeten treden. • De volgende gemeenteraadsverkiezingen zijn in maart 2026. Het vormen van een coalitie kan tijd kosten en leiden tot veranderende bestuurlijke wensen en ambities. • De deadline voor het vaststellen van het eerste warmteprogramma is naar verwachting 31 december 2026.

Deel IV Fictief voorbeeld

Deel V

Factsheets

Doorlooptijd opstellen warmteprogramma De tijd die het kost om een warmteprogramma op te stellen, hangt af van de aanpassingen ten opzichte van de transitievisie warmte (tvw), gewenste onderzoeken, participatie­activiteiten en mogelijke plan-mer-plichtigheid. Een periode van een jaar lijkt redelijk als globale schatting. Aandachtspunten voor de planning Houd vanwege de verwachte doorlooptijd en de verwachte ontwikkelingen in wetgeving in de komende jaren rekening met de volgende aandachtspunten bij het plannen van de werkzaamheden voor het opstellen van het warmteprogramma: • Een warmteprogramma vaststellen voor de inwerkingtreding van de Wgiw en Bgiw. Het is niet zonder risico om een warmteprogramma vast te stellen vóór de definitieve besluitvorming over de Wgiw en het Bgiw. In dat geval bestaat de kans dat wijzigingen ertoe leiden dat je vastgestelde warmteprogramma niet aan alle wettelijke vereisten voldoet. Je kunt wel een concept-warmteprogramma opstellen en wachten met de gemeentelijke besluitvormingsprocedure. Zo houd je de mogelijkheid om nog wijzigingen door te voeren. • Vrijwillig programma. Wil je toch je warmteprogramma vaststellen voor de inwerkingtreding van de Wgiw en Bgiw? Maak er dan een vrijwillig programma van.

Voldoet dit vrijwillige programma aan de wettelijke vereisten voor een verplicht programma? Dan krijgt het automatisch deze status na de inwerking­ treding van de Bgiw en Wgiw. Houd er wel rekening mee dat je aan alle vereisten moet voldoen die na de inwerkingtreding van de Wgiw en het Bgiw gelden. • Gemeenteraadsverkiezingen. Houd bij de vaststelling van het warmteprogramma rekening met de gemeenteraadsverkiezingen en mik op een datum ervoor of ruim daarna. Zo ligt de aansturing en besluitvorming geheel bij het oude of grotendeels bij het nieuwe college. • Nu al beginnen. Bepaal nu al welke ondersteunende besluitvorming, onderzoeken en gesprekken nodig zijn, ongeacht de beoogde vaststellingsdatum.

69

Deel I Wat is een warmteprogramma?

Deel II Opbouw warmteprogramma

Deel III Opstellen warmteprogramma

Goed om te weten: overgangsrecht transitievisie warmte Heb je een transitievisie warmte opgesteld voor de inhoud van het ontwerpBgiw bekend was? Dan is er overgangsrecht op die transitievisie warmte van toepassing en gelden bepaalde vereisten uit het Bgiw mogelijk niet als je de transitievisie warmte omzet naar een warmteprogramma. De precieze invulling van het overgangsrecht is op dit moment echter nog niet bekend. We leggen dit verderop in deze factsheet uit.

Deel IV Fictief voorbeeld

Deel V

Factsheets

Inzetten van de aanwijsbevoegdheid Wil je als gemeente de aanwijsbevoegdheid inzetten, wat betekent dat je in een bepaalde buurt, dorp of wijk de levering van gas wil stoppen? Dan heb je een warmteprogramma nodig. De datum waarop je de aanwijsbevoegdheid kan inzetten hangt af van het moment van vaststelling van het warmteprogramma. Je kan de aanwijsbevoegdheid inzetten na de inwerkingtreding van de Wgiw op basis van een geldig warmteprogramma of een transitievisie warmte die voldoet aan de vereisten van het overgangsrecht. JIn dat laatste geval heb je geen warmteprogramma nodig. Voldoet je transitievisie warmte niet aan de vereisten of wil je de aanwijsbevoegdheid inzetten in een gebied dat niet in de transitievisie warmte is geselecteerd? Dan heb je wel een warmteprogramma nodig.

Figuur 9. Een tijdlijn voor het vaststellen van het warmteprogramma. Ter illustratie zijn twee voorbeelden weergegeven van een mogelijke gebiedsaanpak tot en met de beëindiging van de aardgaslevering. EK= Eerste Kamer, WP=warmteprogramma, OP=omgevingsplan. Zie de lopende tekst voor toelichting.

70

Deel I Wat is een warmteprogramma?

Deel II Opbouw warmteprogramma

Deel III Opstellen warmteprogramma

Redelijke termijn Voor de inzet van de aanwijsbevoegdheid is ook een wijziging van het omgevingsplan door de gemeenteraad nodig. Tussen het moment dat de inzet van de aanwijsbevoegdheid is aangekondigd via een wijziging van het omgevingsplan en de daadwerkelijke beëindiging van de levering van aardgas, zit een zogeheten redelijke termijn. Dit zal naar verwachting een termijn van 8 jaar zijn, waar je als gemeente alleen onder strikte voorwaarden van mag afwijken. Zie de paragraaf relevante wetsartikelen onderaan deze factsheet voor meer informatie over afwijken van de redelijke termijn. Twee voorbeelden Vanwege de redelijke termijn kan de datum waarop je een warmteprogramma vaststelt, bepalend zijn voor het moment waarop de eerste gebieden volledig aardgasvrij zijn. Dit illustreren we in figuur 9 aan de hand van twee voorbeeldscenario’s: • Scenario 1. In scenario 1 mikt de gemeente op een zo snel mogelijke inzet van de aanwijsbevoegdheid voor bestaande gebiedsaanpakken. De gemeente gebruikt het overgangsrecht of stelt voor de inwerkingtreding van de Wgiw een warmteprogramma vast door de transitievisie warmte te wijzigen, zodat deze aan de komende wettelijke vereisten voldoet. Direct na de inwerkingtreding van de Wgiw start de gemeente het proces om het omgevingsplan te wijzigen, onder andere op basis van de onderbouwing in een uitvoeringsplan.

In dit geval kan de levering van aardgas in de betreffende gebieden naar verwachting eind 2033 beëindigd worden. • Scenario 2. In scenario 2 stelt de gemeente een warmteprogramma vast in de loop van 2026, na de gemeenteraadsverkiezingen, maar ruim voor de deadline van 31 december 2026. Hierna maakt de gemeente voor de gebieden waar ze de levering van gas wil beëindigen uitvoeringsplannen. Deze uitvoeringsplannen worden in 2028 samen met het gewijzigde omgevingsplan vastgesteld. Hierbij wordt de coördinatieregeling gebruikt, zoals beschreven in de factsheet Juridisch planproces. In dit scenario kan de levering van aardgas in de betreffende gebieden in 2036 beëindigd worden. Het is natuurlijk ook mogelijk om de aanwijsbevoegdheid niet of pas later in te zetten. In dat geval maakt het moment van vaststelling van het warmteprogramma hiervoor niet uit.

Deel IV Fictief voorbeeld

Deel V

Factsheets

Het overgangsrecht en de transitievisie warmte Het overgangsrecht bepaalt onder welke voorwaarden een transitievisie warmte als basis kan dienen om de aanwijsbevoegdheid in te zetten zonder dat je een warmteprogramma hoeft vast te stellen. Hieronder beschrijven we twee mogelijke routes: • De transitievisie warmte voldoet aan het generieke overgangsrecht uit de Invoeringswet Omgevingswet en aan de inhoudelijke vereisten voor het warmteprogramma. • De transitievisie warmte voldoet aan het aanvullende overgangsrecht uit het Bgiw.

Goed om te weten: terminologie We spreken steeds over transitievisie warmte, maar vergelijkbare beleidsdocumenten vallen onder dezelfde voorwaarden. De titel van het document is niet van belang.

Generiek overgangsrecht Een warmteprogramma is een verplicht programma onder de Omgevingswet. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bestond het verplichte programma niet als beleidsinstrument. Wat betekent dat voor de transitievisie warmte die is vastgesteld vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet? Onder bepaalde voorwaarden kan een vastgestelde transitievisie warmte gelden als een vrijwillig programma. Het generieke overgangsrecht van de Omgevingswet is hierop van toepassing. In dat geval gelden wel een aantal voorwaarden: • De transitievisie warmte is op of na 23 maart 2016 en voor 1 januari 2024 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. • De transitievisie warmte voldoet aan de inhoudelijke eisen voor een programma onder de Omgevingswet. • De transitievisie warmte voldoet aan de procedurele vereisten van de Omgevingswet. Hier is het vooral het plan-mer van belang. Was de transitievisie warmte plan-mer-plichtig? Dan moet de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd zijn, (afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht). Was de transitievisie warmte niet plan-mer-plichtig? Dan kan de uitgebreide voorbereidingsprocedure vrijwillig zijn toegepast, maar was dit geen verplichting.

71

Deel I Wat is een warmteprogramma?

Deel II Opbouw warmteprogramma

Deel III Opstellen warmteprogramma

Voldoet de transitievisie warmte aan bovenstaande voorwaarden? Dan wordt de transitievisie warmte van rechtswege aangemerkt als een programma onder de Omgevingswet. Let op: hiermee is het nog geen warmteprogramma. Om als warmteprogramma te kwalificeren, moet de transitievisie warmte nog steeds voldoen aan de reguliere vereisten aan het warmteprogramma. Zie voor meer informatie Deel 1 van de handreiking. Een transitievisie warmte die ook aan deze vereisten voldoet, kwalificeert als warmteprogramma. In dat geval voldoet het aan de verplichting om uiterlijk op 31 december 2026 een warmteprogramma te hebben vastgesteld en kan het dienen als basis om de aanwijsbevoegdheid in te zetten. Aanvullend overgangsrecht In de praktijk zullen weinig transitievisie warmte voldoen aan de voorwaarden die hierboven genoemd staan. Daarom wordt in het Bgiw aanvullend overgangsrecht opgenomen. Ook aan dit overgangsrecht zijn voorwaarden verbonden: • Bij de voorbereiding van transitievisie warmte heeft participatie plaatsgevonden. • De inhoud van de transitievisie warmte voldoet aan de eisen uit het Klimaat­akkoord.

Hierin staat dat de transitievisie warmte voor gebieden die voor 2030 zijn aangewezen om van het gas af te gaan, een beschrijving geeft van de hoeveelheid gebouwen die geïsoleerd en/of aardgasvrij gemaakt worden, van de potentieel beschikbare energieinfrastructuren en van het alternatief met de laagste maatschappelijke kosten. Voldoet een transitievisie warmte aan deze voorwaarden? Dan kan het als basis dienen om de aanwijsbevoegdheid in te zetten, maar niet gelden als warmteprogramma. Je voldoet dan dus niet aan de verplichting om uiterlijk op 31 december 2026 een warmteprogramma te hebben vastgesteld.

Let op Het aanvullende overgangsrecht is aangekondigd maar nog niet beschikbaar. De uiteindelijke uitwerking kan afwijken van de inhoud van deze factsheet.

Geselecteerde gebieden Een transitievisie warmte die voldoet aan de eisen van het aanvullend overgangsrecht kan alleen worden gebruikt voor de inzet van de aanwijsbevoegdheid in een gebied

Deel IV Fictief voorbeeld

Deel V

Factsheets

dat daarvoor “geselecteerd” is. Wat dit betekent, is niet direct duidelijk. Het ligt voor de hand aan te nemen dat hoe concreter de transitievisie warmte verwoord is, hoe aannemelijker het is dat de aanwijsbevoegdheid kan worden ingezet. Wanneer de transitievisie warmte het doel benoemt dat een gebied in 2030 aardgasvrij is en de beoogde warmtetechniek beschrijft, lijkt het veilig om te stellen dat dit gebied geselecteerd is voor de inzet van de aanwijsbevoegdheid. Een transitievisie warmte kan ook minder duidelijk zijn en bijvoorbeeld benoemen dat het doel woningverduurzaming is, waarbij hybride warmtepompen en isolatie ook een optie zijn. In dat geval is op dit moment niet duidelijk of je kan stellen dat dit gebied “geselecteerd” en de aanwijsbevoegdheid ingezet kan worden. Relevante wetsartikelen Deze factsheet is samengesteld op basis van verschillende wetsartikelen. We geven hier een overzicht van de artikelen die relevant zijn: • Afwijken redelijke termijn. Er moeten nog instructieregels worden opgesteld voor het afwijken van de redelijke termijn. Je leest hier meer over in amendement 9 op de Wgiw. • Vaststellen vrijwillig programma. In artikel 3.4 van de Omgevingswet geeft onder meer het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid om een (vrijwillig) programma vast te stellen. • Generieke overgangsrecht.

Het generieke overgangsrecht op basis waarvan een transitievisie warmte kan gelden als een – vrijwillig – programma is opgenomen in artikel 4.11 Invoeringswet Omgevingswet. • Inhoudelijke vereisten programma. De inhoudelijke eisen waaraan een transitievisie warmte moet voldoen om te kunnen gelden als – vrijwillig programma staan in artikel 3.5 van de Omgevingswet: “uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan’ en ‘maatregelen om aan een of meerdere omgevingswaarden te voldoen of een of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken”. • Aanvullend overgangsrecht. Er is aanvullend overgangsrecht opgenomen om tegemoet te komen aan het advies van de Raad van State om het overgangsrecht van een betere motivering te voorzien en de vormgeving te heroverwegen. Zie Advies Afdeling advisering van de Raad van State en Nader Rapport (Kamerstukken II, 2022/23, 36 387, nr. 4).

72

Deel I Wat is een warmteprogramma?

Deel II Opbouw warmteprogramma

Deel III Opstellen warmteprogramma

Factsheet: Participatie Deze factsheet beschrijft de rol van participatie bij het opstellen van een warmteprogramma. Participatie is verplicht vanuit de Omgevingswet, maar de invulling ervan staat elke gemeente vrij. De beste manier om participatie vorm te geven, hangt af van de doelen, de vraag en de betrokkenen en belanghebbenden. In deze factsheet lees je: •  Welke verplichtingen er zijn rond participatie. •  Wat je extra kunt doen en waarom dat soms slim is. •  Welke bijzondere aandachtspunten er zijn voor participatie op basis van de kenmerken van het warmteprogramma. •  Welke hulpmiddelen er zijn voor je participatieproces.

Goed om te weten: participatie is maatwerk We beschrijven in deze factsheet niet hoe jouw participatieproces eruit moet zien. Dit is maatwerk en verschilt per gemeente en zelfs per wijk. De hulpmiddelen aan het einde van deze factsheet helpen je om een goed participatieproces te ontwerpen.

Afspraken en verplichtingen rond participatie Je hebt veel vrijheid om het participatieproces voor je warmteprogramma te bepalen. Toch zijn er verplichtingen uit landelijke en lokale wet- en regelgeving en afspraken waarmee je rekening moet houden. We sommen ze hier voor je op: De Omgevingswet Participatie is verplicht vanuit de Omgevingswet. Daarbij wordt participatie als volgt omschreven: “Het in een vroeg stadium betrekken van belanghebbenden (inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit.”

Deel IV Fictief voorbeeld

Deel V

Factsheets

De Omgevingswet schrijft echter niet voor op welke manier participatie moet plaatsvinden. Participatie is immers maatwerk en de wetgever wil voorkomen dat gemeenten het participatietraject als een afvinklijstje doorlopen. Je mag als gemeente dus zelf bepalen hoe het participatieproces bij een warmteprogramma eruitziet. Je hebt daarbij vanuit de Omgevingswet wel een motiveringsplicht. Motiveringsplicht De motiveringsplicht houdt in dat gemeenten bij het vaststellen van een warmteprogramma moeten motiveren hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken én wat de resultaten daarvan zijn. De motiveringsplicht staat beschreven in het Omgevingsbesluit. Hiermee laat je zien dat het beleid uit je warmteprogramma weloverwogen is en de maatregelen uitvoerbaar zijn. Tijdens een participatietraject doe je als gemeente onderzoek naar diverse belangen, de mogelijke participatiemaatregelen, de voor- en nadelen daarvan en hoe deze maatregelen worden afgewogen. Het is belangrijk om de eigen rol van de gemeente bij de uitvoering van deze maatregelen kritisch te bekijken. Communiceer daarnaast duidelijk wat er van burgers, ondernemers, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen wordt verwacht.

Andere procedurele eisen De verplichtingen rond participatie hangen samen met andere procedurele vereisten voor het vaststellen van een warmteprogramma, zoals het volgen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, waarbij de gemeente het warmteprogramma ter inzage legt. Deze vereisten staan in Deel 1 van deze handreiking.

Lokaal beleid Gemeenten, provincies en waterschappen zijn verplicht participatiebeleid op te stellen, waarin ze vastleggen hoe participatie wordt vormgegeven en wat de eisen daaraan zijn. Het participatiebeleid bevat vaak uitgangspunten over rechtvaardigheid, inclusiviteit, representativiteit en de gemeentelijke rol. Dit lokale beleid vormt de basis voor participatie bij het warmteprogramma.

73

Deel I Wat is een warmteprogramma?

Deel II Opbouw warmteprogramma

Deel III Opstellen warmteprogramma

Om de lokale participatie te versterken, treedt op 1 januari 2025 de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking. Deze wet versterkt de betrokkenheid van inwoners bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid van hun gemeente. Vanaf de inwerkingtreding geldt een overgangstermijn van 2 jaar, waarin decentrale overheden de gelegenheid hebben een participatieverordening op te stellen.

•

• Participatie en de aanwijsbevoegdheid De inzet van de aanwijsbevoegdheid is een ingrijpende maatregel die zorgvuldig moet worden afgewogen en uitgevoerd. Daarom is participatie met bewoners en eigenaren van gebouwen van groot belang. Het wetsvoorstel Wgiw stelt hiervoor geen aanvullende eisen ten opzichte van de Omgevingswet, maar benadrukt wel het belang van betrokkenheid van de lokale gemeenschap bij het opstellen en uitvoeren van deze plannen. Lees meer over de inzet van de aanwijsbevoegdheid in Deel 1 van deze handreiking en de Handreiking opbouw uitvoeringsplan.

Klimaatakkoord Het Nationaal Klimaatakkoord bevat specifieke afspraken voor gemeenten over participatie in het kader van de bredere energietransitie. Deze afspraken zijn niet bindend, maar wel relevant voor hoe je als gemeente burgers en lokale stakeholders betrekt bij het plannen en uitvoeren van de warmtetransitie. Vroegtijdig gebruik van diverse perspectieven, kennis en creativiteit leidt tot betere besluitvorming en acceptatie. Zie voor meer informatie de Handreiking participatie in duurzame-energieprojecten en de themapagina participatie op de website van het Klimaatakkoord. Waarom participatie belangrijk is Participatie binnen de warmtetransitie is niet alleen verplicht, maar ook om andere redenen nuttig voor de warmtetransitie:

•

Deel IV Fictief voorbeeld

Deel V

Factsheets

Vergroten van maatschappelijk en professioneel draagvlak. Door burgers, ondernemers, professionele stakeholders en andere belanghebbenden op tijd te betrekken, kunnen specifieke vragen, aandachtspunten en andere zaken vroegtijdig gesignaleerd en geadresseerd worden. Dit bevordert begrip voor elkaars opgave(n), planningen en situatie en leidt tot grotere transparantie en effectievere besluitvorming. Zo vergroot je het draagvlak voor de besluitvorming en vermindert de kans op weerstand. Verbeteren van ideeën en plannen. Door bij participatie gebruik te maken van de collectieve wijsheid binnen je gemeente verbeter je de kwaliteit van de plannen. Bovendien stelt de directe verbinding van betrokkenen met de lokale context hen in staat problemen, oplossingen en waarden te identificeren die anders onzichtbaar zouden blijven. Door belangen samen te brengen, ontstaan meer en betere inzichten. Procedurele en democratische verantwoordelijkheid. Als gemeente wil je bijdragen aan het welzijn en de leefbaarheid van de lokale gemeenschap, onder andere door het realiseren van een eerlijke samenleving en een duurzame leefomgeving. Het bevorderen van actieve burgerparticipatie en het betrekken van bewoners bij besluitvormingsprocessen vormen hiervoor de basis. Dit bevordert inclusiviteit en gelijkheid en versterkt de democratie.

Doelgroepen De mate waarin deze redenen een rol spelen, kan verschillen tussen doelgroepen. Maak onderscheid tussen twee typen doelgroepen: • (Semi-) professionele partners. Andere organisaties voeren vaak de warmtetransitieplannen uit. Dit zijn partijen die (semi-)professioneel werken aan de warmtetransitie en wiens draagvlak noodzakelijk is voor de plannen. Zij hebben de capaciteit en kennis om uitgebreid en vroegtijdig bij te dragen aan de idee- en planvorming. De gemeente zorgt als regisseur voor samenwerking en afspraken tussen deze partijen. • Burgers, ondernemers en andere belanghebbenden. Deze groepen werken niet professioneel aan de warmtetransitie, maar worden wel beïnvloed door de plannen uit het warmteprogramma. Zij denken meer vanuit eigen ervaringen en hun kennisniveau varieert sterk. Hun draagvlak als buurtbewoners en eigenaars en gebruikers van gebouwen is noodzakelijk voor de realisatie van de

74

Deel I Wat is een warmteprogramma?

Deel II Opbouw warmteprogramma

Deel III Opstellen warmteprogramma

plannen. Ook kunnen zij bijdragen aan de idee- en planvorming, hoewel zij hier vaak minder intensief betrokken bij zijn. De gemeente heeft de democratische verantwoordelijkheid om hun belangen zorgvuldig mee te wegen. Bij welke groep een partij hoort, is geen gegeven. Zo kan een bewonersinitiatief dat plannen maakt goed een partner zijn. Dit hangt mede af van de rol- en taakopvatting van de gemeente. De gemeente kan vanuit gedeeld eigenaarschap met bewoners en ondernemers werken aan de warmtetransitie of een faciliterende rol op zich nemen, waarbij het eigenaarschap voor de warmtetransitie in de eerste plaats bij bewoners en ondernemers ligt. Aandachtspunten bij het warmteprogramma Naast de doelen bepaalt ook de specifieke vraag de participatieaanpak. We geven hier een aantal aandachtspunten mee voor het inrichten van de participatie voor een warmteprogramma: Betrokkenheid gedurende de gebiedsgerichte aanpak Het warmteprogramma is een van de stappen in de gebiedsgerichte aanpak. Houd er rekening mee dat veel keuzes gemaakt worden in de stappen die volgen op het warmteprogramma. En dat de participatie daarop aangepast moet worden. Zo beschrijft het warmteprogramma de strategie voor de hele gemeente. De definitieve keuzes voor de warmtetechniek of de inzet van de aanwijsbevoegdheid in een gebied maak je nog niet.

Je kiest wel welke gebieden een gebiedsaanpak krijgen en hoe deze eruitziet. Een van de onderdelen van deze aanpak kan het participatieproces zijn. Door uitgangspunten en methoden voor participatie in het warmteprogramma op te nemen, leg je de basis voor participatie in de gebiedsaanpakken. Bewoners, ondernemers en andere belanghebbenden voelen zich vaak sterker betrokken bij de veel concretere gebiedsaanpakken dan bij het abstractere warmteprogramma. Zie voor meer informatie over de gebiedsgerichte aanpak Deel 1 van de handreiking. Aansluiting en continuïteit Houd rekening met wat er aan het warmteprogramma vooraf is gegaan, zowel wat betreft inhoudelijke keuzes als proces en ervaringen. Zoek aansluiting en neem

Deel IV Fictief voorbeeld

Deel V

Factsheets

geleerde lessen mee voor een geschikte participatieaanpak. Houd er daarnaast rekening mee dat je het warmteprogramma om de 5 jaar herijkt. Door keuzes expliciet te maken en goede verslaglegging te doen van de uitkomsten, maak je het makkelijker om terug te kijken en er lessen uit te trekken. Inclusieve participatie Bij participatie is het vaak lastig een representatieve afspiegeling van bewoners en ondernemers te maken. Dat geldt ook voor participatie voor het warmteprogramma. Het gaat immers om een complex en abstract beleidsprogramma. Het risico ligt daarmee op de loer dat veel bewoners niet de behoefte voelen om mee te praten of het gevoel hebben dat ze hiertoe niet in staat zijn. Dat kan ertoe leiden dat vooral groepen met een groot belang of een sterke mening meedoen aan het participatieproces. Juist een inclusiever participatieproces kan polarisatie en sociale ongelijkheid tegengaan en zorgen voor een breed draagvlak. Hoe je de inclusiviteit kan vergroten, hangt af van welke groepen beperkt betrokken zijn. Groepen kunnen verschillen in: • hun behoeften in het gebruik van communicatiekanalen • taal en taalgebruik • participatiemogelijkheden en -tijdstippen. Wees je er van bewust dat het organiseren van inclusieve participatie een complexe klus is en dat er geen kant- en klare oplossingen zijn.

Wat in elk geval kan helpen om meer mensen te bereiken, is het inzetten van een mix aan communicatieen participatiemiddelen. Bijvoorbeeld een combinatie van fysieke en digitale participatievormen. En van vormen waarbij deelnemers zichzelf selecteren, zoals openbare bijeenkomsten. Denk ook aan vormen gericht op een representatieve afspiegeling, zoals a-selecte raadplegingen. Ontwikkeling gedifferentieerde participatie- en communicatiestrategie Het is nuttig om een gedifferentieerde participatie- en communicatiestrategie en bijbehorende middelen te ontwikkelen en die periodiek – bijvoorbeeld jaarlijks – te evalueren. Op basis hiervan ontwikkel je voor de middellange en de kortere termijn specifieke participatie- en communicatieplannen. Ook deze evalueer je tussentijds en stel je waar nodig bij. In je evaluatie motiveer je wat het doel van je plan was, hoe je bewoners hebt betrokken en wat de resultaten zijn. Door dit expliciet te maken,

75

Deel I Wat is een warmteprogramma?

Deel II Opbouw warmteprogramma

Deel III Opstellen warmteprogramma

Deel IV Fictief voorbeeld

Deel V

Factsheets

leer je tijdens het proces en kun je terugvallen op gemaakte afspraken of hiervan beredeneerd af te wijken. Dit draagt bij aan de voorspelbaarheid en transparantie en is daarmee positief voor het vertrouwen en draagvlak. Ook voor de langere termijn, bij het opstellen van uitvoeringsplannen en in de uitvoering. Hulpmiddelen Er is veel informatie te vinden over participatie in de warmtetransitie. In deze paragraaf verwijzen we je graag door naar tools, handreikingen en andere (verdiepende) informatie: • Wegwijzer Burgerbetrokkenheid voor het warmteprogramma: een wegwijzer om tot concrete instrumenten voor burgerbetrokkenheid te komen, passend bij de context in jouw gemeente. Deze komt in de zomer van 2024 beschikbaar op de website van het NPLW. • Stappenplan participatieroute: een handreiking van het NPLW over hoe het participatieproces voor het opstellen van uitvoeringsplannen eruit kan zien. • Energieparticipatie: een leeromgeving van het NP RES over participatie bij het opwekken van duurzame energie. • De themapagina Participatie en samenwerken van het NPLW: informatie en hulpmiddelen voor onder meer het vormgeven van participatieprocessen, het betrekken van bewoners en samenwerken met bewonersinitiatieven. • De Handreiking Samen op weg naar een Duurzame toekomst van RVO: informatie en hulpmiddelen voor de samenwerking tussen gemeenten en energiecoöperaties.

• H  andreiking Aan de slag met participatie van de VNG: informatie over hoe gemeenten in algemene zin aan de slag kunnen met participatie. • Het Kennisknooppunt Participatie: een overheidsinitiatief dat kennis over participatie ontwikkelt en toegankelijk maakt in publicaties. • De Denkwijze(r) voor goede participatie van het IPLO: een hulpmiddel met uitgangspunten, succesfactoren en randvoorwaarden die bijdragen aan goede participatie bij omgevingstrajecten. • Praktische hulpmiddelen voor participatie van het IPLO: een pagina met meer hulpmiddelen voor participatie bij omgevingstrajecten. • Zie voor meer informatie over inclusieve participatie de Snelstudie Participatie en inclusiviteit van het Kennisknooppunt Participatie.

76

Deel I Wat is een warmteprogramma?

Deel II Opbouw warmteprogramma

Deel III Opstellen warmteprogramma

Factsheet: Het juridisch planproces Deze factsheet beschrijft het proces om de aanwijsbevoegdheid in te zetten en daarmee de levering van aardgas in een bepaald gebied te beëindigen. We bespreken dit planproces ook in hoofdstuk 1 van deel 1 van deze handreiking. Deze factsheet biedt een juridische verdieping op: • De inhoud van het planproces (stappen en waarborgen). • Warmtenetten en het planproces. • De milieueffectrapportage in het planproces.

Let op: conceptwetgeving Belangrijke delen van de wetgeving die we in deze factsheet beschrijven zijn nog in de maak. Onderdelen kunnen dus nog veranderen. We benoemen dit als we het over de betreffende wetgeving hebben. Wanneer we spreken over wet- en regelgeving die nog in ontwerp is, gaat het om de versie die publiek beschikbaar was in april 2024.

Inhoud van het planproces Het planproces is het proces dat in de toelichting op het wetsvoorstel Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) en onderliggende conceptBesluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw) staat beschreven om de aanwijsbevoegdheid in te zetten. Het planproces start met een warmteprogramma, dan volgt mogelijk een uitvoeringsplan en eindigt vervolgens met de wijziging van het omgevingsplan. Hieronder lichten we de volgende onderdelen toe: 1. Warmteprogramma. Hierin staat onder andere in welke gebieden de gemeente de aanwijsbevoegdheid beoogt in te zetten. Het vaststellen van het warmte­ programma is een besluit van het college van burgemeester en wethouders. 2. Uitvoeringsplan. Het warmteprogramma kan vervolgens worden geconcretiseerd in uitvoeringsplannen, die betrekking hebben op gebieden waar de gemeente de aanwijsbevoegdheid wil inzetten. Het opstellen van een uitvoeringsplan is niet verplicht, maar kan in de praktijk een belangrijke onderbouwing zijn voor de wijziging van het omgevingsplan. Zie voor meer informatie de Handreiking Uitvoeringsplan.

3.

Deel IV Fictief voorbeeld

Deel V

Factsheets

Omgevingsplan. Vanaf het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente één omgevingsplan voor het hele grondgebied. Dit omgevingsplan bevat algemene regels van de gemeente voor de fysieke leefomgeving. Het kan ook regels bevatten voor het verduurzamen van wijken. Maak je als gemeente gebruik van de aanwijsbevoegdheid? Dan bepaal je door het opnemen van (maatwerk)regels in het omgevingsplan wanneer en hoe de wijk van het aardgas afgaat en welk duurzaam alternatief voor aardgas wordt gekozen. Deze planregels zijn bindend voor bewoners, gebouweigenaren (van woningen en utiliteitsbouw) en bedrijven binnen het aangewezen gebied. Het besluit tot wijziging van het omgevingsplan is een bevoegdheid van de gemeenteraad.

De omgevingsvisie in het planproces De omgevingsvisie is geen formeel onderdeel van het planproces, maar je kunt het als stap 0 zien. In de omgevingsvisie legt de gemeente haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vast. In programma’s – zoals het warmteprogramma – kan de gemeente deze ambities en doelen concretiseren en bijpassende maatregelen opnemen. Door in de omgevingsvisie de warmtetransitie een heldere plek te geven, kan de samenhang tussen het warmteprogramma en andere programma’s versterkt worden.

Omgaan met wijzigingen Tijdens het planproces concretiseert de gemeente de plannen. Het kan zijn dat je tijdens het planproces tot nieuwe inzichten komt. Wat doe je dan? Je hebt 2 opties: • Je kunt bij de wijziging van het omgevingsplan op punten van een warmte­ programma afwijken, bijvoorbeeld op basis van de onderbouwing uit een uitvoeringsplan: – Het is altijd mogelijk om de aanwijsbevoegdheid niet in te zetten voor (delen van) gebieden die in het warmteprogramma zijn geselecteerd. – Het is beperkt mogelijk om bebouwing buiten de grenzen aan het in het warmteprogramma geselecteerde gebied toe te voegen. – Het is mogelijk om een andere warmtetechniek aan te wijzen dan in het warmteprogramma is opgenomen.

77

Deel I Wat is een warmteprogramma?

•

Deel II Opbouw warmteprogramma

Deel III Opstellen warmteprogramma

Het is ook mogelijk om het warmteprogramma tussentijds te wijzigen. Deze wijziging moet voldoen aan alle normale inhoudelijke en procedurele vereisten aan een warmteprogramma. Zie deel 1 van de Handreiking warmteprogramma.

Goed om te weten: gebruikmaken van de coördinatieregeling Als je als gemeente een uitvoeringsplan opstelt, is dit vaak een belangrijke onderbouwing voor de wijziging van het omgevingsplan. Vanwege deze nauwe samenhang kun je de coördinatieregeling van afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toepassen voor de vaststelling van het uitvoeringsplan (door het college van burgemeester en wethouders) en de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan (door de gemeenteraad). Hoewel het om verschillende bestuursorganen gaat, vinden de procedurestappen voor beide besluiten dan gelijktijdig plaats. Dit maakt de besluitvormingsprocedure transparanter en overzichtelijker voor belanghebbenden. De toepassing van de coördinatieregeling gaat niet zover dat het besluit tot vaststelling van het uitvoeringsplan – waartegen geen rechtsbescherming (bezwaar en beroep) mogelijk is – alsnog open staat voor rechtsbescherming.

Waarborgen Wordt de aanwijsbevoegdheid ingezet? Dan heeft dat grote gevolgen voor bewoners, bedrijven en organisaties in het gebied waar de aanwijzing betrekking op heeft. Daarom stelt het concept-Bgiw een aantal juridische en niet-juridische waarborgen in. Deze dragen bij aan zorgvuldige en democratische besluitvorming. Enkele van deze waarborgen gelden voor het warmteprogramma, maar de meeste zijn van toepassing op de wijziging van het omgevingsplan en de onderbouwing die de gemeente daarvoor bijvoorbeeld in een uitvoeringsplan heeft neergelegd. De waarborgen zijn ook uitgebreid beschreven in de juridische bijlage van de handreiking Uitvoeringsplan. In het warmteprogramma is beoogd dat de gemeente: • gebieden selecteert waar ze voornemens is de aanwijsbevoegdheid in te zetten en de aanpak voor deze gebieden op hoofdlijnen beschrijft (zie hoofdstuk 1 van deel 1 voor de juridische vereisten).

Deel IV Fictief voorbeeld

Deel V

Factsheets

Bij het wijzigen van het omgevingsplan is beoogd dat de gemeente: • De gekozen warmteoplossing onderbouwt en beschrijft aan welke eisen gebouwen moeten voldoen. • De redelijke termijn onderbouwt waarop de levering van aardgas beëindigd wordt. • De haalbaarheid van de energie-infrastructuur en van de gekozen aanpak onderbouwtn, inclusief de werkbaarheid voor bewoners, ondernemers en gebouweigenaren gezien hun doenvermogen. • De kosteneffectiviteit van de maatregelen en de betaalbaarheid voor bewoners, ondernemers en andere gebouweigenaren onderbouwt. • Rekening houdt met de gevolgen voor de energie-infrastructuur, zoals benodigde verzwaring van het elektriciteitsnet. • Beschrijft hoe ze invulling geeft aan de vergewisplicht: de plicht om zich ervan te verzekeren dat het alternatief voor aardgas daadwerkelijk beschikbaar is binnen de gestelde termijn en gebouwen hierop of op een gelijkwaardig alternatief zijn aangesloten.

Let op: wijzigingen aan de waarborgen Bij de bespreking van de Wgiw in de Tweede Kamer in april 2024 is een aantal moties en amendementen aangenomen die betrekking hebben op deze waarborgen. Zo geldt op basis van het amendement Erkens (nr. 9) een termijn van acht jaar waar gemeenten alleen onder strike voorwaarden van mogen afwijken. De concrete invulling die deze moties en amendementen in het Bgiw krijgen, is ten tijde van het schrijven nog niet bekend. Ze kunnen bijvoorbeeld leiden tot aanscherpingen van de waarborgen rond de redelijke termijn en de betaalbaarheid.

Rekening houden met waarborgen in het warmteprogramma Veel van de waarborgen gelden dus pas in de latere stappen van het planproces. Toch adviseren we hier in het warmteprogramma al rekening mee te houden: • Je kunt in het warmteprogramma al voorsorteren op de onderbouwing die nodig is voor de vervolgstappen. Bijvoorbeeld door in het warmteprogramma al een

78

Deel I Wat is een warmteprogramma?

•

Deel II Opbouw warmteprogramma

Deel III Opstellen warmteprogramma

(lichtere) analyse van de nationale kosten, de betaalbaarheid voor eindgebruikers en het gevraagde doenvermogen te doen. Wees in het warmteprogramma duidelijk over de waarborgen die in de vervolgstappen nog nader ingevuld moeten worden.

Procedurele waarborgen Naast deze waarborgen in het planproces gelden ook de procedurele waarborgen met betrekking tot besluitvorming onder de Omgevingswet. • Zowel voor het warmteprogramma, het uitvoeringsplan voor een wijk als voor de wijziging van het omgevingsplan geldt een motiveringsplicht voor de wijze waarop het participatieproces heeft plaatsgevonden. (Zie artikelen 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit) • Voor het warmteprogramma en het omgevingsplan wordt gebruikgemaakt van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. (Zie artikelen 16.27 en 16.30 van de Omgevingswet en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). • Het college van burgemeester en wethouders stelt het warmteprogramma vast. Wijzigingen van het omgevingsplan worden daarentegen vastgesteld door de gemeenteraad, wat de democratische legitimatie waarborgt. • Tegen de wijziging van het omgevingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Omdat het warmteprogramma alleen zelfbindend is voor de gemeente, staat daarvoor geen beroep open. Warmtenetten en het planproces Tijdens het planproces maakt de gemeente samen met bewoners, gebouweigenaren en andere betrokkenen een afweging voor de beste verduurzamingsoplossing.

Als een collectief warmtenet de voor de hand liggende keuze is, gelden in de toekomst naar verwachting aanvullende regels op grond van de concept-Wet collectieve warmte (Wcw) en het onderliggende concept-Besluit collectieve warmte (Bcw). In deze paragrafen stippen we op hoofdlijnen de regels aan die relevant zijn voor het warmteprogramma.

Deel IV Fictief voorbeeld

Deel V

Factsheets

Goed om te weten: overgangsrecht We beschrijven hier de verwachte toekomstige wetgeving omdat warmt­ eprogramma’s betrekking hebben op de periode tot 2035. Let erop dat op dit moment nog de Warmtewet van kracht is en er in de concept-Wcw overgang­ srecht opgenomen is voor bestaande warmtenetten en warmtenetplannen.

Besluitvormingsproces warmtenetten Het proces dat de concept-Wcw beschrijft voor de besluitvorming over nieuwe collectieve warmtevoorzieningen bestaat uit een aantal stappen: 1. Vaststelling warmtekavel. Het college van burgemeester en wethouders stelt een gebied vast waarvoor een warmtebedrijf kan worden aangewezen: de warmtekavel. De warmtekavel is een aaneengesloten en afgebakend gebied waarbinnen een duurzame, betaalbare en betrouwbare collectieve warmtevoorziening mogelijk is. Een kavel kan verschillende schaalniveaus hebben: van (een deel van) een buurt tot meerdere gemeenten. 2. Aanwijzing warmtebedrijf. Het college van burgemeester en wethouders wijst een warmtebedrijf aan. Dit moet in beginsel een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschap zijn. Het warmtebedrijf krijgt het alleenrecht om binnen de warmtekavel warmte te leveren. Voorafgaand aan de aanwijzing stelt het warmtebedrijf een globaal kavelplan op dat in hoofdlijnen de te realiseren warmtevoorziening beschrijft. 3. Uitgewerkt kavelplan. Op verzoek van de gemeente stelt het warmtebedrijf een uitgewerkt kavelplan op voor de hele kavel of een deel daarvan. 4. Inventarisatie opt-out.

Als de gemeente de aanwijsbevoegdheid inzet, is het warmtebedrijf verplicht om aan iedereen aan wie aardgas geleverd wordt in het betreffende gebied een aanbod te doen om aan te sluiten op het warmtenet. Bewoners die een aardgasvrije, alternatieve warmtevoorziening willen kiezen (opt-out), moeten dit aangeven. 5. Investeringsplan, aanleg en exploitatie. Het warmtebedrijf stelt een investerings­ plan op voor de aanleg van het warmtenet en draagt zorg voor de aanleg en exploitatie hiervan.

79

Deel I Wat is een warmteprogramma?

Deel II Opbouw warmteprogramma

Deel III Opstellen warmteprogramma

Deze processtappen gelden voor grootschalige warmtenetten met meer dan 1500 aansluitingen. Voor kleinschalige warmtenetten hoef je als gemeente op grond van de Wet collectieve warmte geen warmtekavel vast te stellen. In plaats hiervan verleen je een ontheffing aan het warmtebedrijf. Deze kan binnen of buiten een bestaande warmtekavel verleend worden.

Deel IV Fictief voorbeeld

Deel V

Factsheets

Samenhang met planproces De processtappen uit de concept-Wcw hebben een logische samenhang met het planproces uit het wetsvoorstel Wgiw. Figuur 10 toont waar in het planproces de stappen uit de Wcw gezet kunnen worden. We maken daarbij onderscheid tussen wat op basis van de verwachte wetgeving mag en wat praktisch gezien aan te raden is.

Figuur 10. De mogelijke samenhang tussen het planproces en de besluitvorming rond warmtenetten.

80

Deel I Wat is een warmteprogramma?

Deel II Opbouw warmteprogramma

Deel III Opstellen warmteprogramma

Ruimte voor eigen invulling De wetgeving geeft veel ruimte voor eigen invulling. Gemeenten zijn verplicht om een warmteprogramma vast te stellen, maar dit is geen vereiste voor het vaststellen van een warmtekavel. Ook is het geen vereiste dat er een uitgewerkt kavelplan ligt voordat de aanwijsbevoegdheid wordt ingezet. Maar zonder de informatie uit het uitgewerkt kavelplan lijkt het onwaarschijnlijk dat je als gemeente de benodigde onderbouwing voor de inzet van de aanwijsbevoegdheid voor een warmtenet kunt geven. De praktische invulling van de wetgeving gaat uit van een aantal aannames die in veel situaties zullen gelden: • Het uitgewerkte kavelplan bevat essentiële informatie voor het uitvoeringsplan, zoals een voorstel voor de planning van de aanleg en een indicatie van de tarieven. Het uitvoeringsplan bevat essentiële informatie voor het kavelplan, zoals de ondersteuningsaanpak. Het is daarom logisch om deze twee parallel en op hetzelfde schaalniveau te ontwikkelen. • Bij het opstellen van een uitvoeringsplan is het nuttig om een projectplan te ontwikkelen. In het projectplan leg je het proces vast om tot een uitvoeringsplan te komen, zoals de benodigde activiteiten,op het gebied vanonderzoek warmteoplossing, toekomstige besluitvorming en participatiestappen (zie ook het Proces totstandkoming uitvoeringsplan).

Bij deze aanpak speelt het warmtebedrijf in deze aanpak een belangrijke rol speelt, is het raadzaam dat de aanwijzing van het warmtebedrijf al heeft plaatsgevonden. • Er zijn (ten minste) twee routes om een groot warmtekavel uit te werken. Zo kun je de kavel in één keer vaststellen en na de aanwijzing van een warmtebedrijf per deelgebied een uitgewerkt kavelplan uitwerken. Of je kunt een kleine kavel vaststellen en dit telkens met een deelgebied uitbreiden. In het eerste geval stel je de kavel vast voor het gebiedsgerichte proces begint, in het tweede breid je het tijdens dit proces uit. • Het ligt voor de hand om de warmtekavel vast te stellen op basis van een gemeentebreed warmteprogramma, waarin keuzes staan over de schaal en de juiste inzet van warmtebronnen. Gevolgen voor het warmteprogramma Het is dus geen verplichting, maar wel logisch om in het warmteprogramma voor te sorteren op het vaststellen van een warmtekavel. Houd hierbij rekening met het volgende:

•

•

•

Deel IV Fictief voorbeeld

Deel V

Factsheets

Wanneer in het proces wil je een kavel vaststellen en een warmtebedrijf aanwijzen? Is dat voor de start van het gebiedsgerichte proces of in de loop daarvan? Bij een groot gebied met potentie voor een collectieve warmtevoorziening: wil je in één keer een groot warmtekavel vaststellen? Of wil je beginnen met het vaststellen van een klein kavel en dit stapsgewijs uitbreiden? Welk warmtebedrijf wil je aanwijzen? Voer gesprekken over de voorgenomen warmtekavel met mogelijke (publieke) warmtebedrijven en/of warmtegemeenschappen. Een geïnteresseerd warmtebedrijf kan bijdragen aan het warmteprogramma en ook al voor de vaststelling van de kavel een voorstel voor een globaal kavelplan ontwikkelen.

Een milieueffectrapportage (mer) brengt de milieueffecten van een plan of project in beeld. Deze mogelijke gevolgen worden beschreven in een zogenaamde merbeoordeling en/of een milieueffectrapport. Dit zorgt ervoor dat het milieubelang een volwaardige plaats krijgt in de besluitvorming van overheden over plannen en projecten met mogelijke effecten op het milieu en de omgeving. Het uitvoeren van een mer biedt ondersteuning bij gesprekken tussen overheden, bedrijfsleven, belangenorganisaties en omwonenden. De mer-regelgeving is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. In deze regelgeving wordt een onderscheid gemaakt tussen een plan-mer en een project-mer. Een plan-mer is een milieueffectrapport bij een vast te stellen plan of programma. In EU-richtlijn 2001/42/EG staan de richtlijnen met betrekking tot de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s. Een project-mer is een milieueffectrapport dat een initiatiefnemer opstelt voor een specifiek project, zodat het bevoegd gezag een besluit kan nemen over bijvoorbeeld een omgevingsvergunning. Bij elk warmteprogramma zal moeten worden nagegaan of een plan-mer vereist is. Een project-mer is hier niet aan de orde. Het warmteprogramma vormt als als eerste stap in het juridisch planproces in feite een kader voor warmteprojecten in de uitvoeringsfase.

Afhankelijk van de aard en omvang van warmteprojecten waarvoor het warmteprogramma een kader biedt, geldt op grond van de Omgevingswet een

81

Deel I Wat is een warmteprogramma?

Deel II Opbouw warmteprogramma

Deel III Opstellen warmteprogramma

plan-mer-plicht of een plan-mer-beoordelingsplicht. Als bij de vaststelling van een warmteprogramma volstaan kan worden met een plan-mer-beoordeling, dan wordt getoetst of het warmteprogramma aanzienlijke milieueffecten tot gevolg kan hebben. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een plan-mer-plicht. Zie op dit punt ook de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wgiw, paragraaf 4.8, pagina 56. Hieronder lichten we het juridisch kader voor een plan-mer met betrekking tot het warmteprogramma nader toe. Verplichting plan-milieueffectrapportage Voor een plan of een programma geldt (in beginsel) een plan-mer-plicht als aan de twee volgende eisen wordt voldaan: 1. het plan of programma is wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven (Zie artikel 16.34 Omgevingswet), én 2. het plan of programma is kaderstellend voor mer-(beoordelings)plichtige projecten (Zie artikel 16.36 Omgevingswet) of voor het plan of programma moet er een passende beoordeling van de gevolgen voor een Natura 2000-gebied worden gemaakt. De mer-(beoordelingsplichtige) projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Ook is er een vangnet opgenomen voor projecten met aanzienlijke milieueffecten die niet in bijlage V van het Omgevingsbesluit staan.

In de Omgevingswet is geregeld dat het bevoegd gezag een plan-mer-beoordeling maakt voor een plan of programma dat het kader vormt voor deze projecten (zie Artikel 16.36 lid 4 en lid 5 Omgevingswet). Het bevoegd gezag beoordeelt of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Veel warmteprogramma’s zullen aan de hiervoor genoemde eisen voldoen en daarmee plan-mer-(beoordelings)plichtig zijn. De Wgiw zal het warmteprogramma wettelijk verankeren als verplicht programma onder de Omgevingswet (vereiste 1). Daarbij kan een warmteprogramma dat (voorlopige) warmtetechnieken beschrijft voor geselecteerde gebieden als kaderstellend worden beschouwd (vereiste 2). Van ‘kaderstellend’ is in de vaste jurisprudentie sprake als richting wordt gegeven aan of als er een keuze wordt gemaakt voor projecten. Deze richting of keuze moet voldoende gedetailleerd zijn en de toon zetten voor een later besluit van het bevoegd gezag,

Deel IV Fictief voorbeeld

Deel V

Factsheets

bijvoorbeeld door middel van criteria voor de locatie, de omvang of de wijze van uitvoering. Mocht een warmteprogramma niet kaderstellend zijn voor mer-(beoordelings)plichtige projecten, dan kan een plan-mer-plicht alsnog aan de orde zijn, als er een ‘passende beoordeling’ moet worden gemaakt. Een passende beoordeling is een beoordeling die op grond van de Habitatrichtlijn voor de gevolgen van plannen op Natura-2000-gebieden moet worden gemaakt. Dat zal bij een warmteprogramma een rol kunnen spelen als het bijvoorbeeld gaat om de tracékeuze voor een collectief warmtenet in of nabij een Natura 2000 gebied.

Goed om te weten: toch een plan-mer-plicht bij niet-kaderstellende programma’s Is een warmteprogramma niet kaderstellend voor mer-(beoordelings)plichtige projecten? Dan kan een plan-mer-plicht alsnog aan de orde zijn als een ‘passende beoordeling’ moet worden gemaakt. Een passende beoordeling is een beoordeling va n de gevolgen van plannen op Natura-2000-gebieden volgens de Habitatrichtlijn. Dat kan bij een warmteprogramma een rol spelen, bijvoorbeeld als de tracékeuze voor een collectief warmtenet in of nabij een Natura 2000 gebied is.

Plan-mer-beoordeling In bepaalde gevallen moet een gemeente met betrekking tot een warmteprogramma in eerste instantie een plan-mer-beoordeling uitvoeren in plaats van een plan-mer. Dit is in de volgende twee situaties aan de orde: 1.  Als de projecten waar het warmteprogramma kaderstellend voor is, staan opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit en deze projecten daarnaast niet boven de drempel van kolom 2 van bijlage V uitkomen (zie tabel 11). 2.  Als de projecten waar het warmteprogramma kaderstellend voor is milieueffecten kunnen hebben maar niet staan opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om het zogeheten vangnet.

82

Deel I Wat is een warmteprogramma?

Deel II Opbouw warmteprogramma

Deel III Opstellen warmteprogramma

Als uit de plan-mer-beoordeling blijkt dat aanzienlijke milieueffecten niet zijn uitgesloten, dan moet er een plan-MER worden opgesteld. Zijn aanzienlijke milieueffecten wel uitgesloten, dan is een plan-MER niet vereist. In de toelichting van het warmteprogramma moet dit worden toegelicht. Project

Mer-plicht

Mer-beoordelingsplicht

Aanleg van een buisleiding voor het transport van warm water of stoom (= categorie J9)

Aanleg, wijziging of uit­ breiding van een buis­leiding met een diameter van meer dan 0,8 meter en een lengte van meer dan 40 km

Aanleg, wijziging of uitbreiding

Geothermische boring (= categorie B4)

N.v.t.

Aanleg, wijziging of uitbreiding

Kunstmatige onttrekking of aanvullen van grondwater (= categorie K1)

Een hoeveelheid water van 10.000.000 m³ meer per jaar

Oprichting, wijziging of onttrekking

Deel IV Fictief voorbeeld

Deel V

Factsheets

Gedurende het planproces worden de plannen steeds concreter en kunnen de mer’en daarmee gedetailleerder zijn. Zo is het goed mogelijk dat bij het warmteprogramma de nadruk ligt op de strategische keuzes, zoals de (voorlopige) keuze voor een warmtenet en aantal specifieke warmtebronnen. In het uitvoeringsplan zal dan waarschijnlijk meer te zeggen zijn over de aflevertemperatuur en het tracé van het warmtenet en over de aanleg. Door de mer telkens toe te spitsen op de keuzes die voorliggen, ontstaat ook hierin een logische volgordelijkheid en kunnen ze op elkaar voortbouwen.

Goed om te weten: procedurestappen plan-mer Het uitvoeren van een plan-mer bestaat uit verschillende procedurestappen. Zie voor meer informatie hierover de website van de Commissie mer. In dit verband is het verplichte advies van de Commissie mer relevant.

Tabel 11. De mer-(beoordelings)plichtigheid van warmtegerelateerde activiteiten (uit: bijlage V Omgevingsbesluit).

Milieueffectrapportage in het juridisch planproces Het warmteprogramma is, zoals hiervoor aangegeven, de eerste schakel in het juridisch planproces. Ook bij de vervolgstappen – het vaststellen van een uitvoeringsplan en het wijzigen van het omgevingsplan – kan een plan-mer-plicht gelden als deze instrumenten aan de hiervoor beschreven voorwaarden voldoen. Dit geldt ook voor het eerdere vaststellen van de omgevingsvisie. Voor de uitvoering van de plannen kan een project-mer-(beoordelings)plicht gelden. We raden aan om bij het opstellen van een plan-mer(-beoordeling) voor het warmteprogramma rekening te houden met deze voorgaande en volgende stappen. De informatie uit een eerdere plan-mer kan relevant zijn voor eventuele plan- en project-mer’en voor vervolgstappen. Deze toekomstige mer’en kunnen zo doelmatiger uitgevoerd worden. Daarnaast draagt dit bij aan een consistente behandeling van milieueffecten in het planproces.

83

Deel I Wat is een warmteprogramma?

Deel II Opbouw warmteprogramma

Deel III Opstellen warmteprogramma

Factsheet: Data Bij het opstellen, vaststellen en uitvoeren van een warmteprogramma is data van groot belang. Binnen de context van het warmteprogramma omvat data de (digitale) informatie die relevant zijn voor de warmtetransitie. Deze i­nformatie bevat onder andere gegevens over gebouwen, energiesystemen en bewoners. Voor elk type data bestaan verschillende wettelijke kaders. Wil je weten welke kaders er vanuit een specifieke wet gelden, dan vind je meer informatie bij het Programma Verbetering Informatievoorziening Energie­transitie (Vivet). In de warmtetransitie wordt data gebruikt voor: 1. Analyse van bronnen, warmtetechnieken en de gebouwenvoorraad om te bepalen welke technieken op welke locaties het meest geschikte alternatief zijn voor aardgas. In de analyse wordt ook gekeken naar een geschikte fasering van de uitvoering. Daarnaast is data-analyse noodzakelijk voor het vaststellen van een warmtekavel en voor een plan-mer. 2. Rapportage van de gemaakte keuzes. Het (digitaal) vastleggen van de (ruimtelijke) keuzes die je als gemeente maakt wordt rapportage genoemd. In deze factsheet gaan we vooral in op de rapportageverplichting onder de Omgevingswet. 3. Monitoring van de uitvoering. Door periodiek indicatoren vast te stellen, kan de voortgang van de plannen in beeld worden gebracht.

Een goede monitoring draagt bij aan de evaluatie, bijsturingen eventueel herijking van de plannen. Indien de monitoring erop gericht is om vast te stellen of in een gebied de aardgaslevering kan stoppen, dan spreken we van ‘vergewissen’. Het warmteprogramma is zowel een onderdeel van gebiedsgerichte aanpak als een stap in het planproces. Deze factsheet richt zich op de inzet van data in het warmteprogramma. Het is verstandig om in het warmteprogramma al rekening te houden met de verdere uitwerking in uitvoeringsplannen per gebied en met een eventuele wijziging van het omgevingsplan. Tabel 12 geeft een beschrijving van de wijze waarop data worden ingezet in de verschillende beleidsinstrumenten. Voor het warmteprogramma volgt een toelichting onder de figuur. Zie voor meer informatie over het uitvoeringsplan als motivering voor een wijziging omgevingsplan, de Handreiking uitvoeringsplan.

Deel IV Fictief voorbeeld

Deel V

Factsheets

Warmteprogramma

Uitvoeringsplan

Wijziging ­omgevingsplan

Analyse

Hoofdvragen: (1) Wat is voor alle gebieden in de gemeente een doelmatige en voor eigenaren haal­ bare en betaalbare warmte­ voorziening? (2) Wat is een geschikte fasering voor het opstellen van uitvoerings­ plannen? Detailniveau: op basis van kentallen en gemiddelden per gebied komen tot een indeling in warmtetechnieken op hoofd­categorie en een globale fasering.

Hoofdvraag: wat is de onderbouwing om de aardgaslevering in een gebied te kunnen beëindigen? De onderbouwing zal in ieder geval toe moeten zien op de haalbaarheid inclusief de financiering en het doenvermogen, het draagvlak in het gebied, de betaalbaarheid voor de maatschappij en eindgebruikers en de gevolgen voor de aanleg en het beheer van de energie-infrastructuur Detailniveau: op basis van berekeningen op gebouwniveau voor representatieve gebouwen voor het gebied komen tot een of meer specifieke warmtetechnieken met een planning op hoofdlijnen op basis van tijdlijnen van partners en een redelijke termijn tot aan het einde van de gaslevering.

Rapportage

Verplichte publicatie in het Digitaal Stelsel omgevingswet (DSO) van kaart en indicatoren. Daarnaast is rapportage gewenst van alle gemeentelijke documenten waarmee warmte­ transitie concreet vorm krijgt voor opname in een landelijke voorziening voor warmteplannen.

Geen rapportage­ verplichting. Vormvrij en de gemeente kiest zelf hoe ze het uitvoeringsplan laat vaststellen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=8e6fcb1a-e749-425d-95bc-99f87382db35