26. Raadsmededeling 141-2024 Evaluatie inlooppunt Dinxperlo Centrum Oost en het vervolgtraject
Tekst van het document
Planregels vastleggen in het DSO
Monitoring
Verplichte terugblik op gebieden met voorgenomen inzet aanwijsbevoegdheid. Aanbeveling: monitorings proces inrichten voor vergewisplicht. Dit kan eventueel in een uitvoeringsplan of, bij meerdere gebieden, in een gecombineerd proces.
Geen monitorings verplichting. Vormvrij, maar monitoring is wel aanbevolen voor evaluatie en herijking.
Vergewisplicht: monitoring dat het alternatief voor aardgas daadwerkelijk beschikbaar is en dat gebouwen hierop – of op een gelijkwaardig alternatief – zijn aangesloten voordat de levering van aardgas gestopt wordt.
Tabel 12. De wijzen waarop data worden ingezet gedurende het juridisch planproces.
84
Deel I Wat is een warmteprogramma?
Deel II Opbouw warmteprogramma
Deel III Opstellen warmteprogramma
Analyse In de voorbereiding op het warmteprogramma voer je twee technische analyses uit. • In een WAT-spoor bepaal je welke strategieën kansrijk zijn of juist afvallen bij het aardgasvrij maken van gebieden. • In het WANNEER-spoor identificeer je gebieden waar actie nodig is en waar je van plan bent de aanwijsbevoegdheid in te zetten. De analyses hebben betrekking op de werkingsperiode van het warmteprogramma. Voor het eerste warmteprogramma is dat 2026-2035. WAT-spoor Het WAT-spoor resulteert in een kaart van de gemeente waarop het meest geschikte alternatief voor aardgas per gebied wordt weergegeven. Het startpunt voor dit WATspoor kan een analyse zijn op basis van technisch-economische overwegingen die worden verrijkt met lokale inzichten. Bij lokale inzichten kan het gaan om een verbetering van de data, meer gedetailleerde analyses van mogelijkheden of de rol van sociaaleconomische kenmerken. De volgende gegevens kunnen in deze analyse terugkomen: • Beschikbaarheid van warmtebronnen (capaciteit, locatie en temperatuur); • Investeringskosten voor de infrastructuur (gasnet, elektriciteitsnet en eventueel warmtenet); • Warmtevraag van gebouwen; • Isoleerbaarheid van gebouwen; • (Beschikbare) netcapaciteit.
Betrek hiervoor de netbeheerder vroeg in het proces • Bovengrondse en ondergrondse ruimte • Sociaaleconomische kenmerken Aan de hand van berekeningen met deze gegevens kun je een eerste indicatie geven welke warmtetechniek het meest geschikt is voor een gebied. Het is niet nodig om die analyse volledig opnieuw uit te voeren. In veel Transitievisies Warmte zijn reeds gegevens verzameld en analyses uitgevoerd, waarbij mogelijk verdiepende onderzoeken naar specifieke technologieën voor geselecteerde gebieden zijn uitgevoerd. De analyse voor het warmteprogramma bestaat dan uit het actualiseren van je databronnen en het herijken van de eerdere analyses.
Deel IV Fictief voorbeeld
Deel V
Factsheets
Startanalyse Een handig hulpmiddel hierbij is de ‘Startanalyse voor aardgasvrije buurten’ (hierna ‘de Startanalyse’ genoemd) van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL. Eind waarvan een geactualiseerde versie beschikbaar zal zijn vanaf eind 2024. Deze Startanalyse biedt per CBS-buurt inzicht in de maatschappelijke kosten van een aantal warmtetechnieken en 2024 verschijnt een geactualiseerde versie. Deze startanalyse biedt per CBS-buurt inzicht in de nationale kosten van een aantal warmtetechnieken en hun varianten, berekend met behulp van het Vesta-MAIS model. Ook bevat de startanalyse data die nodig is vanuit het concept-Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw). Keuze voor een warmtetechniek De startanalyse kan worden gebruikt als startpunt voor de techno-economische afweging, maar lokale verrijking wordt aanbevolen. Het doel van deze exercitie is om per buurt een beeld te krijgen welke warmtetechnieken nader overwogen kunnen worden. Dit gebeurt op basis van verschillen in nationale kosten. Wanneer de kosten van verschillende warmtetechnieken dicht bij elkaar liggen dan zijn de technieken (vanwege de onzekerheden in aannames) vergelijkbaar en kunnen ze meegenomen worden als opties voor de lokale verrijking.
Maar sommige technieken zullen afvallen doordat deze veel hogere kosten met zich meebrengen dan goedkopere alternatieven Bij de warmtetechnieken met kleinere verschillen kunnen ook andere afwegingen een rol spelen bij het maken van een keuze. Denk aan ruimtebeslag. Is ook dit te weinig onderscheidend? Dan kun je meerdere oplossingen voor het gebied weergeven in het warmteprogramma of ervoor kiezen (voorlopig) geen optie weer te geven. WANNEER-spoor In het WANNEER-spoor stel je vast welke gebieden wanneer aardgasvrij worden, met welke gebieden je start en binnen welke gebieden je de uitvoering van de warmteplannen de komende 10 jaar afrondt. In deze analyse maak je ook de keuze voor welke gebieden je het voornemen hebt om de aanwijsbevoegdheid in te zetten. De keuze maak je op basis van één of meer van de volgende criteria. De data voor deze criteria verzamel je met behulp van verschillende afdelingen binnen de gemeente, partners en via openbare bronnen.
85
Deel I Wat is een warmteprogramma?
•
•
•
•
• •
•
•
Deel II Opbouw warmteprogramma
Deel III Opstellen warmteprogramma
okaal initiatief. Start in gebieden met actieve burgerinitiatieven. Zie ook de L handreikingen over samenwerken met energiecoöperaties van het RVO en met bewonersinitiatieven van het NPLW. Technisch-economische afwegingen. Begin in gebieden waar de verwachte nationale kosten en eindgebruikerskosten laag zijn en er relatief veel zekerheid is dat de gekozen oplossing de goedkoopste is. Investeringsagenda’s woningcorporaties en andere vastgoedeigenaren. Het combineren van de warmtetransitie met grootschalige renovatie en sloop of nieuwbouw van vastgoed levert kostenvoordelen op. De kosten van het aardgasvrij maken van buurten worden zoveel mogelijk beperkt door aan te sluiten bij natuurlijke renovatiemomenten. Daarnaast beperkt koppeling van verduurzaming aan renovatie de overlast voor bewoners. Investeringsagenda’s voor de infrastructuur. Denk aan riolering, drinkwaterleidingen, elektriciteitsnet en gasnet. Het combineren van de aanleg van nieuwe infrastructuur met de uitbreiding of vervanging van bestaande infrastructuren kan kostenbesparing opleveren en beperkt de overlast in de openbare ruimte. Buurtontwikkeling. De warmtetransitie kan samengaan met geplande buurtverbeteringen. Sociale karakteristieken van de buurt. In samenhang met het sociale beleid kun je sociaaleconomische indicatoren zoals inkomen, opleidingsniveau, leeftijdscategorie meenemen in de afweging.
Contracteerbaarheid. Dit is vooral belangrijk bij een grootschalige collectieve warmteoplossing. Je verzamelt hiervoor informatie over de eigendomssituatie in het gebied, bijvoorbeeld over het aandeel woningen in eigendom van woningcorporaties, gespikkeld bezit en VvE’s. Capaciteit van de gemeentelijke organisatie en partnerorganisaties. Het aantal gebieden waarin je de komende tien jaar aan de slag kunt, hangt af van de mensen en middelen die de gemeente en partnerorganisaties kunnen inzetten.
Deel IV Fictief voorbeeld
Deel V
Factsheets
Bundel regionaal de krachten Bundel regionaal de krachten om gezamenlijk analyses uit te voeren. Zo kun je rekening houden met bovengemeentelijke ontwikkelingen. Denk aan het gebruik van warmtebronnen. Dit maakt capaciteit vrij binnen je gemeente en vermindert de druk op partners zoals netbeheerders. Gebruik openbare data en onafhankelijk gevalideerde modellen Data en analyses moeten langdurig bruikbaar zijn. Je gebruikt ze om zowel vooruit te kijken als terug te kijken (monitoring). Onderliggende data en analyses moeten herleidbaar en herhaalbaar zijn. Gebruik daarom bij voorkeur openbare data en gevalideerde open modellen. Wees terughoudend met gesloten modellen die alleen kunnen worden gebruikt door één adviesbureau. Ook is het belangrijk recente kengetallen te gebruiken. Wees transparant over de afwegingen die leiden tot een keuze Het is niet nodig om een multicriteria-analyse uit te voeren op alle factoren in het WAT- en WANNEER-spoor. Het is wel belangrijk dat je de keuzes voor de gebieden warmteprogramma op een herleidbare en transparante manier onderbouwt. Dit kan bijvoorbeeld door per gebied aan te geven welke criteria hebben geleid tot de meest geschikte warmtetechniek en op basis van welke criteria het gebied is opgenomen (of niet) in het warmteprogramma voor de komende tien jaar.
Richt je dataprocessen duurzaam in Richt het verwerken van gegevens op een duurzame manier in. Zorg dat je analyses navolgbaar en herbruikbaar zijn. Sluit daarbij aan op de standaarden en infrastructuur van de eigen organisatie. Interpreteer de uitkomsten van de startanalyse zorgvuldig Alhoewel je niet verplicht bent ze te gebruiken, kunnen de resultaten van de Startanalyse een handig startpunt zijn voor je analyse. Houd bij de interpretatie van de Startanalyse rekening te houden met het volgende: • Komen de CBS-buurten overeen met een logische gebiedsindeling voor jouw gemeente? Pas de begrenzing van buurten en wijken dan aan bij het CBS in verband met monitoring en volgende warmteprogramma’s.
86
Deel I Wat is een warmteprogramma?
•
•
•
•
•
Deel II Opbouw warmteprogramma
Deel III Opstellen warmteprogramma
e nationale kosten worden geactualiseerd in 2024. Hierna wordt - op basis van D verwachte ontwikkelingen van kosten - een inschatting gemaakt voor de kosten in het referentiejaar 2030. Omdat deze kosten afwijken van huidige prijzen, zijn ze mogelijk minder geschikt voor participatie rondom een warmteprogramma. Houd hiermee rekening bij de communicatie over de technische analyse. De resultaten van de startanalyse hebben een onzekerheidsmarge. Kijk daarom niet alleen naar de warmtetechniek met de laagste nationale kosten, maar ook naar de toegepaste bandbreedte om te bepalen welke warmtetechnieken interessant en minder interessant zijn voor een bepaalde buurt. Controleer welke warmtebronnen worden gebruikt in de berekende strategieën. Heeft jouw gemeente geen informatie over (rest-)warmtebronnen aangeleverd? Dan kunnen de resultaten met betrekking tot warmtenetten onjuist zijn. De startanalyse richt zich op de toekomstige warmtevraag van gebouwen. De koudevraag wordt in beeld gebracht, maar deze worden nog niet meegenomen in de integrale kostenberekeningen. Dit kan mogelijk wel een rol spelen bij de keuze voor een geschikte warmtechniek. In de startanalyse worden de kosten voor verzwaring van het elektriciteitsnet grofmazig meegenomen in de nationale kosten.
De benadering is opgesteld in samenwerking met netbeheerders maar geeft alleen een eerste beeld op basis van de warmtetransitie en niet de energietransitie als geheel; denk aan de opwek van zonnepanelen, lokale uitwisseling van elektriciteit en elektrisch vervoer. De kosten die meegenomen worden geven een eerste indicatie, maar dus geen beeld van de totale opgave.
Analyse van de betaalbaarheid Om een gebied aan te wijzen waar de aardgaslevering stopt, moet je de betaalbaarheid van het gekozen duurzame alternatief kunnen onderbouwen. Niet het warmteprogramma, maar het uitvoeringsplan (of een vergelijkbaar beleidsdocument) is het meest geschikt om de onderbouwing in op te nemen. Met behulp van de Handreiking betaalbaarheid van BZK en VNG kun je de betaalbaarheid inzichtelijk maken voor (representatieve) woningen in het aangewezen gebied. In het warmteprogramma moet je rekening houden met de betaalbaarheid en de keuzes die in dit kader worden gemaakt, moeten in hoofdlijnen worden onderbouwd.
Deel IV Fictief voorbeeld
Deel V
Factsheets
Gebruik het datapakket eindgebruikerskosten van TNO om eindgebruikerskosten in te schatten. Dit datapakket komt eind 2024 beschikbaar en gebruikt dezelfde onderliggende bronnen als de startanalyse van het PBL.
Goed om te weten: betaalbaarheid De exacte manier waarop gemeenten betaalbaarheid in het warmt eprogramma moeten meenemen, is nog niet bekend. Hiertoe worden instructieregels opgenomen in het Bgiw. Dit besluit is nog in ontwikkeling: het ontwerp-besluit wordt eerst naar de Tweede en Eerste Kamer verzonden en daarna voor advies aan de Raad van State voorgelegd.
Rapportage De resultaten van je analyse leiden tot beoogde warmtetechnieken per gebied en een planning. Deze informatie krijgt de vorm van een kaart met een tabel. Die informatie kan je vervolgens voor verschillende doeleinden inzetten: • Het warmteprogramma moet beschikbaar worden gesteld in het DSO. Het NPLW werkt aan een voorstel voor hoe je dit vorm kan geven. Dat voorstel komt beschikbaar op de website van het NPLW. • Publicatie van datasets als open data (zie visiedocument van de VNG). • Opname in een landelijk register voor warmteplannen. Niet verplicht, maar gewenst om op landelijk niveau kennis en inzichten te delen en de voortgang van het klimaatbeleid te volgen. Naast warmteprogramma’s worden hier alle gemeentelijke documenten opgenomen waarmee de warmtetransitie concreet vorm krijgt, zoals (geactualiseerde) transitievisies warmte en uitvoeringsplannen. • Optioneel: Opname op een eigen digitaal platform (digitale kaart of adreszoeker). Dit is gewenst om duidelijkheid te bieden aan bewoners, ondernemers, instellingen, verhuurders, en andere belanghebbenden. De landelijke voorziening warmteplannen heeft als doel om deze optionele stap te ondersteunen. Deze voorziening richting zicht op het bieden van basisinformatie over de warmte transitie.
De informatie is bedoeld om een grote groep belanghebbenden te voorzien van gegevens voor hun handelingsperspectief in de warmtetransitie.
87
Deel I Wat is een warmteprogramma?
Deel II Opbouw warmteprogramma
Deel III Opstellen warmteprogramma
Het is verstandig om bij het ontwikkelen van het warmteprogramma vooraf na te denken over deze mogelijke doeleinden en je werkwijze hierop in te richten. Dit hoofdstuk gaat in op het verplichte onderdeel, openbaarmaking in het DSO en beschrijft hoe je de verschillende indicatoren kan bepalen. Hierna volgen enkele algemene tips. •
•
Publiceer het warmteprogramma in het DSO De gebiedsanalyse leidt tot een keuze voor gebieden waar je in het warmteprogramma een gebiedsgerichte aanpak mee gaat uitvoeren. Je publiceert de geografische informatie over deze gebieden in het DSO waarmee je het warmteprogramma digitaal openbaar maakt. Het Informatiepunt Leefomgeving heeft meer informatie over de publicatiestandaarden en bijbehorende implementatie- en informatiemodellen. Het NPLW werkt aan een voorstel voor hoe je dit vorm kan geven. Dat voorstel komt beschikbaar op de website van het NPLW. Rapporteer de volgende indicatoren in het warmteprogramma Vanuit het concept-Bgiw is het vereist dat je in ieder geval de locaties opneemt waar je voornemens bent om de aanwijsbevoegdheid in te zetten. Voor de duidelijkheid naar de inwoners wil je dit voor alle gebieden doen waar je een voorlopige keuze hebt gemaakt over de warmtetechniek. Tabel 13 geeft daarom per indicator een minimale en wenselijke invulling. De indicatoren worden na de tabel verder toegelicht.
Deel IV Fictief voorbeeld
Deel V
Factsheets
Indicator
Minimale juridische invulling (Bgiw). Alleen voor gebieden met een voornemen tot het inzetten van de aanwijsbevoegdheid
Wenselijke invulling (als dit bekend is)
Locatie
Een geografische afbakening die specifiek die specifiek is tot op gebouwniveau.
Gemeente-dekkend en nietoverlappend indeling van gebieden.
Aantal gebouwen
Aantal gebouwen en milieubelastende activiteiten
Uitsplitsen naar woningen en niet-woningen (utiliteiten) en uitdrukken in woningequivalenten (cf. afspraken klimaatakkoord).
Voornemen tot aanwijzing
Is er een voornemen tot het inzetten van de aanwijsbevoegdheid in de periode van het warmteprogramma?
Fasering voor alle gebieden
Aantal te isoleren gebouwen
Aantal gebouwen te isoleren ter voorbereiding op de beoogde warmtetechnieken
Beoogde infrastructuur of warmtetechniek
Beoogde energie-infrastructuur: warmtenet, elektriciteit, gas
Maatschappelijke kosten
De totale kosten voor de maatschappij bij de realisatie van de toegedachte energieinfrastructuur in geselecteerde gebieden
Eindgebruikerskosten (betaalbaarheid)
LET OP: mogelijke rapportageverplichting vanuit Bgiw kan nog veranderen
Gemiddelde warmtebehoefte
De verwachte gemiddelde warmtebehoefte van de gebouwen aan het begin en einde van de periode in de geselecteerde locaties
Beoogde warmtetechniek in gebieden met een gebiedsaanpak in de komende tien jaar
Tabel 13. Verplichte en wenselijke invullingen van indicatoren binnen het warmteprogramma.
88
Deel I Wat is een warmteprogramma?
Deel II Opbouw warmteprogramma
Deel III Opstellen warmteprogramma
Locatie. Het concept-Bgiw vraagt om een overzicht van locaties met de daarin aanwezige gebouwen en milieubelastende activiteiten waar het voornemen bestaat om de aanwijsverplichting in te zetten. Dit kan in ieder geval door een geografische gebiedsafbakening voor de hele gemeente te definiëren. De gebruiker moet in staat zijn om op gebouwniveau de keuzes van een gebied te identificeren. Zorg ervoor dat polygonen gezamenlijk een vlakdekkend geheel vormen, zonder gebieden waarvoor geen plannen gelden en zonder overlap. Sluit zoveel als mogelijk aan bij de buurt- en wijkindeling van het CBS (zie CBS geografische data), zodat je gebruik kan maken van beschikbare kentallen.
Goed om te weten: uitzonderingen industrie Er zijn bij de inzet van de aanwijsbevoegdheid uitzonderingen voor de industrie (zie paragraaf 1.2 van deel 1). Houd hier rekening mee bij de gebiedsindeling.
Aantal gebouwen. Het aantal gebouwen is te bepalen met gegevens uit de BAG door het aantal unieke pand-id’s te tellen. Een gebouw (pand in de BAG) kan meerdere verblijfsobjecten bevatten met verschillende functies (bijvoorbeeld complexen met woningen en winkels). We bevelen aan om naast het aantal gebouwen, minimaal het aantal woningen en niet-woningen (utiliteiten) weer te geven. Indien relevant is een verdere uitsplitsing naar gebruiksfuncties te maken. Om woningen en utiliteiten bij elkaar op te tellen, is het gangbaar om op basis van het (totale) gebruiksoppervlak van de utiliteiten, het aantal utiliteiten uitdrukken in woningequivalenten (WEQ): 1 woning = 1 WEQ = 130 m2 gebruiksoppervlak utiliteit. Alle benodigde gegevens zijn in de BAG te vinden. Voornemen tot aanwijzing. Het is verplicht om een overzicht te geven van gebieden waar in de periode van het warmteprogramma een voornemen tot aanwijzing is. We bevelen aan om voor alle gebieden duidelijkheid te geven over de fasering. Dit hoeft niet tot op het jaar precies, maar kan in een aantal ‘blokken’. Het is ook nuttig om aan te geven in welke gebieden vrijwel zeker geen aanwijsbevoegdheid ingezet gaat worden. Voor deze gebouwen geldt per definitie dan dat gebouweigenaren in eigen tempo maar voor 2050 een eigen aardgasvrije warmtevoorziening moeten realiseren.
Deel IV Fictief voorbeeld
Deel V
Factsheets
Aantal te isoleren gebouwen. Deze indicator hangt samen met de beoogde (alternatieve) verwarmingsinstallatie. Je geeft aan hoeveel gebouwen nog niet geschikt zijn voor deze (alternatieve) verwarmingsinstallatie, omdat moeten worden geïsoleerd. Gebruik hiervoor de vuistregel dat voor een lagetemperatuuroplossing (afgiftetemperatuur lager dan 55 °C) minimaal energielabel B nodig is. Voor een middentemperatuuroplossing (55 tot en met 75 °C) geldt minimaal label D. Beschrijf de isolatiemaatregelen en maatregelen voor het afgiftesysteem in meer detail in een uitvoeringsplan. Baseer je hierbij op standaard- en streefwaarden. Infrastructuur. Geef de beoogde energie-infrastructuur in het warmteprogramma aan in een hoofdcategorie. Dat wil zeggen: gas, elektrisch, warmtenet (collectieve warmte) of overig. Een combinatie van deze energie-infrastructuren is ook mogelijk. Denk aan gas en elektrisch voor hybride warmtepompen. Voor bewoners is het belangrijk te weten of je kiest voor een collectieve aanpak of individueel, en voor een warmtenet of warmtepomp. Geef dit ook aan. Beschrijf de warmtetechniek waar mogelijk in detail. Je kunt hiervoor de volgende indeling hanteren: • Collectieve aanpak voor een warmtenet. • Collectieve aanpak voor volledig elektrische warmtepompen. • Collectieve aanpak voor hybride warmtepompen en isolatie. • Een gecombineerde aanpak.
Maatschappelijke kosten en eindgebruikerskosten. Vanuit het concept-Bgiw hoeven alleen de kosten van de energie-infrastructuur opgegeven te worden in de vorm van de kosten voor de maatschappij. Dat wil zeggen: de geschatte investeringskosten voor het realiseren van de beoogde energie-infrastructuur, exclusief BTW en exclusief subsidies, zonder uitsplitsing naar eindgebruikers. Een belangrijk informatiebron voor is de Startanalyse van PBL (Vesta MAIS of Hestia). In het Bgiw worden de instructieregels opgenomen voor het in kaart brengen van de technische haalbaarheid en betaalbaarheid voor de gebouweigenaren en -gebruikers in de wijk. Deze instructieregels worden nog ontwikkeld. Maak voor inzicht in de eindgebruikerskosten gebruik van het Datapakket eindgebruikerskosten van TNO.
89
Deel I Wat is een warmteprogramma?
Deel II Opbouw warmteprogramma
Deel III Opstellen warmteprogramma
Gemiddelde warmtebehoefte. Gebruik de functionele vraag naar warmte, onderverdeeld in behoefte aan warmte voor ruimteverwarming, warm tapwater en koken, om de gemiddelde warmtebehoefte weer te geven. De functionele vraag is het deel nuttige energie dat daadwerkelijk wordt gebruikt zonder de energieverliezen in de verwarmingsinstallaties. Dit verschilt van het energieverbruik dat je afleidt uit de hoeveelheid (aard)gas, elektriciteit of warmte die aan een woning is geleverd. De functionele warmtevraag voor woningen en utiliteiten is een modelmatige uitkomst die bijvoorbeeld te bepalen is met HESTIA. Maak je warmteprogramma vergelijkbaar met andere gemeenten Zorg dat je warmteprogramma vergelijkbaar is met dat van andere gemeentes. Dat maakt het mogelijk om onderling als gemeenten de voortgang te vergelijken en af te stemmen en op landelijk niveau kennis en inzichten te delen. Door uniforme rapportage is het beter mogelijk om te communiceren met bewoners (bijvoorbeeld via een adressenzoeker) en kunnen inzichten effectiever met alle belanghebbenden gedeeld worden. Ook maakt dit het mogelijk om de regionale voortgang van het klimaatbeleid te volgen. Zorg dat je warmteprogramma, evenals de indicatoren per gebied, eenvoudig digitaal gedeeld kan worden in digitale vorm (kaart en tabel) voor opname in een landelijk register voor warmteplannen.
Rekening houden met de standaard gegevensstructuur in deze voorziening is raadzaam. Meer informatie over het warmteregister is beschikbaar op de website van het NPLW.
Begrippenkader Warmte Het Programma Verbetering Informatievoorziening Energietransitie (VIVET) ontwikkelt op initiatief van het NP RES en NPLW een Begrippenkader Warmte dat logische en eenduidige definities beschrijft voor belangrijke begrippen in de lokale warmtetransitie. Door hier zoveel mogelijk op aan te sluiten, draag je bij aan de vergelijkbaarheid van je plannen. Naar verwachting komt het begrippenkader in de loop van 2024 beschikbaar.
Deel IV Fictief voorbeeld
Deel V
Factsheets
Ontsluit data over het warmteprogramma voor de regionale netbeheerder Voor uitvoeringsplannen heeft Netbeheer Nederland een vast format voor het aanleveren van informatie (het buurtformulier). Het is aan te bevelen om voor de gebieden waar je in het warmteprogramma een gebiedsaanpak voorziet, deze informatie in te vullen. Rapporteer je gemeentelijke doelstelling De gemeentelijke doelstelling zegt iets over het tempo en de ambitie van de gemeente. Het is niet verplicht om deze te noemen, maar helpt bij de toekomstige evaluatie van het programma en maakt het mogelijk om op landelijk niveau de voortgang van de warmtetransitie te volgen. Je formuleert een type einddoel voor de gebouwde omgeving en een streefdatum (op of voor 2050). Het type einddoel is meestal aardgasvrij, maar kan je kan ook een ander doel kiezen, zoals CO2-neutraal. Monitoring In het kader van monitoring verzamel je voortdurend informatie om het warmteprogramma periodiek te evalueren en zo nodig te actualiseren. Minimale juridische monitoringsverplichting Op grond van het concept-Bgiw is de gemeente verplicht om de uitvoering en de resultaten van het vorige warmteprogramma te rapporteren met een samenvatting van de elementen zoals genoemd in tabel 13.
Voortgang van het warmteprogramma en de gebiedsgerichte aanpak Afhankelijk van de behoeften per gemeente, kan het nodig zijn om vaker en uitgebreider te rapporteren. In het warmteprogramma wordt beschreven waarover gerapporteerd wordt, hoe dit gebeurt en wat het evaluatieproces inhoudt. Belangrijke onderdelen van de monitoring kunnen zijn: • Voortgang warmteprogramma. In het warmteprogramma staan gemeentebrede doelen en de te verwachten resultaten (zie tabel 13). Je rapporteert de voortgang op geaggregeerd niveau voor de relevante indicatoren en de procesvoortgang.
90
Deel I Wat is een warmteprogramma?
•
Deel II Opbouw warmteprogramma
Deel III Opstellen warmteprogramma
Deel IV Fictief voorbeeld
Deel V
Factsheets
oortgang gebiedsgerichte aanpakken. Resultaten en inzichten over de V voortgang van de gebiedsgerichte aanpakken worden gebundeld. Bij het gebruik van de aanwijsbevoegdheid (in het uitvoeringsplan) is monitoring verplicht. Zo moet de gemeente er zeker van zijn dat het alternatief voor aardgas daadwerkelijk beschikbaar is binnen de gestelde termijn en dat gebouwen tijdig hierop zijn aangesloten voordat de aardgaslevering wordt stopgezet. In de Handreiking Uitvoeringsplan staat beschreven hoe de gemeente dat monitort en welke data hiervoor nodig is.
Je kunt voor de monitoring een tabel maken met de voorgestelde indicatoren (uit tabel 13), de uitwerking, de frequentie en de databron of actiehouder. Voor het warmteprogramma rapporteer je gemiddelden of totalen per gebied. Een kleiner aggregatieniveau, bijvoorbeeld per gebouw, is niet noodzakelijk. In het warmteprogramma beschrijf je hoe en voor wie je monitort Beschrijf hoe vaak je rapporteert. De frequentie hangt samen met de momenten waarop de data beschikbaar komen. Rapportage vaker dan eens per jaar, zal voor een warmteprogramma doorgaans niet zinvol zijn. Beschrijf daarnaast aan wie je rapporteert. Overweeg om periodiek te rapporteren aan de gemeenteraad over de voortgang van de warmtetransitie. Hiermee kan de raad haar controlerende en volksvertegenwoordigende rol uitoefenen. Je gebruikt een monitor om je warmteprogramma te evalueren Een warmteprogramma moet iedere vijf jaar geactualiseerd worden, maar er zijn ook situaties waarin je je warmteprogramma al eerder wil actualiseren. Bijvoorbeeld als een evaluatie daartoe aanleiding geeft zal het warmteprogramma eerder aangepast moeten worden. Zodra er voor de betrokkenen consequenties zitten aan de wijzigingen dan wil je een nieuw warmteprogramma opstellen en vaststellen. Bijvoorbeeld als de gebiedskaart wijzigt of als een voornemen tot aanwijzen verandert.
Voor een dergelijke wijziging is een nieuwe vaststelling nodig door het college van burgemeester en wethouders.
91