CConstaterende dataalsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

t_NL.IMRO.0358.19A-VG02_Fort Kudelstaart.Pdf.pdf

3.Raad (besluitvormend) 2 december 2021, gemeente aalsmeerBij agendapunt: Herstelbesluit bestemmingsplan ‘Fort Kudelstaart’19.166 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor burgers, bedrijven en ontwikkelaars is met deze nota duidelijk welke normen gehanteerd worden bij een aanvraag. Bovendien bevat de nota duidelijke toepassingsregels om uit te leggen hoe de parkeernormen gehanteerd moeten worden. Hierdoor wordt er geborgd dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn en dat mogelijk verwachte parkeerproblemen vanaf het begin van het planproces worden voorkomen. Voor dit initiatief is van belang dat er wordt voldaan aan het in de Nota Parkeernormen opgenomen vereiste van parkeren op eigen terrein. Zie daarvoor verder paragraaf 6.8

HOOFDSTUK 6 Omgevingskwaliteit 6.1 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving van de luchtkwaliteitseisen vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden de bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (zoals wijzigingen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in principe geen belemmering: <0000> er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; <0000> een project leidt per saldo niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit; <0000> een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; <0000> een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Vanaf 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. In het NSL zijn alle maatregelen opgenomen die de luchtkwaliteit moeten verbeteren en tevens zijn ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Overheden zijn gehouden de in het NSL opgenomen maatregelen uit te voeren en kunnen het NSL gebruiken als onderbouwing bij plannen voor de NSL-projecten. Met het NSL laat de Nederlandse overheid zien hoe zij aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit gaat voldoen.

Grenswaarden Voor de beoordeling van de situatie in de omgeving van het plan zijn met name de volgende grenswaarden uit de Wet milieubeheer relevant: <0000> de jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide (NO2) moeten vanaf 2015 voldoen aan de grenswaarde van 40 µg/m3; <0000> voor fijn stof (PM10) geldt vanaf 2011 een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie; <0000> de 24-uurgemiddelde waarde voor PM10 mag niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden worden (39 keer als rekening wordt gehouden met de zogenoemde zeezoutaftrek); <0000> voor PM2,5, deeltjes nog kleiner dan PM10, zijn ook grenswaarden vastgesteld. Deze zijn niet strenger dan de huidige norm voor daggemiddelde concentraties van PM10. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Met het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' - zoals een school of kinderopvang - in de nabijheid van provinciale wegen (binnen 50 meter) en rijkswegen (binnen 300 meter) beperkt. Dat geldt voor nieuwe situaties en bestaande situaties die worden uitgebreid, waarbij sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor NO2 of PM10. Binnen dit bestemmingsplan bevinden zich geen gevoelige bestemmingen.

Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als het niet meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdraagt; concreet betekent dit een bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. Met name NO2 en PM10 zorgen in Nederland nog voor overschrijdingen van grenswaarden, vandaar dat deze grens is gekozen. In de Regeling NIBM is een aantal categorieën met maximale groottes aangewezen die NIBM zijn, waaronder woningbouw, kantoren en bepaalde inrichtingen. Als een project

binnen de grenzen van deze Regeling valt, is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig. Relevantie plangebied Ten behoeve van het bestemmingsplan heeft Buro Blauw luchtkwaliteitsberekeningen uitgevoerd, waarbij uit is gegaan van een worst- case berekening (zie bijlage 4, Buro Blauw, 16 oktober 2020, toets luchtkwaliteitseisen Fort Kudelstaart B.V). Uit dit onderzoek blijkt dat kan worden voldaan aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en het aspect luchtkwaliteit de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

6.2 Geluid Wet geluidhinder De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag voor spoor- en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen in de Wet geluidhinder en voor vliegverkeerlawaai in de Wet luchtvaart en het bijbehorende Luchthavenindelingbesluit. Daarnaast vindt de beoordeling van geluid zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, op grond van een goed woon- en leefklimaat. In de Wet geluidhinder zijn voorkeursgrenswaarden vastgesteld. Als daar niet aan voldaan kan worden, is het in bepaalde situaties mogelijk om zogenoemde hogere waarden vast te stellen. De gemeenteraad van Aalsmeer heeft de "Deelnota Hogere Waarden" vastgesteld. In deze nota is de procedure uitgewerkt om de hogere waardenprocedure te doorlopen. In het hogere waardenbeleid is een aantal aspecten opgenomen die bij de afweging van een hogere waarde een rol speelt. Deze aspecten zijn: 1. het heersende geluidsniveau; 2. het toetsingskader om af te wijken van het heersende geluidsniveau; 3. cumulatie en compensatie. Industrie algemeen Voor de kleinere bedrijfsterreinen waarvoor zonering niet verplicht is geven de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening (VROM 1998) en de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', richtlijnen over de wijze waarop met het aspect geluid in bestemmingsplannen moet worden omgegaan.

De Handreiking geeft onder meer, ter voorkoming van geluidshinder bij geluidgevoelige bestemmingen, streefwaarden. Voor de grote industrieterreinen, spoor- en verkeerswegen is in de Wet geluidhinder (Wgh) een wettelijk kader ontwikkeld voor geluidzonering gekoppeld aan een systeem van grenswaarden. Wegverkeer Tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan moet inzicht worden gegeven in de geluidsbelasting op nieuwe geluidgevoelige bestemmingen die gesitueerd worden binnen de zone van een weg. In geval sprake is van aanleg van een nieuwe weg zal ook de geluidsbelasting veroorzaakt door verkeer op de nieuwe weg op de bestaande geluidgevoelige bestemmingen in beeld moeten worden gebracht. Luchtverkeer Bij de ingebruikname van de vijfde baan van Schiphol (Polderbaan) op 20 februari 2003 is het Luchthavenindelingbesluit (Lib) in werking getreden. Hiermee zijn nieuwe beperkingen gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven. Naast het luchthavengebied is een beperkingengebied aangegeven. In het beperkingengebied zijn een aantal deelgebieden onderscheiden, waarvoor verschillende regels gelden. Het gaat

om o.a. een geluidssloopzone en een beperkingen geluidszone. Deze bepalingen moeten in de bestemmingsplannen worden verwerkt. Relevantie plangebied Het bestemmingsplan maakt geen geluidsbronnen of nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk. Ook een hotel wordt in de Wet geluidhinder niet aangemerkt als een geluidgevoelige gebouw/bestemming. In dit kader is tevens relevant dat de herontwikkeling van het Fort functies met zich brengen die zelf geluid veroorzaken en die geluidgevoelige objecten in de omgeving kunnen belasten. Ten aanzien van dit aspect is akoestisch onderzoek uitgevoerd door Valersi, om de ruimtelijke inpasbaarheid van het plan te bepalen (zie bijlage 5, akoestisch onderzoek, projectnummer 21050014-Ij, Valersi 15 oktober 2021). Onderzocht is of door de voorgestane ontwikkeling sprake is van een akoestisch goed woon- en leefklimaat. Het plangebied is op basis van de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering aangemerkt als een gebiedstype gemengd gebied. Voor dit gebiedstype gelden de volgende streefwaarden (stap 2): <0000> 45 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; <0000> 65 dB(A) maximaal (piekgeluiden); <0000> 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking.

De situatie waarin alle mogelijk voorkomende activiteiten in het meest geluidbelastende scenario 5 gelijktijdig (op dezelfde dag) plaatsvinden (maximale invulling) is voor het aspect geluid onderzocht. Binnen dit meest belastende scenario zijn een aantal worst-case-scenario uitgangspunten aangenomen of bepaald aan de hand van wat het bestemmingsplan maximaal toelaat. De geluiden zijn afkomstig zowel vanuit het fort als vanaf het buitenterrein. Met betrekking tot inpandige geluidsbronnen is het altijd mogelijk deze te beperken tot een niveau waarop deze niet meer hoorbaar zijn. Enerzijds door het begrenzen van de volumeknop, anderzijds door maatregelen in de constructie. Met betrekking tot geluiden op het buitenterrein zijn deze beperkt tot die locatie, zoals is opgenomen in de verbeelding bij het bestemmingsplan, of zijn de maximale planologische mogelijkheden onderzocht en weergegeven. Om de akoestische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen is aansluiting gezocht bij het stappenplan uit de VNG-publicatie. Aan de richtafstand van stap 1 wordt niet voldaan. Derhalve is getoetst aan de richtwaarden uit stap 2 van de VNG-publicatie, voor gebiedstype gemengd gebied.

Met betrekking tot langtijdgemiddelde geluidniveaus en maximale geluidniveaus (piekgeluiden) kan onder de aangenomen uitgangspunten (representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden) voldaan worden aan de richtwaarden uit stap 2 van de publicatie. Bij het in acht nemen van de wettelijke bepalingen wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Het aspect geluid staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

6.3 Bodem Wettelijk- en Beleidskader Het bodembeleid heeft tot doel een balans te vinden tussen bodemgebruik en bescherming van bodemfuncties. Met bescherming wordt bedoeld dat een bodemgebruik duurzaam, veilig en gezond is. Bescherming is niet alleen tegen verontreiniging gericht, maar in principe tegen elke aantasting die het gebruik benadeeld.

Het beleid voor bodembescherming kent drie sporen. Het eerste spoor bestaat uit het oplossen van de knelpunten die zijn ontstaan door historische verontreinigingen. Hiervoor is een programmatische aanpak opgesteld, die in de Wet bodembescherming is opgenomen. Het doel, om in 2015 geen locaties meer te hebben waar acute gezondheidsrisico optreden, is in Aalsmeer bereikt. Het 2e spoor richt zich op het voorkomen van nieuwe aantasting door het stellen van regels aan activiteiten in en op de bodem. De Wet Milieubeheer vormt hiervoor de basis. Het 3e en laatste spoor is het ruimtelijke spoor (Wro) dat tot doel heeft te komen tot een ‘goede ruimtelijke ordening. Dit gebeurt door nieuwe gebruiksfunctie (b.v. wonen) alleen te bestemmen op gronden met voldoende bodemkwaliteit. Bij bestaand bodemgebruik worden natuurlijk momenten aangegrepen om de bodemkwaliteit zo nodig te verbeteren. Als ijkpunt kunnen de bodemnormen uit de Regeling bodemkwaliteit worden toegepast. In gebieden met intensief bodemgebruik is het niet altijd mogelijk om de juiste bodemkwaliteit tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten te bereiken. Het Besluit bodemkwaliteit (Bkk) biedt dan de mogelijkheid om op projectniveau af te wijken van de generieke normen, mits op gebiedsniveau de kwaliteit niet verminderd en dit beleid door lokaal bestuur wordt vastgesteld.

De 3 sporen komen te zijner tijd samen in de Omgevingswet. De uitgangspunten van de Nota bodembeheer worden dan vertaald in de omgevingsvisie en resp. omgevingsplannen. Relevantie plangebied Ten behoeve van de voorgenomen verkoop van het Fort, is door de Dienst Vastgoed Defensie aan Acorius Advies opdracht gegeven om de bodemgesteldheid in kaart te brengen, zie bijlage 6, Verkennend (water)bodemonderzoek Fort Kudelstaart, AD0909DG20, d.d. 29 januari 2010. Uit dit onderzoek blijkt dat er mogelijk sprake is van door PAK´s en lood sterk verontreinigde grond, maar niet dusdanig ernstig dat er sprake is van een ernstig geval van bodemsanering, waarvoor een saneringsplicht geldt. Daarnaast zijn matige of lichte verhogingen van andere bodembedreigende stoffen gevonden. Gezien de aard van de verontreiniging (immobiel en niet vluchtig) en de afwezigheid van contactrisico's kan ervan worden uitgegaan dat de verontreiniging geen actuele risico’s veroorzaakt en wordt de sanering van de verontreiniging als niet spoedeisend beschouwd. Er wordt geadviseerd om, wanneer werkzaamheden in of met verontreinigde grond niet te vermijden zijn, veiligheidsrichtlijnen hiervoor te volgen. Met betrekking tot de waterbodem wordt geconstateerd dat de kwaliteit van het slib vergelijkbaar is met wat ook in het verleden is vastgesteld.

Het slib is vrij toepasbaar in zoet oppervlaktewater en op aangrenzend perceel. Mede naar aanleiding ingekomen zienswijzen is aanvullend onderzoek gedaan naar de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan t.a.v. het aspect bodem, zie bijlage 7, Tauw B.V., Zeilfort Kudelstaart, Vooronderzoek landbodem 31 augustus 2020 en bijlage 8 AKTB actualiserend en aanvullend bodemonderzoek Fort Kudelstaart 13 oktober 2020. Uit deze onderzoeken blijkt dat de tot dusver aangetoonde verontreiniging zich onder een gesloten verharding bevinden. De aanleg van een parkeergarage is voorzien ter plaatse van een grondwal waar geen verontreiniging is aangetoond. De verwachting op asbestverontreiniging door TAUW in haar vooronderzoek heeft betrekking op terreindelen waar geen grootschalige grondwerkzaamheden zijn voorzien. Eventuele saneringskosten zijn met name te verwachten vanwege werkzaamheden in plaatselijk verontreinigde grond en geen noodzakelijke randvoorwaarde voor het realiseren van de opgenomen bestemmingen. Tot slot is in opdracht van de gemeente Aalsmeer door ATKB nogmaals een actualiserend en nader bodemonderzoek uitgevoerd naar vloeistoffen en/of sediment in

de waterbuffer en diverse opslagputten op het terrein (zie bijlage 9, kenmerk 20210581/Rap01, AKTB 26 mei 2021. De aanleiding voor dit laatste bodemonderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van het fort en de resultaten uit voorgaand bodemonderzoek. Verder zijn er aanwijzingen dat er mogelijk bodemverontreiniging in de grond is ontstaan als gevolg van recente morsing(en) met mogelijke olieproducten door de huidige huurder van het fort. Daarnaast is het voornemen om de bestaande waterbuffer in de kelder van het fort en andere opslagputten te reinigen. Ook uit dit laatste onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en de conclusie in stand blijft dat de bodem geschikt kan worden gemaakt voor de beoogde herontwikkeling. Het aspect bodem staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

6.4 Water

Het doel van waterbeheer in Nederland bestaat van oudsher uit het beschermen tegen overstromingen en het ontwateren van laaggelegen gebieden. Door de klimaatverandering is nieuw beleid gemaakt voor deze taken van veiligheid en peilbeheer. Dit vereist mogelijk ruimte vanwege de versterking en verbreding van dijken en waterkerende werken of voor extra waterberging. Een ander doel betreft het zorgen voor schoon en gezond water. Voor schoon water is een goed functionerend watersysteem vereist met voldoende volume en doorstroming. Een ecologische oeverinrichting is wenselijk, maar legt beslag op de ruimte. Grondwater wordt volop benut voor de productie van drinkwater. De laatste jaren ontwikkelt het grondwater zich tot een bron en/of opslagmedium voor warmte. Dit vormt een bijdrage aan de beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen. Efficiëntie van benutting is een van de redenen voor ruimtelijke ordening van de ondergrond. Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving.

De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) is opgesteld op basis van de Waterwet en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009 – 2015. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is zelfbindend voor het Rijk. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Voor de organisatie van het waterbeheer bevat het Waterbesluit de toedeling van oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk en regels over het verstrekken van informatie met betrekking tot het waterbeheer. Ook regelt het Waterbesluit procedurele en inhoudelijke aspecten van het nationale waterplan en het beheerplan voor de rijkswateren en enkele inhoudelijke aspecten van de plannen in verband met implementatie van de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico's. Voorts bevat het besluit bepalingen over de wijze waarop de aanvraag om een watervergunning wordt gedaan, waaronder de gevallen waarin een elektronische aanvraag wordt ingediend.

De Waterregeling bevat regels over de organisatie van het waterbeheer, een aantal kaarten over de toedeling van beheer, de begrenzing van oppervlaktewaterlichamen en de aanwijzing van de drogere oevergebieden, alsmede regels voor gegevensverstrekking aan het Rijk op grond van Europese verplichtingen. Verder regelt de Waterregeling een enkel inhoudelijk aspect van het regionaal waterplan en de beheerplannen. In de Waterwet is gekozen voor een systeem waarin iedere bestuurslaag haar beleid formuleert en dit vastlegt in plannen. De plannen geven aan wat iedere bestuurslaag wil doen in een bepaalde planperiode om de doelstellingen van het waterbeheer te halen. Deze plannen zijn bindend voor de eigen bestuurslaag. De Waterwet sluit op dit punt zoveel mogelijk aan bij de sturingsvisie van de Wet ruimtelijke ordening. Bestuursakkoord Water Het bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: <0000> heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; <0000> beheersbaar programma voor de waterkeringen; <0000> doelmatig beheer van de waterketen, <0000> werkzaamheden slim combineren; <0000> het waterschapsbestuur. De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht.

Provinciale Watervisie 2016-2021 De Provinciale Watervisie is van kracht sinds 23 december 2015 en geldt tot 2021. Het plan geeft duidelijkheid over de strategische waterdoelen tot 2040 en de acties tot 2021. De volgende doelen worden nagestreefd: waarborgen van voldoende bescherming van mens, natuur en bedrijvigheid tegen overstromingsrisico’s; <0000> zorgen voor schoon en voldoende drinkwater; <0000> kader stellen voor regionale waterkeringen; <0000> beoordelen versterkingsplannen primaire waterkeringen en bevorderen ruimtelijke kwaliteit; <0000> waterrobuust inrichten bevorderen; <0000> bijdragen aan schoon en voldoende oppervlaktewater; <0000> Zorgen voor schoon en voldoende grondwater.

Een belangrijk middel voor het realiseren van deze waterdoelen is het via integrale gebiedsontwikkeling proactief zoeken naar kansrijke combinaties met veiligheid, economie, recreatie, landbouw, milieu, landschap, cultuur en natuur. Het Waterplan heeft voor de ruimtelijke aspecten de status van een structuurvisie op basis van de Wro. Beleidsregels Keur 2019 De keur is een verordening waarin Rijnland regels stelt die nodig zijn om binnen het beheergebied waterveiligheid, droge voeten, voldoende oppervlaktewater en schoon oppervlaktewater te bieden. Het belangrijkste onderdeel van de keur is hoofdstuk 3. In dit hoofdstuk heeft Rijnland vastgelegd op welke wijze handelingen die invloed hebben op het functioneren van het watersysteem worden gereguleerd. Het gaat hierbij om regulering via een zorgplicht, algemene regel, vergunningplicht of een absoluut verbod. Dit houdt in dat handelingen in het watersysteem in eerste instantie via de zorgplicht gereguleerd worden. Bij handelingen waarop de zorgplicht van toepassing is, zijn er geen of nagenoeg geen nadelige effecten op het functioneren van het watersysteem te verwachten. De zorgplicht is dit vangnet. Op basis van deze zorgplicht krijgt eenieder de verplichting om bij het uitvoeren van handelingen voldoende zorg voor het functioneren van het watersysteem in acht te nemen.

In de keur is aangegeven welke randvoorwaarden hierbij in acht moeten worden genomen. Gemeentelijk rioleringsplan Aalsmeer (GRP) 2015-2020 De gemeente stelt zich tot doel om tot een doelmatige invulling van de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater te komen. Aan de rioleringszorg liggen vijf hoofddoelen ten grondslag. Dit zijn: duurzame bescherming volksgezondheid, voorkomen van wateroverlast, duurzame bescherming van natuur en milieu, voorkomen van hinder en toekomstgerichte (afval)waterketen en grondwatersysteem. De belangrijkste wettelijke verplichtingen en bevoegdheden van gemeenten op het gebied van de afvalwaterketen en de grondwaterzorgplicht kunnen als volgt worden samengevat: <0000> gemeenten zijn verplicht een (verbreed) GRP op te stellen. Dit plan vormt het kader voor de invulling van de zorgplichten op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater; <0000> de gemeente heeft de bevoegdheid voor het heffen van een belasting ter bekostiging van de genoemde zorgplichten; <0000> de gemeente heeft de mogelijkheid om bij verordening regels te stellen met betrekking tot het lozen van afvloeiend hemelwater en grondwater; <0000> bestuursorganen (in het bijzonder gemeenten en waterschappen) moeten bij opstellen en uitvoeren van beleid met betrekking tot afvalwater rekening houden met een in de wet vastgestelde voorkeursvolgorde.

Relevantie plangebied Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het plangebied is onderdeel van het hoofdwaterstelsel (de boezem) van Rijnland. Dit is een stelsel van aaneengesloten wateren waarin één peil wordt gehandhaafd, die het (overtollig) boezemwater via de Ringvaart van de Haarlemmermeer afvoert naar het Noordzeekanaal. Voor het realiseren van de planontwikkelingen, zoals beschreven in hoofdstuk 3 van deze toelichting, behoeft geen water te worden gedempt. Evenmin zal nieuw water worden gegraven. Het verharde oppervlak zal nagenoeg gelijk blijven. Het bebouwde oppervlak zal in geringe mate toenemen. In overleg met de waterbeheerder is bepaald dat geen watercompensatie hoeft plaats te vinden. Het aspect water staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

6.5 Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de risico's die derden lopen als gevolg van bepaalde activiteiten. In Aalsmeer gaat het met name om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen in de omgeving van het bedrijf. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".

Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties. Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen in werking getreden. Deze wet vervangt de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen.

Het doel van Basisnet is om gevaarlijke stoffen te kunnen vervoeren tussen de belangrijkste industriële plaatsen in Nederland en in het buitenland en de risico's voor omwonenden langs de routes binnen de wettelijke grenzen te houden. Het systeem Basisnet heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over grote vaarwegen, spoorwegen en autowegen. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel. Relevantie beschrijving plangebied

De plannen voor de herontwikkeling van het Fort zorgt niet voor een toename van risico’s voor de omgeving. Er worden geen extra gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd. Aan de hand van de Risicokaart (www.risicokaart.nl) is in kaart gebracht in hoeverre er in de directe omgeving van het Fort risico’s zijn waar rekening mee gehouden moet worden.

Uitsnede risicokaart, gevaarlijke stoffen Basisnet Het basisnet is een netwerk voor vervoer van gevaarlijke stoffen via hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen. Fort bij Kudelstaart ligt op ruim 4 km afstand van de A4. De dichtstbijzijnde weg die bij het basisnet hoort. Vaar- en spoorwegen die tot het basisnet horen, ligger op nog ruimer afstand. Deze afstanden spelen geen rol bij de beoordeling of de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar is. Gevaarlijke stoffen Op bovenstaande uitsnede van de risicokaart zijn alle inrichtingen aangegeven die activiteiten uitvoeren met gevaarlijke stoffen. Het gaat om inrichtingen met een 10-6 risico contour, aan te houden veiligheidsafstanden i.v.m. meldingen in het kader van het Activiteitenbesluit, zones van defensie of vliegvelden, inrichtingen waar gevaarlijke stoffen aanwezig kunnen zijn (b.v. Brzo-bedrijven, defensie-inrichtingen, emplacementen en inrichtingen waar LPG, ammoniak, nucleaire of ontplofbare stoffen aanwezig zijn, etc.). Op ca. 100 meter van het Fort ligt het bedrijf H. Zethof waar een installatie staat met een 10-6 contour. Het betreft echter een inrichting zonder (voorziene) risico’s buiten de eigen terreingrenzen. Het bedrijf valt niet onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) of het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo) .

Overige bedrijven waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt liggen op ruimer afstand. De aanwezigheid van gevaarlijke stoffen bij bedrijven in de omgeving spelen geen rol bij de beoordeling of de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar is. Natuurrampen De risicokaart kan ook worden gebruikt bij het inschatten van de risico’s op natuurrampen als overstromingen, natuurbranden en aardbevingen. De risico’s op

overstroming worden verdeeld in grote kans (1/10 jaar), middelgrote kans (1/100 jaar), kleine kans (1/1000 jaar) en buitengewone gebeurtenissen (1/10.000 jaar).

Uitsnede risicokaart, natuurrampen Bijna het hele perceel ligt buiten alle risicogebieden van natuurrampen, ook de buitengewone gebeurtenissen. Op onderstaande kaart is in paars aangegeven waar er de kans is op overstroming één keer per 10.000 jaar is. Een groot deel van Nederland ligt in dit gebied. Dergelijk verwaarloosbare risico’s op een natuurramp spelen geen rol bij de beoordeling op de beoogde ontwikkeling, waardoor deze vanuit het oogpunt van externe veiligheid aanvaardbaar is. Buisleidingen Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen planologisch relevante buisleidingen waarmee bij de herontwikkeling van het fort rekening moet worden gehouden. Luchthavenindelingbesluit Zoals reeds uit paragraaf 5.1.4 blijkt dient binnen het plangebied rekening te worden houden met bijlage 5 van het LIB, beperking aantrekking vogels. De aanvaringen van vogels en luchtvaartuigen vormen een gevaar voor de luchtvaart. Het vogelaanvaringsgevaar wordt onder andere veroorzaakt door de aanwezigheid van gebieden met een sterke vogelconcentratie in de nabijheid van de luchthaven. Vogelaantrekkende functies worden uitgesloten binnen dit bestemmingsplan. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

6.6 Flora en fauna

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Doel van deze wet is de bescherming van soorten en leefgebieden. De wet is een implementatie van Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn). De wet kent een beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, voor soorten van de Habitatrichtlijn en voor andere soorten. Het komt er onder andere op neer dat soorten niet opzettelijk gedood, gevangen of verstoord mogen worden. Ook het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen is verboden.

Gedeputeerde Staten kunnen in sommige gevallen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen. Vrijwel alle vogels zijn beschermd ingevolge de Vogelrichtlijn. Habitatrichtlijnsoorten zijn bijvoorbeeld alle vleermuissoorten. Onder andere soorten vallen onder andere de ringslang en de grote modderkruiper. De gemeente Aalsmeer adviseert om de gedragscodes van Stadswerk te gebruiken. Er is een code voor bestendig beheer en onderhoud en een code voor ruimtelijke ingrepen. Relevantie plangebied Door ATKB is een quickscan ecologie uitgevoerd, zie bijlage 10, Quickscan Wet natuurbescherming Fort Kudelstaart te Aalsmeer, 20161420/rap01, d.d. 12 januari 2017. Het doel van het onderzoek was om te bepalen of het voornemen de gebruiksfunctie van het Fort te veranderen, noodzakelijk onderhoud uit te voeren en bomen rondom het Fort en de nabijgelegen dam te verwijderen, mogelijk tot een overtreding van de Wet natuurbescherming gaat leiden. Uit de quickscan bleek dat het plangebied geschikt is voor de grondgebonden zoogdiersoorten hermelijn, wezel en bunzing en voor vleermuizen. In de quickscan is daarom aangeraden naar deze twee soortgroepen nader onderzoek te verrichten. Voor overige beschermde flora en fauna kon aan de hand van dit onderzoek worden vastgesteld dat er geen ontheffingsplicht geldt op grond van de Wet natuurbescherming.

Door ATKB is aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen en de grondgebonden zoogdieren hermelijn, wezel en bunzing, zie bijlage 11, Nader ecologisch onderzoek Vleermuizen en grondgebonden zoogdieren, Fort Kudelstaart te Aalsmeer, 20161420/rap02, d.d. 28 februari 2018. Binnen het plangebied zijn geen holen gevonden, die als verblijfplaats van bunzing, wezel of hermelijn kunnen dienen. Ook zijn geen uitwerpselen, prooiresten of andere aanwijzingen gevonden die duiden op de aanwezigheid van deze kleine marterachtigen in het plangebied. Op basis van deze resultaten kan zodoende geconcludeerd worden dat de aanwezigheid van een vaste rust- of verblijfplaats van bunzing, wezel en/of hermelijn binnen het plangebied uitgesloten is. Voor vleermuizen geldt dat het fortterrein dient als – niet essentieel- foerageergebied voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en watervleermuis. Wanneer het foerageergebied minder geschikt wordt, en er minder vleermuizen komen foerageren, heeft dit geen negatieve effecten op de populaties van de soorten. De soorten hebben voldoende alternatieven in de omgeving die de verminderde geschiktheid van het plangebied (kwantitatief en kwalitatief) kunnen opvangen. Er zijn geen verblijven van vleermuizen aangetroffen. Er zijn ook geen aanwijzingen daartoe waargenomen.

Binnen het plangebied zijn ook geen vliegroutes van vleermuizen aanwezig. Tevens heeft ATKB meerdere onderzoeken gedaan naar de eventuele aanwezigheid van de ringslang op het forteiland. Deze is nooit gezien op het forteiland, aar wel in de omgeving van de Kudelstaartseweg. Het Fort met de jachthaven heeft grotendeels een hoge beschoeiing en veel bewegingen met de passanten en ligplaatshouders waardoor de ringslang zich niet vertoont op het eiland zelf. Uit het onderzoek naar de ringslang blijkt dat de aanwezigheid van overwinterende ringslangen op Fort Kudelstaart of aanwezige exemplaren in de zomerperiode niet langer uit te sluiten. Daarom moet bij de werkzaamheden rekening worden gehouden met de ringslang en is een reptielenscherm nodig rondom de te verwijderen stronken om zeker te zijn dat tijdens die werkzaamheden geen ringslangen aanwezig zijn. Omdat daarmee doden kan worden voorkomen en er geen essentieel leefgebied verloren gaat is er van overtreding van verbodsbepalingen geen sprake en hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. De functionaliteit van het complete leefgebied (het geheel aan geschikte winterverblijven, voortplantingsbiotoop en

foerageergebied) blijft aanwezig rondom het forteiland (zie bijlage 12, brief ringslang ATKB). Mede n.a.v. zienswijzen is (nog) een aanvullende notitie door AKTB opgesteld (zie bijlage 13, Notitie Ringslang/Rivierdonderpad, AKTB, 14 augustus 2020). Uit deze notitie blijkt dat de ringslang beschermd is onder artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit betekent dat het verboden is opzettelijk vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen, en dieren te doden. Het leefgebied van de soort is alleen beschermd wanneer het essentieel is voor de functie van voortplantingsplaatsen. Het verstoren van de ringslang is niet verboden, behalve wanneer dit leidt tot de dood van het individu. Conclusie uit het aanvullende onderzoek is dat de beoogde werkzaamheden niet leiden tot overtreding van art. 3.10 Wnb indien deze zorgvuldig worden uitgevoerd. Een ontheffingsaanvraag is daarom niet noodzakelijk. Bij het uitvoeren van werkzaamheden moet wel telkens bekeken worden hoe effecten op de ringslang voorkomen kunnen worden. Ten aanzien van de rivierdonderpad geldt dat deze niet beschermd is onder de Wet natuurbescherming. De soort was dit voorheen nog wel onder de Flora- en faunawet, maar die is komen te vervallen met de inwerkingtreding van de Wnb per 1-1-2017.

De provincie is het bevoegd gezag en kan extra soorten beschermen bovenop de landelijk geldende soortenlijst. De rivierdonderpad is echter niet beschermd door de provincie NoordHolland (en verder ook in geen enkele andere provincie). De voorgenomen functiewijziging en daarbij behorende werkzaamheden hebben geen effect op de mogelijk aanwezige populatie rivierdonderpad rondom het fort. Daarmee is een effect op de populatie in de Westeinderplassen met zekerheid afwezig. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen Natura 2000 gebieden met stikstofgevoelige habitats aanwezig. De afstand tussen het plangebied en het meest dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Botshol is dermate groot (>10 km) dat negatieve effecten in dit Natura 2000-gebied vrijwel uitgesloten kunnen worden. Ter onderbouwing hiervan is een quick scan, op basis van een berekening met AERIUS 2020 uitgevoerd (zie bijlage 14 Notitie AERIUS- berekening, AKTB, 26 oktober 2021, kenmerk 20211930/not01/AERIUS). Uit deze berekeningen blijkt dat er geen depositieresultaten zijn boven 0,00 mol/ha/jaar. Gelet op bovenstaande staat de Wet natuurbescherming de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

6.7 Cultuurhistorie en archeologie Cultuurhistorie De Stelling van Amsterdam, waar Fort bij Kudelstaart onderdeel van uitmaakt, is in 1996 opgenomen op de werelderfgoedlijst van UNESCO. In 1973 is Fort bij Kudelstaart aangewezen als Rijksmonument. Enkele onderdelen (buiten het plangebied) zijn aangewezen als Provinciaal monument. Relevantie plangebied Deze zware monumentale status betekent niet dat er niets kan worden ontwikkeld op het Fort. De sleutel tot een succesvolle aanpak is een goed evenwicht tussen economische benutting en bescherming van de cultuurhistorische waarden. Voor de bouwplannen geldt een omgevingsvergunningsplicht waarbij de plannen voor advies worden voorgelegd aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). De RCE en de gemeentelijke Monumentencommissie zijn reeds betrokken bij het project en staan positief tegenover de voorgelegde planvorming. Mede n.a.v. ingekomen zienswijzen is nader cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd, (zie bijlage 15 bouwhistorische verkenning, Hylkema advies en ontwerp, 28 augustus 2020). Daaruit blijkt dat het vergraven van de aarden wallen geen invloed heeft op de cultuurhistorische waarde. Uit dit rapport blijkt dat het terrein op dit moment op diverse plekken niet meer in originele staat is maar hoofdopzet en structuur zijn evenwel nog goed intact. De

contouren van het eiland zijn op diverse plaatsen aangepast en daardoor aangetast. Latere beschoeiingen en de voorzieningen ten behoeve van de jachthaven zijn van indifferente waarde. Dat geldt ook voor de terreinafwerkingen zoals de klinkerbestrating aan de keelzijde en op het zuidoostelijke terreplein, of de stelconplaten bij het terreplein aan de noordwestelijke zijde. De profileringen van de huidige taluds komen niet meer overeen met de historische profielen ten tijde van het verdedigingswerk. Het is echter ook niet direct noodzakelijk om verdwenen profielen automatisch terug te brengen of te reconstrueren. Aan de huidige situatie wordt een positieve waarde toegekend, waarbij toekomstige ontwikkelingen een bijdrage kunnen leveren aan het onder profiel terugbrengen van verdwenen elementen. Een toename van de monumentwaarden is dan op het niveau van het terrein voorstelbaar. De elementen als de opstelplaatsen voor de hefkoepels en de berg- en schuilplaatsen zijn van hoge monumentwaarde en dragen bij aan de herkenbaarheid van het functioneren van het fort. Aanvullend is in een onderzoek in beeld gebracht of het maximaal beoogde programma, dat voortvloeit uit het door de ontwikkelaar opgestelde Masterplan en in het voorliggende bestemmingsplan is vastgelegd de bestaande cultuurhistorische waarden van het fort voldoende in stand houdt.

Uit dit onderzoek (zie bijlage 16,Waardestelling Forteiland en planbeoordeling Fort bij Kudelstaart, projectnummer 21.105, 13 juli 2021) blijkt dat vier onderdelen enige impact hebben op een hooggewaardeerd onderdeel. Het gaat om de impact van: <0000> de inrit van de parkeergarage op de structuur van de omwalling; <0000> het noordwestelijke talud van het hoofdgebouw waarbij een eenlaags bouwvolume wordt geplaatst; <0000> vijf nieuwe doorgangen in bestaande grondgedekte wanden van de fortgebouwen; <0000> de starttoren op de contrescarp. Voor deze onderdelen geldt in extra mate dat zorgvuldigheid nodig is bij de vormgeving van deze onderdelen. De ontwerper moet zorgen voor een gebalanceerde vormgeving waardoor de hoge waarden van het fortcomplex niet onder druk komen te staan. De impact van de voorgestelde ingrepen is het grootst op de elementen en componenten van het fort die in de loop van de 20ste eeuw flink zijn aangepast en waarbij de gaafheid en authenticiteit hierdoor zijn aangetast. Doordat de impactvolle ingrepen plaatsvinden op plekken die een indifferente monumentwaarde kennen, ontstaan direct kansen om de uitstraling van het fort te verbeteren en de herkenbaarheid van Fort Kudelstaart als verdedigingswerk te vergroten. Het beoogde programma voor Fort Kudelstaart houdt de bestaande monumentwaarden in afdoende mate in stand.

Het aspect cultuurhistorie staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg. Archeologie Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg is het doel van het in 1992 gesloten Verdrag van Valletta (Malta) verwerkt, te weten: bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Tevens dient de financiering van het archeologisch onderzoek en het behoud in de bodem te worden geregeld. Kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. Verder wordt het verrichten van opgravingen aan de markt overgelaten. Door de wet heeft de gemeente een nieuwe wettelijke taak gekregen: bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de gemeente rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Dit houdt in dat de gemeente bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan moet onderzoeken of

de grond een archeologische waarde of verwachting bezit. In het bestemmingsplan kunnen archeologische voorschriften worden opgenomen wanneer de gemeente de grond bestemd heeft als archeologisch waardevol of onderzoeksgebied. De aanvrager van een omgevingsvergunning en een omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten moet zelf de kosten dragen voor het voldoen aan de archeologische voorschriften, uitgaande van het principe 'De verstoorder betaalt'. De aanvrager heeft recht op nadeelcompensatie van de gemeente wanneer de kosten onredelijk hoog zijn. Het principe dat de veroorzaker betaalt geldt uitsluitend wanneer de wet uitdrukkelijk bepaalt dat er een archeologisch voorschrift aan de vergunning kan worden verbonden. De volgende archeologische voorschriften worden in de wet genoemd: Het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in situ behouden blijven; De verplichting tot het doen van opgravingen; Het werk laten begeleiden door een deskundige. De provincie of het rijk kunnen in plaats van de gemeente bevoegd zijn om beslissingen te nemen over terreinen met archeologische resten. Het gaat daarbij om vergunningen voor ontgrondingen en om vergunningen inzake beschermde archeologische monumenten die voorkomen op de monumentenlijst van het rijk. Aan deze vergunningen kunnen dezelfde archeologische voorschriften worden verbonden.

Het rijk is ook het bevoegd gezag bij toevalsvondsten, waarvan sprake is wanneer er bij werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen. Vondsten met archeologische waarde dienen te worden aangegeven bij het provinciaal depot voor archeologie van de provincie Noord-Holland. Relevantie plangebied Naar aanleiding van de verkoop van het Fort is in opdracht van het Rijksvastgoedbedrijf archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 17, ¨Bureauonderzoek archeologie Plangebied Fort bij Kudelstaart¨, FKU/DIR/HAMA/150862, d.d. 15 oktober 2015. In dit onderzoek is nader ingegaan op de historische en archeologische waarden van het plangebied, de bouw van het Fort en het uitgraven van de omliggende gracht. Het gebied rondom het plangebied heeft een hoge verwachtingswaarde op archeologische resten uit de periode van de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Indien het veen bij het aanleggen van het Fort niet geheel is afgegraven geldt ook een lage verwachting voor archeologische resten uit de Vroege Prehistorie. Indien wordt besloten om bodemingrepen uit te voeren in het plangebied op de nog onbebouwde delen van het terrein wordt een aanvullend booronderzoek aanbevolen.

Voor de reeds bebouwde delen is dat niet noodzakelijk, aangezien de bodem van deze delen - die in het verleden reeds is afgegraven en waarvan de bebouwing op heipalen is aangebracht, waardoor eventuele archeologische resten in het verleden al zijn verstoord. Indien in het veen wordt gegraven is de kans op verstoring van mogelijke archeologische resten pas aanwezig indien dieper dan 7,5 m wordt gegraven. De herontwikkeling van het Fort voorziet niet in bodemingrepen van een dergelijke omvang, noch in die gebieden waar nog archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Er kan geen archeologieregime worden toegewezen in verband met de monumentenstatus van het fort. Bij werkzaamheden aan het fort dient een vergunning bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of de Provincie Noord - Holland aangevraagd te worden. Bij vergunningverlening worden de archeologische belangen meewogen bij alle grondroerende werkzaamheden. Er is dan ook geen archeologische dubbelbestemming opgenomen voor het Fort. De bescherming van dit gebied volgt uit de Erfgoedwet. Voor de niet monumentale onderdelen is op grond van de gemeentelijke beleidsnota archeologie een dubbelbestemming Waarde Archeologie 2 en 4 van toepassing.

6.8 Verkeer en parkeren Dit bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van het fort Kudelstaart. Er worden een aantal verkeersaantrekkende functies aan het plangebied toegevoegd. Ook wordt er voorzien in de realisatie van een parkeerkelder en daarmee een toename van het aantal bestaande parkeerplaatsen. Deze ontwikkelingen hebben effect op de verkeerssituatie van de omliggende wegen. Relevantie plangebied Goudappel Coffeng heeft onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke effecten van de herontwikkeling van Fort Kudelstaart op het omliggende wegennet en de uitvoerbaarheid ten aanzien van parkeren (zie bijlage 18 Fort Kudelstaart, verkeersonderzoek, Goudappel Coffeng, oktober 2021, kenmerk 009403.20210603.R1.03). Uit dit onderzoek blijkt het volgende. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie is voor zeven scenario’s afzonderlijk bepaald. De eerste vier scenario’s zijn inschattingen voor een representatief/dagelijks gebruik van het Fort op basis van het toegestane planologische programma. In de laatste drie scenario’s zijn meer extremen in beeld gebracht met dubbele bezettingen of grote bijeenkomst (scenario 5: bruiloft met 500 man). Het gaat daarbij dus om incidentele (besloten) activiteiten die op basis van het planologische programma mogelijk zijn. Uit het onderzoek blijkt dat de verschillende scenario’s verkeerskundig allemaal mogelijk zijn.

Op de omliggende kruispunten en wegen zorgt de voorgestane herontwikkeling van het fort niet voor problemen qua verkeersafwikkeling, ook in niet in het worst case berekende geval van een incidentele activiteit waarbij 500 bruiloftgasten aanwezig zouden zijn. Parkeren De parkeerbehoefte ligt voor de redelijk realistische/dagelijkse scenario’s (1 tot en met 4) met een maximum parkeerbehoefte van 195 ruimschoots onder het parkeeraanbod van in totaal 267 plekken (238 in de parkeergarage en 29 op het maaiveld). In de maximumscenario’s wordt het vaste parkeeraanbod bij een bruiloft met 500 bezoekers overschreden. De parkeervraag is in dat scenario 295 parkeerplekken. Met het gebruik van de tijdelijke parkeerplekken langs het trailerpad is het mogelijk om 28 extra parkeerplekken te realiseren, waarmee de parkeerbehoefte toch op eigen terrein te faciliteren is. Ditzelfde geldt wanneer een congres een mogelijke grillige parkeerbehoefte laat zien. Ook is in dat geval (uitgaand van het maximale kengetal voor een congres) de parkeerbehoefte met het gebruik van de tijdelijke parkeerplekken op te vangen. Het gaat hier om worst case scenarios die in de praktijk niet of nauwelijks zullen voorkomen. Ontsluiting Tot slot is de ontsluiting van het terrein verkeerskundig geanalyseerd.

Hieruit is geconcludeerd dat het wenselijk is een middenberm te realiseren om de oversteekbaarheid voor langzaam verkeer te verbeteren. Door de nieuwe functies, vooral voor de horeca, zullen er meer mensen met de fiets of te voet komen. Tevens wordt aangeraden om een kruis te plaatsen ten hoogte van de in- en uitrit, zodat de ontsluiting niet gehinderd wordt door de wachtrij van de om-en-om-regeling. De mogelijk te nemen maatregelen kunnen in de uitvoeringsfase genomen worden, ook omdat de gemeente eigenaar is van de betreffende gronden. Voor het laden en lossen wordt een maximum lengte van de voertuigen van 12 meter gehanteerd. Bakwagens en bussen met deze lengte kunnen nog keren op eigen terrein en daarmee veilig hun route op de openbare weg vervolgen. Voor de borging daarvan kan t.z.t. in de uitvoeringsfase van het project een verkeersbesluit worden genomen.

Het aspect verkeer en parkeren staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

6.9 Bedrijven en milieuzonering Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Daarnaast bepaalt de feitelijke (planologische) situatie eveneens in hoeverre bedrijven in de bestaande situatie reeds beperkt worden in hun bedrijfsvoering. De VNG-brochure wordt gebruikt als hulpmiddel (niet als blauwdruk) bij het opstellen van bestemmingsplannen met nieuwe milieugevoelige functies of nieuwe milieubelastende functies. Er bestaat geen plicht om de brochure te hanteren, wel is het een algemeen aanvaarde methode in Nederland gebleken. In de brochure zijn aan de verschillende bedrijfsactiviteiten, milieucategorieën en richtafstanden toegekend voor de aspecten gevaar, stof, geur en geluid. De afstanden zijn gebaseerd op een rustige woonwijk. Als er sprake is van een gemengd gebied mag er een afstandstrap minder worden gehanteerd.

Relevantie plangebied Het plangebied is, met uitzondering van de geluidszone van Schiphol-Oost, niet gelegen binnen een milieuzone van enig bedrijf. Daarnaast zijn er in het plangebied zelf geen bedrijven met een milieuzone aanwezig, behoudens het bestaande scheepsreparatiebedrijf bij de jachthaven, waar onderhoud aan boten voor de pleziervaart plaats vindt. Op grond van het vigerende bestemmingsplan is daar thans een bedrijf tot en met categorie 3.2 toegestaan. Op basis van de VNG-bedrijvenlijst heeft een dergelijk bedrijf in een gemengd gebied als het onderhavige een richtafstand van 50 m. Binnen deze afstand worden geen nieuwe gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Niettemin is dit bedrijf gelet op de voorgestane plannen van het Fort niet meer wenselijk en verdraagt deze zich niet goed met een hotelfunctie. Deze is dan ook wegbestemd. Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

6.10 Explosieven In het plangebied is sprake van een verhoogde kans op het aantreffen van achtergebleven Niet-Gesprongen Explosieven (NGE). Relevantie plangebied Enkele oorlogshandelingen hebben geleid tot het afbakenen van NGE-risicogebieden waarbinnen een verhoogd risico geldt door mogelijke aanwezigheid van NGE in de bodem. Fort Kudelstaart is een aangewezen NGE-risicogebied. Het fort diende ter afsluiting en verdediging van de Westeinderplassen. Het maakte deel uit van de zogenaamde Vuurlinie, waaruit ook de nabijgelegen forten Fort bij Aalsmeer en Fort bij De Kwakel bestaan. Het is gebleken dat via het toegangskanaal en de sluiskom munitieoverslag heeft plaatsgevonden van en naar Fort Kudelstaart. Daarnaast is er in 1946 een dekschuit met munitie omgeslagen, waardoor er NGE in het water zijn terechtgekomen. Tevens blijkt dat er munitie is terechtgekomen in het water van de fortgracht. Poolse krijgsgevangenen en Nederlandse burgers hebben vanaf de tweede brug over de gracht NGE in het water gegooid. In het risicogebied zijn mogelijk NGE

achtergebleven van KKM, hand- en geweergranaten, geschutmunitie, mijnen, ontstekingsinrichtingen, vernielingsmiddelen, vuurwerken en explosieve stoffen. Locatiegericht onderzoek In 2021 is nader onderzoek naar NGE verricht. Reden voor dit nadere onderzoek is o.a. geweest omdat de richtlijnen voor onderzoek naar achtergebleven explosieven met ingang van 2021 gewijzigd zijn. Dat heeft tot gevolg dat eerder uitgevoerde onderzoeken moeten worden heroverwogen. Uit het onderzoek (zie bijlage 19, Projectgebonden combinatieonderzoek ontplofbare oorlogsresten, Fort Kudelstaart te Aalsmeer, kenmerk 2103901_1417c1, Expload, 21 mei 2021) is gebleken dat het alleen het hieronder weergegeven gebied nog als verdacht moet worden aangemerkt.

NGE-risicogebieden Fort Kudelstaart Voor de betreffende gronden is in het bestemmingsplan een aanduiding "veiligheidszone - niet gesprongen explosieven' opgenomen. Deze aanduiding heeft tot gevolg dat bij bouw- en aanlegwerkzaamheden binnen dit gebied waarbij dieper wordt gegraven dan 1 m, onderzoek verricht dient te worden naar de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven.

6.11 Luchthavenindelingbesluit Het plangebied is gelegen in de nabijheid van de luchthaven Schiphol en daardoor gelegen in het beperkingengebied van het Luchthavenindelingbesluit (LIB). Het LIB legt beperkingen op aan ruimtelijke ontwikkelingen. Het betreft daarbij beperkingen met betrekking tot bouwhoogtes en beperkingen met betrekking tot functies. Het oorspronkelijke Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) is op 31 augustus 2004 gewijzigd in werking getreden. Met het LIB wordt in kaartmateriaal een zogenaamd beperkingengebied vastgesteld. Het LIB bevat voor dat beperkingengebied regels waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de bebouwing en het gebruik van

gronden, voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en de geluidsbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven Schiphol. Per 4 november 2015 is een wijziging van het Luchthavenindelingbesluit (LIB) in werking getreden (Staatsblad met nr. 389). Doel van deze wijziging is om de vliegveiligheid rondom Schiphol in afdoende mate te borgen. Hiervoor zijn de zogenaamde toetshoogtes in de omgeving van Schiphol aanzienlijk verlaagd. Bestemmingsplannen dienen deze verlaagde toetshoogtes in acht te nemen. Gebouwen hoger dan de toetshoogtes kunnen alleen toegestaan worden indien het Rijk hiervoor een verklaring van geen bezwaar (v.v.g.b.) heeft afgegeven. Het instrument 'radar advies' is een nieuw instrument naast het reeds bestaande v.v.g.b. Voor de radartoets gelden afzonderlijke toetshoogtes; deze zijn opgenomen in een nieuwe kaart in bijlage 4a bij het LIB. De procedures - in het kader van een aanvraag om omgevingsvergunning - voor een v.v.g.b. en een radaradvies gelden allebei afzonderlijk van elkaar maar kunnen ook samenvallen wanneer verschillende toetsvlakken worden doorsneden.

De hierboven genoemde beperkingen betreffen: <0000> de bebouwing en het gebruik van grond in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchtverkeer (artikel 2.2.1, 2.1.1b); <0000> de bebouwing en het gebruik van grond in verband met de geluidbelasting vanwege het luchtverkeer (artikel 2.2.1a, 2.2.1c); <0000> de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met de veiligheid van het luchtverkeer (artikel 2.2.2, 2.2.2a); <0000> bebouwing die, of van een gebruik dat, vogels aantrekt, in verband met de veiligheid van het luchtverkeer (artikel 2.2.3). Op 1 januari 2018 is het gewijzigde LIB in werking getreden. De regelwijziging ziet op een eigen bevoegdheid voor het lokaal bestuur om binnen bestaand stedelijk gebied woningen toe te voegen. In het gebied binnen zone 4 blijft wel de grens van 25 woningen of 3 woningen binnen lintbebouwing per bouwplan gehandhaafd. In het bestaand stedelijk gebied tussen de grens van zone 4 en de 20 Ke-contour gelden nu en ook onder het regime van het nieuwe LIB geen kwantitatieve beperkingen aan woningbouw (artikel 2.2.1d). In het landelijk gebied zal een verbod op nieuwe woningbouwlocaties worden verankerd in het LIB. Relevantie plangebied Binnen het plangebied gelden beperkingen ten aanzien van hoogte tot maximaal 53 meter voor bebouwing en tot 50 meter voor radar.

Daarnaast zijn in het plangebied geen vogelaantrekkende functies toegestaan, zoals: industrie in de voedingssector met extramurale opslag of overslag, viskwekerijen met extramurale bassins, opslag of verwerking van afvalstoffen met extramurale opslag of verwerking, natuurreservaten of vogelreservaten, moerasgebieden of oppervlaktewater groter dan 3 hectare. De op basis van dit bestemmingsplan toegestane hoogten blijven binnen deze toegestane hoogten op basis van het Lib. Ook worden binnen het bestemmingsplan geen bestemmingen mogelijk gemaakt die een vogelaantrekkende werking hebben. Het Luchthavenindelingbesluit staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

6.12 Vormvrije m.e.r-beoordeling

Op 1 april 2017 is het Besluit m.e.r. aangepast. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het gewijzigde besluit is op 7 juli 2017 in werking getreden en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er toch een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. In onderdeel D van het Besluit m.e.r. worden in categorie D10 de aanleg, wijziging of uitbreiding van (b.) jachthavens en (c.) hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen genoemd. De drempelwaarde voor een formele m.e.r.-beoordeling in het Besluit m.e.r. ligt voor beide activiteiten op: 250.000 bezoekers of meer per jaar, een oppervlakte van 25 hectare of meer, 100 ligplaatsen of meer of een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied. Deze drempelwaarden worden niet behaald. Het plangebied is 1,4 hectares groot (landoppervlakte), de jachthaven wordt uitgebreid met 78 ligplaatsen en het businessplan gaat uit van 125.000 bezoekers per jaar bij stabiele exploitatie. In onderdeel D van het Besluit m.e.r.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=aalsmeer&id=744917a0-7070-4f8d-9821-88e085f653c2