Agendabundel
Tekst van het document
de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 5.4.5 Beoordelingscriteria De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgelegd. Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen wordt een archeologische deskundige om advies gevraagd. 5.5 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de situering en de inrichting van de gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse beschermingswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Toepassing van deze bevoegdheid mag niet leiden tot een onevenredige beperking van het meest doelmatige gebruik.
Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS
Artikel 6
anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 7
Algemene bouwregels
7.1 Toegelaten overschrijdingen Het is toegestaan de in dit plan aangegeven bestemmings-, bouwgrenzen en/of hoogtematen te overschrijden: a. ten behoeve van toegangen van bouwwerken, luifels, stoepen, stoeptreden, reclame-uitingen, vrijhangende balkons (al dan niet ondersteund door kolommen) bij woongebouwen, gaanderijen en funderingen en daarmee gelijk te stellen onderdelen van gebouwen, voor zover de bouwgrens met niet meer dan 2.50 meter wordt overschreden en deze onderdelen van gebouwen niet worden opgericht op gronden, bestemd voor verkeer en tevens een niet te bebouwen strook van 1 meter in acht wordt genomen ten opzichte van de gronden, bestemd voor verkeersdoeleinden; b. vrijhangende balkons, gaanderijen, luifels en reclame-uitingen boven een verkeersbestemming is mogelijk indien er een vrije hoogte aanwezig is van 4,20 m boven de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg en een minimale vrije hoogte van 2,20 m boven een ander deel van de weg; c. ten behoeve van plaatselijke verhogingen op gebouwen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, trappenhuizen en lichtkappen, alsmede technische voorzieningen, mits: I. de oppervlakte van de vergroting niet meer dan 25% van de oppervlakte van het dak(vlak) bedraagt; II. de hoogte niet meer dan 5 meter van de maximale (bouw)hoogte van het betreffende gebouw. d.
ten behoeve van ondergeschikte bouwdelen bij woonarken, als zonnepanelen, plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons, overstekende daken, overstekken, loopranden, gangboorden en stootranden voor zover de bouwgrens met niet meer dan 0,5 meter wordt overschreden. 7.2 Algemene regels voor ondergronds bouwen Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels: a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met uitzondering van voorzieningen van algemeen nut; b. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse werken bedraagt maximaal 4 meter onder peil; c. bij het berekenen van de blijkens de digitale verbeelding of deze regels geldende bebouwingspercentages, of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen; d. het realiseren van ondergrondse bouwwerken mag geen nadelige effecten hebben op de archeologische waarden en de bodem- en waterhuishouding. Hiertoe dient de aanvrager (vooraf) een watervergunning aan te vragen bij de Waterbeheerder.
Artikel 8
Algemene afwijkingsregels
Met een omgevingsvergunning kan afgeweken worden van: a. de in de bestemmingsregels opgenomen maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, uitsluitend indien dit nodig is voor een technische betere realisering van het plan. Dit is niet van toepassing bij toegelaten binnenplanse afwijkingen en woonarken; b. de bestemmingsregels en toestaan dat de inrichting van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of verkeersintensiteit daartoe aanleiding geven; c. de bestemmingsregels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; d. de bestemmingsregels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 meter; e. de bestemmingsregels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 40 meter; f. de bestemmingsregels ten behoeve van het oprichten van ondergrondse kelderruimte, met dien verstande dat: I. bestemmingsvlak dienen te worden gerealiseerd en conform de bestemming te worden gebruikt; II.
het realiseren van ondergrondse bouwwerken geen nadelige effecten mag hebben op de bodem- en waterhuishouding. Hiertoe dient de aanvrager (vooraf) een watervergunning aan te vragen bij de Waterbeheerder; g. de bestemmingsregels ten behoeve het bouwen van kleine niet voor bewoning bestemde gebouwtjes ten behoeve van de dienstverlening van overheidswege, het openbaar bestuur en openbare nutsbedrijven, zoals transformatorhuisjes, telefooncellen, gemaalgebouwtjes en wachthuisjes voor verkeersdiensten, mits de inhoud per gebouwtje niet meer bedraagt dan 50 m³ en de bouwhoogte niet meer dan 4 meter; h. de bestemmingsregels ten behoeve van het realiseren van groene daken op hoofdgebouwen, dan wel bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat: I. de overschrijding van de voorgeschreven goot- en/of bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10%; II. deze overschrijding met 10% heeft slechts betrekking op de extra (constructieve) opbouw op een dak dat nodig is om een groendak te kunnen toepassen, exclusief beplanting; III.groene daken mogen niet als dakterras of daktuin worden gebruikt als deze worden toegepast op woningen. Bij andere gebouwen dan woningen wordt het gebruik van een groendak als dakterras of daktuin per geval beoordeeld, waarbij vooral de privacy van naburige woonpercelen niet nadelig mag worden beïnvloed. Geen omgevingsvergunning wordt verleend indien: i.
daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan (bijvoorbeeld door schaduwwerking) aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; j. dit leidt tot aantasting van de ruimtelijke karakteristiek ter plaatste.
Artikel 9
Luchtvaartverkeerzone LIB artikel 2.2.1
9.1 Omschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone-lib artikel 2.2.1 nr. 4' gelden beperkingen voor bebouwing en gebruik als bedoeld in het Luchthavenindelingbesluit. 9.2 Bouwregels Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone-lib artikel 2.2.1 nr. 4' gelden de beperkingen met betrekking tot bebouwing zoals gesteld in artikel 2.2.1c van het 'Luchthavenindelingbesluit Schiphol'. 9.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9.2 indien de minister van Infrastructuur en Milieu een verklaring van geen bezwaar afgeeft zoals bedoeld in artikel 8.9 van de Wet luchtvaart. 9.4 Gebruiksregels Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone-lib artikel 2.2.1 nr. 4' gelden de beperkingen met betrekking tot bebouwing zoals gesteld in artikel 2.2.1c van het 'Luchthavenindelingbesluit Schiphol'. 9.5 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9.4 indien de minister van Infrastructuur en Milieu een verklaring van geen bezwaar afgeeft zoals bedoeld in artikel 8.9 van de Wet luchtvaart.
Artikel 10
Luchtvaartverkeerzone LIB artikel 2.2.2
10.1 Omschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone-lib artikel 2.2.2', zoals aangegeven op bijlage 1 van de planregels, gelden beperkingen met betrekking tot toetshoogten van gebouwen, andere bouwwerken geen gebouwen zijnde en objecten als bedoeld in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol. 10.2 Bouwregels Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone-lib artikel 2.2.2' gelden beperkingen met betrekking tot de hoogte van gebouwen, andere bouwwerken geen gebouwen zijnde en objecten, zoals gesteld in artikel 2.2.2 van het 'Luchthavenindelingbesluit Schiphol'. 10.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.2 indien de minister van Infrastructuur en Milieu een verklaring van geen bezwaar afgeeft zoals bedoeld in artikel 8.9 van de Wet luchtvaart.
Artikel 11
Luchtvaartverkeerzone LIB artikel 2.2.2a
11.1 Omschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone-lib artikel 2.2.2a', zoals aangegeven in bijlage 2 van de planregels, gelden beperkingen van hoogten ter bescherming van het functioneren van radarapparatuur als bedoeld in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol. 11.2 Bouwregels Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone-lib artikel 2.2.2a' gelden beperkingen met betrekking tot de hoogte van gebouwen, andere bouwwerken geen gebouwen zijnde en objecten, zoals gesteld in artikel 2.2.2a van het 'Luchthavenindelingbesluit Schiphol'. 11.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 11.2 indien uit een advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport blijkt dat het object geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer.
Artikel 12
Luchtvaartverkeerszone LIB artikel 2.2.3
12.1 Omschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'Luchtvaarverkeerzone-LIB artikel 2.2.3', zoals aangegeven in bijlage 3 van de planregels, gelden beperkingen met betrekking tot de vogelaantrekkende werking als bedoeld in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol. 12.2 Specifieke gebruiksregels Ter plaatse van de aanduiding 'Luchtvaarverkeerzone-LIB artikel 2.2.3' gelden beperkingen met betrekking tot de vogelaantrekkende werking zoals gesteld in artikel 2.2.3 van het 'Luchthavenindelingbesluit Schiphol'. 12.3 Afwijken van gebruiksregels Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 12.2 indien de minister van Infrastructuur en Milieu een verklaring van geen bezwaar afgeeft zoals bedoeld in artikel 8.9 van de Wet luchtvaart.
Artikel 13
Overige regels
13.1 Wettelijke regelingen Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar een wet, een algemene maatregel van bestuur, een verordening, een richtlijn of een andere (wettelijke) regeling niet zijnde de 'Nota Parkeernormen Aalsmeer', dan geldt deze wet, algemene maatregel van bestuur, verordening, richtlijn of andere (wettelijke) regeling, zoals die luidt dan wel van kracht is op het moment van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan. 13.2 Voorrangsregels 13.2.1 Voorrang dubbelbestemming In het geval van strijdigheid van belangen tussen een bestemming en een dubbelbestemming, gaat het belang van een dubbelbestemming voor.
Hoofdstuk 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS
Artikel 14
overgangsrecht
14.1 Overgangsrecht bouwwerken Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning of een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 14.2 Afwijken Met een omgevingsvergunning kan eenmalig afgeweken worden van lid 14.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 14.1 met maximaal 10%. 14.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken Lid 14.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 14.4 Overgangsrecht gebruik Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
14.5 Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 14.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 14.6 Verboden gebruik Indien het gebruik, bedoeld in lid 14.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 14.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik Lid 14.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.
Artikel 15
slotregel
Deze regels kunnen worden aangehaald als: Regels van het "bestemmingsplan Uiterweg 358". Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van De griffier, de voorzitter,
Bijlagen bij regels Bijlage 1 Te slopen bebouwing
Bijlage 2 Toetshoogte
Bijlage 3 Radarhoogte
Bijlage 4 Vogelbeperking
TE BEHOUDEN LOODS
(DEELS) AL GEAMOVEERD 3647
240m 2 95m 2 3869
3648
REEDS G EAM OVEERD 50m 2
TE AMOVEREN
370
140m 2
358A
356
3649
90m 2
354
358 2434
TE AMOVEREN WOONHUIS
BESTEMMINGSWIJZ.
ALLE MATEN DIENEN IN HET WERK GECONTROLEERD TE WORDEN!!
N S IT U ATIE (b e st a a n d ) kad. gem. sectie. nummer.
: Aalsmeer :H : 3647, 3648, 3649, 3869 : Bebouwing : erfgrens
Machineweg 82 1432 ET, Aalsmeer t. e. i.
+31(297)301 270 info@nowadesign.nl www.nowadesign.nl
DESIGN STUDIO
S C H A A L 1:5 0 0
Project:
Opdrachtgever:
Bestemmingswijziging Uiterweg 358 1431 AX, Aalsmeer
Dhr. Den Breejen Uiterweg 358 1431 AX, Aalsmeer
Projectnummer:
Onderdeel:
Wijziging:
Datum:
Situatie bestaand
A:
18-08-2023 J.E.
Getekend:
Datum:
B:
-
-
J.E.
16-06-2023
C:
-
-
Formaat:
Schaal:
Units:
D:
-
-
A3_L
1:500
mm
E:
-
-
020081 Door:
Bladnummer:
BA-003
De tekening is eigendom van studio Now-a B.V. Zonder schriftelijke toestemming van studio Now-a B.V. mag niets van deze tekening worden gereproduceerd, gekopieerd of anderzins gebruikt worden. Maten dienen in het werk gecontroleerd te worden. ©2023 studio NOWA.
P:/Projecten/uiterweg56/Drawings/DrawingsCAD/BA/WE-016002-01.vwx
UITERWEG
LUCHTHAVENINDELINGBESLUIT 2014 LIB ART. 2.2.2 BIJLAGE 4 MAATGEVENDE KAART TOETSHOOGTES
-3.6
5
10
5
-4.6
11.3
10
15
5
10 15.8
15 15
5
11.3
20 20 15.9 25
5
10
25
5 11.3 15
10
41
11.3 20 15 15.9 25 25 15.9
20
26 25
30
30 30 35 25
30
35
26 35
40
26
30 30 40 30
35 35
41
30
40 35 40
41
40 45
45 45 50 50
55 60
50
60 55 80
55
65
85 90 85
60
95 60 100
90 95
100 65
65
105
100
90 95
110
105
100
105
115 110
110
105
115
115
110
120 120
115 125 125 120
130 135
125
130
130 135 135 140
146
BIJLAGE
145
REGELS
GRENS BESTEMMINGSPLAN UITERWEG 358
TOETSHOOGTES T.O.V. NAP: -5
-4.6
-
0 m. NAP
0 -
20 m. NAP
41
55
40 - 60 m. NAP
120 125 130
60 - 80 m. NAP
146
100 - 146 m. NAP
60 15.9
15
146 m. NAP
90 26
30
20 - 40 m. NAP
95
80 - 100 m. NAP
IN WERKING 04 - 11 - 2015
LUCHTHAVENINDELINGBESLUIT 2014 LIB ART. 2.2.2A BIJLAGE 4a TOETSHOOGTES I.V.M. RADAR
24.8
26 27 28
29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 60 55
61 62
56
63
57
64
58
65 66
59
67
60
68 69
61
70
62 63 64 65 66 67
BIJLAGE
68
REGELS
GRENS BESTEMMINGSPLAN UITERWEG 358
TOETSHOOGTES T.O.V. NAP: 24.8
44
30
45
31
46
40 - 60 m. NAP
60 - 80 m. NAP
62 63
20 - 40 m. NAP
IN WERKING 04 - 11 - 2015
LUCHTVAARTVERKEERZONE LIB ART. 2.2.3 VOGELBELEID
BIJLAGE REGELS
PLANGEBIED BESTEMMINGSPLAN UITERWEG 358
BEPERKING AANTREKKEN VOGELS (OVEREENKOMSTIG BIJLAGE 5 LUCHTHAVENINDELINGBESLUIT) ALS BEDOELD IN ART. 2.2.3
TOELICHTING
HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doelstelling Bij de gemeente Aalsmeer is een aanvraag voor een bestemmingsplanwijziging voor de Uiterweg 358 binnengekomen. Het plangebied is bij de gemeente Aalsmeer kadastraal bekend als sectie H, nummers 3647, 3648, 3649, 3869. Het perceel is gelegen aan het einde van de Uiterweg aan de zijde van de Ringvaart.
Afb. 1: Kadastrale secties plangebied
De huidige eigenaar van het perceel is voornemens de oude woning en overbodige bedrijfsbebouwing te slopen en een nieuwe woning te realiseren centraal op het perceel. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid het perceel een kwaliteitsimpuls te geven. Doel van dit bestemmingsplan is om de oorspronkelijke bedrijfsbestemming met bouwrechten voor de bedrijfsbebouwing te schrappen en in het bebouwingslint een nieuwe woning te realiseren. Dit binnen de mogelijkheden van het lintenbeleid van de gemeente Aalsmeer. Van toepassing op de projectlocatie is het bestemmingsplan “UiterwegPlasoevers 2021". Binnen dit bestemmingsplan heeft de projectlocatie de bestemmingen ‘Bedrijf’ en 'Wonen Lintbebouwing'. Het bouwplan is hiermee in strijd. Om de onderhavige ontwikkeling mogelijk te maken is de gemeente bereid het bestemmingsplan aan te passen.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de westzijde van Aalsmeer aan het einde van de Uiterweg. De locatie ligt aan de noordzijde van de weg ingeklemd tussen de Uiterweg en de Ringvaart. De Uiterweg is een lange doodlopende straat in het gebied dat is genaamd ‘De Bovenlanden’. Dit is het gebied tussen de Ringvaart en de Westeinderplassen bestaande uit vele eilanden. Kenmerkend zijn de langgerekte smalle kavels die voornamelijk ten behoeve van de tuinbouw en waterrecreatie intensief worden gebruikt (zie afbeelding 2). De natuurlijke opbouw, de ontginningsgeschiedenis, de ontwikkelingen in de tuinbouw en
de wijze waarop het gebied is ingericht met woningen, bedrijvigheid, scheepswerven en jachthavens heeft geleid tot een gedifferentieerd ruimtegebruik. Veel percelen aan de Uiterweg zijn voornamelijk gericht op het water. Ten noorden van deze percelen ligt de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder. Ten zuiden liggen de Westeinderplassen, bestaande uit de ‘Grote Poel’ en de ‘Kleine Poel’.
Afb. 2: plangebied in groter verband
1.3 Geldende bestemmingsplannen Het plangebied maakt deel uit van het bestemmingsplan “UiterwegPlasoevers 2021”. Zie voor een uitsnede van de verbeelding behorend bij dit bestemmingsplan afbeelding 3. Aan het plangebied zijn de bestemmingen ‘Bedrijf', 'Wonen Lintbebouwing' en een smalle strook 'Water 2' toegekend. Er geldt tevens een dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 2' en een viertal gebiedsaanduidingen die zijn gerelateerd aan zijn aan het Luchthavenindelingbesluit. Zoals te zien in afbeelding 3 ligt het bestemmingsvlak 'Wonen Lintbebouwing' met een evengroot bouwvlak direct tegen de noordoostelijke perceelgrens. Binnen dit bouwvlak mag een woning gebouwd worden met een goot en bouwhoogte van 4,5 resp. 10 meter. Het overige deel van het perceel heeft de bestemming ' Bedrijf'. Deze gronden zijn voorzien van een bouwvlak welke voor maximaal 60% bebouwd mag wordem met een goot en bouwhoogte van 6 resp. 9 meter. De te realiseren nieuwe woning ligt centraler op het perceel binnen de bedrijfsbestemming. De overige gronden hebben ook de bedrijfsbestemming maar dienen gebruikt te worden als bij de woning behorend erf. Dit is in strijd met het bestemmingsplan.
Voor de ontwikkeling wordt het plangebied, met uitzondering van de strook water, herbestemd naar 'Wonen Lintbebouwing' met een bouwvlak en wordt de oorspronkelijke bouw en gebruiksrechten van de bedrijfsbestemming én het oude bouwvlak voor de woning geschrapt.
Afb. 3: planologie plangebied
Ter plaatse geldt ook het Paraplubestemmingsplan Kamerverhuurbedrijf Aalsmeer. Dit plan herziet een aantal begrippen en geeft een aanvullende regel voor bestemmingen die de functie kamerverhuurbedrijven mogelijk maakt. Degelijke bestemmingen komen in het dit bestemmingsplan niet voor. Deze geldende bestemmingsplannen komen met het in werking treden van dit bestemmingsplan (gedeeltelijk) te vervallen.
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk twee worden de uitgangspunten van het ruimtegebruik voor de komende tien jaar gegeven. Hoofdstuk drie bevat de juridische vertaling van de visie van het bestemmingsplan. In hoofdstuk vier komt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aan bod. Om een indruk te krijgen wat met het bestemmingsplan wordt beoogd en hoe het juridisch vertaald wordt, is het lezen van deze hoofdstukken voldoende. Hoofdstuk vijf tot en met zeven geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de planopzet. In hoofdstuk vijf wordt een beschrijving van het plangebied gegeven. Hoofdstuk zes gaat verder in op de beleidskaders. In het laatste hoofdstuk komen de omgevingsaspecten aan bod.
HOOFDSTUK 2 VISIE PLANGEBIED 2.1 Uitgangspunten Het uitgangspunt van het onderhavige plan is om een kwaliteitsimpuls te geven aan het omliggende gebied, mede door bedrijfsbebouwing te slopen, potentiele hinder van bedrijfsactiviteiten weg te nemen en de lintstructuur te versterken door de verouderde woning te vervangen en centraler te positioneren.
2.2 Functionele en ruimtelijke uitwerking De eigenaar van het perceel is voornemens het perceel om te zetten naar een woonkavel voor een nieuw (te vervangen) woonhuis. De bedrijfsactiviteiten zijn al enige tijd gestopt. Op de locatie is planologisch maximaal een bedrijf in de milieucategorie 2 toegestaan. Ook de kamergewijze verhuur van de oude te slopen woning en bewoning van een bedrijfsruimte welke in strijd met het bestemmingsplan is, wordt beeindigd. Op het perceel zal de bestaande woning van 90m2, die dicht op de noordoostelijke perceelgrens staat, worden gesloopt. Ook zal/is het grootste deel van de bedrijfsbebouwing worden gesloopt. De aan het woonhuis verbonden bedrijfsruimte van 140 m2 én 90 m2 van de loods achter op het terrein wordt gesloopt. Eerder is ook al 145 m2 bedrijfsbebouwing gesloopt. Het totaal aan te slopen bedrijfsbebouwing komt op 375 m2. In de nieuwe situatie zal centraal op het perceel en op een iets ruimere afstand van de Uiterweg een nieuw woonhuis worden gerealiseerd. Het woonhuis heeft een breedte en bouwdiepte van 12 resp. 15 meter en een goot en bouwhoogte van 2,84 resp. 9,39 meter hoog. De afstanden tot de zijdelingse perceelgrenzen worden vergroot tot minimaal 5 meter aan beide zijde. De voorgevelrooilijn ligt op 7 meter uit de voorste perceelgrens. Het deel van de bedrijfsloods dat niet wordt gesloopt bedraagt 150 m2.
De goot en bouwhoogte van die loods is circa 2,5 resp. 4,5 meter. Deze loods zal als bij de woning behorende bouwwerk worden gebruikt. Schuin achter de woning wordt voorzien in voldoende parkeerruimte.
Afb. 4 Bestaande en nieuwe situatie
Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan de maximale, volgens het geldende beleid (lintenbeleid) gegeven, mogelijkheden, zal vastleggen zodat er enige flexibiliteit wordt geven voor een verdere uitwerking van het bouwplan. Dit is conform de manier waarop de woningen langs de Uiterweg in het geldende bestemmingsplan zijn bestemd.
2.3 Motivatie gemaakte keuzes In de structuurvisie Uiterweg (2015) wordt de koers voor het gebied rond de Uiterweg vastgesteld. In z’n algemeenheid is het Uiterweggebied gediend bij een extensieve bebouwing. Waar mogelijk wordt een wezenlijke ‘ontstening’ als voorwaarde gesteld voor een bouwinitiatief. Transformeren naar wonen is niet per definitie voorzien in de structuurvisie. Niet in alle gevallen is een transformatie naar een recreatief/toeristische bedrijfsvoering vanuit de eigenaar gewenst. In dit geval blijft het lintenbeleid ook gewoon van kracht. In combinatie hiermee helpt het wel bij het realiseren van de doelstelling van 'ontstenen'. Aangezien de Uiterweg een historisch lint is is ook het Aalsmeerse lintenbeleid van toepassing. Het doel van het lintenbeleid is het behouden en versterken van doorzichten op landschappelijk waardevolle locaties (zoals het bovenland). Daarnaast is het doel het handhaven van de bebouwingsritmiek van de Uiterweg. Aan de Uiterweg in het lint zal de bestaande woning en het overgrote deel van de bedrijfsbebouwing worden gesloopt. Er is gekozen om de voorgevelrooilijn van de nieuwe woning op een grotere afstand te plaatse van de Uiterweg en meer maat te houden van de zijdelingse perceelgrenzen. In de huidige situatie is de woning op de voorste perceelgrens gebouwd waardoor er nauwelijk een voortuinzone is.
De afmetingen van de bebouwing blijft binnen de kaders zoals gesteld in het lintenbeleid. Ten aanzien van het bebouwen van achtererf gaat het Lintenbeleid in beginsel uit van de mogelijkheden die vergunningsvrij worden geboden. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan gemotiveerd worden afgeweken. De oppervlakte van de te slopen bedrijfsbebouwing is niet zo fors dat er reden is een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken toe te staan. Tevens is de oppervlakte van het woonperceel ook niet overdreven groot. De oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken dat overblijft en de hoogte daarvan voldoet aan de standaard regels die op dergelijke woonpercelen van toepassing is in het Uiterweggebied (bestemming Wonen Lintbebouwing en Lintenbeleid. Overigens is het wel zo dat indien tot maximaal 150 m2 aan voormalige bedrijfsbebouwing wordt gebruikt als bij de woning behorende bijbehorende bebouwing de vergunningvrije mogelijkheden voor het uitbouwen van de woning zijn opgesoupeerd.
HOOFDSTUK 3 PLANOPZET 3.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald. In het voorgaande hoofdstuk is beschreven welke ontwikkelingen in het plangebied plaatsvinden. In dit hoofdstuk wordt aangegeven welke juridischplanologische instrumenten daarbij worden ingezet. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) die per 1 juli 2008 in werking is getreden verplicht gemeenten tot het opstellen van een bestemmingsplan voor het gehele grondgebied. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. Deze onderdelen zijn bindend voor de burger. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De toelichting is niet juridisch bindend, maar wordt als handvat en beleidskader/interpretatiekader voor het bestemmingsplan gebruikt.
De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Aalsmeer. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan.
3.2 De bestemmingen Voor de keuze van de bestemmingen en de inhoud daarvan wordt aangesloten bij de bestemmingen die voor dezelfde functies in het bestemmingsplan "UiterwegPlasoevers 2021" zijn opgenomen. De bestemmingen zijn wel ontdaan dan aanduidingen die in dit plan niet van toepassing zijn. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) hierin worden de begrippen gedefinieerd die in de planregels worden gebruikt. Wijze van meten (artikel 2) hierin wordt aangegeven hoe de diverse maten worden gemeten en de inhoud en oppervlakte van bouwwerken worden berekend om zo een eenduidige toepassing van de bebouwingregeling te bewerkstelligen. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Water 2 (artikel 3) De voor 'Water 2' aangewezen gronden betreffen over het algemeen kavelsloten zijn onder andere bestemd voor waterlopen, waterplassen en recreatiewater, en watergerelateerde functies. Wonen Lintbebouwing (artikel 4) De voor 'Wonen Lintbebouwing' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in woongebouwen, al dan niet in combinatie met uitoefenen van een aan huis verbonden beroep of bedrijf en tuinen en erven met daarbij mogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken. Deze type woonbestemming wordt gebruikt met oog voor de
cultuurhistorische en aanverwante architectonische waarden gerelateerd aan het 'lint'. De bestemmings voorziet tevens in een aantal voorwaardelijke verplichtingen zodat bij vergunningverlening voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd wordt en aan de sloopverplichting wordt voldaan. WaardeArcheologie 2 (artikel 5) Als dubbelbestemming is opgenomen archeologie. De primaire bestemming mag de belangen welke worden behartigd binnen de dubbelbestemming niet onevenredig schaden. Hiervoor is in de planregels een regeling opgenomen. Hoofdstuk 3 Algemene regels Antidubbeltelregel (artikel 6) Deze bepaling dient om te voorkomen dat bijvoorbeeld een grondoppervlak dat in een bepaald geval al eens als berekeningsgrondslag voor de toelaatbare oppervlakte aan bebouwing heeft gediend, later nog eens als berekeningsgrondslag voor een ander bouwwerk wordt gebruikt, maar dat dan tot gevolg heeft dat in het eerste geval een situatie ontstaat die afwijkt van het plan. Algemene bouwregels (artikel 7) In dit artikel (toegelaten overschrijdingen) wordt aangegeven in welke gevallen de in dit plan aangegeven bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen en/of hoogtematen overschreden mogen worden. Dit betreffen bijvoorbeeld liftkokers, schoorstenen en balkons.
Algemene afwijkingsregels (artikel 8) In dit artikel wordt bepaald in het kader van welke algemene afwijkingen in het plangebied gebruik gemaakt kan worden. LuchtvaartverkeerszoneLIB (artikel 9 t/m 12) Hier wordt aangegeven waar de gronden binnen de gebiedsaanduidingen en vrijwaringszones (Luchtvaartverkeerzones LIB) voor bedoeld zijn. Overige regels (artikel 13) Dit artikel spreekt voor zich. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 14) Samengevat wordt hierin gewaarborgd dat bouwwerken en gebruiksvormen die bij de totstandkoming van het plan reeds bestaan, maar nu in strijd raken met het plan, mogen blijven bestaan. Daarbij wordt het hierin mogelijk gemaakt om op te treden tegen eerder ontstaan illegaal gebruik. Slotregel (artikel 15) Voor de duidelijkheid, o.a. bij benoeming en verwijzing, is hierin een eenduidige naam voor het gehele plan inclusief de toelichting aangegeven.
HOOFDSTUK 4 UITVOERBAARHEID 4.1 Economische uitvoerbaarheid 4.1.1 Financieel-economische haalbaarheid De realisatie van de in dit bestemmingsplan rechtstreeks mogelijk gemaakte ontwikkelingen is in handen van de ontwikkelende partij. Niet is gebleken dat de ontwikkelende partij over onvoldoende middelen beschikt om de bedoelde ontwikkelingen te kunnen realiseren vergoeding van de ambtelijke kosten aan de gemeente te voldoen. Het is niet aannemelijk dat dit bestemmingsplan planschade tot gevolg heeft voor omwonenden. De woonfunctie is al aanwezig en de bouwrechten zijn beperkter dan in het voorgaande bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is derhalve economisch uitvoerbaar. 4.1.2 Verhaal van kosten In het besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn regels opgenomen over de grondexploitatie. Deze regels verplichten tot kostenverhaal door de gemeente als een bouwplan zoals aangegeven in artikel 6.2.1 Bro wordt mogelijk gemaakt. De realisatie van een woning is een beginsel een bouwvlak waarvoor kostenverhaal verplicht is. In deze situatie is echter al een bouwtitel van een woning aanwezig, er wordt dus geen bouwrecht toegevoegd. Op grond van het Bro behoeft daarom geen anterieure overeenkomst of exploitatieplan te worden opgesteld.
4.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 4.2.1 Inspraak Gelet op de beperkte ruimtelijke impact van het bestemmingsplan op de omliggende bebouwing hebben burgemeester en wethouders besloten om op grond van artikel 2 lid 1 van de Algemene inspraak en participatieverordening Aalsmeer 2010 af te zien van inspraak over dit plan. 4.2.2 Bro-partners In het kader van het wettelijk vooroverleg op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerp toegezonden aan: provincie NoordHolland Hoogheemraadschap Rijnland De toezending is gedaan met het verzoek om binnen twee weken te reageren en met de mededeling, dat indien niet binnen die termijn zal zijn gereageerd, wordt aangenomen, dat het voorontwerp bestemmingsplan geen aanleiding heeft gegeven tot het maken van opmerkingen. Naar aanleiding van het voorontwerp bestemmingsplan heeft de Provincie NoordHolland aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het bestemmingsplan. Van het Hoogheemraad is geen reactie ontvangen.
4.2.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 15 december 2023 tot en met 25 januari 2024 ter inzage gelegen als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Tijdens deze termijn zijn geen zienswijzen ingediend.
4.3 Handhaving Uit de planregeling volgt geen directe opgave voor handhaving. Op de planlocatie zijn een aantal gevallen van gebruik geconstateerd dat in strijd is met het bestemmingsplan. De huidige oude woning wordt verhuurd ten behoeve van kamergewijze verhuur aan meer dan 4 personen. De eigenaar van de deze woning woont in het aangebouwde bedrijfsgebouw en het vrijstaande bedrijfsgebouw wordt niet meer overeenkomstig de bedrijfsbestemming gebruikt maar wordt ter vergroting van het woongenot gebruikt. Het strijdige woongebruik wordt beeindigd wanneer uitvoering wordt gegeven aan dit bestemmingsplan. Het gebruik als bij de nieuwe woning behorend bouwwerk (te verkleinen bedrijfsloods) wordt met dit bestemmingsplan gelegaliseerd.
HOOFDSTUK 5 BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE PLANGEBIED Dit is een beschrijving van de huidige situatie van het plangebied. Alle ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt met dit bestemmingsplan zijn al behandeld in hoofdstuk 2
5.1 Ruimtelijke karakteristiek Aan de Uiterweg 358 in Aalsmeer bevindt zich nu een oude woning met een aangebouwde bedrijfsruimte. Schuin daarachter staat er nog een grote bedrijfsloods op het perceel. De bedrijfsvoering ter plaatse is beeindigd, maar de bedrijfsbesteming is nog steeds vigerend. De kleine woning staat direct aan de Uiterweg en op de noordoostelijke perceelsgrens. Deze voldoet niet meer aan de moderne wooneisen. De woning wordt verhuurt ten behoeve van kamergewijze verhuur. 5.1.1 Het plangebied in groter verband Het plangebied bevindt zich in het westen van de Gemeente Aalsmeer, en ligt tussen Schiphol en de Westeinderplassen, in een uniek gebied bekend als de Uiterweg Plasoevers. De Uiterweg is één van de historische linten die de gemeente Aalsmeer kent, kenmerkend is dan ook de lintbebouwing. De lintstructuur is redelijk samenhangend en bestaat grotendeel uit vrijstaande panden (vaak woningen) in wisselende afmetingen. Achter het lint bevinden zich langgerekt achtererven die, ten zuiden van de Uiterweg, grenzen aan het open water van de plas en ten noorden aan de Ringvaart. Deze achtererven worden vaak bedrijfsmatig gebruikt vanwege haar geschiedenis en ligging in een waterrijk gebied in de agrarische of recreatieve sector. Op een aantal plekken zijn de achtererven compleet volgebouwd.
Met name enkele grootschalige gebouwde elementen vormen een duidelijke verstoring in dit gebied. In meer en op diverse plekken mindere mate is op deze achtererven ook natuur/groen in combinatie met water aanwezig. 5.1.2 Cultuurhistorie/archeologie Omdat de Uiterweg een historisch lint is, en er dus al honderden jaren mensen wonen, geldt er in het gebied grenzend aan de weg de waarde 'archeologie 2'. De verwachingswaarde voor archeologische vondsten is relatief hoog. Zie paragraaf 7.3 voor een verdere uitwerking van archeologie. Het projectgebied maakt onderdeel uit van wat in de nota 'Globale Cultuurhistorische Analyse' de 'echte' Bovenlanden wordt genoemd: de nog bestaande bebouwingslinten met aan weerszijden huizen en soms ook (oude) boerderijen, later aangevuld met kassen, loodsen, jachthavens, etcetera, en aan de straatkant één of enkele woningen en per kavel diverse “gebroken” landen. Uitgaande van de karakteristieke kenmerken van het gebied is voor De Bovenlanden een aantal aanbevelingen geformuleerd. Deze houden in dat de karakteristieke bebouwingslinten met het bijbehorende verkavelingspatroon dienen te worden behouden en versterkt, het profiel van de oude linten dient te worden behouden, inclusief de nog aanwezige wegsloten. De aanbevelingen van de cultuurhistorische analyse zijn in de structuurvisie voor de Uiterweg verwerkt.
Nu het plan hiermee in overeenstemming is (zie paragraaf 6.4.1) kan tevens worden geconcludeerd dat er vanuit cultuurhistorisch oogpunt geen belemmeringen voor het plan bestaan Er zijn verder geen cultuurhistorisch belangrijke objecten in de directe omgeving van het plangebied.
5.2 Functioneel gebruik In huidige situatie wordt het plangebied gebruikt voor wonen, al is dit voor het overgrote deel nog niet als zodanig bestemd. Naast een oude woning staat er verschillende bedrijfsgebouwen die aan hun oorspronkelijke functie onttrokken zijn. Het perceel is grotendeels verhard en wordt gebruikt als parkeerruimte ten behoeve van het aanwezige woonfunctie. Gezien het gebruik als kamergewijze verhuur zijn er meer parkeerplaatsen aanwezig dan gebruikelijk voor een eengezinswoning. De ontsluiting centraal op het perceel is direct op de Uiterweg. Er is hier geen wegsloot aanwezig. Aan de noordoost, noord en noordwestzijde wordt het perceel begrensd door kavelsloten. Aan de zuidwestzijde grenst het direct aan het belendende woonperceel. Het water wordt tevens gebruikt om privevaartuigen af te meren.
Afb. 5 luchtfoto Uiterweg 358
Afb. 6 streetview Uiterweg 358
HOOFDSTUK 6 BELEIDSKADER 6.1 INLEIDING Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke beleidskaders. Achtereenvolgens komt het relevante rijks, provinciale, regionale en gemeentelijk beleid aan bod. Het beleid en de wetgeving op milieugebied wordt behandeld in hoofdstuk 7.
6.2 Rijksbeleid Hieronder volgt het beleid van het rijk, waar indien relevant voor het plangebied met dit rijksbeleid rekening wordt gehouden in dit bestemmingsplan. 6.2.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven.
Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen.
Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig;
2. Kenmerken & identiteit; 3. Afwentelen voorkomen. Relevantie plangebied De Novi kent geen directe gevolgen voor dit initiatief. Het onderhavige plan ziet op een verplaatsing van een woning en wegbestemmen van een buiten gebruik geraakte bedrijfsbestemming. Omdat in samenhang met deze planontwikkeling de bestaande rechten op de locatie worden geschrapt, worden er per saldo geen nieuwe functies toegevoegd en is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijkerwijze nadelige effecten heeft voor de rijksbelangen. 6.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De "Ladder voor duurzame verstedelijking" heeft als doel een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder voor duurzame verstedelijking is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), in artikel 3.1.6, lid 2. De onderbouwing van de behoefte aan functies wordt gedaan aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking. Bij de ladder worden een aantal aspecten beschouwd, zoals de behoefte aan functies, zowel kwantitatief als kwalitatief, en de locatie van de voorgestane functies. Op 1 juli 2017 is artikel 3.1.6 van het Bro ten aanzien van de ladder voor duurzame verstedelijking gewijzigd.
Ingevolge artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Nieuwe ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking, mits sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling'. Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' is in artikel 1.1.1, lid 1, sub i van het Bro gedefinieerd als: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. In de 'Handreiking Ladder' is aangegeven dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling bij woningbouwlocaties vanaf 12 woningen. Met de verplaatsing van een woning zoals bij het onderhavige plan is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. 6.2.3 Luchthavenindelingbesluit Schiphol (2002) Door middel van het Luchthavenindelingbesluit (LIB) is rond de luchthaven Schiphol een beperkingengebied aangewezen. Hierbinnen gelden regels omtrent beperking van bestemming en gebruik van grond in verband met het externe veiligheidsrisico en de geluidbelasting vanwege het luchthavenverkeer.
Daarnaast worden regels gesteld omtrent beperkingen van de maximale hoogte van objecten, en van vogelaantrekkende bestemmingen en vogelaantrekkend gebruik. De hoogtebeperkingen zijn opgelegd om ervoor te zorgen dat vliegtuigen op een veilige manier van en naar de luchthaven Schiphol kunnen vliegen. De beperkingen voor de vogelaantrekkende bestemmingen en vogelaantrekkend gebruik zijn opgelegd om te voorkomen dat zich in de nabijheid van de luchthaven concentraties vogels bevinden, die hinderlijk kunnen zijn voor vliegtuigen. Voor het project zijn de regels ten aanzien van geluidsbelasting, vogels en de hoogtes relevant: Op gronden bijbehorende artikel 2.2.1c van het LIB is bepaald dat hier, met het oog op geluidbelasting, geen geluidgevoelige gebouwen zijn toegestaan, behoudens toevoeging binnen bestaand stedelijk gebied van niet meer dan 25 woningen per bouwplan of binnen
lintbebouwing van niet meer dan 3 woningen per bouwplan. Dit bouwplan voorziet in het verplaatsen van een woning binnen lintbebouwing, en voldoet dus aan deze eis. Artikel 2.2.1d geeft vervolgens aan dat buiten bestaand stedelijk gebied geen nieuwe woningbouwlocaties toegestaan. Het verplaatsen van een enkele woning wordt niet als woningbouwlocatie gezien. Daarnaast motiveren gemeenten in de toelichting op het bestemmingsplan of in de onderbouwing van de omgevingsvergunning de wijze waarop rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen. Deze ontwikkeling voorziet per saldo niet in het toevoegen van een nieuwe geluidsgevoelige bestemming. Daarom kan worden afgezien van deze toelichting. In artikel 2.2.2 van het LIB is bepaald dat objecten niet hoger mogen zijn dan de aangegeven maximale waarden. Voor de projectlocatie geldt een maximale hoogte van 35 meter NAP. De beoogde bouwhoogte van de woning is niet hoger dan 35 meter, en voldoet dus aan de maximale hoogtemaat volgens het LIB. In artikel 2.2.3 van het LIB is bepaald dat er op gronden gelegen binnen de invloedssfeer van dat artikel geen vogelaantrekkende functies mogen rusten. Het plangebied ligt binnen deze invloedssfeer, maar onderhavig plan voorziet niet in een vogelaantrekkende functie.
6.3 Provinciaal en regionaal beleid Hieronder volgt het beleid van de provincie, waar indien relevant voor het plangebied met dit beleid rekening wordt gehouden in dit bestemmingsplan. 6.3.1 Omgevingsvisie NH 2050 De "Omgevingsvisie NH2050 Balans tussen economische groei en leefbaarheid" is op 19 november 2018 door Provinciale Staten van NoordHolland vastgesteld. De Omgevingsvisie NH2050 betreft een structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening. In de Omgevingsvisie heeft de provincie haar ruimtelijke toekomstvisie vastgelegd en heeft zij tevens aangegeven hoe zij deze visie denkt te zullen realiseren. Het uitgangspunt van de omgevingsvisie is dat NoordHolland een relatief hoog welvaarts en welzijnsniveau heeft. Om deze ook voor de toekomst vast te kunnen houden, richt de provincie zich op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. In de omgevingsvisie worden ambities genoemd op het gebied van de leefomgeving, het gebruik van de leefomgeving en de energietransitie. De ambities ten aanzien van de leefomgeving luiden als volgt. Een klimaatbestendig en waterrobuust NoordHolland. In het kader van gezondheid en veiligheid, het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Het vergroten van de biodiversiteit van NoordHolland. Voor het gebruik van de leefomgeving gelden de volgende ambities. Een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor, daardoor is er ruimte voor ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. Verder wil de provincie vraag en aanbod van woon en werklocaties beter afstemmen (kwantitatief en kwalitatief). Daarbij moet woningbouw, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends, vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden worden gepland. Duurzaamheid van de totale woningvoorraad is het uitgangspunt. De derde ambitie binnen deze categorie is het effectief, veilig en efficiënt
kunnen verplaatsen van inwoners, bedrijven en producten van NoordHolland, waarbij negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk worden meegewogen. Als laatste geldt het behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. Voor energietransitie is de overkoepelende ambitie dat NoordHolland in 2050 volledig klimaatneutraal is en gebaseerd op hernieuwbare energie. Daarom is er ruimte voor de noodzakelijke energietransitie en daarvoor benodigde infrastructuur. Dit alles rekening houdende met de ambities voor verstedelijking en landschap. Relevantie onderhavig plan Het onderhavige plan maakt verbetering van de stedelijke structuur mogelijk. Het lint van de Uiterweg wordt versterkt. Er wordt een woning verplaatst naar een plek centrale op het perceel. De oude woning voldoet niet meer aan de duurzaamheidsambities. Door het wegbestemmen van een bedrijfsbestemming wordt de leefbaarheid voor de directe omgevings vergroot. Het is daarmee in lijn met de Omgevingsvisie NH2050.
6.3.2 Omgevingsverordening NH2020 Op 22 oktober 2020 hebben de Provinciale Staten van NoordHolland de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn de eerste stappen gezet om in de geest van de komende Omgevingswet naar nieuwe regels te streven die zien op het 'hoe': 'hoe kom je tot een goede fysieke leefomgeving'. De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie (NH2050) worden verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening NoordHolland. Deze Omgevingsverordening vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV), de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. Een (groot) aantal van de regels van de PRV zijn ook in de Omgevingsverordening NH2020 terecht gekomen als instructieregels waaraan ruimtelijke plannen van de gemeente moeten voldoen. Deze instructieregels zijn gekoppeld aan werkingsgebieden. De Omgevingsverordening NH2020 is intussen een aantal maal herzien. Relevantie onderhavige plan In combinatie met de beoogde functie (wonen) in dit bestemmingsplan zijn ter plaatse van de planlocatie de relevante werkingsgebieden 'Bodemsanering' en 'MRA Landelijk gebied' van toepassing.
(MRA-)Landelijk gebied Het doel van dit werkingsgebied is het zoveel mogelijk binnenstedelijk of aansluitend aan verstedelijking bouwen van nieuwe woningen en het verbeteren van ruimtelijke kwaliteit door het slopen of van functie wijzigen van voormalige bedrijfsbebouwing. Het realiseren van een kleinschalige woningbouwontwikkeling is in beginsel uitgesloten. In dit geval wordt geen woning (woobestemming) toegevoegd, maar gaat het om een verplaatsen er van. Door het slopen van bedrijfsbebouwing en wegbestemmen van deze functie wordt ter plaatse de ruimtelijke kwaliteit verbeterd. De ontwikkeling is niet in strijd met de instructieregels van dit werkingsgebied. Op ruimtelijke ontwikkelingen in (MRA)Landelijk Gebied is de zogenaamde 'ruimtelijke kwaliteitseis' (art. 6.59) van toepassing. In de volgende paragraaf wordt hier op ingegaan. Bodemsanering Het doel is om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te behouden en waar mogelijk te verbeteren. Dat betreft onder meer ontwikkelingen in de ondergrond. Zie paragraaf 7.2 (Bodem). Voor het onderhavige project is een bodemonderzoek uitgevoerd.
Uitkomst is dat er op diverse locaties vervuilde grond aanwezig is. Voordat de bouwwerkzaamheden gaan starten zullen alle benodigde saneringswerkzaamheden worden uitgevoerd om de locatie geschikt voor de bestemming wonen te maken. 6.3.3 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie NoordHolland biedt een rijke variatie aan landschappen, kernen en cultuurhistorische monumenten. Er zijn wadden, duinen, polders, heidevelden, veenweiden en droogmakerijen. De provincie onderscheidt zich door zijn openheid, de grote afwisseling en de contrasten in het landschap. Elk deel heeft zijn eigen ontstaansgeschiedenis, die vaak nog goed afleesbaar is in het landschap. Het huidige landschap van NoordHolland is een erfenis met een grote aantrekkingskracht op mensen die in de provincie wonen, werken en recreëren. De hoge kwaliteit ervan draagt bij aan het economische vestigingsklimaat in de provincie. Het landschap is echter een dynamische leefomgeving die al sinds mensenheugenis verandert en dat ook zal blijven doen. De provincie wil dan ook ruimte blijven bieden aan nieuwe ontwikkelingen, op een manier die bijdraagt aan de waarden en kwaliteiten van het landschap en waarbij de ontstaansgeschiedenis herkenbaar blijft. Nieuwe ruimtelijke plannen moeten de ontwikkelingsgeschiedenis, de bebouwingskarakteristiek en de inpassing in de wijdere omgeving als uitgangspunt hanteren.
Meetpunt hiervoor is deze beleidsnota, waarin de eisen voor de gewenste ruimtelijke kwaliteit zijn vastgelegd. Voor het plangebied is twee relevante structuren (Stelling van Amsterdam en bebouwingslinten) en één relevant ensemble (Aalsmeer Uithoorn) beschreven. Ensemble: Aalsmeer Uithoorn Het ensemble AalsmeerUithoorn ligt ten zuidwesten van Amsterdam en tussen de ensembles Haarlemmermeerpolder en Amstelscheg. Dit ensemble bevat een complex samenstel van droogmakerijenlandschap en veenpolderlandschap met plassen, ontginningslinten en restanten van het voormalige veenontginningslandschap (veenbovenlanden). Het veenpolderlandschap reikt van Aalsmeer tot Amsterdam en bestaat uit een samenstel van het veenbovenland met ontginningslinten (Aalsmeer en Amstelveen), het grote open water van de (uitgeveende) Westeinderplassen en de Nieuwe Meer. Langs de ontginningslinten van Aalsmeer (Uiterweg, Oosteinderweg) liggen tuinderijen op de restanten veenbovenland en petgaten. Aan de westrand van het ensemble vormen de ringvaart en de ringdijk van de Haarlemmermeer samen een ruimtelijke drager. Aan de noordzijde van de Westeinderplas bevindt zich een langgerekt eilandenrijk van veenbovenlanden met verspringende kavels, waar het plangebied onderdeel van uitmaakt.
Het bestaat uit een dubbele reeks eilanden in dezelfde zuidwestnoordoostrichting Deze vormen een aantrekkelijke (recreatieve) zone tussen Amsterdam en het Groene Hart. De Bovenlanden en de Westeinderplassen vormen een belangrijke ecologische en recreatieve verbinding tussen Amsterdam en het Groene Hart. Het zichtbaar houden van de Westeinderplas en het vergroten van de toegankelijkheid van het water is een belangrijk speerpunt uit de Leidraad. De algemene ambitie binnen dit ensemble is om ruimtelijke ontwikkelingen: bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek; bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en; helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers.
Structuur: Bebouwingslinten Linten zijn onlosmakelijk verbonden met het NoordHollandse landschap. Het zijn lineaire structuren die zijn ontstaan als organisch gegroeide, vaak historische routes en ontginningsassen met een eigen karakteristieke ontwikkelingsgeschiedenis. Elk lint heeft een ‘structuurdrager’ waaraan het lint is gegroeid, meestal een dijk, een weg, een kanaal of een vaart. De woningen zijn op deze structuurdrager georiënteerd en het lint ontleent daar, samen met de opbouw van het landschap, zijn verschijningsvorm en identiteit aan. Vaak staan er aan een lint stolpen die de identiteit ervan versterken. Voor alle ruimtelijke ambities uit de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie die van toepassing zijn voor het (bebouwings)lint Uiterweg zijn, zie https://leidraadlc.noordholland.nl/ervenlinten/linten/. Conclusie De planontwikkeling versterkt de landschappelijke karakteristiek. De oude woning staat nagenoeg op de perceelgrens waardoor de oorspronkelijke kavelsloot nauwelijks waarneembaar is. Door de woning centraler op het perceel te positioneren liggen er kansen deze kavelsloot zichtbaar te maken. Door de sloop van een groot deel van de bedrijfsbebouwing wordt de openheid in het gebied versterkt. De woning die wordt teruggeplaatst is georienteerd op de Uiterweg welke in dit gebied geldt als de belangrijkste ruimtelijke drager.
Er wordt ruimte gemaakt voor een voortuinzone waardoor er mogelijkheden voor vergroening ontstaan. De gemeente Aalsmeer heeft het versterken van de lintstructuren geborgd in het Lintenbeleid, in paragraaf 6.4.4 wordt hier verder op ingegaan. De Leidraad vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
6.4 Gemeentelijk beleid 6.4.1 Structuurvisie Uiterweg De gemeente Aalsmeer heeft specifiek voor het gebied rondom de Uiterweg een structuurvisie ontwikkeld. Deze structuurvisie is op 24 maart 2015 door de gemeenteraad vastgesteld. Deze structuurvisie is een uitwerking van de Gebiedsvisie Aalsmeer 2020. Hierin is de opgave beschreven om vorm en inhoud te geven aan de ambitie om Aalsmeer als aantrekkelijk waterrecreatiegebied op de kaart te zetten. Met de Westeinderplassen heeft de gemeente een belangrijke troef in handen om het imago van Aalsmeer als levendig en toeristisch waterdorp te verbeteren en zo de lokale economie te versterken. In de gebiedsvisie staan de volgende denkrichtingen voor de inrichting van het gebied Bovenlanden beschreven die voor het plangebied van belang zijn: in het lint is er hoofdzakelijk sprake van een woonfunctie in combinatie met kleinschalige bedrijvigheid hierachter; het tegengaan van grootschalige, complexmatige bebouwing en het volledig volbouwen van percelen. de landschappelijke structuur van het gebied moet in tact worden gehouden, hetgeen bijvoorbeeld betekent dat het samenvoegen van meerdere eilanden tot één eiland in principe niet mogelijk is; De structuurvisie geeft antwoord op de vraag waar een veelheid aan ruimtevragende functies een plaats krijgt. Het biedt duidelijkheid over de speelruimte voor ontwikkelingen.
De structuurvisie is daarmee een leidraad voor de beoordeling van ruimtelijke initiatieven en geeft sturing aan het bouwplanoverleg tussen gemeente en initiatiefnemers. De structuurvisie geeft vervolgens de basis om voor passende initiatieven af te wijken van het geldende bestemmingsplan. Het hele Uiterweggebied is in de structuurvisie opgedeeld in diverse deelgebieden. Voor elk deelgebied is
een gebiedspaspoort ontwikkeld waarin richting wordt gegeven voor de mogelijkheden van transformatie. Deze vormen ook de basis voor de landschappelijke inpassing van toekomstige ontwikkelingen. Het onderhavig perceel is gelegen in deelgebied 2. Het ontwikkelperspectief dat voor dit gebied beschreven is luidt als volgt: Beperkte kansen voor transformatie naar recreatieve functies, al dan niet in combinatie met een opwaardering van de bestaande pontverbinding. Nieuwe functies in samenhang met bestaande woonfuncties, zoals bed and breakfast. Relevante gebiedsgerichte criteria zijn hier: Handhaven dan wel versterking van lintbebouwing; Versterken visuele relatie vanaf de Uiterweg naar de Ringvaart; Bestendigen verkavelingspatroon; Bebouwing achter het lint haaks op de Uiterweg; Een aantal architectonische randvoorwaarden (relevant bij de vergunningverlening en de toets aan de redelijke eisen van welstand); Primaire voorkant gericht op de Uiterweg; Een bouwlaag met kap. Conclusie Het plan draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit van dit gebied. De hoeveelheid bebouwing in het gebied neemt af. De nieuwe bebouwing past qua schaal en uitstraling heel goed op het formaat van de woonpercelen, en in het bebouwingsritme van dat deel van het lint.
Daarnaast draagt het verdwijnen van buiten gebruik geraakte bedrijfsbebouwing en creeeren van een voortuinzone bij aan de groene uitstraling van het perceel en wordt het zicht over de kavelsloot hersteld. 6.4.2 Nota Parkeernormen Aalsmeer Eind 2012 heeft het CROW (Landelijk kenniscentrum voor verkeer en vervoer) nieuwe parkeerkencijfers gepubliceerd. De 'oude' cijfers dateren van 2004 en dienden als basis voor de parkeernormen zoals vastgesteld in het Aalsmeer Verkeer en Vervoerplan (AVVP). In het AVVP zijn echter alleen normen opgenomen voor de categorie 'wonen'. De aanleiding voor deze Nota Parkeernormen Aalsmeer is als volgt: Naast de normen voor de categorie wonen zijn er nog geen parkeernormen vastgesteld voor Aalsmeer en Kudelstaart; De parkeernormen uit 2004 en uit het AVVP zijn niet meer actueel; De nieuwe kencijfers van het CROW zijn gebaseerd op de meest actuele en recente ervaringscijfers; Parkeernormen moeten vanaf 2018 zijn opgenomen in bestemmingsplannen. Door in toekomstige bestemmingsplannen via de regels een verwijzing op te nemen naar deze Nota Parkeernormen inclusief toepassingsregels wordt aan deze verplichting voldaan en geldt voor iedereen een eenduidig kader. Het vaststellen van parkeernormen en toepassingsregels is om diverse redenen belangrijk en nuttig.