CConstaterende dataalsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

2a.Commissie Maatschappij en Bestuur Beeldvormend 10 oktober 2024, gemeente aalsmeer23.212 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Artikel 4.3 Weigering ondersteuning Het college kan weigeren een maatschappelijk initiatief te ondersteunen indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat: a. het initiatief doelstellingen beoogt die in strijd zijn met de wet of het algemeen belang; b. het een onderwerp betreft dat niet behoort tot de bevoegdheid van de gemeente of de uitvoering van besluiten van hogere bestuursorganen waaromtrent de gemeente geen beleidsvrijheid heeft; c. er sprake is van onvoldoende draagvlak voor het initiatief bij omwonenden, belanghebbenden of de betrokken inwoners; d. het initiatief naar het oordeel van burgemeester en wethouders op financiële, juridische of praktische gronden niet haalbaar is; e. het een onderwerp betreft waartegen een bezwaar- of beroepsprocedure in de zin van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht openstaat of onderwerpen waarover de burgerlijke rechter is gevraagd een oordeel uit te spreken; f. het een onderwerp betreft dat overwegend het privébelang van de indiener dient.

Pagina

6 van 6

Artikel 4.4 Bekendmaking Het gemeentelijk aanspreekpunt informeert de initiatiefnemers van het maatschappelijk initiatief over het besluit van het college om wel of niet ondersteuning te verlenen.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen Artikel 5.1 Evaluatie en monitoring 1. De uitvoering van deze verordening wordt periodiek geëvalueerd. Het college zendt telkens één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening aan de raad een verslag over de toepassing van de verordening in de praktijk. 2. Ten behoeve van de evaluatie verzamelt het college systematisch informatie over: a. Aantal participatietrajecten en de onderwerpen; b. Verschillende gekozen vormen van participatie; c. Uitkomsten, inzet daarvan en effectiviteit in praktijk; d. Kosten

Artikel 5.2 Inwerkingtreding verordening Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. Op die datum vervalt de Participatie- en inspraakverordening gemeente Aalsmeer 2010.

Artikel 5.3 Overgangsbepaling Op procedures die voortvloeien uit besluiten genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, blijven de bepalingen van de Participatie- en inspraakverordening gemeente Aalsmeer 2010 van toepassing.

Artikel 5.4 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Participatie Verordening Aalsmeer 2024. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 14 november 2024, De plv. griffier,

de voorzitter,

drs. O.F. Matheijsen

mr. G.E. Oude Kotte

Nota van toelichting bij de Participatie Verordening Aalsmeer 2024 Zaaknummer: D24-047805

Datum:

9 september 2024

Algemeen Inspraak, participatie, ontwerpwetsvoorstel en Omgevingswet De raad is verplicht om een inspraakverordening vast te stellen (artikel 150 van de Gemeentewet). Er is een wetsvoorstel in procedure om deze inspraak uit te breiden naar ‘participatie’ en eventueel ook ‘uitdaagrecht’. Het gaat hier om het wetsvoorstel ‘Wet versterking participatie op decentraal niveau’ (voluit: Wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba in verband met de participatieverordening en het uitdaagrecht van inwoners en lokale maatschappelijke partijen, hierna: het wetsvoorstel). Het wetsvoorstel is op 5 juni 2020 door de ministerraad aanvaard en is op dit moment in behandeling bij de Eerste Kamer. Deze verordening is in lijn met bovengenoemd wetsvoorstel. Tevens wordt aangesloten bij de Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (hierna: de Omgevingswet) die in werking is getreden op 1 januari 2024. Definitie participatie Participatie omvat het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van gemeentelijk beleid. In de memorie van toelichting op het ontwerpwetsvoorstel staat hierover het volgende.

Inwoners hebben in toenemende mate een belangrijke rol in de agendering, de voorbereiding, de totstandkoming, de uitvoering en de beoordeling van beleid. Niet alleen omdat de inwoner de gevolgen van beleid ervaart, maar ook omdat participatie aan het politieke proces als intrinsieke waarde van de Nederlandse samenleving wordt ervaren. Participatie mobiliseert de kennis en steun van betrokkenen bij beleidsproblemen waarvan de overheid op voorhand nog niet weet, of nog niet wil bepalen, hoe deze opgelost zullen worden. De Omgevingswet beschrijft participatie als het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden [...] bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Met belanghebbenden bedoelt de wet inwoners, vertegenwoordigers van bedrijven, professionals van maatschappelijke organisaties en bestuurders van overheden. Procedure participatie Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bevat een procedure voor de voorbereiding van besluiten. Deze afdeling heeft als doelstelling het bevorderen van eenheid in de wetgeving en het systematiseren en vereenvoudigen van wetgeving. In artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet is afdeling 3.4 van de Awb als hoofdregel van toepassing verklaard op de inspraak. Het is ook mogelijk een andere procedure van toepassing te verklaren. Dit is ook zo opgenomen in het wetsvoorstel.

Nota van Toelichting bij participatieverordening Aalsmeer 2024

Pagina

2 van 6

Het bevoegde bestuursorgaan is bevoegd om in aansluiting op de wettekst besluiten om in specifieke beleidstrajecten zowel geheel als gedeeltelijk af te wijken van afdeling 3.4 van de Awb. Dit laatste kan bijvoorbeeld gebeuren in gevallen waarin het wenselijk is om de participatie op andere wijze te organiseren dan via het mondeling of schriftelijk naar voren brengen van zienswijzen of om te werken met andere termijnen. Dit is meegenomen in deze verordening. Alternatieven voor participatie Participatie is onderdeel van het totale besluitvormingsproces, een naar tijd en strekking begrensde fase daarin. Het moet onderscheiden worden van de andere mogelijkheden die men heeft om zich tot het gemeentebestuur te wenden. Andere mogelijkheden die buiten de hier geregelde participatie vallen zijn: het schrijven van brieven, het bezoeken van spreekuren en het houden van informatiebijeenkomsten. Participatie is uiteraard ook van een andere orde dan de mogelijkheid om de concrete uitkomsten van de beleidsvaststelling aan te vechten door middel van bezwaar en beroep. Uitdaagrecht als specifieke vorm van participatie in de uitvoeringsfase. Het wetsvoorstel bevat een (facultatieve) bevoegdheid om het uitdaagrecht te regelen. Bij de uitvoering van beleid is het uitdaagrecht – ook wel Right to Challenge – een bijzondere vorm van betrokkenheid van inwoners en lokale maatschappelijke partijen.

Deze vorm houdt in dat inwoners van de gemeente of lokale maatschappelijke partijen de gemeente kunnen verzoeken om de feitelijke uitvoering van een taak van de gemeente over te nemen als zij denken deze taak beter en goedkoper te kunnen uitvoeren. Samenwerkingsrecht Onder uitdaagrecht wordt ook het zogenaamde samenwerkingsrecht begrepen, want er is geen werkelijk onderscheid tussen deze twee begrippen. Ruimte voor initiatieven van inwoners en lokale maatschappelijke partijen Het is van wezenlijk belang dat decentrale overheden ruimte bieden voor initiatieven van onderop en dat aan de samenleving een grote rol wordt toebedeeld bij het ontwikkelen van initiatieven voor algemene voorzieningen. Inwoners kennen hun buurt en hun gemeente, weten wat er leeft en spelen daarop in. Tegelijkertijd moet rekening worden gehouden met het gegeven dat de primaire verantwoordelijkheid voor de uitvoering van gemeentelijke taken bij het gemeentebestuur zelf berust. Een maatschappelijk initiatief is een voorstel of idee van een groep bewoners van een wijk om bijvoorbeeld de sociale samenhang in de buurt te versterken of om een stukje openbaar groen te verfraaien of te onderhouden. Vaak wordt daarvoor een budget beschikbaar gesteld waarmee de bewoners zelf hun idee kunnen uitvoeren.

Taken burgemeester en wethouders Bij het overnemen van gemeentelijke taken, na een succesvolle ‘uitdaging’, gaat het in de regel om de feitelijke uitvoering van een taak van burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders – als de verantwoordelijken voor de uitvoering van de betreffende taak of taken – beslissen naar aanleiding van een verzoek of ‘uitdaging’ of de feitelijke uitvoering van die taak of taken aan inwoners of de lokale maatschappelijke partij kan worden gelaten.

Nota van Toelichting bij Participatieverordening Aalsmeer 2024

Pagina

3 van 6

Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader toegelicht. Artikel 1.1 Definities Beleidsvoornemen Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het zal duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de vaststelling van concrete besluiten of maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop deze kunnen worden gebaseerd. Maatschappelijk initiatief Bij het maatschappelijk initiatief is er sprake van een voorstel of idee van een groep bewoners van een wijk om bijvoorbeeld de sociale samenhang in de buurt te versterken of om een stukje openbaar groen te verfraaien of te onderhouden. Vaak wordt daarvoor een budget beschikbaar gesteld waarmee de bewoners zelf hun idee kunnen uitvoeren. Het maatschappelijk initiatief staat ook bekend als bewonersinitiatief. Echter omdat deze term zeer vergelijkbaar is met burgerinitiatief en daardoor voor verwarring kan zorgen kiezen we in de verordening voor de term maatschappelijk initiatief. Participatie Bij de omschrijving van participatie is aangesloten bij de tekst van het ontwerpwetsvoorstel Wet versterking participatie op decentraal niveau waarbij een wijziging van artikel 150, eerste lid, van de Gemeentewet is voorzien.

Hierin is bepaald dat de raad een verordening vaststelt waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid worden betrokken. Het huidige artikel 150 van de Gemeentewet omvat inspraak bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid; bij participatie wordt dit uitgebreid met uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid. De omschrijving van participatiegerechtigden (ingezetenen en belanghebbenden) vloeit rechtstreeks voort uit de tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. Het begrip belanghebbende is in artikel 1:2 van de Awb gedefinieerd en deze definitie heeft ook gelding voor wetgeving buiten de Awb, zoals deze verordening. Uitdaagrecht Bij de omschrijving van het begrip uitdaagrecht is aangesloten bij de memorie van toelichting op het wetsvoorstel Wet versterking participatie op decentraal niveau. Het uitdaagrecht berust bij ingezetenen en lokale maatschappelijke partijen.

In de begripsomschrijving is ‘lokale’ ter verduidelijking van de tekst van het ontwerpwetsvoorstel toegevoegd in aansluiting op de memorie van toelichting, waarin is toegelicht dat afhankelijk van de lokale omstandigheden het bijvoorbeeld kan gaan om lokale verenigingen of stichtingen, buurtcomités, woongroepen, vrijwilligersorganisaties, een maatschappelijke organisatie, sociale bedrijven zonder winstoogmerk of een georganiseerd collectief van inwoners die geen formele rechtsvorm hebben. Hoofdstuk 2 Artikel 2.1 Onderwerp en reikwijdte van participatie Eerste lid In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluit of participatie mogelijk is. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in artikel 1.1 onder c van deze verordening en in artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. Het begrip omvat in elk geval raad en college. Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen beleidsvoornemens aan participatie onderwerpen, of niet. Omdat het in bepaalde gevallen doelmatiger zal kunnen zijn als participatie geschiedt door middel van bijvoorbeeld spreekrecht bij raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste lid de mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze van het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden wordt geregeld. Nota van Toelichting bij Participatieverordening Aalsmeer 2024

Pagina

4 van 6

Artikel 2.2 Procedure participatie Eerste lid In artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet is bepaald dat inspraak wordt verleend door toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, voor zover in de verordening niet anders is bepaald. Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaard op de participatie. In de artikelen 3:11 tot en met 3:17 van de Awb is de participatieprocedure te vinden. Na terinzagelegging en bekendmaking van het beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. Tweede lid Als het bestuursorgaan de procedure van afdeling 3.4 van de Awb niet passend acht voor een specifiek beleidstraject, kan op grond van het tweede lid een andere procedure worden gevolgd. Zevende lid Binnen de bevoegdheid van de raad zijn meerdere mogelijkheden waarin de raad participatie zelf initieert.

Artikel 2.4 Eindverslag participatie Eerste lid Er is hier niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 van de Awb. In artikel 3:17 van de Awb wordt namelijk slechts bepaald dat een verslag wordt opgemaakt van hetgeen tijdens de procedure mondeling naar voren is gebracht. Tweede lid , onder a Het bedoelde overzicht dient in ieder geval informatie te bevatten inzake het feitelijk verloop van de procedure, de toepassing van afdeling 3.4 van de Awb en de datum van terinzagelegging van het betreffende beleidsvoornemen. Tweede lid, onder b Het eindverslag dient een volledig overzicht te bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke participatiereacties. In het eindverslag kan worden volstaan met een korte, zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding van de personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht. De schriftelijke participatiereacties kunnen aan het eindverslag worden gehecht. Tweede lid, onder c Als het sluitstuk van de participatie wordt voorgeschreven dat het bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan. Derde lid De bekendmaking van de resultaten van de participatieprocedure is uitermate belangrijk. Dit rondt de participatieprocedure daadwerkelijk af. Het ligt voor de hand om degenen die hebben geparticipeerd een exemplaar van het eindverslag te sturen.

Daarnaast kan het eindverslag algemeen worden gepubliceerd in de krant en op de gemeentelijke website. Als het aantal participanten omvangrijk is, kan worden gekozen voor het volstaan met een algemene bekendmaking. Het is belangrijk om aan het begin van de participatieprocedure al duidelijkheid omtrent de communicatie te verschaffen. Hoofdstuk 3 Artikel 3.1 Onderwerp van uitdaagrecht Eerste lid

Nota van Toelichting bij Participatieverordening Aalsmeer 2024

Pagina

5 van 6

In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen taken besluit of het uitdaagrecht mogelijk is. Het zal hier meestal gaan om taken van burgemeester en wethouders als in de regel het verantwoordelijke bestuursorgaan voor de uitvoering van gemeentelijke taken (artikel 160, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet). Derde lid In het derde lid is opgenomen voor welke taken het niet mogelijk is om de uitvoering van het gemeentebestuur over te nemen. Er kan ten aanzien van deze taken dus geen uitdaagrecht worden toegepast. Derde lid, onder a Onder lopende uitvoeringstrajecten vallen ook taken die al zijn aanbesteed of gecontracteerd. Derde lid, onder e Als de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde uitkomt, geldt dat in die gevallen aanbesteding is vereist. Artikel 3.2 Procedure uitdaagrecht Eerste lid Het in het eerste lid genoemde bestuursorgaan betreft het bestuursorgaan dat de betreffende taken uitvoert. Meestal zijn dat burgemeester en wethouders en een verzoek om overname van hun taken dient dus bij hen te worden ingediend. Vierde lid De gemeente zorgt voor een vaste contactpersoon die de verzoekers gedurende het gehele uitdaagproces begeleidt. Hoofdstuk 4 Maatschappelijk initiatief Artikel 4.1 Indiening maatschappelijk initiatief Eerste lid Maatschappelijke initiatieven kunnen op diverse wijzen worden ingediend bij het college.

Dit staat beschreven op de website van de gemeente. Artikel 4.2 Verlening ondersteuning Eerste t/m vierde lid De initiatievenmakelaar begeleidt de indieners van maatschappelijke initiatieven; deze geeft informatie over mogelijkheden tot bijvoorbeeld subsidieaanvragen, verwijst naar andere inhoudelijke vakcollega’s en andere vormen van ondersteuning. Artikel 4.3 Weigering ondersteuning De beperkingen die dit artikel stelt aan de inhoud van een maatschappelijk initiatief vloeien vooral voort uit doelmatigheidsoverwegingen. Het is bijvoorbeeld weinig efficiënt om het college te belasten met de beraadslaging over een onderwerp waarover deze geen beslissende bevoegdheid heeft of die in strijd is met het algemeen belang. Een vraag of klacht over gemeentelijk beleid kan ook geen onderwerp van een maatschappelijk initiatief zijn. Ook moet voorkomen worden dat een maatschappelijk initiatief andere procedures zoals de bezwaar- of de klachtprocedure doorkruist. Met het oog hierop kan worden bepaald dat het initiatief geen bezwaar tegen een genomen besluit of een klacht over een gedraging van het college kan inhouden.

Nota van Toelichting bij Participatieverordening Aalsmeer 2024

Pagina

6 van 6

Hoofdstuk 5 Artikel 5.1. Evaluatie en monitoring Eerste lid De evaluatie van de werking van deze verordening in de praktijk is wenselijk. Daarom wordt de uitvoering van deze verordening eenmaal per jaar geëvalueerd. Er wordt een participatie verslag aan de raad verzonden. Tweede lid Over de in het tweede lid genoemde gegevens verzamelen burgemeester en wethouders systematisch informatie. Artikel 5.2 Inwerkingtreding verordening Met deze bepaling wordt de bestaande Participatie- en inspraakverordening gemeente Aalsmeer 2010 ingetrokken. Er wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude verordeningen vervalt, is de datum waarop de Participatie Verordening participatie Aalsmeer 2024 in werking treedt (met uitzondering van het in artikel 6.3 beschreven overgangsrecht).

Nota van Toelichting bij Participatieverordening Aalsmeer 2024

Tekst van de regeling Registratienr. 2010/2071-BO De raad van de gemeente Aalsmeer; gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders met registratienummer 2010/2062; overwegende dat: het gemeentebestuur van Aalsmeer streeft naar een verbetering van de inbreng van burgers, organisaties en bedrijfsleven in de politieke besluitvorming; een open houding en mentaliteit van bestuur en werkorganisatie en het actief informeren van de samenleving noodzakelijke en zeer belangrijke, voorwaarden zijn en er bij het bestuur en de werkorganisatie voldoende draagvlak voor de inbreng van burgers moet bestaan; de participatie van burgers daarbij hoge prioriteit krijgt en het gemeentebestuur het belangrijk vindt zo veel als mogelijk burgers bij hun eigen bestuur (beleidsvorming) te betrekken; gelet op artikel 150 van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding en uitvoering van gemeentelijk beleid worden betrokken (Algemene inspraaken participatieverordening Aalsmeer 2010). Artikel 1 begripsomschrijvingen De verordening verstaat onder a. inspraak: het ten aanzien van gemeentelijke beleidsvoornemens kenbaar maken van een zienswijze en daarover zo mogelijk van gedachten te wisselen met het betreffende bestuursorgaan; b.

participatie; het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding of uitvoering van gemeentelijk beleid; c. procedure: de wijze waarop de inspraak of participatie gestalte wordt gegeven. d. beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid; e. randvoorwaarden: aan de inspraak of participatie ten grondslag liggende feiten, waarop het bestuursorgaan geen invloed heeft, dan wel door het college van Burgemeester en Wethouders van Aalsmeer aan inspraak of participatie meegegeven kaders; f. college: het college van Burgemeester en Wethouders van Aalsmeer; g. bestuursorgaan: zoals gedefinieerd in artikel 1:1, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. Het omvat de gemeenteraad, het college en de Burgemeester.

Artificel 2 onderwerp van inspraak of participatie Het college is bevoegd te besluiten of participatie of inspraak of geen van beide wordt verleend bij de voorbereiding of uitvoering van beleid van de gemeente. 2. Inspraak of participatie wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht. 3. Geen inspraak of participatie wordt verleend: o a. ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen; o b. indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten; o c. indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; o d. inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; o e. indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht; o f. indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving; o g. indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van handhaving van de openbare orde en veiligheid. 1.

Artikel 3 inspraak- of participatiegerechtigden 1. Inspraak of participatie wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden. 2. Het college stelt vast aan welke kring van ingezetenen en belanghebbenden inspraak of participatie wordt verleend met inachtneming van hetgeen hierover bij wet, provinciale of gemeentelijke verordening is voorgeschreven. Artikel 4 procedure inspraak 1. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. 2. Het college kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere inspraakprocedure vaststellen. Artikel 5 eindverslag inspraak 1. Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag op. 2. Het eindverslag bevat in elk geval; a. een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure; b. een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;

c. een reactie op de deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het beleidsvoornemen wordt overgegaan. 3. Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze openbaar. 4. De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn burgerjaarverslag. Artikel 6 procedure participatie • • •

•

•

•

1. Het college stelt voor elk onderwerp waarop participatie wordt verleend een procedure vast. Het college maakt daarbij, indien gewenst, een keuze uit de participatietreden informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren of meebeslissen. 2. De participatieprocedure bevat in elk geval: o a.het onderwerp van participatie, zoals bedoeld in artikel 2; o b.een aanduiding van de kring van belanghebbenden, zoals bedoeld in artikel 3; 3. In aanvulling op lid 2 bevat deze procedure voor zover mogelijk: o a. de toepasselijke participatietrede; o b. de randvoorwaarden, zoals bedoeld in artikel 1 onder e; o c. de wijze van vormgeving van het participatieproces; o d. een tijdpad met termijnstelling, waarbij rekening wordt gehouden met vakantieperiodes; o e. een communicatieplan; o f. een financiële paragraaf. 4. voor adviesraden, buurtpanels, klankbordgroepen en platforms kan de participatieprocedure, in overleg met hen, voor'(on)bepaalde tijd in een apart besluit of in een convenant worden vastgelegd; 5. Het college kan de procedure wijzigen in die gevallen waarin de vaststelling van het beleidsvoornemen zulks vereist Het college geeft hiervan overeenkomstig het gestelde in artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht schriftelijk kennis.

Artikel 7 voorbereiding participatie •

•

1. Het college informeert voorafgaand aan de participatie de kring van ingezetenen en belanghebbenden die participatiegerechtigd zijn hierover op geschikte wijze. Volstaan kan worden met vermelding van de zakelijke inhoud; 2. Het college draagt er zorg voor dat de kring van ingezetenen en belanghebbenden die participatiegerechtigd zijn voldoende tijd en informatie krijgt voor een goede voorbereiding.

Artikel 8 vastlegging participatie • •

1. Het college draagt zorg voor verslaglegging van door haar in het kader van participatie gehouden bijeenkomsten; 2. Deze verslagen worden aan alle aanwezigen bij de in lid 1 bedoelde bijeenkomsten toegezonden;

•

•

3. Een weergave van de opbrengst van participatie en de wijze waarop met die opbrengst is omgegaan maakt deel uit van het voorstel dat ter besluitvorming wordt aangeboden; 4. Na besluitvorming krijgen alle deelnemers tijdig het voorstel en besluit ter informatie zo mogelijk digitaal beschikbaar gesteld.

Artikel 9 inwerkingtreding en overgangsbepaling • • •

1. Deze verordening treedt in werking op de dag na die van bekendmaking. 2. Op deze dag vervalt de "Inspraakverordening Aalsmeer", registratienummer 2007/14472-VBG; 3. inspraakprocedures waarmee, vóór de inwerkingtreding van deze verordening een begin is gemaakt, worden afgehandeld overeenkomstig de "Inspraakverordening Aalsmeer”.

Artikel 10 citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene inspraak- en participatieverordening Aalsmeer 2010. Ondertekening Aldus besloten in de openbare vergadering van 1 april 2010 , voorzitter , griffier

Toelichting Algemene inspraak- en participatieverordening Aalsmeer 2010 Artikelgewijze toelichting Artikel 1 begripsomschrijvingen •

a. en b. Inspraak en participatie: Er zijn veel omschrijvingen mogelijk voor de wijze waarop belanghebbenden betrokken kunnen worden bij de totstandkoming van beleid: informatie, communicatie, inspraak, interactieve beleidsvorming etc. Omwille van eenduidigheid is gekozen voor de termen inspraak en participatie. Bij de in dit artikel opgenomen formulering van de begrippen inspraak en participatie is zoveel mogelijk aangesloten bij de tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. Inspraak en participatie maken onderdeel uit van de voorbereiding en uitvoering van het beleid van de gemeente en hebben een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan ingezetenen en belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening over beleidsvoornemens en - uitvoering kenbaar te maken. Anderzijds biedt het bestuursorganen een belangrijk hulpmiddel in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding en -uitvoering noodzakelijke belangenafweging.

•

c. Procedure: De verantwoordelijkheid voor het maken van een regeling over de wijze waarop burgers bij de voorbereiding of uitvoering van gemeentelijk beleid worden betrokken ligt ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij de raad.

•

d. Beleidsvoornemen: Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het zal duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de vaststelling van concrete besluiten of maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop deze kunnen worden gebaseerd.

•

e. Randvoorwaarden: Dit begrip is bedoeld om de ruimte voor inspraak of participatie af te bakenen, om bijvoorbeeld te voorkomen dat deze zich richt op onderdelen waarover het college geen beslissingsbevoegdheid heeft of waarover het bestuursorgaan reeds heeft besloten.

•

f en g. Deze behoeven geen nadere toelichting.

Artikel 2 onderwerp van inspraak of participatie In het eerste lid is bepaald dat het college beslist of inspraak en of participatie of geen van beide wordt verleend bij de voorbereiding of uitvoering van beleid van de gemeente. Deze

bevoegdheid wordt bij het college neergelegd. Hiermee wordt gevolg gegeven aan het advies van de werkgroep Bestuurlijke Vernieuwing om praktisch en doelmatig te opereren. Omdat het in bepaalde gevallen doelmatiger zal kunnen zijn als inspraak /participatie geschiedt door middel van bijvoorbeeld spreekrecht bij raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste lid de mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze van inspraak/participatie wordt geregeld. Het besluit om al dan niet inspraak of participatie te verlenen is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiertegeh kan dus bezwaar worden gemaakt. In het tweede en derde lid is opgenomen wanneer wel of geen inspraak of participatie wordt verleend. Artikel 3 inspraak- of participatiegerechtigden De omschrijving van inspraak- of participatie gerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. Het begrip 'belanghebbende' is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze definitie heeft ook gelding voor wetgeving buiten de Awb. Artikel 3 legt de verantwoordelijkheid voor de keuze van bij inspraak of participatie te betrekken ingezetenen en belanghebbenden neer bij het college, afhankelijk van de wettelijke regelingen die van belang kunnen zijn.

Vanwege het open karakter van dit artikel vraagt dit in concrete gevallen om een bewuste afweging, rekening houdend met o.a. aard, schaal en reikwijdte van het onderwerp. Artikel 4 procedure inspraak In het eerste lid is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaard op de inspraak. In de artikelen 3:10 tot en met 3:17 Awb is de inspraakprocedure te vinden (zie bijlage). Na de terinzagelegging en de bekendmaking van het beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. In de meeste gevallen zal deze procedure passend zijn voor de inspraak. Zo niet, dan kan op grond van het tweede lid de inspraakprocedure worden aangepast. Het is mogelijk een (of meer) standaardprocedure(s) te ontwikkelen die wanneer nodig kan (kunnen) worden ingezet. Het kan zijn dat bijvoorbeeld de genoemde termijn van zes weken door het college te lang wordt bevonden. Deze termijn kan op grond van het tweede lid door het college worden aangepast. Artikel 5 eindverslag inspraak In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 Awb, waarin slechts wordt bepaald dat een verslag wordt gemaakt van hetgeen tijdens de inspraakprocedure mondeling naar voren is gebracht.

Onder het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van de gevolgde inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is afdeling 3.4 Awb onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter inzage gelegd enz.?

Onderdeel b betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In het verslag kan worden volstaan met een korte zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding van de personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht. Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan. In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de gebruikelijke wijze, bij voorkeur digitaal, openbaar maakt. De bekendmaking van de resultaten van de inspraak is uitermate belangrijk. Het ligt voor de hand om degenen die hebben ingesproken bij voorkeur een exemplaar van het eindverslag digitaal beschikbaar te stellen. Daarnaast kan het eindverslag algemeen worden gepubliceerd op de gemeentelijke website. Als het aantal insprekers omvangrijk is, kan worden gekozen voor het volstaan met een algemene bekendmaking. Het is belangrijk om tijdens de inspraakavond al duidelijkheid omtrent de communicatie te verschaffen. Artikel 6 procedure participatie Ondanks het open en flexibele karakter van participatie dient omwille van de duidelijkheid hiervoor ook een procedure te worden opgesteld.

Deze dient in ieder geval onderwerp en participatiegerechtigden aan te geven, en voor zover in de fase van gedachtevorming al mogelijk is de overige elementen, zoals bedoeld in lid 3. Het kan gewenst zijn om participatie aan een trede van de participatieladder op te hangen. Dit is niet altijd het geval. De participatietreden maken deel uit van de participatieladder, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de mate waarin deelnemende partijen ruimte hebben om eigen visies en ideeën in te brengen en de mate van invloed die ze hebben op de beleidsvorming. D trede 1 = informeren: hier is geen sprake van ruimte of invloed. De gemeente geeft informatie of voorlichting over beleid, maar betrekt burgers niet bij de beleidsvorming. D trede 2 = raadplegen: hier raadpleegt de gemeente burgers en instellingen over beleid en luistert naar wat zij hierover te zeggen hebben. De gemeente hoeft de ingebrachte suggesties en ideeën echter niet te gebruiken. D trede 3 = adviseren: hier vraagt de gemeente advies aan burgers en instellingen over beleid. De gemeente kan alleen goed gemotiveerd afwijken van een gegeven advies. D trede 4 = coproduceren: hier wordt, zonodig binnen taakstellende kaders, bij de beleidsvorming samengewerkt tussen gemeente en burgers of instellingen. D trede 5 = meebeslissen: waar burgers meebeslissen over beleid is sprake van de grootst mogelijke invloed.

De ruimte en invloed, die aan participanten geboden wordt, is in de eerste trede het kleinst en in trede 5 het grootst. Het is niet altijd mogelijk een duidelijke grens tussen de treden te leggen. Er zijn in feite twee uitersten, informeren en meebeslissen. Voor adviesraden, buurtpanels, klankbordgroepen en platforms kan de participatieprocedure, in overleg met hen, voor (on)bepaalde tijd wordt vastgelegd in een aparte verordening of in een convenant worden neergelegd. De verordening is kaderstellend voor deze participatieprocedure. Uit het vijfde lid volgt dat ook in geval van participatie het college de procedure, indien noodzakelijk, kan wijzigen. De participatiegerechtigden worden hierover geïnformeerd. Aan het eind van iedere participatieprocedure kan formele inspraak worden georganiseerd volgens de regeling van deze verordening. In spoedeisende gevallen kunnen inspraak en participatie tegelijkertijd plaatsvinden. Artikel 7 voorbereiding participatie In dit artikel zijn enkele richtlijnen ten aanzien van de voorbereiding opgenomen. In tegenstelling tot inspraak is voor participatie geen minimale voorbereidingstijd van zes weken opgenomen, teneinde de flexibiliteit van participatie niet te beperken. Afhankelijk van het onderwerp dient in concrete gevallen en bij voorkeur in overleg met belanghebbenden bepaald te worden wat voldoende voorbereidingstijd is.

Artikel 8 verslaglegging van participatie Deze richtlijnen zijn bedoeld ter bevordering van de duidelijkheid, herkenbaarheid en transparantie van de verwerking van de opbrengst van participatie. De artikelen 3:10 tot en met 3:17 van de Algemene wet bestuursrecht Afdeling 3.4 Uniforme openbare voorbereidingsprocedure Artikel 3:10 •

1. Deze afdeling is van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald;

•

2. Tenzij bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan anders is bepaald, is deze afdeling niet van toepassing op de voorbereiding van een besluit inhoudende de afwijzing van een aanvraag tot intrekking of wijziging van een besluit;

•

3. Afdeling 4.1.1 is mede van toepassing op andere besluiten dan beschikkingen, indien deze op aanvraag worden genomen en voorbereid overeenkomstig deze afdeling.

Artikel 3:11 •

1. Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage

•

2. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan;

•

3. Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten verstrekt het bestuursorgaan afschrift van de ter inzage gelegde stukken;

•

4. De stukken liggen ter inzage gedurende de in artikel 3:16, eerste lid, bedoelde termijn.

Artikel 3:12 •

1. Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft het bestuursorgaan in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud.

•

2 Indien het een besluit van een tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan betreft, wordt de kennisgeving in ieder geval in de Staatscourant geplaatst, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

•

3. In de kennisgeving wordt vermeld o

a. waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen;

o

b. wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren te brengen;

o

c.

op welke wijze dit kan geschieden; o

d. indien toepassing is gegeven aan artikel 3:18, tweede lid: de termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen.

Artikel 3:13 •

1. Indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht, zendt het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp toe aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

•

2. Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:14 •

1. Het bestuursorgaan vult de ter inzage gelegde stukken aan met nieuwe relevante stukken en gegevens.

•

2. Artikel 3:11, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing.

Artikel 3:15 •

1. Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.

•

2. Bij wettelijk voorschrift of door het bestuursorgaan kan worden bepaald dat ook aan anderen de gelegenheid moet worden geboden hun zienswijze naar voren te brengen 3. Indien het een besluit op aanvraag betreft, stelt het bestuursorgaan de aanvrager zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen.

•

4. Indien het een besluit tot wijziging of intrekking van een besluit betreft, stelt het bestuursorgaan degene tot wie het te wijzigen of in te trekken besluit is gericht zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen.

Artikel 3:16 •

1. De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen en het uitbrengen van adviezen als bedoeld in afdeling 3.3, bedraagt zes weken, tenzij bij wettelijk voorschrift een langere termijn is bepaald.

•

2. De termijn vangt aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.

•

3. Op schriftelijk naar voren gebrachte zienswijzen zijn de artikelen 6:9 en 6:10 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:17 Van hetgeen overeenkomstig artikel 3:15 mondeling naar voren is gebracht, wordt een verslag gemaakt. Participatiewijzer gemeente Aalsmeer Participatie is het deelnemen door burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijven aan beleidsprocessen gericht op de publieke zaak bij de voorbereiding, bepaling, uitvoering en/of evaluatie van beleid. De onderwerpen die voor participatie in aanmerking komen zijn zeer gevarieerd, maar als vuistregel kan worden gezegd dat alle plannen, projecten die de gemeente Aalsmeer ontwikkelt en die direct van belang zijn voor de burger, voor participatie van de burger in aanmerking komen. In de regel komen de volgende concrete beleidsterreinen direct in aanmerking voor participatie: welzijn, onderwijs, openbare ruimte, stadsvernieuwing, milieu, Wmo en volksgezondheid. Voor een goede participatie is het van belang al in het begin van het beleidsproces na te denken over de vraag of het onderwerp geschikt is voor participatie. Denk daarbij ook aan het betrekken van de diverse adviesraden en aan met name jongeren bijvoorbeeld via de middelbare scholen. Onderstaande punten maken duidelijk of een onderwerp zich wel of niet leent voor participatie. Wel participatie In de volgende situaties kies je voor een interactief proces: •

1.

Er zijn grote belangen van burgers mee gemoeid en het is een politiek en maatschappelijk gevoelig onderwerp. Zorgvuldigheid is voor het proces belangrijker dan snelheid. •

2. Het gaat om een ingewikkeld onderwerp dat geleidelijk ontrafeld moet worden. We hebben onvoldoende inzicht in de problematiek en/of oplossingsmogelijkheden en hebben de burgers nodig om tot beter inzicht te komen.

•

3. We moeten ingrijpen in de directe leefomgeving van burgers. Bij de keuze welke maatregelen het beste zijn, betrekken we de betrokken bewoners.

•

4. We hebben partners nodig om het beleid tot een succes te maken, zowel organisaties als burgers of vooral organisaties. Dan is het verstandig om samen met de partners het beleid voor te bereiden (zorgen voor draagvlak).

•

5. Er is een goede kans dat burgers de kwaliteit van de beleidsvoorstellen beter kunnen maken, bijvoorbeeld omdat ze meer creativiteit kunnen aanboren.

•

6. Bestuurders willen graag in contact treden met de burgers, zijn bereid daar tijd in te investeren en het onderwerp leent zich daar goed voor.

Wel een interactief proces volgen, betekent: burgers en organisaties betrekken bij de beleidsvoorbereiding. Dat hoeft niet altijd heel uitgebreid, er zijn ook simpele vormen van interactie en situaties die zich daarvoor lenen. Geen participatie In de volgende situaties kies je niet voor participatie: •

1. De kaders zijn zo beperkend dat er geen werkelijke ruimte is voor de inbreng en invloed van burgerparticipanten.

•

2. Het probleem is helder en de oplossing ligt voor de hand: gewoon daadkrachtig besturen.

•

3.

Er is niet voldoende tijd en geld om een interactief proces op een zorgvuldige manier te doen. De nadelen van uitstel van het beleid zijn groter dan de nadelen van het niet betrekken van de burgers bij de voorbereiding (onder andere voldoende tijd en geld). •

4. De beleidskeuzes zijn in feite al gemaakt, het besluit is voorspelbaar. Er zijn echter vaak nog onderdelen waarbij je burgers wel invloed kunt geven bij de voorbereiding.

•

5. Het gaat niet lukken om het onderwerp transparant en open te bespreken. Er is geen ruimte voor professionele en/of onafhankelijke procesbegeleiding terwijl de situatie daar wel om vraagt.

Indien van toepassing wordt bij punt 3 en 5 het college geïnformeerd. Geen interactief proces volgen, betekent: eerst het beleidsvoorstel of beleidsplan uitwerken en daarna vrijgeven voor inspraak. Dat betekent niet dat burgers dan pas geconfronteerd worden met de plannen. Het blijft belangrijk om tussentijds te communiceren. Houd burgers op de hoogte van de voortgang, nadat je vooraf hebt duidelijk gemaakt wat het proces zal zijn. Zeker als daarmee de problemen scherper in beeld komen. Kom je er met bovenstaande punten niet uit dan kun je ter verduidelijking nog de volgende vragen stellen: 1. Raakt het onderwerp voldoende aan de belevingswereld van burgers? Als belanghebbenden het onderwerp niet hip of interessant genoeg vinden om erover mee te praten en mee te denken, is het beter ze niet om een mening te vragen en de normale democratische route te volgen. 2. Levert het eindresultaat van het participatieproces een voor de burger merkbaar effect op? Als het te maken plan of beleid niet of nauwelijks van invloed zal zijn op de beleving, woonomstandigheden en het leven van de burgers, dan heeft het weinig zin om ze mee te laten praten. Participatie moet wat opleveren, het moet waard zijn om je ervoor in te zetten. 3.

Is het onderwerp begrijpelijk (te maken) voor burgers? Onderwerpen waar veel achtergrondkennis of een technische achtergrond voor nodig is, zijn niet geschikt voor participatie. 4. Is er de verwachting dat burgerparticipatie tot een hogere kwaliteit, draagvlak, bondgenootschap en een versterkt imago zal leiden? Concreet betekent dit dat er zicht moet zijn op een plan of besluit aan het eind van het proces, dat beter aansluit bij de wensen van de inwoners en de gemeente dan wanneer er geen participatieproces wordt gehouden.

5. Roept het onderwerp klachten en bezwaarschriften op? Dan is het bij uitstek geschikt om een participatieproces mee door te lopen. 6. Hoe vaak is deze groep burgers al met participatie geconfronteerd? Wanneer te vaak dezelfde groep burgers wordt gevraagd te participeren, dreigt participatiemoeheid. Participatieprocessen die de hele gemeente aangaan, zouden in de regel niet vaker dan 1, maximaal 2 keer per jaar voor mogen komen. In wijken is het afhankelijk van het onderwerp of participatiemoeheid een obstakel kan zijn 7. Is er voldoende capaciteit en budget om het proces op een adequate manier in te vullen? Zo nee, niet doen. 8. Is er voldoende tijd voor participatie? Sommige projecten zijn onderworpen aan een grote tijdsdruk, opgelegd door rijk, provincie of andere partijen. 9. Kunnen de verwachtingen die bij aanvang van het proces worden gewekt wel waargemaakt worden? Zo nee, niet doen. Het is overigens niet zo dat alle vragen met ja beantwoord hoeven te worden. De keuze voor participatie is ook een politieke afweging. Participatieladder Bij interactief werken is het belangrijk om te bepalen hoeveel invloed de gemeente de participanten van het interactieve proces wil geven. Hiervoor is de participatieladder een geschikt instrument. In deze participatieladder is een aantal participatievarianten opgenomen. Hoe hoger op de ladder, des te groter de invloed.

Bij de treden 3 t/m 5 is sprake van interactieve beleidsvorming. •

1. Informeren: op deze trede stelt de gemeente de inwoner op de hoogte van haar plannen.

• •

Men kan vragen stellen, maar de gemeente vraagt niet om een mening. Bij alle hogere treden is dit wel het geval. 2. Raadplegen: op deze trede wil de gemeente graag de mening horen van de Aalsmeerders.

• •

Wat leeft er, zijn er nieuwe ideeën? De gemeente is niet verplicht de ideeën over te nemen of de plannen aan te passen, maar houdt er wel zoveel mogelijk rekening mee. 3. Adviseren: bij de derde trede krijgen de inwoners alle gelegenheid om problemen en oplossingen aan te dragen. Hun mening speelt een volwaardige rol bij de ontwikkeling van beleid. College en raad moeten goede argumenten hebben om hun adviezen niet op te volgen.

•

4. Coproduceren: bepaalde op de eerste drie treden de politiek de inhoud, hier hebben alle betrokkenen samen de touwtjes in handen. De partijen zoeken samen met de gemeente naar oplossingen. Het college houdt zich aan deze oplossingen. De gemeenteraad neemt de uiteindelijke beslissing.

•

5. Meebeslissen: op deze trede is de invloed van betrokkenen het grootst. De gemeente laat het maken van keuzes - binnen de gestelde kaders - aan de betrokken partners (zoals bewonersorganisaties) over. De ambtenaren hebben een adviserende rol. College en raad doen deze besluitvorming niet nog eens over.

Het is niet gewenst om een vaste procedure voor inspraak/ interactief werken door het gemeentebestuur op te zetten. Er moet per situatie, per voornemen of per project kunnen worden bepaald of men (op onderdelen) interactief wil werken. Er moet maatwerk geleverd worden. Wanneer interactieve beleidsontwikkeling wordt toegepast en wanneer niet, is sterk afhankelijk van de aard en omvang van het beleidsvoornemen. In onderstaande tabel zijn de vijf treden van de participatieladder aangegeven en daaraan gekoppeld per trede de in te zetten communicatie-instrumenten. participatieladder.rtf (versie geldig sinds: 26-08-2010; RTF-bestand; grootte: 1.42 MB)

Signed By: Oude Kotte, G.E. (Gido) <gido.oudekotte@aalsmeer.nl 25/09/2024 11:10:58 CEST ID: 3f3841ae-67d4-45e3-b715-1e1dcceb35d9 Auth: Scribble

RAADSVOORSTEL

Signed By: Vellenga, Sj. (Sjoerd) <sjoerd.vellenga@aalsmeer.nl> 25/09/2024 11:11:17 CEST ID: 3f3841ae-67d4-45e3-b715-1e1dcceb35d9 Auth: Scribble

Zaaknummer:

Z24-027567

Voorstel van:

college van burgemeester en wethouders

Datum: Portefeuillehouder:

Behandelend ambtenaar:

Inge Harmsen 06-34559876 inge.harmsen@aalsmeer.nl Kernorganisatie Aalsmeer

24 september 2024 wethouder ing. S.A.S. Spaargaren

Onderwerp

Programmabegroting 2025 gemeente Aalsmeer Raadsbesluit

Het college van burgemeester en wethouders stelt de raad voor te besluiten:

a. b. c.

d. e.

De programmabegroting 2025 vast te stellen en kennis te nemen van de meerjarenraming 20262028. De in de programmabegroting 2025 opgenomen budgetten 2025 per programma. te autoriseren op het niveau van lasten, baten en saldo per programma. Voor de voorgestelde investeringen 2025 conform paragraaf 4.2 van de programmabegroting 2025 de benodigde kredieten beschikbaar te stellen, met uitzondering van de kredieten voor IKC Oosteindedriehoek en noodstroomvoorziening. Akkoord te gaan met de notitie strategische aankopen. In afwijking van de uitgangspunten voor tariefsverhoging uit de Kadernota 2025 de afvalstoffenheffing in 2025 met 11% te verhogen.

Samenvatting

De Gemeentewet schrijft voor dat gemeenten een begroting (voor het eerstvolgende boekjaar) en meerjarenraming (voor de drie jaren daarop volgend) maken. De begrotingskaders 2025 zijn vastgelegd in voorliggend document. De programmabegroting 2025 is een nadere uitwerking van de in de kadernota 2025 opgenomen uitgangspunten en nadien bekend geworden autonome ontwikkelingen en besluiten. Het voorstel aan de raad is de programmabegroting 2025 vast te stellen, alsmede voor de daarin opgenomen investeringen een krediet beschikbaar te stellen. Na vaststelling door de gemeenteraad dient de vastgestelde begroting vóór 15 november te worden ingezonden aan Gedeputeerde Staten. Doel

Uitvoering geven aan de artikel 191 lid 1 Gemeentewet: de gemeenteraad stelt een programmabegroting 2025 vast, waarin de bestuurlijke en financiële kaders voor het komende begrotingsjaar zijn opgenomen. Dit doet recht aan de uitoefening van het budgetrecht van de gemeenteraad zodat de gemeentelijke dienstverlening in 2025 voortgang kan vinden en het beleid in uitvoering kan worden genomen. Prestatie

In de programmabegroting zijn de doelstellingen voor 2025 opgenomen, datgene wat we daarvoor gaan doen en welke budgetten we daarvoor beschikbaar hebben. Na vaststelling van de programmabegroting vormt deze de basis voor de opdrachtformulering aan de AA organisatie die als gevolg van de afgesloten centrum regeling Amstelveen Aalsmeer de opdracht heeft de dienstverlening aan het bestuur van Aalsmeer te verzorgen.

[.docx] 101/F105a/ICT

Pagina

2 van 9

De voortgang op de uitvoering van de programmabegroting wordt vastgelegd in de twee bestuursrapportages die het college gedurende het lopende jaar de gemeenteraad aanbiedt. De beleidsmatige en financiële eindverantwoording gebeurt in de jaarstukken. Voorgeschiedenis en context

De programmabegroting 2025 is gebaseerd op het raadsprogramma 2022 - 2026 'Aan de slag voor Aalsmeer' en het collegeprogramma 2022 - 2026 'Samenwerken aan Aalsmeer'. Vertrekpunt voor de begroting is het laatst door de raad vastgestelde meerjarenperspectief. De raad heeft de vrijheid ten aanzien van de voorgestelde ontwikkelingen een eigen afweging te maken. Voorwaarde is dat de begroting structureel en reëel sluitend is. Daarnaast dient de gemeente een positieve algemene reserve te hebben. De wettelijke basis voor de begroting bestaat uit: • Artikel 189 tot en met 195 en artikel 203 Gemeentewet; • Besluit begroting en verantwoording Provincies en Gemeenten; • Financiële verordening 2023 gemeente Aalsmeer; • Kaderbrief Financieel toezicht 2025 Provincie Noord Holland. Overwegingen die hebben geleid tot het voorgestelde besluit

Beslispunt a en b Op grond van artikel 191 lid 1 van de Gemeentewet stelt de gemeenteraad de begroting vast en heeft de autorisatiefunctie (artikel 189 lid 3 Gemeentewet). Daarmee is er een geldige titel voor het rechtmatig doen van uitgaven ter uitvoering van de gemeentelijke taken. De programmabegroting 2025 bevat de vertaling van de bestuurlijke kaders zoals door de raad op 4 juli 2024 vastgesteld met de besluitvorming over de Kadernota 2025 en het raadsvoorstel meicirculaire 2024 en Meerjarenprojectenplan Buitenruimte (MPP) 2024-2027. De programmabegroting laat voor 2025 een positief saldo zien van € 1,686 miljoen. Dit is een verbetering van het meerjarenperspectief met € 0,446 miljoen na het raadsvoorstel over de meicirculaire 2024. In de paragraaf Financiën van dit raadsvoorstel lichten wij de redenen daarvan toe. Artikel 191 lid 1 Gemeentewet bepaalt dat de gemeenteraad alleen de begroting vast voorafgaande aan het jaar waarvoor het dient. De Gemeentewet verplicht gemeenten wel om inzicht te geven in de meerjarenraming (Gemeentewet artikel 190 lid 1). De meerjarenraming 2026 – 2028 is daarmee ter kennisname. Beslispunt c en d Onderdeel van de programmabegroting 2025 is het beschikbaar stellen van de kredieten voor het jaar 2025. De autorisatie van de kredieten voor het MPP heeft plaatsgevonden tijdens de besluitvorming over dat plan op 4 juli jl.

Voor de overige kredieten 2025 wordt u voorgesteld om deze met het vaststellen van de programmabegroting 2025 beschikbaar te stellen, zodat deze in uitvoering kunnen worden genomen. De kredieten 2026 tot en met 2028 zijn ter kennisname. Voor de nieuwbouw van het zwembad (gepland in 2026), het IKC Oosteindedriehoek en de noodstroomvoorziening volgt eveneens een apart raadsvoorstel en – besluit. Onderdeel van de investeringen 2025 is ook het krediet voor strategische aankopen. De bijbehorende notitie met daarin de toelichting op dit krediet en de kaders waaronder het college hiervan gebruik kan maken is onderdeel van dit raadsvoorstel en – besluit. Beslispunt e In de Kadernota 2025 zijn de uitgangspunten opgenomen voor de verhoging van de belastingen en de heffingen. Deze zijn overeenkomstig het besluit zoals genomen bij de Kadernota verwerkt. Voor wat betreft de kostendekkende heffingen is daarbij tevens aangegeven dat mocht uit de tariefberekeningen 2025 een aanleiding volgen voor een bijstelling hiervan wij hierop bij de programmabegroting

Pagina

3 van 9

De kostenopbouw, gekoppeld aan maximaal 100% kostendekkendheid resulteert voor de afvalstoffenheffing in een tariefstijging met 11% in 2025 (naar € 410,70 voor een meerpersoonshuishouden). Dat is 6,75% meer dan de algemene tariefsverhoging voor heffingen uit de Kadernota 2025. Deze tariefstijging is noodzakelijk om de eerder, in de programmabegroting 2024, toegelichte stijging van de kosten op te kunnen vangen en toe te werken naar het uitgangspunt van kostendekkende tarieven. Na dit voorstel stijgt de kostendekkendheid van de afvalstoffenheffing 2025 met 5% ten opzichte van 2024 tot 94,2%. Hieronder onder Financiën alsmede in de aanbiedingsbrief van de programmabegroting is de ontwikkeling van de woonlasten 2025 nader toegelicht. Keuzemogelijkheden/alternatieven

In het hoofdlijnenakkoord van het begin juli aangetreden kabinet is geen voorstel opgenomen voor de oplossing van de korting op het gemeentefonds vanaf 2026. Op 19 augustus vond het eerste overhedenoverleg plaats met het nieuwe kabinet. Tijdens dat overleg is gebleken dat het kabinet de korting op het gemeentefonds in de Miljoenennota 2025 niet gaat terugdraaien. De afspraken met het vorige kabinet over Wmo en Hervormingsagenda Jeugd worden wel gerespecteerd. Met de ministers en staatssecretarissen is afgesproken dat de komende maanden in deelstudies onderzoek plaatsvindt of de taken en middelen rond de thema’s bestaanszekerheid, versterking voorzieningenniveau in alle gemeenten, aandacht voor de relatie tussen het zorgdomein en het sociaal domein en het versnellen van de woningbouwopgave in balans zijn. Wanneer dat niet het geval is, wordt bepaald welke stappen er moeten worden gezet om dat te herstellen. Eind oktober/ begin november moet de uitkomst van het onderzoek bekend zijn. Om niet vooruit te lopen op de uitkomst van de onderhandelingen met het kabinet over de gemeentefinanciën nemen we nu nog geen aanvullende ombuigingsvoorstellen op voor 2027 en 2028. In de komende periode bereiden wij ons verder voor om ons op de toekomst voor te bereiden.

In de programmabegroting hebben wij daartoe actiepunten geformuleerd, zoals het onderzoek naar de mogelijkheid om bestaande maatregelen uit te breiden en/ of nieuwe maatregelen te treffen. De mate waarin is mede afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek door BZK. Zodra wij daarover meer informatie hebben komen wij daarop bij u terug. Participatie

Niet van toepassing. Net als voorgaande jaren wordt er over de programmabegroting 2025 nog een zogenaamde ‘Begroting in één oogopslag’ opgesteld. Deze wordt nog voor de raadsvergadering gepubliceerd in de lokale media zodat ook inwoners, instellingen en ondernemers van Aalsmeer hiervan kennis kunnen nemen. Digitaal is de programmabegroting 2025 voor iedereen beschikbaar via de P&C portal aalsmeer.pcportal.nl. Kantekeningen en risico’s

In de Kadernota 2025 zijn, naast het onderzoek over de kostprijsdekkende tarieven Wmo, de volgende risico’s benoemd met een mogelijke financiële impact: Jeugdzorg In de commissievergadering van 6 juni bent u geïnformeerd over de inhoudelijke en financiële resultaten jeugdhulp 2024. Uit de presentatie bleek dat wij een tekort verwachtten over 2024, maar ook dat de kostenbesparende maatregelen naast degene die al getroffen waren worden uitgebreid. Nu een aantal maanden verder hebben wij de maatregelen doorgevoerd, maar zien wij helaas dat er een tekort ontstaat over 2024 bovenop het effect dat wij al in de 1e bestuursrapportage hebben meegenomen. Onze verwachting is dat een deel hiervan structureel is. Op basis van eerste grove berekeningen is de inschatting dat ondanks de maatregelen er een bijstelling moet plaatsvinden in de programmabegroting 2025 (bandbreedte tussen

Pagina

-

-

4 van 9

de € 0,8 en € 1,4 miljoen). Deze uitkomsten hebben wij echter nog niet volledig kunnen analyseren. Daarom geven wij op zijn plaats alvast een winstwaarschuwing af. In het raadsvoorstel over de septembercirculaire 2024 komen wij hierop terug en leggen wij u een voorstel voor om de programmabegroting hiervoor te wijzigen. Daarnaast is ook voor de jeugdhulp in juli een algemene maatregel van bestuur ingegaan die gemeenten meer houvast bieden bij het vaststellen van ‘reële tarieven’ voor jeugdhulpaanbieders. Discussie oude openstaande AA-posten (€ 164.000) Extra middelen voor de uitvoering van de jeugdhulp. Er zijn budgetten toegekend tot en met 2025. Voor de jaren erna is op een stelpost budgettaire ruimte voor het eventueel structureel maken van deze formatie van € 244.000 opgenomen. Of dat noodzakelijk is en zo ja deze middelen voldoende zijn moet nog blijken. Inventarisatie areaal buitenruimte i.v.m. beheerkosten De inventarisatie van het areaal buitenruimte is nog niet afgerond. Inflatie in gemeentefonds in relatie tot werkelijke prijsontwikkeling Nog niet alle ambities zijn financieel vertaald Nieuwe wettelijke taken waarvoor Rijk onvoldoende budget beschikbaar stelt Taakstellingen Naast de taakstellingen die volgen uit de ombuigingsvoorstellen (besluitvorming Kadernota 2025, ter grootte van ca.

€ 1,5 miljoen structureel) zijn op basis van eerdere besluitvorming bij de programmabegroting 2023 en 2024 taakstellingen opgenomen voor: o Milieubeleid - € 100.000 o Besparingen op jeugdhulp - € 192.000 (in 2025) en € 592.000 (vanaf 2026) o Besparingen op Wmo (€ 150.000, 2025 oplopend tot € 300.000 vanaf 2027, exclusief korting gemeentefonds als gevolg van afschaffing abonnementstarief (€ 280.000). Daarmee is de totale taakstelling na afschaffing abonnementstarief € 580.000 vanaf 2027) Ten behoeve van de realisatie van deze taakstellingen zijn eerder al keuzes gemaakt. Omdat effectueren ervan tijd kost blijft het onzeker of deze volledig gerealiseerd worden totdat dit een feit is.

Daarbij hebben wij ook aangegeven nog een aantal kansen te zien: Objectieve indexering en fondsvorming Wmo uit de Voorjaarsnota van het Rijk vanaf 2026 Vooruitlopend op een andere financiering van de Wmo wordt een bedrag van € 75 miljoen vanaf 2026 oplopend tot € 300 miljoen in 2029 gereserveerd en bij de Miljoenennota overgeheveld naar het Gemeentefonds. In het raadsvoorstel over de septembercirculaire geven wij aan wat dit betekent voor Aalsmeer. Aflopende erfpachtovereenkomst Eigen Haard In 2024 worden naar verwachting de onderhandelingen over de erfpachtovereenkomst met Eigen Haard afgerond. Hieruit worden hogere inkomsten verwacht dan nu in de programmabegroting zijn opgenomen. Stelposten loon-en prijs, behoedzaamheid en nieuw beleid als onderdeel van de programmabegroting Areaaluitbreiding en/ of extra tariefstijgingen waardoor hogere inkomsten Financiën

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=aalsmeer&id=366de248-3a4a-435b-be7b-c26efdd38fba