CConstaterende dataalsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

1c.Commissie Ruimte en Economie - historie tot 10-03-2022 11 mei 2021, gemeente aalsmeer31.275 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

3. Juridische Kader De ruimtelijke wetgeving is met de inwerkingtreding van een wijziging van het Besluit omgevingsrecht ( hierna: Bor) op 1 november 2014 vereenvoudigd. In Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht zijn de bepalingen over mantelzorg opgenomen Door deze wijziging ontstaan onder andere mogelijkheden om een mantelzorgwoning vergunningsvrij te realiseren. Het is de verwachting dat het merendeel van de (toekomstige) mantelzorgwoningen ook inderdaad vergunningsvrij kan worden gerealiseerd en gebruikt. De wetgeving omvat wel een aantal voorwaarden, waaraan met betrekking tot het bouwen en gebruiken van een mantelzorgwoning moet worden voldaan. Ten aanzien van het vergunningsvrij bouwen van een mantelzorgwoning gelden in verband met de ruimtelijke aanvaardbaarheid diverse voorwaarden. Belangrijke voorwaarden zijn: • Een vergunningsvrije mantelzorgwoning kan uitsluitend in het ‘achtererfgebied’ worden gebouwd. Dit zogenaamde achtererfgebied is de ruimte achter de woning en de ruimte naast de woning op 1 meter achter het verlengde van de voorgevel en is voorts afhankelijk van de situering van de woning en de ligging van het perceel aan openbaar toegankelijk gebied. • De oppervlakte en de overige maatvoering van een mantelzorgwoning moet voldoen aan de aan- en bijgebouwenregeling (zogenaamde bijbehorende bouwwerken) bij een woning.

In deze regeling is vastgelegd welke oppervlakte(n) en maatvoering in totaal vergunningsvrij zijn toegestaan in het achtererfgebied; • Specifiek voor het gebied buiten de bebouwde kom (zogenaamde buitengebied) is bepaald, dat in het ‘achtererfgebied’, ongeacht de aanwezige oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken, een mantelzorgwoning is toegestaan met een oppervlakte van maximaal 100m², mits deze in zijn geheel of in delen verplaatsbaar is.

1

Ten aanzien van het gebruik van een bijbehorend bouwwerk als mantelzorgwoning geldt voorts het volgende. De regeling voor (vergunningsvrije) mantelzorgwoningen is uitsluitend bedoeld voor mantelzorgsituaties, waarin een persoon intensieve zorg en ondersteuning nodig heeft, die de gebruikelijke hulp en zorg van huisgenoten overstijgt. Lichte vormen van mantelzorg of situaties, waarbij in zijn geheel geen sprake (meer) is van mantelzorg vallen niet onder de regeling. Het bouwen en/of gebruiken van een mantelzorgwoning in gevallen waarin geen sprake is van mantelzorg is niet toegestaan. In het Bor zijn daarom in de begripsomschrijvingen twee waarborgen opgenomen, die van toepassing zijn bij mantelzorg(woning): Huisvesting in verband met mantelzorg: ‘Huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning.’ Daarmee ligt de reikwijdte van de wettelijke regeling vast. De huishoudensomvang in de mantelzorgwoning bedraagt maximaal 2 personen, waarvan ten minste één persoon mantelzorg verleent of ontvangt van een bewoner van de woning. De huisvesting van meer personen (bijvoorbeeld een gezin met kinderen) in een mantelzorgwoning is niet beoogd en toegestaan.

Mantelzorg: ‘Intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.’ In alle situaties moet sprake zijn van een mantelzorgbehoefte en levering, die een mantelzorgwoning rechtvaardigt. In gevallen waarin (vergunningsvrij) een mantelzorgwoning is gerealiseerd en/of in gebruik is/wordt genomen en er twijfel bestaat over de aanwezige zorgbehoefte, kan een verklaring worden opgevraagd bij de persoon die mantelzorg ontvangt. Is die verklaring er niet of kan die niet worden verkregen, dan is er geen sprake van een vorm van mantelzorg die een mantelzorgwoning rechtvaardigt en kan geen gebruik worden gemaakt van de regeling. Indien aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan, kan de mantelzorgwoning vergunningsvrij worden gerealiseerd. Wel zijn hierbij beleidsregels nodig om te kunnen toetsen, of aan de in het Bor gestelde voorwaarden wordt voldaan.

4.Behoefte aan beleidsregels Beleidsregels zijn in eerste instantie nodig in verband met de handhaving van de regeling. Zonder deze beleidsregels heeft de gemeente geen mogelijkheid om handhavend op te treden. Een mantelzorgwoning heeft namelijk alleen voor de duur van de mantelzorgrelatie bestaansrecht. In alle situaties dient bij het vervallen van de mantelzorgrelatie, bijvoorbeeld door het overlijden van de mantelzorgontvanger, de mantelzorgwoning te worden ontmanteld. Dit houdt in, dat het deel van de woning of het bijbehorend bouwwerk, waar de mantelzorgvoorziening aanwezig was, zodanig wordt verbouwd, dat ter plaatse geen bewoning meer kan plaats vinden. Dit ter voorkoming van het oneigenlijke gebruik van een mantelzorgwoning voor reguliere (zelfstandige) bewoning. In de beleidsregels zijn termijnen opgenomen, waar binnen (de voorzieningen voor) een mantelzorgwoning weer dient (dienen) te zijn verwijderd. Daarbij zijn ruime termijnen aangehouden en waar nodig zal dit met maatwerk moeten worden opgelost. Omdat vergunningsvrije situaties door de burgers niet bij de gemeente bekend moeten worden gemaakt, is voor handhaving niet inzichtelijk waar en wanneer er mantelzorgwoningen gerealiseerd gaan worden of wanneer de mantelzorg is beëindigd. Samenwerking/afstemming met het Wmo proces kan hierin een

2

signalerende rol betekenen voor handhaving bij vergunningsvrije mantelzorgwoningen. (Hiervoor moet intern werkproces worden opgesteld) Daarnaast zal in de communicatie burgers worden opgeroepen te melden als men voornemens is een mantelzorgwoning te plaatsen. Bij situaties waar bekend is dat er een mantelzorgwoning vergunningsvrij is gerealiseerd, omschrijft het Besluit omgevingsrecht dat burgemeester en wethouders kunnen vragen om een verklaring waaruit de mantelzorgbehoefte blijkt. Ook hiervoor vindt een regeling plaats in de beleidsregels. De verwachting is evenwel, dat de behoefte aan (toekomstige) mantelzorgwoningen primair vergunningsvrij is te realiseren binnen de reikwijdte van het Bor. In het Bor ligt sinds 1 november 2014 ook vast wanneer sprake is van mantelzorg (zie ook de definitie in 3). Het is in de beleidsregels dus niet meer noodzakelijk en mogelijk om te bepalen wanneer sprake is van mantelzorg die een mantelzorgwoning rechtvaardigt. Wel dient hierbij voldaan te zijn aan de in het Bor gestelde voorwaarden voor zowel het bouwen van als het gebruik als mantelzorgwoning. Ook om te toetsen of aan die voorwaarden kan worden voldaan, zijn beleidsregels nodig.

5. Conclusie De beleidsregels ‘Mantelzorgwoningen 2021’ richten zich primair op twee onderdelen:  

In de beleidsregels wordt vastgelegd op welke wijze wordt gecontroleerd en hoe het college optreedt indien de mantelzorgbehoefte is komen te vervallen. Daarnaast omvatten de beleidsregels overige bepalingen (zoals een afwijkingsregeling en een citeertitel).

ONDERDEEL B Beleidsregels mantelzorgwoningen 2021 In verband met de beleidsvrijheid die het college van burgemeester en wethouders bij het verlenen van omgevingsvergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) heeft en overwegende dat: • •

zij het wenselijk acht nadere regels te stellen inzake de voorwaarden, zoals die zijn gesteld in het Bor ten aanzien van het mogelijk zijn van een vergunningsvrije mantelzorgwoning en; omdat zij eenduidig wenst vast te leggen hoe zij optreedt bij situaties waarin de mantelzorg is dan wel moet worden beëindigd;

stelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer de volgende beleidsregels vast:

Artikel 1 Toetsings- en beoordelingscriteria Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien: 1. 2.

3.

4. 5.

Er bij de woning nog geen (vergunningsvrije) mantelzorgwoning aanwezig is. De mantelzorgontvanger een origineel getekende schriftelijke verklaring overlegt van een huisarts, of het sociaal wijkteam waaruit de behoefte blijkt voor mantelzorg als bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Met het overleggen van die schriftelijke verklaring dient, ook in situaties waarin de mantelzorgvoorziening vergunningsvrij wordt gerealiseerd, hiervan tevens een melding bij het college van burgemeester en wethouders plaats te vinden. Het college van burgemeester en wethouders houdt een register bij van percelen, waarop een mantelzorgvoorziening is gerealiseerd. Het huishouden in de mantelzorgwoning bestaat uit maximaal twee personen, van wie tenminste één persoon mantelzorg verleent aan - of ontvangt van een bewoner van het hoofdgebouw (de woning);

3

Burgemeester en wethouders hanteren daarbij de volgende uitgangspunten: 1.

2.

3. 4.

5.

Er is geen sprake van onevenredige aantasting van in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen die van omwonenden en omliggende bedrijven, de verkeersveiligheid, de stedenbouwkundige structuur en/of milieu hygiënische belemmeringen en; de mantelzorgwoning wordt zodanig gesitueerd dat deze een ruimtelijke eenheid vormt met de woning waarbij de mantelzorgwoning wordt gerealiseerd en de daaraan grenzende percelen. Inpandige aanpassingen zijn ook mogelijk. De mantelzorgwoning wordt daarvoor bij voorkeur (gemotiveerd afwijken is slechts in specifieke gevallen mogelijk) geheel binnen een afstand van maximaal 100 meter achter de originele achtergevel van het hoofdgebouw geplaatst (niet op het voorerf/-tuin dan wel zij erf ) en; het gebruik als mantelzorgwoning is van tijdelijke aard, gedurende de periode dat een dergelijke voorziening voor het verlenen dan wel ontvangen van zorg ook daadwerkelijk nodig is. De voorzieningen voor mantelzorg in het pand dienen van zodanige aard te zijn, dat het pand, nadat de mantelzorg is beëindigd, in oorspronkelijke staat (dat wil in ieder geval zeggen niet meer geschikt voor bewoning) kan worden teruggebracht en; de oppervlakte van de mantelzorgwoning bedraagt maximaal 100 m² in het buitengebied en de goothoogte bedraagt maximaal 3,5 meter.

Artikel 2 Controle en handhaving 1.

2.

3.

4.

Jaarlijks vindt controle plaats op basis van het bijgehouden register en van de gemeentelijke basisadministratie (GBA). Hierbij wordt gecontroleerd of de mantelzorgvrager en de mantelzorger nog op het betreffende adres wonen. Aanvullend kan op basis van huisbezoek gecontroleerd worden of aan de gestelde en geldende voorwaarden (voor mantelzorg, bouwen en gebruiken) wordt voldaan. In het geval van het vervallen van de mantelzorgrelatie, ook in situaties waarin de mantelzorgvoorziening vergunningsvrij is gerealiseerd, wordt hiervan door de mantelzorgverlener schriftelijk mededeling gedaan aan burgemeester en wethouders. Na het vervallen van de mantelzorgrelatie dient het bouwwerk dat dienst deed als mantelzorgwoning conform de bepalingen van het bestemmingsplan weer in de oude staat te worden hersteld en dient de bewoning te worden beëindigd. De aangebrachte voorzieningen welke met het oog op het tijdelijke gebruik als mantelzorgwoning zijn aangebracht, dienen binnen 26 weken nadat de mantelzorgrelatie is beëindigd te zijn verwijderd. Voor zover sprake is van mantelzorgwoning van een (tijdelijke) constructie die eenvoudig weer is te verwijderen, als bedoeld in artikel 1, sub 9 dient deze in zijn geheel te zijn verwijderd binnen 26 weken nadat de mantelzorgrelatie is beëindigd.

Artikel 3 Afwijking beleidsregels Afwijken beleidsregels mantelzorgwoningen, bijzondere en onvoorziene omstandigheden Indien daartoe aanleiding bestaat (bijvoorbeeld bij onvoorziene en bijzondere omstandigheden) kan het college van burgemeester en wethouders op schriftelijk verzoek van de aanvrager besluiten om af te wijken van de ’Beleidsregels mantelzorgwoningen 2021’. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om aan het verlenen van afwijking van bovengenoemde beleidsregels voorwaarden te verbinden.

Artikel 3 Inwerkingtreding De ‘Beleidsregels mantelzorgwoningen 2021’ treden in werking op de eerste dag na die van de bekendmaking ervan.

Artikel 4 Citeertitel Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als ‘Beleidsregels mantelzorgwoningen 2021’.

4

1 20210406 Memo 27 Procesvoorstellen voor BP en beleid voor oplossingen wonen achter het lint bijlage 4 Maatwerkregeling handhaving woonfuncties v1.0 (1).docx

CONCEPT Maatwerkregeling 'handhaving' woonsituaties Aalsmeer Versie na bespreking met vertegenwoordiging van de fracties op 28 oktober 2020 waarbij uitgesproken is dat gedoogconstructies alleen als absoluut sluitstuk ingezet worden. Dat betekent dat eerst gekeken moet worden naar de mogelijkheden tot legalisatie met een omgevingsvergunning of in een bestemmingsplan of persoonsgebonden overgangsrecht in een bestemmingsplan wat tot meer rechtszekerheid leidt voor iedereen. 1.0, 8 december 2020, Justin van de Grootevheen

Inleiding Rond 2008 is in Aalsmeer een nieuwe lijn ingezet op het gebied van handhaving van illegale situaties. Van een ad hoc aanpak op basis van een ‘piepsysteem’ is over gegaan op programmatische handhaving van bestemmingsplannen en actuele beleidsonderwerpen. Het college en de gemeenteraad zijn daarbij gezamenlijk opgetrokken en hebben daarvoor handhavingsbeleid vastgesteld en (extra) middelen beschikbaar gesteld. Prioriteit was daarbij de aanpak van bewoning in niet daarvoor bestemde gebouwen. Veelal situaties waarbij er sprake is van brandonveiligheid of strijd met hogere regelgeving zoals het Luchthavenindelingsbesluit (externe veiligheid en geluid). Maatschappelijke context Handhaving van regels grijpt veelal diep in op mensen. Zeker als het daarmee direct de persoonlijke leefomstandigheden raakt zoals dat het geval is bij het woonverblijf van mensen. Woonruimte is immers een van de basisbehoeften van mensen. Het is de centrale plek van iemands bestaan. In veel gevallen zitten mensen niet vanuit luxe in een illegale woonsituatie. Daarnaast is het, zeker in de huidige woningmarkt, moeilijk om aan andere ‘betaalbare’ woonruimte te komen. Wachtlijsten voor sociale huurwoningen zijn lang en het koopaanbod is beperkt en ligt veelal in het hogere prijssegment.

Vanwege deze aspecten schuurt het bij handhaving nog weleens en komt de term ‘de menselijke maat’ geregeld naar voren. Zoals dat ook landelijk het geval is bij andere uitvoeringsorganisaties en hiervoor is zelfs de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties in het leven geroepen. Dit wordt versterkt doordat er in Aalsmeer vele gevallen bekend zijn waarbij al lange tijd op een bepaalde locatie gewoond wordt. Soms wel 10tallen jaren. Het college en de gemeenteraad hechten belang aan handhaving van de regels. Zij willen echter voor langdurig bestaande gevallen een passende oplossing bieden die recht doet aan de omstandigheden van het geval en daarnaast veilig is. Op die manier kan een streep gezet worden onder het verleden. Voor iedereen creëert dit duidelijkheid en leidt dit, samen met de mogelijkheden voor verruiming waarvoor een apart kader is opgesteld, tot een nieuw ruimtelijk kader. Wettelijk kader Regels stellen, in bijvoorbeeld bestemmingsplannen, brengt met zich mee dat ze ook gehandhaafd moeten worden. Dit wordt ook wel de beginselplicht tot handhaving genoemd. Die plicht bestaat er niet alleen op verzoek, maar de gemeente moet ook uit eigen beweging tot handhaving overgaan. Er zijn niet veel ‘andere smaken’. De gemeente hoeft niet te handhaven als er ‘concreet’ zicht op legalisatie is.

Daarvan is in het kader van deze notitie (bewoning) sprake als er een ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd waarin het gebruik als woning mogelijk wordt gemaakt. Een andere variant is het opnemen van persoonsgebonden overgangsrecht in een bestemmingsplan. Of als er op basis van los beleid een omgevingsvergunning voor het gebruik als woning verleend kan worden. Daarvoor wordt apart van deze notitie beleid opgesteld. In bovenstaande gevallen kan van handhaving worden afgezien en dit biedt rechtszekerheid. Als legalisatie niet mogelijk is en handhaving niet wenselijk, dan komen we bij het persoonsgebonden gedogen. Het is het allerlaatste middel dat kan worden ingezet. Echter enkel en alleen als elke andere optie niet mogelijk is en handhaving tot onbillijke situaties leidt.

Persoonsgebonden gedoogverklaring Met een persoonsgebonden gedoogverklaring beslist de gemeente dat het ten aanzien van de geconstateerde overtreding (in dit geval de illegale bewoning) afziet van handhaving. Deze verklaring is persoonsgebonden, aan het object gerelateerd en niet overdraagbaar. In het geval van zo’n persoonsgebonden verklaring blijft de overtreding weliswaar bestaan, maar wordt de situatie gedoogd tot het moment dat de betreffende bewoner verhuist of overlijdt. Aan een persoonsgebonden gedoogverklaring kunnen voorwaarden verbonden worden. Het is echter geen besluit en biedt de gedoogde geen rechtszekerheid. In het geval dat een derde belanghebbende een verzoek om handhaving indient, dan zal opnieuw een afweging gemaakt moeten worden. Het is echter wel de meest pragmatische manier om in Aalsmeer met deze problematiek om te gaan. Zeker omdat de omvang van de opgave (het aantal situaties) niet bekend is. Zeker in de bestemmingsplangebieden Oosteinderweg en Uiterweg zullen nog veel gevallen niet bekend zijn. Maatwerkregeling - afwegingskader De beoordeling of een geval voor een persoonsgebonden gedoogverklaring in aanmerking komt gaat via onderstaand afwegingskader. 1. De situatie is niet te legaliseren via een ontwerpbestemmingsplan (al dan niet met persoonsgebonden overgangsrecht) of omgevingsvergunning op basis van het nieuwe beleid. 2.

Het woongebruik is aantoonbaar gestart voor de peildatum 22 juli 2011 (gelijk aan de datum uit het bestemmingsplan Woonarken). 3. Om vast te stellen of iemand al op de peildatum zijn woonverblijf op de betreffende locatie had, is inschrijving op die datum in de Basisregistratie personen als bewijsmiddel geaccepteerd. Daarnaast zijn andere bewijsstukken toegelaten, zoals:  bescheiden waaruit blijkt dat de woning in de aangifte inkomstenbelasting is opgegeven als eigen woning en door de Belastingdienst als zodanig is aangemerkt;  een polis voor een ziektenkostenverzekering waarbij als adres van de verzekerde het adres van de woning is vermeld, gevoegd bij een inschrijving van die bewoner bij een huisartsenpraktijk in de gemeente waarin de woning is gelegen of een aangrenzende gemeente;  bescheiden waaruit blijkt, dat sprake is van een door burgemeester en wethouders genomen besluit met betrekking tot bekostiging van leerlingenvervoer vanaf het adres van de woning;  door de werkgever van bewoner aan die bewoner verstrekte jaaropgaven waaruit blijkt dat sprake is van een inkomen van die bewoner op het adres van de woning;  bescheiden van een uitkeringsinstantie of pensioenfonds waaruit blijkt dat sprake is van een uitkering of pensioen van die bewoner op het adres van de woning. 4.

De woning voldoet aan de minimale eisen voor constructieve- en brandveiligheid uit het Bouwbesluit 2012 (bestaande bouw). Met een bouwkundig rapport van een ter zake deskundige (architect of bouwkundig tekenaar) moet dit worden aangetoond door de gedoogde. 5. De woning is bereikbaar voor hulpverleningsdiensten volgens artikel 6:37 uit het Bouwbesluit 2012. 6. Indien de woning niet voldoet dan mogen deze gebreken binnen een termijn van 6 weken verholpen worden voor zover het om vergunningvrij gewoon onderhoud van een bouwwerk gaat (detaillering, profilering en vormgeving van dat bouwwerk wijzigen niet, artikel 2 lid 1 van bijlage II Besluit omgevingsrecht) of als het gaat om een verandering van een bouwwerk (artikel 3 lid 8 van bijlage II Bor), mits wordt voldaan aan de volgende eisen:  geen verandering van de draagconstructie,  geen verandering van de brandcompartimentering of beschermde subbrandcompartimentering,  geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte, en  geen uitbreiding van het bouwvolume.

Spelregels  De persoonsgebonden gedoogverklaring komt te vervallen indien de personen zijn verhuisd of overleden. De verklaring geldt dus niet voor eventuele rechtsopvolgers;  Eventuele inwonende (minderjarige) kinderen mogen in de woning wonen, zolang ze inwonen bij een persoon met een persoonsgebonden gedoogverklaring;  Personen die na 22 juli 2011 komen inwonen bij een persoon met een persoonsgebonden gedoogverklaring komen zelf niet in aanmerking voor een persoonsgebonden gedoogverklaring. Als (nieuwe) partner van de gedoogde mogen zij in de woning verblijven totdat de gedoogde verhuist of komt te overlijden. Van een partner is sprake op het moment dat men een samenlevingscontract, geregistreerd partnerschap heeft of getrouwd is.  Een persoonsgebonden gedoogverklaring komt te vervallen indien de bewoning voor meer dan één jaar onderbroken wordt. Het is niet mogelijk na hervatting van de bewoning opnieuw in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden gedoogverklaring.  Indien er op een locatie voor slechts één persoon een persoonsgebonden gedoogverklaring is gegeven, dient de rest van het huishouden binnen 6 maanden na het vervallen van deze verklaring te vertrekken. Een na de peildatum inwonende partner dient dus met de eventueel inwonende kinderen te vertrekken.

 Indien de gedoogsituatie eindigt dan dienen binnen 9 maanden de zonder omgevingsvergunning aangebrachte woonvoorzieningen verwijderd te worden en moet het geheel weer in overeenstemming worden gebracht met de laatst verleende vergunning.  Het is niet mogelijk om mantelzorg te verlenen in of vanuit een gebouw waarin op basis van een persoonsgebonden gedoogverklaring wordt gewoond. Kanttekeningen  Met deze nieuwe koers wordt gebroken met de rond 2008 ingezette handhavingslijn. Dat betekent dat er een gevoel kan ontstaan van rechtsongelijkheid in gevallen waar wel is gehandhaafd. Het aantal gevallen waar wel handhavend is opgetreden bedraagt zeker meer dan 50 die mogelijk ook voldeden aan de peildatum.  Een gedoogverklaring biedt de minste rechtsbescherming. Het is immers geen besluit. Bij een verzoek om handhaving moet een integrale afweging van belangen gemaakt worden.  Het staat gebiedsontwikkeling en bestaande bedrijven niet in de weg omdat de feitelijke overtreding blijft bestaan en er dus geen planologisch woongebruik wordt gerealiseerd.  Het is niet mogelijk om dergelijke verklaringen in te schrijven in het register Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Dat betekent dat potentiële kopers niet gewezen worden op het feit dat de bewoning op die locatie niet is toegestaan.

 Tegen gevallen aangevangen na 22 juli 2011 wordt handhavend opgetreden conform het geldende handhavingsbeleid.  Met het afgeven van gedoogverklaringen wordt handhaving uitgesteld. Er blijft dus altijd een handhavingsopgave. De verwachting is echter wel dat door verloop van tijd het aantal strijdige ‘situaties’ afnemen. Bijvoorbeeld door sloop, nieuwbouw, herontwikkeling, vertrek of overlijden. Het is echter onvermijdelijk dat in enkele gevallen als nog handhaving moet worden opgetreden.  Omdat er bij gedogen nog steeds sprake is van een overtreding, die op enig moment eindigt, en er sprake is van een kennelijk onbillijke situatie waarbij de menselijke maat uitdrukkelijk onder druk staat, bestaat er geen aanleiding om inmiddels (al dan niet vrijwillig) beëindigde strijdige situatie opnieuw te laten plaatsvinden. Verondersteld mag worden dat men inmiddels nieuwe huisvesting heeft gevonden zodat er geen sprake meer is van een onbillijke situatie. De gedoogconstructie richt zich op het gebruik door de gedoogde en niet zo zeer op de financiële aspecten van (verhuurde) object, bijvoorbeeld dus op de huurinkomsten van de eigenaar.

1 20210406 Memo 27 Procesvoorstellen voor BP en beleid voor oplissingen wonen achter het Lint bijlage 5 memo ruimte voor ruimte regeling.docx

Ruimte-voor-ruimte regeling 1.Aanleiding In de raadsvergadering van 18 juni 2020 heeft de gemeenteraad (hierna: raad) verzocht aan het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) om te komen met een integrale, samenhangende visie voor het wonen in de linten van Aalsmeer. Het “Lintenbeleid” is één van de prioriteiten van de raad mede gezien de kwesties en handhavingstrajecten die in deze gebieden lopen. De raad heeft behoefte aan een samenhangende visie voor alle gebieden die onderdeel zijn van de linten. Op dit moment ontbreekt een samenhangende visie voor alle gebieden die onderdeel zijn van de linten. Het is wenselijk om beleid te ontwikkelen vanuit de “Ja, mits gedachte” om nieuwe gebouwen achter de Linten tijdelijk dan wel permanent onder voorwaarden toe te staan.

2. Doelstelling Het doel is om via een ruimte-voor- ruimte regeling nieuwe gebouwen achter de Linten onder voorwaarden toe te staan en om een helder kader vast te stellen hoe de gemeente Aalsmeer omgaat met nieuwe gebouwen achter de linten. Dit met in achtneming van de geldende wet- en regelgeving. In dit memo wordt beschreven tegen welke belemmeringen we aanlopen bij het opstellen van een dergelijke regeling. Dit vloeit vooral voort uit de onlangs vastgestelde Omgevingsverordening Noord-Holland 2020 (hierna: Omgevingsverordening). In hoofdstuk 3 zal uitgelegd worden via het wettelijk kader welke belemmeringen er zijn voor nieuwe ontwikkelingen. Tevens zal aangegeven worden welke voorwaarden/handvaten voor nieuwe ontwikkelingen worden geschetst in de Structuurvisie Tussen de Linten. Vervolgens zal in hoofdstuk 4 worden geconcludeerd dat het opstellen van een ruimte-voor-ruimte regeling enkel beperkend werkt om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Afgesloten wordt met een conclusie in hoofdstuk 5.

3. Juridisch Kader Veelal geldt dat de ruimte voor nieuwe ontwikkelingen beperkt wordt door de huidige wet- en regelgeving. In het onderstaande wordt de regelgeving vanuit het Rijk, de provincie en de gemeente weergegeven.

3.1 Luchthavenindelingsbesluit Het rijksbeleid ten aanzien van Schiphol is geformuleerd in de Wet tot wijziging van de wet Luchtvaart (verder Wijzigingswet genoemd). De wijzigingswet vormt de wettelijke grondslag voor het regime voor de luchthaven Schiphol. Deze wet is grondslag voor twee uitvoerings-besluiten: het Luchthavenverkeerbesluit en het Luchthavenindelingbesluit ( hierna: LIB). Het LIB omvat de ruimtelijke consequenties van de Wijzigingswet. In het LIB wordt een beperkingengebied genoemd waarin beperkingen worden gesteld ten aanzien van het gebruik en de bestemming van de grond voor zover deze noodzakelijk zijn met het oog op veiligheid en geluidbelasting. Tevens zijn er hoogtebeperkingen en regels met beperkingen ten aanzien van grondgebruik of bestemmingen met een vogelaantrekkende werking. In LIB 1 en 2 zijn geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. 

LIB 3: geen woningen of andere (beperkt) kwetsbare objecten toegestaan, m.u.v. bestaand legaal gebruik. Nieuwe kantoren/bedrijven zijn wel toegestaan, mits het aantal verblijvende werknemer niet meer dan 22 per hectare bedraagt. Ook is herstructurering van een gebied met kantoren of bedrijven toegestaan, indien dit niet leidt tot een toename van het aantal werknemers per hectare binnen dit gebied. LIB 4: geen geluidgevoelige gebouwen toegestaan, m.u.v.: bestaand gebruik van een geluidgevoelig gebouw; toevoeging binnen bestaand stedelijk gebied van niet meer dan 25 woningen per bouwplan of binnen lintbebouwing van niet meer dan 3 woningen per bouwplan. Een geluidgevoelig gebouw ter vervanging van een bestaand geluidgevoelig gebouw, mits van gelijke aard en gelijke schaal en onder de voorwaarde dat het te vervangen gebouw wordt verwijderd of dat de functie en bestemming van het te vervangen gebouw wordt omgezet naar niet-geluidgevoelig. Herstructurering van een bestaand stedelijk gebied, indien dit niet leidt tot een toename met meer dan 25 woningen en indien dit niet

leidt tot een toename van de capaciteit van andere geluidgevoelige gebouwen binnen dit gebied. Nieuwbouw van een bedrijfswoning, voor zover de noodzaak daarvan is aangetoond. LIB 5: In het gebied buiten bestaand stedelijk gebied mogen binnen de LIB 5-zone geen nieuwe woningen worden toegevoegd.

Verdichting van het lint is op een aantal locaties alleen mogelijk nadat ontheffing is verleend van de beperkingen van het Luchthavenindelingenbesluit. Het gaat hierbij om het opvullen van een gat in het lint met maximaal 3 woningen. De gemeente is zelf bevoegd hiervoor een eigen afweging te maken, voorzover gelegen binnen Bestaand Stedelijk Gebied (BSG).

Artikel 1.1.1 lid 1h Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) definieert BSG als volgt: Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

3.2 Omgevingsverordening Noord-Holland 2020 Met ingang van 16 november jl. is de provinciale Omgevingsverordening in werking getreden. Belangrijke artikelen uit deze Omgevingsverordening waarmee rekening dient te worden gehouden voor het formuleren van een ruimte -voor-ruimte regeling is in het hiernavolgende opgenomen. In de Omgevingsverordening worden alle gebieden binnen MRA landelijk gebied beperkt in nieuwe bouwmogelijkheden (zoals hieronder aangegeven op de kaart). Vervolgens wordt in de artikelen 6.4, 6.5 en 6.9 uitgelegd aan welke regels nieuwe ontwikkelingen binnen MRA landelijk gebied moeten voldoen.

Afbeelding 1: MRA-landelijk gebied in groen (bron: Omgevingsverordening NH)

Definities:

bestaand stedelijk gebied: gebied als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening stedelijke functies: functies die verband houden met wonen, bedrijven, voorzieningen, stedelijk water en stedelijk groen kleinschalige ontwikkeling: nieuwe bebouwing voor stedelijke functies die gelet op de kleinschaligheid en beperkte ruimtelijke gevolgen niet wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening kleinschalige woningbouwontwikkeling: nieuwe bebouwing voor de functie wonen die gelet op de kleinschaligheid en beperkte ruimtelijke gevolgen niet wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening

Artikel 6.4 Kleinschalige ontwikkelingen Ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied kan een ruimtelijk plan uitsluitend voorzien in een kleinschalige ontwikkeling, niet zijnde een kleinschalige woningbouwontwikkeling indien: a. op de ontwikkeling plaatsvindt op een locatie waar een stedelijke functie is toegestaan; b. het toegestane bebouwd oppervlak niet wordt vergroot; en c. het aantal burgerwoningen niet toeneemt. Dit artikel richt zich op kleinschalige ontwikkelingen, niet zijnde kleinschalige woningbouwontwikkelingen. Dit zijn ontwikkelingen voor stedelijke functies die naar aard en omvang zodanig beperkt zijn dat zij geen nieuwe stedelijke ontwikkeling zijn. Op basis van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt als vuistregel dat de omvang beperkt is tot 500 m2 bouwoppervlak. Het uitgangspunt is dat kleinschalige ontwikkelingen voor stedelijke functies niet mogelijk zijn binnen het werkingsgebied landelijk gebied. De gedachte hierachter is dat voor deze ontwikkelingen een plek is te vinden binnen bestaand stedelijk gebied. Dit artikel bevat een uitzondering op dit uitgangspunt voor kleinschalige ontwikkelingen, niet zijnde kleinschalige woningbouwontwikkelingen. In het artikel staan de voorwaarden waaraan een kleinschalige ontwikkeling moet voldoen.

In de eerste plaats moet op de betreffende locatie al een stedelijke functie met bouwmogelijkheden zijn toegestaan. De ontwikkeling mag plaatsvinden op het betreffende bouwperceel of daarbuiten, zolang de bouwmogelijkheden niet worden vergroot. Het aantal burgerwoningen mag niet toenemen. Artikel 6.5 Voormalige agrarische bouwpercelen 1. Ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied kan een ruimtelijk plan voorzien in de mogelijkheid dat de bestaande bebouwing op een voormalig agrarisch bouwperceel, inclusief de agrarische bedrijfswoning(en) en uitgezonderd kassen, wordt gebruikt voor kleinschalige vormen van bijzondere huisvesting, werken, recreatie, gebruiksgerichte paardenhouderij of zorgfuncties indien: a. sprake is van volledige beëindiging van het agrarisch bedrijf; b. deze functie de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven en de woonfunctie van omringende woningen niet beperkt; c. buitenopslag buiten het bouwvlak niet is toegestaan; d. deze functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie; e. benodigde parkeerplaatsen op het eigen bouwperceel worden gerealiseerd; f. in geval van bijzondere huisvesting uitsluitend sprake is van afhankelijke woonruimten of woningen als onderdeel van zorgfuncties, en; g.

in geval van recreatiefuncties permanente bewoning wordt verboden. 2. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen over de aard en omvang van de in het eerste lid genoemde functies. Dit artikel ziet op functiewijzigingen op een voormalig agrarisch bouwperceel, dus na bedrijfsbeëindiging. Het artikel voorziet in een aantal specifieke functies die zich kunnen vestigen in de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Hierbij gelden een aantal voorwaarden vanuit ruimtelijke inpassing. Bij beëindiging van een agrarisch bedrijf zijn naast de functies voorzien in dit artikel ook een aantal andere mogelijkheden. Uiteraard kan het agrarisch bedrijf worden opgevolgd door een ander agrarisch bedrijf. Hierbij geldt artikel 6.33.

Daarnaast is op het betreffende agrarisch bouwperceel een agrarisch aanverwant bedrijf mogelijk. Zie artikel 6.33, derde lid. Artikel 6.9 MRA landelijk gebied 1. Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied MRA landelijk gebied niet voorzien in een kleinschalige woningbouwontwikkeling. 2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan voorzien in functiewijziging van een stedelijke functie of van een agrarisch bouwperceel naar wonen in de vorm van maximaal twee burgerwoningen, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. ter plaatse van de bestaande stedelijke functie of het agrarisch bouwperceel is ten minste één bedrijfswoning planologisch toegestaan; b. de functiewijziging naar een woonfunctie beperkt de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven niet; c. de bestaande bedrijfsbebouwing op de overige gronden wordt gesloopt en aan deze gronden wordt een bestemming toegekend zonder bouwmogelijkheden; en d. een tweede burgerwoning is alleen mogelijk als meer dan 1.500 m² grondoppervlakte aan bestaande bedrijfsbebouwing op het bestemmingsvlak wordt gesloopt. 3.

In afwijking van het eerste lid kan een nieuwe burgerwoning worden toegestaan, indien deze woning wordt gesitueerd in een dorpslint en hierbij een aanwezige bedrijfswoning binnen het werkingsgebied glastuinbouwconcentratiegebied wordt wegbestemd en gesloopt. 4. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan voorzien in een functiewijziging van een karakteristieke boerderij naar een woonfunctie waarbij de karakteristieke boerderij mag worden gesplitst in meerdere burgerwoningen, indien geen afbreuk wordt gedaan aan het oorspronkelijke karakter van de bebouwing. Dit artikel richt zich op het onder voorwaarden toestaan van woningbouw in het werkingsgebied MRA landelijk gebied. Kleinschalige woningbouwontwikkeling op locaties waar nog geen bouwperceel is, is daarbij uitgesloten. Wel is bij beëindiging van agrarische bedrijven of bij beëindiging van stedelijke functies het mogelijk om kleinschalige woningbouw toe te staan in de vorm maximaal 2 woningen als vervolgfunctie bij bijvoorbeeld voormalige agrarische bouwpercelen (VAB’s). De regeling geldt ook voor transformatie van stedelijke functies met bebouwing, zoals een bedrijf, een horecafunctie of een maatschappelijke functie, naar wonen. Lid 1 Dit lid bevat een verbod op kleinschalige woningbouw binnen het werkingsgebied MRA landelijk gebied.

Dit betekent dat kleinschalige woningbouw (huidige jurisprudentie tot en met 11 woningen) is uitgesloten, tenzij gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheden in de volgende leden. Lid 2 Voor een functiewijziging naar wonen op een perceel met een bestaande stedelijke functie of een agrarisch bouwperceel hanteren wij een maximum van twee burgerwoningen. Wij stellen dit maximum omdat wij verdere verstedelijking van het landelijk gebied geen wenselijke ontwikkeling achten. De gedachte hierachter is dat voor een kleinschalige ontwikkeling, zoals bijvoorbeeld enkele woningen, vaak ruimte is te vinden binnen bestaand stedelijk gebied. Onder voorwaarden is een maximum aantal van twee burgerwoningen toegestaan. De voorwaarde ziet op een substantiële verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door sloop van bestaande (bedrijfs-) bebouwing. Verder geldt als voorwaarde dat de nieuwe burgerwoningen de bestaande bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen agrarische bedrijven niet mag beperken. Omgevingsverordening NH2020 169 Lid 3 In het tweede lid zijn regels opgenomen ter bevordering van het wegnemen van burgerbewoning uit de glastuinbouwconcentratiegebieden. Dergelijke bewoning staat herstructurering van deze gebieden vaak in de weg.

Dit artikellid biedt de ruimte om een bestaande burgerwoning uit het glastuinbouwconcentratiegebied weg te bestemmen en aansluitend op bestaande dorpslinten een nieuw bestemmingsvlak voor wonen toe te voegen. Het gaat hierbij om 1 op 1 vervanging. Lid 4 Dit lid is specifiek bedoeld voor stolpboerderijen of andere karakteristieke boerderijen. Deze panden zijn vaak te groot om daarin maar 1 woning te realiseren (of 2 woningen indien andere opstallen kunnen worden gesloopt). Het is vanuit landschap en cultuurhistorie wenselijk om een mogelijkheid te bieden de karakteristieke boerderij te behouden en hiervoor een nieuwe functie te kunnen vinden. Dit lid maakt het mogelijk om meerdere woningen te realiseren in een dergelijke boerderij. Er is bewust voor gekozen om ‘karakteristieke boerderij’ niet te definiëren

als begripsbepalingen. Dit kan om een monument gaan, maar het kan ook om een ander beeldbepalend pand gaan. Het is aan de betrokken gemeente om in de concrete situatie te bepalen of sprake is van een karakteristieke boerderij.

3.3 Structuurvisie Tussen de Linten In het onderstaande wordt de Structuurvisie Tussen de Linten, vastgesteld d.d. 4 december 2020 uitgelicht omdat deze visie handvaten biedt voor nieuwe ontwikkelingen voor kleinschalige woningbouw. De structuurvisie vormt een toetsingskader voor ruimtelijke initiatieven. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in drie deelgebieden: 1) het meest westelijk gebied waar tuinbouw, kleinschalige arbeidsextensieve bedrijvigheid en duurzame energievoorziening mogelijk is; 2) het gebied begrens door Aalsmeerderweg, Hoge Dijk, Machineweg en Kerkweg. In dit gebied zijn behalve tuinbouw passende kleinschalige bedrijven mogelijk, duurzame energie en kleinschalige woningbouw onder voorwaarden van geluidsadaptief bouwen. 3) Het gebied begrensd door Aalsmeerderweg, Kerkweg, Hoge Dijk en plangebied Schinkeldijkje. In dit gebied is kleinschalige woningbouwontwikkeling mogelijk. Enkel deelgebied 1 ligt in BSG de rest ligt buiten BSG en wordt volgens de Omgevingsverordening aangeduid als MRA-landelijk gebied.

Afbeelding 2: Paspoortgebieden 1,2 en 3 (bron: Structuurvisie Tussen de Linten) Als algemeen uitgangspunt voor ontwikkelingen geldt: het faciliteren van transformatie/nieuwbouw alleen afweegbaar is, indien het bijdraagt aan het verbeteren van de kwaliteit/openheid/belevingswaarde van het gebied door sloop van verouderde bedrijfsbebouwing. Daarbij geldt als uitgangspunt qua programma:  Dat per saldo het bebouwd oppervlakte afneemt (of bij glastuinbouwbestemming, de betreffende rechten ingewisseld worden) en  Dat er niet meer bebouwing wordt toegevoegd dan strikt noodzakelijk is om de financiële businesscase sluitend te krijgen.

De mogelijkheden voor wonen per deelgebied In het onderstaande wordt de ontwikkelingsmogelijkheden om wonen toe te staan per deelgebied uitgewerkt. Paspoort deelgebied 1 (begrensd door Aalsmeerderweg, Hoge dijk en Burgemeester Brouwerweg) Binnen LIB-zone 3 zijn geen mogelijkheden voor het toevoegen van extra woningen.

Woningbouw binnen de LIB-zone 4 wordt gerealiseerd binnen de grenzen van wat wettelijk is toegestaan. Het gaat hierbij om uitgangspunten voor woningaantallen, maar ook om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, onder andere gelet op geluid en gezondheid. De gemeente Aalsmeer heeft een onderzoek laten verrichten naar de mogelijkheden voor geluidadaptief bouwen in ‘Tussen de Linten’. Met de hierin opgenomen voorstellen kan een zo goed mogelijk binnenklimaat gerealiseerd worden. Overlast van industrielawaai rond Schiphol-oost is voornamelijk afkomstig van proefdraaiende vliegtuigen. Ondanks dat het proefdraaigeluid waarschijnlijk laag is in Tussen de Linten, zal ook dit aspect verder moeten worden onderzocht.

Paspoort deelgebied 2: (begrensd door Aalsmeerderweg, Hoge Dijk, Machineweg en Kerkweg)  Woningbouw binnen de LIB –zones 4 en 5 wordt gerealiseerd binnen de grenzen van wat wettelijk is toegestaan. Het gaat hierbij om uitgangspunten voor woningaantallen, maar ook om het realiseren van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, onder andere gelet op geluid en gezondheid. De gemeente Aalsmeer heeft een onderzoek laten verrichten naar de mogelijkheden voor geluidadaptief bouwen ‘Tussen de Linten’. Met de hierin opgenomen voorstellen kan een zo goed mogelijk woonklimaat gerealiseerd worden. Ondanks dat het proefdraaigeluid waarschijnlijk laag is Tussen de Linten, zal ook dit aspect verder moeten worden onderzocht. Er zijn mogelijkheden zowel ter opvulling van gaten in het lint, maar ook planmatig is ontwikkeling van woningen denkbaar op het achterterrein.  Bij voorkeur wordt in dit gebied gebouwd voor doelgroepen die minder geluidgevoelig zijn, zoals jongeren en ouderen. De woningen worden bij voorkeur in de huursector gerealiseerd, zodat mensen makkelijker kunnen verhuizen, mochten zij toch meer hinder ondervinden dan van te voren ingeschat. Ook tijdelijke woonvormen zijn een mogelijkheid.

Paspoort deelgebied 3 (begrensd door Aalsmeerderweg, Kerkweg, Hoge Dijk en plangebied Schinkeldijkje)  In dit gebied zijn mogelijkheden voor kleinschalige woningbouwontwikkeling, bijvoorbeeld bij een bedrijfsbeëindiging of ter plaatse van leegstaande kassen. Er zijn mogelijkheden zowel ter opvulling van gaten in het lint, maar ook planmatig is ontwikkeling van woningen denkbaar op het achterterrein. Ook hier geldt dat alleen meegewerkt wordt aan een woningbouwinitiatief door de gemeente wanneer er een goede woonkwaliteit (o.a. blijkend uit de feitelijke geluidsbelasting) kan worden gerealiseerd. De gemeente Aalsmeer heeft een onderzoek laten verrichten naar de mogelijkheden voor geluidadaptief bouwen ‘Tussen de Linten ’ . Met de hierin opgenomen voorstellen kan een zo goed mogelijk binnenklimaat gerealiseerd worden. Overlast van industrielawaai rond Schiphol-oost is voornamelijk afkomstig van proefdraaiende vliegtuigen. Ondanks dat het proefdraaigeluid waarschijnlijk laag is ‘Tussen de Linten’, zal ook dit aspect verder moeten worden onderzocht.  Omdat de geluidshinder in dit deelgebied iets beperkter is dan in deelgebied 2, zijn hier woningen voor alle doelgroepen denkbaar. Mits passend conform de functionele en ruimtelijke uitgangspunten.

Eisen voor nieuwe ontwikkelingen In het algemeen geldt het volgende vanuit de structuurvisie met het oog op een kwalitatief hoogwaardige ontwikkeling:  Nieuwe ontwikkelingen moeten in lijn zijn met de bestaande stedenbouwkundige structuur.  Nieuwe ontwikkelen moeten aansluiten bij goot- en bouwhoogten in de omgeving.  Seriematige woningbouw is niet wenselijk.  Nieuwe ontwikkelingen zijn ondergeschikt aan lintbebouwing  Materiaalgebruik moet op elkaar en op de omgeving afgestemd worden.  Parkeren moet zoveel mogelijk uit het zicht plaatsvinden.  Er moet ruime aandacht zijn voor groen en spelen op verschillende schaalniveaus.

3.4 Structuurvisie Uiterweg In de Structuurvisie Uiterweg is een ruimte-voor-ruimte regeling opgenomen. ‘Op basis van deze regeling kunnen leegstaande kassen worden verwijderd en in een verhouding van 1:25 worden vervangen door recreatieverblijven of andere rode functies die passen in de basisstrategie. De opschoning en ‘ontstening’ die hiermee samenhangt levert een belangrijke kwaliteitswinst op.’

4. Beperkende werking LIB en Omgevingsverordening Op de gronden gelegen binnen LIB3 zijn enkel kantoren/bedrijven mogelijk. Voor de gronden gelegen binnen LIB4 en LIB5 geldt dat onder voorwaarden het toevoegen van nieuwe woningen mogelijk is. Voorts geldt dat onder de Provinciale Ruimtelijke Verordening de gemeente nog kon betogen dat een locatie binnen BSG was gelegen, om hier vervolgens een stedelijke functie toe te staan. Met de regels binnen het werkingsgebied ‘MRA-landelijk gebied’ is deze route niet meer mogelijk. Binnen het ‘MRA – landelijk gebied’ biedt de provincie in het geheel geen mogelijkheden voor kleinschalige woningbouwontwikkelingen. Hieronder worden verstaan woningbouwontwikkelingen tot en met 11 woningen. Uitzonderingen zijn die gevallen waarbij sprake is van een functiewijziging van een reeds bestaande stedelijke functie of een agrarisch bouwperceel naar wonen. Hierbij geldt wel een maximum van twee nieuw toe te voegen burgerwoningen. Daarnaast is er de bijkomende randvoorwaarde dat zowel bij de stedelijke functie als het agrarisch bouwperceel sprake moet zijn van het saneren tenminste één (planologisch) bestaande bedrijfswoning. En daarbovenop geldt de randvoorwaarde dat de tweede burgerwoning alleen mogelijk is indien meer dan 1.500 m² grondoppervlakte aan bedrijfsbebouwing wordt gesloopt.

Concreet betekent dit dat in die gevallen waarin planologisch geen bedrijfswoning toegestaan is, deze functiewijziging ook niet tot de mogelijkheden behoort. Oók niet wanneer er 1.500 m² bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Deze Omgevingsverordening is daarmee strenger dan de voorheen geldende Provinciale Ruimtelijke Verordening. Gezien het voorgaande is de stringente regeling vanuit de provincie een belemmering voor het opstellen van een ruimte-voor-ruimte regeling. Een dergelijke regeling zal een vertaling worden van de provinciale regels en zal de gemeente Aalsmeer nog meer beperken in het mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen.

5. Conclusie Gelet op deze strengere regelgeving vanuit de provincie en de belemmeringen die al door het LIB worden veroorzaakt, is een transformatieregeling zoals de voorgestelde ruimte-voor-ruimte regeling niet wenselijk en zal enkel meer beperkend werken omdat de regeling een vertaling is van de regels uit de Omgevingsverordening. Het is van belang dat de gemeente actief een overzicht bijhoudt van initiatieven in het MRA Landelijk Gebied. De strategie zal moeten zijn dat lopende ontwikkelingen onder de aandacht moet worden gebracht bij de provincie om de projecten doorgang te laten vinden ondanks de stringente regelingen onder de Omgevingsverordening.

1 Verbeelding LIB zonering Aalsmeer.pdf

Beperkingengebied LIB1 tot en met 5

1 20210506 Inspreekreactie fam. van Tol.pdf

Muller, Carin Onderwerp:

FW: Vergadering 11 mei achter de linten

Van: Wilma van Tol <wilmavantol@hotmail.com> Verzonden: donderdag 6 mei 2021 16:40 Aan: Griffie Aalsmeer <griffie@aalsmeer.nl> Onderwerp: Vergadering 11 mei achter de linten

Goedemiddag, Graag willen wij Nicky en Wilma van Tol bewoners van Aalsmeerderweg 339 mantelzorgwoning 2017en 339a noodwoning sinds de jaren 50,u vragen om het juiste te beslissen om een einde te maken aan onze onmenselijk situatie onze zienswijze is ingediend april 2019 Wij hopen op een positieve uitkomst. Met vriendelijke groet Nicky en Wilma van Tol. Outlook voor Android downloaden

1

1 inspraak Schoenmaker 11-5-2021.pdf

6 Strategie Werklocaties Aalsmeer 1 Dossier 216 voorblad.pdf

1.Commissie Ruimte en Economie Dossiernummer

216

Vertrouwelijk

Nee

Vergaderdatum

11 mei 2021

Agendapunt

6

Omschrijving

Strategie Werklocaties Aalsmeer

Geagendeerd

Vergaderdatum

1.Commissie Ruimte en Economie

11 mei 2021

1 20210310 RAADSVOORSTEL Strategie Werklocaties Aalsmeer.docx

RAADSVOORSTEL

Raadsvoorstel nr

Datum B&W-besluit

Portefeuillehouder

16 maart 2021

Afdeling

wethouder mr. R.K. van Rijn, MBA

Stedelijke Ontwikkeling

Behandelend ambtenaar (voor technische vragen)

Femke van der Zanden/ H. Op ‘t Veld 06-19614214 f.van.der.zanden@amstelveen.nl

Voor de vergadering van raad d.d.

27 mei 2021 Behandelen in de raadscommissie op

Ruimte en Economie

11 mei 2021

Onderwerp

Strategie Werklocaties Aalsmeer Gevraagd besluit

1. 2. 3.

Kennis te nemen van de Nota van Beantwoording; Het definitieve document Strategie Werklocaties Aalsmeer, waarin genoemde wijzigingen uit de Nota van beantwoording zijn doorgevoerd, vast te stellen; De strategische lijnen vast te stellen betreffende Green Park Aalsmeer inclusief de Greensquare, Hornmeer, de planvoorraad voor kantoren, het verkennen van mogelijkheden voor het accommoderen van de lokale vraag als Greenpark is ontwikkeld en het schetsen van een duidelijk toekomstperspectief op de Schinkelpolder.

WAT WILLEN WE BEREIKEN EN WAT GAAN WE DAARVOOR DOEN Wat willen we bereiken (effectindicatoren)

De gemeente Aalsmeer wil het lokale en regionale vestigingsklimaat voor bedrijven versterken (Agenda Economie en Recreatie & Toerisme, vastgesteld in 2019). Het hoofddoel van deze agenda is het versterken van de economische en toeristisch-recreatieve structuur in Aalsmeer. Eén van de manieren om het vestigingsklimaat te versterken is om het aanbod van werklocaties kwantitatief en kwalitatief te laten aansluiten op de markt, zodat gevestigde bedrijven kunnen doorgroeien en uitbreiden en Aalsmeer aantrekkelijk is en blijft als vestigingslocatie voor bedrijven van buitenaf. Daarnaast wil de gemeente Aalsmeer binnen de Greenport Aalsmeer de concurrentiepositie van het sierteeltcluster in de regio Aalsmeer versterken. Wat gaan we daarvoor doen (prestatie-indicatoren)

Opstellen van een strategie voor werklocaties in Aalsmeer:  De strategie werklocaties Aalsmeer biedt een uitvoeringskader voor lokale projecten en dient als toetsingskader voor aanvragen die de gemeente ontvangt;  De strategie werklocaties vormt de strategische inzet voor de regionale uitvoeringsstrategie van het Platform Bedrijven en Kantoren (Plabeka). Plabeka richt zich op afspraken binnen de kantoren- en bedrijvenmarkt, welke noodzakelijk zijn om de internationale concurrentiepositie van de Metropoolregio Amsterdam (MRA) te versterken. ACHTERGROND EN OVERWEGINGEN Programma (speerpunt)

2.3.1 Economie, toerisme en recreatie Aanleiding

Het college van B&W heeft het Team Economische Zaken en Bureau BUITEN opdracht gegeven voor het opstellen van een strategie op de werklocaties. De aanleiding bestaat uit: [.docx] 101/F105a/ICT

Pagina

     

2 van 4

De lokale en regionale marktsituatie en het beperkte aanbod aan bedrijventerreinen in Aalsmeer op de middellange termijn; Veranderingen in de sierteeltsector en aanverwante bedrijvigheid; Kwaliteitsbehoud en verbetering van de bestaande werklocaties van Aalsmeer; De groeiende behoefte aan gemengde woon-werkgebieden; De druk op de regionale woningmarkt; De uitplaatsingsvraag van bedrijven vanuit Amsterdam als gevolg van de transformatie van bedrijventerreinen. Gedurende het proces is daar de corona-crisis en de effecten daarvan op de economie en werklocatiemarkt aan toegevoegd.

De strategie werklocaties Aalsmeer heeft betrekking op de volgende locaties: Formele werklocaties (>10 hectare). Dit zijn de bedrijventerreinen Green Park Aalsmeer en Hornmeer en het terrein van Royal Flora Holland (privaat eigendom); In de analyse wordt daarnaast ook ingegaan op informele werklocaties, inclusief gemengde (glastuinbouw)gebieden. Dit zijn Aalsmeer Oost, Tussen de Linten, Bovenlanden-Oosteinderweg, Schinkelpolder en de glastuinbouwgebieden Kudelstaart; Bachlaan/Cactuslaan en het zuidelijk deelgebied. De detailhandelslocaties vallen buiten de scope van de Strategie Werklocaties Aalsmeer. Argumenten

Ruimte voor lokaal ondernemerschap Lokaal ondernemerschap is een sterke kwaliteit in Aalsmeer. Om de lokaal gewortelde ondernemers door te laten ontwikkelen en groeien is voldoende en kwalitatief passende fysieke ruimte om te ondernemen een belangrijke randvoorwaarde;  De strategie werklocaties Aalsmeer ondersteunt een marktgerichte benadering gericht op het benutten van de potentie van Aalsmeer en het verzilveren van kansen die zich aandienen in de markt. Het verstandig omgaan met bestaande ruimte voor werken en het marktgericht ontwikkelen van beschikbare (nieuwe) ruimte draagt bij aan een toekomstbestendig en inclusief dorp in balans, waar inwoners dicht bij huis kunnen werken en ondernemen;  Green Park Aalsmeer is het enige bedrijventerrein in Aalsmeer waar (lokale) ondernemers zich nog kunnen vestigen, naartoe kunnen verplaatsen of uitbreiden. Het bedrijventerrein Hornmeer is nagenoeg volledig uitgegeven en er is nauwelijks sprake van leegstand. In Aalsmeer zijn daarnaast geen nieuwe werklocaties voorzien;  Voor de lange termijn en met het oog op goede ruimtelijke ordening is het gezien de schaarse ruimte in combinatie met de verschillende ruimteclaims van belang dat de juiste functie op de juiste plek landt. 

Ruimte voor werken in de regio Het rapport ‘Werklocaties AM, inspelen op veranderende markten’ (Bureau Buiten, 2018) voorziet forse ruimtetekorten in 2040 aan bedrijventerreinen in de AM regio;  Het leegstandsniveau op bedrijventerreinen in de AM regio ligt momenteel onder de frictieleegstand, de leegstand die noodzakelijk is om de bedrijventerreinmarkt naar behoren te doen functioneren (in het algemeen tussen 5% en 8%). Dit illustreert de krapte op de regionale markt voor bedrijventerreinen;  In januari 2019 is door de AM-gemeenten het signaal afgegeven aan gedeputeerde Jaap Bond/bestuurlijk trekker Plabeka dat er een tekort dreigt aan bedrijventerreinen in de AM regio in het regionaal gemengde segment, waar Greenpark Aalsmeer toe behoort. 

Strategische lijnen uit de Strategie Werklocaties

De volgende strategische lijnen zijn opgenomen in de Strategie Werklocaties:

Pagina

3 van 4

1. Vraag op Green Park accommoderen, Green Square ontwikkelen ten dienste van economisch profiel, en Green Park nóg sterker maken 2. Verder kijken: waar accommoderen we de lokale vraag als Green Park is ontwikkeld? En wat past waar? a. Accommoderen bedrijven die aansluiten op identiteit en profiel van de Aalsmeerse werklocaties en die van belang zijn voor de lokale economie b. Regionale afstemming: wat past wel in Aalsmeer, en wat past beter elders? c. Beter benutten beschikbare ruimte op de formele werklocaties en Schinkelpolder 3. Schinkelpolder: duidelijk toekomstperspectief schetsen, en economische potentie van het gebied benutten 4. Kwaliteitsimpuls en betere organisatiegraad nodig op Hornmeer 5. Planvoorraad kantoren in stand houden, maar niet direct op de markt brengen en behoefte postcorona goed onderzoeken Kanttekeningen

De Strategie Werklocaties Aalsmeer is opgesteld ten tijde van de coronacrisis. Dat de impact van de crisis op de wereld-, landelijke en Aalsmeerse economie groot zal zijn, wordt steeds duidelijker. De strategie houdt hier rekening mee. Parallel aan de Strategie Werklocaties Aalsmeer heeft de gemeente Aalsmeer een quick-scan naar de effecten van de coronacrisis op de lokale economie uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn meegenomen in de strategie die nu voorligt. Ook is in de berekening van de vraag (uitbreidingsbehoefte) naar bedrijventerreinen waarin scenario’s zijn doorgerekend specifiek rekening gehouden met de mogelijke impact van corona Financiën

De acties die voortkomen uit de strategie werklocaties Aalsmeer worden, inclusief eventuele financiële consequenties, verankerd in het Uitvoeringsprogramma Economie en Recreatie & Toerisme dat met regelmaat wordt geactualiseerd. Communicatie

Verschillende marktpartijen zijn betrokken bij het opstellen van de adviezen: Ondernemend Aalsmeer, MEER Aalsmeer, MVO Platform, zittende ondernemers Greenpark Aalsmeer/ Hornmeer, Green Park Aalsmeer Gebiedsontwikkeling BV, Royal Flora Holland en SADC. Op 3 november heeft een Informeel Overleg met raadsleden plaatsgevonden. Hierin zijn de strategische lijnen van de Strategie Werklocaties Aalsmeer toegelicht en onderschreven. Het college van B&W heeft de concept Strategie Werklocaties Aalsmeer voor inspraak vrijgegeven. Er zijn vier reacties ingediend. De beantwoording van de vragen inclusief een voorstel voor wijzigingen op basis van de reacties zijn in de Nota van beantwoording opgenomen. Procedure

Na vaststelling volgt de uitwerking van een voorstel dat Bureau BUITEN heeft aangedragen ten aanzien van acties en projecten om stappen te zetten in de uitvoering van de strategie. Bijlagen

 

Eindrapportage Strategie werklocaties Aalsmeer Nota van beantwoording

De secretaris,

De voorzitter,

drs. Sj. Vellenga

mr. G.E. Oude Kotte

Pagina

4 van 4

BEHANDELING RAAD Wijziging/aanvullingen na behandeling raadscommissie

Het voorstel aan de raad is

Aanvaarde amendementen / moties

Ongewijzigd aanvaard Gewijzigd aanvaard Verworpen

RAADSBESLUIT Besluit

1. 2. 3.

Kennis te nemen van de Nota van Beantwoording; Het definitieve document Strategie Werklocaties Aalsmeer, waarin genoemde wijzigingen uit de Nota van beantwoording zijn doorgevoerd, vast te stellen; De strategische lijnen vast te stellen betreffende Green Park Aalsmeer inclusief de Greensquare, Hornmeer, de planvoorraad voor kantoren, het verkennen van mogelijkheden voor het accommoderen van de lokale vraag als Greenpark is ontwikkeld en het schetsen van een duidelijk toekomstperspectief op de Schinkelpolder.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 27 mei 2021. De griffier,

De voorzitter,

O. van Kolck

mr. G.E. Oude Kotte

1 Eindrapport Strategie_werklocaties_Aalsmeer v2 def.pdf

Eindrapportage Eindrapportage

STRATEGIE WERKLOCATIES AALSMEER

1

Eindrapportage

STRATEGIE WERKLOCATIES AALSMEER Auteurs Maarten Kruger, Bart van Rijkom en Wouter Maat (Bureau BUITEN) in samenwerking met het team Economische Zaken Gemeente Aalsmeer 2 Maart 2021

4

Eindrapportage

Strategie Werklocaties Aalsmeer

5

Eindrapportage

Voorwoord

“Aalsmeer biedt met haar ruim 31.000 inwoners een aangename omgeving van water en bloemen midden in de drukke randstad. Economisch gezien heeft Aalsmeer ook veel te bieden. In onze mooie gemeente hebben we één van de hoogste onder­ nemingsdichtheden van het land. Aalsmeer is goed in logistiek, scheepsbouw, kennis en innovatie, bloementeelt en toerisme. Om dit goed te stimuleren en faciliteren is er in december 2019 de agenda Economie en Recreatie en Toerisme vastgesteld. Eén van de vier speerpunten in deze agenda is het versterken van het lokale en regionale vestigingsklimaat voor bedrijven. Aalsmeer kent drie bedrijventerreinen: Hornmeer, Green Park Aalsmeer en (het terrein van) Royal FloraHolland. Daarnaast kent Aalsmeer meerdere glastuinbouw­gebieden, zoals de (voormalig) glastuinbouwgebieden Schinkelpolder, Bovenlanden-Oost­ einderweg, Tussen de Linten, Aalsmeer-Oost en Glastuinbouwgebied Kudelstaart. Deze zijn, door de veranderingen in de markt, deels aangemerkt als toekomst­ bestendig en deels aangemerkt als maatwerk- of transformatiegebied. De ‘Strategie werklocaties Aalsmeer’ is ontwikkeld om het aanbod van deze werk­­ locaties zowel kwalitatief als kwantitatief goed aan te laten sluiten op de wensen en eisen van (toekomstige) gebruikers.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=aalsmeer&id=23ee48cd-1bd3-4256-93c4-176c97a78322