Vastgesteld bestemmingsplan Diezerpoort, Billitonstraat
Tekst van het document
48 dB
58 dB
Luchtkwaliteit Zwolle wil, binnen de beïnvloedingssfeer van de gemeente, een significante bijdrage leveren aan de verbetering van de luchtkwaliteit. Om dat te bereiken zijn de volgende doelen geformuleerd: 28
1. Voldoen aan wet- en regelgeving; 2. Anticiperen op de toekomst: knelpunten in de toekomst moeten voorkomen worden. Dit betekent dat de luchtkwaliteit in het planvormingsproces van ruimtelijke plannen en verkeersplannen wordt meegenomen; 3. Beleid ten aanzien van luchtkwaliteit inbedden in bestaand gemeentelijk beleid. De gemeente streeft ernaar dat het aspect door gaat werken in het verkeers- en vervoersbeleid, het ruimtelijke ordeningsbeleid en het beleid van vergunningen en handhaving. Externe veiligheid De beleidsvisie externe veiligheid is op 6 maart 2007 vastgesteld door de gemeenteraad. In de visie wordt ernaar gestreefd om voor haar gehele grondgebied te voldoen aan de basisveiligheid, zodat onder meer overal wordt voldaan aan de normen voor plaatsgebonden risico (PR). Op 20 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders als nadere uitwerking van de doelstelling uit de beleidsvisie het gebiedsgericht beleidskader externe veiligheid vastgesteld. Het gaat om een ruimtelijke uitwerking van het externe veiligheidsbeleid dat aansluit op het gebiedsgerichte milieubeleid. Op basis van kenmerken (fysieke omgeving, hulpverleningsniveau en zelfredzaamheid) die bij een bepaald gebiedstype horen is een beleidsstandpunt bepaald ten aanzien van een mogelijke toename van het groepsrisico.
Tevens is op basis van dezelfde kenmerken van een gebiedstype bepaald of er plaats is voor nieuwe risicobronnen. Een afwijkend gebiedstype vormen de stroomzones. Stroomzones zijn gebieden rondom infrastructuur (spoorlijnen, wegen en waterwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voor stroomzones is een apart beleidskader geformuleerd. Het plangebied valt in het gebiedstype 'stedelijk' en valt niet binnen het overkoepelende gebiedstype 'stroomzone'. Bedrijven en milieuzonering Voor het toetsen en plannen van ruimtelijke ontwikkelingen wordt gewerkt met de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering uit 2009. Met een goede ruimtelijke ordening kan hinder worden voorkomen. Dit kan door voldoende afstand te behouden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. In de handreiking zijn lijsten opgenomen met richtafstanden. Als niet aan deze richtafstanden kan worden voldaan, zal maatwerk moeten worden geleverd. Dit houdt in dat een nadere beoordeling van de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot haar omgeving noodzakelijk is. Bodem In januari 2010 heeft de gemeente een nieuw bodembeleidsplan vastgesteld. Dit bodembeleidsplan kent in overeenstemming met het gemeentelijk milieubeleid een gebiedsgerichte benadering. In het plan wordt onderscheid gemaakt tussen de bovengrond (de laag tot ca.
0,5 meter onder maaiveld) en de ondergrond (dieper dan 0,5 meter onder maaiveld). Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. In dat kader heeft de gemeente Zwolle op 9 december 2008 een bodemfunctieklassenkaart vastgesteld, waarop voor de hele 29
gemeente wordt aangegeven welke functie de bodem heeft of welke functie in de toekomst wordt nagestreefd. De functieklassenindeling is gebaseerd op het gebiedsgericht milieubeleid van de gemeente. De volgende functies worden onderscheiden: wonen, industrie, water, buitendijksgebied, AW2000 ('schone grond') en hoofdwegen. Onderhavig plangebied heeft na de planrealisatie de functie wonen. Met de invoering van het Besluit bodemkwaliteit zijn de kwaliteitsklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingevoerd. Op 24 augustus 2015 heeft de gemeente de bodemkwaliteitskaart vastgesteld gebaseerd op de kwaliteitsklassen van het Besluit bodemkwaliteit. Het plangebied ligt binnen de bodemfunctie wonen. Een deel is potentieel ernstig verontreinigd. In beide delen geldt wel de kwaliteitsklasse 'landbouw/natuur' voor zowel de bovengrond (bovenste 50 cm onder maaiveld) als de ondergrond (van 0,5 tot 2,0 meter onder maaiveld). Volgens het gemeentelijke Bodembeleidsplan (van kracht per 11 januari 2010) mag de bodemkwaliteitsklassenkaart als kwaliteitsbewijs worden gebruikt bij het herontwikkeling van een locatie. Een onderzoek is dan niet nodig. Eventueel vrijkomende grond mag volgens het bodembeleid binnen de gemeente worden hergebruikt met de bodemkwaliteitsklassenkaart als kwaliteitsbewijs.
Voorwaarde hiervoor is dat de locatie niet verdacht wordt van bodemverontreiniging op basis van het huidige of historische gebruik, en er geen (al dan niet gesaneerd) geval van bodemverontreiniging bekend is. Indien er aanwijzingen zijn dat de bodemkwaliteit niet geschikt is voor de functie, kan een bodemonderzoek nodig zijn om te bepalen of de locatie gesaneerd dient te worden. Voorliggende locatie is wel verdacht van verontreiniging. Normaliter worden verontreinigingen in de bovengrond functiegericht gesaneerd. Dit houdt in dat een locatie geschikt wordt gemaakt voor de functie. De terugsaneerwaarde is afhankelijk van de functie van de locatie en gericht op het voorkomen van eventuele risico's. Bij een functiegerichte sanering wordt daarom vaak een leeflaag aangebracht, die contact met de verontreinigde grond moet voorkomen. Klimaatadaptatie De deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie geeft aan dat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. Het college heeft klimaatadaptatie en energietransitie (zie volgend onderdeel) benoemd als speerpunten voor de toekomstige stad Zwolle waarin het prettig wonen, werken en recreëren is. En Zwolle wil koploper zijn in het praktisch maken van de deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie en ziet klimaatadaptatie als kans om te innoveren en als verdienmodel.
De gemeente wil hieraan invulling geven door samen netwerkend met partners in de stad denkend vanuit de generieke opgaven (klimaatadaptatie) naar mogelijkheden te zoeken bij ruimtelijke ontwikkelingen om meerwaarde, robuustheid (of veerkracht) en een aantrekkelijk stadsklimaat te creëren. Het is van belang om in de verkenning te bezien in hoeverre met deze locatieontwikkeling op inhoud, proces en financiën kan worden bijgedragen aan water robuuste en klimaatbestendige stedenbouw. Klimaatadaptatie (aanpassing) gaat over het verminderen van de kwetsbaarheid voor klimaatverandering (zowel fysiek als mentaal = acceptatie) en het profiteren van de kansen die een veranderend klimaat biedt. Belangrijk is om schade door (weers-) extremen te voorkomen en de woonwerkomgeving zodanig in te richten dat mensen zo min mogelijk last hebben van extreme weersomstandigheden. Kenmerken van een veranderd klimaat zijn bijvoorbeeld extreme regenbuien en langdurige hitte. Door bij het ontwerp hier rekening mee te houden kunnen gebouwen en 30
(openbare/niet openbare) buitenruimten robuust en comfortabel worden ingericht. In de praktijk betekent dit net iets verder kijken dan het huidige Bouwbesluit, zoals met: -
beperkte zon inval in de zomer, groene gevels en/of daken, bomen/schaduw. Dit levert ook meer wooncomfort op, zoals slapen in minder warmere ruimten; een groene inrichting met wadi's, waterdoorlatende verharding en een (grotere) regenafvoer met een noodoverlaat (zodat er bij een hoosbui geen regenwater het gebouw instroomt).
Bijzondere aandacht verdienen de nutsvoorzieningen voor elektra, drinkwater en internet. Uitgangspunt is dat deze voorzieningen kunnen blijven functioneren bij extremen inclusief overstromingen uit het regionaal systeem. Voor hittestress is het uitgangspunt dat het plan geen toename van hittestress tot gevolg mag hebben. Door klimaatadaptatie in de uitgangspunten mee te nemen zijn er in principe weinig tot geen meerkosten. Bij aanpassing van bestaande plannen is de ervaring dat met een beperkte extra (plus) investering projecten klimaatbestendig kunnen worden gemaakt. Indien dit aan de orde is ziet de gemeente Zwolle het als een gezamenlijke zoektocht om de financiering van de plus mogelijk te maken en het nieuwbouwproject zo klimaatbestendig mogelijk uit te werken en realiseren. Ook kan een klimaat adaptieve project de bewustwording hieromtrent vergroten. Wat zou het interessant zijn, als de toekomstige bewoners van de nieuwe woningen nu al weten hoe veilig en comfortabel hun woning in 2030 zijn in een warmer klimaat en hoosbuien kunnen trotseren? Een innovatief klimaatbestendig wijk kan ook een (extra) vestigingsargument zijn.
Duurzaamheids- en Energietransitie De gemeente Zwolle heeft in 2011 een visie op duurzaamheid aangenomen, waarin een omschrijving van het begrip duurzaamheid wordt gegeven: voor Zwolle betekent duurzaamheid een langdurige balans tussen people, planet en profit. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten voor beleids- en gebiedsontwikkelingen. Duurzaamheid als leidend principe; beslissingen worden genomen op basis van duurzaamheid. Duurzaamheid is van en voor de stad; niet opgelegd maar gedragen door de stad, omdat het de stad dient. Benutting van lokale bronnen. Transitie en innovatie: deze zijn nodig voor het realiseren van de voorgaande principes. De gemeenteraad heeft op 17 juli 2017 haar ambities ten aanzien van de energietransitie vastgelegd. Zwolle wil uiterlijk in 2050 energieneutraal zijn en heeft tussendoelstellingen geformuleerd. Dat betekent voor de tussenliggende periode dat de hoeveelheid CO2-uitstoot in 2025 ten opzichte van 1990 gereduceerd wordt met 25 % en wordt 25 % van de totale energievraag op duurzame wijze opgewekt. Tevens is Zwolle voornemens deze energietransitie in te zetten als katalysator voor economische en sociale meerwaarde. Om deze doelstelling te bereiken zal gestreefd moeten worden naar energie neutrale nieuwbouw, waarbij geen gebruik meer wordt gemaakt van fossiele brandstoffen, zoals aardgas voor ruimteverwarming.
Conclusie Het plan is in overeenstemming met het milieubeleid. 31
4.6 Waterbeleid Europees en nationaal beleid Duurzaam, schoon oppervlaktewater en bescherming van het drinkwater voor de toekomst. Dat zijn, in het kort, de belangrijkste doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Waterbeheer 21e eeuw (WB21), die samengaan zijn in het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Europese Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater op orde komt. Oppervlaktewater moet voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van ‘een goede chemische toestand’. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat ‘een goede ecologische toestand’. Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand). In de geldende Europese richtlijnen en de EU richtlijn Prioritaire Stoffen staat precies omschreven wat een goede chemische toestand voor oppervlaktewater is.
De ecologische doelstellingen stellen de lidstaten onderling vast in zogeheten (internationale) stroomgebiedbeheersplannen. Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen. Van 2010 tot 2015 is de eerste tranche uitgevoerd. De tweede tranche maatregelen loopt van 2016 tot 2021. Waterwet De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de watersysteembenadering centraal. Er wordt uitgegaan van het geheel van relaties tussen waterkwaliteit, waterkwantiteit, oppervlaktewater, grondwater, watergebruikers en grondgebruikers. Hierbij wordt het kader geschept voor het Nederlandse waterbeheer in de komende decennia. Per 1 januari 2017 is de Waterwet gewijzigd. De beoordeling van de veiligheid van primaire waterkeringen wordt nu gebaseerd op de overstromingskans. In 2050 moeten de waterkeringen voldoen aan de normen die per 1 januari 2017 van kracht zijn.
Waterbeheer 21e eeuw De commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) is gevraag advies uit te brengen over de waterhuishoudkundige inrichting van Nederland, rekening houdend met ontwikkelingen zoals klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelstijging. Deze ontwikkelingen stellen strengere eisen aan het waterbeheer. In WB21 wordt uitgegaan van twee principes (tritsen) voor duurzaam waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheer: 32
-
Vasthouden, bergen en vertraagt afvoeren; Schoonhouden, scheiden en zuiveren.
Bij ‘vasthouden, bergen, afvoeren’ wordt regenwater zoveel als mogelijk bovenstrooms vastgehouden in de bodem en het oppervlaktewater. Wanneer toch een wateroverschot ontstaat, wordt het water eerst tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en dan pas afgevoerd. Bij ‘schoonhouden, scheiden en zuiveren’ gaat het om een voorkeurvolgorde, waarbij de voorkeur uitgaat naar het voorkomen van verontreiniging (schoonhouden). Als toch verontreiniging ontstaat, moeten schoon- en vuilwater zoveel mogelijk worden gescheiden. Ten slotte wordt het verontreinigde water zo goed mogelijk gezuiverd. Deltawet Het doel van de Deltawet, aangenomen op 28 juni 2011, is ons land nu en in de toekomst beschermen tegen hoogwater en de zoetwatervoorziening op orde houden. De afgelopen eeuw is de zeespiegel gestegen, de bodem gedaald en het is warmer geworden. Dat zet door, blijkt uit de cijfers van het KNMI. Hevigere weersomstandigheden, zoals meer regen en periodes van droogte, zijn zaken om rekening mee te houden. Het Deltaprogramma is er om de huidige veiligheid op orde te krijgen en ervoor te zorgen dat ons land is voorbereid op de toekomst. En om daarbij de juiste maatregelen te nemen voor een veilig en aantrekkelijk Nederland met voldoende zoetwater. In het Deltaprogramma werken het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen samen met maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en kennisinstituten.
Dit gebeurt onder regie van de Deltacommissaris. Naast de lopende programma’s, zoals Ruimte voor de Rivier, Maaswerken, Zwakke Schakels Kust en het nieuwe Hoogwaterbeschermingsprogramma, staan in het Deltaprogramma vijf deltabeslissingen centraal. Deze beslissingen gaan over de normen van onze belangrijkste dijken en andere waterkeringen en de strategieën voor onze waterveiligheid, over de beschikbaarheid en verdeling van zoetwater, over het IJsselmeerpeil, over de manier waarop gebieden veilig kunnen blijven zonder aan economische waarde in te boeten en over hoe bij het bouwen van buurten en wijken rekening kan worden gehouden met water. In 2014 zijn de deltabeslissingen in de Tweede Kamer besproken. Provinciaal beleid Provincie Overijssel heeft haar ruimtelijk beleid vastgelegd in een Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Deze zijn op 1 mei 2017 vastgesteld. De ‘Omgevingsvisie Overijssel 2017. Beken kleur’ heeft tevens de status van Regionaal Waterplan onder de Waterwet en het Milieubeleidsplan onder de Wet milieubeheer. Waterschapsbeleid Het algemene beleid van waterschap Drents Overijsselse Delta is verwoord in het Waterbeheerplan 2016-2021, de beleidsnota Leven met Water in Stedelijk Gebied, de Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en Onderhoud 2050 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik.
Het beleid van het waterschap sluit nauw aan bij de uitgangspunten van WB21. In 2013 is de beleidsnota "Water raakt!" door het Algemeen Bestuur vastgesteld. Deze nota beschrijft de voor het waterschap gewenste situatie in bestaand en nieuw stedelijk gebied. Om deze situatie te bereiken heeft het waterschap in 2015 het beheer en onderhoud van veel wateren overgenomen van de gemeente Zwolle. Op 33
watergangen van waterschap Drents Overijsselse Delta is de keur van toepassing. In de keur is aangegeven wat wel en niet mag bij watergangen, waterkeringen en kernzones. Bijvoorbeeld regels voor bouwwerken op of langs watergangen. De genoemde beleidsdocumenten liggen ter inzage op het hoofdkantoor van waterschap Drents Overijsselse Delta. Ook zijn deze te raadplegen op de website: www.wdodelta.nl. Gemeentelijk beleid Gemeente Zwolle heeft in de Wateragenda (2015) uitgangspunten vastgelegd om vorm te geven aan de opgaven rondom water en (aanpassing aan het) klimaat. Gemeente Zwolle heeft haar beleid ten aanzien van afvalwater, grondwater en hemelwater vastgelegd in het Gemeentelijke Rioleringsplan 2016-2020. Hier staan ook ontwerprichtlijnen in beschreven waaraan voldaan moet worden.
4.7 Conclusie Onderliggend plan sluit aan bij het rijk, provinciaal en gemeentelijk beleid. Het plan voorziet in een behoefte die op basis van inbreiding binnenstedelijk wordt vormgegeven. Hierbij wordt de doelgroep vrije sector middenhuur bediend. Hiermee wordt in een behoefte voor woningen voor starters en kleine huishoudens voorzien. Daarnaast is rekening gehouden met een stedenbouwkundige inpassing die aansluit op de welstandscriteria die gelden voor Diezerpoort.
34
5. Onderzoek 5.1 Algemeen In de toelichting van een bestemmingsplan dient aangegeven te worden of ervan uit ruimtelijke en/of milieuaspecten belemmeringen zijn voor de planontwikkeling. In dit hoofdstuk heeft een toets op een aantal relevante ruimtelijke en milieukundige aspecten plaatsgevonden.
5.2 Cultuurhistorie 5.2.1 Archeologie Beleidskader In de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (een wijziging van de Monumentenwet 1988) stellen Rijk en provincie dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Analyse Onderliggend plangebied kent een archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor a. het behoud van de archeologische monumenten die ter plaatse aanwezig zijn en b. het behoud van de archeologische monumenten, waarvan de aanwezigheid redelijkerwijs vermoed wordt.
Vanwege de dubbelbestemming geldt dat, indien door de bouw de bodem op een grotere diepte dan 0,5 meter en over een grotere oppervlakte dan 100 m² zal kunnen worden verstoord, de aanvrager van een omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarden van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Ten behoeve van onderliggend plan geldt dat de grond door middel van het plaatsen van enkele boringen ten behoeve van de fundering, maximaal 30 m² wordt geroerd. Hierdoor hoeft niet voldaan te worden aan de hiervoor genoemde verplichting. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen beperking voor onderliggend plan.
5.2.2 Monumentenzorg Beleidskader In de toelichting van ruimtelijke plannen moet naast een toets aan archeologie ook een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en/of monumenten rekening is gehouden. Analyse In het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd stadsgezicht en het betreft geen monument. Ook is er geen specifieke cultuurhistorische waarde aan de locatie toegedicht. Wel is in 35
het gemeentelijk welstandsbeleid aandacht voor de structuur, opbouw en ruimtelijke kwaliteit in de wijk Diezerpoort waar het plangebied binnen valt. Conclusie Onderliggend plan heeft geen negatieve invloed op cultuurhistorische waarden in het plangebied. Deze waarden zijn niet aanwezig. Wel is rekening gehouden met de welstandscriteria die gelden voor het plangebied.
5.3 Milieu 5.3.1 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ Analyse In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich diverse functies en bestemmingen, waardoor het gebied als ‘gemengd’ kan worden getypeerd. Zie onderstaande uitsnede uit het bestemmingsplan. In de directe omgeving bevinden zich overwegend woonbestemmingen. Ook het plangebied kent binnen het geldende bestemmingsplan een woonbestemming.
36
Woningen hebben ten opzichte van elkaar geen negatief effect vanuit milieukundig oogpunt. Op een afstand van circa 50 meter bevindt zich ten westen van het plangebied (aan de Vechtstraat) de bestemming ‘Gemengd – Bovenwoning’. Deze bestemming maakt wonen, detailhandel, maatschappelijke voorzieningen en dienstverlening mogelijk. Allemaal functies die vanuit het oogpunt van milieuzonering geen negatieve invloed hebben op onderliggend plan en omgekeerd. De richtafstand betreft maximaal 10 meter. Grenzend aan de bestemming ‘Gemengd – Bovenwoning’ ligt de bestemming ‘Detailhandel – bovenwoning’. Ook deze functie heeft geen invloed op onderliggend woningbouwplan of andersom, omdat binnen de bestemming geen functies mogelijk zijn die vallen buiten de geldende richtafstanden van 10 meter. Op 100 meter bevindt zich ten noordoosten van het plangebied een maatschappelijke bestemming. Voor de maatschappelijke functies die deze bestemming mogelijk maakt, zorgen niet voor beperkingen voor onderliggend plan. Hier bevindt zich een kerk met een richtafstand van 30 meter, in gemengd gebied 10 meter. Conclusie Vanuit het milieuaspect bedrijven en milieuzonering zijn er geen belemmeringen om het plan te realiseren.
5.3.2 Bodem Beleidskader Bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan en/of bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Voor een bestemming zoals wonen, gelden andere normen dan voor bijvoorbeeld de bestemming bedrijven. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Analyse Onderliggend plangebied kent reeds een woonbestemming. Er mag daarom van uit worden gegaan dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het voorziene plan. Daarnaast geldt dat de grond ten behoeve van het plan slechts in beperkte mate, over een oppervlak van circa 80 m², geroerd zal worden, waardoor eventuele bodemvervuiling niet aan de oppervlakte komt. De locatie is echter op basis van het bodeminformatiesysteem van de Gemeente Zwolle voor een deel als verdacht aan te merken voor het voorkomen van sterke verontreiniging. Daarom is in het kader van het bestemmingsplan de bodemkwaliteit nader in beeld gebracht.
De resultaten van dat onderzoek zijn als bijlage 2 van deze toelichting opgenomen en luiden als volgt. Als uitgangspunt van het onderzoek is de hypothese van ‘verdachte’ locatie gehanteerd, vanwege de hiervoor aangemerkte informatie uit het bodeminformatiesysteem van de gemeente Zwolle. De onderzoekshypothese ‘verdachte locatie’ wordt op grond van de analyseresultaten van de grondmonsters bevestigd. Een geconstateerde matige verontreiniging met lood in 37
bovengrondmengmonster mm1 bg (zie rapportage) gaf aanleiding tot separate analyse. Uit de separate analyses is gebleken dat ter plaatse van boring 02 een sterke verontreiniging met lood is aangetroffen in de bovengrond. Ter plaatse van boring 04 is een matige verontreiniging aangetroffen. De aangetroffen verontreinigingen gaven aanleiding om deze aanvullend te onderzoeken. Dit aanvullende onderzoek heeft plaatsgevonden. De sterke verontreiniging ter plaatse van boring 02 is middels het aanvullend onderzoek in kaart gebracht. Ter plaatse van boring 04 worden matig verhoogde gehalten lood aangetroffen, geen interventiewaarde overschrijdingen. Door de aanwezigheid van een betonvloer is direct contact met de verontreiniging niet mogelijk. Aanbeveling De analyseresultaten van het uitgevoerde verkennend en aanvullend onderzoek naar de omvang en concentratie van een bodemverontreiniging met lood, geven aanleiding om de aangetroffen omvang als een ernstige bodemverontreiniging te kwalificeren. De kwalificatie ernstige bodemverontreiniging is van toepassing wanneer meer dan 25 m³ grond, of meer dan 100 m³ grondwatervolume is verontreinigd met concentraties boven de interventiewaarde. De conclusie kan worden getrokken dat uitsluitend t.p.v. boring 02/20 en 23 een sterke verontreiniging met lood in de bodem aanwezig is.
Uitgaande van een oppervlakte van circa 60 m2 en een laagdikte van circa 1,0 meter komt dit neer op circa 60 m³ sterk met lood verontreinigde grond. Ter plaatse van de overige boringen worden lichte tot matig verhoogde gehalten lood aangetroffen. De verontreinigingssituatie ter plaatse is tot beneden de interventiewaarde in beeld gebracht. Nader afperkend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Op basis van voorgaande is de verontreiniging ingeperkt en is inzichtelijk op welke locatie en in welke omvang de vervuilde grond aanwezig is. Op het moment van het uitvoeren van graafwerkzaamheden dient de grond gesaneerd te worden. Daarbij dienen de volgende uitgangspunten gehanteerd te worden: -
Voorafgaand aan de sanering dient een BUS-melding te worden ingediend bij het bevoegd gezag (gemeente Zwolle). De sanering dient te worden begeleid door een BRL SIKB 6000 gecertificeerd bedrijf. De ontgraving en uitvoering van de sanering dient plaats te vinden door een BRL SIKB 7000 gecertificeerd bedrijf.
Na sanering is de grond geschikt voor het voorziene gebruik in de vorm van woningbouw. Conclusies Een deel van het plangebied kent de bestemming wonen en is in het kader van de bodemkwaliteit niet als verdacht aan te merken. Een deel van het plangebied is echter als verdacht aangemerkt. Voor dit deel heeft nader onderzoek plaatsgevonden. Op basis hiervan blijkt dat een deel van de grond ernstig vervuild is en gesaneerd dient te worden. De aanwezige vervuiling is afgeperkt. De sanering dient op basis van de aanbevelingen uit het bodemonderzoek plaats te vinden alvorens gestart kan worden met de bouw van de woningen.
5.3.3 Geluid Beleidskader Geluidsoverlast kan worden veroorzaakt door industrielawaai, railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en luchtverkeerslawaai. De Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet kennen grenswaarden voor geluid. Bepaalde geluidgevoelige objecten mogen alleen worden toegelaten als zij geen ontoelaatbare 38
geluidsbelasting ondervinden. Daartoe moeten op grond van artikel 3.3.1 Besluit ruimtelijke ordening zones in het bestemmingsplan worden opgenomen rond geluidbronnen. Het bestemmingsplan moet de ligging en de afmetingen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen gelegen binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder aangeven. Als een bepaalde bestemming en/of een bepaalde geluidsbron niet in de Wet geluidhinder of Luchtvaartwet is geregeld, moet in het kader van de goede ruimtelijke ordening toch een akoestische afweging gemaakt worden. De Wet geluidhinder geeft mogelijkheden om een hogere waarde vast te stellen voor wegverkeer, railverkeer en industrielawaai. In de door de gemeenteraad vastgestelde 'Handreiking gebiedsgericht werken aan milieu gemeente Zwolle' (juli 2007) en in de beleidsregel 'Hogere waarden Wet geluidhinder' (februari 2007) worden de ambities en de grenswaarden (dit is maximale waarde waarvoor nog hogere grenswaarden worden vastgesteld) per gebiedstype genoemd. Het plangebied valt binnen het gebiedstype ‘Stedelijk’ met bijbehorende ambities en grenswaarden: Gebiedstype Ambitie Grenswaarde (maximale ontheffingswaarde) Stedelijk
48 dB
58 dB
Analyse In 2018 heeft akoestisch onderzoek plaatsgevonden naar wegverkeerslawaai op basis van een vorig bouwplan. Dat bouwplan voorzag in appartementen, onderliggend plan in 5 rijwoningen en 1 appartement. Navraag bij de onderzoeker leert dat de uitkomsten van het akoestisch onderzoek op basis van het vorige bouwplan gehanteerd kunnen worden ten behoeve van het nieuwe plan. Dit is het geval, omdat het nieuwe plan slechts inpandige wijzigingen tot gevolg heeft, geen wijzigingen aan de gevels. Hierdoor wijzigen de akoestische effecten ten aanzien van wegverkeerslawaai niet. Het onderzoek is als bijlage 3 opgenomen. Industrielawaai en luchtverkeerslawaai zijn voor onderliggend plan niet relevant. Onderzoek wegverkeerslawaai De ontwikkelingslocatie is gelegen binnen relevante wettelijke geluidzone van de Thomas à Kempisstraat, B. Willebrandlaan en de Vechtstraat. Onderzocht is of ter plaatse van de nieuw te realiseren appartementen wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Ook is de geluidbelasting op de bestaande panden, die verbouwd worden tot appartementen, inzichtelijk gemaakt. Uit de resultaten blijkt dat op de nieuw te bouwen woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. De gecumuleerde geluidbelasting van de verschillende wegen bedraagt ten hoogste 48 dB, exclusief aftrek artikel 110g Wgh.
Gesteld kan worden dat met de minimale vereiste geluidwering (20 dB) uit het Bouwbesluit kan worden volstaan. De geluidbelasting op de tot woningen te verbouwen panden (met reeds een woonbestemming) is uitsluitend inzichtelijk gemaakt. Er zijn geen verplichtingen vanuit de Wet geluidhinder. De 39
gecumuleerde geluidbelasting van de verschillende wegen bedraagt ten hoogste 68 dB, exclusief aftrek artikel 110g Wgh. Het Bouwbesluit vereist het rechtens verkregen niveau. De geluidbelasting kan, indien gewenst, gebruikt worden in het kader van comfort maatregelen. Conclusie Het aspect akoestiek vormt geen belemmering voor onderliggend plan.
5.3.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op 15 november 2007 is de nieuwe Wet Milieubeheer in werking getreden. In deze wet is ook de regeling voor luchtkwaliteit opgenomen. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wet Milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: -
er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Analyse Het plan betreft de transformatie en verruiming van een bestaand bedrijfspand en de ontwikkeling van 5 woningen en een appartement. Het betreft hier een plan categorie 3A.2 overeenkomstig bijlage 3a van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (milieukwaliteitseisen). Per ontsluitingsweg worden minder dan 1500 woningen en/of minder dan 100.000 m2 bvo kantoor gerealiseerd. Volgens bijlage 3B van de Regeling draagt het plan hierdoor ‘niet in betekenende mate’ bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof PM10/PM2,5. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.3.5 Externe veiligheid Beleidskader In het kader van ruimtelijke procedures conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient het aspect externe veiligheid in acht te worden genomen. Het gaat hierbij om risico's ten aanzien van het vervoer, de opslag en het bewerken van gevaarlijke stoffen. De risico's met betrekking tot gevaarlijke stoffen worden geduid in het zogenaamde Plaatsgebonden risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Het PR is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. In het besluit is een norm opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Deze norm is een grenswaarde voor kwetsbare objecten en moet daarom door het bevoegde gezag in acht worden genomen (mag niet van worden afgeweken). 40
Het plaatsgebonden risico wordt beheerst door de inherente veiligheid (veiligheidsmaatregelen die aan risicobronnen zijn opgelegd zonder tussenkomst van externe veiligheid) waarmee risicobronnen zijn omgeven. De kans op een ongeval is daardoor zowel volgens de risicoanalyseberekeningen als blijkens de statistiek buitengewoon klein. Het plaatsgebonden risico is daarom een norm waaraan moet worden voldaan. De mogelijkheid van een ramp is een beleidsrelevante afweging voor de inrichting van de ruimte. Omdat de kans op een ongeval buitengewoon klein is, is de zeer kleine kans op een ramp daarmee per definitie een gegeven. Het groepsrisico is om die reden een oriëntatiewaarde, ten aanzien waarvan een afweging moet worden gemaakt. De oriëntatiewaarde van het groepsrisico heeft in beginsel geen wettelijk basis en het wettelijk gezag kan alleen op grond hiervan niet haar oordeel baseren. In de praktijk heeft de oriëntatiewaarde wel juridische relevantie en fungeert als markeringspunt, niet als wettelijke waarde met rechtsgevolgen (het al dan niet doorgaan van een plan). In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) staat wanneer het groepsrisico moet worden verantwoord. In de artikelen 12 en 13 van het Bevi is de verantwoordingsplicht voor het bevoegd gezag ten aanzien van de acceptatie van het groepsrisico wettelijk geregeld.
Artikel 12 regelt de verantwoordingsplicht bij omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu en artikel 13 bij de vaststelling van besluiten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. In artikel 13 lid 1 onder a tot en met i staat aangegeven welke onderwerpen in de verantwoordingsplicht aan de orde moeten komen. Analyse Om te bepalen of er externe risico’s zijn in de omgeving van het plangebied is de risicokaart geraadpleegd. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van deze risicokaart gegeven. Hieruit blikt dat zich in de buurt geen risico’s bevinden.
Uitsnede risicokaart. Bron: www.risicokaart.nl.
Op grotere afstand zijn wel risicobronnen aanwezig. Op circa 1.000 meter ten noorden van het plangebied ligt de Rijksweg A28 en op circa 800 meter ligt de Ceintuurbaan. Over de Rijksweg A28 vindt transport van diverse gevaarlijke stoffen plaats, waaronder toxische vloeistoffen en gas. Bij een incident kunnen deze gevaarlijke stoffen vrijkomen. Het plangebied valt formeel onder het 41
invloedgebied van deze wegen, waardoor beperkte verantwoordingsplicht geldt conform artikel 7 bevt. Daarnaast ligt op 700 respectievelijk 750 meter van het plangebied het openlucht zwembad en DSM aan de Ceintuurbaan. Bij beide inrichtingen kan bij een incident een toxische wolk ontstaan met gevolgen voor het plangebied. Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Mensen op grotere afstand van de risicobron (zoals in voorliggend plan het geval) kunnen bij een tijdige waarschuwing het gebied op tijd ontvluchten. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. Daarnaast wordt opgemerkt dat het plangebied wordt omringd door diverse wegen waardoor bewoners het plangebied snel kunnen ontvluchten. De geprojecteerde woningen voorzien in beginsel niet in het langdurig verblijf van groepen beperkt zelfredzame personen. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de aard van de stof en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water.
Conclusie Vanuit het milieuaspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor onderliggend plan.
5.4 Klimaatadaptatie en Water 5.4.1 Klimaatadaptatie KEC staat voor Klimaat adaptief, Energieneutraal en Circulair. De gemeente Zwolle heeft beleid geformuleerd om bij nieuwe ontwikkeling waar mogelijk aan te sluiten bij deze aspecten. In onderliggend plan wordt op de volgende wijze uitvoering gegeven aan KEC. Hittestress In de huidige situatie is het totale oppervlak van het terrein bebouwd. In de nieuwe situatie wordt, in beperkte mate, tegen de bebouwing, groen toegevoegd aan het gebied in de vorm van geveltuinen. Daarnaast komt op het dak van de appartementen vegetatie. Dit heeft een positief effect op hittestress. Energievoorziening Doelstelling van het plan is om energielabel A te behalen. Indien dit niet met reguliere maatregelen plaats kan vinden, worden zonnepanelen gebruikt. Bouwkundig Vanaf 1-1-2021 gelden BENG-eisen vanuit het Bouwbesluit. Het plan wordt hier op afgestemd. De inpandige parkeerplaatsen worden voorbereid op Smart Grid voor elektrisch laden/buffering, dakconstructie worden zodanig uitgevoerd dat ze sterk genoeg zijn om geïntegreerde duurzame energiesystemen te kunnen dragen, er wordt compact gebouwd met een goede thermische schil en waar mogelijk wordt circulair gebouwd. Het circulaire bouwen voorziet in het voorkomen van 42
uitval/afval, flexibel en demontabel bouwen, gebruik van grondstofstromen (reststromen) die beschikbaar zijn en gebruik van biobased en gerecyclede materialen. Waar mogelijk wordt daar bij voorliggend plan gebruik van gemaakt.
5.4.2 Water Ten behoeve van onderliggend plan is een digitale watertoets uitgevoerd. Dat heeft geleid tot de volgende analyse en conclusies. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te ‘toetsen op water’, de zogenaamde watertoets. De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Invloed op waterhuishouding Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. De toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseert het waterschap om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater. Voorkeursbeleid hemelwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht.
Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is (zoals in onderliggend plan), is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Hemelwaterbeleid gemeente Zwolle Gemeente Zwolle heeft in de Wateragenda (2015) uitgangspunten vastgelegd om vorm te geven aan de opgaven rondom water en (aanpassen aan het) klimaat. Gemeente Zwolle heeft haar beleid ten aanzien van hemelwaterinfiltratie vastgelegd in de gemeentelijke bouwverordening. Verder zijn in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 ontwerprichtlijnen en beleidskeuzes beschreven waaraan voldaan moet worden. De vuilwaterafvoer van het plangebied blijft gescheiden van het hemelwater.
Het aanbod van vuilwater lijkt door de voorgenomen ontwikkeling licht toe te nemen. De verwachting is dat de 43
toename van vuilwater vanuit het plangebied niet zal leiden tot overbelasting van het omliggende stelsel waar op zal worden aangetakt. In het plangebied ligt een gemengd rioolstelsel van de gemeente Zwolle. De droogweerafvoer (DWA) uit het plangebied wordt naar dit gemeentelijk riool afgevoerd. Bij de ontwikkeling van het gebied is sprake van een toename van de hoeveelheid afvalwater ten opzichte van de huidige situatie. Er is echter geen sprake van overbelasting ten aanzien van de capaciteit van het rioleringsstelsel en de capaciteit van zuivering technische werken (rioolwaterzuiveringsinstallatie, transportleidingen en rioolgemalen). Voor de benodigde nieuwe rioolaansluiting wordt een aanvraag ingediend bij de gemeente. Overstroombaar gebied Het plan ligt in een overstroombaar gebied. Onder overstroombaar gebied verstaan we gebieden die normaal niet onder water staan, maar kunnen overstromen (tijdelijk onder water staan). Het gaat zowel om uiterwaarden die frequent onder water staan (buitendijks) als om beschermde gebieden achter de dijk (binnendijks). Beide vallen onder het toepassingsbereik van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR). De provincie Overijssel verplicht initiatiefnemers een overstromingsrisicoparagraaf op te stellen ten behoeve van het ruimtelijke plan.
In de overstromingsrisicoparagraaf moet worden aangegeven hoe rekening wordt gehouden met waterveiligheid en voorzieningen voor noodsituaties (vluchtlocaties, aangepast bouwen, evacuatieroutes, bescherming van vitale infrastructuur, geleiding van water naar gebieden waar het minder schade toebrengt). Als er zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn om in deze laaggelegen gebieden nieuwe stedelijke functies toe te voegen, dient de waterveiligheid ook op langere termijn gegarandeerd te zijn, bijvoorbeeld door de technische inrichting van het gebied en/of de wijze van bouwen. Risico-inventarisatie Dijktrajecten die een gebied tegen overstromingen beschermen, kennen een overstromingskans. Voor het primaire dijktraject ten westen van het plangebied geldt een overstromingskans van 1 op 10.000 per jaar. De overstromingskans wordt in de Waterwet toegelicht als: ‘kans op verlies van waterkerend vermogen van een dijktraject, waardoor het door het dijktraject beschermde gebied zodanig overstroomt, dat dit leidt tot dodelijke slachtoffers of substantiële economische schade’. De regionale waterkering rondom de Zwolse stadsgrachten kent een overschrijdingskans van 1 op 200 per jaar. Bij de ontwikkeling van het plangebied dient rekening te worden gehouden met mogelijke overstroming(en).
Het betreft hierbij ook bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. De tijd tot overstroming is afhankelijk van de locatie waar de waterkering faalt. In onderstaande figuur is de tijd tot overstroming van het plangebied bij een dijkdoorbraak van de IJsseldijk bij de IJsselcentrale weergegeven. Dit duurt 1 – 2 dagen.
44
Tijd tot overstroming na dijkdoorbraak t.h.v. IJsselcentrale (bron: Provincie Overijssel)
Wat betreft maatregelen kan worden gedacht aan: aanvullend ophogen (voor zover mogelijk) van het plangebied, voldoende hoog aanbrengen vloerpeil, verhoogde drempels, zodanige inrichting gebouw dat bij eventuele overstroming schade zoveel mogelijk wordt beperkt (denk aan materiaalgebruik en minder gevoelige ruimten op de begane grond). Voor het plangebied geldt dat de locatie goed ontsloten is op uitvalswegen als de Thomas á Kempisstraat en de Vechtstraat. Dat maakt, gezien de tijd dat het duurt voordat het gebied overstroomt en de kleine kans daarop, dat het gebied tijdig geëvacueerd kan worden. Conclusie Het plan is in lijn met het beleid ten aanzien van klimaatadaptatie en water. Onderliggend plan voorziet in maatregelen die in lijn zijn met het KEC-beleid. In de uitgevoerde watertoets zijn aanbevelingen gedaan over de wijze waarop met water wordt omgegaan. Tevens zijn in de gemeentelijke bouwverordening regels gesteld waaraan voldaan moet worden. Het plan sluit hier bij de verdere planuitwerking op aan. Hiermee wordt tevens aansluiting gevonden bij de maatregelen die nodig zijn op basis van de kleine kans dat een overstroming plaatsvindt. Omdat rekening wordt gehouden met voorgaande aanbevelingen, is aspect water geen beperkende factor voor onderliggend plan.
5.5 Ecologie Beleidskader Wet natuurbescherming In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming (ecologie). Sinds 1 januari 2017 is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld in de Wet natuurbescherming. Op het gebied van gebiedsbescherming regelt de wet de bescherming van zes verschillende soorten natuurgebieden: het natuurnetwerk Nederland, bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen, nationale parken, bijzondere nationale natuurgebieden en Natura 2000-gebieden. Bij activiteiten of ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelen voor een van deze gebieden moet een vergunning worden aangevraagd. 45
Analyse In het kader van onderliggend plan heeft ecologisch onderzoek plaatsgevonden. De rapportage is als bijlage 4 opgenomen. Het rapport beschrijft de resultaten van een zogenaamde quickscan van beschermde natuurwaarden in en rond het plangebied (gebiedsbescherming en soortenbescherming). Op basis daarvan zijn uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkelingen en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. De resultaten en conclusies van het onderzoek zijn als volgt. Wet natuurbescherming; soortenbescherming Het plangebied vormt geen geschikt leefgebied voor beschermde soorten planten en dieren. Van een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten is geen sprake. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Natuurnetwerk Nederland De voorgenomen ingreep leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Verdere toetsing in de vorm van een ‘Nee, tenzij-toets’ is niet aan de orde. Stikstof In het ecologische onderzoek is de mogelijkheid op aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van natura2000-gebieden op basis van onderliggend plan, beoordeeld.
Gelet op de ligging van het plangebied in het binnenstedelijk gebied van Zwolle en de beperkte impact van de ingreep (reguliere bouwwerkzaamheden gedurende een korte periode), kan verstoring van soorten in Natura 2000gebieden door licht en geluid op voorhand naar verwachting worden uitgesloten. Stikstofeffecten worden gelet op de beperkte omvang van de bouwwerkzaamheden en de grote afstand tot Natura 2000-gebieden eveneens niet verwacht. Desondanks is in het kader van onderliggend plan een AERIUS-berekening uitgevoerd om eventuele effecten inzichtelijk te maken tijdens de aanleg- en gebruiksfase van het project. Uit de berekening voor de aanlegfase (met kenmerk Rj5dQgm7DjzC) en de berekening voor de gebruiksfase (met kenmerk Rd2PKpXsdGhX) blijkt dat geen sprake is van een toename (>0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten binnen Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, Natura 2000-gebied Rijntakken en andere verder weg gelegen Natura 2000-gebieden. Zodoende is bij uitvoering van het plan geen sprake van negatieve effecten door stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelen van omliggende Natura 2000-gebieden. Uitvoering van het plan is daarom niet strijdig met de Wet natuurbescherming, onderdeel stikstof. De resultaten van dit onderzoek zijn als bijlage 5 van deze toelichting gevoegd.
Conclusie Het plan heeft geen negatieve effecten op beschermde soorten en op natuurgebieden.
46
5.6 Verkeer en parkeren Beleidskader In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. De ‘Regeling Parkeernormen 2016’ is het toetsingskader voor parkeren. Het beleid is zo dat de parkeeropgave van een ontwikkeling primair op eigen terrein van het bouwplan of ontwikkeling gerealiseerd moet worden. Wat de parkeeropgave is, wordt bepaald aan de hand van de parkeerkerncijfers CROW. De hoogte van de parkeernorm voor woningen is afhankelijk van het prijssegment en of het koop of huur betreft. Daarnaast speelt de locatie een rol. De parkeerplaatsen moeten afzonderlijk kunnen worden gebruikt en bereikbaar zijn op een verkeersveilige wijze. De aan te leggen parkeerplaatsen dienen ook te voldoen aan de eisen uit de 'Regeling Parkeernormen 2016' van de gemeente Zwolle ten aanzien van maatvoering en bruikbaarheid: de afmeting en inrichting van een parkeerplaats moeten minimaal voldoen aan de meest recente ASVV, de aanbevelingen voor parkeervoorzieningen binnen de bebouwde kom. Analyse Bereikbaarheid Het plangebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied. Te voet en per fiets is de locatie vanuit verschillende richtingen goed bereikbaar. Ook voor auto’s middels de Billitonstraat en voornamelijk de Sumatrastraat.
Parkeren auto’s Voor de parkeeropgave van 5 rijwoningen en een appartement is de ‘Regeling Parkeernormen 2016’ van toepassing. De gemeente Zwolle heeft haar grondgebied ingedeeld op basis van een verstedelijkingskaart. De ligging van de planlocatie binnen deze verstedelijkingskaart is van belang voor de parkeeropgave voor de betreffende locatie. Het plangebied valt binnen de verstedelijkingskaart (zie volgende afbeelding) in de categorie ‘sterk stedelijk’.
Verstedelijkingskaart gemeente Zwolle.
In en rondom het plangebied wordt parkeren op verschillende manieren opgelost. Er wordt onderscheid gemaakt in: -
Parkeren op eigen terrein (beperkt van toepassing) Parkeren in openbaar gebied zonder parkeerregime Parkeren in openbaar gebied met parkeerregime (betaald/vergunninghouders) 47
Ter plaatse van het plangebied is geen parkeerregime van kracht, het betreft gratis parkeren in openbaar gebied. De parkeerdruk is hoog (>80%). Dit is grotendeels te verklaren doordat het plangebied exact op de grens ligt van een betaald parkeren-regime dat aan de overkant van de Vechtstraat begint. Bezoekers mijden dit betaald parkeren door in het plangebied te parkeren. Vertaling naar plangebied Om te bepalen welke parkeeropgave er geldt voor onderliggend initiatief, wordt gebruik gemaakt van de in de CROW - notitie ‘De nieuwe parkeerkencijfers en kencijfers verkeersgeneratie’ opgenomen parkeer cijfers. Daarbij wordt rekening gehouden met de volgende aspecten: -
de nieuwe functie en bijbehorende doelgroep; de ligging van het plangebied (schil centrum, centrum, rest bebouwde kom, buitengebied); verstedelijkingsgraad (niet stedelijk, matig stedelijk, sterk stedelijk en zeer sterk stedelijk) de schaalgrootte; welke functie wordt vervangen.
Onderliggend plan maakt 5 rijwoningen en 1 appartement mogelijk. Het appartement valt in de categorie huur, etage, midden/goedkoop, in sterk stedelijk gebied. Voor dit segment geldt een CROWnorm van tussen de 0,7 en 1,5. De rijwoningen vallen in de categorie koop, tussen/hoek in sterk stedelijk gebied. Hiervoor geldt een parkeernorm van tussen de 1,2 en 2,0. Gezien de omvang van de woningen en het gegeven dat een deel bedrijfsvoering wordt opgeheven, is met de gemeente afgesproken dat voor het appartement (gezien de oppervlakte van 50 vierkante meter) 1 parkeerplaats gerealiseerd dient te worden. Voor de tussenwoningen wordt een norm van 1,2 gehanteerd. Dit, gezien de omvang van de woningen en het gegeven dat een deel van bedrijfsmatig benutte ruimte gesaldeerd wordt. Dit maakt een totale parkeeropgave van 7 parkeerplaatsen. De gemeente Zwolle heeft als beleidsuitgangspunt dat de parkeeropgave in principe moet worden gerealiseerd op het eigen terrein dat bij het plan hoort. In onderliggend plan is dat mogelijk gemaakt door inpandig 7 parkeerplaatsen te realiseren conform de stallingvoorziening (NEN 2443). Iedere woning beschikt zodoende ten minste over een eigen parkeerplaats. Bezoekersparkeren kan in openbaar gebied plaatsvinden.
Parkeren fietsen Het gemeentelijk beleid is er op gericht dat iedere woning of ieder appartement beschikt over ten minste 5 m2 bergingsruimte om onder andere een fiets te kunnen stallen. Naast een inpandige parkeergarage wordt daarom middels dit plan voorzien in een inpandige berging van 30 m2. Iedere woning beschikt zodoende over 5 m2 bergruimte waarbinnen ook een fietsenstalling wordt gerealiseerd. Conclusie Het aspect parkeren is volgens het parkeerbeleid ingevuld en vormt zodoende geen belemmering voor onderliggend plan.
5.7 Mer-beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de 48
Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het vaststellen van een bestemmingsplan heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: -
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en het bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van 2000 of meer woningen. Conclusie De voorgenomen activiteit blijft onder de genoemde drempelwaarden voor stedelijke ontwikkelingsprojecten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en daarom hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld. Als bijlage 6 van deze toelichting is een vormvrije aanmeldnotitie MER opgenomen waarin een en ander is onderbouwd. In artikel 7.16 Wm is beschreven waar een aanmeldingsnotitie aan moet voldoen. In de aanmeldnotitie worden de voorgenomen activiteiten en de waarschijnlijke gevolgen van de activiteit voor het milieu beschreven. B&W heeft op 20 oktober 2020 besloten dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld.
5.8 Conclusie Ruimtelijke en milieukundige aspecten vormen geen belemmering voor onderliggend plan.
49
6. Juridische regeling 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Aanvankelijk bestond het programma van onderliggend plangebied uit 11 appartementen en 11 inpandige parkeerplaatsen. Deze plannen zijn door de initiatiefnemer besproken met omwonenden door middel van het houden van een informatieavond op 5 februari 2019. Met enkele omwonenden hebben individuele gesprekken plaatsgevonden over de uitwerking van het ontwerp van het plan. Voor de informatieavond zijn, in overleg met de gemeente Zwolle, tientallen adressen in de omgeving aangeschreven. Uiteindelijk waren +/- 30 mensen aanwezig op de informatieavond. De reacties waren overwegend positief maar er waren kritische kanttekeningen over de mogelijke extra verkeer- en parkeerdruk in de wijk. Intussen is de ontwikkeling ook ingehaald door de gemeentelijke beleidsregel ‘zelfstandige wooneenheden’ van de gemeente Zwolle. Deze beleidsregel stelt voorwaarden aan de minimale omvang van appartementen en bergingen. Daar voldeed het plan niet volledig aan. Daarom is er besloten tot herontwikkeling en wat heeft geresulteerd in onderliggend plan. Het plan voorziet nu in 5 rijwoningen en 1 appartement en heeft naar verwachting voor de omgeving minder impact.
Ook is met buren besproken om het paaltje wat de doorgang naar de Vechtstraat verspert te verplaatsen zodat de parkeergarage bereikbaar wordt via de Vechtstraat in plaats van via de andere kant. Naast afstemming met de omgeving heeft op ambtelijk niveau vooroverleg plaatsgevonden met de gemeente en heeft welstand haar oordeel over de plannen gegeven.
6.2 Vooroverleg en inspraak Vooroverleg Op 6 oktober 2020 is het bestemmingsplan in het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening naar 4 instanties verzonden met het verzoek om binnen vier weken schriftelijk te reageren. Het plan is toegezonden naar de volgende instanties: 1. 2. 3. 4.
Provincie Overijssel; Waterschap Drents Overijsselse Delta; Veiligheidsregio IJsselland GGD.
Onderstaand samengevat de vooroverlegreacties die ontvangen zijn: 1. Provincie Overijssel Opmerking: Het ontwerpplan past in het provinciaal ruimtelijk beleid, er zijn geen bezwaren. Reactie gemeente: De opmerking wordt voor kennisgeving aangenomen. 50