Tussenrapportage herijking visie op arbeidsparticipatie
Tekst van het document
wel realistisch is om te verwachten dat zij op korte termijn de stap naar werk kunnen maken. Veelal is sprake van complexe problematiek, die maakt dat mensen eerste deze problemen op moeten lossen, voordat zij naar werk zouden kunnen (GGz, EPA, verslaving, autisme, schulden). Tot slot is het verklaarbaar dat binnen het SWT de focus meer op zorg ligt dan op werk. De mensen die door SWT begeleid worden, hebben immers een indicatie voor zorg en op dit moment wordt het ontvangen van een bijstandsuitkering niet gezien als een zorgvraag. In de huidige praktijk ligt bij het SWT de nadruk dan ook op zorg en op meedoen. Het beeld ontstaat daardoor dat niet alle cliënten die zouden kunnen werken door SWT naar Tiem worden doorverwezen. Het feit dat SWT geen cijfers kan aanleveren over het aantal inwoners dat van hen ondersteuning ontvangt op het gebied van (de stap naar) arbeidsparticipatie draagt bij aan dit beeld. Toch heeft het SWT in 2023 een flinke stap gezet op de ondersteuning van inwoners op het gebied van participatie. Er wordt geleidelijk toegewerkt naar een situatie, waarin participatie onderdeel wordt van alle ondersteuningsplannen van inwoners. Ook is er met regelmaat afstemming met o.a. Tiem en Team IPA over de participatiebehoefte van inwoners.
Wanneer bijstandsgerechtigde inwoners door de Afdeling Inkomensondersteuning worden doorverwezen naar het SWT (bij grotere afstand tot de arbeidsmarkt), worden hierbij geen heldere opdrachten of doelstellingen meegegeven. Het SWT is de afgelopen periode begonnen met het inrichten van casuïstiekgesprekken met Tiem, met name voor inwoners die zich bevinden op de treden 3 en 4 van de Participatieladder. Gezamenlijk met Tiem wordt gekeken of deze inwoners mogelijk al een stap richting werk kunnen zetten. In 2023 is gewerkt aan een hernieuwde opdracht voor SWT, die inmiddels door de gemeenteraad is vastgesteld. In die opdracht is een duidelijke afbakening gemaakt van de inzet van SWT met betrekking tot arbeidsparticipatie. Die scheiding ligt tussen de reden 4 en 5 van de Participatieladder. In de opdracht wordt echter niet heel duidelijk welke focus er binnen SWT ligt op toeleiding naar werk. In de vastgestelde opdracht van SWT is hierover opgenomen: Op het vlak van participatie werkt het SWT nauw samen met de afdeling Inkomensondersteuning (IO) en Tiem. Bij participatie wordt onderscheid gemaakt tussen wie de ondersteuning doet en wie de regie houdt op de ontwikkeling. De regierol wordt bepaald op basis van iemands afstand tot de arbeidsmarkt.
Als de verwachting is dat iemand binnen afzienbare tijd trede 5 of 6 van de participatieladder kan halen, ligt de regie bij Tiem en anders bij het SWT. De regierol kan wisselen tijdens de begeleiding afhankelijk van de situatie en ontwikkeling van de inwoner. Naast ondersteuning op participatie kan een inwoner ook op andere gebieden ondersteuning krijgen. Het is belangrijk dat er altijd een regisseur is die de integraliteit van de ondersteuning op alle leefgebieden voor een inwoner waarborgt. Indien een inwoner ondersteuning van het SWT krijgt, ligt de regierol altijd bij het SWT. Uitzondering 29
hierop vormen statushouders, dan ligt de regierol bij Team IPA (ook als het SWT betrokken is). Team IPA kijkt net als het SWT breed naar alle leefgebieden. Voor de ondersteuning geldt dat het SWT inwoners begeleidt op het vlak van maatschappelijke participatie en Tiem op het vlak van arbeidsmatige participatie. Inwoners die onder regie van Tiem vallen, kunnen zich op het moment van instromen op trede 4 of lager bevinden. Voor de maatschappelijke participatie wordt dan in principe een beroep op het SWT gedaan. In het belang van de inwoner kan hier in goed overleg tussen SWT en Tiem van afgeweken worden. Voor vrijwilligerswerk (trede 4) begeleidt het SWT inwoners zowel zelf als maakt het gebruik van de diensten van anderen zoals Zwolle Doet. Dit hangt af van de situatie en wensen van de inwoner. Doorslaggevend is wat het best passend is. Bij inwoners die nog niet toe zijn aan arbeidsmatige participatie maar waar het maximaal haalbare is bereikt, gaat de verantwoordelijkheid over naar IO. Zij houden periodiek contact met de inwoner. Het SWT komt pas weer in beeld zodra er iets in de situatie verandert. Deze hernieuwde opdracht biedt handvatten voor een betere verdeling van de ondersteuning en dienstverlening van SWT en Tiem. Er is immers duidelijk geformuleerd welke inwoners tot de doelgroep van SWT behoren.
Daarmee wordt een gedeelte van het grijze gebied ingevuld, dat momenteel bestaat tussen SWT en Tiem.
4.5
Team IPA In 2021 is besloten om Team Inburgering Participatie en Arbeid te formeren. Er wordt gewerkt vanuit een landelijk kader en de Wet Inburgering 2021, waarbij Team IPA opmerkt dat deze kaders erg algemeen en niet heel specifiek op Zwolle zijn geschreven. Destijds is ook besloten om Team IPA tijdelijk onder te brengen bij de Afdeling Inkomensondersteuning en te zijner tijd te kijken naar de structurele inbedding. Er is niet duidelijk verwoord wat de visie op participatie precies inhoudt, als het gaat om statushouders. Ook is niet benoemd welke resultaten we als Zwolle willen behalen. Daardoor ontbreekt de scherpte in de opdracht aan Team IPA. Bij Team IPA bestaat het gevoel dat statushouders voor participatie alleen naar Tiem kunnen worden doorverwezen, terwijl een ander aanbod soms meer passend is. Het uitgangspunt is inderdaad dat Tiem de arbeidsparticipatie uitvoert, ook voor statushouders. Bij Team IPA heerst het gevoel dat het voor statushouders soms beter is om elders in de stad een plek te zoeken. Tegelijkertijd zorgt de manier waarop Team IPA in 2021 in de keten is geplaatst ook voor onduidelijkheid. In feite zijn er 2 systemen naast elkaar ontstaan; een systeem voor statushouders en een systeem voor de overige uitkeringsgerechtigde inwoners. Dat wringt regelmatig. 30
Er wordt onduidelijkheid ervaren over de regierol, bij trajecten waarin een inwoner zowel door team IPA als door Tiem wordt ondersteund. Wie heeft wanneer regie en wat houdt die regie in? In de gemaakte afspraken is het Persoonlijk Inburgeringsplan (PIP) leidend en is afgesproken dat Tiem de regie heeft over trajecten naar werk. Tiem bepaalt het traject naar werk, na een gezamenlijke intake met team IPA. Dit houdt niet in dat Tiem de enige aanbieder van trajecten naar werk is; zij kan dit ook uitbesteden aan andere partijen, die wellicht een meer geschikte plek hebben. Tiem voert regie over het traject naar werk, terwijl team IPA overall regievoerder is. Dit moet duidelijk zijn voor iedereen. Op dit moment zijn er wachtlijsten bij Tiem voor trajecten met statushouders. Dat werkt demotiverend voor de betreffende inwoners. Zij kunnen immers enige tijd niets doen. De wachtlijsten zijn ontstaan door de snelle toename van het aantal statushouders, dat het afgelopen jaar bij Tiem is aangemeld. Het is zaak dat Tiem zijn capaciteit hier zo snel mogelijk op inricht, zodat er geen wachtlijsten zijn.
4.6
Ondernemers en het Werkgeversservicepunt (WSP) Ondernemers vinden het vaak lastig om hun weg te vinden binnen de bestaande structuren en binnen de diverse mogelijkheden, die er zijn om hen te ondersteunen bij het maken van impact. Ze ervaren dat de bestaande structuren veelal gericht zijn op zorg en dat er vanuit de Participatiewet niet altijd een passende vorm van ondersteuning mogelijk is. Dit geldt ook voor ondernemers die graag sociale impact willen maken. Ondernemers zoeken naar de manier waarop ze toegang kunnen krijgen tot mensen, die bij hen aan het werk kunnen. Hierbij is vaak het beeld, dat er binnen het bestand met uitkeringsgerechtigden nog een grote groep mensen beschikbaar is, die vrijwel direct aan het werk kan. Tegelijkertijd zien we, dat ondernemers veelal wel mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt in dienst willen nemen, mits dat gepaard gaat met een Loonkostensubsidie en de daarbij behorende jobcoaching door Tiem. Voor beide kanten van het spectrum (ondernemers en Tiem) is het soms nog een zoektocht om volledig en optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden die er zijn.
4.7
Onderwijs De aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt en vice versa is erg belangrijk; ook voor het realiseren van een inclusieve arbeidsmarkt. We willen dat onze jongeren kunnen meedoen binnen het onderwijs, maar ook binnen de arbeidsmarkt. De uitdaging zit in het opvangen van de groep jongeren, die voortijdig dreigt uit te vallen, en die toe te leiden naar de arbeidsmarkt.
31
Ook is er een groep jongeren met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, die niet in het Doelgroepenregister passen, zoals ex-gedetineerden. Het is zaak om voor deze groep extra faciliteiten te creëren, naast de faciliteiten die er zijn vanuit de Participatiewet. Daarnaast is er een kwetsbare groep jongeren, die na het afronden van hun school hoogstwaarschijnlijk in het doelgroepenregister zal instromen. Voor Tiem is het de uitdaging om voor hen geschikte werkplekken te vinden, maar ook om de leerlingen te kennen voordat ze de school verlaten. Dat behoort op dit moment niet tot de opdracht voor Tiem. Een signaal is dat deze jongeren vaak niet naar Tiem willen in verband met het imago van Tiem. Ze vinden de voormalige sociale werkvoorziening niet aantrekkelijk. De groep jongeren zou idealiter veel eerder in contact moeten komen met ondernemers, die hen kansen willen bieden en begeleiden op de werkvloer. Om een goede aansluiting te realiseren is o.a. de Ontwikkelagenda passend onderwijs opgesteld en is de proeftuin ‘Samenspel in de wijk’ ontwikkeld, die is gekoppeld aan de Hervormingsagenda. Gemeente Zwolle neemt deel aan het Netwerk aansluiting Arbeidsmarkt en werkt volgens de regionale werkwijze. Zo wordt een sluitend vangnet gecreëerd voor jongeren in kwetsbare positie.
Het Netwerk Aansluiting Arbeidsmarkt in de regio IJssel-Vecht is een samenwerking tussen praktijk- en voortgezet speciaal onderwijs, sociaal domein en arbeidsmarkt om jongeren in een kwetsbare positie te helpen bij de overstap naar vervolgonderwijs (mbo), regulier werk of werk met ondersteuning vanuit de Banenafspraak of dagbesteding. Het netwerk heeft als doel om voortijdig schoolverlaten te verminderen en de kansen van jongeren op de arbeidsmarkt te verbeteren. Het netwerk wordt gecoördineerd door het Doorstroompunt (Doorstroompunt (RMC) en maakt gebruik van het volgsysteem Intergrip om jongeren in beeld te houden en te begeleiden. Het is belangrijk om duidelijkheid te krijgen over de lijnen tussen het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (pro/vso) en de diverse actoren binnen de Participatieketen. Wie heeft de regie en wie doet wat? Nu zien we dat zowel het Doorstroompunt, het Sociaal Wijkteam als Tiem zich met deze jongeren bezighoudt en er soms sprake is van overlap. De inbedding van de regionale werkwijze van het Netwerk Aansluiting Arbeidsmarkt vraagt extra aandacht in Zwolle.
4.8
Arbeidsmarktbeleid en Zwolle in de regio Arbeidsparticipatie hangt nauw samen met arbeidsmarktbeleid. Ook vanuit de arbeidsmarktregio is het ondersteunen van inwoners met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt een taak. Enerzijds door deze inwoners een kans te geven op de arbeidsmarkt, anderzijds door te voorkomen dat deze inwoners hun baan verliezen en mogelijk aangewezen zijn op een uitkering. Hiervoor kunnen allerlei instrumenten ingezet worden.
32
In de Arbeidsmarkregio wordt gewerkt met een regionaal beleidsplan. Zwolle heeft geen lokaal arbeidsmarktbeleid geformuleerd, maar werkt vanuit de regionale visie. Op het gebied van de arbeidsmarkt en de relatie tot arbeidsparticipatie is een aantal knelpunten naar voren gekomen: Krappe arbeidsmarkt vraagt om andere interventies De arbeidsmarkt in Zwolle is krap. In het eerste kwartaal van 2023 registreerde het CBS 27.400 vacatures in de provincie Overijssel, tegenover 24.000 werklozen. De tekorten lijken structurele vormen aan te nemen en dat betekent ook een potentiële bedreiging voor evenwichtige economische groei. Deze krapte betekent dat ondernemers een ander beroep doen op ondersteunende arbeidsmarktinstrumenten dan in tijden van overschotten of minder krapte. Het gaat dan bijvoorbeeld om: Ondersteuning van trajecten van werk naar werk en zij-instroom Een leven lang ontwikkelen en opscholing of bijscholing, zodat er ‘trek in de schoorsteen’ ontstaat en er ook plek komt voor meer praktisch gekwalificeerde werkzoekenden Een flankerend beleid gericht op het behoud van gekwalificeerde werknemers en afstudeerders Het anders organiseren van werk en het verhogen van de productiviteit Inclusie bij bedrijven en instellingen Inschakeling van arbeidsmigranten.
In 2023 is geconstateerd dat veel van de inspanningen van de gemeente Zwolle zich concentreren op het fysieke aspect en groeiverwachtingen van bedrijven. Het personele aspect en hierbij passende interventies zijn minder ontwikkeld. Inclusiebeleid: juist nu kansen, maar flink wat organisatorische barrières De krapte op de arbeidsmarkt zou kansen moeten creëren voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt om te participeren. Dat gebeurt tot op zekere hoogte, maar uit bijna alle gevoerde gesprekken blijkt dat beleidsmatige en organisatorische ‘schotten’ flinke barrières opwerpen voor effectieve interventies. Inclusie is precies een ‘schakelpunt’ tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. De verbindingen hiertoe ontbreken echter. Er is geen overkoepelende visie als het gaat om inclusie en de instrumenten rond inclusie richten zich overwegend op ‘zorg’ en minder op het bevorderen van de overgang naar ‘werk’. Bovendien zijn deze instrumenten nu vooral gericht op het arbeidsaanbod en slechts zeer beperkt op de vraag of mogelijkheden vanuit bedrijven. Verbinding tussen vraag en aanbod in een breder arbeidsmarktbeleid kan versterkt worden Lokaal arbeidsmarktbeleid zou vooral moeten gaan over de verbinding of match tussen de vraag (vacatures bij bedrijven en instellingen) en aanbod (werkenden, werkzoekenden, schoolverlaters die werk zoeken).
Arbeidsmarktbeleid komt dan tot ontwikkeling in de driehoek economie, onderwijs, sociaal beleid en inkomen en is gericht op de hoofdopgave van de stad: een duurzame economische ontwikkeling die hand in 33
hand gaat met inclusie. Geconcludeerd is dat dit type arbeidsmarktbeleid in de stad Zwolle niet of nauwelijks bestaat. Verbinding tussen stad en de regio kan beter De arbeidsmarkt van de stad Zwolle kan niet los gezien worden van de arbeidsmarkt in de regio. Uitgangspunt van het landelijke en regionale overheidsbeleid is dat de kaders van arbeidsmarktbeleid in de (arbeidsmarkt) regio gezamenlijk met partners worden bepaald en er vervolgens doorvertaling en wisselwerking plaatsvindt naar en met lokaal beleid. Ook deze verbinding is niet sterk ontwikkeld, terwijl daar kansen liggen. Zwolle is centrumgemeente voor de arbeidsmarktregio. De wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen (SUWI) verdeelt het land in 35 arbeidsmarktregio’s, waarvan de regio Zwolle er één is. De regio bestaat uit 15 gemeenten. De centrumgemeente is verantwoordelijk voor de regie op de samenwerking en voor het beheer van de financiën. Deze taak is neergelegd bij Regio Zwolle Bureau, met als eerste taak de voorbereiding van het Regionaal Werk Bureau: het netwerk van de gemeenten die onderdeel zijn van de arbeidsmarktregio’s. Het Regiobureau voert deze taak beleidsrijk uit en heeft een breder arbeidsmarktbeleid geformuleerd in de Human Capital Agenda.
Hierbij zijn 7 extra gemeenten en 4 provincies betrokken (zie ook Hoofdstuk 2) De regio kent daarmee een breder arbeidsmarktbeleid, waar de stad bij aan kan sluiten. In de praktijk zien we dat er vaak langs elkaar heen wordt gewerkt, men elkaar als concurrent ziet of geen aanknopingspunten ziet om de meer beleidsmatige insteek van het Regio Bureau Zwolle te vertalen in het eigen werk. Een gebrek aan structurele verbindingen tussen stad en regio leidt soms ook tot verwarring over rollen van de gemeente bij stakeholders als de provincie, werkgevers of het UWV. Spreekt Zwolle met één mond of zijn er verschillende ‘Zwolles’: centrumgemeente, stad, uitvoeringsorganisaties als TIEM en SWT? Conclusies: 1. (Wettelijke) lokale en regionale opgaven De wettelijke opgaven zijn formeel allemaal belegd: bij het Bureau Regio Zwolle als het gaat om de taken als centrumgemeente van de arbeidsmarktregio, bij de gemeente en haar uitvoerders als het gaat om de participatiewet. De feitelijke opgave van de regio en de stad rond de arbeidsmarkt is echter breder. Die gaat óók over de beleidsontwikkeling en de praktijk voor mensen en bedrijven. Deze bredere maatschappelijke arbeidsmarktopgave is niet goed belegd. Een gezamenlijke opgavebepaling en de onderbouwing hiervan ontbreken.
Dat start bij een visie op de arbeidsmarkt die zich vertaalt in overkoepelend beleid en een strategie rond interventies op die arbeidsmarkt. Het regionale beleid kan hiertoe als vertrekpunt worden genomen voor nadere concretisering, aanvulling en aanscherping. 2. Taken, rolopvattingen en samenwerking 34
De inhoudelijke verbindingen in het beleid en in de uitvoering kunnen worden versterkt. Zo is er hier en daar rolverwarring of discussie over opdrachtgeverschap en opdrachtnemers bij bijvoorbeeld Tiem en SWT. Dat is een complex vraagstuk, dat eerder dit hoofdstuk is toegelicht. Tussen de regio en verschillende partijen binnen de stad Zwolle bestaat een informatieen cultuurkloof. Waar de regio veel oog heeft voor netwerksamenwerking (ook wettelijk een verankerde taak) en de grote beleidsmatige en toekomstige lijnen, lijken veel mensen in het ‘stedelijk’ beleidsapparaat taakgericht. Dat biedt tegelijkertijd kansen. Inhoudelijke aansturing en een steviger organisatorische inbedding van het arbeidsmarktbeleid kunnen behulpzaam zijn om de samenhang te vergroten. 3. Aansturing, prioriteiten en wie bepaalt wat? De aansturing wordt in het algemeen als onvoldoende ervaren, te beginnen op het niveau van integrale beleidsontwikkeling. Er is de vraag naar politieke prioritering op hoofdzaken als het gaat om arbeidsparticipatie. Deze prioriteiten kunnen mede de basis zijn voor meer sturing binnen het gemeentelijk beleidsapparaat en meer regie naar uitvoeringsorganisaties. De complexe governance structuur en relatieve zelfstandigheid van grote uitvoeringsorganisaties vergemakkelijken dit niet.
Dat betekent in de praktijk dat de uitvoeringsorganisaties in hoge mate zelf de aansturing bepalen. Zij hebben professionele ruimte nodig om hun taken goed te kunnen uitvoeren. De vraag is of zij ook hun eigen opgaven moeten kunnen bepalen. 4. Witte vlekken Er zijn op verschillende niveaus witte vlekken geconstateerd: • Verbindend beleid ontbreekt • Samenhang tussen beleidsafdelingen en teamvorming op basis van dat beleid is voor verbetering vatbaar • Een heldere aansturing naar de uitvoering is in gang gezet met het sluitend maken van de participatieketen. Deze kan verder worden versterkt door een heldere prioritering • De wisselwerking tussen regio en stad als het gaat om arbeidsmarktbeleid en – uitvoering is nog onvoldoende ontwikkeld. 5. Wat gaat goed en wat kan beter Wat goed gaat is de energie, kennis en betrokkenheid van alle gesproken mensen. Zij dragen de stad en regio een warm hart toe. Zij hebben behoefte aan minder versnippering en meer samenhang. Wat beter kan is hierboven uitgebreid aan de orde gekomen. behulpzaam als de participatieketen in Zwolle, inclusief heldere rollen rond beleid en uitvoering en aansturing, beter en eenduidiger sluitend is gemaakt (zie vorige hoofdstuk)
35
Aanbevelingen. Op basis van de hiervoor genoemde bevindingen en conclusies wordt een aantal aanbevelingen gedaan: 1. Visie op de brede arbeidsmarkt ontwikkelen Een toekomstgerichte visie op de brede arbeidsmarkt in Zwolle is noodzakelijk. Het gaat daarbij niet alleen om het ontwikkelen van een (papieren) beleid, maar ook om het bepalen van de gezamenlijke opgaven op de Zwolse arbeidsmarkt (visie en beleid) en een hierbij passende strategie op de gekozen hoofdlijn. Deze visie kan worden opgesteld in samenspraak met de regio en kan ook een concretisering zijn van het reeds vastgestelde regionale beleid. Daarmee kan dit relatief snel tot stand komen. 2. Concretiseer deze visie naar werkopdrachten voor het beleid Concretiseer deze visie in concrete werkopdrachten voor de lokale en regionale beleidsmakers. Het gaat om opdrachten die ‘opgavegericht’ zijn en niet in de eerste plaats ‘taakgericht’. Dat kan ook de benodigde teamvorming ten goede komen. 3. Inrichting inhoudelijke sturing op het terrein van de brede arbeidsmarkt Richt op basis van deze opgaven een heldere vorm van sturing in naar de verschillende afdelingen binnen de gemeente, met een open verbinding naar het Regio Bureau Zwolle. 4. Uitvoering: pak regie! Het is goed dat er meer specifiek wordt gekeken naar het functioneren van de participatieketen. Prioriteer hierbij de acties, gericht op: a.
Opdrachten naar de uitvoeringsorganisaties Tiem en SWT en samenhang in participatietrajecten b. Eenduidige regievoering voor cliënten met mandaat voor regievoerders c. Perspectiefgesprekken naar cliënten met een eenduidig perspectief: leer het bestand op realistische en effectieve manier kennen d. Een gerichte aanpak om jongeren te bereiken, gericht op verkleining van nieuwe instroom in de bijstand, met gebruikmaking van ervaringen en expertise van partners op dit gebied (zoals onderwijspartijen, leerplicht
4.9
Conclusie Bij een analyse als deze ligt de nadruk van de bevindingen al snel op de dingen die beter kunnen, waardoor een bepaald beeld kan ontstaan. Binnen de Participatieketen gaan echter ook heel veel dingen goed. Alle partijen binnen de keten werken met erg veel betrokkenheid, kunde en kennis aan het welzijn en welbevinden van de Zwollenaren, die zijn aangewezen op een bijstandsuitkering. Veel inwoners worden dan ook op een goede en professionele manier ondersteund en begeleid. De mogelijke verbeteringen die worden gesignaleerd liggen veelal in de manier waarop in Zwolle de keten is ingericht, in de opdrachtverlening en de sturing en gaan niet zozeer over de betrokkenheid en deskundigheid van de mensen die in de keten werken. Uit de analyse van beleid blijkt dat er geen recent beleid is opgesteld over de uitvoering van de Participatiewet. Daarnaast zijn er geen duidelijke opdrachten geformuleerd aan 36
de belangrijkste actoren binnen de Participatieketen, te weten de Afdeling Inkomensondersteuning, Tiem, het Sociaal Wijkteam, RBZ en Team IPA. Met het opstellen van de hernieuwde opdracht voor het Sociaal Wijkteam en het werken aan een nieuwe opdracht voor Tiem is begonnen om hier meer duidelijkheid te creëren. Een duidelijke opdracht, omschrijving van de doelgroep, verantwoordelijkheden en rol in de Participatieketen gaat alle actoren in de keten helpen. Daarnaast is het zaak om deze opdrachten nadrukkelijk op elkaar af te stemmen en te zorgen voor onderlinge samenhang. In de samenhang kan ook gekeken worden naar de rol en positie van Team IPA. Wil Zwolle dit Team IPA structureel inbedden en welke rol en opdracht hoort daarbij? Door het ontbreken van duidelijke opdrachten is er veel grijs gebied ontstaan, doordat taken niet helder afgebakend zijn. Als gevolg daarvan is ruis tussen de actoren ontstaan, die weer leidt tot wederzijdse beelden en onduidelijkheid. Er wordt binnen de Participatieketen veel over elkaar gepraat en er bestaat een sterk “wij-zij’”-denken. De beschreven onduidelijkheid gaat bijvoorbeeld over doelgroepen, verantwoordelijkheden, regie en registraties.
Mede doordat er binnen de Participatieketen niet op een eenduidige manier en in één gezamenlijk systeem wordt geregistreerd en doordat er niet altijd voldoende focus heeft gelegen op (arbeids-)participatie, heeft het de afgelopen jaren kunnen gebeuren dat mensen op het gebied van maatschappelijke en arbeidsparticipatie uit beeld zijn geraakt en dat de verschillende actoren niet van elkaar weten welke inwoners wel of niet ondersteund worden. Het totaalbeeld ontbreekt; ook voor de gemeente Zwolle. De keuzes die de gemeente Zwolle in de afgelopen jaren heeft gemaakt, hebben ook invloed gehad. Zo is er in 2019 bezuinigd, waardoor er in de uitvoering niet voldoende formatie beschikbaar was om alle inwoners goed te ondersteunen. Daarin zijn destijds keuzes gemaakt en dus inwoners tijdelijk losgelaten. Door middel van de zogeheten Perspectiefgesprekken en Servicegesprekken is in 2023 een hersteloperatie ingezet op de groep inwoners die momenteel wel werkzoekende is, maar die recent geen ondersteuning van SWT of Tiem heeft ontvangen. Tegelijkertijd zien we dat medewerkers van de verschillende schakels elkaar in de praktijk opzoeken om afspraken te maken, wanneer er geen geformaliseerde opdrachten zijn vastgelegd. Zo zijn er tussen Tiem en Team IPA werkafspraken opgesteld over de begeleiding van statushouders. Dat is erg positief, maar zou eigenlijk niet nodig moeten zijn.
De aansluiting van Tiem op de regionale arbeidsmarkt is nog onvoldoende vormgegeven, hetgeen weer te herleiden is tot een onduidelijke opdracht vanuit de gemeente Zwolle hierover, terwijl Zwolle ook centrumgemeente is voor de regio. Op dit gebied is winst te behalen, zowel voor Tiem, de gemeente Zwolle als voor de arbeidsmarktregio. Tot slot zien we dat de doorstroming van dagbesteding naar bijvoorbeeld beschut werk of andersom nog onvoldoende plaatsvindt. Dit wordt mede veroorzaakt door de 37
onbekendheid bij dagbestedingsorganisaties over mogelijk vervolgstappen in beschut werk bij bedrijven. In Zwolle hebben we “Tussenwerk” georganiseerd en proberen we, binnen het instrument van de subsidieregeling Sociale Activatie en Herstel, de komende tijd instrumenten en beleid voor dit onderdeel te formuleren. Het Rijk heeft ingezet op deze doorstroming door middel van Simpel Switchen. In een recente brief van Minister Schouten aan de Tweede Kamer erkent zij dat de doorstroming vanuit dagbesteding naar beschut werken en zeker ook vice versa nog steeds niet optimaal verloopt. Op het gebied van arbeidsmarktbeleid en de rol van Zwolle in de regio is in paragraaf 4.8 reeds verwoord wat de conclusies en aanbevelingen zijn.
38
5
AANVRAAG VANGNETUITKERING BUIG In juni heeft het college een aanvraag Vangnetuitkering BUIG bij het Rijk ingediend, om het grote tekort op de BUIG deels gecompenseerd te krijgen. De raad heeft ingestemd met deze aanvraag en heeft kennis kunnen nemen van de aanleiding, oorzaken, ingezette instrumenten en het vervolg. Daarom gaan we in deze notitie slechts kort in op de aanvraag en kijken we met name naar de zaken die van belang zijn voor een Zwolse visie op arbeidsparticipatie en voor het optimaal functioneren van de Participatieketen. In de aanvraag voor de Vangnetuitkering is geconstateerd, wat we eerder in deze rapportage hebben benoemd: Het aantal inwoners, dat langdurig is aangewezen op een bijstandsuitkering, neemt toe. “Daarnaast is het aantal mensen dat langdurig in de bijstand zit aanzienlijk gestegen van 45% in 2014 naar 57% in 2021. Inwoners die langer een bijstandsuitkering hebben zijn moeilijker te activeren of re-integreren op de arbeidsmarkt. Daarnaast hebben we binnen de Participatieketen een groot gedeelte van het bijstandsbestand onvoldoende in beeld, waardoor we hen moeilijk kunnen activeren naar werk of participatie”.
Ontwikkeling bijstandsvolume 7 3.4 2018 -2.4 -5.4
2019 -2.4 -4.3
Bijstandsvolume NL
2020
2021 -2.4 -5.3
2022 -3 -6.7
Bijstandsvolume Zwolle
Wat we weten is dat deze stijging een autonoom gegeven is voor de instroom van PrOVso-jongeren en voor de inwoners die niet meer in de Wsw terecht kunnen. Wat we niet weten is de stijging deels het gevolg is van de manier van werken binnen de Participatieketen. Een andere conclusie uit de aanvraag Vangnetuitkering was: “We hebben in samenwerking met de lokale organisaties ons zittende bijstandsbestand onvoldoende in beeld”. Ook deze conclusie komt terug in de tussenrapportage en wordt hier uitgebreid besproken. De gemeenteraad heeft Motie 7 aangenomen, die heeft geleid tot het opstarten van Perspectiefgesprekken door Tiem (zie hoofdstuk 6) en Servicegesprekken door Afdeling Inkomensondersteuning, met als doel het aanwezige potentieel in het bestand met uitkeringsgerechtigden beter te verzilveren.
39
In de aanvraag Vangnetuitkering BUIG is een groot aantal maatregelen opgesomd, waarmee Zwolle de afgelopen periode heeft geprobeerd om zowel de instroom als de uitstroom in de Participatie te beïnvloeden. Voor deze maatregelen verwijzen we gemakshalve naar de aanvraag Vangnetuitkering BUIG. Naast de factoren die we als gemeente Zwolle zelf kunnen beïnvloeden, blijven we voor het BUIG-budget afhankelijk van het landelijke objectief verdeelmodel. Dat blijkt maar weer eens, nu de gemeente Zwolle in het verdeelmodel voor 2024 extra middelen ontvangt en het er dus op lijkt dat er voor 2024 geen aanvraag gedaan hoeft te worden voor de Vangnetuitkering. Deze extra middelen komen voort uit een landelijke verhoging van het macrobudget en door een aanpassing in het verdeelmodel, waar het budgetaandeel voor Zwolle is verhoogd. Deze ontwikkeling neemt de financiële druk het komende jaar weg, maar dit betekent niet dat de analyses rond de BUIG achterwege moeten blijven. Het blijft een goed idee om de ontwikkelingen en trends in Zwolle goed te analyseren en te monitoren.
40
6
INNOVATIELAB Het Innovatielab is opgezet om “het potentieel van Zwolse inwoners die langs de kant staan zonder werk beter te zien en te verzilveren”. Het is dus ontstaan vanuit de gedachte dat er veel Zwollenaren zijn die mogelijk wel zouden kunnen werken, maar die onvoldoende in beeld zijn. Elders in deze notitie is al beschreven dat er inderdaad een groot aantal uitkeringsgerechtigde inwoners niet goed in beeld is bij de verschillende onderdelen van de Participatieketen. Participatie is één van de zes sporen van de Hervormingsagenda Sociaal Domein van de gemeente Zwolle. We willen dat zoveel mogelijk Zwollenaren, nu en in de toekomst, meedoen op de arbeidsmarkt of stappen zetten in die richting. We zien kansen om het potentieel van inwoners die langs de kant staan zonder werk nog beter te zien en te verzilveren. Een nieuw ontwerp van onze dienstverlening helpt daarbij. In maart 2022 zijn we gestart met het Innovatielab om daaraan te werken en te zorgen dat de uitvoering beter aansluit op de belevingswereld en behoefte van de (eind)gebruiker. Aan het Innovatielab nemen adviseurs van de gemeente Zwolle, Inkomen, Doorstroompunt (RMC), het Sociaal Wijkteam en TIEM deel. Het afgelopen jaar zijn gesprekken gevoerd met inwoners die afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering voor hun levensonderhoud of zich melden voor een uitkering.
Deze gesprekken en gesprekken met betrokken professionals gaven verschillende inzichten die zijn meegenomen in het ontwerp van de beste dienstverleningswerkwijze en het formuleren van kernoplossingen.
6.1
Inzichten In het Innovatielab is het afgelopen jaar ervaring opgedaan met het werken vanuit een gezamenlijke klantbenadering. Daarbij is een nieuwe manier ontwikkeld om de klantreis van inwoners die gebruik maken van een bijstandsuitkering te vereenvoudigen. Die klantreis voert op dit moment nog langs allerlei verschillende schakels in de Participatieketen, waarbij inwoners hun verhaal een aantal keren moeten doen aan diverse professionals. De huidige werkwijze leidt niet altijd tot een sluitende aanpak binnen de Participatieketen en zorgt ervoor dat inwoners soms niet goed meer in beeld zijn binnen die keten. Tegelijkertijd kunnen deze inwoners wel in beeld zijn bij de Sociale Basis. Ook maakt de huidige werkwijze het moeilijk om een goed totaalbeeld van onze inwoners te krijgen, omdat de verschillende schakels in de keten stukjes informatie verkrijgen, die niet in een gezamenlijk systeem gedeeld worden (ook hierover leest u elders in de rapportage meer). Bovendien is het voor inwoners ingewikkeld om de juiste weg te vinden en is het vervelend om meermalen hetzelfde verhaal te moeten vertellen aan verschillende personen binnen de Participatieketen. 41
Binnen het Innovatielab is daarom gewerkt met een systeem, waarin de intake van inwoners die een uitkering aanvragen wordt gedaan door de afdeling Inkomensondersteuning, het Sociaal Wijkteam en Tiem gezamenlijk. Dit helpt om vanaf het begin een goed totaalbeeld van de inwoner en zijn ondersteuningsbehoefte te krijgen. Daarnaast wordt gewerkt met een buddy; een vast aanspreekpunt voor de inwoner, zodat deze altijd weet bij wie hij of zij terecht kan. Participatiebehoefte onvoldoende in beeld Een duidelijk punt voor participatievragen ontbreekt. Verschillende afdelingen en organisaties richten zich op een onderdeel van de vraag, maar hebben geen tijd voor zorgvuldig persoonlijk contact. Niet alle inwoners met een uitkering zijn in beeld binnen de Participatieketen en een proactieve benadering ontbreekt. Externe partijen die een participatiebehoefte signaleren, weten niet waar ze daarmee terecht kunnen. Inwoners zonder uitkering met een participatiebehoefte hebben geen zicht op een route daarvoor. Medewerkers van de gemeente worden gezien als handhaver, waardoor mensen niet het achterste van hun tong laten zien. Stress en schaamte bij aanvraag Een uitkeringsaanvraag start vaak met stress, schaamte en hoge financiële nood. Dat laat weinig ruimte voor participatie. Veel vragenlijsten, formulieren en handelingen met tijd ertussen zijn nodig om een uitkering te krijgen.
De inwoner heeft vaak geen overzicht over dat proces. Dat zorgt voor nog meer gevoelens van angst en onzekerheid. Hetzelfde verhaal moet verteld worden aan veel verschillende personen. De meest urgente financiële problemen worden niet altijd als eerste opgelost. De vraag van de inwoner wordt niet integraal bekeken. De nadruk ligt op de bewijslast (weer de focus op rechtmatigheid) en mensen voelen het aanleveren van alle gegevens als inbreuk op hun privacy. Het proces vraagt capaciteiten en vaardigheden van mensen die ze vaak (tijdelijk) niet hebben. Aanpak kan beter Het is belangrijk om eerst de grootste stressoren weg te nemen (vaak financieel) voordat er ruimte voor participatie is. Verplichting en dwang draagt niet bij aan een duurzame uitstroom. Een gezamenlijk integraal plan met eenduidige werkwijze ontbreekt. Door gebrek aan nazorg is er grote kans op terugval. Beschikbaar aanbod en middelen sluiten onvoldoende aan bij wensen, behoeften en vaardigheden van inwoners. Hoge werkdruk staat persoonlijk maatwerk in de weg. Professionals van verschillende afdelingen hebben geen inzicht in elkaars gegevens. Activeren van langdurig werklozen Hoe langer je in een uitkering zit, hoe meer tijd het kost om die veiligheid op te geven en een stap te maken naar een nieuwe situatie. Stabiliteit en rust zijn belangrijke randvoorwaarden om weer de lange termijn te kunnen zien.
Levensgebeurtenissen kunnen zorgen dat participatie nu niet lukt, maar een paar maanden later wel. Mensen bewegen als het loont. Of dat zo is, is nu vaak niet te overzien door de veelheid aan regelingen die kunnen wegvallen. Motivatie ligt bij werk dat aansluit bij eigen talenten. 42
Behoefte aan regie op proces, maar ook aan ondersteuning (anders was het zelf wel gelukt). De verderop beschreven stappen (behalve stap 6) in het stappenplan zijn getest en aangescherpt in de praktijk.
6.2
Kernoplossingen De kernoplossingen vormen de basis van de geadviseerde nieuwe dienstverlening. De oplossingen haken in elkaar, versterken elkaar en kunnen niet zonder elkaar worden gebruikt. Voor de inwoner start het proces altijd bij een intake met een buddy, waarna een proces start om op zoek te gaan naar het potentieel van de inwoner om weer aan het werk te komen of die richting op te bewegen. De partijen ondersteunen de inwoner om zelf actief aan de slag te gaan. Kernoplossingen: - Aansluiten bij de inwoner - Inwoners proactief en outreachend benaderen - Een buddy (vast contactpersoon vanaf het eerste gesprek) - Netwerk Participatie - Acute oplossing voor acute problemen (het Innovatielab heeft hiervan een aantal mooie voorbeelden) Aansluiten bij de inwoner Elke inwoner heeft behoefte aan een persoonlijke benadering: zie mij, hoor mij en begrijp mij. Er is inzicht nodig om te weten wat iemand weerhoudt om stappen te zetten en belemmeringen te willen overwinnen. Het is daarom essentieel om op alle niveaus aan te sluiten bij de inwoner: fysiek, verbaal en met het gekozen communicatiekanaal. Het is belangrijk om fysiek aanwezig te zijn op een centraal punt in de wijk, om onderling informatie te kunnen delen over inwoners, en voor ogen te houden wie je voor je hebt en je communicatie aan te laten sluiten bij die inwoner.
Inwoners moeten ook feedback kunnen geven op het proces en contact. Die feedback kan gebruikt worden om het proces te verbeteren. Inwoners proactief en outreachend benaderen Om onbenut potentieel beter te kunnen zien en verzilveren, is het belangrijk dat de gemeente proactief contact legt en blijft leggen met inwoners, ook met hen die niet ‘in beeld zijn’. Doel van deze gesprekken is verbinding te maken met de inwoner, het contact en de relatie te onderhouden, participatievragen en –behoeften beter te signaleren en zicht te houden op een participatiestatus of –traject. Eén logisch ingangspunt voor vragen en meldingen is nodig. Als gemeente laten we zien dat we onze inwoners ondersteunen en aan ze denken. We stellen vaker de vraag: ‘Hoe gaat het met je?’ 43
Een buddy De buddy is de vaste contactpersoon voor de inwoner. De buddy voert de regie over het proces en is vast onderdeel van het Netwerk Participatie. De buddy geeft een gezicht aan het participatietraject en bouwt een vertrouwensband op. De inwoner voert het plan uit, waar nodig met behulp van (verschillende) professionals. En als de inwoner er even niet meer uit komt, dan is de buddy het centrale aanspreekpunt en helpt de inwoner weer op weg. Zo wordt een veilige situatie gecreëerd van waaruit de inwoner stappen kan zetten. Netwerk Participatie Netwerk Participatie bestaat uit een netwerk van professionals met verschillende expertises (inkomen, zorg, werk, studie, etc.) die allemaal nodig zijn voor een integrale en holistische blik op het onderwerp participatie. Deze professionals komen samen om te werken aan het verzilveren van potentieel van de inwoner. Zo blijft voor iedereen duidelijk dat hun werkzaamheden onderdeel zijn van een groter geheel en een gedeelde opgave. Samen kijken zij naar de situatie van de inwoner om te bepalen wat nodig is om het participatietraject uit te zetten en om de inwoner op weg te helpen. Acute oplossing voor acute problemen Tot slot is één van de kernoplossingen dat er acute oplossingen komen voor acute problemen, omdat er sprake kan zijn van veel belemmeringen voor participatie.
Door in de dienstverlening oog te hebben voor acute problemen voor participatie en dat direct te kunnen oplossen, wordt de kans op duurzame uitstroom groter. Binnen het Netwerk Participatie wordt multidisciplinair en integraal aan een casus gewerkt, zodat voor elke professional direct duidelijk is welk probleem aandacht vraagt en wat daarvoor de beste oplossing is. Ook wordt zo snel duidelijk hoe verschillende problemen op elkaar inhaken en wat het opgestapelde effect is. Zo creëren we gezamenlijk de rust en basis die nodig is voor de inwoner om te kunnen participeren. 1. Een gezamenlijk IT-systeem 2. Fysiek met elkaar werken 3. Beslissingsbevoegdheid voor het Netwerk Participatie Randvoorwaarden Randvoorwaarden voor het kunnen werken volgens de geadviseerde dienstverlening zijn: • Gezamenlijk IT-systeem (kunnen delen gegevens) • Fysiek samenwerken • Bewegingsvrijheid en beslissingsbevoegdheid bij Netwerk Participatie • Ook na het eerste contact, moeten we beloftes kunnen (blijven) waarmaken • Participatie moet meer en directer lonen • Een oplossing voor de inkomensval • Tijd voor professionals om de transitie door te maken • Tijd en ruimte (in taak en functie) om aan te kunnen sluiten bij de inwoner • Inzet ervaringsdeskundigheid en gedragswetenschap bij beleid, 44
•
6.3
uitvoering en communicatie rondom dienstverlening Constante feedbackloop en lerend systeem
Vervolg De uitkomsten uit het Innovatielab zijn inmiddels met alle betrokken partijen gedeeld en ook aan het MTSD en de betrokken portefeuillehouders gepresenteerd. Omdat er nog geen besluit is genomen over een mogelijke implementatie van de voorgestelde werkwijze, is medio 2023 besloten om de pilot te verlengen tot eind 2023. Ondertussen werkt het Innovatielab verder in een aantal wijken in Zwolle. De resultaten zijn zeer positief. Om een besluit te kunnen nemen over mogelijke implementatie van de werkwijze van het Innovatielab moeten keuzes gemaakt worden over de vertaling van die werkwijze naar de inzet van de betrokken organisaties. Welke capaciteit is gemoeid met het uitrollen van de werkwijze, welke variant van uitrollen wordt daarbij gekozen (geleidelijk of gemeentebreed) en welke randvoorwaarden moeten daarvoor worden ingevuld? Daarna kan een implementatieplan worden opgesteld. Hierdoor wordt het voor de betrokken organisaties eenvoudiger om capaciteit te organiseren en kunnen binnen het Innovatielab processen en werkwijze nog verder worden fijn geslepen. Uiteraard moet ook bij een geleidelijke uitrol wel worden gekeken naar de randvoorwaarden en adviezen die door het Innovatielab zijn geformuleerd. Een aantal van deze randvoorwaarden zal ingevuld moeten worden.
Om de maatschappelijke opbrengsten van het Netwerk Participatie goed te kunnen bepalen, kan er een traject van een Maatschappelijke Kosten en Baten Analyse (MKBA) worden opgestart. In deze MKBA worden de resultaten uit het Netwerk Participatie langdurig gevolgd en wordt beschreven wat de maatschappelijke kosten en opbrengsten zijn van de werkwijze.
45
7
PERSPECTIEFGESPREKKEN In 2021 is besloten om Perspectiefgesprekken te gaan voeren. Deze gesprekken zijn geïnitieerd, nadat in 2018 was besloten om met een deel van de bijstandspopulatie geen gesprekken meer te voeren. Daardoor was er een lacune ontstaan in het beeld dat we hadden van een groep inwoners. In 2020, 2021 en 2022 is er rijksgeld beschikbaar gekomen (Koolmeesgelden) om een impuls te geven aan re-integratie. Destijds is het plan ontstaan om een deel van dat geld te gebruiken om alsnog met een deel van deze groep mensen in contact te komen en in kaart te brengen welke ondersteuningsbehoefte zij hebben. In eerste instantie is er gekozen om 500 inwoners te spreken, maar dat aantal is gaandeweg bijgesteld naar 250. Via de Perspectiefnota 2023 is alsnog besloten om ook de overige 250 gesprekken te voeren en zijn hiervoor middelen beschikbaar gesteld. De Perspectiefgesprekken zijn in feite dus een hersteloperatie, naar aanleiding van een eerder besluit. Aan de Perspectiefgesprekken is binnen Tiem de Ontwikkelroute gekoppeld. De Ontwikkelroute is een laagdrempelige manier van het ontwikkelen van de kandidaat. Er wordt een ontwikkeldoel vastgesteld. Als de ontwikkeling nog niet richting werk is, vindt doorverwijzing plaats naar partners in de stad. De Adviseur Ontwikkelroute houdt regie en blijft in contact met de kandidaat.
Door het goed kennen van de sociale kaart én de behoefte van de kandidaat, kunnen mooie verbindingen worden gelegd. Als er op lange termijn geen ontwikkeling naar werk wordt verwacht, wordt het traject met de kandidaat afgesloten bij Tiem en overgedragen naar het SWT.
7.1
Evaluatie Alle kandidaten die uitgenodigd zijn, zijn in beeld gebracht. Kandidaten die niet op de afspraak verschenen, hebben we actief benaderd door te bellen, te mailen en contact op te nemen met het Sociaal Wijkteam. Daarna bleef er nog een klein aantal kandidaten over die niet konden verschijnen i.v.m. opnames bij bijvoorbeeld Dimence of Tactus. Van alle kandidaten die gesproken zijn, is een start positie vastgelegd en een doelpositie. Vervolgens kunnen we stappen maken naar het einddoel. We hebben ervoor gekozen om de posities a.d.h.v. de participatieladder weer te geven. De kandidaten zijn overwegend positief dat er met ze is gesproken, na lange tijd van geen contact met de gemeente Zwolle. Er heeft afstemming plaatsgevonden met zowel het Innovatielab, om overlap in de benaderingen te voorkomen, en met ketenpartners als Dock24, VAKmensen via Sociale Activatie en Herstel, Zwolle Doet, Op Orde, Travers, Gift City De Perspectiefgesprekken zijn gebruikt om de gesproken inwoners in te delen op de treden van de Participatieladder. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen indeling op de huidige trede en op de doeltrede. Dit is de trede, die de inwoner naar inschatting van Tiem op enige termijn kan bereiken. In een overzicht ziet dat er als volgt uit: 46
Een aantal kandidaten heeft een stap gezet op de participatieladder van trede 2 naar trede 3. Deze kandidaten zijn vrijwilligerswerk gaan doen of zijn aangesloten op de georganiseerde activiteiten in de wijk. Tiem zag ook dat kandidaten niet zelfstandig zijn gaan zoeken naar vrijwilligerswerk. De reden hiervoor is dat ze niet op de hoogte zijn van de wegen richting het vrijwilligerswerk. Ze weten niet wie ze moeten benaderen of welke organisaties hen kan helpen. Vaak heeft dit te maken met onvoldoende taalbeheersing of het niet kennen van de weg in het voorveld (zoals ook geconstateerd binnen het Innovatielab). De begeleiding naar vrijwilligerswerk is primair een taak voor het SWT, maar we zien dat deze inwoners de weg naar SWT of SWT de weg naar deze inwoners niet gevonden hebben.
De Perspectiefgesprekken laten zien, dat er nog veel ontwikkelmogelijkheden zijn voor de groep inwoners die gesproken is. In een groot aantal gevallen is er perspectief op de stap naar de arbeidsmarkt. In de tabel hierboven is te zien dat de verwachting voor de meerderheid van kandidaten is, dat zij op termijn uitstromen richting betaald werk. Het is daarom van belang deze groep in beeld te houden binnen de Participatieketen en de focus te leggen op ontwikkeling. Vrijwilligerswerk of een werkervaringsplek met behoud van uitkering is een tussenstap naar een betaalde baan. Voor een deel van de kandidaten met psychische kwetsbaarheid of een lichamelijke beperking, of statushouders is het soms noodzakelijk 47
om gebruik te maken van loonkostensubsidie en/of een jobcoach om passend werk te vinden en te behouden.
48
8
CONCLUSIES, AANBEVELINGEN & UITGANGSPUNTEN Aan de hand van de hiervoor uitgevoerde analyses komt een aantal zaken naar voren, die in de herijkte visie op arbeidsparticipatie terug moeten komen. Daarnaast is er een aantal opties voor aanpassingen en een aantal uitgangspunten, dat in de volgende fase besproken kan worden.
8.1
Conclusies 1. Er is behoefte aan een duidelijke visie op arbeidsparticipatie In die visie is o.a. verwoord wat de gemeente Zwolle verstaat onder arbeidsparticipatie, welke focus er binnen de uitvoering ligt op werk en de tegenprestatie, welke focus er ligt op de te onderscheiden groepen in de Participatiewet (kansrijk, alleenstaand, leeftijdscategorie, jongeren, etc.) en welke accenten er aangebracht worden binnen de uitvoering van de Participatiewet. Ook staat in die visie verwoord wat participatie precies inhoudt, als het gaat om statushouders. 2. Er is behoefte aan duidelijke opdrachten voor de actoren binnen de Participatieketen In die opdrachten is o.a. verwoord welke prestaties we verwachten van de verschillende actoren, op welke groep inwoners zij zich richten, wie de regie heeft in processen en hoe de samenwerking binnen de keten wordt vormgegeven. Deze opdrachten vormen de basis voor de uitvoering binnen de Participatieketen en stellen de gemeente Zwolle in staat om meer regie te voeren. Bovendien leveren ze voor de uitvoerende organisaties duidelijkheid op en verkleinen ze daarmee het grijze gebied, dat er nu soms is. De opdrachten worden verstrekt aan Tiem, maar ook aan afdelingen van de gemeente Zwolle, zoals de Afdeling Inkomensondersteuning, Team IPA en het SWT. 3.
Er is behoefte aan een bredere intake Op dit moment wordt de eerste intake gedaan door de afdeling Inkomensondersteuning. Hierdoor ligt de focus niet altijd op werk en wordt er geen integraal beeld van de betreffende inwoner vastgelegd. Bovendien met de inwoner zijn/haar verhaal meerdere malen doen, waarbij hij/zij ook nog verschillende contactpersonen bij de diverse partijen binnen de Participatieketen te maken kan krijgen. De werkwijze uit het Innovatielab biedt een oplossing voor een bredere intake, waarbij de inwoner bovendien een vast aanspreekpunt krijgt. De bredere intake is daarmee het vertrekpunt voor een beter, periodiek contact met de inwoner, die daardoor voortdurend in beeld blijft binnen de Participatieketen. 4. Er is behoefte aan een gezamenlijk dashboard Dit hangt nauw samen met de voorgaande conclusie. Om een goed beeld te krijgen en houden van de inwoner, is het van belang dat alle actoren binnen de Participatieketen over dezelfde en actuele informatie beschikken. Het dashboard maakt inzichtelijk door welke schakel in de keten een inwoner op dat moment wordt 49
ondersteund en wie het contact met deze inwoner onderhoudt. Het dient dus primair om inwoners en hun actuele ondersteuningsvraag in beeld te houden en om voor de verschillende schakels in de keten inzichtelijk te maken welke stappen een inwoner zet en/of door welke samenwerkingspartner in de keten een inwoner op dat moment wordt ondersteund. Daarnaast biedt het dashboard management- en beleidsinformatie over de inzet van de verschillende partijen op het gebied van arbeidsparticipatie. Door de informatie van deze partijen te koppelen en te ordenen, ontstaat er voor iedereen een beter beeld van het speelveld, trends en ontwikkelingen en mogelijke knelpunten en kan de keten beter aangestuurd worden. 5. Er is behoefte aan een helder verhaal wat werkgevers van ons mogen en kunnen verwachten Er is vanuit werkgevers in Zwolle behoefte aan meer inzicht in wat we werkgevers en ondernemers kunnen bieden aan ondersteuningsmiddelen om kwetsbare werkenden en mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt kansen te (blijven) bieden op de arbeidsmarkt. Inmiddels wordt hier aan gewerkt en is o.a. de ‘Stimuleringsaanpak Impact ondernemen’ vastgesteld. 6. Er is behoefte aan lokaal arbeidsmarktbeleid Zoals in paragraaf 4.8 te lezen, is er op het gebied van het arbeidsmarktbeleid nog een slag te maken.
Er is bijvoorbeeld behoefte aan een doorvertaling van het regionale arbeidsmarktbeleid naar een lokale visie. In dat beleid wordt o.a. beschreven wat de rol van Zwolle is in de regio en hoe Zwolle deze rol wil invullen. Daarnaast is behoefte aan een aanvullend instrumentarium.
8.2
Aanbevelingen Naast de hiervoor genoemde conclusies is er ook een aantal zaken en uitgangspunten, die het (her-)overwegen waard zijn. In deze paragraaf worden deze aanbevelingen opgesomd: -
Innovatielab. De werkwijze van het Innovatielab is veelbelovend en is goed ontvangen door de samenwerkende partijen en de inwoners, die in het Innovatielab gesproken zijn. Het is aan te bevelen deze werkwijze geleidelijk uit te rollen binnen Zwolle en de werkwijze op die manier organisch te laten groeien. De Perspectiefgesprekken en Servicegesprekken kunnen hierin meegenomen worden. Hiervoor kan een plan opgesteld worden, waarin in beeld wordt gebracht wat de (maatschappelijke) opbrengsten van de werkwijze zijn, hoe de randvoorwaarden kunnen worden ingevuld, welke inrichtingsvraagstukken en welke financiële vraag er gemoeid zijn met een dergelijke uitrol.
-
Het is aan te bevelen een nieuw uitvoeringskader voor de Wet Inburgering 2021 op te stellen, dat beter aansluit bij de Zwolse werkelijkheid. Het huidige kader wordt als te generiek ervaren, waarin te weinig aandacht is voor de specifieke Zwolse situatie. 50
8.3
-
Om het SWT te faciliteren bij het oppakken van inwoners met een ondersteuningsvraag op basis van de Participatiewet is het noodzakelijk om gezamenlijk te bekijken vanuit welk kader het SWT die ondersteuning kan vormgeven. Op dit moment is er geen dwingend kader (er ligt immers geen indicatie onder). Het is aan te bevelen om hier een passende oplossing voor te vinden.
-
Er moet nagedacht worden over de plek waar de preventieve taak van het Doorstroompunt landt. Investeren in het Doorstroompunt maakt immers dat er minder jongeren instromen in de bijstand. Inmiddels is duidelijk dat het Doorstroompunt onderdeel wordt van het Regionaal Werkcentrum (RWC).
Uitgangspunten voor visie op arbeidsparticipatie In deze paragraaf wordt een aantal uitgangpunten uitgewerkt, dat in de visie op arbeidsparticipatie kan terugkomen. Het is de bedoeling om in de volgende fase gezamenlijk te bepalen of we deze uitgangpunten ook daadwerkelijk willen laten terugkomen en welke vorm daarvoor dan het best passend is. Werken is nog steeds de beste manier om bestaanszekerheid te borgen en om zingeving te creëren: De visie uit 2013 is niet gewijzigd: de nadruk binnen de arbeidsparticipatie moet nog steeds liggen op participatie door betaald werk. Daar moet de inzet in eerste instantie op gericht zijn. Iedereen die aan het werk wil, kan hierbij de begeleiding en ondersteuning krijgen die hij of zij nodig heeft. De visie past bij het veranderde mensbeeld Sinds 2013 is het mensbeeld veranderd en dat heeft invloed op de manier waarop we naar onze inwoners kijken. Bovendien is ook de manier waarop onze inwoners naar de overheid kijken veranderd. De nieuwe visie gaat uit van vertrouwen in onze inwoner en in onze samenwerkingspartners. Inclusieve arbeidsmarkt, kansengelijkheid en bestaanszekerheid We zien dat er voor veel mensen nog geen plek is op de arbeidsmarkt, dat er nog veel te winnen valt op het gebied van kansengelijkheid op de arbeidsmarkt en dat de bestaanszekerheid voor veel inwoners nog altijd in gevaar komt.
In Zwolle streven we naar een inclusieve arbeidsmarkt en we zien dat daar nog stappen gezet moeten worden, als het gaat over arbeidsparticipatie. Intake en regulier contact. De intake van inwoners, die zich aanmelden voor een bijstandsuitkering, wordt integraal opgepakt. Hiervoor wordt de methodiek van het Innovatielab gebruikt. Daardoor hoeft de inwoner slechts een keer zijn of haar verhaal te doen kan meteen beoordeeld worden wat de best passende ondersteuning voor deze inwoner is. Bij de intake kijken we eerst wat iemand nodig heeft om aan het werk te gaan of om anderszins te participeren. Het proces 51
om vast te stellen of iemand recht heeft op een uitkering gaat tegelijkertijd lopen, maar vormt geen vertragende factor. In de nieuwe werkwijze vindt er altijd een warme overdracht plaats, wanneer inwoners van de ene actor in de participatieketen overgaan naar de andere. Het kan niet voorkomen dat inwoners niet warm worden overgedragen en daardoor buiten beeld raken. Er vindt verder periodiek contact plaats met alle inwoners binnen de participatieketen. De frequentie en de aard van dat contact kan verschillen. Mensen die al zeer lange tijd een uitkering ontvangen en waarvan is beoordeeld, dat zij de stap naar arbeid hoogstwaarschijnlijk niet meer kunnen maken, worden minder intensief benaderd dan inwoners met een uitkering, die de stap naar arbeidsparticipatie nog wel kunnen maken. Maar ook de eerste groep inwoners wordt periodiek benaderd om te vragen hoe het met ze gaat en wat zij nodig hebben om goed te kunnen participeren aan de samenleving. Nazorg is preventie We zien dat een deel van de mensen die uitstromen uit de uitkering er niet in slaagt om hun baan te behouden en zodoende weer instroomt in een bijstandsuitkering. Door meer in te zetten op nazorg en deze inwoners tijdens hun baan goed te begeleiden en ondersteunen, versterken we hun positie op de arbeidsmarkt en voorkomen we dat zij op een later moment weer instromen in de Participatiewet.
Nazorg is daarmee een belangrijke poot binnen de preventie van instroom. Hierbij willen we samen met werkgevers kijken hoe we die nazorg en ondersteuning op de werkplek zo goed mogelijk vorm kunnen geven. Dit geldt ook bij trajecten waarbij bijvoorbeeld Loonkostensubsidie wordt ingezet. Samen met werkgevers willen we kijken welke ondersteuning werkgevers op termijn over zouden kunnen nemen, zodat we samen werken aan duurzame werkplekken voor onze inwoners. Ook willen we inzetten op het wegnemen van belemmeringen en willen we de risico’s voor werkgevers om drempelvrije werkplekken aan te bieden beperken. Bij het inrichten van de Startbaan is de bereidheid onder werkgevers om mee te denken en te werken groot gebleken.
52