CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22u, Heinoseweg 12

Raad Besluitvormingsronde 19 januari 2026, gemeente ZwolleBij agendapunt: Vaststelling 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22u, Heinoseweg 12'32.809 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

8.6

Luchtkwaliteit

8.6.1

Kaders

Rijk Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij luchtkwaliteit gaat het om instructieregels gericht op de kwaliteit van de buitenlucht. Paragraaf 5.1.4 Bkl geeft onder andere aandachtsgebieden aan waarbinnen omgevingswaarden over stikstofdioxide en fijnstof in acht moeten worden genomen. Onder meer bij het toelaten van activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl. Dit is in ieder geval zo bij het toelaten van onder andere gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1.

één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen.

Naast de externe werking van nieuwe initiatieven op de luchtkwaliteit in de omgeving is ook de interne werking van de luchtkwaliteit in de omgeving op nieuwe initiatieven van belang. Relevant bij deze interne werking zijn de in paragraaf 2.2.1 Bkl opgenomen omgevingswaarden.

Gemeente Omgevingsvisie Zwolle wil aldus de Omgevingsvisie, binnen de beïnvloedingssfeer van de gemeente, een significante bijdrage leveren aan de verbetering van de luchtkwaliteit.

85/109

9 december 2025 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22u, Heinoseweg 12

8.6.2

Beoordeling

Het plan voorziet in een functiewijziging van bestaande bebouwing. De bewoners van de bestaande bedrijfswoning hebben te maken met de aanwezige luchtkwaliteit. Een slechte luchtkwaliteit kan tot gezondheidsklachten leiden en daarmee de gezondheid van de bewoners aantasten.

De gemeente Zwolle ligt voor luchtkwaliteit niet in een aandachtsgebied. Ter plaatse van de projectlocatie aan de Heinoseweg 12 liggen de waarden voor NO2 en PM10 onder de omgevingswaarden (Bron: Atlas Leefomgeving). Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet nodig.

De betreffende activiteit valt onder de categorie ‘niet in betekende mate'. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden is niet nodig. 8.6.3

Conclusie

Met dit wijzigingsbesluit wordt de transformatie van een agrarische functie naar een bedrijfsmatige functie mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor luchtkwaliteit. . 8.6.4

Uitgangspunten omgevingsplan

Er is vanuit het onderwerp luchtkwaliteit geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.

8.7

Trillingen

8.7.1

Kaders

Rijk Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij trillingen gaat het om instructieregels gericht op het beschermen tegen negatieve effecten door trillingen. Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl is op hoofdlijnen van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. En op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Onder andere binnen gebouwen toegelaten woonruimten zijn trillinggevoelig. Geacht wordt in een omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn.

Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten en herhaald voorkomende trillingen in trillinggevoelige ruimten. Onder bepaalde omstandigheden en voorwaarden kan het omgevingsplan een hogere grenswaarde bevatten, mits de grenswaarden niet worden overschreden. Lagere waarden zijn ook mogelijk. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan ook meer trilling

86/109

9 december 2025 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22u, Heinoseweg 12

worden toegestaan dan de grenswaarden.

Gemeente

Omgevingsvisie Trillingen treden op als gevolg van met name spoorvervoer. Deze kunnen in sommige gevallen leiden tot hinder of schade aan gebouwen. Om trillinghinder en –schade te voorkomen houden we rekening met dit aspect bij ontwikkelingen binnen 200 meter van het spoor. 8.7.2

Beoordeling

Het wijzigingsgebied ligt niet binnen 200 meter van een spoorweg. Nader onderzoek naar trillingen is daarvoor niet nodig. 8.7.3

Conclusie

Met dit wijzigingsbesluit wordt de transformatie van een agrarische functie naar een bedrijfsmatige functie mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor trillingen. 8.7.4

Uitgangspunten omgevingsplan

Er is vanuit het onderwerp trillingen geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.

8.8

Geur

8.8.1

Kaders

Rijk Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij geur gaat het om instructieregels gericht op het beschermen van de gezondheid en het milieu. Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals gebouwen met een woonfunctie. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Activiteiten waarvoor deze regels gelden zijn onder andere het exploiteren van zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf en andere agrarische activiteiten.

Een omgevingsplan dat regels bevat op grond van subparagraaf 5.1.4.6.2, 5.1.4.6.3 of 5.1.4.6.4 van het Bkl wijst een of meer bebouwingscontouren geur aan. Zo'n omgevingsplan wijst een bebouwingscontour geur aan rond stedelijk gebied. Stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied of lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen kan binnen de

87/109

9 december 2025 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22u, Heinoseweg 12

bebouwingscontour worden opgenomen.

Gemeente

Omgevingsvisie De Omgevingsvisie Mijn Zwolle van Morgen geeft aan dat het thema geur met name in het landelijk gebied speelt en een aandachtspunt is bij de verdere functiemenging van dit gebied en de verweving tussen stad en land. We zoeken naar de juiste balans tussen bedrijven met geurhinder en bescherming van geurgevoelige functies anderzijds. 8.8.2

Beoordeling

Het projectgebied is gelegen in het buitengebied en betreft de omzetting van een agrarische functie naar een bedrijfsmatige functie. Binnen het wijzigingsgebied worden geen geurgevoelige functies (zoals woningen of zorginstellingen) toegestaan, noch worden er functies toegevoegd die geuremissie veroorzaken.

Aangezien het plan geen geurgevoelige of geur uitstotende activiteiten mogelijk maakt, wordt de geurbelasting in de omgeving niet gewijzigd. Tevens wordt het functioneren van nabijgelegen agrarische bedrijven niet beperkt door deze ontwikkeling. 8.8.3

Conclusie

Met dit wijzigingsbesluit wordt de transformatie van een agrarische functie naar een bedrijfsmatige functie mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor geur. 8.8.4

Uitgangspunten omgevingsplan

Er is vanuit het onderwerp geur geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.

8.9

Externe veiligheid

8.9.1

Kaders

Rijk Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij externe veiligheid gaat het om instructieregels gericht op het waarborgen van de veiligheid. Artikel 5.2 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden dient te worden met: het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening. Paragraaf 5.1.2 Bkl geeft instructieregels als met een omgevingsplan beperkt kwetsbare, kwetsbare en

88/109

9 december 2025 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22u, Heinoseweg 12

zeer kwetsbare gebouwen en locaties worden toegestaan. Dit in verband met externe veiligheidsrisico van toegelaten activiteiten in de omgeving, zoals: Opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen De regels hierover zijn ook van toepassing bij op het op een locatie toelaten van bepaalde milieubelastende activiteiten in verband met het externe veiligheidsrisico voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties die zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan. In een omgevingsplan wordt een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar (bij zeer kwetsbaar en kwetsbaar) danwel moet er rekening mee gehouden worden (bij beperkt kwetsbaar). Daar wordt in ieder geval aan voldaan door inachtneming van de afstanden voor de activiteiten zoals opgenomen in de bijlagen van het Bkl. In bepaalde omstandigheden kan in een omgevingsplan hiervan worden afgeweken. Brandvoorschriftengebieden en explosievoorschriftengebieden zijn de locaties die in een omgevingsplan kunnen worden aangewezen als op die locaties een brandaandachtsgebied, respectievelijk een explosieaandachtsgebied is toegelaten. In een omgevingsplan worden brandaandachtsgebieden en explosieaandachtsgebieden aangewezen als brandvoorschriftengebied en explosievoorschriftengebied. Onder voorwaarden kan hiervan worden afgezien.

In een omgevingsplan wordt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied rekening gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. Als een omgevingsplan binnen een aandachtsgebied in het Bkl bepaalde regels opneemt wordt daar in ieder geval aan voldaan. Een risicogebied externe veiligheid is de locatie die in een omgevingsplan kan worden aangewezen, als binnen het gebied bepaalde activiteiten als bedoeld in bijlage VII van het Bkl worden toegelaten. In een omgevingsplan wordt op de begrenzing van een risicogebied externe veiligheid een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000. Daar wordt in ieder geval aan voldaan door inachtneming van de afstanden voor de activiteiten zoals opgenomen in de bijlagen van het Bkl. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een risicogebied externe veiligheid worden alleen onder voorwaarden beperkt kwetsbare of kwetsbare gebouwen toegelaten. Zeer kwetsbare gebouwen zijn niet toegestaan.

Buisleidingen voor gevaarlijke stoffen Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een belemmeringengebied buisleiding laat het omgevingsplan geen (zeer) kwetsbare gebouwen toe en moet worden gewaarborgd dat de veiligheid van de buisleiding niet wordt geschaad bij het toelaten van bepaalde andere bouwwerken en activiteiten. Opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk In een omgevingsplan wordt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties bepaalde afstanden in acht genomen. Een omgevingsplan laat binnen een explosieaandachtsgebied vuurwerk geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties toe. Onder voorwaarden kan een omgevingsplan dit alsnog toestaan. Bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten. In een omgevingsplan wordt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties bepaalde afstanden in acht genomen. Een omgevingsplan laat binnen een civiel explosieaandachtsgebied bepaalde gebouwen, locaties en activiteiten niet toe, tenzij de aangegeven uitzonderingen zich voordoen of de genoemde criteria in acht worden genomen. Voor militaire explosieaandachtsgebieden zijn soortgelijke regels van toepassing.

Provincie De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel 89/109

9 december 2025 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22u, Heinoseweg 12

geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Paragraaf 4.10 van de verordening geeft instructieregels, voor omgevingsplannen die ontwikkelingen mogelijk maken, over externe veiligheid. Gericht op het beperken van negatieve effecten op de woon-, werk- en leefomgeving bij calamiteiten bij transport over wegen van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. En gericht op het kunnen blijven functioneren van essentiële functies en gebouwen in het geval van een crisis, ramp of andere calamiteit. Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel.

Gemeente

Omgevingsvisie Externe veiligheid betreft de risico's als gevolg van het vervoer, de opslag en het werken met gevaarlijke stoffen. In Zwolle zijn met name de hoofdtransportassen door de stad van belang. Het gaat om de A28 en het doorgaande vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn. Bij de ontwikkeling rondom de genoemde assen, bedrijven en activiteiten houden we rekening met de risico's door de functies die daar worden toegestaan door middel van onder andere de afstand en de mogelijkheden voor ontvluchting en bestrijding. De gemeente Zwolle garandeert daarbij de basis-veiligheid voor haar inwoners. Onder basisveiligheid in het kader van externe veiligheid wordt verstaan: Er wordt altijd voldaan aan normen voor plaatsgebonden risico; Er wordt een gebiedsgericht invulling geven aan groepsrisicobeleid welke worden opgenomen in het omgevingsplan; Veiligheidsdoelstellingen passen bij de typering van het gebied; Er wordt zoveel mogelijk geanticipeerd op de landelijke beleidsontwikkeling die een ongunstige invloed kunnen hebben op de veiligheidssituatie in Zwolle. Het doel is het bewaken van een optimaal veiligheidsniveau. Beleid externe veiligheid Op 20 januari 2009 heeft het college van B & W het gebiedsgericht beleidskader externe veiligheid vastgesteld.

Het gaat om een ruimtelijke uitwerking van het externe veiligheidsbeleid dat aansluit op het gebiedsgerichte milieubeleid. Op basis van kenmerken (fysieke omgeving, hulpverleningsniveau en zelfredzaamheid) die bij een bepaald gebiedstype horen is een beleidsstandpunt bepaald ten aanzien van een mogelijke toename van het groepsrisico. Tevens is op basis van dezelfde kenmerken van een gebiedstype bepaald of er plaats is voor nieuwe risicobronnen. Een afwijkend gebiedstype vormen de stroomzones. Stroomzones zijn gebieden rondom infrastructuur (spoorlijnen, wegen en waterwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voor stroomzones, de gebieden binnen de invloedzones van routes gevaarlijke stoffen, is binnen het beleidskader een specifieke afwegingsmethodiek geformuleerd. 8.9.2

Beoordeling

Het wijzigingsplan voorziet in de transformatie van een agrarische functie naar een bedrijfsmatige functie. Binnen het plan wordt geen nieuwbouw of vervangende nieuwbouw mogelijk gemaakt. De bestaande bebouwing wordt hergebruikt. Daarmee zijn aanvullende bouwkundige maatregelen niet noodzakelijk. Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van de N35. Over deze weg vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats, ondanks dat de N35 niet is opgenomen in het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Wel zijn de gemeenten Zwolle, Dalfsen en Raalte, in afstemming met de provincie Overijssel, voornemens dit weggedeelte opnieuw aan te wijzen. De N35 wordt dan in het gebiedsdekkende Omgevingsplan

90/109

9 december 2025 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22u, Heinoseweg 12

opgenomen. Voor dit wijzigingsplan is het derhalve niet noodzakelijk de N35 afzonderlijk te verwerken. De N35 kent geen plaatsgebonden risicocontour 10??. Wel kan sprake zijn van effecten bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen, zoals een explosie of een toxische wolk. Binnen het plangebied worden uitsluitend beperkt kwetsbare objecten toegestaan, waar uitsluitend gezonde personen gedurende de dag aanwezig zijn. Gezien deze gebruiksfunctie zijn aanvullende bouwkundige maatregelen niet aan de orde. In lijn met het beleid voor externe veiligheid volstaan organisatorische maatregelen, zoals: het verstrekken van informatie aan gebruikers over vluchtroutes en schuilmogelijkheden; het waarborgen van de bereikbaarheid van het plangebied voor hulpdiensten. Voor het overige is het projectgebied niet gesitueerd nabij risicobronnen op basis waarvan er sprake is van een ontoelaatbare situatie op het gebied van externe veiligheid.

Dit project maakt tevens geen nieuwe risicobronnen mogelijk op basis waarvan omliggende functies op het gebied van externe veiligheid in het gedrang komen. 8.9.3

Conclusie

Met dit wijzigingsbesluit wordt de transformatie van een agrarische functie naar een bedrijfsmatige functie mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor externe veiligheid. 8.9.4

Uitgangspunten omgevingsplan

Er is vanuit het onderwerp externe veiligheid geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.

91/109

9 december 2025 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22u, Heinoseweg 12

8.10

Infrastructuur

8.10.1 Kaders Rijk Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij infrastructuur gaat het om instructieregels gericht op behoud van ruimte voor toekomstige functies en het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen voor nadelige gevolgen. Paragraaf 5.1.6 van het Bkl geeft reserveringsgebieden aan voor respectievelijk (de uitbreiding of aanleg van) autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen en (de aanleg van) buisleidingen van nationaal belang. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een reserveringsgebied voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg, mag het omgevingsplan daar in principe geen bouwactiviteiten toestaan. Voor van toepassing zijnde reserveringsgebieden buisleidingen geldt dat het omgevingsplan geen activiteiten toelaat die een belemmering kunnen vormen voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang. Onder andere bouwactiviteiten en de aanleg van een verharde weg worden als belemmeringen aangemerkt.

Paragraaf 5.1.7 van het Bkl geeft regels gericht op het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten. Voor zover het omgevingsplan van toepassing is op onder andere: militaire terreinen en terreinen met een militair object een onveilig gebied bij een militaire schietbaan een gebied waar bouwwerken een militaire zend- en ontvangstinstallatie kunnen verstoren een gebied waar zich een laagvliegroute voor jacht- en transportvliegtuigen bevindt gebieden waar bouwwerken het radarbeeld kunnen verstoren een vrijwaringsgebied rijksvaarwegen gebieden waar bouwwerken communicatie-, navigatie- en radarapparatuur buiten Schiphol of overige burgerluchthavens van nationale en regionale betekenis kunnen verstoren, dienen er bepaalde beperkingen aan activiteiten te worden gesteld in het omgevingsplan. Dit om belemmeringen voor de staat en werking te voorkomen. Als een omgevingsplan van toepassing is op een locatie voor een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV, bevat het omgevingsplan het tracé van die hoogspanningsverbinding en laat het omgevingsplan het gebruik als hoogspanningsverbinding en de bijbehorende voorzieningen toe.

Afdeling 5.2 van het Bkl geeft instructies voor het omgevingsplan over: het voorkomen van belemmeringen van het gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen, beperkingengebieden bij lokale spoorwegen het lozen industrieel van afvalwater in openbaar vuilwaterriool het aanwijzen van een bebouwingscontour jacht het aanwijzen van een bebouwingscontour houtkap.

92/109

9 december 2025 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22u, Heinoseweg 12

8.10.2 Beoordeling Het wijzigingsgebied is niet gelegen in een gebied zoals bedoeld in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl. Er is vanuit dit aspect dan ook geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling. De huidige gebiedsaanduiding ‘luchtvaartverkeerzone’ was in de beheersverordening ‘BV Buitengebied – Herfte Wijthmen’ opgenomen vanwege de ligging in militaire laagvliegroute 10A. Met ingang van 11 april 2024 is de aanwijzing van dit gebied vervallen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Er is dan ook geen aanleiding deze gebiedsaanduiding op te nemen. 8.10.3 Conclusie Met dit wijzigingsbesluit wordt de transformatie van een agrarische functie naar een bedrijfsmatige functie mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor infrastructuur. 8.10.4 Uitgangspunten omgevingsplan Er is vanuit het onderwerp infrastructuur geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.

8.11

Inrichting buitenruimte

8.11.1 Kaders Rijk Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij de inrichting van de buitenruimte gaat het om instructieregels over de toegankelijkheid van de openbare ruimte. Paragraaf 5.1.8 stelt dat, als een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in het omgevingsplan rekening gehouden wordt met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.

Gemeente

Omgevingsvisie De buitenruimte van Zwolle maakt deel uit van het in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen opgenomen raamwerk. De buitenruimte heeft meerdere functies: we verblijven in de buitenruimte, we bewegen en sporten in de buitenruimte en bovenal is de buitenruimte de plek om elkaar te ontmoeten. We vinden het heel belangrijk dat de buitenruimte voor een ieder toegankelijk is. De toegankelijkheid past bij het gebruik van het gebied. Toegankelijkheid nemen we als randvoorwaarde mee bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving. Zo krijgt een inclusief Zwolle echt vorm. Door het verder verstedelijken gaat de buitenruimte intensiever gebruikt worden. Verstedelijken doen we in Zwolle op een zorgvuldige manier. Daarom stellen we bij de ontwikkeling van transformatiegebieden en herinrichtingsprojecten standaard een aantal vragen om invulling te geven aan een goed ontwerp van de buitenruimte. Dit op basis van drie elementen die bepalend zijn voor een goed functioneren van die 93/109

9 december 2025 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22u, Heinoseweg 12

buitenruimte: bescherming, comfort en plezier. Het bieden van bescherming is een randvoorwaarde. Het gaat dan bijvoorbeeld om verkeersveiligheid, sociale veiligheid en bescherming tegen luchtverontreiniging. Zonder deze bescherming ga je niet naar buiten, tenzij het niet anders kan. Daarna is het bieden van comfort belangrijk. Comfort nodigt uit naar buiten te gaan; er is goede bestrating, ook voor rolstoel of wandelwagen. Het fiets- en voetpad is comfortabel en je hoeft niet steeds te stoppen bij verkeerslichten. En er is een bankje om te zitten, kijken, luisteren of gesprekken te voeren. De laatste is dat de buitenruimte kwaliteiten heeft die plezier en buitengeluk geven. Tijdens het fietsen kom je langs plekken en gebouwen waar je van geniet, met een menselijke maat, met veel groen en een fijn klimaat (temperatuur / zon / schaduw / luwte). 8.11.2 Beoordeling Het plan betreft de transformatie van bestaande bebouwing van een agrarische functie naar een bedrijfsmatige functie. Het wijzigingsgebied bevat geen publieke buitenruimte. 8.11.3 Conclusie Met dit wijzigingsbesluit wordt de transformatie van een agrarische functie naar een bedrijfsmatige functie mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor inrichting buitenruimte.

8.11.4 Uitgangspunten omgevingsplan Er is vanuit het onderwerp inrichting buitenruimte geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.

8.12

Milieueffectrapportage

8.12.1 Kaders Een plan-milieueffectrapport is een milieueffectrapport (MER) bij een vast te stellen plan. De procedure die hierbij hoort, heet de plan-milieueffectrapportage (m.e.r.). Er gelden twee eisen voor de plan-mer-plicht. De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan (art. 16.34, eerste lid Ow). Een (wijziging van het) omgevingsplan is zo'n plan. De tweede eis is: dat het plan een kader vormt voor besluiten (zoals vergunningen) voor mer-(beoordelings)plichtige projecten (art. 16.36 lid 1 Ow). De mer-(beoordelings)plichtige projecten staan in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, of als voor het plan een passende beoordeling voor natuur moet worden gemaakt (art. 16.36 lid 2 Ow). Dit is het geval wanneer een plan mogelijk significante negatieve gevolgen kan hebben voor Natura 2000 gebied. Op deze tweede eis geldt echter een uitzondering. Artikel 3, lid 3 smb-richtlijn biedt de mogelijkheid van een plan-mer-beoordeling. Het plan moet dan wel aan voorwaarden voldoen, namelijk kleine gebieden op lokaal niveau of kleine wijzigingen. Als uit de beoordeling blijkt dat er geen significant negatieve gevolgen zijn, en er ook geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn, is een plan-mer niet verplicht.

Deze uitzondering gaat niet op als het omgevingsplan:

94/109

9 december 2025 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22u, Heinoseweg 12

a. het kader vormt voor te nemen besluiten (zoals vergunningen) voor een project waarvoor een mer-plicht geldt (kolom 2 bijlage V Omgevingsbesluit), of b. het benodigde besluit is voor een project waarvoor een mer-plicht geldt (kolom 2 bijlage V Omgevingsbesluit). Bij een plan-mer-beoordeling toetst het bevoegd gezag of er bij het plan aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen milieueffectrapport gemaakt. Een plan-mer-beoordeling kan aan de orde zijn in twee situaties: Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V Omgevingsbesluit. Dan moet een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben. Maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Als het omgevingsplan niet kaderstellend is maar rechtstreeks mer-(beoordelings)plichtige projecten toelaat (dus zonder vergunningplicht) dan is dat omgevingsplan het project-mer (beoordelings)plichtig besluit en is er bij het omgevingsplan een project mer-beoordelingsbesluit vereist.

Het bevoegd gezag voor een omgevingsplan beoordeelt of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Het bevoegd gezag houdt bij het besluit over de beoordeling van de milieueffecten rekening met de criteria van bijlage II bij de smb-richtlijn (art. 16.36 lid 5 Ow). Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieu effecten, met de bijbehorende motivering op in het ontwerp van het plan (art. 11.1 Ob). 8.12.2 Beoordeling Het plan betreft de transformatie van bestaande bebouwing van een agrarische functie naar een bedrijfsmatige functie. Het perceel heeft al een agrarische bestemming met bijbehorende bedrijfswoning. Het wijzigen van de functie van de bestaande bebouwing op het perceel Heinoseweg 12 valt niet onder een categorie genoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Het voornemen is geen een stedelijk ontwikkelingsproject, omdat er geen sprake is van een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling. Ook is het plan niet kaderstellend voor projecten uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. De functiewijziging zorgt voor zeer minimale effecten op de omgeving. 8.12.3 Conclusie Met dit wijzigingsbesluit wordt de transformatie van een agrarische functie naar een bedrijfsmatige functie mogelijk gemaakt. Voor dit project bestaat geen plan-mer-plicht.

Voor dit project is geen plan-mer-beoordeling nodig. 8.12.4 Uitgangspunten omgevingsplan Er is vanuit het onderwerp milieueffectrapportage geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.

95/109

9 december 2025 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22u, Heinoseweg 12

Hoofdstuk 9

Verdieping Natuur

9.1

Natuur inclusief en Biodiversiteit

9.1.1

Kaders

Gemeente

Omgevingsvisie Eén van de geformuleerde topambities is het behouden en beschermen van de aanwezige cultuurhistorie, biodiversiteit en landschap als belangrijke fysieke waarden. Biodiversiteit maakt deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle. Biodiversiteit heeft raakvlakken met diverse thema's uit de visie. Zo draagt het behouden en versterken van biodiversiteit bij aan vitale, solidaire, gezonde en duurzame stadsdelen en een goed ontwikkelde groen- en waterstructuur. 9.1.2

Beoordeling

Naast de functiewijziging van de bestaande bebouwing omvat het plan een landschappelijke inpassing van het perceel. De bestaande vervallen schuur wordt gesloopt. De voorgenomen functiewijzging heeft per saldo geen negatieve invloed op de aanwezige biodiversiteit. Dit komt voornamelijk door het behoud en de instandhouding van de bestaande groenstructuur, in dit geval een stevig groen raamwerk van volgroeide bosschages. Door ruimte te geven aan natuurontwikkeling levert de landschappelijke inpassing een bredere bijdrage aan een duurzaam landschap. 9.1.3

Conclusie

Met dit wijzigingsbesluit wordt de transformatie van een agrarische functie naar een bedrijfsmatige functie mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor natuur inclusief en biodiversiteit. 9.1.4

Uitgangspunten omgevingsplan

Er is vanuit het onderwerp natuur inclusief en biodiversiteit geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.

9.2

Natuurwaarden en ecologie

9.2.1

Kaders

Rijk

Gebiedsbescherming Afdeling 11.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving geeft regels over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden. Dit met het oog op de natuurbescherming. Degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming is gelet op artikel 11.6 Bal verplicht:

96/109

9 december 2025 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22u, Heinoseweg 12

a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Deze plicht houdt in ieder geval in dat voorafgaand aan het verrichten van activiteiten onderzoek wordt uitgevoerd op grond van artikel 11.6 lid 2 Bal. Artikel 16.53c Omgevingswet bepaalt dat voor een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van Natura-2000 gebied, maar significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, een passende beoordeling wordt gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In dat geval kan vergunningverlening voor de Natura 2000-activiteit plaatsvinden (artikel 8.74b, Besluit kwaliteit leefomgeving).

Geeft die beoordeling deze zekerheid niet, dan kan vergunningverlening alleen plaatsvinden als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: er zijn geen reële alternatieven voor de activiteit er is sprake van een dwingende reden van groot openbaar belang er vindt natuurcompensatie plaats. Soortenbescherming Afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving geeft regels over activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild. Dit met het oog op onder andere de natuurbescherming. Degene die activiteiten aangaande flora en fauna verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de natuurbescherming is gelet op artikel 11.27 Bal verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Deze plicht houdt in ieder geval in dat voorafgaand aan het verrichten van activiteiten onderzoek wordt uitgevoerd op grond van artikel 11.27 lid 2 Bal. Voor een flora- en fauna-activiteit kan een omgevingsvergunning nodig zijn.

De beoordelingsregels voor het verlenen van zo'n vergunning staan in paragraaf 8.6.2 Besluit kwaliteit leefomgeving.

Provincie De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij natuurwaarden en ecologie gaat het om instructieregels over Nationale Landschappen, het Natuurnetwerk Nederland en daarbuiten gelegen bos-en natuurgebieden. Afdeling 4.7 van de verordening geeft instructieregels gericht op behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap. En gericht op duurzaam ontwikkelen en in stand houden van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Overijssel -het Natuurnetwerk Nederland- met bestaande en potentiële natuurwaarden die van (inter)nationaal belang zijn en het daarmee veiligstellen van ecosystemen en de flora- en faunasoorten die daarvan onderdeel uitmaken. Paragraaf 4.7.3 van de verordening geeft instructieregels voor bos en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omgevingsplannen die betrekking hebben op deze gebieden moeten blijven voorzien in regels die gericht zijn op behoud, herstel en ontwikkeling van de natuur- en

97/109

9 december 2025 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22u, Heinoseweg 12

landschapswaarden, waarbij in ieder geval het kappen van houtopstanden niet is toegestaan. Alleen onder voorwaarden kan hiervan worden afgeweken. Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. In aanvulling op hoofdstuk 5 van deze motivering is wat betreft dit onderwerp nog het volgende relevant.

Gemeente

Omgevingsvisie De in Zwolle aanwezige landschappelijke en natuurwaarden maken deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle, zoals beschreven in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen. Eén van de geformuleerde topambities is het behouden en beschermen van natuur, biodiversiteit en landschap als belangrijke fysieke waarde. Belangrijk is dat de waarden van het fysiek kapitaal op een zorgvuldige wijze wordt meegewogen bij ingrepen in de fysieke leegomgeving. Daarvoor zijn spelregels vastgelegd. Vanuit natuurwaarden zijn dat: de Natura 2000-gebieden in Zwolle zijn beschermd via Europese wetgeving en is voor de gemeente leidend bij ingrepen in de fysieke leefomgeving; de NNN-gebieden zijn beschermd via provinciale regelgeving, namelijk via de provinciale Omgevingsverordening en is voor de gemeente leidend bij ingrepen in de fysieke leefomgeving; De omgevingsvisie bevat een natuurwaardenkaart, welke onder andere de (zeer) waardevolle gebieden aanwijst.

Beleid natuurwaarden en ecologie De Bomenverordening 2021 geeft regels over het vellen van bomen. Voor het vellen van een boom binnen de op de Groene Kaart weergegeven hoofdgroenstructuur is in aangegeven gevallen een (kap)omgevingsvergunning nodig (o.a. met een stamomtrek groter dan 30 cm). De omgevingsvergunning voor het vellen van beschermde houtopstand wordt geweigerd indien de belangen van het vellen van de houtopstand niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand. Bijzondere houtopstand heeft de hoogste waardering, bomen in de hoofdgroenstructuur hebben een hoge waardering, nevengroenstructuur kent een basiswaardering. Het beschermen van de natuur, het beschermen van de gezondheid en het tegengaan van klimaatverandering, het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden, de beeldbepalende waarde van houtopstand, de cultuurhistorische waarde van houtopstand en het houden van een kwalitatief goed bomenbestand wordt bij de afweging betrokken. Bij de vergunning wordt in beginsel een verplantingsplicht, een herbeplantingsplicht en/of een financiële compensatie opgelegd. 9.2.2

Beoordeling

Het wijzigingsgebied is onderzocht. De volgende onderzoeken zijn uitgevoerd: Quickscan flora en fauna, nabij Heinoseweg 12 te Wijthmen, LabelTien, 4 januari 2023; Aanvullende notitie bij ‘Quickscan flora en fauna, nabij Heinoseweg 12 te Wijthmen’, LabelTien, 2 september 2024; Toelichting stikstofberekening gebruiksfase, Heinoseweg 12 te Zwolle, De Omgevingsadviseurs, 11 november 2024; AERIUS-berekening, 11 november 2024. Deze onderzoeken zijn als bijlage 6 t/m 10 toegevoegd. Voornaamste uitkomsten zijn als volgt. Gebiedsbescherming

98/109

9 december 2025 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22u, Heinoseweg 12

Het wijzigingsgebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Op een afstand van circa 3,6 km van het wijzigingsgebied ligt het Natura 2000 gebied Vecht- en Beneden Reggegebied (39). Op een iets grotere afstand, op een gemiddelde afstand van 4 km, liggen de Natura 2000 gebieden Rijntakken (38). Ten aanzien van effecten op Natura 2000-gebieden: in het stikstofonderzoek is de emissie van de gebruiksfase bepaald en in AERIUS-Calculator gemodelleerd. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat geen sprake is van een toename aan stikstofdepositie. Daarmee zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uit te sluiten. Een passende beoordeling is, ten aanzien van stikstof, niet nodig.

Soortenbescherming De locatie van de te slopen schuur is in de Quickscan en aanvullende notitie onderzocht. De effecten op beschermde soorten en soortgroepen waarvoor geen vrijstelling geldt zijn uitgesloten, omdat er geen aanwijzingen zijn dat dergelijke soorten binnen invloedssfeer van de werkzaamheden voorkomen. Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels in de omgeving van het wijzigingsgebied te verwachten. Bezette nesten en/of nestactiviteiten mogen nooit vernield worden. Verstoring is alleen toegestaan wanneer deze geen invloed heeft op de overleving van ouders en jongen. De piek van het broedseizoen ligt in de periode half maart-half juli, maar eerdere en latere broedgevallen komen voor. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen moeten plaatsvinden. 9.2.3

Conclusie

Met dit wijzigingsbesluit wordt de transformatie van een agrarische functie naar een bedrijfsmatige functie mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor natuurwaarden en ecologie. 9.2.4

Uitgangspunten omgevingsplan

Er is vanuit het onderwerp natuurwaarden en ecologie geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.

99/109

9 december 2025 bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22u, Heinoseweg 12

Hoofdstuk 10 10.1

Uitvoerbaarheid

Financieel-economische uitvoerbaarheid

10.1.1 Kaders Economische uitvoerbaarheid Met deze planmotivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en de toegedachte functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan in het verlengde daarvan aangenomen worden dat realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegedachte functies om financiële redenen op langere termijn niet zullen worden gerealiseerd.

Kostenverhaal Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna "een aangewezen bouwactiviteit"). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte dan wel, of in combinatie met, een anterieure overeenkomst, cofinanciering, subsidies, gemeentelijk krediet de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit. In artikel 8.15 van het Omgevingsbesluit worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. 10.1.2 Beoordeling Met dit omgevingsplan wordt geen aangewezen bouwactiviteit mogelijk gemaakt waarvoor kostenverhaal verplicht is. Er geldt dan ook geen verplichting om kostenverhaalregels op te stellen.

Er is een anterieure overeenkomst afgesloten waarin onder andere een bijdrage in de gemeentelijke kosten en mogelijk te vergoeden nadeelcompensatie die voortvloeit uit de ontwikkeling van het project worden verhaald. 10.1.3 Conclusie Met dit wijzigingsbesluit wordt de transformatie van een agrarische functie naar een bedrijfsmatige functie mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor economische uitvoerbaarheid en kostenverhaal. 10.1.4 Uitgangspunten omgevingsplan Er is vanuit het onderwerp financieel-economische uitvoerbaarheid geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.

100/109

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=31e68b6e-267a-4776-9810-a5f6e7f52c96