CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22i Harculo_Bijlagen bij de motivering_Bijlage 28 Ecologisch onderzoek 1

Raad Besluitvormingsronde 26 mei 2026, gemeente ZwolleBij agendapunt: Vaststelling 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22i Harculo' en ‘Beleidsregel Beeldkwaliteit Harculo’11.544 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

53

Marmergrondel in cuvet. Foto: Evert Ruiter

4.5.3.

Bespreking relevante soorten

Er zijn bij dit onderzoek geen relevante amfibieën-, reptielen- en vissoorten aangetroffen. Zoals reeds eerder aangegeven werden deze er op voorhand ook niet verwacht.

Effectenbeoordeling: De plantontwikkeling zal er voor amfibieën, reptielen en vissen geen negatief effect hebben waar het gaat om aantasting van essentieel leefgebied.

Ecologisch Veldonderzoek Nieuw Harculo 2024

54

4.6. Insecten 4.6.1.

Algemeen

Het onderzoek naar insecten is bovenal gericht op de soortgroepen dagvlinders, libellen en sprinkhanen. Daarnaast is er ook gekeken naar de aanwezigheid van andere soortgroepen zoals kevers, wantsen en wilde bijen.

4.6.2.

Waargenomen soorten

4.6.2.1. Dagvlinders Er zijn in totaal 20 soorten dagvlinders gevonden. Opvallend is het grote aantal kenmerkende soorten voor kruiden- en faunarijk grasland en/of schraal grasland, namelijk bruin blauwtje, bruin zandoogje, hooibeestje

en

icarusblauwtje.

Dit

is

niet

heel

verwonderlijk,

want

de

locatie

voor

woningbouwontwikkeling heeft zich ontwikkeld tot een kruidenrijk gebied met een groot aanbod van waardplanten. In de wijde omgeving wordt maar zelden een terrein aangetroffen waar zoveel bruin zandoogje en hooibeestje wordt gevonden. Ook bruin blauwtje en icarusblauwtje zijn er niet zeldzaam en dat geeft het gebied extra waarde voor wat betreft de diversiteit aan dagvlindersoorten die gebonden zijn aan dit type landschap. Een soort die op deze lijst ontbreekt is de sleedoornpage Thecla betulae. Binnen de begrenzing van het projectgebied komt deze soort zeker voor (Bron: Waarneming.nl), maar is niet waargenomen gedurende de inventarisatierondes. De sleedoorns waarop de eitjes worden afgezet staan in een deel van het gebied dat niet door woningbouw zal worden aangetast. In de locatie voor woningbouwontwikkeling, waar de woningen zijn gepland, komen geen sleedoorns voor, maar het fungeert vanwege de bron aan nectar als foerageergebied.

Ecologisch Veldonderzoek Nieuw Harculo 2024

55

Tabel 9: Lijst van aangetroffen dagvlindersoorten

Naam

Wetenschappelijke naam

1 2 3 4 5 6

Atalanta Bont zandoogje Boomblauwtje Bruin blauwtje Bruin zandoogje Citroenvlinder

Vanessa atalanta Pararge aegeria Celastrina argiolus Aricia agestis Maniola jurtina Gonepteryx rhamni

6 2 2 14 83 4

7 8 9 10 11 12

Dagpauwoog Distelvlinder Gehakkelde aurelia Groot dikkopje Groot koolwitje Hooibeestje

Aglais io Vanessa cardui Polygonia c-album Ochlodes sylvana Pieris brassicae Coenonympha pamphilus

7 2 1 2 2 56

13 14 15 16 17 18

Icarusblauwtje Landkaartje Klein geaderd witje Klein koolwitje Kleine vos Kleine vuurvlinder

Polyommatus icarus Pieris napi Pieris rapae Aglais urticae Lycaena phlaeas

17 2 27 5 3 1

19 20

Koevinkje Oranjetipje

Aphantopus hyperantus Anthocharis cardamines

2 3

Araschnia levana

aantal

Rode lijst

KW

4.6.2.2. Bespreking relevante dagvlindersoorten Bruin blauwtje Deze dagvlinder komt in Nederland vooral voor in de duinstreek en is minder algemeen in het binnenland en komt daar voor langs de grote rivieren en op de Veluwe. De laatste jaren wordt een lichte toename geconstateerd. Het bruin blauwtje staat op de Rode Lijst van dagvlinders vermeld als Kwetsbaar. Op de locatie voor woningbouwontwikkeling binnen het projectgebied is een populatie van deze soort aanwezig. Zie figuur 14. Waardplanten zijn kleine ooievaarsbek en gewone reigersbek en deze groeien in de periferie van de locatie voor woningbouwontwikkeling. Deze populatie van bruin blauwtje beperkt zich niet alleen tot de locatie voor woningbouwontwikkeling, want ook daarbuiten is de soort waargenomen. Hoewel vanwege een verbod op betreding van de zonneparken deze gebieden niet zijn bezocht, kon van een afstand worden bepaald dat er ook daar geschikt voortplantingsbiotoop en leefgebied voor deze dagvlinder aanwezig is.

Ecologisch Veldonderzoek Nieuw Harculo 2024

56

Bruin blauwtje. Foto: Evert Ruiter

Bruin zandoogje Rondom Zwolle komt deze soort vooral voor in het stroomdal van de IJssel, Vecht en het Zwarte Water. Over het algemeen niet in grote dichtheden. In het projectgebied is deze soort algemeen. Groot dikkopje Dit vlindertje is slechts tweemaal waargenomen. Het is een soort die vooral voorkomt in bosranden langs grazige weiden en randgebieden in hoogveengebieden en natte heides. De aanwezigheid in het projectgebied zegt niet zo veel over de kwaliteiten van het gebied, behalve dan dat er veel nectarplanten aanwezig zijn die een bron van voedsel zijn voor zwervende individuen. Hooibeestje Dit zandoogje is veruit het meest waargenomen. Vaak met meerdere individuen bijeen. Rondom Zwolle worden soortgelijke dichtheden alleen waargenomen in natuurgebieden zoals de Vreugderijkerwaard.

Ecologisch Veldonderzoek Nieuw Harculo 2024

57

Icarusblauwtje Deze soort vertoont landelijk de laatste jaren een dalende trend. Rondom Zwolle is het icarusblauwtje een vrij zeldzame soort welke slechts lokaal voorkomt. De populatie binnen het projectgebied kan fungeren als bronpopulatie. Kleine vuurvlinder Dit opvallende vlindertje is met name tijdens de laatste bezoeken waargenomen. Met name in de nazomer zwerven deze vlinders ver in de omgeving rond. Het is dus niet zeker of er in het projectgebied een populatie aanwezig is.

Effectenbeoordeling: De plantontwikkeling zal voor een aantal dagvlinders een negatief effect hebben waar het gaat om aantasting van leefgebied. Het betreft met name bruin zandoogje, bruin blauwtje, hooibeestje en icarusblauwtje. Van significante gevolgen voor de gunstige staat van instandhouding van deze soorten is echter geen sprake. Met uitzondering van bruin blauwtje welke op de Rode Lijst voorkomt als Kwetsbaar en voor welke soort de locatie voor woningbouwontwikkeling een belangrijk voortplantingsbiotoop vormt, omdat buiten dit gebied er rondom Zwolle weinig andere voortplantingsplaatsen

bekend

zijn.

Behoud

van

tenminste

een

deel

van

de

geschikte

voortplantingsbiotoop is essentieel voor het behoud van deze vlinder. Zie 5.2.

Ecologisch Veldonderzoek Nieuw Harculo 2024

58

Figuur 15: Overzicht van aangetroffen Rode Lijstsoorten dagvlinders en libellen.

Ecologisch Veldonderzoek Nieuw Harculo 2024

59

4.6.2.3. Libellen Het aantal soorten gevonden libellensoorten representeert een beeld dat vooraf van het projectgebied kon worden verwacht. De grootste aantallen worden vertegenwoordigd door ‘opportunistische’ soorten en/of soorten die snel nieuwe gebieden koloniseren. Een uitzondering daarop vormt de viervlek waarvan maar 1 exemplaar is gezien. Zuidelijke soorten die de laatste jaren in opmars zijn zoals de kanaaljuffer, kleine roodoogjuffer en vuurlibel zijn geen bijzondere soorten meer in de omgeving van Zwolle. Wel bijzonder is de waarneming van een Kempense heidelibel, maar deze waarneming zegt niets over specifieke kwaliteiten van het gebied voor deze soort. Ook bijzonder is de waarneming van een rivierrombout. Zie daarvoor 4.6.2. 4. Tabel 10: Lijst van aangetroffen libellensoorten.

1 2 3 4 5

Naam Azuurwaterjuffer Blauwe breedscheenjuffer Bloedrode heidelibel Bruine glazenmaker Bruine korenbout

Wetenschappelijke naam Coenagrion puella Platycnemis pennipes Sympetrum sanguineum Aeshna grandis Libellula fulva

Aantal 85 5 5 1 3

6 7 8 9 10 11

Bruine winterjuffer Bruinrode heidelibel Gewone oeverlibel Glassnijder Grote keizerlibel Grote roodoogjuffer

Sympecma fusca Sympetrum striolatum Orthetrum cancellatum Brachytron pratense Anax imperator Erythromma najas

4 1 23 1 6 16

12 13 14 15 16 17

Houtpantserjuffer Kanaaljuffer Kempense heidelibel Kleine roodoogjuffer Lantaarntje Paardenbijter

Chalcolestes viridis Erythromma lindenii Sympetrum depressiusculum Erythromma viridulum Ischnura elegans Aeshna mixta

1 2 1 60 53 3

18 19 20 21 22 23

Rivierrombout Smaragdlibel Steenrode heidelibel Tengere grasjuffer Viervlek Vroege glazenmaker

Stylurus flavipes Cordulia aenea Sympetrum vulgatum Ischnura pumilio Libellula quadrimaculata Aeshna isoceles

1 13 1 1 1 1

24 25 26

Vuurlibel Watersnuffel Weidebeekjuffer

Crocothemis erythraea Enallagma cyathigerum Calopteryx splendens

13 1 1

Ecologisch Veldonderzoek Nieuw Harculo 2024

HR

●

60

4.6.2.4. Bespreking relevante libellensoorten Bruine korenbout De bruine korenbout is een typische soort van laagveengebieden en voedselrijke watergangen met een brede rietzoom. De waarnemingen in het projectgebied hebben betrekking op waarnemingen bij de Kolk waar sprake is van kwel. Glassnijder Eveneens een typische laagveensoort en ook vaak gezien bij kleiputten in het rivierengebied. Algemeen voorkomend in het nabijgelegen kleiputten van Windesheim. Slechts een enkele maal waargenomen bij de Kolk. Kanaaljuffer Deze van oorsprong zuidelijke soort wordt steeds noordelijker waargenomen. Waargenomen op algenflab en ondergedoken waterplanten in de Zuiderhaven.

Kanaaljuffer mannetje. Kanaaljuffer. Foto: Evert Ruiter.

Kempense heidelibel Deze in Nederland zeer zeldzame libellensoort komt vooral voor in NP Weerribben-Wieden. Zwervers kunnen overal opduiken. Tijdens dit onderzoek is er eenmaal een mannetje waargenomen bij de Noorderhaven. In het projectgebied is geen geschikt biotoop voor deze kritische soort aanwezig.

Ecologisch Veldonderzoek Nieuw Harculo 2024

61

Rivierrombout Deze strikt aan rivieren gebonden soort komt voor langs de IJssel. Zijn aanwezigheid kan het best worden aangetoond door middel van het zoeken naar larvenhuidjes op zandstrandjes en/of beschoeiing. Gedurende de uitsluipperiode stond de Uiterwaard met de zandstrandjes vanwege een zomeroverstroming onder water. Zoeken naar larvenhuidjes was niet mogelijk. Wel is er bij de Zuiderhaven en vers exemplaar gevonden. Overigens zegt de aanwezigheid van deze soort niet veel over de natuurwaarden in het projectgebied, behalve dan dat deze in de periferie daarvan, de IJssel, voorkomt. Deze soort is opgenomen in de Habitatrichtlijn Tabel IV. Vroege glazenmaker Evenals bruine korenbout en glassnijder is de vroege glazenmaker een typerende soort voor laagveen. Rond Zwolle is het een vrij algemene soort. Deze robuuste glazenmaker zwerft veel rond op zoek naar geschikte foerageergebieden en kan zodoende overal opduiken. Weidebeekjuffer Dankzij een sterk verbeterde waterkwaliteit is de weidebeekjuffer tegenwoordig weer helemaal terug in Oost-Nederland. In eerste instantie langs beken en riviertjes, maar nu ook langs de IJssel en weteringen. Zwervende mannetjes kunnen in de wijde omgeving daarvan worden waargenomen.

Effectenbeoordeling: De plantontwikkeling zal voor libellensoorten geen nadelig effect hebben.

Ecologisch Veldonderzoek Nieuw Harculo 2024

62

4.6.2.5. Sprinkhanen Het aantal waargenomen sprinkhanensoorten is met 10 aan de lage kant, maar afgaand op de kenmerken van het projectgebied een goede afspiegeling. Deze soorten worden weergegeven in tabel 11. De bij de soorten genoemde aantallen representeren niet altijd het juiste beeld, omdat de abundantie van algemene soorten (bijvoorbeeld bruine sprinkhaan) soms zo groot is dat er is volstaan met de invoer van een enkele waarneming. Er is gericht gezocht naar het voorkomen van locomotiefje Chortippus apricarius en gouden sprinkhaan Chrysochraon dispar (beide soorten zijn bekend van het IJsseldal bij Zwolle), maar deze soorten zijn niet gevonden. Tabel 11: Lijst van waargenomen sprinkhanensoorten.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Naam Bruine sprinkhaan Gewoon spitskopje Greppelsprinkhaan Grote groene sabelsprinkhaan Kustsprinkhaan Moerassprinkhaan Ratelaar Struiksprinkhaan Zuidelijke boomsprinkhaan Zuidelijk spitskopje

Wetenschappelijke naam Chorthippus brunneus Conocephalus dorsalis Roeseliana roeselii Tettigonia viridissima Chorthippus albomarginatus Stethophyma grossum Chorthippus biguttulus Leptophyes punctatissima Meconema meridionale Conocephalus fuscus

Aantal 1 12 3 8 2 11 131 5 1 1

4.6.2.6. Bespreking relevante sprinkhanensoorten Moerassprinkhaan De enige sprinkhanensoort van belang is de moerassprinkhaan. Daarvan bevindt zich een kleine populatie bij de Noorderhaven. Het is weliswaar geen rode lijstsoort, maar wel een indicatorsoort en nogal gevoelig voor verstoring.

Effectenbeoordeling: De plantontwikkeling zal voor sprinkhanensoorten geen nadelig effect hebben.

Ecologisch Veldonderzoek Nieuw Harculo 2024

63

5. Conclusies en aanbevelingen 5.1. Conclusies Op basis van de gegevens die dit ecologisch veldonderzoek heeft opgeleverd en de ervaringen van de onderzoekers gedurende de veldbezoeken kan het volgende worden geconcludeerd: Algemeen: De biodiversiteit binnen de begrenzing van het projectgebied is groot in vergelijking met de omringende agrarische gebieden. Dat komt enerzijds doordat het totale terrein zich de afgelopen jaren vrij en vrijwel ongestoord heeft kunnen ontwikkelen. Daarbij zijn het extensieve maaibeheer, geen of matig gebruik van mest, geen wildbeheer en de rust en stilte die er heersen ook belangrijke redenen voor de soortenrijkdom. Ook is er sprake van een minimum aan lichtverontreiniging waardoor het er ’s nachts relatief donker is. Anderzijds is er op de relatief kleine oppervlakte van het projectgebied een grote variatie aan biotopen, begroeiingstypen en ecologische condities aanwezig. Zeker vergeleken met veel omringende gebieden. Er is buitendijks sprake van een uiterwaard met rivierinvloed en binnendijks grasland, water, bos, struweel, ruigte en oude (verlaten) gebouwen. Flora: De binnen de begrenzing van het projectgebied aanwezige flora kenmerkt zich vooral door een grote soortenrijkdom die het gevolg is van het ruderale en relatief ongestoorde karakter van de locatie voor woningbouwontwikkeling.

Daarnaast is er beperkt sprake van een flora die karakteristiek is voor het rivierengebied, de stroomdalflora. Er zijn wel soorten van de Rode Lijst gevonden, maar deze bevinden zich grotendeels langs de randen van het projectgebied en niet binnen de begrenzing van de locatie voor woningbouwontwikkeling. Broedvogels: Voor wat betreft de broedvogelpopulatie zijn vooral de bosschages in de periferie van het projectgebied van belang voor diverse soorten zangvogels. De locatie voor woningbouwontwikkeling is arm aan broedvogels. Verwachtte broedvogels als patrijs, veldleeuwerik en graspieper zijn er niet waargenomen. Ook in de Uiterwaard zijn weinig broedvogels vastgesteld. De meest voor de hand liggende reden hiervoor is de grote predatiedruk van vossen en marters, alsmede (voor de Uiterwaard) de incidentele overstromingen in de zomer. De beide havens fungeren als belangrijk broedgebied voor diverse watervogels. Daarnaast fungeren deze havens en ook de Uiterwaard als foerageer-, rust- en overwinteringsgebieden voor een scala aan water- en weidevogels en steltlopers. Er zijn in het projectgebied geen jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels aangetroffen. Zoogdieren: De verscheidenheid aan (grondgebonden) zoogdieren is opvallend. Met name het grote aantal hazen op de locatie voor woningbouwontwikkeling is opmerkelijk groot. Voor deze Rode Lijstsoort

vervult

het

projectgebied,

met

name

de

Uiterwaard

en

de

locatie

voor

woningbouwontwikkeling een belangrijke functie als voortplantings-, foerageer- en rustgebied. De reden Ecologisch Veldonderzoek Nieuw Harculo 2024

64

hiervoor is onder 4.3.3. besproken en toegelicht. Zie voorts 5.2. In en rondom het projectgebied komen soorten van de habitatrichtlijn voor. Het betreft boommarter en otter. De locatie voor woningbouwontwikkeling biedt deze soorten geen essentieel of onvervangbaar leefgebied. Voor vos en steenmarter ligt dat anders, want deze dieren vinden daar (maar ook langs de havens en in de Uiterwaard) hun voedsel en prooi, dus voor deze soorten is de locatie voor woningbouwontwikkeling niet van wezenlijk belang. Er zijn binnen de begrenzing van het projectgebied geen kleine marterachtigen aangetroffen. Ook het voorkomen van de waterspitsmuis is niet vastgesteld. Vleermuizen: Voor vleermuizen vervult het projectgebied een belangrijke functie als foerageergebied, maar geen rol als voortplantingsplaats en/of vaste verblijfplaats. Zie voorts 5.2. Amfibieën, reptielen en vissen: In het projectgebied zijn geen (beschermde) amfibieën, reptielen of vissen aangetroffen die bijzondere aandacht verdienen. Insecten: De rijkdom aan dagvlinders die gebonden zijn aan kruidenrijk grasland is groot. Met name in de locatie voor woningbouwontwikkeling. Er zijn weinig plekken rond de stad Zwolle waar zulke hoge dichtheden aan bruin zandoogje, hooibeestje, bruin blauwtje, icarusblauwtje zijn te vinden. Zie 5.2.

Voor libellen heeft het projectgebied geen bijzondere functie, de soorten die er zijn aangetroffen zijn, m.u.v. rivierrombout (waarvan de larven in de IJssel leven) en de Kempense heidelibel (die als zwerver is aangetroffen, maar geen binding met het projectgebied heeft), niet bedreigd of streng beschermd. Dat geldt ook voor de sprinkhanen die in het projectgebied voorkomen.

Sleedoornpage. Komt in de periferie van het projectgebied voor.

Ecologisch Veldonderzoek Nieuw Harculo 2024

65

5.2. Aanbevelingen Algemeen Zoals hierboven geconcludeerd zijn de huidige kernkwaliteiten van het gebied rust, stilte en afwezigheid van licht gedurende de nacht. Daarnaast is de grote afwisseling van abiotische condities, begroeiingen en fysieke elementen eveneens van grote waarde. Advies: Omdat het hierboven genoemde een van de belangrijkste redenen is voor de aanwezigheid van een grote biodiversiteit in het gebied wordt geadviseerd om bij de voorgenomen plannen deze kernkwaliteiten mee te nemen in de planvorming. Dat kan bijvoorbeeld door: ● de huidige variatie in het gebied optimaal te behouden en te ontwikkelen en/of na herinrichting te herontwikkelen; ● het aanleggen een vleermuisvriendelijke verlichting van het terrein, de straten en de huizen; ● een duidelijk zonering van wel/niet voor publiek toegankelijke gebieden (woonwijk en openbare voorzieningen versus uiterwaard, havens en gebieden aan de oostzijde) waardoor de rust in de niet toegankelijke gebieden gewaarborgd blijft.

Flora Gebleken is dat de flora in de locatie voor woningbouwontwikkeling van het projectgebied zeer divers is en van groot belang voor dagvlinders en overige insectensoorten. Advies: Maak een depot van maaisel (van de flora) in de locatie voor woningbouwontwikkeling en gebruik dit maaisel voor de inrichting van wadi’s, groenstroken en randzones van de woonwijk. Zodoende wordt de huidige flora met de daarbij behorende waardplanten voor dagvlinders, nachtvlinders en nectarplanten voor diverse insectensoorten in het gebied gewaarborgd. De stroomdalflora in het projectgebied kan verder worden ontwikkeld. Binnen het gebied liggen kansen om deze te ontwikkelen als onderdeel van het totale plan en versterking van de biodiversiteit. Advies: Stroomdalflora groeit vooral op rivierduinen, zandige oeverwallen en zandige dijken. Binnen het projectgebied zijn enkele dijken aanwezig. Delen van die dijken kunnen omdat ze geen waterkerende functie meer hebben zo worden ingericht dat ze geschikt worden voor stroomdalflora. Het gaat dan om soorten uit de associatie van vetkruid en tijm, zoals tripmadam, liggende ereprijs en grote tijm. De locaties waar deze maatregelen kunnen worden toegepast worden weergegeven in figuur 16. Daartoe is het van belang dat de kleilaag wordt afgegraven tot op het zand.

Daar kan zich vervolgens op natuurlijke wijze, bijvoorbeeld door middel van overstroming, nieuwe stroomdalflora

Ecologisch Veldonderzoek Nieuw Harculo 2024

66

ontwikkelen. Gericht maaibeheer (eenmaal per jaar maaien en maaisel afvoeren) is noodzakelijk om deze ontwikkeling blijvende te waarborgen.

Figuur 16: Gele stippen = dijkkoppen die kunnen worden ingericht voor stroomdalflora. Blauwe lijn = locatie waar al stroomdalflora aanwezig is welke kan worden versterkt.

Advies: De zuidelijke oever van de Uiterwaard (blauwe lijn is figuur 15) heeft nog een redelijk ontwikkelde oeverbegroeiing met meidoorn en hondsroos en stroomdalflora zoals kruisdistel. Bij herinrichting van de Uiterwaard (aanleg nevengeul) liggen hier goede kansen voor een natuurlijke herinrichting van het westelijk deel van de Uiterwaard tot rivierduinlandschap. Een goed referentieproject langs de IJssel is de stroomafwaarts gelegen Zalkerwaard.

Ecologisch Veldonderzoek Nieuw Harculo 2024

67

Zuidelijk deel van de Uiterwaard met mooi ontwikkeld struweel van hondsroos en meidoorn. Op de oeverwal onder meer kruisdistel.

Broedvogels Eén van de resultaten van dit onderzoek is dat met name de bosschages rond het projectgebied een belangrijke functie vervullen als broedgebied voor kleine zangvogels. Advies: Draag er zorg voor dat deze bosschages en houtwallen (moerasbos, struweel, dichtbos) ongemoeid blijven en vergroot desgewenst het aantal bosschages en houtwallen. Ze zijn van groot belang voor broedende zangvogels, maar ook voor kleine zoogdieren en als nectarbron voor vlinders en andere insecten. Een andere uitkomst van dit onderzoek met betrekking tot vogels is dat de beide havens belangrijke broed-, foerageer- en overwinteringsgebieden zijn voor een groot aantal vogelsoorten. Met name watervogels en steltlopers, maar ook meeuwen en ganzen. Rust en stilte zijn hier belangrijke eigenschappen waar het gaat om een grote diversiteit van vogels. Bij beide havens zijn deels toegankelijk voor publiek. Daar wordt gewandeld, al dan niet met loslopende honden. Geconstateerd is dat op plaatsen waar mensen en honden niet kunnen komen de meeste vogels broeden en rusten. Advies: Houdt bij inrichting van het totale gebied rekening met dit gegeven. Dat kan door middel van zonering van plaatsen waar betreding wel/niet is toegestaan.

Ecologisch Veldonderzoek Nieuw Harculo 2024

68

Grondgebonden zoogdieren De uitkomsten van dit onderzoek tonen aan dat het projectgebied een belangrijk rust- en voortplantingsgebied is voor de haas. Advies: Ten aanzien van de grote populatie hazen geldt de zorgplicht. Het is van belang dat er een goed onderbouwd activiteitenplan wordt opgesteld voor mitigatie van deze soort. Vleermuizen Aangetoond is dat het projectgebied een functie vervult als foerageergebied voor vleermuizen. Dat heeft te maken met de aanwezigheid van grote waterpartijen, kruidenrijke grasland en bomenrijen langs de locatie voor woningbouwontwikkeling. Daarnaast is ook voor deze soortgroep rust, stilte en donkerte van groot belang. Advies: Houdt bij de ontwikkeling van de woonwijk rekening met dit gegeven door middel van gebruikmaking van vleermuis-vriendelijke verlichting. Vleermuizen vinden in de huidige bebouwing geen mogelijkheid voor vaste verblijfplaatsen. Advies: Richt de woonwijk in op een natuur-inclusieve wijze door middel van integreren van inbouwkasten voor vleermuizen. Bij voorkeur ook kraamkasten. Insecten Voor wat betreft insecten is het projectgebied van belang voor dagvlinders van kruidenrijk grasland. Advies: Richt de woonwijk in met brede grazige randzones en wadi’s.

Zorg ervoor dat ruim voor aanvang maaisel van de locatie voor woningbouwontwikkeling goed droog in depot (bijvoorbeeld hooibalen onder een afdekzeil of in een schuur) wordt gezet. Dit maaisel kan bij inrichting van het gebied worden gebruikt als bronmateriaal voor de randzones en wadi’s. Door het maaisel uit te strooien op nieuwe ingerichte plaatsen kunnen de aanwezige zaden opnieuw kiemen en zodoende een kruidenrijk grasland vormen.

Ecologisch Veldonderzoek Nieuw Harculo 2024

69

9. Dankwoord Dank aan Reales voor deze interessante onderzoeksopdracht. Gerjan de Jong en Reinoud Kleijberg worden bedankt voor hun begeleiding tijdens het onderzoeksproces en de feedback op de conceptversie van de rapportage. Voorts dank aan alle veldecologen die betrokken zijn geweest bij dit onderzoek.

Ecologisch Veldonderzoek Nieuw Harculo 2024

70

10. Literatuur en bronvermeldingen Olthuis, J 2021 Natuurtoets gebiedsontwikkeling Harculo, In het kader van de Wnb, NNN en hoofdgroenstructuur, Royal Haskoning Ruiter E., 2013. Kamsalamander en waterspitsmuis op het Landgoed Windesheim. Alcedo Natuurprojecten in opdracht van Stichting Landgoed Windesheim. Ruiter E.J. 2021. Aanvullend onderzoek Vleermuizen Hijshal, Dienstengebouw, Magazijn Harculo Zwolle. Alcedo Natuurprojecten rapport 2021 – 076. In opdracht van: SOM=, Oldenzaal Ruiter E.J. 2021. Aanvullend onderzoek Vleermuizen Koelwatergebouw Harculo Zwolle. Alcedo Natuurprojecten rapport 2021 – 053. In opdracht van: RAW Stainless, Zwolle Ruiter, E., 2011, Natuurtoets Vleermuizen en boommarters Parkbos Windesheim Alcedo Natuurprojecten in opdracht van Stichting Landgoed Windesheim Ruiter, E.J. et al. (2020), Libellen in Overijssel. Zeist (KNNV Uitgeverij) www.bij12.nl/wp-content/uploads/2024/01/Kennisdocument-kleine-marterachtigen-v1-1-2.pdf www.natura2000.nl/gebieden/gelderland/rijntakken/rijntakken-doelstelling www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/waterspitsmuis

Ecologisch Veldonderzoek Nieuw Harculo 2024

71

Bijlagen Separaat bij deze rapportage worden aangeleverd: •

Verspreidingskaarten van relevante soorten

•

Xcel-bestanden en shapefiles met alle ingevoerde waarnemingen

•

Xcel-bestand met gegevens wildcamera’s

Ecologisch Veldonderzoek Nieuw Harculo 2024

72

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=3a4493cf-392c-450b-b216-3811ef42b4b6