CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22i Harculo_Bijlagen bij de motivering_Bijlage 30 Memo stikstofdepositie

Raad Besluitvormingsronde 26 mei 2026, gemeente ZwolleBij agendapunt: Vaststelling 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22i Harculo' en ‘Beleidsregel Beeldkwaliteit Harculo’22.694 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Reales Vision Plaza Central Boeing Avenue 242 1119 PZ Schiphol-Rijk

Betreft: Datum: Nummer: bijlagen(pdf)

Memo onderzoek stikstofdepositie Nieuw Harculo 6 februari 2026 25032.04 1. Kleijberg Ecologie‚ Memo Ecologische beoordeling effecten referentiesituatie nieuw Harculo, 6 februari 2026 2. AERIUS_projectberekening_20260202102117_RgstuFX48uy6_BJ1 3. AERIUS_randeffect_projectberekening_20260202102117_RgstuFX48uy6_BJ1 4. AERIUS_projectberekening_20260202102056_RUEEnKga7Rif_BJ4 5. AERIUS_randeffect_projectberekening_20260202102056_RUEEnKga7Rif_BJ4 6. AERIUS_projectberekening_20260202102126_RTqCSAYD53cz_gebruik

1.1. Aanleiding In opdracht van Reales heeft Langelaar Milieuadvies onderzoek verricht naar de stikstofdepositie op nabijgelegen kwetsbare natuurgebieden ten gevolge van het voornemen om op de ontwikkellocatie “Nieuw Harculo” maximaal 526 woningen en enkele andere functies te kunnen realiseren. Het plangebied is gelegen ten zuiden van Zwolle op en rond het terrein van de voormalige IJsselcentrale. Voor deze ontwikkeling is een wijziging van het omgevingsplan nodig dat door de raad van de gemeente Zwolle moet worden vastgesteld. De onderstaande afbeelding toont een stedenbouwkundige impressie van het plan.

Figuur 1 impressie voornemen A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 1

Het plangebied ligt op circa 1,1 kilometer afstand van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebied “Rijntakken”. In figuur 2 zijn het plangebied en het Natura 2000-gebied weergegeven. De stikstofgevoelige habitats en leefgebieden zijn roze en paars gekleurd. De overige niet -stikstofgevoelige delen van het Natura 2000-gebied zijn groen en blauw gekleurd.

Figuur 2 ligging voornemen t.o.v. Natura 2000 (bron: AERIUS Calculator)

In dit rapport wordt ingegaan op de stikstofeffecten op de stikstofgevoelige delen van Natura 2000-gebieden. 1.2. Doel van het onderzoek Het voorliggende onderzoek stikstofdepositie heeft tot doel de NOx (stikstof) en NH3 (ammoniak) emissies naar de lucht door het plan inzichtelijk te maken en de toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden te berekenen. Dit onderzoek gaat over de depositie tijdens de aanleg- en bouwfase alsook de gebruiksfase. De referentiesituatie is ook onderzocht. Het onderzoek wordt afgesloten met conclusies waarbij duidelijk wordt of in het kader van de Omgevingswet of er een kans is op significante gevolgen op Natura 2000-gebieden en er een nader (ecologisch) onderzoek nodig is.

A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 2

1.3. Wet en regelgeving Natura 2000 & stikstof In Nederland zijn 166 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante effecten’ op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. In het kader van deze Wet moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten kunnen optreden in Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waarvoor een Natura 2000gebied is aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of andere handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die reeds overbelast zijn. Uit artikel 16.53c lid 1 van de Ow volgt dat er voor plannen en projecten een zelfstandige verplichting bestaat om de effecten daarvan op Natura 2000-gebieden te onderzoeken.

Het artikel bepaalt dat voor een plan of project als bedoeld in artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn (hierna: ‘Hrl’) het bestuursorgaan dat het plan vaststelt (in geval van een (wijziging van het) omgevingsplan: de gemeenteraad) of de aanvrager van de omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 6 lid 3 van de Hrl maakt. De verplichting om een passende beoordeling te doorlopen ziet dus uitsluitend op een plan of project als bedoeld in artikel 6 lid 3 van de Hrl. Dit betekent dat het moet gaan om een plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten 'significante gevolgen kan hebben' voor een Natura 2000-gebied. Deze beoordeling vindt plaats in de voortoets. Wanneer op voorhand significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, moet een passende beoordeling worden verricht. In de passende beoordeling (en niet in de voortoets) mag rekening worden gehouden met mitigerende maatregelen.

Een mitigerende maatregel is een maatregel die beoogt eventuele schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit een plan of project voortvloeien te voorkomen of te verminderen, teneinde ervoor te zorgen dat het plan of project de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zal aantasten.1 Het plan mag vervolgens alleen worden vastgesteld c.q. de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit (hierna: ‘natuurvergunning’) mag alleen worden verleend, wanneer uit die passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast (daargelaten de ADC-toets). Dat volgt uit artikel 10.24 lid 1 van het Bkl respectievelijk artikel 8.74b lid 1 van het Bkl. Het voorliggende rapport betreft tezamen met het ecologische rapport van Kleijberg Ecologie “Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo” d.d. 6 februari 2026de passende beoordeling voor het beoordelen of het omgevingsplan (dat in dit geval bestaat uit meerdere projecten) kan worden vastgesteld in overeenstemming met het Natura 2000gebiedsbeschermingsrecht.

1 Zie AbRS 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:951, r.o. 69.1.

A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 3

14 januari 2026-uitspraak In de passende beoordeling wordt rekening gehouden met de beëindiging van bemesting van de agrarische percelen, nu ter plaatse natuurontwikkeling en landschappelijke inpassing van de woningbouw plaatsvindt. Die natuurontwikkeling vindt plaats niet alleen op de agrarische gronden, maar loopt en voorziet in een landschappelijke en natuurlijke inpassing van de woningbouwontwikkeling nieuw Harculo. Zij is dan ook onlosmakelijk verbonden en hangt nauw samen met de realisatie van de woningbouw. Zonder deze woningbouw zal deze landschappelijke en natuurlijke inpassing niet worden aangelegd en zal het agrarisch gebruik continueren. Dit betreft een (interne) salderingsmaatregel die onderdeel uitmaakt van de ruimtelijke ontwikkeling ‘Nieuw Harculo’ en ook binnen het plangebied van het omgevingsplan Nieuw Harculo is gelegen. Ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan is in de passende beoordeling zekerheidshalve er al rekening mee gehouden dat intern saIderen, gelijk extern salderen, een mitigerende maatregel betreft bij het doorlopen van de Natura 2000-plantoets. Deze aanname is in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:193 (Pasgeld)) bevestigd.

De Afdeling oordeelt in de Pasgeld-uitspraak dat ook in de Natura 2000-plantoets (gelijk de Natura 2000-projecttoets) intern salderen als mitigerende maatregel moet worden aangemerkt. Intern salderen mag daarom niet (meer) in de voortoets worden toegepast, maar hoort thuis in de passende beoordeling. Dit betekent dat in de voortoets, bij de beoordeling of sprake is van een plan dat mogelijk significante gevolgen heeft, de gevolgen van de ruimtelijke ontwikkeling(en) uit het plan op zichzelf moet(en) worden beoordeeld, waarbij dus geen rekening (meer) mag worden gehouden met de feitelijk bestaande, planologische legale situatie. Intern en extern salderen mag (dus) wel als mitigerende maatregel worden toegepast in de passende beoordeling. Maar alleen als is voldaan aan het additionaliteitsvereiste. Kort gezegd houdt het additionaliteitsvereiste in dat een maatregel, die naar zijn aard ook geschikt is als instandhoudings- of passende maatregel (artikel 6 lid 1 en lid 2 van de Hrl) alleen als mitigerende maatregel (artikel 6 lid 3 van de Hrl) in een passende beoordeling kan worden ingezet als die maatregel niet ook nodig is als instandhoudings- en/of passende maatregel voor de Natura 2000 gebieden.

Reden waarom (zekerheidshalve) in het Stikstofonderzoek dat onderdeel uitmaakt van de passende beoordeling in hoofdstuk 6 die ten grondslag heeft gelegen aan het ontwerpbestemmingsplan al uitgebreid en volledig is getoetst aan het additionaliteitsvereiste. Uit de Pasgeld-uitspraak volgt evenwel dat bij gemeentelijke plannen volstaan kan worden met een zogenaamde vergewisplicht. Reden voor de Afdeling is dat het bevoegd gezag van gemeentelijke plannen geen bevoegdheden of instrumenten hebben uit hoofde van het Natura 2000-gebiedsbeschermingsrecht, waarmee hij invloed zou kunnen uitoefenen op de keuze van de maatregelen die worden ingezet voor het behalen van instandhoudingsdoelstellingen of het voorkomen van (dreigende) verslechterging of significante verstoring van natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Die bevoegdheid ligt immers bij de provincies en/of het rijk. Voor gemeentelijke plannen geldt uitsluitend een vergewisplicht, die inhoudt dat enkel op basis van openbare gegevens hoeft te worden gemotiveerd dat de (interne of externe) salderingsmaatregel niet ook nodig is als instandhoudings- en/of passende maatregel.

De Afdeling overweegt dat het bevoegd gezag aan deze motiveringsplicht kan voldoen door zich ervan te vergewissen dat in openbare raadpleegbare gegevens geen aanwijzingen staan dat het bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor het treffen van instandhoudings- en passende maatregelen de

A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 4

interne of externe salderingsmaatregel nodig acht als instandhoudings- of passende maatregel. Gelet op de recente Pasgeld-uitspraak is in dit memo de additionaliteitstoets geactualiseerd, waarin de meest recente beleidsontwikkelingen zijn verwerkt. Daarmee is invulling gegeven aan de vergewisplicht. Stikstofberekeningen Met toepassing van de meest recente Instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator 2025 (versie 1; oktober 2025) van het Expertiseteam Stikstof en Natura 2000 van Bij12 (verder genoemd: ‘instructie gegevensinvoer’) is in deze passende beoordeling berekend wat de gevolgen zijn van het plan voor de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. 1.4. Onderzoeksopzet De onderzoeksopzet is als volgt: - onderzoek naar de NOX en NH3 emissies gedurende de realisatiefase - onderzoek naar de NOX en NH3 emissies gedurende de gebruiksfase - onderzoek naar saldo gevende NOX en NH3 emissies gedurende de referentiesituatie. - een berekening van de depositie met AERIUS Calculator

A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 5

2. Emissies realisatiefase Tijdens de realisatiefase (de aanleg- en bouwperiode) ontstaan NOx en NH3-emissies door de inzet van mobiele werktuigen, auto’s en vrachtwagens. Het onderzoek richt zich op de emissies tijdens het bouwrijp maken, het bouwen van de woningen en het woonrijp maken van het plangebied. De NOx en NH3 emissies zijn berekend op basis van de AUB-methode uit TNO rapport R12305 2 conform de ‘instructie gegevensinvoer’ dat grotendeels de eerder verschenen AERIUS factsheets, leeswijzers en handleidingen waar naar wordt verwezen in deze instructie vervangt. De verkeersgeneratie en de inzet van mobiele werktuigen zijn bepaald met behulp van ervaringscijfers over het bouwen van soortgelijke bouwplannen en onderverdeeld in het bouwrijp maken, het bouwen en het woonrijp maken. Het dieselverbruik is conform het TNO rapport R12305 bepaald (AUB-methode). TNO houdt rekening met de aandrijfconfiguratie (vaste as, transmissie, hydrauliek) , de stand-bye tijd bij de soort inzet (wisselend en constant) en de verliezen (zie onderstaande tabel).

TNO gaat voor werktuigen met een wisselende inzet uit van een gemiddelde ‘typische motorlast’ van 35%. In dit onderzoek is daarbij aangesloten. AdBlue wordt enkel gebruikt in dieselmotoren voorzien van een SCR. Voor het inschatten van het verwachte aantal liter kan uitgegaan worden van het normale AdBlue-gebruik dat door TNO gegeven wordt4. Voor Stage IV en V werktuigen is dit 6% van het dieselverbruik. Voor Stage III is dit 3% van het dieselverbruik.

2.1. Rekenwijze m.b.t. motorvoertuigen 2.1.1. Verkeer op de openbare weg Conform de ‘instructie gegevensinvoer’ wordt met de verkeersgeneratie het aantal vervoersbewegingen met motorvoertuigen uitgedrukt van zowel het heen- als teruggaand verkeer. Het aantal vervoersbewegingen is het aantal ritten heen én terug opgeteld. 2.1.2. stationaire emissies wegverkeer op de bouwplaats In de ‘instructie gegevensinvoer’ is de “Rekeninstructie stationaire emissies wegverkeer” opgenomen. Bij sommige projecten/initiatieven kan het nodig zijn om het stationair draaien van wegverkeer te berekenen. Dit is van belang als er situaties zijn waarin deze voertuigen regelmatig stationair draaien en die geen onderdeel zijn van gewone verkeersbewegingen. Stilstaan voor stoplichten en in files vallen hier dus nadrukkelijk niet onder. Wat hier wel onder valt is stilstaan met draaiende motor op eigen terrein. Bijvoorbeeld als tijdens het laden/lossen de motor draait, of tijdens het wachten op het vrijkomen van een losplaats. 2

TNO 2021 R12305 AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 6

De rekeninstructie hanteert een tabel met emissiecijfers die is samengesteld op advies van experts van TNO. De hoogte van de stationaire emissie is gekoppeld aan een emissiefactor afhankelijk van de verkeersklasse (bussen, licht-, middelzwaar- en zwaar verkeer) en jaartal op basis van het snelheidstype ‘stad stagnerend’ en de tijdsduur. In dit onderzoek wordt uitgegaan van de emissiecijfers voor 2026. Dit is een worstcase uitgangspunt aangezien de emissiecijfers naar de toekomst toe afnemen. Tijdens het laden en lossen draaien de motoren van de vrachtwagens gedurende een langere tijd. De gemiddelde laad/lostijd per vracht is ingeschat op circa 10 minuten. Gelet op de aanwezigheid van start-stop systemen op hedendaagse vrachtwagens is dit een ruime inschatting. 2.1.3. Emissies tijdens het starten van voertuigen (zgn. koude start) Bij de release van AERIUS 2024 zijn categorieën voor de koude start toegevoegd naar aanleiding van onderzoek door TNO. Een ‘koude start’ is het fenomeen dat voertuigen met een koude motor meer emissie uitstoten dan voertuigen met een warme motor. Er is sprake van een koude start wanneer motorvoertuigen gestart worden nadat ze 2 uur of langer stil gestaan hebben. De katalysator functioneert dan niet gelijk. Hierdoor komt tijdens de koude start relatief meer emissie vrij dan tijdens het rijden met een warme motor (rijdend verkeer emissie).

Het uitgangspunt is dat de hogere koude start-emissies in de eerste 10 tot 30 seconden na de start plaatsvinden. Dit betekent in de praktijk dat de emissies door koude start veelal optreden voordat een voertuig van zijn plaats is gekomen. Tijdens de realisatiefase arriveren vrachtwagens op de bouwplaats met warme motor en vertrekken in principe direct na het laden en lossen weer, waardoor er in principe geen situaties optreden waarbij deze 2 uur of langer stil staan en er koude starts ontstaan. Personenauto’s en werkbusjes parkeren wel gedurende langere tijd waardoor koude starts ontstaan. 2.1.4. Rijdend verkeer tussen de openbare weg en de parkeerplaats Tussen de doorgaande weg en de parkeerplaats (c.q. de bouwplaats) kent het verkeer een lagere gemiddelde snelheid en meer stops per kilometer dan normaal stadsverkeer. Om hiermee rekening te houden wordt uitgegaan van “stagnerend stadsverkeer” wat staat voor stadsverkeer met een grote mate van congestie, gemiddelde snelheid kleiner dan 15 km/h en gemiddeld 10 stops per afgelegde kilometer. 2.2. Rekenwijze m.b.t. mobiele werktuigen Conform jurisprudentie wordt uitgegaan van werktuigen die voldoen aan de emissie-eisen die sinds 2014 gelden (STAGE IV). de inzet van stage IV-materieel is voldoende reëel en aannemelijk en hoeft derhalve niet geborgd te worden in planregels.3

3 rechtsoverweging 17.1 van de uitspraak ABRS 1 september 2021,ECLI:NL:RVS:2021:1960 (Zandzoom)

A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 7

2.3. Inzet & emissie Bouwrijp maken De verwachte inzet en dieselverbruik van mobiele werktuigen tijdens het bouwrijp maken is weergegeven in de onderstaande tabel. type apparaat / werktuig

(mobiel)

Hydr/ kraan (rups) / graafmachine Wiellader tractor mobiele . Hydr. Kraan Veeg-/zuigwagens (zelfrijdend)

brandstof

draaiuren

diesel diesel diesel diesel diesel

926 ≥2014 1317 ≥2014 398 ≥2014 547 ≥2014 58 ≥2014

bouwjaar

vermogen

STAGE-klasse

brandstofverbruik (l)

[kW] 210 STAGE IV (75-560kW) 275 STAGE IV (75-560kW) 100 STAGE IV (75-560kW) 200 STAGE IV (75-560kW) 157 STAGE IV (75-560kW)

p/u totaal adblue 20,8 19267 1156 27,0 35571 2134 10,2 4062 244 19,8 10826 650 15,7 908 54

totale emissie [kg] NOx NH3 108,7 4,6 198,8 8,5 23,8 1,0 61,0 2,6 5,4 0,2

totaal

397,7

17,0

Figuur 3 inzet mobiele werktuigen op de bouwplaats – BRM

Er vinden circa 4748 bewegingen plaats met licht motorvoertuigen (auto’s, busjes). In de regel zullen deze ’s ochtends aankomen en ’s middags weer vertrekken. Alleen bij het vertrekkende verkeer is er sprake van een koude start (2374x per jaar). Er vinden circa 688 bewegingen plaats met vrachtwagens, waarbij worstcase wordt uitgegaan van 100% zware motorvoertuigbewegingen. Het vrachtverkeer staan in principe niet langer dan 2 uur met de motor uit op de bouwplaats. Er treden dan ook geen koude starts op (zie 2.1.3). De emissie door stationair draaien van motorvoertuigen in het plangebied is weergegeven in de onderstaande tabel. stationair draaien / motorvoertuigen Zwaar wegverkeer

draaiuren

emissie [gram/uur] NOx

NH3

396 74,06

0,99

totale emissie [kg] NOx 29,33

NH3 0,39

Figuur 4 stationaire emissies motorvoertuigen bouwplaats – BRM

A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 8

2.4. Bouwen De verwachte inzet en het dieselverbruik van mobiele werktuigen tijdens het bouwen van de woningen is weergegeven in de onderstaande tabel. type apparaat /

(mobiel) werktuig brandstof

B- Grondwerk - Graafmachine B- Heiwerk - Heistelling B- Boorstelling B- Shovel tbv boorstelling B- Rupskraan (70 ton) prefab casco B- Mobiele kranen telescoop (100T) B- Mobiele kranen spiering AT4 B- Heftruck/Verreiker gevel

diesel diesel diesel diesel diesel diesel diesel diesel

draai- bouwuren jaar 1731 ≥2014 1900 ≥2014 1629 ≥2014 543 ≥2014 4276 ≥2014 1188 ≥2014 2907 ≥2014 2964 ≥2014

vermog STAGE-klasse brandstofverbruik (l) en [kW] p/u totaal adblu 100 STAGE IV (75-560kW) 10,2 17653 1059 261 STAGE IV (75-560kW) 25,7 48840 2930 250 STAGE IV (75-560kW) 24,6 40071 2404 193 STAGE IV (75-560kW) 19,1 10371 622 235 STAGE IV (75-560kW) 23,2 99200 5952 110 STAGE IV (75-560kW) 11,1 13184 791 103 STAGE IV (75-560kW) 10,5 30525 1832 115 STAGE IV (75-560kW) 11,6 34379 2063

totale emissie [kg] NOx NH3 104,1 4,2 273,4 11,7 224,6 9,6 58,8 2,5 557,1 23,8 77,2 3,2 179,1 7,3 200,3 8,3 1674,7 70,6

Figuur 5 inzet mobiele werktuigen op de bouwplaats – bouwen

Er vinden circa 69.694 bewegingen plaats met licht motorvoertuigen (auto’s, busjes). In de regel zullen deze ’s ochtends aankomen en ’s middags weer vertrekken. Alleen bij het vertrekkende verkeer is er sprake van een koude start (34.847x per jaar). Er vinden circa 3406 bewegingen plaats met middelzware motorvoertuigen (2-assen). Er vinden circa 16.584 bewegingen plaats met zware motorvoertuigen (>2-assen). Het vrachtverkeer staan in principe niet langer dan 2 uur met de motor uit op de bouwplaats. Er treden dan ook geen koude starts op (zie 2.1.3). stationair draaien van motorvoertuigen: De emissie door stationair draaien van motorvoertuigen in het plangebied is weergegeven in de onderstaande tabel. stationair draaien / motorvoertuigen

draaiuren

emissie [gram/uur] NOx

NH3

totale emissie [kg] NOx

NH3

Zwaar wegverkeer

2073 74,06

0,99 153,53

2,06

Middelzwaar wegverkeer

284 58,53

0,73

16,62

0,21

170,15

2,27

totaal

Figuur 6 stationaire emissies motorvoertuigen bouwplaats – bouwen

A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 9

2.5. Woonrijp maken De verwachte inzet en dieselverbruik van mobiele werktuigen tijdens het woonrijp maken is weergegeven in de onderstaande tabel. type apparaat / werktuig

(mobiel)

WRM-Hydr/ kraan (rups) / WRM-Wiellader WRM-Tractor WRM-mobiele . Hydr. Kraan WRM-Asfaltspreider WRM-Asfaltwals WRM-Zuigwagen

brandstof diesel diesel diesel diesel diesel diesel diesel

draaiuren

bouwjaar

290 ≥2014 2028 ≥2014 117 ≥2014 785 ≥2014 15 ≥2014 29 ≥2014 389 ≥2014

vermo STAGE-klasse gen [kW] 210 STAGE IV (75-560kW) 275 STAGE IV (75-560kW) 100 STAGE IV (75-560kW) 200 STAGE IV (75-560kW) 55 STAGE IV (<56kW) 80 STAGE IV (75-560kW) 157 STAGE IV (75-560kW)

brandstofverbruik (l) p/u 20,8 27,0 10,2 19,8 5,8 8,3 15,7

totaal

totaal adblue 6026 362 54749 3285 1197 72 15536 932 85 0 243 15 6107 366

totale emissie [kg] NOx NH3 33,8 1,4 305,8 13,1 7,0 0,3 87,9 3,7 1,8 0,0 1,3 0,1 35,1 1,5 472,6

20,1

Figuur 7 inzet mobiele werktuigen op de bouwplaats – woonrijp maken

Er vinden circa 258 bewegingen plaats met licht motorvoertuigen (auto’s, busjes). In de regel zullen deze ’s ochtends aankomen en ’s middags weer vertrekken. Alleen bij het vertrekkende verkeer is er sprake van een koude start (129x per jaar). Er vinden circa 2072 bewegingen plaats met vrachtwagens, waarbij worstcase wordt uitgegaan van 100% zware motorvoertuigbewegingen. Het vrachtverkeer staan in principe niet langer dan 2 uur met de motor uit op de bouwplaats. Er treden dan ook geen koude starts op (zie 2.1.3). De emissie door stationair draaien van motorvoertuigen in het plangebied is weergegeven in de onderstaande tabel. stationair draaien / motorvoertuigen Zwaar wegverkeer totaal

draaiuren 259

emissie [gram/uur]

totale emissie [kg]

NOx

NH3

74,06

0,99 19,18

0,26

19,18

0,26

NOx

NH3

Figuur 8 stationaire emissies motorvoertuigen bouwplaats – woonrijp maken

A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 10

2.6. Wegwerkzaamheden De verwachte inzet en het dieselverbruik van mobiele werktuigen tijdens de wegreconstructie t.b.v. de uitvoering van de planologische mogelijkheden van het plan is weergegeven in de onderstaande tabel. type apparaat / werktuig

(mobiel)

Shovel - Ontgraven bovengrond Shovel - aanbrengen zand t.b.v. Wals - aanbrengen zand t.b.v. cunet Shovel - aanbrengen puin granulaat Wals - aanbrengen puin granulaat oud asfalt verwijderen (frees) oud asfalt verwijderen (shovel) asfaltverspreider - aanbrengen wals - aanbrengen asfalt Kleefwagen - aanbrengen kleeflaag veeg-/zuigwagen - afwerking totaal

brandstof diesel diesel diesel diesel diesel diesel diesel diesel diesel diesel diesel

verm STAGEdraai- bouwogen klasse uren jaar [kW] 77 ≥2014 106 STAGE IV 93 ≥2014 106 STAGE IV 112 ≥2014 60 STAGE IV 49 ≥2014 106 STAGE IV 49 ≥2014 60 STAGE IV 132 ≥2014 261 STAGE IV 132 ≥2014 106 STAGE IV 228 ≥2014 129 STAGE IV 285 ≥2014 60 STAGE IV 263 ≥2014 230 STAGE IV 228 ≥2014 157 STAGE IV

brandstofverbruik (l) p/u totaal adblu 10,8 832 50 10,8 1004 60 6,3 706 42 10,8 529 32 6,3 309 19 25,7 3392 204 10,8 1426 86 13,0 2964 178 6,3 1796 108 22,7 5970 358 15,7 3580 215

totale emissie [kg] NOx NH3 4,8 0,2 6,0 0,2 4,5 0,2 3,0 0,1 1,7 0,1 18,8 0,8 8,2 0,3 17,1 0,7 11,0 0,4 33,6 1,4 20,4 0,9 129,1 5,4

Figuur 9 inzet mobiele werktuigen op de bouwplaats – wegwerkzaamheden

Er vinden circa 708 bewegingen plaats met licht motorvoertuigen (auto’s, busjes). In de regel zullen deze ’s ochtends aankomen en ’s middags weer vertrekken. Alleen bij het vertrekkende verkeer is er sprake van een koude start (354x per jaar). Er vinden circa 2874 bewegingen plaats met zware motorvoertuigen (>2-assen). Het vrachtverkeer staan in principe niet langer dan 2 uur met de motor uit op de bouwplaats. Er treden dan ook geen koude starts op (zie 2.1.3). stationair draaien van motorvoertuigen: De emissie door stationair draaien van motorvoertuigen in het plangebied is weergegeven in de onderstaande tabel. stationair draaien / motorvoertuigen Zwaar wegverkeer

draaiuren

emissie [gram/uur]

totale emissie [kg]

NOx

NOx

132 80,12

NH3

0,99 10,58

NH3 0,13

Figuur 10 stationaire emissies motorvoertuigen bouwplaats – wegwerkzaamheden

A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 11

2.7 Periode realisatiefase Volgens de ‘instructie gegevensinvoer’ dient bij tijdelijke emissies de totale emissie per jaar ingevoerd te worden: uitgaande van de aaneengesloten 12 maanden met de hoogste emissie. Het plangebied wordt eerst bouwrijp gemaakt (6mnd) en vervolgens worden ontwikkeld (bouwen + woonrijp maken) in tenminste 3,5 jaar. Aangezien er in het omgevingsplan geen regels t.a.v. het bouwtempo en de fasering staan, is de inzet van mobiele werktuigen en verkeer ten behoeve van het bouwen en woonrijp maken evenredig verdeeld over 3,5 jaar. Omdat het plan faseert gerealiseerd zal worden, vinden gedurende de realisatieperiode in toenemende mate verkeer van en naar opgeleverde woningen plaats vinden. Om deze reden zal voor stikstof het maatgevende bouwjaar het eerste bouwjaar (waarin bouwrijp gemaakt wordt, dan wel het laatste bouwjaar, waarin het meeste verkeer van en naar opgeleverde woningen rijdt) zijn. Beide bouwjaren zijn onderzocht in dit onderzoek. in het eerste bouwjaar gaat het om alle emissies en verkeersaantallen t.g.v. bouwrijp maken en om 1/7 van de totale emissies en verkeersaantallen t.g.v. bouwen en woonrijp maken. in het laatste bouwjaar gaat het om 2/7 van de totale missies en verkeersaantallen t.g.v.

bouwen en woonrijp maken alsmede om 5/7 van het totaal aantal verkeersbewegingen dat het plan genereert vanwege de in het 4e bouwjaar reeds opgeleverde woningen.

A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 12

3.

Emissies gebruiksfase

3.1. Wegverkeer De verkeersgeneratie is bepaald met behulp van het verkeersmodel van de gemeente Zwolle. Twee scenario’s zijn gebruikt bij dit stikstofdepositie onderzoek: - het eerste scenario gaat uit van een projectgebied dat geen verkeersgeneratie heeft; - het tweede scenario houdt rekening met de ingebruikname van 526 woningen, een kinderdagverblijf in het projectgebied en Boei. De totale verkeersgeneratie ten gevolge van het project komt daarmee uit op 2.115 lichte en 10 middelzware voertuigbewegingen per gemiddelde weekdag. Voor de kinderdagverblijf is rekening gehouden is met 10 lichte en 1 middelzware motorvoertuigbeweging, voornamelijk door personeel. Vanwege de ligging van het kinderdagverblijf en de afwezigheid van andere woonwijken is uitgegaan dat alle kinderen afkomstig zijn uit deze wijk en dat er geen additionele verkeersbewegingen plaats vinden omdat het vertrekkende verkeer uit de wijk al is meegenomen. De doorrekening van het verkeer en de verkeersstromen zijn bepaald conform de “Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2025”, (versie 1 oktober, 2025). Een algemeen criterium voor verkeer van en naar inrichtingen is dat de gevolgen niet meer aan de inrichting worden toegerekend wanneer het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden, projecten met of zonder netwerkeffect.

Dit zijn Infrastructurele projecten en projecten van zeer grote omvang, zoals grote woonwijken, grote industriecomplexen of nieuwe (lucht)havens. Voor plannen zonder netwerkeffecten, zoals het onderhavige, geldt dat het aan- en afvoerende verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld als wordt voldaan aan de onderstaande twee criteria genoemd: 1. Het verkeer door het plan onderscheidt zich hier door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. 2. De verhouding tussen de hoeveelheid verkeer (per etmaal) dat door het voornemen wordt aangetrokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer. In de regel wordt het verkeer meegenomen tot het zich verdund heeft tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer. Daarbij worden de verkeersstromen gerelateerd aan het plan gemodelleerd tot dat dit aantal minder is dan 5% van het reeds aanwezige verkeer. Het percentage van 5% is gestoeld op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 4.

3.2. Emissies tijdens het starten van voertuigen (zgn. koude start) Het totale aantal voertuigbewegingen bestaat uit vertrekkende en aankomende voertuigbewegingen. Alleen vertrekkende voertuigen met een verbrandingsmotor kunnen hogere koude start-emissies hebben. In dit onderzoek is het uitgangspunt gehanteerd dat 4

Zie onder andere ABRS 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:249, r.o. 97-97.1 (Landgoed Paleis Soestdijk) en ABRS 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4335, r.o. 14.2, waarin de Afdeling oordeelt: “Op basis van de uitgangspunten in de Instructie is de conclusie dat een planbijdrage van minder dan 5% zich niet meer onderscheidt van het al aanwezige verkeer.” A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 13

het gaat om 50% van het lichte verkeer. Vrachtwagens parkeren niet langer dan 2 uur. Deze 50% van de lichte motorvoertuigen is een worstcase aanname, aangezien hogere koude start-emissies niet van toepassing zijn op voertuigen die binnen 2 uur na aankomst weer vertrekken (bezoekers, bezorgdiensten). Conform recente cijfers van RVO gebaseerd op het kentekenregister van de RDW is het percentage elektrische personenauto’s (BEV en PHEV) in de gemeente Zwolle 10,3% .

Dit betekent dat er gemiddeld niet meer dan 2115 x 89,7% /2= 948,6 koude starts per dag zijn door lichte voertuigbewegingen met een verbrandingsmotor. In het 4e bouwjaar gaat het om 5/7 van het verkeer: 677,6 koude starts per etmaal.

A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 14

3.3. Huishoudens De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 18 oktober 2023 geoordeeld dat wat betreft de uitstoot in de gebruiksfase van de woning van NOx anderszins (kaarsen en olielampen) en de uitstoot van NH3 door mens en (huis)dier, deze uitstoot in lijn met de ‘instructie gegevensinvoer’ geen aan de bouw of het gebruik van een specifieke woning toe te rekenen emissies zijn. De Afdeling concludeert dat als er geen sprake is van een aparte energiebron voor verwarmen en koken, volgt dat voor NOx vanwege het gebruik van de in het plan voorziene gasloze woning conform de ‘instructie gegevensinvoer’ een emissiefactor van 0 kan worden gehanteerd5. NOx: De nieuwe woningen worden gasloos. Conform de ‘instructie gegevensinvoer’ en jurisprudentie is een emissiefactor van 0 gehanteerd. NH3: Conform de ‘instructie gegevensinvoer’ en jurisprudentie hoeft voor woningen binnen de sector wonen en werken geen NH3 emissie berekend te worden. Er is een emissiefactor van 0 gehanteerd.

5

ECLI:NL:RVS:2023:3845 A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 15

4. Referentiesituatie plan De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder geoordeeld dat voor de beoordeling van de gevolgen van een plan voor Natura 2000-gebied alle samenhangende gevolgen dienen te worden betrokken, zoals bijvoorbeeld AbRS 23 maart 2016 , r.o. 27.4 (Randweg Haps6) waarbij werd geconcludeerd dat “De raad daarbij terecht ook de positieve gevolgen van de aanleg van de randweg als gevolg van het feitelijk verdwijnen van landbouwgronden heeft betrokken. Het betreft in dit geval een rechtstreeks, onlosmakelijk gevolg van het plan, nu de weg ter plaatse van deze gronden zal worden aangelegd en deze gronden zodoende niet meer agrarisch kunnen worden gebruikt.”; Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat bij omgevingsplannen (voorheen bestemmingsplannen), voor wat betreft het aspect stikstof, als referentiesituatie de feitelijk bestaande en planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan gehanteerd moet worden. Daarnaast accepteert de Afdeling twee uitzonderingen: 1. Als op een eerder moment een passende beoordeling is uitgevoerd. 2. Als met bewijzen kan worden aangetoond dat het gebruik is gestopt vanwege de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen (201908558/1/R4). In het plangebied zijn verschillende percelen die nu gebruikt als grasland dat wordt bemest.

De beëindiging van dit agrarische gebruik alsmede omwille van de woningbouwontwikkeling is aan te merken als het rechtstreekse, onlosmakelijke (positieve) gevolg van de woningbouwontwikkeling en het onderhavige omgevingsplan (zie paragraaf 1.3) Op percelen waar een agrarisch gebruik is toegestaan is deze bemesting meegenomen als ‘(interne) salderingsmaatregel’. De saldering richt zich enkel op de bemesting: Voertuigbewegingen van en naar deze percelen en de inzet van mobiele werktuigen op de percelen (bv. een tractor) zijn buiten het onderzoek gelaten, waardoor de berekende positieve effecten een worstcase berekening in het licht van de interne saldering is.

6

https://www.raadvanstate.nl/@103389/201406796-1-r3/ A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 16

4.1. Planologische situatie Allereerst is de planologische situatie in beeld gebracht. De gronden in het plangebied vallen momenteel onder het onherroepelijke bestemmingsplan “Buitengebied - IJsselzone, Windesheim”. Agrarisch gebruik is mogelijk binnen de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschap”, in licht groen aangegeven op de onderstaande uitsnede van de plankaart.

Figuur 11 bestemming conform vigerend bestemmingsplan Figuur 12 uitsnede plankaart "Buitengebied - IJsselzone Windesheim"

4.2. Feitelijk gebruik In het plangebied zijn 2 percelen onderscheiden die een agrarisch gebruik kennen.

Figuur 13 percelen met agrarisch gebruik

Deze percelen zijn beide in gebruik als grasland, waarvan perceel 1 tevens met beweiding.

A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 17

4.3. Bodemtype Bij de aanwending van mest op deze agrarische percelen vervliegt een deel van de toegepaste meststoffen, waarna het elders weer neerslaat. Welk deel vervluchtigt en vervolgens op andere locaties deponeert is locatie afhankelijk. Met name gewas en bodemsoort spelen hierbij een rol. De afgelopen jaren zijn de gebruiksnormen afgenomen. Volgens het uitvoeringsbesluit meststoffenwet is er sprake van de grondsoort ‘klei’ (zie onderstaande figuu7r).

Figuur 14 grondsoortenkaart uitvoeringsbesluit Meststoffenwet

7

https://ez.maps.arcgis.com/apps/instant/basic/index.html?appid=2b302b605d1b49a797e8132dca90e386 A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 18

4.4. Stikstofgebruiksnormen voorkomende gewassen Het onderstaande overzicht toont de geldende stikstof gebruiksnormen van RVO8 voor de grasland op de percelen binnen het plangebied.

Figuur 15 RVO stikstofgebruiksnormen

4.5. Derogatie dierlijke bemesting t.o.v. de nitraatrichtlijn Op gras- en bouwland mag volgens de Nitraatrichtlijn slechts 170 kilogram stikstof (Ntot) in de vorm van dierlijke mest per hectare per jaar worden toegediend. De Europese Commissie (EC) heeft Nederland derogatie verleend voor de hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest die op het land uitgereden mag worden. Met een derogatievergunning mag er meer mest wordt gebruikt op door graasdierbedrijven bij minstens 80% gras. De Europese Commissie (EC) heeft op 30 september 2022 een nieuwe derogatiebeschikking afgegeven. De Europese Commissie bouwt de derogatienorm vanaf 2023 af tot de derogatie in 2026 stopt. De normen zijn in het onderstaande schema weergegeven.

Figuur 17 derogatienormen vanaf 2023

Er is gerekend met 170 kg N per ha per jaar.

Figuur 16 grondwaterbeschermingsgebieden 8

https://www.rvo.nl/sites/default/files/2024-12/Tabel-2-Stikstof-landbouwgrond-2025_0.pdf A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 19

Geen derogatie meer voor sommige gebieden (bufferstroken) Vanaf 2023 kan geen derogatie meer verkregen worden voor percelen in Natura 2000gebieden en in grondwaterbeschermingsgebieden. Het projectgebied ligt niet in Natura2000 (zie figuur 3) of grondwaterbeschermingsgebied (zie onderstaande afbeelding).

De zgn. ‘Bufferstroken’, stroken langs sloten mogen vanaf 1 januari 2023 niet meer bemest worden. Hier is een uitgebreide regeling voor. Een bufferstrook hoeft nooit groter dan 4% van het perceel te zijn. Worstcase wordt in het onderhavige onderzoek rekening gehouden met deze zgn. bufferstroken door het areaal dat bemest werd te vermenigvuldigen met 0,96. 4.6. Berekening NH3 emissie door bemesting Om de NH3 emissie bij bemesten te berekenen wordt aangesloten bij de uitgangspunten die de WUR hanteert bij berekening van de NH3-emissie in het model NEMA (NEMA staat voor Nationaal Emissiemodel voor Ammoniak (Van Bruggen et al., 2021; Van der Zee et al., 2021). NEMA wordt gebruikt voor de EmissieRegistratie (Van Bruggen et al., 2021; Van der Zee et al., 2021) en voor de Klimaat en Energie Verkenning (Vonk et al., 2020) en is eerder ook door CDM toegepast voor monitoring van de generieke maatregelen in het kader van PAS (CDM, 2020a). De met NEMA berekende ammoniakemissie wordt ook gebruikt als input voor de berekening van stikstofdepositie met AERIUS. In onderhavige studie is de meest recente versie van NEMA gebruikt (Van Bruggen et al., 2021; Van der Zee et al., 2021).

A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 20

4.6.1. Samenstelling van organische stoffen In NEMA wordt voor ammoniakemissie onderscheid gemaakt naar de emissie uit mest van de verschillende soorten landbouwdieren en andere bronnen, zoals kunstmest en gewasresten.

Figuur 18 tabel uit bemestingsadvies voor grasland en voedergewassen

4.6.2. TAN gehalte van de toegepaste mest Slechts een deel van de hoeveelheid stikstof in de toegediende mest wordt makkelijk omgezet in NH3. Dit wordt het totaal ammoniakaal stikstof genoemd (TAN). Het TANpercentage is berekend door de fractie Nmin uit de voorgaande tabel te delen door de fractie Ntot. Uit “Emissies naar lucht uit de landbouw met NEMA voor 1990-2021” van Wageningen University & Research d.d. juni 2023 volgt dat het laagste TAN-percentage 52% bedraagt9. 4.6.3. Omrekening van N naar NH3 Door de uitkomst van te vermenigvuldigen met 17/14 kan de emissie worden uitgedrukt in NH3 in plaats van de NH3-N10. 4.6.4. Emissiefactoren voor mesttoediening Bij bemesting bepaalt de toedieningstechniek mede hoeveel stikstof wordt geëmitteerd naar de lucht. Het model NEMA kent aan het toedienen van dierlijke mest standaard emissiefactoren toe. de lucht. Sinds de 2021 versie van NEMA is een wijziging doorgevoerd voor mesttoediening op grasland met zodenbemester. (Goedhart et al., 2020 ). Deze emissiefactor is in NEMA nu

Figuur 19 Emissiefactoren voor mesttoediening 9

Rekenregels van de KringloopWijzer 2020, WUR 2020 https://mijnkringloopwijzer.nl/media/favnqjg4/rekenregelrapport-klw-2020.pdf 10

https://legacy.emissieregistratie.nl/erpubliek/documenten/02%20Landbouwemissies/202 3%20(Van%20Bruggen,%20et%20al.)%20Emissies%20naar%20lucht%20uit%20de%20landbo uw%20berekend%20met%20NEMA%201990-2021.pdf –bijlage 3, tabel B3.2 rosévleeskalveren A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 21

op 17,0% van de ammoniakale stikstof (TAN) gesteld. Bij grasland is de gebruikelijke toedieningstechniek zodenbemesting. Als emissiefactor voor bemesting van grasland is uitgegaan van 17%: in sleufjes in de grond. 4.6.5. Werkingscoëfficiënt Met de werkingscoëfficiënt wordt bij dierlijke en andere organische meststoffen de werkzame hoeveelheid stikstof in de gebruikte hoeveelheid meststoffen berekent. Voor dierlijke mest en andere organische meststoffen zijn verschillende percentages vastgesteld. De percentages zijn afhankelijk van de mestsoort, herkomst, type bedrijf (met of zonder beweiding) en tijdstip van gebruik en in het kader van het landelijke mestbeleid vastgesteld11. 4.6.6. Kunstmest Kalkammonsalpeter of KAS is een stikstofhoudende kunstmest in korrelvorm. De kunstmest bestaat uit 27% Stikstof en 4% Magnesiumoxide en bevorderd de groei van planten door het tekort aan stikstof in de bodem te herstellen. In het Nationaal Emissiemodel voor Ammoniakvervluchtiging (NEMA) wordt voor KAS, op basis van uitgebreid internationaal onderzoek, uitgegaan van een emissiefactor van 2,5%. Deze emissiefactor van 0,025 is gehanteerd bij toepassing van KAS-kunstmest voor de toegestane kunstmestgift. Dit is de gebruiksnorm minus de werkzame N uit dierlijke mest. Hiervoor is uitgegaan van 60% van de kg N bij maaien en bouwland en 45% bij beweiden.

Voor kunstmest is de werkingscoëfficiënt 100%11. 4.6.7. overzicht emissie berekening bemesting Het volgende overzicht geeft per landbouwperceel de berekende ammoniakemissie weer: Kg % NH3/ha.jr ammoniakal door e N uit te bemesting VervluchKg N/ha bruto bemest rijden (omrekening tigingsdierlijke opper- oppermest(TAN) van N naar percentage bemesting vlak (ha) vlak (ha) (Velthof) NH3) (Velthof)

provincie

derogatie vergunbemesting met rundveemest op: ning

Bemesting 12,09 ha klei

OV

Grasland met beweiden

nee

170

12,090

11,606

52%

107,3

17%

18,2

211,8

Bemesting 0,89 ha

klei

OV

Grasland met volledig maaien

nee

170

0,890

0,854

52%

107,3

17%

18,2

15,6

Bemesting 1,44 ha

klei

OV

Grasland met volledig maaien

nee

170

1,440

1,382

52%

107,3

17%

18,2

25,2

Bemesting 0,27 ha

klei

OV

Grasland met volledig maaien

nee

170

0,270

0,259

52%

107,3

17%

18,2

4,7

bodemtype

perceel

perceel

Toegestane kunstmestgift (gebruiksnorm Emissiefactor Stikstofminus bij toepassing N-emissie uit gebruiks- werkzame N uit KASkunstmest in norm RVO dierlijke mest) kunstmest kg N/ha.jr

NH3 emissie dierlijke mest (kg/ha) (kg/jr)

NH3-emissie uit kunstmest (kg/ha) (kg/jr)

Bemesting 12,09 ha

345

268,5

0,025

6,7125

8,2

Bemesting 0,89 ha

385

283

0,025

7,075

8,6

7,3

Bemesting 1,44 ha

385

283

0,025

7,075

8,6

11,9

Bemesting 0,27 ha

385

283

0,025

7,075

8,6

2,2

94,6

Figuur 20 overzicht berekende ammoniakemissie per landbouwperceel

11

https://www.rvo.nl/sites/default/files/2015/04/Tabel%203%20Werkingsco%C3%ABffici%C3%ABnt% 20dierlijke%20en%20andere%20organische%20meststoffen%202014-2017(1).pdf A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 22

5.

AERIUS berekeningen

5.1. Uitgangspunten Met AERIUS Calculator zijn de eerder genoemde emissiebronnen gemodelleerd. • Het plangebied is gemodelleerd als oppervlaktebron. • De koude start emissies zijn gemodelleerd als vlakbron: ‘overig’ (geen parkeergarage) • Het stationair draaien van wegverkeer op de bouwplaats is gemodelleerd als vlak. Conform de rekeninstructie ‘Stationaire emissies wegverkeer’ is het stationair draaien van wegverkeer gemodelleerd onder de sector ‘Anders’. waarbij de emissie NOx en NH3 zijn ingevuld en de overige kenmerken zijn aangepast zodat deze vanuit worstcase benadering passend zijn voor de specifieke situatie. • Het wegverkeer op de openbare weg is gemodelleerd als lijnbron. Bij verkeersstromen tot de openbare weg is uitgegaan van stagnerend stadsverkeer (zie 2.1.3). Op de overige wegen is conform de door de gemeente Zwolle aangeleverde informatie bij het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uitgegaan van ‘doorstromend stadsverkeer’.

5.2. Rekenjaar Uitgangspunt is dat de depositiebijdrage inzichtelijk wordt gemaakt voor het jaar waarvoor de depositie het hoogst is. Door de technologische ontwikkelingen en milieuregelgeving nemen de emissies van o.a. wegverkeer met de jaren af. • De verspreidingsberekeningen voor de realisatiefase zijn uitgevoerd voor het eerste bouwjaar (2026) en het vierde bouwjaar (2029) - zie paragraaf 2.6 • De verspreidingsberekeningen voor de gebruiksfase zijn uitgevoerd voor 2030.

A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 23

5.3. Rekenresultaten 1e bouwjaar (2026) Uit de rekenresultaten met AERIUS Calculator versie 2025.0.1 blijkt dat ten gevolge van het onderhavige plan de depositietoename op verschillende reeds (bijna) overbelaste delen van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in 7 Natura 2000-gebieden. Hierbij worden kritische depositiewaarden overschreden. De hoogste depositie vindt plaats op Natura 200-gebied “Rijntakken” en is 0,07 mol/ha/jr.

Figuur 21 rekenresultaten AERIUS Calculator 1e bouwjaar

Voor gedetailleerde informatie over invoer en rekenresultaten wordt verwezen naar de met AERIUS gegenereerde rapportage (PDF) die als separate bijlage bij dit memo is gevoegd. A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 24

Verschilberekening 1e bouwjaar - referentiesituatie Uit de rekenresultaten met AERIUS Calculator versie 2025.0.1 blijkt dat uit de projectberekening (verschilberekening 1e bouwjaar minus referentie ) dat per saldo de NOx depositie op hexagonen met kwetsbare habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden in het eerste bouwjaar nergens hoger is dan in de referentiesituatie12.

figuur 22 rekenresultaten AERIUS Calculator saldoberekening 1e bouwjaar vs. referentie

Voor gedetailleerde informatie over invoer en rekenresultaten wordt verwezen naar de met AERIUS gegenereerde rapportage (PDF) die als separate bijlage bij dit memo is gevoegd.

12

De zgn. randeffecten veroorzaakt door de 25km afkap van AERIUS Calculator daargelaten. Deze randeffecten zijn geen planeffect. A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 25

5.4. Rekenresultaten 4e bouwjaar (2026) Uit de rekenresultaten met AERIUS Calculator versie 2025.0.1 blijkt dat ten gevolge van het onderhavige plan de depositietoename op verschillende reeds (bijna) overbelaste delen van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in 8 Natura 2000-gebieden. Hierbij worden kritische depositiewaarden overschreden. De hoogste depositie vindt plaats op Natura 200-gebied “Rijntakken” en is 0,12 mol/ha/jr.

Figuur 23 rekenresultaten AERIUS Calculator 1e bouwjaar

Voor gedetailleerde informatie over invoer en rekenresultaten wordt verwezen naar de met AERIUS gegenereerde rapportage (PDF) die als separate bijlage bij dit memo is gevoegd.

A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 26

Verschilberekening 4e bouwjaar - referentiesituatie Uit de rekenresultaten met AERIUS Calculator versie 2025.0.1 blijkt dat uit de projectberekening (verschilberekening 4e bouwjaar minus referentie) dat per saldo de NOx depositie op hexagonen met kwetsbare habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden in het vierde bouwjaar nergens hoger is dan in de referentiesituatie13.

figuur 24 rekenresultaten AERIUS Calculator saldoberekening 4e bouwjaar vs. referentie

Voor gedetailleerde informatie over invoer en rekenresultaten wordt verwezen naar de met AERIUS gegenereerde rapportage (PDF) die als separate bijlage bij dit memo is gevoegd.

13

De zgn. randeffecten veroorzaaakt door de 25km afkap van AERIUS Calculator daargelaten. Deze randeffecten zijn geen planeffect. A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 27

5.1 Rekenresultaten gebruiksfase Uit de rekenresultaten met AERIUS Calculator versie 2025.0.1 blijkt dat ten gevolge van het onderhavige plan de depositietoename op verschillende reeds (bijna) overbelaste delen van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in 3 Natura 2000-gebieden. Hierbij worden kritische depositiewaarden overschreden. De hoogste depositie vindt plaats op Natura 200-gebied “Rijntakken” en is 0,05 mol/ha/jr.

Figuur 25 rekenresultaten AERIUS (gebruiksfase)

Voor gedetailleerde informatie over invoer en rekenresultaten wordt verwezen naar de met AERIUS gegenereerde rapportage (PDF) die als separate bijlage bij dit memo is gevoegd.

A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 28

Verschilberekening gebruiksfase - referentiesituatie Uit de rekenresultaten met AERIUS Calculator versie 2025.0.1 blijkt dat uit de projectberekening (verschilberekening gebruiksfase minus referentie ) dat per saldo de NOx depositie op hexagonen met kwetsbare habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden in de gebruiksfase nergens hoger is dan in de referentiesituatie.

figuur 26 rekenresultaten AERIUS Calculator saldoberekening gebruiksfase vs. referentie

Voor gedetailleerde informatie over invoer en rekenresultaten wordt verwezen naar de met AERIUS gegenereerde rapportage (PDF) die als separate bijlage bij dit memo is gevoegd.

A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 29

6

Additionaliteit14

Een salderingsmaatregel mag alleen worden betrokken als mitigerende maatregel in een passende beoordeling, als aannemelijk wordt gemaakt dat de salderingsmaatregel niet geschikt óf niet nodig is om als passende- of instandhoudingsmaatregel voor natuur te dienen. Het moet dus gaan om aanvullende maatregelen; de maatregel moet additioneel zijn. Zoals in paragraaf 1.3 al uitgebreid is toegelicht, kan de additionaliteitstoets voor gemeentelijke omgevingsplannen worden doorlopen door zich ervan te vergewissen dat in openbare raadpleegbare gegevens, geen aanwijzingen staan dat het bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor het treffen van instandhoudings- en passende maatregelen de interne of externe salderingsmaatregel nodig acht als instandhoudings- of passende maatregel. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: 'Afdeling')15 volgt verder de wijze waarop de additionaliteitstoets moet worden doorlopen. Daarbij is allereerst relevant dat per Natura 2000-gebied de additionaliteitstoets moet worden doorlopen. De Afdeling overweegt daarbij dat het additionaliteitsvereiste geldt voor de inzet van de gehele referentiesituatie die als mitigerende maatregel wordt ingezet. Daarvoor is allereerst inzicht nodig in de effecten van het beoogde plan op de omliggende Natura 2000-gebieden als zodanig.

Uit de berekeningen (zie hoofdstuk 5) volgt dat het plan Nieuw Harculo op zichzelf - dat wil zeggen zonder salderingsmaatregelen c.q. mitigerende maatregelen – een extra depositiebijdrage heeft op de volgende Natura 2000-gebieden: • Rijntakken, maximaal 0,11 mol N/ha/jaar; • Veluwe, maximaal 0,08 mol N/ha/jaar; • Uiterwaarden Zwarte Water & Vecht, maximaal 0,03 mol N/ha/jaar; • Vecht- en Beneden-Reggegebied, maximaal 0,01 mol N/ha/jaar; • De Wieden, maximaal 0,01 mol N/ha/jaar; • Boetelerveld, maximaal 0,01 mol N/ha/jaar; • Sallandse Heuvelrug, maximaal 0,01 mol N/ha/jaar. • Olde Maten & Veerslootslanden, maximaal 0,01 mol N/ha/jaar. Deze toename wordt volledig weggenomen door de inzet van de salderingsmaatregel als mitigerende maatregel. Voor deze gebieden en deze toenames moet derhalve beoordeeld worden of het additionaliteitsvereiste in de weg staat aan het inzetten van de salderingsmaatregel, gelet op de vergewisplicht. In dit geval volgt uit de Beheerplannen, Natuurdoelanalyses en overige bekende openbare gegevens met betrekking tot deze Natura 2000-gebieden, niet dat de beëindiging van bemesting op de onderhavige agrarische percelen in het plangebied, voor zover die wordt ingezet als mitigerende maatregel voor het plan, als instandhoudings- of passende maatregel voor deze Natura 2000-gebieden is vastgesteld of wordt overwogen. Dat wordt hierna nog nader toegelicht.

Vervolgens is relevant dat uit de rechtspraak - samengevat - volgt dat de volgende stappen kunnen worden doorlopen in de beoordeling of het additionaliteitsvereiste een belemmering vormt voor de vaststelling van het omgevingsplan: 14

Deze paragraaf en beoordeling is opgesteld in samenspraak met Reinoud Kleijberg (ecoloog) van Kleijberg Ecologie. 15 Zie onder meer ABRS 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:625 (GOL) in samenhang met ABRS 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 21.2 (artikel 6 lid 1 Hrl.) en r.o. 21.3 (artikel 6 lid 2 Hrl.). A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 30

1. Is de salderingsmaatregel een maatregel die naar zijn ook aard ook geschikt is om ingezet te worden als instandhoudings- of passende maatregel. Zo ja, dan mag deze alleen als mitigerende maatregel in een passende beoordeling worden betrokken als: 2. Het behoud van natuurwaarden is geborgd, of in geval een verbeter- of hersteldoelstelling geldt, dat doel ook op andere wijze kan worden gerealiseerd. Verder geldt dat een maatregel die als passende maatregel zou kunnen worden ingezet, als mitigerende maatregel in een passende beoordeling kan worden betrokken als andere maatregelen zijn of zullen worden getroffen om een dreigende verslechtering en verstoring met significante gevolgen voor soorten en habitattypen te voorkomen. Voor de onderbouwing hiervan geldt een aannemelijkheidstoets, waarbij in ieder geval aannemelijk moet worden gemaakt dat de te treffen natuur(herstel)maatregelen zorgdragen voor: a. een (blijvende) daling van stikstofdepositie; en (in een geval dat een toetsing aan artikel 6 lid 2 Hrl nodig is) b.

er (aanvullende) bron- of herstelmaatregelen zijn of zullen worden getroffen, waarvan het aannemelijk is dat die binnen afzienbare termijn zullen zorgdragen voor de noodzakelijke daling van stikstof op de habitats, waarvoor in de NDA’s een “Nee, tenzij”-oordeel is gegeven en waarvoor stikstof een drukfactor of knelpunt is.16 Bij het beoordelen of materieel aan het additionaliteitsvereiste wordt voldaan (punt 2) kan verwezen worden een plan, programma of pakket van maatregelen. Daarin moet gemotiveerd worden welke instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen nodig zijn om uitvoering te geven aan artikel 6 lid 1 en lid 2 van de Hrl. Daarvoor is wel van belang dat het gaat om een plan, programma of pakket van maatregelen dat in uitvoering is en dat zo nodig vergezeld gaat van monitoring van de uitvoering en effecten en dat voorziet in bijsturing of aanvulling indien nodig. Ook in dat kader is relevant om inzicht te bieden in de (blijvende) daling van stikstofdepositie en de prognose gelet op te treffen aanvullende maatregelen.17 Tot slot is relevant dat het additionaliteitsvereiste uitsluitend wordt beoordeeld voor wat betreft de inzet hiervan als mitigerende maatregel. Dat betekent dat aanvullende positieve gevolgen van een in te zetten mitigerende maatregel, in de additionaliteitstoets niet (zonder meer) mogen worden betrokken.

Die aanvullende positieve gevolgen zijn namelijk niet te kwalificeren als een mitigerende maatregel. Wel kan dit surplus onder voorwaarden als instandhoudings- of passende maatregel onderdeel uitmaken van de te treffen natuur(herstel)maatregelen. Daarvoor is nodig dat het bevoegd gezag die maatregel als zodanig ook beschouwd en heeft meegenomen in haar beoordeling over de te treffen (ten opzichte van de NDA) aanvullende maatregelen om de noodzakelijk daling van stikstof te verwezenlijken.18 6.1 Natura 2000-gebieden Uiterwaarden Zwarte Water & Vecht, Vecht- en BenedenReggegebied, De Wieden, Boetelerveld, Sallandse Heuvelrug en Olde Maten & 16 Zie ABRS 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1971 (Ring Utrecht), r.o. 81.4 t/m 81.6. Maar ook ABRS 14

februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:625 (GOL), ABRS 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3981 (ViA15) en de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024 , ECLI:NL:RVS:2024:4923 (Rendac), r.o. 21.2 en r.o. 21.3 en ECLI:NL:RVS:2024:4909 (Amercentrale). 17 Zie ook (naast de uitspraken uit de vorige voetnoot): ABRS 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71 (Logtsebaan), r.o. 7.3 en ABRS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 (PAS), r.o. 28.2. 18 Zie ABRS 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2404 (Overduin), r.o. 19.5. A Herman Broodstraat 127 |9403BM Assen | T 06-12 19 98 04 KvK 54.87.73.42 BTW-nr NL001387670B84 IBAN: NL73ASNB8821123588 E info@langelaarmilieuadvies.nl | I www.langelaarmilieuadvies.nl | 31

Veerslootslanden Zoals uit het vorenstaande volgt, is het additionaliteitsvereiste uitsluitend van toepassing indien de salderingsmaatregel ook geschikt kan zijn om als passende- of instandhoudingsmaatregel te dienen. In dit geval wordt als mitigerende maatregel ingezet de beëindiging de bemesting van agrarische percelen om de toenames van het plan weg te nemen. Als mitigerende maatregel voor de Natura 2000-gebieden Vecht- en Beneden_Reggegebied, De Wieden, Boetelerveld, Sallandse Heuvelrug en Olde Maten & Veerslootslanden wordt evenwel slechts maximaal 0,01 mol N/jaar als mitigerende maatregel ingezet. Voor het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht is deze bijdrage dan maximaal 0,03 mol N/ha/jaar. Deze mitigerende maatregelen zijn ook gelegen op 10 km, 10,5 km, 9,5 km, 12 km, 8,5 respectievelijk 4 km afstand van deze Natura 2000-gebieden. Dit betreffen naar zijn aard (zie wettelijk kader onder punt 1) dan ook geen ontwikkelingen die als natuur(herstel)maatregel voor deze Natura 2000-gebieden kunnen worden ingezet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=67592483-3492-4c30-8bf9-7a9986da3f16