CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22i Harculo_Bijlagen bij de motivering_Bijlage 31 Voortoets en passende beoordeling

Raad Besluitvormingsronde 26 mei 2026, gemeente ZwolleBij agendapunt: Vaststelling 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22i Harculo' en ‘Beleidsregel Beeldkwaliteit Harculo’17.786 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.6 Broedvogelsoorten Het plangebied is in 2024 in zijn geheel onderzocht op het voorkomen van broedvogels (Ruiter et al., 2024). Het plangebied vormt geen broedgebied voor vogels die in het Natura 2000-gebied als broedvogel worden beschermd. Het gebied is voor de meeste van deze vogelsoorten geen geschikt habitat, bijvoorbeeld voor vogels van (riet)moerassen (roerdomp, woudaap, porseleinhoen, grote karekiet, zwarte stern, blauwborst) en steilranden (ijsvogel, oeverzwaluw). De dodaars broedt wel in de omgeving, maar de havenbekkens zijn te weinig begroeid voor deze soort. De graslanden in de uiterwaard zijn niet geschikt voor de watersnip. De kwartelkoning zou hier wat betreft habitat kunnen broeden, maar deze soort is hier volgens de NDFF in de laatste 10 jaar niet broedend waargenomen,

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 29 van 53

en ook in het onderzoek in 2024 niet gezien. De enkele broedparen langs de IJssel broeden in natuurgraslanden.

4.7 Niet broedvogelsoorten Uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn alle waarnemingen uit de afgelopen 10 jaar van nietbroedvogels binnen het plangebied opgehaald. Vrijwel alle waarnemingen zijn afkomstig van telprojecten van Stichting Ornithologisch Veldonderzoek Nederland (Sovon). De meeste waarnemingen zijn van het Meetnet Urbane Soorten, en betreffen waarnemingen die alleen in het voorjaar zijn gedaan. Van ganzen en scholekster zijn ook tellingen van slaapplaatsen gedaan buiten het voorjaar. Daarnaast zijn er enkele losse waarnemingen van waarneming.nl in het bestand opgenomen. Opvallend is dat er geen waarnemingen in het bestand zitten die afkomstig zijn van de al lang lopende watervogeltelling van SOVON. Dit lijkt erop te wijzen dat het plangebied geen deel uitmaakt van dit monitoringproject, mogelijk omdat daarvoor geen vrijwilligers beschikbaar zijn. De gegevens in de NDFF geven daarmee een incompleet beeld van de in de beide insteekhavens voorkomende soorten niet-broedvogels buiten het voorjaar. Een overzicht van soorten en waarnemingen uit de NDFF is opgenomen in Tabel 4-2. In het plangebied zijn 12 niet-broedvogelsoorten waargenomen waarvoor de Rijntakken is aangewezen. Het gaat in de meeste gevallen om algemeen voorkomende soorten, die in het gebied rusten of foerageren.

De meeste watervogels zijn waargenomen in de zuidelijke haven, van de noordelijke haven zijn weinig waarnemingen bekend. Ganzen en steltlopers pleisteren daarnaast in de uiterwaard. Opvallende waarnemingen zijn die van scholeksters die soms in relatief grote aantallen (tot 300 exemplaren) pleisteren/slapen op de steiger in de noordelijke insteekhaven in de periode februari-maart. Waarnemingen in de NDFF gaan tot en met 2017, maar uit waarnemingen op waarneming.nl blijkt dat deze slaapplaats ook nu nog wordt gebruikt in de late winter. Buiten deze periode zijn alleen kleine groepjes scholeksters waargenomen.

Tabel 4-2 Waarnemingen Natura 2000 niet-broedvogelsoorten binnen het plangebied (Bron: NDFF) Soort Locatie(s) Aantal Aantal vogels per Periode waarnemingen waarneming Aalscholver IJssel, havens 12 1-2 2014-2021 Bergeend Zuidelijke haven 3 1-4 2014-2017 Fuut Zuidelijke haven 34 1-9 2014-2022 Grauwe gans Zuidelijke haven, uiterwaard 41 1-132 2014-2023 Kolgans Zuidelijke haven 3 4-290 2016-2018 Krakeend Zuidelijke haven 3 2-9 2018-2022 Kuifeend Zuidelijke haven 10 1-40 2014-2022 Meerkoet Zuidelijke haven 42 1-22 2014-2023 Scholekster Havens, uiterwaard 88 1-295 2014-2022 Tureluur Uiterwaard 5 1-2 2014-2021 Wilde eend Zuidelijke haven, uiterwaard 31 2-16 2014-2022 Wulp Havens, uiteraard 15 1-2 2014-2021 Ook buiten het voorjaar zullen de havens voor veel niet-broedvogels een geschikt leefgebied zijn vanwege de aanwezige luwte en rust, met name in de zuidelijke haven. Verschillende vogelsoorten kunnen hier ook foerageren, met name visetende soorten zoals aalscholver, fuut, verschillende eendensoorten. Vanuit de

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 30 van 53

landelijke verspreiding in de winter (op basis van SOVON, 2021) en geschiktheid van de havens als habitat voor niet-broedvogels zullen deze buiten de broedperiode vooral door de volgende soorten als leefgebied worden gebruikt: fuut, aalscholver, brandgans, bergeend, smient, wilde eend, kuifeend, tafeleend, meerkoet, scholekster, kievit en wulp.

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 31 van 53

5 Voortoets 5.1 Inleiding: doel en scope van de voortoets In deze voortoets is beoordeeld of de ontwikkeling en het gebruik van Nieuw Harculo beschouwd moet worden als een Natura 2000-activiteit onder de Omgevingswet (zie ook par. 2.2). Dat is het geval wanneer het project afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Het doel van de voortoets is daarom om: - te inventariseren welke mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden optreden als gevolg van de inrichting en het gebruik van het plangebied; - te beoordelen of op voorhand uitgesloten kan worden dat deze effecten significante gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden; - te beoordelen voor welke onderdelen van het project een passende beoordeling moet worden uitgevoerd. De voortoets richt zich alleen op Natura 2000-gebieden (en dus niet op andere natuurgebieden of beschermde soorten), en dan alleen die gebieden die binnen de mogelijke invloedssfeer van het project liggen.

5.2 Mogelijke effecten van aanleg en gebruik van Nieuw Harculo Het inrichting en gebruik van het plangebied kan op verschillende wijzen de natuur in de omgeving beïnvloeden. Met de effectenindicator van LNV kunnen de mogelijke effecten (ook wel drukfactoren genoemd) van het project in beeld gebracht worden. Het project Nieuw Harculo heeft twee belangrijke invalshoeken: woningbouw en natuurontwikkeling. De drukfactoren die hierbij aan de orde kunnen zijn, zijn opgenomen in Tabel 5-1. Tabel 5-1 Drukfactoren voor het Natura 2000-gebied Rijntakken bij woningbouw en natuurontwikkeling Drukfactor Woningbouw Natuurontwikkeling Oppervlakteverlies X X Versnippering X Verontreiniging X Vermesting door stikstofdepositie X X Verzuring door stikstofdepositie X X Verdroging X X Verstoring door geluid X X Verstoring door trillingen X Optische verstoring X X Effecten van stikstofdepositie kunnen in beginsel ook optreden op andere Natura 2000-gebieden binnen een cirkel van 25 km van het plangebied. Andere effecten op deze gebieden kunnen uitgesloten worden vanwege de afstand van Nieuw Harculo tot de meest nabijgelegen delen van deze Natura 2000-gebieden (minimaal 3 km). In de volgende paragrafen is beoordeeld of deze drukfactoren ook optreden bij de ontwikkeling van Nieuw Harculo.

Daarbij is, waar relevant, onderscheid gemaakt tussen effecten die in de aanlegfase en de gebruiksfase kunnen optreden.

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 32 van 53

5.2.1 Oppervlakteverlies De grens van het Natura 2000-gebied Rijntakken ligt op de buitenteen van de winterdijk. Woningbouw vindt alleen plaats in het binnendijkse gebied en leidt daarom niet tot oppervlakteverlies binnen Natura 2000gebied. Maatregelen voor natuurontwikkeling vinden wel plaats in het buitendijkse gebied Dit leidt niet tot verlies van de oppervlakte natuurgebied. In dit deel van het Natura 2000-gebied komen geen habitattypen voor. Wel is het potentieel leefgebied van vogelsoorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. In de passende beoordeling wordt onderzocht of het verlies van de bestaande vegetatie leidt tot aantasting van leefgebieden van vogels. 5.2.2 Versnippering In het Natura 2000-gebied vinden geen ingrepen plaats die deelgebieden van elkaar afsnijden of barrières opwerpen voor in het gebied levende soorten. De versterking van natuurwaarden zal juist zorgen voor een meer samenhangend natuurgebied. Negatieve effecten van versnippering zijn daarom op voorhand uitgesloten en worden niet onderzocht in de passende beoordeling. 5.2.3 Verontreiniging De uitvoering van inrichtingsmaatregelen in zowel het buitendijkse als het binnendijkse gebied vindt zorgvuldig plaats, waarbij de van toepassing zijnde milieuregelgeving wordt gevolgd.

Daarmee is het vrijkomen van verontreinigende stoffen, behoudens het optreden van onvoorziene calamiteiten, uitgesloten. In de gebruiksfase van het project vinden geen lozingen van afvalstoffen plaats op het Natura 2000-gebied. Negatieve effecten van verontreiniging zijn daarom op voorhand uitgesloten en worden niet onderzocht in de passende beoordeling. 5.2.4 Vermesting en verzuring door stikstofdepositie Emissie van stikstof (met name NOx) vindt plaats in zowel de aanlegfase (als gevolg van verkeer en mobiele werktuigen) als de gebruiksfase (toename verkeer). Daar staat tegenover dat bestaande emissies in het plangebied die verband houden met het agrarisch gebruik van graslanden zullen verdwijnen op het moment dat begonnen wordt met de aanleg van het plan. Deze emissies bestaan voornamelijk uit ammoniak (NH3). Voor de plantoetsing van Nieuw Harculo zijn voor de bouwfase en de gebruiksfase verschilberekeningen uitgevoerd om de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden te berekenen. De uitgangspunten en werkwijze voor deze berekeningen zijn vastgelegd in Langelaar Milieuadvies (2026). Uit de rekenresultaten met AERIUS Calculator versie 2025.0.1 blijkt uit deze berekeningen dat de NOx depositie op hexagonen met kwetsbare habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden in zowel de bouwfase als de gebruiksfase nergens hoger is dan in de referentiesituatie.

Omdat in de berekening gebruik gemaakt wordt van interne saldering, wat gezien wordt als de toepassing van een mitigerende maatregel, dient het effect van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden opgenomen te worden in de passende beoordeling voor Nieuw Harculo (hoofdstuk 6). 5.2.5 Verdroging De (grond)waterstanden in het Natura 2000-gebied binnen het plangebied worden volledig bepaald door de waterstanden in de rivier. Bij hoge waterstanden inundeert het buitendijkse gebied. Bij lage rivierstanden nemen de grondwaterstanden in dit gebied af. Ontwikkelingen in het binnendijkse gebied hebben geen invloed op deze (grond)waterstandbewegingen.

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 33 van 53

De maatregelen in het buitendijkse gebied zijn gericht op het versterken van de rivierinvloed op de ontwikkeling van natuurwaarden. Dit leidt daarom niet tot negatieve gevolgen voor de aanwezige natuurwaarden. Negatieve effecten van verdroging zijn daarom op voorhand uitgesloten en worden niet onderzocht in de passende beoordeling. 5.2.6 Verstoring door geluid, licht, trillingen en optische effecten Verstoring in het Natura 2000-gebied Rijntakken kan optreden tijdens de uitvoering van werkzaamheden in de aanlegfase en in de gebruiksfase daarna. Binnen het Natura 2000-gebied ter hoogte van Nieuw Harculo komen alleen verstoringsgevoelige vogelsoorten voor. Verstoringsgevoelige soorten vissen en zoogdieren met een instandhoudingsdoelstelling komen hier niet voor. In het kader van Nieuw Harculo wordt in het Natura 2000-gebied alleen een meidoornhaag aangeplant langs de buitenteen van de dijk. Deze aanleg vindt plaats met klein materieel en heeft een korte uitvoeringstijd. Dit zal niet tot verstoring van dieren binnen het Natura 2000-gebied leiden. Het toekomstig beheer is extensiever dan het huidige agrarische beheer, zodat de verstorende invloed van het beheer in de uiterwaard afneemt.

Als gevolg van inrichtings- en bouwwerkzaamheden in het binnendijkse gebied kan verstoring van aanwezige dieren, met name vogels, plaatsvinden door geluid, trillingen en bewegingen van mensen en materieel. In de gebruiksfase is het buitendijkse gebied zeer beperkt toegankelijk. Verstoring van vogels in de uiterwaard en beide insteekhavens door bezoekers komt dan niet of nauwelijks voor. Recreatie op de taluds van de noordelijke haven zal voornamelijk in het zomerhalfjaar plaatsvinden. De dijk is het hele jaar door toegankelijk voor wandelaars (inclusief honden). Met name bij de noordelijke haven is het niet uitgesloten dat mensen en honden tot aan het water van de haven komen, zowel in de winter als in de zomer. Daarnaast is verstoring vanuit het woongebied als gevolg van geluid en uitstraling van licht niet op voorhand uitgesloten. Hoewel de dijk een afschermende werking voor zowel geluid als licht heeft, kan licht in hogere gebouwen ook over de dijk zichtbaar zijn in het Natura 2000-gebied. Dit kan worden veroorzaakt door hoge appartementengebouwen, de gebouwen op De Uitspanning en het atelier van RAW dat achter de dijk zal worden gebouwd. Verstoring door geluid zal in zeer beperkte mate plaatsvinden. De wijk heeft een woonfunctie, wat hoge geluidniveaus niet toelaat. Gemotoriseerd verkeer rijdt alleen met lage snelheden.

De geluidproductie in De Uitspanning wordt beperkt, en afgestemd op wat toelaatbaar is vanuit omliggende woningen en natuurgebieden. De ‘Studio on the Jetty’ op de steiger in de zuidelijke haven wordt prefab gebouwd en in zeer korte tijd (1 dag) ingehesen en gemonteerd op de steiger. De eventuele verstoring van vogels door deze bouwwerkzaamheden is daarmee zeer tijdelijk. De studio zal periodiek bewoond worden door een artist in residency. De bewoning is waarschijnlijk semipermanent. De steiger is niet toegankelijk. Het ontwerp van de studio is nog niet bekend, maar deze zal zeker ramen hebben. Overdag leidt dit niet tot verstoring van vogels die in de haven aanwezig zijn, omdat de ruiten spiegelend werken. ’s Avonds en ’s nachts kan lichtuitstraling potentieel verstorend werken op vogels. Dit effect kan eenvoudig voorkomen worden door lichtwerende maatregelen te nemen. Bijvoorbeeld in de vorm van raamafscherming met een automatische tijdbesturing. Omdat het gaat om stille activiteiten zullen er vanuit de studio geen geluidsemissies optreden. Omdat de deur aan de ‘landzijde’ van de steiger ligt is verstoring door de bewoner niet aan de orde.

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 34 van 53

De natuurinclusieve maatregelen aan de studio en de rest van de steiger zullen bijdragen aan het verbeteren van de habitatkwaliteit van de zuidelijke haven, met name voor broedvogels. Vogels in de zuidelijke haven zullen snel gewend zijn aan de aanwezigheid van de studio, wanneer ze merken dat er vanuit het gebruik daarvan geen bedreiging uit gaat.

5.3 Conclusies voortoets en onderzoeksopgave passende beoordeling Uit de analyse van mogelijke effecten van de aanleg en het gebruik van Nieuw Harculo in paragraaf 5.2 blijkt dat de volgende effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten: -

Effecten van stikstofdepositie, in verband met de toepassing van interne saldering; Oppervlakteverlies van leefgebied van vogels in het buitendijks gelegen Natura 2000-gebied in de aanlegfase; Verstoring van vogels door geluid, trillingen, beweging en licht in de aanlegfase en de gebruiksfase.

Deze effecten worden in de passende beoordeling vanaf hoofdstuk 6 nader onderzocht. Alle overige mogelijke invloeden van de aanleg en het gebruik van Nieuw Harculo leiden niet tot enig effect op het Natura 2000-gebied Rijntakken.

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 35 van 53

6 Effectbeschrijving passende beoordeling 6.1 Effecten van oppervlakteverlies Activiteiten met mogelijke effecten In het Natura 2000-gebied, waaronder de beide insteekhavens, vinden geen fysieke ingrepen plaats. Verlies van eventueel leefgebied van vogels door aantasting van bestaand leefgebied treden hier niet op. Bestaande habitatkwaliteit De huidige vegetatie van de uiterwaard bestaat uit soortenarm agrarisch grasland dat plaatselijk verruigd is met brandnetels en distels. Er zijn geen bijzondere kwaliteiten voor vogels aanwezig. Gebruik van de uiterwaard door niet-broedvogels Uit gegevens van de NDFF blijkt dat de uiterwaard een beperkte betekenis heeft voor niet-broedvogels waarvoor de Rijntakken zijn aangewezen als Natura 2000-gebied (zie paragraaf 4.7). Wilde eend en wulp zijn in lage aantallen aangetroffen. In het vroege voorjaar komen soms grote aantallen scholeksters voor die op de steiger van de noordelijke haven pleisteren voordat het broedseizoen begint. Ook zijn regelmatig grotere groepen grauwe ganzen aanwezig, waarvoor de uiterwaard een gunstig foerageergebied is. Grotere aantallen grauwe ganzen komen vooral in de vroege zomer voor, op het moment dat jonge vogels opgegroeid zijn. Na de inrichting zal het gebied bestaan uit minder voedselrijke graslanden, die beter aansluiten bij de halfnatuurlijke graslanden die bij het rivierengebied horen.

Voor de grauwe gans neemt de foerageerkwaliteit van het gebied af, voor veel andere soorten wordt het gebied aanmerkelijk aantrekkelijker, ook voor broedvogels. De pleisterplaats voor de scholekster zal ook in de toekomstige situatie blijven bestaan. Hieruit volgt dat alleen voor de grauwe gans negatieve effecten van oppervlakteverlies niet worden uitgesloten. In paragraaf 7.1 is beoordeeld of dit kan leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Rijntakken.

6.2 Effecten van stikstofdepositie Het onderzoek naar veranderingen in stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden als gevolg van de realisatie en het gebruik van Nieuw Harculo is uitgevoerd door Langelaar Advies (2026). Voor de uitgangspunten en rekenmethodes wordt verwezen naar deze notitie. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase depositietoenames optreden in zeven Natura 2000-gebieden (Tabel 6-1). Wanneer echter gesaldeerd wordt met de wegvallende emissies vanuit het huidige agrarische gebruik van delen van het plangebied blijkt in geen van de Natura 2000-gebieden sprake te zijn van een depositietoename. Wel treden dalingen van de depositie op in een aantal Natura 2000gebieden, zowel in de exploitatiefase als de gebruiksfase (Tabel 6-2).

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 36 van 53

Tabel 6-1 Maximale depositietoenames als gevolg van de realisatie en het gebruik van Nieuw Harculo, zonder saldering. Natura 2000-gebied

Rijntakken Veluwe Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht Vecht- en Beneden-Reggegebied Boetelerveld Sallandse Heuvelrug De Wieden Olde Maten & Veerslootlanden

Realisatiefase Depositietoename (mol N/ha/jr) 0,11 0,08 0,03

Berekende oppervlakte (ha) 27,74 13.652,54 3,84

0,01 0,01 0,01 0,01 0,01

385,36 20,16 12,39 148,76 12,16

Gebruiksfase Depositietoename (mol N/ha/jr) 0,05 0,03 0,01

Berekende oppervlakte (ha) 15,16 3.046,62 3,23

-

-

Tabel 6-2 Maximale depositieafnames als gevolg van de realisatie en het gebruik van Nieuw Harculo, inclusief saldering. Natura 2000-gebied

Rijntakken Veluwe Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht Vecht- en Beneden-Reggegebied De Wieden Olde Maten & Veerslootslanden Boetelerveld

Realisatiefase Depositieafname (mol N/ha/jr) 0,19 0,06 0,01

Berekende oppervlakte (ha) 14,57 1,730,64 1,19

Gebruiksfase Depositieafname (mol N/ha/jr) 0,25 0,10 0,03

Berekende oppervlakte (ha) 2.053,15 3.022,06 3,53

-

-

0,01 0,01 0,01 0,01

378,07 0,07 7,03 0,4

In geen van de Natura 2000-gebieden vindt als gevolg van de exploitatie en het gebruik van Nieuw Harculo een toename van de stikstofdepositie plaats op enig habitattype of leefgebiedtype. Het is daarom uitgesloten dat de realisatie en het gebruik van Nieuw Harculo leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken als gevolg van stikstofdepositie.

6.3 Effecten van verstoring op niet-broedvogels Zowel tijdens de bouw- en inrichtingswerkzaamheden als na realisatie van de woonwijk Nieuw Harculo kunnen effecten optreden als gevolg van verschillende storingsfactoren. 6.3.1 Activiteiten met mogelijke effecten in de bouwfase In het buitendijkse gebied vinden in het kader van Nieuw Harculo geen bouw- of inrichtingsactiviteiten plaats, behoudens het plaatsen van een meidoornhaag langs de buitenteen van de dijk. Het huidige agrarische beheer wordt vervangen door een extensief natuurbeheer, gericht op de ontwikkeling van bloemrijke graslanden. De aanwezigheid van mensen en werktuigen in het gebied wordt daardoor minder. De werkzaamheden in het binnendijkse gebied vinden plaats achter de dijken, waardoor een groot deel van de bewegingen van mensen en materieel niet zichtbaar zijn in de buitendijkse gebieden. Ook het gebruik van bouwverlichting leidt niet tot directe instraling in het buitendijkse gebied, vanwege de afschermende werking

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 37 van 53

van de dijk. Het gebruik van hoge kranen, en het werk aan gebouwen die hoger dan de dijk zijn kan wel leiden tot verstoring door beweging. Ook veroorzaken deze werkzaamheden incidenteel hoge geluidsintensiteiten, die mogelijk kunnen leiden tot hoge geluidbelastingen in leefgebieden van vogels. Bij het uitvoeren van heiwerkzaamheden vinden eveneens hoge geluidbelastingen in het buitendijkse gebied plaats. De effecten van trillingen door heien zullen beperkt blijven tot het binnendijkse gebied. Op een afstand van meer dan 50 meter zal de trillingshinder van heien over het algemeen aanvaardbare vormen aannemen. Geluidbelastingen van meer dan 50 dB(A) kunnen echter over veel grotere afstanden optreden. Heien van betonpalen leidt tot een geluidbelasting van gemiddeld 60dB(A) op 400 meter afstand (infomil.nl). 6.3.2 Activiteiten met mogelijke effecten in de gebruiksfase In de gebruiksfase is in het buitendijkse gebied geen sprake van toename van verstoring. Deze gebieden zijn niet toegankelijk. Het gebied kan alleen vanaf de dijk worden bekeken. De nieuwe natuur in het buitendijkse gebied ontwikkelt zich in samenhang met de ontwikkelingen van het gebied, waardoor er een evenwicht ontstaat tussen de verstorende invloed van mensen op de dijk en vogels in de uiterwaard.

Gebruik van de dijk als wandelroute kan wel leiden tot toename van verstoring van vogels die nu al aanwezig zijn in de beide havens. Dit speelt met name in de zuidelijke haven, omdat vanuit de noordelijke haven nu ook al fietsers en wandelaars op de dijk zichtbaar zijn. In noordelijke haven wordt de steiger in de maanden februari en maart tijdens de schemering en de nacht gebruikt door scholeksters als slaapplaats. De geluidproductie in het binnendijkse gebied is beperkt, ook omdat het een woongebied is waarin normen voor geluidbelasting gelden. Gemotoriseerd verkeer rijdt met lage snelheden waardoor weinig geluidemissie optreedt. Activiteiten in de Uitspanning worden afgestemd op de woonfunctie in de nabijheid, waardoor ook hier sprake is van beperkte geluidproductie. De geluidbelasting op de rand mag niet hoger zijn dan 50dB(A). Voor activiteiten met versterkte muziek moet een aparte evenementenvergunning worden aangevraagd, waarbij de effecten op Natura 2000 worden betrokken. De effecten van verstoring door geluid in de gebruiksfase zijn daarom beperkt. Verlichting vanuit woningen en andere gebouwen die boven de dijk uitsteken is zichtbaar vanuit het buitendijkse gebied en kan daarom verstoring veroorzaken van vogels in dit gebied.

6.3.3 Dosis-effectrelaties geluidbelasting door heien De verstoring van vogels als gevolg van geluid spitst zich toe op geluid afkomstig van heien in de bouwfase. Woningen achter de dijk en appartementengebouwen moeten worden gefundeerd op palen. Deze zijn relatief kort 7-8 meter lang. De duur van de heiwerkzaamheden is daardoor ook vrij kort. Bij het contact tussen het heiblok en de heipaal ontstaat een korte geluidemissie (klap). Bij het heien van een paal vindt daarom een aaneenschakeling van klappen met een tussenperiode van ca. 1 seconde. Dit geluid verspreidt zich in de omgeving, en kan tot op een bepaalde afstand worden waargenomen. Omdat het gaat om discontinue geluid, wordt dit effect impulsgeluid genoemd. Dit in tegenstelling tot geluidemissies van continue geluidsbronnen zoals verkeer. De effecten van heien dienen daarom beoordeeld te worden op basis van piekgeluiden. Het berekenen van een gemiddelde geluidbelasting doet geen recht aan de ervaring van het geluid door mensen en, in dit geval, vogels. Omdat de geluidbelasting in dat geval zowel binnen de afzonderlijke heicyclus, als tussen de verschillende heicycli zou worden uitgemiddeld ontstaat een onderschatting van de sterkte van de geluidbelasting zoals die als piekgeluid wordt ervaren in de omgeving.

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 38 van 53

Deze piekgeluiden komen boven op het al aanwezige achtergrondgeluid in het buitendijkse gebied. Voor de vogels zullen dit vooral natuurlijke geluiden zijn als gevolg van wind en golfslag, maar ook scheepvaart op de IJssel veroorzaakt geluid. Aangenomen mag worden dat zich een evenwichtssituatie heeft ingesteld tussen dit geluidniveau en de verspreiding van (verstoringsgevoelige) soorten in het gebied. De piekgeluiden hebben door hun impulskarakter een andere uitwerking op dieren, zeker ook omdat ze nieuw geïntroduceerd worden in het gebied. (De effecten van) het continue geluid van (scheepvaart-)verkeer en impulsgeluid van het heien kunnen daarom moeilijk op elkaar betrokken worden. De kennis over de effecten van geluid op vogels beperkt zich voornamelijk tot de effecten van verkeerslawaai op broedvogels. De veel toegepaste 42, 45 en 47 dB(A)LAeq 24h-drempelwaarden zijn gebaseerd op onderzoek van Reijnen en Foppen dat in de jaren ’80 - ‘90 is uitgevoerd. Dit onderzoek beschrijft echter alleen de geluidsgevoeligheid van broedvogels. Uit die studies bleek dat de dichtheid (of beter gezegd de afname van de dichtheid van broedvogels) nabij infrastructuur een relatie vertoonde met het geluidsniveau, waarbij een veelal soortspecifieke drempelwaarde kon worden aangetoond.

Waar het geluid boven de drempelwaarde kwam werd een sterke, plotselinge afname (en dus geen afwezigheid) van de dichtheid van broedvogels vastgesteld. Deze onderzoeksresultaten kunnen echter niet overgebracht worden naar de situatie bij Nieuw Harculo: hier is sprake van discontinue piekbelastingen en bovendien van niet broedende watervogels. Als gevolg hiervan dient de vraag zich aan of er in de literatuur andere drempelwaarden en vuistregels voorhanden zijn waarmee kwantitatief –of desnoods kwalitatief- de effecten van piekgeluiden op vogels voorspeld kunnen worden. Een zoektocht door de beschikbare literatuur leert dat dit slechts zeer ten dele het geval is. In twee vrij recent verschenen studies zijn de effecten van knalgeluiden onderzocht: - Effecten van schietoefeningen vanaf fort Erfprins op natuurwaarden in het zeegat van Texel. (Smit et al, 2007); - Vuurwerk en Natuur, effecten van evenementenvuurwerk op beschermde natuurwaarden in Zeeland (Van Apeldoorn & Smit, 2006). Beide rapporten proberen een inschatting te geven van de effecten van knalgeluid (schietoefeningen resp. vuurwerk) op onder meer vogels. Daarbij wordt een vrij breed overzicht gegeven van de op dit punt beschikbare literatuur.

Als eerste wordt geconstateerd dat er geen onderzoek bekend is waaruit algemene drempelwaarden of andere algemeen geldende vuistregels voor de effecten van knalgeluid kunnen worden afgeleid. De meeste studies geven afstanden vanaf de bron aan tot waarop effecten (uitgedrukt in opvliegen, over de grond verplaatsen, onrust) merkbaar zijn. Zelden worden daarbij bronniveaus of geluidsniveaus op de locatie waar het effect wordt waargenomen genoemd. Doordat deze gegevens ontbreken kunnen moeilijk drempelwaarden of vuistregels worden afgeleid. Opvallend is dat auteurs van beide rapporten geen bindende uitspraken durven te doen over de effecten van de onderzochte schietoefeningen en vuurwerkevenementen bij gebrek aan voldoende gegevens. Over de specifieke effecten van impulsgeluid als gevolg van heien op (water)vogels is eveneens zeer weinig bekend, wat het trekken van wetenschappelijk onderbouwde conclusies over de effecten van heien bemoeilijkt. Onderzoek in Engeland wees uit dat er weinig reactie van vogels was op geluid van heien met geluidvolumes tot 84 LAmax. De situaties waar wel verstoring optrad waren gecorreleerd met visuele verstoring door aanwezigheid van mensen (Institute of Estuarine & Coastal Studies, 2009). Omdat de werkzaamheden achter de dijk van de IJssel plaatsvinden, treedt een dergelijke visuele verstoring door mensen bij Nieuw Harculo niet op.

Uit bovengenoemde onderzoeken kunnen de volgende algemene conclusies getrokken worden, die van toepassing kunnen zijn op het beoordelen van de effecten van heien in Nieuw Harculo:

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 39 van 53

-

Een drempelwaarde van 75 dB(A) lijkt een reële waarde (uit onderzoek blijkt geen effect bij meer dan 60, wel effect bij 100 dB(A)). Aangenomen wordt dat bij knalgeluiden van meer dan 75 dB(A) een reactie bij foeragerende, rustende en broedende vogels waargenomen zal worden; Bij herhaald terugkerende drempel overschrijdende knallen kan langdurige of min of meer permanente mijding van het verstoorde gebied optreden. Bij welke frequentie dit optreedt, valt niet met zekerheid te zeggen; een expert-guess is dat bij wekelijks optredende drempel overschrijdende knallen er langdurige mijding van 1 à 2 dagen van een deel van de foeragerende en rustende vogels op zal treden. Bij meer frequente drempel overschrijdende knallen wordt min of meer permanente mijding van een deel van de rustende en foeragerende vogels verwacht. Nestverlating van broedende vogels wordt eveneens verwacht.

De geluidseffecten van heien op een Natura 2000-gebied zijn in het verleden met een geluidmodel bepaald voor de ontwikkeling van de woonwijk De Krijgsman in Muiden. Dit gebied grenst aan het IJmeer, waarbij het woongebied, net zoals bij Nieuw Harculo achter de dijk ligt. De heistelling lag in de berekening op een afstand van 70 meter van de dijk, en de uittreedhoogte van het geluid was (vanwege de lange palen die werden gebruikt) op 18 meter hoogte. Uit dit onderzoek bleek dat met deze uitgangspunten in het Natura 2000-gebied direct achter de dijk de piekbelasting 75 dB(A) was. De contour van 45 dB(A) lag op ongeveer drie kilometer afstand van de dijk. Uit dit onderzoek werd geconcludeerd dat het heien niet zou leiden tot piekbelastingen boven de 75 dB(A) in het aangrenzende Natura 2000-gebied. Omdat in Nieuw Harculo de woningen dichter bij de dijk liggen, maar waarschijnlijk aanzienlijk kortere heipalen (ca. 5-7 meter) gebruikt worden, zal de hoogte van de geluidbelastingen vergelijkbaar zijn maar de duur van de belasting (per paal) lager zijn, vergeleken met de berekeningen voor De Krijgsman. 6.3.4 Dosis-effectrelaties voor verlichting In de gebruiksfase kan verlichting in en aan gebouwen die boven de dijk uitsteken uitstralen naar de omgeving, waaronder het Natura 2000-gebied.

Deze verlichting bestaat uit relatief zwakke verlichting vanuit de woningen en gebouwen van De Uitspanning. Voor het bepalen van effecten van licht op daarvoor gevoelige soorten is het verschil tussen de begrippen verlichtingssterkte en lichtsterkte van belang: - De verlichtingssterkte, verlichtingsdichtheid of illuminatie is de op een oppervlak invallende lichtstroom per oppervlakte-eenheid. De SI-eenheid is lux. - Onder de lichtsterkte van een lichtbron wordt verstaan het stralingsvermogen dat die bron per eenheid van ruimtehoek uitzendt, gecorrigeerd voor de spectrale gevoeligheid van het oog. De lichtsterkte van een bron geeft aan welk vermogen (energie per tijdseenheid) de bron in een bepaalde richting uitstraalt. Naarmate de lichtsterkte van een bron groter is, is ook de verlichtingssterkte op een bepaalde afstand van die bron groter. De verlichtingssterkte neemt kwadratisch af met de afstand tot de verlichtingsbron. Dit betekent dat een verlichtingsbron op een bepaalde afstand nog wel zichtbaar is voor een waarnemer, terwijl deze bron geen waarneembare toename van de verlichtingssterkte veroorzaakt. Vergelijk hierbij het effect van een stoplicht: het licht is op grote afstand zichtbaar, terwijl het pas op veel kortere afstand leidt tot verlichting van objecten die voor het stoplicht staan. Onderstaande verbeelding van het atelier van RAW illustreert dit verschil.

De verlichting in het atelier is wel zichtbaar vanaf het water maar is dermate zwak dat de verlichtingssterkte in het Natura 2000-gebied niet significant toeneemt.

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 40 van 53

Op het gebied van lichthinder voor natuur is nog geen landelijke wetgeving voor handen. Er zijn daarom geen wettelijke normen waaraan getoetst kan worden. Wel heeft de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) richtlijnen uitgegeven ten aanzien van voorkoming van lichthinder (NSVV, 2015). In de richtlijn voor terreinverlichting zijn gebieds- en periodeafhankelijke normen opgenomen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een viertal gebiedstyperingen/zones met elk een eigen norm. Voor natuurgebieden wordt voor de periode tussen 23.00 en 7.00 een norm van 1 lux aangehouden.

Figuur 6-1 Verbeelding lichtemissie vanuit het nieuwe atelier van RAW in De Uitspanning (Buro Ma.an). Er is een belangrijke bron van empirisch onderzoek naar het effect van kunstlicht (wegverlichting) op fauna (Molenaar, 2003). In dit onderzoek werd een grenswaarde van 0,1 lux vastgesteld als referentiewaarde voor niet-verlichte situaties waarbij er geen effecten zijn voor zoogdieren. Deze grenswaarde is o.a. gehanteerd in de MER Maasvlakte 2 (Royal Haskoning, 2007). De 0,1 lux contour wordt algemeen geaccepteerd als een waarde waar beneden geen significante negatieve gevolgen optreden op planten- of diersoorten (Meijer, 2013). Deze algemeen geaccepteerde norm die wordt gehanteerd bij de toepassing voor Natura 2000gebieden, is dus strenger dan de normen voor hinder vanuit sportveldverlichting en terreinverlichting die door de Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde (NSVV) zijn opgesteld. Voor het bepalen van het maximale effect van uitstralende verlichting vanuit gebouwen is gekeken naar de positie van de hoogste gebouwen (maximaal 7 bouwlagen) in de directe omgeving van de dijk. Deze gebouwen hebben een maximale bouwhoogte van 21 meter. Deze gebouwen veroorzaken in potentie de grootste effecten in Natura 2000-gebied, en zijn daarmee maatgevend voor de effecten op vogels in dat gebied.

De uitstraling van licht vanuit lagere bebouwing (drie bouwlagen en minder) wordt afgeschermd door de dijk, omliggende bebouwing en/of beplanting en leidt op voorhand niet tot effecten op het Natura 2000-gebied. De uitgangspunten voor de bepaling van de effecten van licht vanuit gebouwen zijn: - Gevelverlichting aan de zijde van het Natura 2000-gebied wordt tot een minimum beperkt. Bij toepassing van gevelverlichting worden armaturen gebruikt die niet uitstralen naar de omgeving. - Overige verlichting is afkomstig uit de appartementen in de gebouwen, en bestaat uit gangbare verlichting van ruimtes, bedoeld voor de verlichting van het interieur. Er zijn geen lampen aanwezig die gericht zijn op het buiten de huizen gelegen terrein. Wel kan verlichting op eventuele balkons worden toegepast. - Aangenomen wordt dat tussen 24.00 uur en 6.00 uur ’s ochtends de verlichting grotendeels uit is, en de gebouwen dus min of meer donker zijn. Ook mag worden aangenomen dat een deel van de woningen geen licht uitstraalt omdat verduistering wordt toegepast of bewoners afwezig zijn. - Voor het bepalen van de effecten is de periode tussen zonsondergang en zonsopgang relevant. Buiten deze periode is de verlichtingssterkte van het natuurlijke licht dermate groot, dat eventuele toename

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 41 van 53

daarvan door verlichting in Nieuw Harculo wegvalt. Deze periode varieert tussen 22.04 uur tot 5.19 uur in midden juni en 16.28 uur tot 8.48 eind december. Voor het beoordelen van de effecten van dit licht zijn twee aspecten van belang: - De verhoging van de verlichtingssterkte in het Natura 2000-gebied zelf als gevolg van instraling van licht afkomstig van hogere gebouwen in Nieuw Harculo. Deze is bij ongerichte en relatief zwakke bronnen, zoals de binnenhuisverlichting van de betreffende woningen, op een afstand van minimaal 115 meter nagenoeg 0, waarmee de grenswaarde van 0,1 lux niet overschreden wordt. - De zichtbaarheid van de verlichting voor dieren die het buitendijkse gebied verblijven. Door de aanwezigheid van de dijk ligt het dichtstbijzijnde punt waar dit licht zichtbaar is in de havens ca. 50 meter van de buitenteen van de dijk, en ca. 100 meter vanaf de dichtstbijzijnde woning. De verlichtingssterkte als gevolg van een lichtbron neemt kwadratisch af met de afstand. Tweemaal verder weg geeft een viermaal zwakkere verlichtingssterkte per oppervlakte-eenheid. Driemaal verder weg geeft een negenmaal zwakkere verlichtingssterkte per oppervlakte-eenheid. Op basis hiervan kan de verlichtingssterkte in het Natura 2000-gebied als gevolg van een lichtbron berekend worden.

Uitgangspunt hierbij zijn een representatieve lichtbron van 700 lumen die zodanig gericht is dat een halve bol verlicht wordt. Het oppervlak van een halve bol van 1 m straal is: 2 x π x (1 m)2 = 6,28 m2. De verlichtingssterkte Ev op 1 m afstand is dan: Ev = 700 lm / 6,28 m2 = 191 lm/m2 = 191 lux. Op een afstand van 100 meter is de verlichtingssterkte: Ev = 700 lm / (2 x π x (100 m)2) = 700 lm / 62.800 m2 = 0,01 lux. Bij deze waarde kunnen tegelijkertijd 10 lampen van 700 lumen aan staan zonder dat de ecologische drempelwaarde voor verlichtingssterkte van 0,1 lux overschreden wordt binnen het deel van het Natura 2000gebied waar deze verlichting zichtbaar is. Op grotere afstand dan 100 meter wordt de verlichtingssterkte in het Natura 2000-gebied snel nog veel kleiner. Deze afstanden zijn berekend voor relatief sterke lampen die onbelemmerd voor afscherming over de volledige oppervlakte en rechtstreeks naar buiten schijnen. In de praktijk zal de verlichting minder sterk zijn dan 700 lumen, mede omdat veel van de in woningen toegepaste verlichting minder sterk is, de verlichting veelal naar binnen is gericht en vaak afgeschermd wordt door kappen en raambekleding. De werkelijke verstoringsafstand is daardoor aanzienlijk kleiner.

Omdat de verlichting in woningen in Nieuw Harculo relatief weinig lichtsterk is en de verlichtingssterkte op enige afstand zeer snel minder wordt, treedt geen reflectie op via de bewolking. 6.3.5 Gebruik van het Natura 2000-gebied door niet-broedvogels Uit gegevens van de NDFF blijkt dat de uiterwaard een beperkte betekenis heeft voor niet-broedvogels waarvoor de Rijntakken zijn aangewezen als Natura 2000-gebied (zie paragraaf 4.7 en paragraaf 6.1).

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 42 van 53

De beide insteekhavens hebben een wat hogere waarde voor niet-broedvogels, en dat geldt met name voor de zuidelijke haven. In deze haven zijn 12 soorten niet-broedvogels waarvoor het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen regelmatig aangetroffen. Ook voor een aantal andere (niet waargenomen) soorten kunnen de havens leefgebied vormen (zie paragraaf 4.7). De steiger in de noordelijke haven wordt in de late winter gebruikt als slaapplaats door scholeksters. 6.3.6

Effectbeschrijving

Verstoring door toekomstig beheer van de uiterwaard In de uiterwaard zijn vier soorten niet-broedvogels aangetroffen waarvoor het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen: grauwe gans, wilde eend, scholekster en wulp. Het toekomstig beheer van de uiterwaard maakt het gebied aantrekkelijker voor de meeste soorten niet-broedvogels. Voor de grauwe gans wordt een permanent effect als gevolg van verandering van habitat verwacht, omdat de voedselkwaliteit van het grasland voor deze soort afneemt. Hieruit volgt dat alleen voor de grauwe gans negatieve effecten van het toekomstig beheer van de uiterwaard niet worden uitgesloten. In paragraaf 7.1 is beoordeeld of dit kan leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Verstoring door heien in de bouwfase Uit de berekening van de geluidbelasting als gevolg van heien voor de aanleg van de woonwijk “De Krijgsman” in Muiden kan worden afgeleid dat geluidniveaus die liggen boven de drempelwaarde voor verstoring van vogels optreden tot een afstand van ca. 120 meter van de bron. De kortste afstand tussen mogelijke heilocaties in Nieuw Harculo en de grens van het Natura 2000-gebied is ca. 50 meter. Daarmee kunnen effecten op vogels in de beide insteekhavens niet worden uitgesloten.

Deze vogels zullen deze havens tijdens de uitvoering van de heiwerkzaamheden mijden en tijdelijk uitwijken naar andere locaties. Na afloop van de heiwerkzaamheden kunnen deze soorten weer terugkeren naar de havens. Het gaat (naast de hierboven al besproken grauwe gans) om de volgende soorten: kolgans, brandgans, aalscholver, fuut, bergeend, krakeend, wilde eend, smient, kuifeend, tafeleend, meerkoet, scholekster, kievit en wulp. Voor deze vogels liggen binnen korte afstand van het plangebied voldoende geschikte leefgebieden om tijdelijk naar uit te wijken. Omdat het niet gaat om broedvogels zijn er geen problemen met bezette territoria en voedselconcurrentie binnen soorten. Geschikte vervangende leefgebieden zijn o.a.: -

Plassen bij Windesheim Plas bij Werven Plassen in de buitenwaarden Wijhe Plassen en geulen in de Duursche Waarden Nevengeulen Schellerwaard en Vreugderijkerwaard

Na afloop van de bouwwerkzaamheden zijn de beide insteekhavens weer beschikbaar als leefgebied. Verstoring door geluid is dan niet meer aan de orde. Omdat het gaat om tijdelijke effecten die geen nadelige gevolgen hebben voor deze soorten zijn gevolgen voor de aantallen vogels die in het gebied kunnen verblijven uitgesloten. Verstoring door licht in de gebruiksfase

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 43 van 53

Uit de berekening van de effectafstand van verlichting in appartementen in paragraaf 6.2.4 volgt dat de kans dat bij gebruik van normale verlichting tijdens de avonduren drempelwaarden voor verlichtingssterkte in de beide havens worden overschreden zeer klein is. Dit zal alleen plaatsvinden wanneer vanuit hoge appartementen veel zeer sterke lampen tegelijkertijd rechtstreeks op het buitendijkse gebied gericht zijn. Deze situatie kan redelijkerwijs worden uitgesloten. De emissie van licht uit het atelier van RAW is dermate gering dat dit niet leidt tot lichthinder in het Natura 2000-gebied (zie ook Figuur 6-12). Effecten van verlichting op niet-broedvogels in het Natura 2000-gebied Rijntakken zijn daarmee uitgesloten. Verstoring door wandelaars op de dijk De insteekhavens en de uiterwaard hebben voor verschillende soorten vogels, met name buiten de broedperiode, betekenis als leefgebied. De dijk rondom Nieuw-Harculo zal worden opengesteld voor wandelaars. Het is niet uitgesloten dat deze wandelaars ook de oevers van de beide havens kunnen bereiken. De uiterwaard blijft afgesloten voor wandelaars. Het normale gebruik van het wandelpad, waarbij voetgangers evenwijdig aan het water en de uiterwaard lopen, leidt tot gewenning bij vogels. Van dit gebruik gaat geen gevaar uit.

Honden kunnen echter wel zeer verstorend zijn, met name wanneer ze niet zijn aangelijnd, omdat ze onvoorspelbaar en deels ook agressief gedrag kunnen vertonen. Honden worden door vogels ook gezien als mogelijke predator, waardoor er per definitie meer dreiging van uit gaat. Bij incidentele passages van wandelaars of fietsers ontstaat er een tijdelijke verstoring die zo lang duurt als de bron doet over de afstand waarbinnen deze binnen 112 meter van een vogel is. Naar mate een vogel verder van de bron af is, is deze periode korter. Bij wandelaars (snelheid 5 km/uur) is de maximale verstoringsperiode 2,5 minuten. De reactie van een vogel kan dan bestaan uit toename van stress en aanpassen van gedrag (stoppen met eten, stoppen met rusten e.d.) of wegvliegen of -zwemmen. Bij intensiever gebruik van het wandelpad rijgen deze afzonderlijke potentiële verstoringsmomenten aan elkaar, en kan er uiteindelijk een vrijwel permanente verstoringsdruk ontstaan. Vogels die op het water en in de uiterwaard verblijven kunnen dit gebied dan permanent gaan mijden (in ieder geval zolang de verstoring aanblijft). Ook kan er gewenning ontstaan wanneer gedurende lange tijd blijkt dat er geen gevaar van de passerende wandelaars uitgaat, en deze niet richting de oever bewegen of het water in gaan.

Dit is de reden dat ook in de huidige situatie veel vogels voorkomen langs het bestaande wandel- en fietspad langs de noordelijke haven en de IJssel. Dit betekent dat een toename van de intensiteit van wandelaars niet per definitie leidt tot een grotere mate van verstoring van vogels. Bij normaal gebruik van het wandelpad treedt naar verwachting geen groot effect op, omdat vogels gewend zijn aan het gebruik en er weinig dreiging vanuit gaat zolang de mensen op de dijk lopen en niet richting de waterkant of de uiterwaard. Op de verschillende plaatsen is het water ook niet bereikbaar vanwege de aanwezige beplanting van bomen, struiken en oevervegetatie. De slaapplaats van de scholekster op de steiger in de noordelijke haven wordt alleen in de schemering en de nacht gebruikt in de maanden februari en maart. Het gebruik van de dijk door wandelaars zal op die momenten beperkt zijn. Uit ervaringen met slaapplaatsen van scholeksters blijkt dat de vogels zeer trouw zijn aan hun slaapplek. Bij verstoring vliegen ze weliswaar op, maar ze keren altijd terug naar de slaapplaats. Dit gebeurt ook bij slaapplaatsen die op wandelroutes liggen, zoals de grote slaapplaats in het Twiske (NoordHolland) (mond. med. SOVON). Een eventuele incidentele verstoring in de schemering zal dus geen gevolgen hebben voor de slaapplaats op de steiger.

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 44 van 53

Slaapplaatsen van scholeksters Stichting Ornithologisch Veldonderzoek Nederland (SOVON) doet al jarenlang tellingen op slaapplaatsen van o.a. scholeksters. Hieruit blijkt dat de scholeksters in de periode februari-april, dus vooruitlopend op het broedseizoen in groepen slapen op vast slaapplaatsen (SOVON, 2024). In februari liggen deze slaapplaatsen vooral op graslanden in de kustprovincies, maar later trekken ze naar plekken in het binnenland, waaronder de noordelijke haven bij Harculo. De meeste slaapplaatsen in het binnenland bestaan uit 10-150 Scholeksters. Slaapplaatsen van meer dan 150 Scholeksters komen voor, maar zijn uitzonderlijk groot. Ruim twee derde van alle scholeksterslaapplaatsen ligt aan het water. De overige liggen in grasland in de regel met een plasdrassituatie. Scholeksterslaapplaatsen bevinden zich soms op heel andere plekken dan die van andere steltlopers. De soort, die in delen van het verspreidingsgebied immers een vogel van rotskusten is, slaapt ook op hard substraat, zoals steigers, kunstmatige eilanden en kades langs kanalen. Dit geldt voor bijna een kwart van de slaapplaatsen. Overigens ligt 10% van de slaapplaatsen ook nog eens binnen de bebouwde kom. Bijvoorbeeld langs recreatieplassen.

Uit ervaringen van medewerkers van SOVON blijkt dat de scholeksters op deze slaapplaatsen weinig verstoringsgevoelig zijn. Ze kiezen soms ook plaatsen uit die dicht bij menselijke activiteiten liggen, zoals kaders en steigers. De grootste slaapplaats in Nederland in het Twiske ligt zelfs op een vlonderpad dat door wandelaars wordt gebruikt. Wanneer een wandelaar passeert vliegen ze op, om daarna weer terug te keren naar hun plek. Deze verstoring heeft nooit geleid tot (tijdelijk) verlaten van de locatie. Scholeksters broeden tegenwoordig ook veel binnen de bebouwde kom, op platte daken van woningen, appartementengebouwen en bedrijven. Ook hieruit blijkt dat ze weinig verstoringsgevoelig zijn. De aanwezigheid van honden kan in potentie leiden tot grotere verstoringseffecten dan die van wandelaars alleen. Met name wanneer honden niet aangelijnd zijn kunnen zij bedreigend zijn voor vogels. Ze kunnen dan naar de waterlijn rennen of zelfs het water ingaan. Honden worden door vogels ook als predatoren gezien, en

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 45 van 53

zijn daarmee op voorhand bedreigend. Van Lunteren & Emond (2021) beschrijven dit in hun onderzoek naar de verstoringseffecten van honden in het Amsterdamse Bos als volgt: Een hond is een goed voorbeeld van onvoorspelbaarheid: onaangelijnd rennen ze graag van hot naar her om hun baasjes heen. Daarbij snuffelen ze met hun uitzonderlijk goede reukvermogen alles op wat zich in de omgeving ophoudt, en gaan daar graag op af, of achteraan. Deze eigenschap maakt dat honden dan ook een reële bedreiging vormen voor in het wild levende dieren. Het mag niet verbazen dat dit met name loslopende honden betreft, die kunnen gaan en staan waar ze willen. Als honden aangelijnd zijn, en als dit ook consistent wordt volgehouden in het betreffende gebied, dan begeven ook honden zich alleen voorspelbaar op de gebaande paden, met als gevolg dat de verstoring minder groot zal zijn. Er zijn geen aanwijzingen dat gewenning optreedt, wat logisch is in het licht van de reële dreiging die uitgaat van de aanwezigheid van honden. Dit betekent dat hoe drukker een plek bezocht wordt door mensen met honden, hoe meer invloed het zal hebben op de in de omgeving aanwezige fauna. In het specifieke geval van verstoring door honden speelt mee dat de omgeving vaak al verstoord is door de aanwezigheid van mensen.

Op plekken waar honden komen, komen in de regel ook veel mensen zonder hond, en worden de honden ten minste altijd begeleid door een mens. Er is dus sprake van een reeds verstoorde situatie. Dit betekent dat de natuurwaarde op plekken waar veel honden komen doorgaans al verlaagd is in meerdere of mindere mate. De aanwezigheid van de honden leidt hier alleen tot een intensivering van de verstoring en verstoring van een groter gebied omdat mensen vaak op de paden blijven en honden ook door de terreinen eromheen lopen. Naar het verstorende effect van honden op vogels is veel onderzoek gedaan. Deze studies laten bijna zonder uitzondering zien dat honden veel verstoring bij vogels veroorzaken, en dat de verstoring groter is, verder reikt en langer duurt dan wanneer er alleen mensen zonder hond door het gebied lopen, rennen of fietsen (Krijgsveld et al., 2014). Het wandelpad op de dijk zal door bezoekers gebruikt worden om de hond uit te laten. Een aanzienlijk deel van de bezoekers gaat vergezeld door één of meer honden. Wanneer deze honden kort aangelijnd blijven, wat ook verplicht is, zijn de additionele effecten van de honden t.o.v. die van de wandelaars zelf beperkt. Wanneer honden los lopen zijn de effecten op watervogels aanzienlijk groter. Een verstoringsafstand is niet bekend vanuit de wetenschappelijke literatuur.

Vogels die binnen een afstand van 100 meter of wellicht meer aanwezig zijn, zullen vluchten bij elke loslopende hond die naar de oeverlijn rent. Wanneer dit incidenteel gebeurt heeft dit geen grote gevolgen op populatieniveau, wanneer het regelmatig gebeurt zullen vogels de omgeving van de dijk mijden, en wordt hun (potentiële) leefgebied kleiner. Wanneer dit tot gevolg heeft dat de draagkracht van het gebied voor de populatie vermindert kan dat leiden tot verkleining van de populatie. Loslopende honden kunnen het beperkte effect van wandelaars op watervogels sterk vergroten. Het is daarom van groot belang om een aanlijngebod aan te houden, daar goede voorlichting over te bieden en het gebod strikt te handhaven. Incidentele verstoring van vogels in de uiterwaard en de havens zal niet leiden tot het permanent verdwijnen van de vogels in het gebied. Er zijn voldoende mogelijkheden in de omgeving en binnen het Natura 2000gebied Rijntakken om tijdelijk uit te wijken. De vogels zullen het Natura 2000-gebied Rijntakken niet permanent vermijden. Bij normaal gebruik van de dijk door wandelaars zijn significante gevolgen voor niet-broedvogels als gevolg van recreatief gebruik van de dijk daarom uitgesloten.

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 46 van 53

7 Effectbeoordeling 7.1 Effectbeoordeling stikstofdepositie

Omdat er per saldo geen toenames van de depositie van stikstof optreden, en er als gevolg van het project alleen een afname van de stikstofdepositie in zes Natura 2000-gebieden optreedt kan met zekerheid worden vastgesteld dat het project Nieuw-Harculo de natuurlijke kenmerken van deze Natura 2000-gebieden niet aantast, voor zover het de effecten van stikstof betreft.

7.2 Effectbeoordeling grauwe Gans

Uit de effectbeschrijving in hoofdstuk 6 blijkt dat effecten van vermindering van de kwaliteit van foerageergebied van de grauwe gans niet zijn uitgesloten. Effecten op andere soorten vogels zijn uitgesloten. Voor de grauwe gans is daarom hieronder beoordeeld of uitgesloten kan worden dat dit effect leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Het nieuwe beheer van de uiterwaard zal leiden tot vermindering van de foerageerkwaliteit van het gebied voor de grauwe gans. Dat betekent dat de aantallen ganzen in het gebied kunnen afnemen. Deze vogels zullen voor hun voedsel moeten uitwijken naar andere delen van de Rijntakken, of eventueel naar foerageergebieden buiten het Natura 2000-gebied. In de directe omgeving liggen binnen het Natura 2000gebied Rijntakken grote oppervlakten agrarisch grasland dat geschikt is als foerageergebied.

Figuur 7-1 Ontwikkeling aantallen grauwe ganzen in het Natura 2000-gebied Rijntakken (Bron: stats.sovon.nl).

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 47 van 53

Een eventuele verlaging van de aantallen grauwe ganzen in de Rijntakken als gevolg van dit effect zal niet leiden tot het in gevaar komen van de instandhoudingsdoelstelling voor de grauwe gans in het Natura 2000gebied. De huidige aantallen ganzen hebben zich na een spectaculaire stijging in de jaren ’90 en het begin van deze eeuw gestabiliseerd op een niveau dat nog ruim boven de instandhoudingsdoelstelling ligt (Figuur 7-1). Voor het geval dat de vogels niet zouden kunnen uitwijken naar andere delen van het Natura 2000-gebied zal een beperkte afname van de aantallen grauwe ganzen met (seizoensgemiddeld) maximaal enkele tientallen vogels niet leiden tot een verslechtering ten opzichte van het moment van aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Rijntakken (2000). Er zijn daarom geen nadelige gevolgen voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling voor de grauwe gans (behoud van oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied voor een draagkracht van 8300 vogels). De natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied worden daarmee niet aangetast.

7.3 Mitigerende maatregelen Er is geen risico dat de bouw en het gebruik van Nieuw Harculo in de huidige opzet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Mitigerende maatregelen zijn daarom niet nodig. Wel is het van belang om het gebruik van de dijk, en dan met name door wandelaars met honden, goed te reguleren. Dat kon door een aanlijngebod in te stellen en te handhaven en (vooral) met goede voorlichting over het belang daarvan omdat de bewoners in een kwetsbare omgeving wonen.

7.4 Cumulatieve effecten De bouw en het gebruik van Nieuw Harculo leidt tot effecten op de grauwe gans, die echter niet leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Deze effecten zijn op zichzelf daarom niet significant. De Omgevingswet stelt een cumulatietoets verplicht voor projecten die leiden tot effecten die op zichzelf niet significant zijn, maar dat in combinatie met effecten van andere plannen en projecten wel kunnen zijn. Deze cumulatietoets moet uitgevoerd worden met projecten waarvoor een natuurvergunning is afgegeven en die nog niet (volledig) zijn uitgevoerd. In beginsel moet deze toets alle projecten omvatten die van invloed kunnen zijn op de grauwe gans in de hele Rijntakken. De provincies Gelderland en Overijssel die verantwoordelijk zijn voor vergunningverlening t.a.v. Natura 2000 houden geen register bij van verleende vergunningen. Daardoor is niet bekend of er vergunde en nog niet (volledig) uitgevoerde projecten zijn waarbij effecten op de grauwe gans op kunnen treden. Zoals in paragraaf 7.1.2 is uitgelegd is de stand van de grauwe gans in de Rijntakken goed. Er komen aanzienlijk meer vogels voor dan de instandhoudingsdoelstelling vraagt. Het risico op cumulatieve significante gevolgen van projecten op de grauwe gans is daarom verwaarloosbaar.

Bovendien mag ervan uit worden gegaan dat voor al de projecten die in aanmerking komen voor de cumulatietoets onherroepelijke natuurvergunningen zijn verstrekt, waarbij ook per project een beoordeling van de cumulatieve effecten moet zijn uitgevoerd. Daarbij zal door de bevoegde gezagen moeten zijn vastgesteld dat de gezamenlijke effecten van deze projecten niet zullen leiden tot cumulatieve negatieve significante gevolgen voor de grauwe gans. Dit is voor de bevoegde gezagen immers de basis geweest voor het kunnen verstrekken van de afzonderlijke vergunningen.

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 48 van 53

De effecten van de aanleg van Nieuw Harculo op de grauwe gans zijn dermate beperkt, en op zichzelf niet significant. Gezien het hierboven gestelde, en de gunstige staat van instandhouding van de soort is een cumulatief effect als gevolg van Nieuw Harculo uitgesloten.

Voortoets en Passende beoordeling Nieuw Harculo | KE38-02 |6 februari 2026 | Pagina 49 van 53

8 Conclusies -

De woningbouw voor Nieuw Harculo vindt plaats in de nabijheid van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Het buitendijkse deel van het plangebied is onderdeel van dit Natura 2000-gebied. Andere initiatieven binnen de plannen voor Nieuw Harculo in het buitendijkse gebied zijn gericht op versterking van de natuurwaarden in lijn met de Natura 2000-doelstellingen door het stopzetten van beweiding en bemesting en het invoeren van een extensief natuurbeheer. Daarnaast beïnvloedt het project de stikstofdepositie in dit Natura 2000-gebied en in zeven andere Natura 2000-gebieden.

-

De aanleg en het gebruik van Nieuw Harculo leidt tot veranderingen in de emissie van stikstof. Door het stopzetten van de huidige bemesting in het nog agrarisch geëxploiteerde grasland in de uiterwaard worden de hierdoor veroorzaakte emissies beëindigd. Uit berekeningen met AERIUS calculator blijkt dat er geen netto-toename van depositie van stikstof plaats zal vinden in de Natura 2000-gebieden in de wijde omgeving van Nieuw Harculo, zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase van Nieuw Harculo.

-

De aanleg en het gebruik van het woongebied binnen Nieuw Harculo leidt tot een beperkte toename van geluidbelasting en lichtbelasting in delen van het Natura 2000-gebied. Deze toenames vallen binnen de grenswaarden die gelden voor verstoringsgevoelige natuur in het gebied, met name vogels. Significante effecten van verstoring zijn daarom uitgesloten in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van het project.

-

Uit de in dit rapport uitgevoerde voortoets en passende beoordeling, waarin de effecten als gevolg van stikstofemissies en verstoring zijn beoordeeld, volgt de conclusie dat de aanleg en het gebruik van het toekomstige woongebied in het binnendijkse gebied en het veranderde gebruik van het buitendijkse gebied niet leiden tot significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied Rijntakken.

-

Als gevolg van verandering van het beheer van de uiterwaard neemt de kwaliteit van het foerageergebied voor de grauwe gans af. Deze soort zal daarom moeten uitwijken naar graslanden langs de IJssel in de omgeving van het plangebied, die in ruime mate voorhanden zijn. Een daardoor eventuele veroorzaakte geringe afname van de aantallen ganzen in het Natura 2000-gebied leidt niet tot significante gevolgen, omdat de staat van instandhouding van de grauwe gans zeer goed is, en de huidige aantallen in de Rijntakken veel hoger zijn dan het instandhoudingsdoel voor deze soort.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=c7294bf5-ae43-483b-a59a-23af702c3c6f