CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport Quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming

Raad Besluitvormingsronde 7 februari 2022, gemeente ZwolleBij agendapunt: Vaststelling tracé omgelegde Kroesenallee12.385 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming Wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

Bureau Biota rapportage 2018-028 G. Milder-Mulderij M. Bunskoek

Bureau Biota Oude Marswal 38 8015 ED Zwolle www.bureaubiota.com info@bureaubiota.com

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

Projectgegevens Opdrachtgever:

Gemeente Zwolle Postbus 10007 8000 GA Zwolle

Projectomschrijving:

Quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming Wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

Hoofdaannemer:

Bureau Biota Oude Marswal 38 8015 ED Zwolle

KvK nummer:

59869984

BTW nummer:

NL853674942B01

Onderaannemer:

Martijn Bunskoek (Bunskoek Natuurlijk)

Contactpersoon:

Dr. Ir. G. Milder-Mulderij (Bureau Biota) 06 24 62 03 14

Datum:

11 december 2018

Status:

definitief

Akkoord:

Ing. C.J.E. Brochard

Projectnummer:

2018-067

Rapportnummer:

2018-028

(Mede-oprichter)

Te citeren als: Milder-Mulderij G & Bunskoek M 2018. Quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming – Wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle. Bureau Biota rapport 2018-028. In opdracht van Gemeente Zwolle.

Bureau Biota rapport 2018-028

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

Samenvatting Aanleiding Op aanvraag van de heer Dijkstra van Gemeente Zwolle doen we bij deze verslag van een natuurtoets/quickscan van een gebied rondom de Kroesenallee te Zwolle/Wijthmen. Men is voornemens de Kroesenallee, die momenteel nog de dorpskom van Wijthmen doorkruist, deels om te leggen langs de oostzijde van de dorpskom en aan te laten sluiten op het nieuwe stuk van de N35/Heinoseweg. Van de voorgenomen plannen binnen het onderzoeksgebied kunnen soorten en natuurgebieden beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb) in theorie hinder hebben en dat is niet wenselijk en niet toegestaan. Om goed in beeld te krijgen welke beschermde soorten (mogelijk) gebruik maken van dit gebied en te bepalen of er eventueel negatieve effecten van de bovengenoemde plannen op deze beschermde soorten of beschermde natuurgebieden in de omgeving te verwachten zijn, heeft Bureau Biota in samenwerking met Bunskoek Natuurlijk ter plaatse veldonderzoek gedaan. In de voorliggende rapportage doen wij verslag van het onderzoek en presenteren we onze conclusies aangaande de bescherming van soorten binnen het onderzoeksterrein en eventuele effecten op natuurgebieden in de regio.

Doelstelling Het doel van dit onderzoek is het in kaart brengen van de potenties van het onderzoeksgebied voor soorten die beschermd worden onder de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bepalen van de effecten van de voorgenomen plannen op beschermde natuurwaarden ter plaatse en op de directe omgeving. Het onderzoek brengt in beeld: -

of beschermde soorten aanwezig zijn op of rondom het onderzoeksterrein; of er potenties zijn voor Wnb-beschermde soorten die tijdens het veldbezoek niet aangetroffen zijn; of met de voorgenomen ingreep verbodsbepalingen uit de bovengenoemde wet worden overtreden (soorten- en gebiedsbescherming); of er mogelijkheden zijn om eventuele overtredingen te vermijden; en hoe te handelen om te voldoen aan de zorgplicht en de Wet natuurbescherming na te leven of er noodzaak is tot het aanvragen van een ontheffing van bovengenoemde wet of dat er eerst nog nader onderzoek moet worden verricht om tot deze conclusie te komen.

Conclusies Van de voorgenomen activiteiten zouden steenuilen (in mindere mate kerkuilen) en vleermuizen hinder kunnen ondervinden. Op de overige beschermde soorten verwachten we geen negatieve effecten. Op omringende beschermde gebieden (Natura 2000) en het Natuurnetwerk Nederland verwachten we geen nadelige effecten van de voorgenomen ingreep. De beide varianten van de nieuwe situatie (50 en 80 km/uur) pakken qua emissies van NOx en NH3 gunstiger uit dan de huidige situatie. Op basis van de huidige kennis is nog niet uit te sluiten dat er negatieve effecten op uilen of vleermuizen ontstaat. Weten dus nog niet of er een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd dient te worden. Hiervoor is eerst nog aanvullend onderzoek vereist (zie aanbeveling). Aanbeveling Laat eerst nader onderzoek aan steenuil/kerkuil en nader onderzoek aan vleermuizen (migratieroutes) uitvoeren zodat aan de hand daarvan kan worden bepaald of er sprake kan zijn van negatieve effecten van de voorgenomen plannen op de instandhouding van de genoemde soorten.

Bureau Biota rapport 2018-028

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

Inhoudsopgave 1

Inleiding .................................................................................................................................... 1

2

Doel van het onderzoek ........................................................................................................... 1

3

Omschrijving onderzoeksterrein en voorgenomen plannen .................................................... 2

4

Wettelijk kader ......................................................................................................................... 3 4.1 4.2 4.3

Soortbescherming ........................................................................................................... 3 Gebiedsbescherming ....................................................................................................... 5 Houtopstanden ................................................................................................................ 7

5

Werkwijze ................................................................................................................................. 9

6

Bevindingen uit het onderzoek .............................................................................................. 10 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9 6.10

7

Literatuurstudie ............................................................................................................. 10 Algemene indruk veldbezoek ........................................................................................ 18 Vleermuizen ................................................................................................................... 19 Overige soorten zoogdieren .......................................................................................... 19 Jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels ............................................................. 20 Overige broedvogels ...................................................................................................... 23 Watergebonden soorten (vissen/amfibieën) ................................................................ 23 Reptielen........................................................................................................................ 23 Flora ............................................................................................................................... 23 Overige soorten ............................................................................................................. 23

Te verwachten effecten van de voorgenomen ingreep ......................................................... 24 7.1 7.2

Soortenbescherming ..................................................................................................... 24 Gebiedsbescherming ..................................................................................................... 24

8

Conclusies ............................................................................................................................... 28

9

Aanbevelingen ........................................................................................................................ 29 9.1 9.2

10

Nader onderzoek uilen .................................................................................................. 29 Nader onderzoek migratieroutes vleermuizen .............................................................. 30

Geraadpleegde bronnen ........................................................................................................ 30

Bijlagen Bijlage 1

Toelichting bepalingen Wet natuurbescherming ........................................................ 32

Bijlage 2

Aerius-calculatie huidige situatie versus omlegging 50 km/u ..................................... 35

Bijlage 3

Aerius-calculatie huidige situatie versus omlegging 80 km/u ..................................... 40

Bureau Biota rapport 2018-028

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

1

Inleiding

Op aanvraag van de heer Dijkstra van Gemeente Zwolle doen we bij deze verslag van een natuurtoets/quickscan van een gebied rondom de Kroesenallee te Zwolle/Wijthmen. Men is voornemens de Kroesenallee, die momenteel nog de dorpskom van Wijthmen doorkruist, deels om te leggen langs de oostzijde van de dorpskom en aan te laten sluiten op het nieuwe stuk van de N35/Heinoseweg. Van de voorgenomen plannen binnen het onderzoeksgebied kunnen soorten en natuurgebieden beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb) in theorie hinder hebben en dat is niet wenselijk en niet toegestaan. Om goed in beeld te krijgen welke beschermde soorten (mogelijk) gebruik maken van dit gebied en te bepalen of er eventueel negatieve effecten van de bovengenoemde plannen op deze beschermde soorten of beschermde natuurgebieden in de omgeving te verwachten zijn, heeft Bureau Biota in samenwerking met Bunskoek Natuurlijk ter plaatse veldonderzoek gedaan. In de voorliggende rapportage doen wij verslag van het onderzoek en presenteren we onze conclusies aangaande de bescherming van soorten binnen het onderzoeksterrein en eventuele effecten op natuurgebieden in de regio.

2

Doel van het onderzoek

Het doel van dit onderzoek is het in kaart brengen van de potenties van het onderzoeksgebied voor soorten die beschermd worden onder de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bepalen van de effecten van de voorgenomen plannen op beschermde natuurwaarden ter plaatse en op de directe omgeving. Het onderzoek brengt in beeld: -

of beschermde soorten planten en dieren aanwezig zijn op of rondom het onderzoeksterrein; of er potenties zijn voor Wnb-beschermde soorten die tijdens het veldbezoek niet aangetroffen zijn; of met de voorgenomen ingreep verbodsbepalingen uit de bovengenoemde wet worden overtreden (soorten- en gebiedsbescherming); of er mogelijkheden zijn om eventuele overtredingen te vermijden; en hoe te handelen om te voldoen aan de zorgplicht en de Wet natuurbescherming na te leven of er noodzaak is tot het aanvragen van een ontheffing van bovengenoemde wet of dat er eerst nog nader onderzoek moet worden verricht om tot deze conclusie te komen.

Bureau Biota rapport 2018-028

1/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

3

Omschrijving onderzoeksterrein en voorgenomen plannen

Men is voornemens de Kroesenallee tussen Dalfsen en Wijthmen, die momenteel nog de dorpskom van Wijthmen doorkruist, om te leggen langs de oostzijde van de dorpskom (Figuur 1) en vervolgens aan te laten sluiten op de Heinoseweg (die onlangs ook verlegd is). Er zijn hierbij nog wel enkele keuzes te maken: • • •

Het is nog niet duidelijk wat de maximumsnelheid ter plaatse gaat worden: 50 of 80 km per uur; De exacte vorm van de aansluitingen van het nieuwe weggedeelte is nog onbekend; Het is nog niet duidelijk of de kruising met de Oude Wijthemerweg voor langzaam verkeer gelijkvloers of ongelijkvloers gaat worden.

Figuur 1 Globale ligging van het aan te passen traject ten zuidoosten van het buurtschap Wijthmen. In geel omcirkeld is de geplande omlegging van de Kroesenallee met de aansluiting op de Heinoseweg (kaart ontvangen van Gemeente Zwolle). Zie inzet voor globale ligging van Wijthmen (rode marker) ten zuidoosten van de stad Zwolle (Bron: Google Maps).

Bureau Biota rapport 2018-028

2/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

4

Wettelijk kader

De Wet natuurbescherming vervangt sinds 1 januari 2017 drie wetten: de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet (NB-wet) en de Boswet. Het doel van het instellen van deze nieuwe wet was drieledig: het beschermen van de biodiversiteit, decentralisatie van natuurbescherming en vereenvoudiging van de regels. Waar vroeger de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland gevoegd gezag was liggen de verantwoordelijkheden aangaande de Wet natuurbescherming tegenwoordig grotendeels bij de provincies. De Wet natuurbescherming ziet toe op: • • •

Het beschermen en ontwikkelen van natuur en het behoud en herstel van de biodiversiteit; Het beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; Het borgen van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biodiversiteit en hun cultuurhistorische betekenis.

Zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming zijn nu in de Wet natuurbescherming geregeld (zie ook Bijlage 1). Ook vertelt de nieuwe wet ons hoe we om dienen te gaan met houtopstanden. Soortenbescherming werd voorheen geregeld in de Flora- en faunawet, gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet en het onderdeel houtopstanden in de Boswet. Hieronder lichten we elk van de drie onderdelen van de nieuwe Wet natuurbescherming kort toe.

4.1

Soortbescherming

Binnen dit onderdeel van de wet is de bescherming van in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren vastgelegd. Doel van dit onderdeel is dus de instandhouding van deze wilde planten en dieren. Naast de algemene zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren in Nederland (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, zie ook Bijlage 1) geldt er voor een aantal soorten een aanvullend beschermingsregime. De soorten met een aanvullend beschermingsregime zijn te verdelen in drie groepen: • • •

Artikel 3.1 Artikel 3.5 Artikel 3.10

Vogels (Europese Vogelrichtlijn); Overige strikt beschermde soorten (Europese Habitatrichtlijn, Verdragen Bern/Bonn); Nationaal beschermde soorten (waaronder Rode Lijst-soorten.

Bijlage 1 gaat nog wat dieper in op het bovenstaande. Vogels Voor wat betreft de vogels is er in deze wet bepaald dat alle broedende vogels, hun eieren, de vast rust- en verblijfplaatsen en de functionele omgeving daarvan zijn beschermd. Alle vogelsoorten zijn onderscheiden in vijf categorieën: 1. 2.

3.

Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats; Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar; Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar;

Bureau Biota rapport 2018-028

3/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

4. 5.

Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen; Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.

Voor het verstoren van broedende vogels wordt geen ontheffing verleend. Voor het verstoren van broedgevallen en/of het aantasten van jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen, geldt een zware toets (vergelijkbaar met toetsing van Habitatrichtlijnsoorten).

Habitatrichtlijn/Verdrag van Bern/Verdrag van Bonn Voor de planten- en diersoorten vernoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn 1, bijlage I of II bij het Verdrag van Bern2 of bijlage I bij het Verdrag van Bonn3 geldt dus een aanvullend beschermingsregime. Voor deze soorten geldt dat er alleen een ontheffing verleend kan worden als er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soorten, er geen andere bevredigende oplossing voor en geplande ingreep voorhanden is en er sprake is van een in of bij wet genoemd belang.

Nationaal beschermde soorten Bijlage 1 onderdeel a van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming geeft een overzicht van de diersoorten die we op nationaal niveau dienen te beschermen (zie ook Bijlage 1 van dit rapport). Bijlage 1 onderdeel b van artikel 3.10 van bovengenoemde wet doet hetzelfde maar dan voor de beschermde plantensoorten (zie ook Bijlage 1 van dit rapport). De diersoorten uit deze bijlage mogen niet opzettelijk gedood of gevangen worden. Voor de plantensoorten uit de genoemde bijlage geldt dat ze in hun natuurlijke verspreidingsgebied niet opzettelijk mogen worden geplukt, verzameld, afgesneden, ontworteld of vernield. Voor de ‘andere soorten’ uit de Wet natuurbescherming geldt dat een ontheffing nodig is bij ruimtelijke ingrepen met naar verwachting negatieve effecten op de genoemde soorten. Een uitzondering hierop is een situatie waarbij gebruik gemaakt wordt van een goedgekeurde gedragscode. Gedragscodes kunnen worden opgesteld door initiatiefnemers en beschrijven welke handelingen ze uitvoeren en hoe hierbij de beschermde soorten zo veel mogelijk worden ontzien. Het Rijk en de provincies zijn samen verantwoordelijk voor gedragscodes 4. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) keurt gedragscodes goed en de provincies zorgen ervoor dat de regels worden nageleefd. De provincies worden daarom ook betrokken bij de goedkeuring van een gedragscode.

De ontheffing blijft alleen van kracht als ook aantoonbaar volgens de gestelde gedragscode wordt gewerkt. Voor de nationaal beschermde soorten hebben de provincie in het kader van beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkelingen de bevoegdheid om via een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Provincie Overijssel doet dit voor de volgende soorten:

1 https://minez.nederlandsesoorten.nl/content/habitatrichtlijn 2 https://minez.nederlandsesoorten.nl/content/bern-conventie 3 https://minez.nederlandsesoorten.nl/content/bonn-conventie 4 https://mijn.rvo.nl/overzicht-gedragscodes

Bureau Biota rapport 2018-028

4/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

Amfibieën bruine kikker gewone pad kleine watersalamander meerkikker middelste groene kikker/bastaard kikker

4.2

Zoogdieren aardmuis bosmuis bunzing dwergmuis dwergspitsmuis egel gewone bosspitsmuis

Zoogdieren (vervolg) haas hermelijn huisspitsmuis konijn ondergrondse woelmuis ree rosse woelmuis

Zoogdieren (vervolg) tweekleurige bosspitsmuis veldmuis vos wezel woelrat

Gebiedsbescherming

Natura 2000 Het tweede onderdeel binnen de Wet natuurbescherming gaat in op de gebiedsbescherming. In dit deel zijn de bepalingen uit de richtlijnen van de Europese Unie (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn) voor wat betreft de bescherming van gebieden vertaald naar het nationaal recht. Dit onderdeel regelt dus de bescherming van Natura 2000 gebieden. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) valt hierbuiten, maar we komen hier later in het rapport nog wel even op terug. In ons land hebben we ruim 160 gebieden die vallen onder Natura 2000. Voor elk van deze gebieden zijn instandhoudingsdoelen voor zowel soorten als vegetatietypen opgesteld. Nadelige gevolgen van initiatieven op deze instandhoudingsdoelen dienen vermeden te worden of zo veel mogelijk beperkt te worden. Om projecten in of nabij deze beschermde gebieden uit te kunnen voeren is dus in sommige gevallen een vergunning vereist. Via de website van het Ministerie van Economische Zaken 5 is te verifiëren of een plangebied in de buurt van een beschermd natuurgebied ligt. Hiervoor kan een kaart worden aangeroepen waarop aangegeven staat waar zich Natura 2000 terreinen, wetlands of nationale parken bevinden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is het gebied Uiterwaarden Zwarte Water & Vecht (Gebiedsnummer 36).

Het plangebied ligt op een afstand van minimaal 3,8 kilometer van het meest nabije deel van bovengenoemd Natura 2000-gebied. Een andere nabijgelegen Natura 2000 gebieden zijn de Rijntakken – Uiterwaarden IJssel (Gebiedsnummer 38) en de Veluwe (Gebiedsnummer 57), maar deze terreinen liggen op respectievelijk minimaal 5,0 en 8,6 kilometer afstand van het onderzoeksgebied.

5 https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx

Bureau Biota rapport 2018-028

5/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

Figuur 2 Ligging van het gebied ten oosten van Wijthmen (zie zwarte cirkel) ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000 terreinen (geel gearceerd). Bron: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Natuurnetwerk Nederland Naast de gebieden die binnen de Wet natuurbescherming al beschermd worden hebben we in Nederland ook nog te maken met een Natuurnetwerk Nederland, het NNN6. Dit is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Met het netwerk beoogt men natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Bescherming van het NNN vindt plaats vanuit de provinciale Verordening Ruimte (inclusief de omgevingsplannen) en de landelijke Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Het ruimtelijke beleid voor het netwerk is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de ‘wezenlijke kenmerken en waarden’ (denk aan natuurdoelen, natuurkwaliteit, geomorfologische en aardkundige waarden en processen, waterhuishouding, bodem-, lucht- en waterkwaliteit, rust, stilte, donkerte, landschapsstructuur, belevingswaarde etc.). Op deze gebieden is volgens de Nota Ruimte het ‘nee-tenzij’-principe van kracht. Plannen/ projecten worden allemaal volgens dit principe getoetst. In sommige provincies heeft het NNN-beleid externe werking en in sommige provincies niet. Als het NNN-beleid in een provincie externe werking heeft, betekent dit dat het beleid ook voor initiatieven rondom het natuurgebied geldt, die invloed hebben op het natuurgebied.

Als het NNN-beleid geen externe werking heeft, is dit beleid alleen van toepassing op activiteiten die worden verricht binnen het netwerk. Voor Overijssel geldt dat het NNN-beleid geen externe werking heeft.

6 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur-en-biodiversiteit/natuurnetwerk-nederland

Bureau Biota rapport 2018-028

6/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

Het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt op circa 500 m afstand van het plangebied (Figuur 3). Het gaat om een terrein aan de zuidzijde van het dorp Wijthmen en ten noorden van Landgoed Soeslo (gebied waar deels natuurontwikkeling heeft plaatsgevonden). Ten noordoosten van Wijthmen, ligt nog een bosrijk gebied dat ook behoort tot het NNN. Daarin zijn ook diverse oppervlakken aangewezen als ‘Zone ondernemen met natuur en water buiten het NNN' (zone ONW, Figuur 3). In deze zones is het beleid gericht op ruimte creëren voor economische ontwikkelingen zoals de landbouw, recreatie en natuur gebonden woon- en werklocaties (bijvoorbeeld nieuwe landgoederen).

Figuur 3 Ligging van het plangebied (zwarte cirkel) ten opzichte van de dichtstbijzijnde delen van de Ecologische Hoofdstructuur/Natuurnetwerk Nederland (groen gearceerde) en terreinen aangemerkt als Zone ondernemen met natuur en water buiten het NNN (groen/wit gearceerd). Bron: http://gisopenbaar.overijssel.nl/viewer/app/atlasvanoverijssel_basis/v1

4.3

Houtopstanden

In dit onderdeel van de Wet natuurbescherming is de bescherming van houtopstanden buiten de bebouwde kom geregeld. Het voornaamste doel hiervan is het in stand houden van het areaal bossen en beplantingen in Nederland. Elke Nederlandse provincies heeft verordeningen vastgesteld waarin is geregeld hoe een kapmelding moet worden ingediend, waaraan herbeplanting moet voldoen en wanneer ontheffing van de herbeplantingsplicht kan worden verleend. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als ‘groene long’ voor ons dichtbevolkte land. Voordat een houtopstand die onder de bovengenoemde wet valt, geveld kan worden, moet volgens de wet een kapmelding worden gedaan bij de provincie. De provincie Overijssel heeft hierover het volgende vastgelegd: Uitgangspunt Men wil in Overijssel houtopstanden (bossen of rijenbeplantingen) vellen waarop de Wet natuurbescherming van toepassing is. Dit kan gelden voor bos, maar ook voor andere 'houtopstanden' zoals houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen of beplantingen van bosplantsoenen. In dergelijke gevallen is er sprake van de noodzaak tot het melden van deze kap als: • • •

de houtopstand buiten de vastgestelde bebouwde kom Houtopstanden (voormalig bebouwde kom Boswet) ligt; de houtopstanden een zelfstandige eenheid vormen van groter dan 10 are (1.000 vierkante meter); of het gaat om bomen in een rijbeplanting van 20 bomen of meer.

Bureau Biota rapport 2018-028

7/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

Er moet in dat geval een kapmelding worden gedaan als houtopstanden worden gekapt of gerooid (ontworteld), of als bomen en struiken door de ingreep of door uw vee sterven of ernstig beschadigd raken. Kapvergunning via gemeente Soms is er ook een kapvergunning nodig, naast de kapmelding voor de Wet natuurbescherming. De gemeente geeft kapvergunningen af. Voordat men gaat kappen is het raadzaam om bij de gemeente na te vragen of een kapvergunning is vereist. Als dat zo is, moet deze apart aangevraagd worden. In de bomenverordening van de gemeente ligt vast voor welke bomen deze vergunning nodig is. Voor Zwolle is deze verordening te vinden op: https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Zwolle/CVDR300530/CVDR300530_1.html

Voor de rest van dit rapport laten we dit onderdeel varen omdat het plangebied zich binnen de bebouwde kom ligt en de opdrachtgever zelf een gemeente is. Gemeente Zwolle is op de hoogte van hoe om te gaan met de kap van bomen op terreinen als het plangebied uit deze rapportage.

Bureau Biota rapport 2018-028

8/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

5

Werkwijze

Voorafgaand aan het veldbezoek is indruk van het gebied gemaakt op basis van gebiedskenmerken in relatie tot de voorgenomen plannen. Op basis daarvan is in kaart gebracht waarvoor nog aanvullende gegevens wenselijk waren. Om voorafgaand aan het veldwerk een zo goed mogelijke indruk van het onderzoeksterrein te krijgen is ook gebruik gemaakt van informatie uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), rapportages van lokale natuuronderzoeken downloadbaar via internet en gegevens van lokale natuurwerkgroepen (Stichting Avifauna Zwolle, vleermuiswerkgroep KNNV-Zwolle). Deze gegevens zijn van belang geweest voor het maken van een goede afweging van de mogelijke effecten op de aanwezige natuurwaarden. Om in beeld te brengen welke (potenties voor) beschermde natuurwaarden op of nabij het onderzoeksterrein aanwezig zijn (actuele situatie), heeft Bureau Biota het onderzoeksbureau Bunskoek Natuurlijk verzocht eenmalig een veldbezoek uit te voeren. Dit veldbezoek heeft plaatsgevonden op 6 november 2018. Het veldonderzoek is bij daglicht uitgevoerd om voor zoveel mogelijk beschermde soortgroepen een goede inschatting van de aanwezigheid/potenties in het gebied te maken. Eén veldbezoek aan een plangebied in deze periode van het jaar (najaar 2018) is doorgaans niet voldoende voor het gedetailleerd onderzoeken van de verspreiding en aantallen van veel soortgroepen.

Veel soorten zijn namelijk minder actief in het najaar en de winter, sommigen gaan zelfs in winterslaap of trekken weg. Echter wanneer men zich beperkt tot onder de Wet natuurbescherming vastgestelde soorten en leefgebieden en kennis heeft van de ecologie van deze soorten en leefgebieden dan kan een ervaren ecoloog zoals Martijn Bunskoek ook in dit jaargetijde een goede inschatting maken van de potenties van het terrein voor gebruik door beschermde soorten. In onze ogen is een eenmalig veldonderzoek door een ervaren ecoloog in combinatie met de opgevraagde/ verzamelde biologische gegevens van het onderzoeksgebied voldoende om ook in deze tijd van het jaar een gedegen inschatting te kunnen maken van de potenties van dit terrein voor beschermde natuurwaarden en hier conclusies aan te verbinden voor wat betreft de bepalingen vastgelegd in de Wet natuurbescherming.

Bureau Biota rapport 2018-028

9/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

6

Bevindingen uit het onderzoek

6.1

Literatuurstudie

Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Uit de gegevens van de nationale databank flora- en fauna van de afgelopen vijf jaren 2013 - 2018 blijkt dat er binnen het onderzoeksterrein of in de directe nabijheid daarvan zijn veel soorten waargenomen. De meeste hiervan (56) zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en sommigen hebben een Rode Lijst status (Tabel 1). Tabel 1 Samenvatting van het aantal waarnemingen per soort in en direct rondom het onderzoeksgebied nabij de Kroesenallee te Wijthmen. Bron: Nationale Databank Flora en Fauna (2013 – 2018). Soorten aangegeven met een G (gevoelig) of K (kwetsbaar) achter de Nederlandse soortnaam zijn ook vernoemd in de Rode Lijst van de desbetreffende soortgroep. Dit overzicht presenteert alleen de soorten vernoemd in de Wet natuurbescherming of soorten van de Rode Lijst. Vogels

Aantal

Vogels (vervolg)

Aantal

Boerenzwaluw (G) Hirundo rustica

4

Staartmees Aegithalos caudatus

2

Boomkruiper Certhia brachydactyla

5

Tjiftjaf Phylloscopus collybita

10

Boompieper Anthus trivialis

2

Torenvalk Falco tinnunculus

4

Boomvalk (K) Falco subbuteo

1

Tuinfluiter Sylvia borin

3

Fitis Phylloscopus trochilus

2

Vink Fringilla coelebs

4

Geelgors Emberiza citrinella

4

Visdief Sterna hirundo

1

Gekraagde roodstaart Phoenicurus phoenicurus

1

Watersnip Gallinago gallinago

1

Grasmus Sylvia communis

3

Winterkoning Troglodytes troglodytes

6

Graspieper (G) Anthus pratensis

1

Wulp Numenius arquata

12

Grauwe vliegenvanger (G) Muscicapa striata

1

Zanglijster Turdus philomelos

2

Grote bonte specht Dendrocopos major

2

Zwartkop Sylvia atricapilla

4

Grote lijster (K) Turdus viscivorus

6

Heggenmus Prunella modularis

1

Reptielen

Huismus (G) Passer domesticus

2

Ringslang (K) Natrix natrix

Huiszwaluw (G) Delichon urbicum

2

Keep (G) Fringilla montifringilla

1

Vleermuizen

Kievit Vanellus vanellus

1

Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus

15

Kleine karekiet Acrocephalus scirpaceus

2

Laatvlieger (K) Eptesicus serotinus

10

Koekoek (K) Cuculus canorus

1

Meervleermuis Myotis dasycneme

2

Koolmees Parus major

1

Rosse vleermuis (K) Nyctalus noctula

2

Kramsvogel (G) Turdus pilaris

5

Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii

1

Merel Turdus merula

5

Watervleermuis Myotis daubentonii

1

Ooievaar Ciconia ciconia

2

Pimpelmees Cyanistes caeruleus

2

Terrestrische zoogdieren

Putter Carduelis carduelis

2

Bosmuis* Apodemus sylvaticus

1

Ransuil (K) Asio otus

1

Egel* Erinaceus europaeus

5

Rietgors Emberiza schoeniclus

3

Haas* Lepus europaeus

5

Roodborst Erithacus rubecula

3

Hermelijn* (G) Mustela erminea

1

Roodborsttapuit Saxicola rubicola

1

Konijn* (G) Oryctolagus cuniculus

1

Spotvogel (G) Hippolais icterina

2

Ree* Capreolus capreolus

5

Spreeuw Sturnus vulgaris 1 *voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling (Wet natuurbescherming).

Steenmarter* Martes foina

4

Bureau Biota rapport 2018-028

Aantal 3 Aantal

Aantal

10/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

Als we kijken naar de verspreiding van de soorten over het opgevraagde onderzoeksgebied valt op dat de vogels en terrestrische zoogdieren redelijk verspreid over het gebied zijn waargenomen, terwijl alle waarnemingen van vleermuizen een vrij duidelijke lijn volgen (Figuur 4). De vleermuizen lijken gezien de positie van de waarnemingen in de NDFF vooral de Erfgenamenweg te gebruiken en vervolgens globaal over te stappen naar de Oude Wijthemerweg en de Oude Twentseweg of vice versa. Van de overige soortgroepen zijn dusdanig weinig waarnemingen in de NDFF beschikbaar dat er weinig te zeggen is over de werkelijke verspreiding over het aangegeven onderzoekgebied.

Figuur 4

Globale ligging van de waarnemingen van vleermuizen in en rondom het onderzoeksgebied nabij de Kroesenallee. Bron: NDFF.

Faunaonderzoek Zwolle en De Horte 2012-2013 In 2012 – 2013 heeft een groot aantal vrijwilligers in samenwerking met Ecogroen BV Zwolle een groot nagenoeg stad breed/gemeente breed onderzoek verricht naar de verspreiding van kritische diersoorten uit verschillende soortgroepen: zoogdieren, broedvogels, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, sprinkhanen en krekels. In Figuur 5 is aangegeven welke gebieden tijdens dat project specifiek zijn onderzocht. Het grootschalige faunaonderzoek liet zien dat Landgoed Soeslo nu waarschijnlijk ook een plek is waar de das (Meles meles) zich gevestigd heeft. In 2012 werden al graafsporen en burchten aangetroffen. Het gebied rondom de Wijthmenerplas (ten noordwesten van het onderzoeksgebied) is van oorsprong al een heel belangrijk gebied voor dassen. Door stroperij en vernieling is de soort echter verdreven, maar na 1990 weer teruggekeerd. De eerste vestiging vond toen plaats op Landgoed De Horte, ten noordoosten van het onderzoeksgebied. Inmiddels is de soort ook weer vastgesteld rondom de Wijthmenerplas. De steenmarter is ook zo’n soort die in de nabijheid van het onderzoeksgebied wel voorkomt. De soort is zowel op De Horte als bij de Wijthmenerplas vastgesteld. Een andere marterachtige die op deze twee terreinen voor schijnt te komen is de hermelijn.

Tijdens het uitgebreide onderzoek geregisseerd door Ecogroen BV (Van der Sluis 2014) is er ook gezocht naar boommarter, maar deze soort is niet aangetroffen hoewel Landgoed De Horte mogelijk wel onderdeel zou kunnen zijn/worden van een territorium van deze marterachtige.

Bureau Biota rapport 2018-028

11/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

Figuur 5 Overzicht van de onderzoeksgebieden uit het faunaonderzoek Zwolle en De Horte in 2012-2013. In de rode cirkel bevindt zich globaal het onderzoeksgebied dat wij bekeken voor de voorliggende rapportage van de quickscan wegomlegging Kroesenallee. Bron ondergrond: Van der Sluis 2014.

Ook de aanwezigheid van soorten als de waterspitsmuis (Neomys fodiens), dwergmuis (Micromys minutus) en eekhoorn (Sciurus vulgaris) is niet ver van het onderzoeksgebied vastgesteld. Dit gebeurde wederom op het eerdergenoemde Landgoed Soeslo. Dit landgoed vervult ook een functie als verblijfplaats voor ruige dwergvleermuizen (Pipistrellus nathusii), rosse vleermuizen (Nyctalus noctula) en gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus, wel aanwezig maar geen verblijfplaatsen aangetoond) en kraamverblijfplaats voor watervleermuizen (Myotis daubentonii). Het aan de noordoostkant van het onderzoeksgebied gelegen landgoed De Horte vervult ook een functie als verblijfplaats voor rosse vleermuizen en kraamverblijfplaats voor watervleermuizen. Ook de gewone grootoorvleermuis is op De Horte gesignaleerd, maar niet met verblijfplaatsen. Ook de kerkuil (Tyto alba) en de bosuil (Strix aluco) schijnen hun plek op Landgoed Soeslo te hebben gevonden. Een soort als de steenuil (Athene noctua) is echter niet waargenomen tijdens dit grootschalige onderzoek. De kerkuil is overigens ook broedend aangetroffen op Landgoed De Horte en ook de bosuil schijnt hier een territorium te hebben. De ransuil (Asio otus) schijnt uit beide Landgoederen verdwenen te zijn.

Bureau Biota rapport 2018-028

12/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

Van de groep van de amfibieën is bekend dat de kamsalamander (Triturus cristatus) op zowel Soeslo als De Horte is vastgesteld. Ook de poelkikker (Pelophylax lessonae) is nabij het onderzoeksterrein aangetroffen. Zowel op Landgoed Soeslo als bij landgoed De Horte en de Wijthmenerplas is de soort in lage aantallen aangetroffen (circa 1 tot 5 individuen per gebied). Uit de soortgroep van de reptielen is alleen de ringslang in de nabijheid van het onderzoekgebied waargenomen. Dit gebeurde wederom op Landgoed De Horte. Soorten als hazelworm (Anguis fragilis) en levendbarende hagedis (Zootoca vivipara) zijn van de directe omgeving van het onderzoeksgebied niet bekend. Uit de soortgroep van de vissen zijn in de buurt (Soeslo, De Horte of Wijthmenerplasgebied) soorten als kleine modderkruiper (Cobitis taenia) en bermpje (Barbatula barbatula), maar ook grote modderkruiper (Misgurnus fossilis), riviergrondel (Gobio gobio) en kroeskarper (Carassius carassius) vastgesteld. Binnen de soortgroep van de insecten zijn diverse dagvlinders, libellen en sprinkhanen vastgesteld in de omgeving van ons onderzoeksgebied (Tabel 2).

Tabel 2 Samenvatting van de soorten dagvlinders, libellen en sprinkhanen welke Van der Sluis (2014) rapporteerde voor drie gebieden nabij het onderzoeksterrein van de in deze rapportage beschreven quickscan. Zie figuur 5 voor een overzicht van de ligging van de drie gebieden ten opzichte van het onderzoeksgebied van de quickscan. Soorten in blauw staan specifiek vermeld in de Wet natuurbescherming. Soorten met een G (gevoelig), K (kwetsbaar), B (bedreigd) of EB (ernstig bedreigd) achter de naam zijn met deze status opgenomen in de meest actuele rode lijst van de desbetreffende soortgroep. Soort Dagvlinders Bruin zandoogje (Maniola jurtina) Groot dikkopje (Ochlodes sylvanus) G Hooibeestje (Coenonympha pamphilus) Icarusblauwtje (Polyommatus icarus) Kleine ijsvogelvlinder (Limenitis camilla)* B Kleine vuurvlinder (Lycaena phlaeas) Koevinkje (Aphantopus hyperantus) Oranje zandoogje (Pyronia tithonus) Zwartsprietdikkopje (Thymelicus lineola) Libellen Bandheidelibel (Sympetrum pedemontanum) Beekrombout (Gomphus vulgatissimus)** B Bruine korenbout (Libellula fulva) Bruine winterjuffer (Sympecma fusca) Geelvlekheidelibel (Sympetrum flaveolum) Glassnijder (Brachytron pratense) Kempense heidelibel (Sympetrum depressiusculum)*** EB Koraaljuffer (Ceriagrion tenellum) Tengere pantserjuffer (Lestes virens) Vuurlibel (Crocothemis erythraea) Vroege glazenmaker (Aeshna isoceles)

Weidebeekjuffer (Calopteryx splendens) Sprinkhanen Moerassprinkhaan (Stethophyma grossum)

Landgoed Soeslo

Landgoed De Horte

Wijthmenerplas e.o.

   

   

   

   

        

  

  

 

     

 

   

* onzekere waarneming; ** zwervend exemplaar; *** waarneming net buiten genoemde gebied.

Bureau Biota rapport 2018-028

13/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

OTB/MER N35 Zwolle-Wijthmen - Natuurplan Een rapport met bovengenoemde titel werd in december 2013 uitgebracht door Arcadis. Het rapport was onderdeel van een onderzoek naar de effecten van gewenste aanpassingen van de N35 in verband met de toenemende verkeersdrukte. Het gaat om een analyse van de effecten op natuurwaarden van de aanleg van een nieuw tracé van de N35. In (de directe nabijheid van) het onderzoeksgebied van de voorliggende quickscan trof Arcadis destijds blijkbaar een of meerdere broedterritoria van buizerd, steenuil, havik, kerkuil en ransuil aan (Figuur 6). Tijdens de veldbezoeken die Arcadis rapporteerde zijn ook migratieroutes van vleermuizen aangetoond (Figuur 7).

Figuur 6 Detailopname van een figuur uit het rapport van Arcadis: Aangetroffen jaarrond beschermde vogelnesten in het plangebied NB Bij de Roofvogel- en uilenwerkgroep Zwolle is - bij monde van gebiedskenner Jan van Dijk - geen steenuil bekend bij het ingetekende zuidoostelijke territorium (ter hoogte van de tekst Marswetering in de figuur). Tijdens een locatiebezoek in juli 2013 zijn bij de aanwezige nestkast uitwerpselen van vermoedelijk spreeuw waargenomen. Het zuidoostelijke territorium is zeer waarschijnlijk ten onrechte ingetekend.

Bureau Biota rapport 2018-028

14/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

Figuur 7 Detailopname van een figuur uit het rapport van Arcadis: Aangetroffen vleermuizen in het plangebied Met paarse cirkels zijn de relevante locaties aangegeven: 1 foerageergebied in de Zunne, 2 foerageergebied in Hullerheem, 3 en 4 doorsneden vliegroutes van de gewone dwergvleermuis

Los van de in figuur 6 en 7 gepresenteerde beschermde soorten verwachtte Arcadis bij de aanleg van de nieuwe N35 ook negatieve effecten op soorten als kleine modderkruiper, rugstreeppad, algemene broedvogels. Voor deze soorten waren mitigerende maatregelen aan te bevelen om de negatieve effecten te vermijden. Voor steenuil, vleermuizen en das was dat niet het geval. Mitigatie was daar geen optie, er moesten compenserende maatregelen worden aangedragen. Daarvoor was een ontheffing van de toenmalige Flora- en Faunawet vereist.

Bureau Biota rapport 2018-028

15/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

De zoogdieren van Overijssel In 2011 bracht de zoogdierenwerkgroep Overijssel een boek uit over de verspreiding van zoogdieren in de provincie Overijssel (Douma et al. 2011). Hierin wordt aandacht besteed aan 8 insecteneters, 14 vleermuissoorten, 2 haasachtigen, 14 soorten knaagdieren, 10 soorten roofdieren en 3 evenhoevigen. Van deze 51 soorten zijn er 29 redelijk recent ook daadwerkelijk in of nabij het onderzoekgebied van de quickscan aangetroffen: • Aardmuis (Microtus agrestis)*;

• Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus); • Wezel (Mustela nivalis)*;

• Bosmuis (Apodemus sylvaticus)*;

• Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus);

• Bruine rat (Rattus norvegicus);

• Dwergmuis (Micromys minutus)*;

• Laatvlieger (Eptesicus serotinus);

• Das (Meles meles);

• Gewone bosspitsmuis (Sorex araneus)*;

• Rosse vleermuis (Nyctalus noctula);

• Eekhoorn (Sciurus vulgaris);

• Huismuis (Mus musculus);

• Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii);

• Egel (Erinaceus europaeus)*;

• Huisspitsmuis (Crocidura russula)*;

• Watervleermuis (Myotis daubentonii);

• Haas (Lepus europaeus)*;

• Rosse woelmuis (Myodes glareolus)*;

• Boommarter (Martes martes);

• Konijn (Oryctolagus cuniculus)*;

• Tweekleurige bosspitsmuis (Sorex coronatus)*; • Steenmarter (Martes foina);

• Mol (Talpa europaea);

• Veldmuis (Microtus arvalis)*;

• Bunzing (Mustela putorius)*;

• Ree (Capreolus capreolus)*;

• Waterspitsmuis (Neomys fodiens);

• Hermelijn (Mustela erminea)*; In zwart gedrukte soorten staan niet vermeld in de Wet natuurbescherming (Wnb), blauw gedrukte soorten wel. Voor soorten met een * geldt binnen de Wnb een algemene vrijstelling.

De vissen van Overijssel Consultatie van het boek ‘De vissen van Overijssel’ liet zien dat er in de provincie Overijssel vier soorten vissen zijn aangetroffen welke beschermd worden onder de Wet natuurbescherming: • • • •

Beekprik (Lampetra planeri); Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis); Houting (Coregonus oxyrinchus); Kwabaal (Lota lota).

Van deze vier soorten komen alleen de laatste drie ook voor in de buurt van Zwolle. De grote modderkruiper is zoals eerder aangegeven ook vastgesteld in de nabijheid van het onderzoeksgebied (zie Faunaonderzoek Zwolle en De Horte). De houting is een vissoort waarvan de verspreiding in Overijssel zich beperkt tot de IJssel, het Zwarte Meer en het Zwarte Water (Schiphouwer et al. 2016). In de buurt van Zwolle is de laatste vissoort uit het bovengenoemde rijtje vooral waargenomen in het Zwarte Water, de Vecht, het Almelose kanaal en jaren geleden ook in (de zijtakken van) de IJssel.

Consultatie Stichting Avifauna Zwolle Om een indruk te kunnen krijgen van de actuele situatie als het gaat om roofvogels en uilen in het aangewezen onderzoeksgebied is er ook contact gelegd met de Stichting Avifauna Zwolle. De heer R. Smabers heeft aangegeven dat er in de directe nabijheid van de voorgenomen plannen niks bekend is over steenuilen of kerkuilen. Wel wist de heer Smabers te vertellen dat er aan de Ganzepanweg 2 (Figuur 8) een territorium van steenuil en kerkuil bekend is. De heer Smabers gaf ook aan dat er ter hoogte van het onderzoeksgebied alsnog wel het een en ander aan uilen kan zitten, vooral richting De Horte en in het gebied tussen De Horte en Heino.

Bureau Biota rapport 2018-028

16/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

Figuur 8 Positie bekende territoria van steenuil en kerkuil aan de Ganzepanweg 2, nabij het onderzoeksgebied (globaal aangegeven met de blauwe contour). Het broedterritorium dat destijds door Arcadis werd beschreven (Figuur 6) is de heer Smabers in de actuele situatie niet bekend.

Consultatie vleermuiswerkgroep KNNV Zwolle Een van de auteurs van dit rapport (Gabi) is lid van bovengenoemde werkgroep en input van andere leden van de werkgroep was derhalve gemakkelijk georganiseerd. De heren H. Mellema en D. Tuitert geven sturing aan deze werkgroep. Daarom is er bij de heer Mellema informatie ingewonnen omtrent vleermuisactiviteit in of nabij het onderzoeksgebied van de voorliggende quickscan. Hieruit is gebleken dat er over het onderzoeksgebied geen specifieke data bij de werkgroep bekend zijn. Wel is er bijgedragen aan diverse onderzoeken op Landgoed Soeslo en daaruit blijkt dat er migratie plaatsvindt van diverse soorten vanuit het genoemde landgoed naar het oosten, over de N35 heen. Het gaat hierbij om gewone dwergvleermuizen, gewone grootoorvleermuizen en watervleermuizen, maar mogelijk ook laatvlieger.

Conclusie literatuurstudie In de directe omgeving van het onderzoeksgebied komen diverse terreinen voor die rijk zijn aan soorten uit vele verschillende soortgroepen. Bij het veldonderzoek naar de actuele toestand in het plangebied zal voor alle soorten opgenomen in de Wet natuurbescherming moeten worden bepaald of er voor deze soorten ook potenties zijn in het onderzoeksgebied. Hier komen we in de volgende paragrafen op terug.

Bureau Biota rapport 2018-028

17/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

6.2

Algemene indruk veldbezoek

Het onderzoeksterrein is in feite een lappendeken waarin boerenerven (of erven met een vergelijkbaar karakter, maar nieuwe functie) afgewisseld worden met akkers en weilanden, met hier en daar een rij bomen. Het terrein wordt doorkruist door diverse wegen (Kroesenallee, Oude Wijthemerweg, Oude en Nieuwe Heinoseweg). Ter hoogte van de Kroesenallee 16 en de Oude Wijthemerweg (Stichting De Hofstee) zijn twee aanzienlijke vijvers in het gebied aanwezig. Figuur 9, 10 en 11 geven een beeld van de actuele situatie in het onderzoeksgebied. In het algemeen zijn er in het onderzoeksgebied maar weinig zaken die aandacht vragen vanuit de Wet natuurbescherming. Hieronder zullen we per beschermde soortgroep in beeld brengen wat naar ons idee de actuele situatie in relatie tot de bovengenoemde wet is.

Figuur 9

Voorbeelden van de actuele situatie rondom de Kroesenallee op 6 november 2018.

Figuur 10

Voorbeelden van de actuele situatie rondom de Oude Wijthemerweg op 6 november 2018.

Bureau Biota rapport 2018-028

18/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

Figuur 11

6.3

Voorbeelden van de actuele situatie rondom de Heinoseweg op 6 november 2018.

Vleermuizen

Binnen het onderzoeksgebied verwachten we geen verblijfplaatsen van vleermuizen in de bomen ter hoogte van de beoogde kruisingen met de Kroesenallee (zomereik), Oude Wythemerweg (lindes) en Heinoseweg (zomereiken) omdat er geen holtes zijn vastgesteld, bomen zijn daar ook nog relatief jong en derhalve van slechts een beperkte stamdiameter (zie figuren 9, 10 en 11, diameter 20-30 cm op borsthoogte). Wel zijn ter hoogte van de drie genoemde kruisingen vliegroutes van vleermuizen te verwachten die afkomstig zijn uit verblijfplaatsen in Wythmen (zie rode pijlen in Figuur 12). Vleermuizen navigeren graag op lijnvormige elementen in het landschap, zoals sloten, maar ook bomenrijen e.d. Gezien de overige gebiedskenmerken zijn de bomenrijen langs de Oude Wijthemerweg, de Heinoseweg en de Kroesenallee vermoedelijk de belangrijke routes voor deze soortgroep (met name laatvlieger en gewone dwergvleermuis) om zich te kunnen verplaatsen van en naar hun vermoedelijke foerageergebieden in en rondom Wijthmen en meer naar het noordwesten richting de Wijthmenerplas (zie Arcadis onderzoek). Daar bevindt zich namelijk een kleinschalig landschap met veel bosjes, laanbeplantingen en groene erven welke geschikt zijn als foerageergebied voor vleermuizen.

6.4

Overige soorten zoogdieren

Er zijn waarnemingen van das bekend uit deze omgeving. Ter hoogte van de plannen en de directe omgeving ontbreken echter vaste rust- en verblijfplaatsen van de soort. Het plangebied zal slechts beperkt in gebruik zijn als foerageergebied voor das. Vaste rust- en verblijfplaatsen van andere beschermde soorten zoogdieren (zoals eekhoorn of bijvoorbeeld steen- of boommarter etc.) verwachten we, gezien de terreinkenmerken en beschikbare verspreidingsgegevens, ook niet ter hoogte van de ingrepen.

Bureau Biota rapport 2018-028

19/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

Figuur 12 allee.

6.5

Positie van vermoedelijk de drie belangrijkste migratieroutes voor vleermuizen in het onderzoeksgebied rondom de Kroesen-

Jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels

Ter hoogte van de plannen ontbreken (potentiele) jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels. Op de omliggende erven komen wel veel huismussen (Passer domesticus) voor, maar deze ondervinden geen schade van de voorgenomen ingrepen. Ook zijn veel erven rondom de nieuwe weg die erg geschikt lijken als verblijfplaats van steenuil (en in mindere mate ook kerkuil). Het voorkeursbiotoop van de steenuil is een graslandschap met een afwisseling van houtwallen, knotwilgen en oude hoogstambomen en verspreid staande boerderijen met erfbeplanting (zie intermezzo steenuil). Kerkuilen hebben een voorkeur voor halfopen tot open landschappen in laaglandgebieden in de nabijheid van de mens (zie intermezzo kerkuil). Het gebied rondom de geplande wegaanpassing voldoet redelijk tot goed aan deze voorkeuren van beide uilen. Voor onderstaande intermezzo’s is gebruik gemaakt van informatie uit SOVON (2018), Hoogenstein & Meesters (2011), Hayman & Hume (2009), Mebs & Scherzinger (2004), SOVON (2002) en Voous & Slijper (1986). Daarnaast is gebruik gemaakt van de websites: www.vogelbescherming.nl, www.kerkuil.nl, www.sovon.nl.

Bureau Biota rapport 2018-028

20/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

Steenuil Kenmerken De steenuil is een van de kleinste uilensoorten van Europa. Mannetjes wegen gemiddeld maar 180 gram. De vrouwtjes zijn wat zwaarder, met een gemiddelde van 200 gram. De steenuil is een uil met een korte staart, een laag voorhoofd en een vlakke kruin. Deze uil heeft grote gele ogen en witte wenkbrauwen. De soort is vaak overdag te zien en jaagt in de schemer en in de nacht. De steenuil is in Nederland een standvogel. Leefgebied Steenuilen hebben een voorkeur voor een gevarieerd agrarisch landschap. In Nederland is de soort vooral nog te vinden op plekken waar het kleinschalige coulisselandschap met boerderijen, heggen, bosschages en bosjes, akkers en weilanden nog stand heeft gehouden. In dit halfopen cultuurlandschap dient het landgebruik niet te intensief te zijn. Steenuilen in Nederland zijn uitgesproken cultuurvolgers. Verspreiding De steenuil broedt in grote delen van Europa, behalve in het noorden. In Zuid-Europa is de soort het meest talrijk. Dezelfde trend (in het zuiden meer steenuilen) zien we ook binnen Nederland. De soort is in Groningen en Friesland veel schaarser dan in de zuidelijke provincies. Het oostelijk deel van Nederland, met name de Achterhoek en Twente, maar ook Overijssel doet het redelijk goed als het gaat om het aantal broedparen van steenuil. Daar vinden we nog 11 tot 25 broedparen per atlasblok.

Elders in het land zijn de dichtheden doorgaans beduidend lager (0 tot 10 broedparen per blok). Voedsel De steenuil leeft vooral van muizen, en regenwormen, maar vult dit dieet aan met (loop)kevers, nachtvlinders, vogels, mollen en kikkers. Broeden Broeden doet deze uil in ons lang vooral in vrij lange, diepe gaten in holle takken, tussen stenen of in de grond. Daarom vinden we steenuilen ook vaak op boerenerven met van oudsher knotwilgen en/of fruitbomen en schuurtjes. Tegenwoordig worden door diverse lokale werkgroepen ook speciale nestkasten voor steenuilen opgehangen. De meeste steenuilen broeden in de periode eind maart – mei. Doorgaans bestaat een legsel uit 24 eieren die naar 27-33 dagen uitkomen. Na circa vijf weken zijn de jongen vliegvlug. De jongen vestigen zich vervolgens in een nieuw territorium niet ver bij het ouderlijk territorium vandaan. Landelijke trend De nieuwe vogelatlas van Nederland laat zien dat de bovengenoemde soort sinds de jaren 70 alleen maar minder talrijk is geworden in ons land. Waar er in de periode 1973-1977 nog 1044 broedzekere atlasblokken werden gemeld waren dat er in de periode 1998-2000 nog maar 878 en recentelijk (2013-2015) nog maar 871. Niet alleen het aantal atlasblokken met broedgevallen is gekelderd, ook het aantal broedgevallen liep over de jaren gestaag terug.

De nieuwste vogelatlas met dat er naar verwachting nog 7500 tot 8500 broedparen in ons land verblijven. Oorzaken achteruitgang De teruglopende aantallen broedgevallen van steenuil hebben we te danken aan verstoring van het biotoop door het grootschalig rooien van hoogstamboomgaarden en knotwilgen en de intensivering van de landbouw, waarbij alle kleine elementen nagenoeg zijn verdwijnen. Ook het drukkere verkeer doet de soort geen goed.

Bureau Biota rapport 2018-028

21/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

Kerkuil Kenmerken De kerkuil is een grote uil met een zeer karakteristieke, grote, hartvormige kop met zwarte ogen. De vleugels van deze uil zijn vrij puntig. De soort jaagt doorgaans in de schemer, maar als het kouder wordt gaat deze vogel ook overdag op pad. De kerkuil is in Nederland een standvogel. Leefgebied Kerkuilen zien we in ons land vooral in halfopen cultuurlandschappen met kleinschalige elementen zoals kruidenrijke randen, houtwallen, heggen of bosjes. Verspreiding Kerkuilen komen in heel Europa, met uitzondering van het noorden voor. In Nederland treffen we deze soort vooral aan op de zandgronden van Friesland, Drenthe, Overijssel, Gelderland en Noord-Brabant. De verspreiding van kerkuilen over Nederland is wat homogener verdeeld dan die van de steenuil en laat geen duidelijk concentratie gebied binnen Nederland zien. Voedsel Deze uil leeft vooral van spitsmuizen, woelmuizen, ware muizen en ratten. Daarnaast eten deze uilen ook wel vogels, amfibieën en ongewervelde dieren, maar deze vullen het menu slechts aan. Om deze te vangen jagen kerkuilen vaak boven open velden (graslanden en akkers). Daar voert de kerkuil vaak lage vluchten uit en staat hierbij vaak ook biddend in de lucht alvorens hij de prooi achterna gaat. Deze vogels lijken vooral langs randen van weilanden, houtwallen, bos en wegen hun voedsel te zoeken.

Broeden Het broeden gebeurd in ons land meestal in schuren, kerktorens of andere ruimtes voorzien van een dak, maar ook in holle bomen of tussen hooibalen. Dit kan gebeuren in alle maanden van het jaar, maar de meeste vogels beginnen in april met leggen. Een legsel bestaat meestal uit 4-7 eieren welke na 30-32 dagen uitkomen. Vervolgens duurt het nog 8 of 9 weken voordat de jongen vliegvlug zijn. Kerkuilen kunnen onder gunstige condities twee tot drie legsels grootbrengen. Landelijke trend De nieuwe vogelatlas laat zien dat er in de loop der jaren 1973–2015 een toename van het aantal bezette atlasblokken heeft plaatsgevonden. Waar er in de periode 1973-1977 531 broedzekere atlasblokken werden vastgesteld, trof men er 944 aan in de periode 1988-2000. Bij de laatste atlasperiode 2013-2015 is het aantal atlasblokken met broedzekere waarnemingen gestegen naar 1133. In de 1973-2015 is ook het aantal broedparen gestaag toegenomen. Nu zitten we op een niveau van naar schatting 1250-2900 broedparen. Niet alleen in Nederland werden zo de aantallen gestimuleerd. Ook in ons omringende landen gebeurde dit. Toch zijn er ook landen waar het aantal kerkuilen nog steeds daalt.

Redenen voor toename in aantal broedparen Het feit dat het nu weer stukken beter gaat met de kerkuil heeft vooral te maken met de intensieve beschermingsprogramma’s (waaronder het ophangen van nestkasten) die er voor deze soort op touw zijn gezet. De Kerkuilenwerkgroep Nederland en de diverse lokale werkgroepen hebben hier een groot aandeel in gehad. Bedreigingen vindt deze soort in de toenemende verkeersdrukte. Daarnaast zijn strenge winters (en dus weinig muizen in het opvolgende jaar) soms ook funest voor deze soort.

Bureau Biota rapport 2018-028

22/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

6.6

Overige broedvogels

Ter hoogte van de plannen verwachten we in de bomen en beplantingen langs de wegen uitsluitend algemene broedvogels en mogelijk nog een verdwaalde kievit (Vanellus vanellus) op de maisakker tussen de Oude Wythemerweg en de Kroesenallee.

6.7

Watergebonden soorten (vissen/amfibieën)

Permanent oppervlaktewater ontbreekt grotendeels ter hoogte van de plannen. Alleen langs de Kroesenallee, waar de nieuwe weg afbuigt naar het zuiden, is een waterhoudende sloot aanwezig tussen het fietspad en de provinciale weg. Deze was tijdens het veldbezoek net geschoond en hier is geen vis in aangetroffen. In de sloot was wel sprake van veel ijzerhoudende kwel. We verwachten hier verder geen beschermde vis- of amfibieënsoorten.

6.8

Reptielen

Er zijn waarnemingen bekend van ringslang in de nabijheid van de plannen. De bewoner van de Kroesenallee 16 (die tijdens het veldwerk een praatje kwam maken) gaf aan dat hij af en toe ringslangen op zijn erf had en ook een composthoop. Het is dus mogelijk dat hier ook af en toe voortplanting plaats kan vinden. Ter hoogte van de plannen echter ontbreken overigens potentiele voortplantingslocaties in de vorm van composthopen of andere ophopingen van organisch materiaal waarin broei mogelijk is.

6.9

Flora

Gezien de gebiedskenmerken en beschikbare verspreidingsgegevens verwachten we geen beschermde plantensoorten ter hoogte van de plannen. Het talud tussen de Kroesenallee en de eerder genoemde sloot is wel behoorlijk schraal met soorten als muizenoortje (Hieracium pilosella), diverse zegges (Carex sp.), St. Janskruid (Hypericum perforatum), wilde peen (Daucus carota) en duizendblad (Achillea millefolium). De overige bermen zijn vrij rijk en ruderaal van karakter met soorten als kropaar (Dactylis glomerata), Canadese fijnstraal (Erigeron canadensis), bijvoet (Artemisia vulgaris), smalle weegbree (Plantago lanceolata), braam (Rubus sp.), schapenzuring (Rumex acetosella) en melganzevoet (Chenopodium album). De tussenliggende graslanden zijn intensief van karakter en soortenarm, dit geldt ook voor het maisland tussen de Kroesenallee en de Oude Wythemerweg.

6.10

Overige soorten

We verwachten op basis van de gebiedskenmerken en beschikbare verspreidingsgegevens geen andere beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de plannen.

Bureau Biota rapport 2018-028

23/44

Quickscan wegomlegging Kroesenallee, gemeente Zwolle

7

Te verwachten effecten van de voorgenomen ingreep

7.1

Soortenbescherming

Met de voorgenomen plannen zullen in de meeste gevallen geen vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde soorten verloren gaan omdat deze soorten niet zijn aangetroffen of er geen potenties voor op het onderzochte terrein zijn aangetroffen. Op basis van het veldbezoek en de beschikbare verspreidingsgegevens kunnen we op dit moment echter nog niet uitsluiten dat er geen nadelige effecten ontstaan op uilen (met name steenuil, maar mogelijk ook kerkuil) en diverse soorten vleermuizen. Voor uilen zijn delen van het onderzoeksgebied geschikt als verblijfplaats of foerageergebied. In het verleden zijn er ook broedterritoria in of nabij het onderzoeksgebied aangetoond en delen van het onderzoeksgebied lijken momenteel nog geschikt voor deze vogels. Door de aanleg van de nieuwe Kroesenallee zou een deel van het foerageergebied kunnen komen te vervallen of er treedt misschien verstoring van (potentiele) verblijfplaatsen op. Voor vleermuizen kan het onderzoeksgebied nog steeds deel uitmaken van een belangrijke migratieroute (zie bijvoorbeeld Figuur 4, Figuur 7 en Figuur 12). Met de voorgenomen plannen zullen zeer waarschijnlijk een fors aantal bomen ter hoogte van de beoogde aansluitingen zullen moeten wijken. De aansluitingen zullen in principe allemaal gelijkvloers zijn, alleen voor de Oude Wijthmenerweg dient nog bepaald te worden of dit een gelijkvloerse kruising wordt of niet.

Door het verdwijnen van bomen vallen er ga-ten in potentiele migratieroutes en daarvan zijn negatieve effecten op de instandhouding van vleermuizen te verwachten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=64396c69-a3d6-4d61-85bd-b17f55c59613