Onderzoeksrapport 'Jeugdproblematiek in Zwolle. Een onderzoek naar de aard, omvang en aanpak'.
Tekst van het document
Jeugdproblematiek in Zwolle Een onderzoek naar de omvang, aard en aanpak
Joey Wolsink Hester de Boer Anton van Wijk
Jeugdproblematiek in Zwolle
Jeugdproblematiek in Zwolle Een onderzoek naar de omvang, aard en aanpak
Joey Wolsink Hester de Boer Anton van Wijk
Colofon In opdracht van Gemeente Zwolle Met medewerking van Juno van Esseveldt Eddy Klein Hofmeijer Vormgeving Marcel Grotens
Jeugdproblematiek in Zwolle Een onderzoek naar de omvang, aard en aanpak J. Wolsink, H. de Boer en A. van Wijk Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Zwolle. De verantwoordelijkheid voor de inhoud van het onderzoek berust bij de auteurs. De inhoud vormt niet per definitie een weergave van het standpunt van de gemeente Zwolle. © 2021, Bureau Beke, Arnhem. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, foto-kopie, microfilm of welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteurs. No part of this publication may be reproduced in any form by print, photo print or other means without written permission from the authors ISBN 978 94 92255 45 7
Inhoud De belangrijkste bevindingen eerst 7 1
Achtergronden, vraagstelling en onderzoeksmethodiek 16
1.1 Jeugdproblematiek in Nederland 16 1.1.1
Internaliserende problematiek in Nederland 16
1.1.2
Externaliserende problematiek in Nederland 14
1.2
Een onderzoek naar de omvang, aard en de aanpak in de gemeente Zwolle 22
1.3 Methoden van onderzoek 23 1.3.1
Deskresearch 23
1.3.2
Analyse politiegegevens 24
1.3.3
Groepsinterviews 24
1.3.4
Bespiegelingen over het onderzoek 25
1.4 Leeswijzer 25
2 Internaliserende problematiek 27 2.1 Deskresearch 27 2.2 Groepsinterviews 33 2.2.1
Een algemeen beeld 33
2.2.2
Internaliserende problematiek 35
2.2.3
Kwetsbare groepen 38
2.3 Resumé 39
3 Externaliserende problematiek 41 3.1 Deskresearch 41 3.2 Analyse politiegegevens 45 3.2.1
Overlastgevende kinderen en jongeren 45
3.2.2
Criminele kinderen en jongeren 46
3.2.3
Het criminele speelveld in Zwolle 53
3.3 Groepsinterviews 54 3.3.1
Externaliserende jeugdproblematiek 55
3.3.2
Drugsproblematiek 58
3.3.3
Hotspots 61
3.3.4
Kwetsbare groepen 61
3.4 Resumé 62
4 De aanpak van jeugdproblematiek 66 4.1 Beleidsanalyse 66 4.1.1
De maatregelen binnen het sociale domein 68
4.1.2
De maatregelen binnen het veiligheidsdomein 69
4.2 Groepsinterviews 75 4.2.1
De jeugdketen 76
4.2.2. Gemeentelijk beleid 78 4.2.3
Aanbod en voorzieningen 81
4.3 Resumé 84
Geraadpleegde bronnen 87 Bijlagen Bijlage 1:
Respondentenlijst 96
Bijlage 2: Indicatoren van de Jongerenindex Zwolle 97
Bijlage 3: Indicatoren van het Buurt-voor-Buurt Onderzoek 2020 100
Bijlage 4: De risicoscores op toetreden in de drugscriminaliteit
naar wijk en buurt 110
Bijlage 5: De kern van de jeugdmaatregelen en de outcome 113
Bijlage 6: Prestaties van de verschillende partijen 119
Bijlage 7:
De checklist van items uit de handreiking duiding
problematische jeugdgroepen 125
De belangrijkste bevindingen eerst
Dit rapport begint met de belangrijkste bevindingen uit het onderzoek naar de jeugdproblematiek in de gemeente Zwolle. Na een korte terugblik op de aanleiding van het onderzoek komen de vraagstelling en de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd aan de orde. Daarna zijn de onderzoeksvragen beantwoord. Deze inleiding is te beschouwen als een vervangende samenvatting. De lezer die meer verdieping zoekt, kan terecht bij de hoofdstukken 1 tot en met 4.
Terugblik op de aanleiding van het onderzoek De gemeente Zwolle heeft in de Veiligheidsvisie 2019-2022 als doelstelling geformuleerd dat de ondermijnende criminaliteitsvormen, die zich voordoen in de gemeente, intensiever tegengegaan en teruggedrongen moeten worden, onder meer door de betrokkenheid van jongeren bij die vormen van criminaliteit te verminderen. De strategie is niet enkel een kwestie van repressie, de gemeente wil juist meer handvatten creëren om gerichter preventief beleid te ontwikkelen en de bestaande integrale aanpak van groepscriminaliteit effectiever te maken. De gemeente heeft dan ook enerzijds de behoefte te weten wat de omvang en aard van de jeugdproblematiek in Zwolle is en welke categorieën te onderscheiden zijn. Anderzijds wil de gemeente de bestaande aanpak van de jeugdproblematiek kritisch tegen het licht houden.1 In het onderzoek staan de volgende onderzoeksvragen centraal: 1. Wat is de aard van omvang van de jeugdproblematiek in Zwolle anno 2020? 2. In hoeverre sluit het bestaande instrumentarium voor de aanpak aan bij de omvang en aard van de jeugdproblematiek?
De belangrijkste bevindingen eerst 7
3. Welke aanbevelingen kunnen worden gedaan om de bestaande aanpak te optimaliseren dan wel nieuwe interventies te initiëren die beter aansluiten bij de geconstateerde problematiek? Om deze vragen te beantwoorden, zijn diverse onderzoeksactiviteiten verricht om een zo betrouwbaar mogelijk beeld te geven van de omvang, aard en aanpak van de jeugdproblematiek in Zwolle. Dit wordt ook wel een multibronnenaanpak genoemd. Ten eerste hebben we een deskresearch uitgevoerd, waarbij is gekeken naar rapporten van de politie, gemeente en bevolkingsmonitoren die ingaan op de omvang en aard van de problematiek van jongeren in Nederland en in Zwolle. Ook zijn via de gemeente documenten opgevraagd met informatie over de aanpak van jeugdproblematiek in Zwolle. Naast deskresearch hebben we via verschillende databronnen gepoogd iets te zeggen over de omvang en aard van de jeugdproblematiek, waaronder de data van de politie en de City Deal Zicht op Ondermijning. Voor de verdieping hebben we groepsinterviews gehouden met professionals. Voorafgaand aan de groepsinterviews hebben alle respondenten een korte vragenlijst ingevuld en opgestuurd naar de onderzoekers. De vragen gaan over hun kennis van de problematiek (aantallen jongeren, vindplaatsen, type probleemgedrag, relatie met criminaliteit, rollen in de groep et cetera) en de bestaande aanpak.
De ingevulde vragenlijsten zijn geanalyseerd en gepresenteerd in de groepssessies aan de hand hiervan zijn gesprekken gevoerd. In totaal is er gesproken met 50 experts. In bijlage 1 is aangegeven bij welke organisaties deze experts werkzaam zijn en wat hun functie is. Het is van belang om het onderzoek in de context te plaatsen waarin het is uitgevoerd. Hierdoor kan de lezer de resultaten uit het rapport beter interpreteren. Een aantal punten is van belang om toe te lichten. Allereerst wordt het Zwolse jeugdbeleid beïnvloed door een landelijk kader, namelijk de decentralisatie van de Jeugdzorg die zich in 2015 op landelijk niveau heeft voorgedaan. Enkele aspecten, die hiermee samenhangen – zoals de financieringssystematiek bij de jeugdhulp – vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het onderzoek heeft zich uitsluitend gericht op het jeugdbeleid waar de gemeente Zwolle invloed op kan uitoefenen. Ten tweede betreft dit onderzoek geen benchmark, want er is alleen gekeken naar de Zwolse jeugdproblematiek en aanpak. Hierdoor is het niet mogelijk om de ernst van de Zwolse situatie af te zetten tegen andere vergelijkbare gemeenten, hoewel we op sommige onderdelen wel een vergelijkende analyse hebben weten te maken. Ten derde kent jeugdproblematiek, waaronder criminaliteit altijd een dark number. Dit dark number zorgt ervoor dat in de praktijk
8 Jeugdproblematiek in Zwolle
niet alle jongeren met problematiek in beeld komen, maar vermoedelijk slechts de spreekwoordelijke top van de ijsberg. Hiervan is zeker ook sprake in dit onderzoek. Ten slotte is dit onderzoek uitgevoerd ten tijde van de coronapandemie. Dit heeft mogelijk invloed gehad op de cijfers uit 2020 over de jeugdproblematiek en -criminaliteit en op het referentiekader van de experts die zijn geïnterviewd.
Beantwoording van de onderzoeksvragen Met behulp van informatie uit de deskresearch, beleidsanalyse, politiecijfers en groepsinterviews komen in deze paragraaf de onderzoeksresultaten aan bod.
Wat is de aard van omvang van de jeugdproblematiek in Zwolle anno 2020? Uit de verschillende bronnen komt naar voren dat de internaliserende problematiek toeneemt in de gemeente Zwolle. De genoemde oorzaken zijn dat jeugdigen zich meer eenzaam voelen, steeds meer een bepaalde mate van prestatiedruk en stress ervaren doordat zij opgroeien in een prestatiemaatschappij, vaker in een complexe gezinssituatie leven en dat door medicalisering de neiging bestaat een etiket te geven aan alles wat afwijkt. Voor wat betreft de omvang van de externaliserende problematiek zijn de resultaten minder eenduidig. Zo blijkt het aantal overlastmeldingen in de periode 2012-2019 nagenoeg gelijk te zijn gebleven. Ten aanzien van het criminele gedrag van jeugdigen wijzen politiecijfers, die gebaseerd zijn op de periode 2012-2019, op een daling in de jeugdcriminaliteit. Zo is bijvoorbeeld het aantal verdachten tot 25 jaar met ruim 30 procent afgenomen. De daling is minder sterk dan in vergelijkbare gemeenten. De aard van de geregistreerde jeugdcriminaliteit is daarentegen wel veranderd. Zo komt uit politiecijfers naar voren dat met name de drugs- en vuurwapenmisdrijven zijn toegenomen. Dit wijst op een verharding in de jeugdcriminaliteit, maar wellicht ook op de toegenomen aandacht van politie en justitie voor dit fenomeen.
Ingezoomd op de drugscriminaliteit blijkt dat er in de gemeente Zwolle sprake is van verjonging. Waar in de periode 2012-2014 iets meer dan 20 procent van de verdachten voor de handel van harddrugs jonger waren dan 25 jaar, is dit percentage in de periode 2015-2018 gestegen naar iets meer dan 40 procent. Uit de groepsinterviews komt deze tendens in verharding en verjonging in de Zwolse jeugdcriminaliteit duidelijk naar voren. Dit uit zich onder meer in het feit dat meer jeugdigen in het bezit zijn van illegale wapens en dat zij vaker betrokken raken bij gewelds- en drugsmisdrijven. Verder is het algemene beeld bij experts
De belangrijkste bevindingen eerst 9
dat de online criminaliteit fors is toegenomen, ook onder jongeren. Zij zien of hebben daar signalen over gekregen dat onder andere drugsdelicten via de onlinewereld gemakkelijker te faciliteren en te plegen zijn. Uit verschillende bronnen is zicht gekregen op hotspots waar (het risico op) internaliserend en externaliserend gedrag het meest voorkomt. In alle bronnen wordt de wijk Holtenbroek genoemd, terwijl de wijk Diezerpoort in vijf van de zes bronnen voorkomt. De wijken Kamperpoort en Stadshagen worden vier keer genoemd. Tot slot komen de wijken Indische buurt en Binnenstad in drie bronnen voor. De overige wijken – Aa-landen, Ittersumerlanden, Westenholte, Veerallee en Marsweteringlanden – slechts één keer. Uit de diverse geraadpleegde bronnen komen de volgende kwetsbare groepen naar voren: licht verstandelijk beperkte jongeren, jongeren met een lage sociaaleconomische status en jongeren uit gezinnen met een complexe gezinssituatie (gescheiden ouders of gezinnen met een traumatische vluchtelingenachtergrond). Andere genoemde kwetsbare groepen zijn vroegtijdig schoolverlaters, kinderen waarvan de ouders geen of weinig tijd en aandacht hebben voor de opvoeding, jongeren zonder vaste woon- of verblijfplaats en jeugdigen die tot hun achttiende levensjaar in de jeugdzorg hebben gezeten maar daarvoor niet meer in aanmerking komen omdat ze ouder dan achttien jaar zijn.
In hoeverre sluit het bestaande instrumentarium voor de aanpak aan bij de omvang en aard van de jeugdproblematiek? Uit een landelijke evaluatie van de decentralisatie van de jeugdzorg is gebleken dat de Jeugdwet niet heeft geleid tot de gewenste uitkomsten. Zo is het voor veel gemeenten moeilijk gebleken om een integrale samenwerking te starten, waarbij de privacywetgeving een van de grootste knelpunten is. Indien er wel een integrale samenwerking van de grond is gekomen, bemoeilijken de eigen regels en doelstellingen van de organisaties een effectieve samenwerking. Tevens wordt vaak een organisatie gemist die duidelijk regie voert. De evaluatie laat zien dat het voor gemeenten moeilijk is om outreachend te werk te gaan en het blijkt dat het totale stelsel van voorzieningen in het sociaal domein nog steeds bestaat uit veel actoren, regelingen en voorzieningen. Deze landelijke evaluatie en de benoemde knelpunten gelden blijkens de geraadpleegde bronnen ook voor de werkwijze in de aanpak van de jeugdproblematiek in Zwolle. Ook hier is de integrale samenwerking nog niet optimaal en er mist een duidelijke, centrale regie, volgens de gesproken experts. Het aantal
10 Jeugdproblematiek in Zwolle
betrokken organisaties in Zwolle is fors. Partijen hebben blijkens de interviews onvoldoende kennis over wat de rol van de andere partijen is bij de samenwerking en wat zij daarmee willen bereiken. Hiermee benutten zij elkaars expertise niet optimaal. Dat de integrale samenwerking nog niet optimaal functioneert, blijkt ook uit de resultaten van de aanpak op de criminele AUREUS-groep. Naast een groepsgerichte aanpak is een integrale persoonsgerichte aanpak gestart waarbij gebruik wordt gemaakt van strafrecht, bestuursrecht en zorg. Het blijkt dat er meer nodig is om de criminaliteit door deze groep tegen te gaan. Het overgrote deel van de groep blijft namelijk nog onder de radar van politie en hulpverlening of trekt zich weinig aan van de hulpverlening. Daarnaast zijn er nog steeds zorgen over de aanzuigende werking van de jeugdgroep op jonge aanwas. Volgens de geraadpleegde experts is een ander knelpunt in de werkwijze dat veel maatregelen en initiatieven op stadsniveau zijn georganiseerd en niet op wijkniveau, terwijl de problematiek en behoeften per wijk duidelijk verschillen. Er is onvoldoende zicht op de aard en omvang van de problemen en behoeften op wijkniveau. De gemeente (en de betrokken instanties) ontbreekt het – samengevat − volgens de experts aan een effectief preventiebeleid.
Er wordt naar hun mening nog te veel aanbodgericht gewerkt in plaats van vraaggericht, waardoor de problematiek van jongeren soms niet in het voorgeselecteerde aanbod valt. Hierdoor belanden zij tussen wal en schip. Tot slot blijkt het moeilijk om bij de (zeer) problematische gezinnen achter de voordeur te komen. In dat verband wordt gewezen op sommige multiprobleemgezinnen met een migratieachtergrond. Wanneer we specifiek kijken naar het aanbod, komt uit de beantwoording van onderzoeksvraag 1 een aantal belangrijke elementen naar voren op wie het instrumentarium zich zou moeten richten. Zo is er een aantal kwetsbare doelgroepen geformuleerd. Het bestaande instrumentarium is voor het overgrote deel van de maatregelen in Zwolle gericht op het voorkomen van voortijdige schooluitval. Gezien het feit dat dit een belangrijke risicofactor is – volgens de City Deal zelfs dé belangrijkste risicofactor – is dit op het eerste gezicht een goede set maatregelen, maar er zijn meer risicofactoren aan te wijzen, waar de gemeente Zwolle op dit moment minder tegenover kan stellen, zoals de aanpak van criminele families. Verder zijn er enkele maatregelen en initiatieven die trachten achterstanden, die voortkomen uit het leven in een complexe gezinssituatie, tegen te gaan. De overige maatregelen definiëren geen doelgroep en gebruiken veelal de algemene term ‘jongeren’.
Er lijkt geen sprake van een specifieke aanpak op de reeds genoemde kwetsbare groepen, die mogelijk buiten de boot vallen, ook gezien het aanbodgerichte werken van verschillende instanties. Voor wat
De belangrijkste bevindingen eerst 11
betreft het bestaande instrumentarium is het zaak dat het aanbod beter aansluit bij de geformuleerde kwetsbare doelgroepen.
Welke aanbevelingen kunnen worden gedaan om de bestaande aanpak te optimaliseren dan wel nieuwe interventies te initiëren die beter aansluiten bij de geconstateerde problematiek?
Een goed functionerende jeugdketen Een goed functionerende jeugdketen is van belang voor een effectieve aanpak van de Zwolse jeugdproblematiek. Hiertoe formuleren we een drietal aanbevelingen.
Aanbeveling 1: Ontwikkelen van een gemeentelijke visie De eerste aanbeveling is om een breed gedragen en domeinoverstijgende visie op de aanpak van jeugdproblematiek te ontwikkelen waar een basis wordt gelegd voor een effectieve, integrale ketensamenwerking binnen de geldende wettelijke kaders. Hiervoor zou de gemeente allereerst een inventarisatie kunnen maken van alle samenwerkingsverbanden die er anno 2021 zijn. Dit leidt tot twee positieve ontwikkelingen: 1) samenwerkingsverbanden die eenzelfde doel dienen maar waar verschillende partners bij betrokken zijn, kunnen samengenomen worden zodat de verticale en horizontale informatiepositie verbetert, 2) een dergelijke inventarisatie brengt in beeld waar lacunes of gebreken liggen in de aanpak van de gemeente Zwolle. Hierbij hoort volgens geïnterviewde experts onder andere het verminderen van het aantal betrokken organisaties dat hetzelfde en vergelijkbaar hulpaanbod heeft. Zo kan het hulpaanbod overzichtelijker worden gemaakt en kunnen ketenpartners elkaar beter vinden en met samenwerken.
Aanbeveling 2: Aanwijzen van een actieve regievoerder De aanbeveling aan de gemeente is voorts de rol als regievoerder actiever op zich te nemen. De gemeente kan deze rol expliciet uitdragen door meer sturing te geven aan de verschillende samenwerkingsverbanden. Een centrale rol hierin is weggelegd voor de Sociale Wijkteams. Daarnaast moet de gemeente resultaatafspraken maken per samenwerkingscontract, waardoor de betrokken partners duidelijk maken wie zij willen bereiken, hoe zij dat willen doen, waarom, en hoe zij het vraaggerichte werken binnen die kaders willen realiseren.
12 Jeugdproblematiek in Zwolle
Aanbeveling 3: Stimuleren van kennisuitwisseling over de Zwolse jeugdketen Om de effectiviteit en efficiëntie in de jeugdketen te verbeteren, is het van belang dat alle betrokken partijen kennis hebben van de Zwolse jeugdketen en de bijbehorende taken, rollen en bevoegdheden van de andere ketenpartners. Om voorgaande te concretiseren, bevelen we aan om jaarlijks een bijeenkomst te organiseren voor alle bestaande en nieuwe collega’s in de gehele ‘jeugdketen’ in Zwolle, zowel onderwijs en zorg als veiligheid. Tijdens deze ‘Jeugddag’ zullen zij geïnformeerd worden over de Zwolse integrale ketensamenwerking, de visie daarop, de kaders en vooral ook wat instanties van elkaar mogen en moeten verwachten. We verwachten dat daarmee de kennis van elkaars (on)mogelijkheden toeneemt, evenals de bereidheid om informatie te delen en dat wordt voorkomen dat jongeren tussen wal en schip belanden.
Gemeentelijk beleid Om de aanpak van Zwolse jeugdproblematiek te optimaliseren, zijn de volgende aanbevelingen van belang.
Aanbeveling 4: Verbeteren van de kennis- en informatiepositie Allereerst is het wenselijk de informatiepositie van de ketenpartners op stadsniveau, maar ook op wijkniveau te versterken. Onze aanbeveling is om opnieuw gebruik te maken van de Jongerenindex Zwolle. Daarnaast is het essentieel om deze kennis te combineren met informatie uit andere bronnen, zoals de City Deal Zicht op Ondermijning. Op deze manier kunnen de Zwolse professionals beter inschatten wat er op wijkniveau speelt en effectiever aansluiten bij de wijkgerichte behoeften. De gemeente kan verder meer investeren in de ontwikkeling van kennis en expertise bij de verschillende instanties over de gevolgen van de prestatiemaatschappij, online criminaliteit (in de breedste zin van het woord) en de gevolgen van sociale media voor de leefwereld van de jongeren.
Aanbeveling 5: Bevorderen van vroegsignalering in de lokale context Jongeren begeven zich in verschillende systemen, zoals het gezin, de school en de wijk. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat de rol van de ouders en het gezin aan het veranderen is, waarbij er vaker dan voorheen sprake lijkt te zijn van een gebrek aan aandacht en tijd voor het kind. Dit is volgens de gesproken experts een van de oorzaken van internaliserende en externaliserende problematiek. Daarom is het voor de gemeente wenselijk om te investeren in vroegsignale-
De belangrijkste bevindingen eerst 13
ring op zowel school als op het gebied van de (off- en online) vrijetijdsbesteding. Essentieel is dat scholen weten waar zij deze informatie kunnen onderbrengen en met wie zij die kunnen en mogen delen. Het andere systeem waar vroegsignalering extra aandacht behoeft, is volgens de experts de wijk. De gemeente en politie zouden beter invulling kunnen geven aan het preventieve beleid en de kaders waar instanties in Zwolle samenwerken door meer in te zetten op jongerenwerkers en jeugdagenten, die in de wijken in gesprek gaan met de jongeren en vroegtijdig signalen van probleemgedrag bij de geëigende instanties kunnen aanbrengen. Dit vergt vanzelfsprekend meer inzet en dus capaciteit.
Aanbeveling 6: Inzetten op aanpak van negatieve rolmodellen In meer repressieve zin kan gerichter werk worden gemaakt van de groepsaanpak door ook aandacht te besteden aan de aanpak van negatieve rolmodellen en criminele families. De verlokkingen van de drugscriminaliteit moeten worden ontmoedigd, zichtbaar, juist ook voor jongeren. Hierin is de rol van ‘stevige’ straatcoaches en jongerenwerkers van groot belang die outreachend en signalerend op die jongeren gericht zijn die nog niet zijn verstrikt in de drugscriminaliteit maar er wel tegenaan hangen. De politie kan bij een jonge first offender voor een drugsfeit de zaak niet alleen strafrechtelijk afdoen, maar het delict van de jongere ook als aanleiding (signaal) gebruiken om verder na (te laten) gaan welke problematiek erachter schuilgaat om verder afglijden te voorkomen.
Lokale voorzieningen In het onderzoek is geconstateerd dat er in sommige wijken en buurten te weinig wordt gekeken naar de lokale behoeften van de jeugd.
Aanbeveling 7: Luisteren naar de behoefte van de lokale jeugd De aanbeveling is tenslotte om de lokale voorzieningen voor jongeren in Zwolle te verbeteren en eventuele lancunes hierin in kaart te brengen, samen met de Zwolse jeugd. Hiermee wordt enerzijds op preventieve wijze beoogd te voorkomen dat jeugdigen uit verveling overlast veroorzaken of criminaliteit begaan. Anderzijds kunnen lokale voorzieningen dienen als ondersteuning wanneer een jongere al in beeld is vanwege probleemgedrag. Een voorbeeld is de wijk Stadshagen. Hier wonen veel jeugdigen terwijl er weinig vertier voor hen is in de wijk. Dit heeft tot gevolg dat zij op straat hangen
14 Jeugdproblematiek in Zwolle
en veel overlast veroorzaken, wat weer een aanzuigende werking heeft op jeugdigen uit andere wijken. Hierop aansluitend is het van belang dat het lokale, fysieke aanbod aansluit bij de behoeften van de jongeren die vanwege internaliserende of externaliserende problematiek in beeld zijn. Denk hierbij aan het aantal sportvoorzieningen, jongerencentra en voorzieningen voor dagbesteding.
Eindnoot 1.
We spreken bewust van ‘jeugdproblematiek’ in de breedste zin van het woord. Het gaat niet alleen om het zichtbare, externaliserende probleemgedrag, maar ook om de minder zichtbare, internaliserende problematiek, die jongeren ook kwetsbaar maken voor de verlokkingen van (drugs) criminaliteit.
De belangrijkste bevindingen eerst 15
1
Achtergronden, vraagstelling en onderzoeksmethodiek
In dit eerste hoofdstuk staan we stil bij de achtergronden en de aanleiding voor het onderzoek, de vraagstelling en de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd. We besluiten met een leeswijzer.
1.1 Jeugdproblematiek in Nederland Wanneer sprake is van jeugdproblematiek kunnen we een onderscheid maken tussen internaliserende en externaliserende problematiek. Bij eerstgenoemde is het gedrag van de jeugdige vooral problematisch voor hem of haarzelf en minder voor zijn of haar omgeving. Voorbeelden van internaliserende problematiek zijn teruggetrokkenheid en het hebben van een negatief zelfbeeld, psychosomatische klachten, eetproblemen, emotionele reactiviteit, angsten en depressieve klachten. Externaliserende problematiek wordt gekenmerkt door problemen voor zowel de jeugdige als voor zijn of haar omgeving. Het betreft bijvoorbeeld uitingen van agressief gedrag, hyperactiviteit, pesten en delinquent gedrag (Knivsberg, Iversen, Nødland & Reichelt, 2007; Howell & Watson, 2009; Wicks-Nelson & Israel, 2009; Boonstra, Gilsing, Hermens & Van Marissing, 2010). Wanneer een jeugdige internaliserende problematiek vertoont, zal de mate van externaliserende problematiek ook hoger zijn en vice versa (Bombosch, 2010).
1.1.1 Internaliserende problematiek De kans dat internaliserende problematiek optreedt, wordt bepaald door de verhouding tussen de draaglast en draagkracht van een individu. De draaglast kenmerkt zich door drie factoren, waarvan prestatiedruk de eerste is. Het individu voelt een bepaalde druk om aan de verwachtingen en/of eisen van de omgeving te voldoen, bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs, werk en/of sport. De tweede factor is keuzestress, dit ontstaat wanneer een individu veel infor-
16 Jeugdproblematiek in Zwolle
matie moet verwerken om tot een in zijn of haar ogen goede keuze te komen. De derde en laatste factor, die de draaglast beïnvloedt, is stress door spanningen of druk. Met betrekking tot de draagkracht zijn twee factoren te onderscheiden, waaronder de weerbaarheid van het individu. Die wordt bepaald door een combinatie van cognitieve, emotionele en sociale vaardigheden en geeft aan in hoeverre een individu in staat is om een zinvol, lerend en productief leven te leiden en succesvol verschillende sociale rollen en functies aan te nemen. De tweede factor is de veerkracht van het individu, oftewel de capaciteiten van een individu om met moeilijkheden, tegenslagen, veranderingen, stress et cetera om te gaan (RIVM, 2018). De verhouding tussen de draaglast en draagkracht – en dus de kans op internaliserende problematiek – is onderhevig aan beschermende en risicovolle factoren op individueel en omgeving gerelateerd niveau (zie tabel 1.1) (RIVM, 2018; Drieschner, Hesper & Delforterie, 2019). Tabel 1.1 – De beschermende en risicofactoren voor internaliserende problematiek
Beschermende factoren
Risicofactoren
Individu
Individu
Hoge eigenwaarde Intelligentie Optimistische denkstijl Kunnen genereren van positieve emoties Sociaal-emotionele vaardigheden
Gender (vrouw zijn) Erfelijkheid Persoonlijkheidsfactoren
Omgeving
Omgeving
Warm, veilig gezinsklimaat Positief schoolklimaat Goede kwaliteit van sociale relaties
Kinderen uit niet volledige gezinnen Kinderen uit gezinnen met een laag welvaartsniveau Kinderen van ouders met psychische of verslavingsproblemen (KOPP/KVO kinderen) Levensgebeurtenissen (stressvolle gebeurtenissen, trauma, migratie)
Stevens et al. (2018) hebben in hun onderzoek onder 12- tot en met 16-jarigen gekeken naar de invloed van het intelligentieniveau als beschermende factor en naar de invloed van een aantal risicofactoren op de mate van psychosomatische klachten en psychische problemen. Voor wat betreft het intelligentieniveau is het zo dat leerlingen op het vwo de minste psychische problemen hebben en vmbo-
Achtergronden, vraagstelling en onderzoeksmethodiek 17
b-leerlingen de meeste. Met betrekking tot de risicofactoren is ten eerste de verandering in de omvang van psychosomatische klachten en psychische problemen onder jongens en meisjes in de periode 2005-2017 in kaart gebracht door Stevens et al. (2018). Daaruit blijkt dat er zich onder jongens geen veranderingen hebben voorgedaan, maar dat meisjes meer emotionele problemen, gedragsproblemen en problemen met leeftijdsgenoten hebben in 2017 ten opzichte van 2005. Een vergelijking tussen jongens en meisjes wijst uit dat meisjes meer psychosomatische klachten en emotionele problemen hebben dan jongens, maar dat jongens meer gedragsproblemen hebben. Stevens et al. (2018) stellen voorts dat jongeren uit gezinnen met een hoog welvaartsniveau minder emotionele problemen en minder problemen met leeftijdsgenoten hebben dan jongeren uit een gezin met een laag of gemiddeld welvaartsniveau. Daarnaast zorgt het leven in een onvolledig gezin ervoor dat het individu meer emotionele problemen, gedragsproblemen en psychosomatische klachten heeft dan een individu dat leeft in een volledig gezin. Tot slot hebben 12- tot en met 16-jarigen met een niet-westerse achtergrond meer gedragsproblemen en problemen met leeftijdsgenoten dan leerlingen zonder een migratieachtergrond (Stevens et al., 2018).
Een individuele risicofactor waarnaar niet wordt verwezen in tabel 1.1 maar die wel naar voren komt in verschillende landelijke studies is de leeftijd. Zo blijkt uit onderzoek van De Graaf, Ten Have en Van Dorsselaer (2010) dat onder 18- tot 24-jarigen het vaakst een depressieve stoornis voorkomt, namelijk bij een op de vijftien jongeren (6,7%). Daarnaast laat de gezondheidsenquête op basis van cijfers van 2014 tot en met 2017 zien dat 3 tot 4 procent van de 12- en 13-jarigen psychische problemen heeft, waarbij meisjes net iets meer psychische problemen hebben dan jongens. Naarmate de leeftijd van jongens en meisjes toeneemt, neemt de psychische problematiek toe. Het verloop van de stijging is daarentegen wel verschillend. Voor jongens is er namelijk sprake van een geleidelijke stijging en heeft uiteindelijk 12 tot 13 procent van de 24- en 25-jarigen psychische problemen, terwijl ditzelfde percentage voor meisjes al is bereikt op 18- en 19-jarige leeftijd. In de jaren daarna blijft de psychische problematiek onder meisjes ongeveer gelijk.1 De gevolgen van een laag niveau van welbevinden en psychische problemen, oftewel internaliserende problematiek, kunnen op de korte en lange termijn negatieve consequenties hebben voor jongeren.
Het kan leiden tot schoolproblemen en moeite hebben met het onderhouden van sociale relaties (Stevens, Van Dorsselaer, Boer, De Roos, Duinhof, Ter Bogt, Van den Eijnden, Kuyper, Visser, Vollebergh & De Looze, 2018). Daarnaast kan het, zoals reeds beschreven, leiden tot een hogere mate van externaliserende problematiek (Bombosch, 2010).
18 Jeugdproblematiek in Zwolle
1.1.2 Externaliserende problematiek Terwijl kinderen en jongeren opgroeien, is deel uitmaken van een groep en verkennen van grenzen een onderdeel van het opgroeigedrag. Het kan ertoe leiden dat zij in groepsverband overlast gevend en crimineel gedrag vertonen (ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2010). In wetenschappelijke literatuur worden verschillende risicofactoren genoemd voor overlast gevend en crimineel gedrag, die overigens overlap vertonen met de risicofactoren voor internaliserende problematiek. Enerzijds betreft het individuele kenmerken, zoals het hebben van negatieve levenservaringen, negatieve psychische gesteldheid, een pro-criminele attitude, alcohol- en drugsgebruik en niet-delinquent probleemgedrag, zoals een verhoogde impulsiviteit en/of spanningsbehoefte. Anderzijds zijn bepaalde sociale omgevingskenmerken een risico op overlast gevend en crimineel gedrag, zoals de situatie in het gezin (gebroken gezin, gebrekkig toezicht van de ouders, huiselijk geweld of financiële problematiek), op school (wangedrag, schorsing, spijbelen en voortijdig schoolverlaten), in de buurt en het hebben van delinquente vrienden (Howell, 2003; Esbensen & Weerman, 2005; Klein & Maxson, 2006; Loeber, Slot & Stouthamer-Loeber, 2008; Ferwerda, Van Ham & Jager, 2016).
De kans op overlast gevend en crimineel gedrag is hoger wanneer er een cumulatie van risicofactoren is (Bui, Farrington & Ueda, 2018).
Intermezzo – Jonge aanwas en de drugscriminaliteit2
De City Deal Zicht op Ondermijning3 heeft een risicomodel ontwikkeld, waarbij kenmerken uit het verleden van jonge drugsverdachten zijn geanalyseerd om inzichtelijk te maken welke kenmerken voor jongeren een verhoogd risico opleveren om op latere leeftijd verdacht te worden van een drugsdelict. Het blijkt dat de belangrijkste factor voortijdig schoolverlaten is. De andere negen factoren zijn – op volgorde van belangrijkheid – niet naar school gaan, een registratie bij Bureau HALT hebben, man zijn, een hoger percentage verdachte familieleden hebben, wanbetaler van de zorgverzekering zijn, speciaal onderwijs volgen voor moeilijk opvoedbare kinderen, tot de tweede generatie met een migratieachtergrond behoren, een thuiswonend kind zijn bij een eenoudergezin en geen hbo of wo als hoogste opleidingsniveau. Het risicomodel waarnaar wordt verwezen wordt op het moment van schrijven doorontwikkeld en zal ook daarna in ontwikkeling blijven. Dit betekent dat er op een later moment wijzigingen zullen optreden in de set met belangrijkste risico-indicatoren en de risicoscores op wijk- en buurtniveau. De meest actuele resultaten zijn te raadplegen op www.zichtopondermijning.nl.
Achtergronden, vraagstelling en onderzoeksmethodiek 19
De mate van blootstelling aan deze risicofactoren is afhankelijk van de leeftijdsfase waar kinderen en jongeren zich in bevinden, waarbij de mate van blootstelling toeneemt naarmate kinderen ouder worden. In de vroegste kindertijd is er alleen nog sprake van blootstelling aan individuele en gezinsfactoren, maar in de latere kindertijd omgeven kinderen zich ook met vrienden en zijn ze op school. De blootstelling bereikt een piek tijdens de adolescentieperiode, doordat buurten werkgerelateerde factoren een rol spelen (Loeber, Slot & Stouthamer-Loeber, 2008). De adolescentieperiode betreft de periode tussen het 17e en 20e levensjaar (Moffit, 1993; Ferwerda & Van Ham, 2015). Vanaf de vroege volwassenheid neemt de mate van blootstelling af, omdat de invloed van het ouderlijk gezin, de school en vrienden minder wordt (Loeber, Slot & Stouthamer-Loeber, 2008). Op landelijk niveau is er vanaf 2007 sprake van een daling in de geregistreerde en (zelf)gerapporteerde jeugdcriminaliteit onder 12- tot 25-jarigen (Van der Laan & Weijters, 2015; Van der Laan, Pleysier & Weerman, 2020). Hiervoor worden in de wetenschappelijke literatuur verschillende redenen genoemd. De eerste reden is gebaseerd op de zogenoemde beveiligingshypothese, die stelt dat potentiële daders minder in de gelegenheid komen om delicten te plegen, omdat de samenleving in toenemende mate beveiligd is.
Hierbij valt te denken aan alarminstallaties in auto’s, betere inbraakbeveiliging van woningen en cameratoezicht in het openbaar domein. Volgens Farrell, Tseloni, Mailley en Tilley (2011) hebben deze maatregelen met name effect op de delicten waarmee een criminele carrière doorgaans wordt gestart (zoals winkeldiefstal en inbraken), waardoor de kans op ontwikkelen van een criminele carrière wordt tegengehouden. Een ander genoemde reden is een veranderende maatschappelijke houding ten opzichte van risicogedrag, waardoor jongeren aan minder risicofactoren (zoals alcoholgebruik en delinquente vrienden hebben) en aan meer beschermende factoren (zoals ervaren van emotionele steun en betrokkenheid en monitoring door ouders) zijn blootgesteld (Van der Laan, Rokven, Weijters & Beerthuizen, 2018). De derde en laatste verklaring die is genoemd, is de toegenomen digitalisering van de samenleving en de belangrijke rol die mobiele telefoons en sociale media spelen (Berghuis & De Waard, 2017; Van der Laan, Beerthuizen & Goudriaan, 2017; Weerman, 2017). Dit heeft namelijk tot gevolg gehad dat jongeren minder tijd doorbrengen met vrienden op straat en in de publieke ruimte (rondhangen) maar meer achter een beeldscherm zitten en online op sociale media bezig zijn (Wennekers, De Haan & Huysmans, 2016; Kanne, Nannes & Andringa, 2019), wat de kans op het plegen van delicten verkleint.
Anderen opperen dat er een verplaatsing plaatsvindt van offline delinquent gedrag naar online delinquent
20 Jeugdproblematiek in Zwolle
gedrag. Hier is echter nog weinig onderzoek naar gedaan (Van der Laan, Rokven, Weijters & Beerthuizen, 2018) Ondanks de dalende jeugdcriminaliteit zijn er groepen en gebieden, die niet worden beïnvloed door voornoemde redenen, die de jeugdcriminaliteit laten dalen. In die zin zijn de ontwikkelingen in jeugdcriminaliteit ongelijk verdeeld in de samenleving (Van der Laan & Beerthuizen, 2018; Van der Laan, Pleysier & Weerman, 2020). Ook zijn er toenemende zorgen over de betrokkenheid van jongeren bij drugshandel en ondermijnende criminaliteit waarbij de boven- en onderwereld met elkaar verweven raken (Van der Laan, Pleysier & Weerman, 2020). In de gemeente Zwolle bestaan hier ook zorgen over. Deze zorg heeft een forse impuls gekregen doordat er in 2019 en 2020 verschillende incidenten zijn geweest die te herleiden zijn naar conflicten, gerelateerd aan de drugshandel. Dit heeft geleid tot meerdere schietpartijen en autobranden in de woonwijken Holtenbroek, Zwolle-Zuid en Stadshagen.
Intermezzo – De Zwolse drugsoorlog4 Op 9 april 2016 worden twee Zwolse broers (dan 22 en 24 jaar) ’s nachts beschoten terwijl zij in hun auto naar huis rijden. Terwijl de keel van een van de broers door één kogel is geraakt, is de andere broer getroffen door vier projectielen. Hij overleeft de moordaanslag ternauwernood. Het is het startpunt van een onderwereldoorlog in Zwolle waarbij het gaat om de macht op de regionale drugsmarkt. De eerste van de twee partijen staat onder leiding van de broers Idris M. en Abas M. (die als verdachten worden gezien van voornoemd schietincident). Twee andere belangrijke personen in deze groep zijn Louis ‘Lowie’ van den R. (die ook ooit is beschoten in de wijk Holtenbroek) en zijn zus Fabiënne van den R. Zij stuurt volgens het OM via een tussenpersoon verschillende straatdealers aan die op zeker 170 adressen in Zwolle en omgeving drugs verhandelen. Ook geeft zij af en toe rechtstreeks opdrachten aan dealers. De tweede partij bij deze onderwereldoorlog, genaamd de Hanos-groep, vormen leden die Turkse roots hebben. In het najaar van 2019 komt de onderwereldoorlog tot een dieptepunt met drie moordaanslagen in de wijken Stadshagen en Holtenbroek. Zo wordt Idris M. in september 2019 in de kinderrijke wijk Stadshagen vlakbij zijn huis vanaf een scooter onder vuur genomen met een automatisch vuurwapen. Hij raakt gewond aan zijn hand.
Ongeveer een maand later wordt Emin Y. (lid van de Hanos-groep) beschoten in de wijk Holtenbroek. Hij staat geparkeerd waarna er vanuit een Renault Clio op hem wordt geschoten. Om zich te beschermen
Achtergronden, vraagstelling en onderzoeksmethodiek 21
schiet hij acht kogels terug. Tijdens het schietincident raakt hij gewond aan zijn schouder. De Renault Clio wordt later in de nacht uitgebrand teruggevonden. Zwolle wordt in de maanden hierna geteisterd door meerdere autobranden die verband houden met de schietpartijen. Vanaf mei 2019 zijn er zeker negen auto’s in vlammen opgegaan in onder meer de wijken Holtenbroek, Stadshagen en Zwolle-Zuid. Volgens bronnen uit de onderwereld zouden deze autobranden bedoeld zijn om de drugshandel te bemoeilijken.
1.2 Een onderzoek naar de omvang en aard van de jeugd problematiek en de aanpak in de gemeente Zwolle In de Veiligheidsvisie 2019-2022 van de gemeente Zwolle staat dat het doel is om deze ondermijnende criminaliteitsvormen intensiever tegen te gaan en terug te dringen, onder meer door het verminderen van de betrokkenheid van jongeren bij overlast en criminaliteit. De strategie is om te richten op de wijken waar (veel)5 overlast wordt ervaren. Er wordt ingezet op een intensieve persoons- en groepsgerichte aanpak van de jongeren, die structureel overlast veroorzaken of crimineel zijn. Met gerichte maatregelen op het gebied van straf, ondersteuning en zorg wordt getracht recidive te voorkomen. Verder is er aandacht voor de oorzakelijke factoren, die overlast en criminaliteit in de hand werken (Gemeente Zwolle, 2018). Het is niet enkel een kwestie van repressie, de gemeente wil juist meer handvatten creëren om gerichter preventief beleid te ontwikkelen en de bestaande integrale aanpak van (groeps)criminaliteit effectiever te maken. Dit is van belang omdat er ook jongeren zijn die een snelle carrière kunnen maken in de ondermijnende drugshandel. De gemeente heeft enerzijds behoefte te weten wat de omvang en aard van de jeugdproblematiek in Zwolle is en welke categorieën daarin te onderscheiden zijn.
Een vraag die hiermee verband houdt, is of de (lokale) instanties bepaalde kwetsbare jongeren niet in beeld hebben die het risico lopen om in de criminaliteit te geraken. Anderzijds wil de gemeente de bestaande aanpak van de jeugdproblematiek kritisch tegen het licht houden.6 De onderzoeksvragen zijn: 1. Wat is de aard van de omvang van de jeugdproblematiek in Zwolle anno 2020?
22 Jeugdproblematiek in Zwolle
2. In hoeverre sluit het bestaande instrumentarium voor de aanpak aan bij de omvang en aard van de jeugdproblematiek? 3. Welke aanbevelingen kunnen worden gedaan om de bestaande aanpak te optimaliseren dan wel nieuwe interventies te initiëren die beter aansluiten bij de geconstateerde problematiek?
Intermezzo – Een 19-jarige, die op het criminele pad is beland7 Een lieve, tikje naïeve en beïnvloedbare jongen met een irreële kijk op de wereld en zijn positie daarin, spijbelt gedurende zijn puberjaren veelvuldig. Uiteindelijk stopt hij voortijdig met zijn opleiding en gaat hij op straat leven. Dit heeft tot gevolg dat hij op het criminele pad terechtkomt. Hij pleegt in 2017 bijvoorbeeld een gewapende overval op een kledingwinkel. Hiervoor krijgt hij een maandenlange gevangenisstraf opgelegd. In de zomer van 2019 zwerft de tiener weer op straat waar hij bij winkelcentrum Stadshagen kennismaakt met Abas M. Hem wordt gevraagd drugs te verkopen waarop hij instemmend antwoordt, aangezien hij heeft gehoord dat Idris M. en Abas M. tot wel 10.000 euro per dag verdienen met drugshandel. Op een later moment wordt hem gevraagd om Emin Y. te liquideren waarvoor hij een vuurwapen krijgt. Echter, de inmiddels 19-jarige jongen kent Emin Y. en licht hem hierover in. Met dit verhaal en het feit dat Idris M. en Abas M. hem zullen vermoorden wanneer zij hierachter komen, stapt hij op 22 september 2019 naar de politie. De politie onderkent het gevaar en brengt hem naar een veilige locatie.
1.3 Methoden van onderzoek In het onderzoek hebben we een combinatie van methodieken gebruikt – ook wel een multibronnenaanpak genoemd – om een zo betrouwbaar mogelijk beeld te geven van de omvang, aard en aanpak van de jeugdproblematiek in Zwolle. Naast een deskresearch hebben we gekeken naar data uit het bedrijfsprocessensysteem van de Nationale Politie (BVH). Voor de verdieping hebben we groeps- en individuele interviews gehouden met professionals.
1.3.1 Deskresearch De deskresearch voerden we uit ter oriëntering op en inkadering van het onderzoeksthema. Hiervoor zijn relevante publicaties geraadpleegd die ingaan op de omvang en aard van de problematiek van jongeren in Zwolle. Te denken valt aan rapporten van de politie, gemeente en bevolkingsmonitoren. Tevens hebben we
Achtergronden, vraagstelling en onderzoeksmethodiek 23
bij de gemeentedocumenten opgevraagd die informatie bevatten over de aanpak van jeugdproblematiek in Zwolle. Het doel is geweest om een overzicht te maken van de bestaande aanpakken en interventies, waarbij we keken naar de aard van de aanpak en interventies en voor welke doelgroep die zijn bestemd.
1.3.2 Analyse politiegegevens Om iets te zeggen over de omvang en aard van de jeugdproblematiek in de gemeente Zwolle is de politie om een databestand gevraagd over de leeftijdsgroep 12 tot 23 jaar in de periode 2017-2020. In dit databestand van de politie staan gegevens over de geregistreerde verdachten en betrokkenen, hun leeftijd en gender, de aard van de (strafbare) feiten, de buurt waarin de (strafbare) feiten in Zwolle zijn gepleegd en een indeling naar een voor de politie Oost-Nederland gebruikelijke typologie (bijvoorbeeld ‘Rising Stars’ of ‘Jonge Aanwas’).
1.3.3 Groepsinterviews Voorafgaand aan de groepsinterviews hebben alle respondenten een korte vragenlijst ingevuld en opgestuurd naar de onderzoekers. De vragen gaan over hun kennis van de problematiek (aantallen jongeren, vindplaatsen, type probleemgedrag, relatie met criminaliteit, rollen in de groep et cetera) en de bestaande aanpak. Hierbij gaat het nadrukkelijk om hun (lokale) kennis. Bijvoorbeeld: een wijkagent heeft de vragen ingevuld voor zijn of haar wijk. De ingevulde vragenlijsten zijn geanalyseerd en gepresenteerd in de groepssessies en vormden het uitgangspunt van de gesprekken. Er is gekozen voor groepsinterviews via MS-Teams omdat onderlinge discussie tot een aanscherping van het beeld van de problematiek leidt. Mede hierom is er voor zo homogeen mogelijke groepen gekozen (onderwijs, zorg, politie en justitie, beleid), omdat men dan immers min of meer ‘dezelfde taal’ spreekt. De andere voordelen van deze werkwijze zijn dat de bestaande en lokale kennis worden benut, er geen uitgebreid onderzoek nodig is dat de nodige tijd en middelen vergt en er is draagvlak onder de professionals vanwege hun betrokkenheid bij de probleemanalyse, die bovendien een actueel karakter heeft. Het laatste groepsinterview is gehouden met beleidsmakers van de gemeente Zwolle die ‘jeugd’ in hun portefeuille hebben zitten, aangevuld met andere relevante professionals vanuit de gemeente.
Met hen zijn de bevindingen uit de eerste groepsinterviews gedeeld en is ingegaan op de vraag wat de bevindingen betekenen voor de huidige aanpak van de jeugdproblematiek. In totaal is er gesproken met 50 experts. In bijlage 1 is aangegeven bij welke organisaties deze experts werkzaam zijn en wat hun functie is.
24 Jeugdproblematiek in Zwolle
1.3.4 Bespiegeling over het onderzoek Het is van belang om het onderzoek in de context te plaatsen waarin het is uitgevoerd. Hierdoor kan de lezer de resultaten uit het rapport beter interpreteren. Allereerst wordt het Zwolse jeugdbeleid beïnvloed door het landelijk kader, namelijk de decentralisatie van de Jeugdzorg die zich in 2015 op landelijk niveau heeft voorgedaan. Enkele aspecten, die hiermee samenhangen, zoals de financieringssystematiek binnen de jeugdzorg, liggen buiten de scope van dit onderzoek. Het onderzoek heeft zich uitsluitend gericht op het jeugdbeleid waar de gemeente Zwolle autonomie over kan uitoefenen. Ten tweede betreft dit onderzoek geen benchmark, want er is alleen gekeken naar de Zwolse jeugdproblematiek en -aanpak. Hierdoor is het niet mogelijk om de ernst van de Zwolse situatie te vergelijken met andere steden. Ten derde kent zichtbare en onzichtbare jeugdproblematiek altijd een dark number. Dit zorgt ervoor dat in de praktijk niet alle jongeren met problematiek in beeld komen, maar waarschijnlijk alleen de zogenoemde top van de ijsberg. Ten slotte is dit onderzoek uitgevoerd ten tijde van de coronapandemie. Dit heeft mogelijk invloed gehad op de cijfers uit 2020 over de jeugdproblematiek en -criminaliteit, alsook op het referentiekader van de gesproken experts.
1.4 Leeswijzer Dit rapport is als volgt opgebouwd. In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op de internaliserende problematiek door te beschrijven wat naar voren komt in de deskresearch en groepsinterviews. Hetzelfde is gedaan in hoofdstuk 3 maar daar ligt de aandacht op externaliserende problematiek. Aan de hand van een beleidsanalyse en de input uit de groepsinterviews staat hoofdstuk 4 in het teken van de bestaande aanpakken en de lacunes hierin.
Eindnoten 1. 2. 3.
CBS, 6 november 2018 https://zichtopondermijning.nl/ Het is een initiatief van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). De overkoepelende ambitie van de City Deal is om bij te dragen aan een versterking en verbetering van de preventieve aanpak van ondermijnende criminaliteit, door gebruik te maken van nieuwe methoden van data-analyse. Hiervoor is een samenwerkingsverband tussen verschillende lokale en landelijke overheden gestart, waarbij gebruik wordt gemaakt van data van onder andere het CBS, gemeenten, het Kadaster, de politie en de Financial Intelligence Unit.
Achtergronden, vraagstelling en onderzoeksmethodiek 25
4. 5. 6.
7.
De Stentor, 17 januari 2020; De Stentor, 23 januari 2020; RTV Oost, 22 maart 2020; Crimesite, 9 augustus 2020; De Stentor, 29 september 2020; De Stentor, 12 november 2020 In de Veiligheidsvisie 2019-2022 wordt niet gedefinieerd wat ‘veel overlast’ inhoudt. We spreken in navolging van paragraaf 1.1 bewust van ‘jeugdproblematiek’ in de breedste zin van het woord. Het gaat niet alleen om het zichtbare, externaliserende probleemgedrag, maar ook om de minder zichtbare, internaliserende problematiek, die jongeren kwetsbaar kunnen maken voor de verlokkingen van (drugs)criminaliteit. De Stentor, 11 januari 2020
26 Jeugdproblematiek in Zwolle
2 Internaliserende problematiek In paragraaf 2.1 staan de opbrengsten uit de deskresearch centraal. Daarbij wordt ingegaan op het wetenschappelijk onderzoek en de bevolkingsmonitoren over de omvang en aard van de internaliserende problematiek in de gemeente Zwolle. Paragraaf 2.2 gaat in op de opbrengsten uit de groepsinterviews. Daarin wordt besproken wat de visie is van experts over de omvang en aard van internaliserende problematiek.
2.1 Deskresearch Op 1 januari 2012 telt de gemeente Zwolle 121.617 inwoners, waarvan 9.522 mannen en 10.293 vrouwen, behorend tot de leeftijdscategorie 12-24 jaar. Hiermee bestaat de Zwolse bevolking in 2012 in totaal voor 16 procent uit jongeren. Het aantal inwoners is in de loop der jaren toegenomen. Op 1 januari 2020 heeft de gemeente Zwolle 128.833 inwoners. In tabel 2.1 staat weergegeven in welke wijken de inwoners van de gemeente Zwolle wonen (Gemeente Zwolle, 2020a). Tabel 2.1 – Inwoners per wijk op 1 januari 2020 (n=128.833)
Wijk
Aantal inwoners
Percentage
Stadshagen
25.610
19.9 %
Ittersum
14.742
11.4 %
Schelle
14.404
11.2 %
Aalanden
13.328
10.3 %
Assendorp
12.866
10.0 %
Diezerpoort
10.542
8.2 %
Holtenbroek
9.963
7.7 %
Internaliserende problematiek
27
Wijk
A antal inwoners
Percentage
Wipstrik
6.408
5.0 %
Westenholte
5.378
4.2 %
Berkum
4.495
3.5 %
Binnenstad
3.965
3.1 %
Kamperpoort-Veerallee
3.679
2.9 %
Vechtlanden
1.044
0.8 %
Marsweteringlanden
1.168
0.8 %
Soestweteringlanden
908
0.7 %
Poort van Zwolle
372
0.3 %
128.833
100 %
Totaal
Voor 106.329 van de 128.833 inwoners geldt dat Nederland het land van herkomst is, terwijl 8.725 mensen afkomstig zijn uit een ander westers land. De overige herkomstlanden zijn Turkije (2.608), de Antillen en Aruba (1.532), Suriname (1.305), Marokko (813) en overige niet-westerse landen (7.521). Kijkende naar het aandeel jongeren dat op 1 januari 2020 in de gemeente Zwolle woont, is dat, evenals in 2012, 16 procent (gemeente Zwolle, 2020a). Het gender van deze jongeren is een risicofactor voor internaliserende problematiek, zo blijkt uit de Gezondheidsmonitor Jeugd, die is afgenomen in het schooljaar 2019-2020. Hier is gekeken naar de psychosociale gezondheid en het stressgehalte onder 1.926 leerlingen van klas 2 en klas 4 in het voortgezet onderwijs in de gemeente Zwolle. Allereerst blijkt dat 14 procent van de meisjes een verhoogd risico heeft op psychosociale problematiek, tegenover 6 procent van de jongens. Ook hebben meer meisjes dan jongens een verhoogd risico op emotionele problemen, namelijk 29 procent van de meisjes tegenover 6 procent van de jongens. Voor wat betreft gedragsproblemen is er sprake van een minimaal verschil: 9 procent van de jongens versus 8 procent van de meisjes. Tot slot blijkt dat 58 procent van de meisjes (zeer) vaak gestrest is, tegenover 27 procent van de jongens.
Meisjes scoren hoger op drie van de vier aspecten en dit vertaalt zich naar de procentuele verhouding in hoeverre zij voldoende weerbaar zijn tegen psychosociale gezondheidsklachten. Waar 94 procent van de jongens zich voldoende weerbaar acht, geldt dit voor 86 procent van de meisjes (GGD IJsselland, 2020). Een lager intelligentieniveau van jongeren blijkt ook een risicovolle factor te zijn voor internaliserende problematiek. De Gezondheidsmonitor Jeugd laat zien dat leerlingen op het vmbo een hoger risico hebben op psychosociale problematiek (11 versus 8 procent), emotionele problemen (18 versus 17 procent) en
28 Jeugdproblematiek in Zwolle
gedragsproblemen (11 versus 6 procent) dan leerlingen op de havo en het vwo. De leerlingen op de havo en het vwo zijn daarentegen vaker gestrest (44 versus 39 procent), maar voelen zich wel weerbaarder dan de leerlingen op het vmbo (92 versus 89 procent) (GGD IJsselland, 2020). Jongeren, die niet deelnemen aan onderwijs of werk, worden in Europese terminologie NEET (Not in Education, Employement or Training) genoemd. Jongeren in zulke kwetsbare posities lopen een groter risico op schulden, dakloosheid, psychische problemen en sociaal isolement. Ook is de kans op afglijden naar radicalisering en criminaliteit groter. Op 1 januari 2019 telt de gemeente Zwolle 20.713 jongeren tussen 16 en 27 jaar, waarvan 1.700 jongeren (9,27%) op dat moment niet naar school gaan en geen werk hebben. Daarnaast blijkt het percentage jongeren in Zwolle dat voortijdig de school verlaat sneller te stijgen dan het gemiddelde in Nederland. Zo verlaat 2,4 procent van de Zwolse leerlingen op het voortgezet onderwijs en op het mbo de school zonder startkwalificatie. Tevens valt ruim 6 procent uit op het mbo, terwijl het op landelijk niveau 5,2 procent is (Booij, 2020). Kijkende naar het huishouden waarin de jongeren in de gemeente Zwolle opgroeien, blijkt op 1 januari 2019 in 3.651 van de 55.990 huishoudens sprake te zijn van een eenouderhuishouden (6,5%).
In 2012 was deze verhouding 2.987 om 51.618 huishoudens (5,7%), waardoor de conclusie is dat het aantal eenouderhuishoudens als risicofactor voor internaliserende problematiek iets is toegenomen (Gemeente Zwolle, 2020a). Opgroeien in een eenoudergezin is ook een van de indicatoren waarnaar wordt gevraagd in de Jongerenindex. De Jongerenindex is een instrument dat is ontwikkeld door de gemeente Zwolle en GGD IJsselland. Het geeft per wijk een beeld van welke factoren goed opgroeien van jongeren tussen de 12 en 18 jaar in de gemeente Zwolle versterken dan wel bedreigen. Hiermee wordt getracht problemen rond het opgroeien van jongeren sneller en in een vroeger stadium te signaleren en beter aan te pakken (Gemeente Zwolle & GGD IJsselland, 2017). Ten grondslag aan de Jongerenindex Zwolle ligt de in de Verenigde Staten ontwikkelde preventiestrategie Communities that Care (Gemeente Zwolle & GGD IJsselland, 2017). Deze gaat ervanuit dat er niet één bepaalde oorzaak is die ertoe leidt dat jongeren problematisch gedrag vertonen, maar dat het een samenspel van risicofactoren is (Steketee, Jonkman, Mak, Aussems, Huygen & Roeleveld, 2012). De Jongerenindex bevat per wijk gegevens over de volgende thema’s en deelthema’s (in bijlage 2 staan de bijbehorende indicatoren): de opgroeicontext (armoede, sociaal netwerk, kenmerken van de buurtbewoners en kenmerken van de straat of buurt);
Internaliserende problematiek
29
participatie (onderwijs en inzet op school, naleving van de beweegnorm en overlast); geestelijke gezondheid (weerbaarheid, kindermishandeling of huiselijk geweld en verslaving); fysieke gezondheid (gezondheidsbeleving en leefstijl). Met uitzondering van het deelthema ‘overlast’ hebben de deelthema’s vooral invloed op het ontstaan van internaliserende problematiek. Om die reden bespreken we de resultaten van de Jongerenindex in dit hoofdstuk (in hoofdstuk 3 zijn de resultaten voor het deelthema ‘overlast’ besproken). Er blijken grote verschillen te zijn tussen wijken in de mate waarin jongeren te maken hebben met een positief dan wel negatief opvoedklimaat. In tabel 2.2 zijn voor alle wijken de scores op de ‘Jongerenindex Zwolle’ weergegeven (Gemeente Zwolle & GGD IJsselland, 2017). De scores zijn tot stand gekomen doordat iedere wijk 0 tot 200 punten toebedeeld heeft gekregen op de indicatoren die behoren tot de deelthema’s. Dit heeft per indicator en deelthema geleid tot een gemiddelde score bij de gemeente Zwolle. De scores uit tabel 2.2 geven vervolgens aan in hoeverre de betreffende wijk hiervan afwijkt. De uiteindelijke score op de Jongerenindex is weer het gemiddelde van de scores op de vier deelthema’s. Als voorbeeld lichten we de cijfers voor de wijk Dieze-Oost/Indische buurt toe. Ten eerste blijkt deze wijk -46 te scoren op het thema ‘opgroeicontext’.
Reeds is beschreven dat er onder dit thema vier deelthema’s vallen met voor ieder deelthema een aantal indicatoren. De scores op deze indicatoren resulteren in een score op het deelthema. Voor de wijk Dieze-Oost/Indische buurt betekent dit dat het deelthema ‘armoede’ -60 scoort, ‘sociaal netwerk’ -40, ‘kenmerken van de buurtbewoners’ -35 en ‘kenmerken van de straat of buurt’ -48. Het gemiddelde van deze vier scores is -46. Dezelfde werkwijze is toegepast voor de berekening van de andere drie deelthema’s. Wanneer we uiteindelijk het gemiddelde nemen van de scores voor de vier deelthema’s, resulteert dat in de score -34 op de Jongerenindex. Een negatieve score op de Jongerenindex betekent dat er in die wijk een negatiever opvoedklimaat heerst dan gemiddeld in Zwolle. Er blijkt hiervan sprake te zijn in negen van de twintig wijken (45 procent). Voor iedere wijk geldt dat een van de vier thema’s een grotere invloed heeft gehad op de algemene score dan de andere drie thema’s (gemeente Zwolle & GGD IJsselland, 2017).
30 Jeugdproblematiek in Zwolle
Wijk
De jongerenindex
Opgroeicontext
Participatie
Geestelijke gezondheid
Fysieke gezondheid
Tabel 2.2 – De scores op de jongerenindex van alle wijken in de gemeente Zwolle in 2017
Veerallee
30
29
11
28
52
Buitengebied
28
28
30
8
45
Berkum
21
20
21
12
32
Schelle
19
21
16
11
27
Stadshagen-Werkeren
15
10
20
19
9
Spoolde
15
30
4
19
7
Wipstrik
9
11
14
3
9
Assendorp
6
11
7
0
8
Stadshagen-Frankhuis
5
5
-7
19
3
Stadshagen-Schoonhorst
4
7
-10
13
4
Geren
1
10
9
-5
-9
Oldeneel
0
5
6
-17
9
Stadshagen-Milligen
-3
11
-15
2
-9
Westenholte
-3
-1
-13
5
-5
Ittersum
-8
2
-9
-16
-7
Stadshagen-Overig
-14
-29
14
-24
-18
Aa-landen
-17
-15
-8
-28
-19
Dieze-West
-19
-27
-21
-8
-19
-22
-41
-10
5
-43
Binnenstad/Kamperpoort
-22
-18
-15
-15
-40
Dieze-Oost/ Indische buurt2
-34
-46
-38
-18
-34
Holtenbroek 1
De cijfers uit tabel 2.2 zijn ook gebruikt om de resultaten grafisch weer te geven (zie afbeelding 2.1). De binnenste cirkels hebben verschillende kleuren. Een donkerblauwe cirkel geeft aan dat de score op de Jongerenindex zeer gunstig is ten opzichte van het gemiddelde in Zwolle (Veerallee), een blauwe cirkel betekent gunstig (zoals Buitengebied), een gele cirkel betekent gemiddeld (zoals Assendorp), een oranje cirkel betekent ongunstig (zoals Aa-landen) en een donkeroranje cirkel betekent zeer ongunstig (zoals Dieze-Oost/Indische buurt). Hieruit valt af te leiden dat de vijf wijken met het minst positieve opvoedklimaat
Internaliserende problematiek
31
geclusterd zijn en centraal in de gemeente Zwolle liggen (gemeente Zwolle & GGD IJsselland, 2017). Afbeelding 2.1 – De ligging en scores van de wijken in de gemeente Zwolle
Tot slot heeft Travers Welzijn in 2020 verontrustende signalen opgetekend voor de Zwolse kinderen en jongeren.3 In de hieronder beschreven signalen gaat het om kinderen (in hoofdstuk 3 worden de signalen genoemd die betrekking hebben op jongeren): Steeds meer kinderen ervaren een bepaalde mate van prestatiedruk en stress bij het leveren van prestaties op school, tijdens het sporten et cetera; Het aantal kinderen dat deelneemt aan programma’s van Travers Welzijn en problemen ervaren als gevolg van echtscheidingen, diagnoses et cetera nemen toe; Doordat ouders een te drukke agenda hebben, is het lastig om kwaliteit te leveren in de opvoeding. Daarnaast hebben de ouders, die wel genoeg tijd hebben, ook opvoedingsvragen;
32 Jeugdproblematiek in Zwolle
Gezinnen die in financiële krapte leven, blijven buiten beeld bij het jeugdwerk, SWT en de scholen. Dit maakt het lastig om goed contact met hen op te bouwen; Kinderen hebben een ongezonde leefstijl doordat er te ongezond wordt gegeten, te weinig wordt bewogen en te veel tijd wordt doorgebracht achter spelcomputers. (Travers Welzijn, 2020).
2.2 Groepsinterviews In deze paragraaf zetten we bevindingen van de groepsgesprekken uiteen. Eerst gaan we kort in op het algemene beeld dat experts hebben van de Zwolse jeugdproblematiek. Daarna gaan we specifiek in op de internaliserende problematiek.
2.2.1 Een algemeen beeld De experts kijken verschillend tegen de omvang en aard van de Zwolse jeugdproblematiek aan, zo blijkt uit de survey. Waar ongeveer eenderde van de 42 experts (32%) zegt dat de omvang van jeugdproblematiek hetzelfde is gebleven en geen enkele expert vindt dat het is afgenomen, geeft het merendeel – namelijk 27 experts (68%) – aan dat er sprake is van een toename. In de groepsgesprekken met de experts wordt deze toename genuanceerd. Volgens hen kan een toename ook worden toegeschreven aan de verbeterde zorgstructuren en de onderlinge samenwerking. Daarnaast vinden zij dat er meer aandacht is gekomen voor jeugdproblematiek, wat kan zorgen voor een gevoel van een toename. ‘Omdat er meer aandacht is gekomen voor de jeugd, zien we het ook meer’, concludeert een politieagent. Vaker klinkt in de groepsgesprekken het geluid dat de aard van de problematiek is veranderd. Zo geven experts van de politie, zorg, het onderwijs en jongerenwerk aan dat de jeugdproblematiek complexer is geworden. Dit komt onder meer doordat er meer sprake is van multiproblematiek, waarbij jongeren zwaardere problemen hebben op meerdere leefgebieden. Experts uit het beleidsdomein herkennen de toename in complexiteit niet. Zij zijn van mening dat, doordat zorg te aanbodgericht is, problematiek al snel buiten de reguliere hokjes valt.