Minima-effectrapportage gemeente Zwolle 2022
Tekst van het document
Minima-effectrapportage gemeente Zwolle 2022 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens Sanne Lamers, Marcel Warnaar
1 juni 2022
Minima-effectrapportage gemeente Zwolle 2022
De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens
Auteurs Sanne Lamers Marcel Warnaar
Nibud, Zwolle, 1 juni 2022 In opdracht van de gemeente Zwolle
Voorwoord Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Ons doel is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld, zoals gedragsaspecten. Daarmee kunnen we snel inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het Nibud is gespecialiseerd in het maken van de vertaalslag van de verzamelde data en kennis over de huishoudfinanciën in methodes, materialen en tools. Daarbij wordt voortdurend voeling gehouden met de actualiteit en de praktijk van alledag. We gaan uit van drie niveaus van voorlichting en financiële educatie: direct voor consumenten (via onze websites, (sociale) media, interactieve tools, voorlichtingsmaterialen, hulpmiddelen en de helpdesk), via onderwijs/educatie door derden en door deskundigheidsbevordering van professionals. Als kenniscentrum vervult het Nibud ook een adviesrol naar derden. Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd op empirisch wetenschappelijk onderzoek. Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid.
Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de gemeente Zwolle. Met dit onderzoek wil de gemeente Zwolle inzicht krijgen in de effecten van haar minimabeleid. Utrecht, juni 2022
Samenvatting Doel en opzet onderzoek Deze minima-effectrapportage geeft weer wat het effect is van landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Zwolle. In dit onderzoek is voor negen verschillende huishoudtypen op vier verschillende inkomensniveaus (100, 110, 120 en 130 procent van het wettelijk sociaal minimum) doorgerekend hoe de maandbegrotingen eruitzien. In de begrotingen hebben we rekening gehouden met de volgende gemeentelijke regelingen: Kwijtschelding van lokale belastingen; Zorgkostenregeling (tegemoetkoming verplicht eigen risico en zorgkostenvergoeding); Participatiefonds; Jeugdfonds Sport Zwolle; Kindregeling; Individuele Inkomenstoeslag (IIT) Eenmalige energietoeslag; Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) Individuele bijzondere bijstand voor extra zorgkosten; In dit onderzoek gaan we ervan uit dat de betreffende huishoudens van alle beschikbare regelingen gebruik maken. Uit andere onderzoeken blijkt dat dit niet altijd het geval is en ondergebruik bij deze rechthebbende doelgroep regelmatig voorkomt. Inflatie en bestedingsruimte Op het moment van het opstellen van deze MER is er sprake van flinke prijsstijgingen, vooral voor energie. Dit heeft gevolgen voor de Nibud-uitgavencijfers en daarmee voor de bestedingsruimte van huishoudens.
De begrotingen in dit onderzoek zijn zo veel mogelijk gebaseerd op het prijspeil van januari 2022, inclusief de CBS-gegevens over energieprijzen. Het Nibud volgt de ontwikkelingen op de voet en past uitgavencijfers gedurende het jaar aan als actuele ontwikkelingen daar aanleiding toe geven. Het is vanwege deze hoge inflatie mogelijk dat de bestedingsruimte gepresenteerd in deze MER te positief wordt ingeschat. Zeker bij beperkte positieve bestedingsruimte is het goed om te realiseren dat dit op korte termijn wellicht kan omslaan in een tekort. Het Nibud adviseert hier rekening mee te houden bij de interpretatie van de resultaten.
Bijna alle onderzochte huishoudens met een laag inkomen (van bijstandsniveau tot en met 130 procent van de geldende bijstandsnorm) in de gemeente Zwolle zijn in staat om de noodzakelijke uitgaven uit het basispakket plus de uitgaven voor sociale participatie te bekostigen. Alleen het paar met een volwassen kind heeft op bijstandsniveau een niet passende begroting. Het volwassen kind komt voor zowel het Jeugdfonds Sport Zwolle als de Kindregeling niet meer in aanmerking en maakt wel de kosten voor sport en school. Verder zorgen de diverse gemeentelijke regelingen voor voldoende ondersteuning voor de andere doorberekend huishouden. Mits ze alle regelingen hebben aangevraagd waarop ze
recht hebben, ze goed met geld omgaan en geen extra persoonlijke onvermijdbare uitgaven hebben!
Een armoedeval of doorstroomval is nauwelijks te constateren bij de onderzochte huishoudens. We zien dat de bestedingsruimte voldoende stijgt bij hogere inkomens om de afbouw van de regelingen te compenseren en nog alle uitgaven te kunnen doen. Het saldo (hetgeen wat onder de streep zichtbaar is) is hoger bij een hoger inkomen in vergelijking tot het inkomen daarvoor. Alleen een paar met jonge kinderen heeft bij het inkomen op 120 procent van de bijstandsnorm een lager saldo dan bij het inkomen op 110 procent. Ze kunnen niet meer gebruik maken van zowel het Jeugdfonds Sport Zwolle als de Kindregeling. De alleenstaande onder de AOW-leeftijd met een zorgvraag heeft bij het inkomen op 120 procent van de bijstandsnorm geen hoger saldo dan op 110 procent. De meerkosten van de maaltijdvoorziening, waarvan een huishouden met een zorgvraag gebruik maakt, drukken bij de hogere inkomens sterker op de begroting ook als rekening is gehouden met de vergoeding vanuit de bijzondere bijstand
Aandachtspunten De diverse vormen van inkomensondersteuning in de gemeente Zwolle hebben een positief effect op de bestedingsruimte van de inwoners. Zonder de kwijtschelding van de lokale lasten, de Zorgkostenregeling, het Participatiefonds, het Jeugdfonds Sport Zwolle, de Kindregeling, de Individuele Inkomenstoeslag én de Energietoeslag ontstaan er wel ernstige tekorten. Daar komt bij dat de berekeningen zijn gedaan tot het inkomen niet hoger dan 130 procent van het minimum en dat dit ook de grens van veel regelingen is. De kans dat een huishouden bij een hoger inkomen te maken krijgt met een armoedeval is aanwezig. Al is het inkomen van 140 procent wat ruimer om deze tekorten op te vangen.
Aanbevelingen • De minima- en andere gemeentelijke regelingen in Zwolle zorgen op dit moment voor voldoende ondersteuning aan de onderzochte huishoudens. Belangrijk is hierbij natuurlijk wel dan ook dat iedereen deze regelingen kent en ze aanvraagt als ze daarop recht hebben om niet-gebruik te voorkomen. •
Goede keuzes maken en plannen is cruciaal voor de groep huishoudens met een laag inkomen. Stimuleer goed financieel beheer door bijvoorbeeld budgetcursussen aan te bieden en in het onderwijs de ontwikkeling van financiele vaardigheden te stimuleren.
•
Help energielasten verlagen nu de tarieven van energie hoog zijn geworden. Het aandeel vaste lasten is hierdoor toegenomen waardoor de huishoudens kwetsbaarder worden. Dit door huishouden te begeleiden bij besparingen en financieel te ondersteunen via de bijzondere bijstand mocht dit nodig zijn.
•
Behoud de Zorgkostenregeling waar binnen een gedeeltelijke tegemoetkoming voor het verbruikt verplicht eigen risico valt en een zorgkostenvergoeding voor chronisch zieken en beperkten. Zo wordt voorkomen dat huishoudens zorgkosten gaan mijden en vaak later met nog hogere kosten te maken krijgen ook op andere terreinen.
•
Bij uitstromen vanuit de bijstand naar werk, komen er extra kosten in beeld, de werkgerelateerde kosten. Is of wordt het inkomen uit werk wat hoger? Dan kan dat gepaard gaan met lagere of wegvallen van inkomensondersteuning. Bij mensen kan dan het gevoel ontstaan dat ze niets overhouden van deze inkomsten. Het Nibud adviseert de gemeente een vergoeding te verstrekken voor vervoerskosten of andere werkgerelateerde kosten, als dit niet door de werkgever wordt aangeboden.
•
De gemeente Zwolle kent diverse regelingen voor kinderen tot 18 jaar. Via deze regelingen kunnen diverse kostensoorten vergoed worden, zoals schoolkosten en kosten sociale participatie. De jongeren tussen 18 en 21 jaar maken de kosten wel en hebben geen recht op de vergoeding. De leeftijd verhogen zou een positieve verandering voor deze groep zijn. Het Nibud raadt aan deze doelgroep extra in de gaten te houden en via bijvoorbeeld het onderwijs ontwikkeling van financiële vaardigheden te stimuleren en/of budgethulp aan te bieden. Uit onderzoek blijkt dat ze niet altijd gebruik maken van zorgtoeslag en de belastingteruggave.
•
Overweeg een ongedeeld budget bij zowel het Participatiefonds als bij de Kindregeling. Behalve dat een ongedeeld budget de bestedingsvrijheid vergroot, kan dit ook het niet-gebruik tegengaan.
•
Stimuleer tweeverdienersschap bij paren. Ook bij een klein baantje is het fiscale voordeel al zo groot de het veel meer oplevert dan als de kostwinner meer uren gaat werken. Zie hiervoor de WerkZorgberekenaar: https://www.nibud.nl/beroepsmatig/werkzorgberekenaar-helpt-keuze-meer-minderwerken/
Inhoud 1 Inleiding 1.1 Centrale vraag 1.2 Kern minima-effectrapportage 1.2.1 Huishoudtypen 1.2.2 Inkomensniveaus 1.2.3 Armoedeval 1.2.4 Voorbeeldhuur 1.2.5 Inflatie en bestedingsruimte 1.2.6 Huishouden met een zorgvraag 1.2.7 Huishoudens met een 18-jarige 1.2.8 Leeswijzer 2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding 2.2 Inkomsten 2.3 Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie 2.4 Uitgavensoorten 2.5 Voorwaarden aan de begrotingen 2.6 De begrotingen 3 Minimabeleid 3.1 Landelijk beleid 3.2 Gemeentelijk minimabeleid 3.2.1 Kwijtschelding van de lokale belastingen 3.2.2 Zorgkostenregeling 3.2.3 Participatiefonds 3.2.4 Jeugdfonds Sport Zwolle 3.2.5 Kindregeling 3.2.6 Individuele Inkomenstoeslag 3.2.7 Kinderopvang en peuterspeelzaal 3.2.8 Energietoeslag 3.2.9 Individuele bijzondere bijstand 3.3 Huishoudens met een zorgvraag 3.3.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 3.3.2 Zorgkostenregeling 3.3.4 Uitgangspunten huishoudens met zorgvraag 4 Resultaten 4.1 Saldo inkomsten min uitgaven 4.2 Bestedingsruimte 4.2.1 Na invulling van alleen het basispakket 4.2.2 Na invulling van het basispakket inclusief sociale participatie 4.3 Huishoudens met een zorgvraag 4.4 Armoedeval: uitstroomval en doorstroomval 4.5 Huishoudens met langdurig een laag inkomen 4.6 Zonder gebruik van gemeentelijke minimaregelingen 4.7 Beleidsveranderingen ten opzichte van 2018 5 Conclusies en aanbevelingen 5.1
Conclusies 5.2 Aanbevelingen
Bijlage 1 Verantwoording uitgaven Bijlage 2 Begrotingen Bijlage 3 Overzicht saldo inkomsten minus uitgaven
1 Inleiding 1.1
Centrale vraag
Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/of door bijzondere bijstand. Het is echter niet direct zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatregelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Zwolle? Bekeken wordt welke groepen huishoudens in de gemeente goed profiteren van de verschillende inkomensondersteunende maatregelen en welke groepen minder goed. Ook maakt deze rapportage een eventuele armoedeval inzichtelijk.
1.2
Kern minima-effectrapportage
Om tot een antwoord te komen op de centrale vraag, worden voor een aantal voorbeeldsituaties alle inkomsten geïnventariseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met alle landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen. Dit inkomen zal in een begroting worden afgezet tegen de minimale uitgaven waarmee huishoudens met een laag inkomen worden geconfronteerd. De minimale uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud methode van budgetteren, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen.
1.2.1 Huishoudtypen In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt. In overleg met de gemeente Zwolle is een keuze gemaakt voor de volgende voorbeeldsituaties: a. Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd; b. Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd); c. Een eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); d. Een eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); e. Een paar zonder kinderen; f. Een paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); g. Een paar met twee oudere kinderen, waarvan één meerderjarig (14 en 18 jaar); h. Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd met een zorgvraag; i. Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) met een zorgvraag.
1.2.2 Inkomensniveaus De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de financiële positie van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus. In overleg met de gemeente Zwolle is in dit rapport gekozen om begrotingen op te stellen met de volgende inkomensniveaus: bijstand- of AOW- niveau, 110 procent, 120 procent en 130 procent van de geldende bijstandsnorm.
1.2.3 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een hoger inkomen, minder overhoudt dan met een lager inkomen, nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven. Bijvoorbeeld doordat er geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als een dergelijke armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen, namelijk een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (werkloosheidsval/uitstroomval) en een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). Bij huishoudens boven de AOW-gerechtigde leeftijd wordt meestal niet gesproken van een armoedeval, omdat deze gewoonlijk geen inkomensstijging meemaken. Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere bestedingsmogelijkheid bij een hoger inkomen.
1.2.4 Voorbeeldhuur Uit het woononderzoek 2018 van het CBS komt naar voren dat 96 procent van de huishoudens die de bijstandsuitkering als belangrijkste inkomstenbron hebben, in een huurwoning woont. Op basis hiervan gaan we er in deze rapportage van uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. De huurprijzen in dit onderzoek zijn vastgesteld in overleg met de gemeente. De keuze is gelijk aan die van het onderzoek dat is gedaan in 2018. Toen is gekozen voor de aftoppingsgrens van de huurtoeslag. In 2022 is deze grens 633 euro voor een- en twee persoonshuishoudens en 678 euro voor huishoudens met drie of meer personen. Bij een huur boven deze grens wordt een groter deel niet meer via de huurtoeslag ondersteund.1 De reden dat woningcorporaties regelmatig woningen met deze huur aanbieden.
1.2.5 Inflatie en bestedingsruimte Op het moment van het opstellen van deze Minima Effect Rapportage is er sprake van flinke prijsstijgingen, vooral voor energie. Dit heeft gevolgen voor de Nibud-uitgavencijfers en daarmee voor de bestedingsruimte van huishoudens. De begrotingen in dit onderzoek zijn zo veel mogelijk gebaseerd op het prijspeil van januari 2022, inclusief de CBSgegevens over energieprijzen. Het Nibud volgt de ontwikkelingen op de voet en past uitgavencijfers gedurende het jaar aan als actuele ontwikkelingen daar aanleiding toe geven. In ieder geval zullen de begrotingen per 1 juli opnieuw worden vastgesteld. Het is vanwege deze hoge inflatie mogelijk dat de bestedingsruimte gepresenteerd in deze MER te positief wordt ingeschat. Zeker bij beperkte positieve bestedingsruimte is het goed om te realiseren dat dit op korte termijn wellicht kan omslaan in een tekort. Het Nibud adviseert hier rekening mee te houden bij de interpretatie van de resultaten.
1.2.6 Huishouden met een zorgvraag Bij de alleenstaanden (onder AOW-leeftijd en vanaf AOW-leeftijd) met een zorgvraag worden in de begroting extra kosten meegenomen die veel voorkomen wanneer een persoon binnen het huishouden een chronische ziekte of beperking heeft. Tegelijkertijd ____________________
houden we ook rekening met de regelingen die de gemeente Zwolle voor deze huishoudens kent. De begroting voor deze huishoudens zijn opgesteld aan de hand van zogenoemd zorgprofielen. Op basis van deze zorgprofielen hebben we bepaald wat voor deze huishoudens de extra kosten zijn en welke vergoedingen er tegenover staan. Het zorgprofiel is een illustratie van hoe de situatie van mensen met een zorgvraag eruit kan zien. In werkelijkheid hebben mensen te maken met zeer uiteenlopende zorgbehoeftes en varieert de hoogte van de zorgkosten sterk in individuele gevallen. Dat betekent dat conclusies die getrokken worden op basis van de uitkomsten, rekening houdend met de zorgvraag zoals die in dit rapport is geformuleerd, niet zonder meer gelden voor iedereen met zorgkosten. Het geeft wel aan dat een deel van de vaak voorkomende zorgkosten wordt vergoed. En dat mensen in veel gevallen daarnaast nog eigen betalingen in verband met zorg hebben.
1.2.7 Huishoudens met een 18-jarige Het huishouden met twee ouders, een 14-jarig en een 18-jarig kind is te vergelijken met het huishouden met twee kinderen van 14 en 16 jaar. Als gevolg van het feit dat één van de kinderen meerderjarig is, zal het huishouden minder landelijke en lokale tegemoetkomingen ontvangen. Door deze vergelijking wordt het effect hiervan op de totale bestedingsruimte inzichtelijk. We gaan ervan uit dat het 18-jarige thuiswonende kind een mbo-opleiding volgt via de Beroeps Opleidende Leerweg (BOL), waarbij er recht op studiefinanciering is. Deze studiefinanciering is bij de inkomsten van het betreffende huishouden opgeteld. Hierbij gaat het om de basisbeurs en de aanvullende beurs. Een extra lening wordt niet meegenomen. Aan de uitgavenkant zijn studiekosten in de begroting opgenomen. Dit is het lesgeld dat studenten betalen als zij 18 jaar of ouder zijn en een voltijdsopleiding volgen binnen het mbo. Voor het schooljaar 2021-2022 is dit 1.216 euro. Voor het jaar 2021-2022 geldt een korting van 50 procent vanwege de coronamaatregelen, waarmee het lesgeld op 608 euro uitkomt. Deze korting nemen we niet mee omdat dit een eenmalige korting is, die zich normaal gesproken niet (meer) zal voordoen. Daarnaast zijn er de schoolkosten voor boeken, ICT, leermiddelen, extra activiteiten, etc. Gemiddeld bedragen deze kosten 68,81 per maand.
Lesgeld en schoolkosten samen komen op een bedrag van 170 euro per maand. 1.2.8 Leeswijzer Het rapport is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksmethode. Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen. In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven: Wat is de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van deze huishoudens? Ten slotte staan in hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen van het rapport. In de bijlagen wordt meer informatie gegeven over bronnen van de referentiecijfers en de inkomensopbouw.
2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1
Inleiding
Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor verschillende huishoudtypen op verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Wel wordt duidelijk in hoeverre een groep huishoudens een sluitende begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder huishoudens met lage inkomens. Maandbegrotingen Alle begrotingen zijn maandbegrotingen, waarbij de inkomsten en uitgaven zijn omgerekend naar gemiddelde maandbedragen. In de praktijk kunnen er flinke verschillen zijn tussen de maanden van het jaar. Vakantiegeld wordt bijvoorbeeld vaak jaarlijks uitgekeerd, maar wordt in deze rapportage uitgedrukt in een maandelijks bedrag. Het inkomen is in iedere begroting een vast gegeven.
2.2
Inkomsten
In deze rapportage worden op vier inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimuminkomen (bijstand/AOW-uitkering), 110 procent, 120 procent en 130 procent van de geldende bijstandsnorm. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 lid 1 sub c. Uitgangspunt in deze rapportage is het totaal besteedbaar maandinkomen. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen, uitkeringen, kortingen op de belasting, zorgtoeslag, huurtoeslag, vakantiegeld, kinderbijslag, kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget. De inkomensafhankelijke combinatiekorting voor werkende alleenstaande ouders met jonge kinderen wordt apart getoond als voorlopige aanslag. Het loon plus de voorlopige aanslag is gelijk aan het desbetreffende percentage van de bijstandsnorm. De kinderbijslag en het kindgebonden budget (inclusief de alleenstaande ouderkop) komen hier nog bovenop. In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. Ook is er geen rekening gehouden met inkomsten of betalingen vanwege alimentatie. Hoe de regelingen doorwerken in de begrotingen en wat de invloed is op het inkomen van de verschillende huishoudens is te zien in bijlage 2. In de rapportage wordt verondersteld
dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als de gemeentelijke.
2.3
Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie
De noodzakelijke uitgaven bestaan uit een basispakket aangevuld met een apart pakket voor sociale participatie. Het basispakket bevat uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn. De begroting bestaat uit een pakket aan vrij goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van de pakketten beschreven. Het basispakket en het pakket voor sociale participatie zijn op afhankelijk van het type huishouden. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. Sociale participatie Als voorbeeld heeft het Nibud een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. Dit pakket is opgesteld in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat bijvoorbeeld om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Sociale participatie wordt door velen als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid. De uitgaven voor sociale participatie staan beschreven in bijlage 1. Persoonlijk uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk (moeilijk of niet-vermijdbare) uitgaven.
Dit zijn bijvoorbeeld uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn, wanneer iemand een speciaal dieet moet volgen. Deze uitgaven worden in dit rapport niet meegenomen. Voor dit soort uitgaven is vaak een tegemoetkoming mogelijk via gemeentelijk beleid. In de begrotingen is ook geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken. Deze uitgaven worden niet gezien als onvermijdbaar maar komen wel regelmatig voor. Ze zijn niet noodzakelijk als basisuitgaven. Indien een huishouden deze kosten toch heeft houden ze minder over dan in deze rapportage is weergegeven! Werkgerelateerde kosten Mensen die werken maken extra kosten ten opzichte van niet werkenden. Deze kosten zijn meegenomen in het basispakket als aparte post bij een inkomen vanaf 110 procent van de bijstandsnorm.
2.4
Uitgavensoorten
In alle begrotingen onderscheidt het Nibud drie soorten uitgaven: • Vaste lasten: Komen regelmatig terug. Meestal vaste bedragen waar een contract aan ten grondslag ligt. Voorbeelden zijn de huur, energiekosten en verzekeringen. • Reserveringsuitgaven: Komen niet regelmatig voor. De hoogte is niet precies bekend. Voorbeelden hiervan zijn de kosten voor inventaris (meubels, apparatuur/witgoed) en kleding.
•
Huishoudelijke uitgaven: Steeds terugkerende uitgaven die maandelijks kunnen variëren. Voorbeelden zijn voeding, was- en schoonmaakartikelen en persoonlijke verzorging.
Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor heffingen van gemeente en waterschap en de kosten van de peuterspeelzaal. Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is hier rekening mee gehouden in de begrotingen. De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk.
2.5
Voorwaarden aan de begrotingen
Als uitgangspunt bij de berekende begrotingen, van alle huishoudens en alle inkomenssituaties, gaan we ervan uit dat aan de volgende drie belangrijke voorwaarden wordt voldaan. 1. Zeer goed met geld kunnen omgaan Een goed overzicht van alle inkomsten en uitgaven is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Een gebrek aan goed overzicht kan vaak confronterend zijn en moeilijk te doorbreken. Huishoudens waarvoor dit vaker geldt zijn die met beperkte taal- en rekenvaardigheden. De volgende tabel geeft een overzicht van de aantallen. Tabel 1. Laaggeletterden en financiële problemen Kenmerken van financiële kwetsbaarheid Aandeel laaggeletterden in Nederlandse bevolking Armoede: aandeel van laaggeletterden langdurig arm Financiële problemen: aandeel laaggeletterde klanten Kredietbank
% 18 6 50
Verder houden ontbreken van zaken als zelfcontrole, als het overzien van de eigen situatie (plannen) en het uitstellen van behoeften oorzaken sterk verband met niet goed omgaan met geld. Bij bijvoorbeeld mensen met een lage verstandelijke beperking ontbreken deze competenties: hierbij gaat het om 6,4 procent van de bevolking. Deze gegevens zijn afkomstig uit het 4 jaarlijks onderzoek van het Nibud naar de geldzaken van de Nederlanders (https://www.nibud.nl/onderzoeksrapporten/rapportgeldzaken-in-de-praktijk-2018-2019-2019/). Tenslotte zien we bij de huishoudens die hun inkomsten en uitgaven niet in balans hebben vaker betalingsproblemen. In totaal heeft 19,5 procent van de huishoudens betalingsproblemen; 11,5 procent heeft lichte betalingsproblemen en 8 procent ernstige betalingsproblemen2. ____________________
Tabel 2. Huishoudens met gebeurtenissen afgelopen 12 maanden (meerdere antwoorden mogelijk)
Rekeningen te laat betaald Een aanmaning ontvangen Geen geld meer kunnen opnemen/niet meer kunnen pinnen Weigering van een automatische incasso Afbetalingsregelingen getroffen Brieven van incassobureau of deurwaarder ontvangen De huur/hypotheek meer dan 10 dagen te laat betaald Creditcardschuld van meer dan 500 euro Loonbeslag gelegd op salaris Aangemeld bij CAK vanwege achterstanden zorgverzekering Voorschot op salaris aangevraagd Energie afgesloten vanwege te laat betalen
2005 % 29 27
2009 % 25 21 16
2012 % 31 25 18
2015 % 26 22 18
2018 % 32 17 15
18 10 -
13 8 2 -
17 11 4 -
16 10 6 -
14 15 9 9 9 5 5
-
1
3 3
5 4
4 3
2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom voor huishoudens belangrijk om te weten op welke inkomensondersteuning men recht heeft en hoe en waar deze moet worden aangevraagd. Het tijdig doorgeven van gegevens is hierbij belangrijk. En daarmee dus ook een actieve houding. Uit onderzoek weten we dat 27 procent van de huishoudens aangeeft niet te weten of ze recht hebben op toeslagen. Bij huishoudens met laag inkomen is dit 1 op de 6, terwijl deze huishoudens nagenoeg zeker recht hebben op de toeslagen. Het CPB heeft onderzoek gedaan naar het percentage van de rechthebbenden die onder andere geen huurtoeslag hebben aangevraagd. Hierbij zien zij dat het om 10 procent gaat. Hierin zijn oververtegenwoordigd huishoudens net boven het minimum (15 procent), huishoudens die recht hebben op een beperkt bedrag (61 procent) en huishoudens met een flexibel inkomen (22 procent).
3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven zoals afbetalingen, alimentatieverplichtingen of extra hoge woonlasten, kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan te bezuinigen op overige uitgaven. In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, zoals ze in dit rapport zijn opgesteld, ontstaat het gevaar dat er ook bezuinigd wordt op noodzakelijke uitgaven. Dit kan er toe leiden dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen, dat rekeningen niet meer betaald worden waardoor schulden ontstaan of dat gezondheidsbedreigende omstandigheden ontstaan. Is er sprake van schulden dan zijn daar zeker een aantal jaar (gemiddeld 5 jaar) van betalingsproblemen aan vooraf gegaan. Volgens de NVVK waren er in 2020 ruim 78.000 huishoudens die zich hebben aangemeld met schulden. Daarnaast blijkt uit Nibud-
onderzoek dat 60.000 huishoudens met ernstige betalingsproblemen niet weet waar ze hulp kunnen krijgen. Aan voorwaarden voldoen Deze voorwaarden zijn voor een deel te vangen in competenties voor goed financieel beheer. Het gaat hierbij niet alleen om vaardigheden, maar ook om gedragsaspecten. Daarom is inkomensondersteuning alleen niet voldoende. Het is ook belangrijk om ondersteuning op het gebied van het aanleren van vaardigheden te bieden, aangevuld met ondersteuning die rekening houdt met min of meer individuele gedragsaspecten. Via het onderwijs en budgetcursussen kan dit aanleren een plek krijgen gecombineerd met de menselijke maat bij de uitvoering.
2.6
De begrotingen
Volgens de methodiek van budgetteren die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. Deze begrotingen staan in bijlage 2.
3 Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.
3.1
Landelijk beleid
Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke heffingskortingen, de landelijke toeslagen en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen. Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Door de heffingskorting betalen zij minder belasting. De volgende heffingskortingen (2022) zijn voor de voorbeeldhuishoudens van belang: Algemene heffingskorting Voor iedereen boven de 18 die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. De algemene heffingskorting bedraagt maximaal 2.888 euro per jaar voor mensen onder de AOW-gerechtigde leeftijd en 1.494 euro vanaf de AOW gerechtigde leeftijd. Arbeidskorting Voor iedereen die betaald werk heeft, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. De arbeidskorting bedraagt maximaal 4.260 euro per jaar. Voor mensen vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd bedraagt de arbeidskorting maximaal 2.204 euro per jaar. Inkomensafhankelijke combinatiekorting Voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouder of aan de minst verdienende fiscale partner. Deze heffingskorting bedraagt maximaal 2.534 euro per jaar. Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting Heffingskorting AOW-gerechtigden.
De ouderenkorting bedraagt maximaal 1.726 euro per jaar; de alleenstaande-ouderenkorting is 449 euro per jaar. Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren, zoals inkomen. De volgende toeslagen (2022) zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens: Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Het inkomen moet wel onder de inkomensgrens vallen. Een alleenstaande heeft recht op zorgtoeslag bij een toetsinkomen van 31.998 euro of minder.
Voor samenwonenden is deze grens 40.944 euro. Voor jongeren vanaf 18 jaar die bij hun ouders wonen geldt het inkomen van de jongere zelf en niet dat van hun ouders. Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. In 2022 bedraagt deze voor alleenstaanden 120.020 euro en voor paren 151.767 euro. De zorgtoeslag voor een alleenstaande is maximaal 111 euro per maand. Voor een stel is de zorgtoeslag maximaal 212 euro. Hoe lager het inkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt. Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het inkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Vanaf 1 januari 2020 kent de huurtoeslag geen inkomensgrenzen meer, maar wordt de huurtoeslag inkomensafhankelijk afgebouwd. De vermogensgrens voor de huurtoeslag van 31.747 euro per persoon is strenger dan voor de zorgtoeslag. Huishoudens krijgen boven de minimale basishuur3 volledige huurtoeslag tot een huur van 442,46 euro. Voor een huur boven dit bedrag wordt voor een- en tweepersoonshuishoudens 65 procent van de huur tot 633,25 euro vergoed. Voor huishoudens vanaf drie personen is dit tot een huur van 678,66 euro.
Alleenstaanden of ouderen/hulpbehoevenden krijgen boven deze huur tot een huur van maximaal 763,47 euro vervolgens nog 40 procent vergoed. Op deze website is dit in beeld gebracht: https://www.volkshuisvestingnederland.nl/onderwerpen/huurtoeslag/werking-enberekening-huurtoeslag Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet kinderopvang. De wet geldt voor dagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. Maar ook voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal. Informele opvang door familie of kennissen valt hier dus niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd. De vergoeding wordt berekend over een maximaal uurtarief van 8,50 euro voor kinderen tot vier jaar (dagopvang) en van 7,31 euro voor kinderen in de basisschoolleeftijd (buitenschoolse opvang). Wanneer iemand per uur meer dan dit bedrag betaalt, ontvangt hij of zij over dit extra deel geen toeslag. Tot een inkomen van 26.066 euro is de vergoeding 96 procent van de kosten tot het maximale uurtarief.
Voor hogere inkomens daalt dit percentage. Het percentage daalt sneller voor het kind waarvoor de meeste kosten worden gemaakt dan voor het kind of de kinderen waarvoor minder kosten worden gemaakt.
____________________
Er gelden grenzen voor het totaal aantal uren waarvoor kinderopvangtoeslag aangevraagd kan worden. Dit is afhankelijk van het aantal uur dat men werkt. Kindgebonden budget Iedereen met kinderen jonger dan 18 jaar kan in aanmerking komen voor het kindgebonden budget. Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderen. Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’. Alleenstaande ouders met een verzamelinkomen tot 22.356 euro ontvangen het maximale kindgebonden budget. Voor paren met kinderen ligt de inkomensgrens op 39.596 euro. Na dit inkomen wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. Het bedrag aan kindgebonden budget is afhankelijk van het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen. Alleenstaande ouders ontvangen meer dan paren, omdat zij recht hebben op een extra vast bedrag van 273,75 euro per maand voor extra tegemoetkoming in het levensonderhoud (dit wordt de alleenstaande-ouderkop genoemd). Het kindgebonden budget voor het tweede kind is iets lager dan voor het eerste kind en vanaf het derde kind eveneens iets lager dan voor het tweede kind. Vanaf 12 jaar is het kindgebonden budget hoger. Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor eigen kinderen en stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd.
De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind en onafhankelijk van het inkomen. De kinderbijslag voor een kind van 12 tot 18 jaar bedraagt 329,56 euro per kwartaal. Voor 6 tot 12 jaar en voor 0 tot 6 jaar is het respectievelijk 280,13 euro en 230,69 euro per kwartaal.
3.2
Gemeentelijk minimabeleid
Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente Zwolle voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. De regelingen die worden opgenomen in de begrotingen komen in de volgende paragrafen aan bod. Een aantal gemeentelijke regelingen zijn niet opgenomen in de begrotingen omdat deze afhankelijk zijn van de persoonlijke situatie of niet van toepassing zijn op de onderzochte huishoudtypen. 3.2.1 Kwijtschelding van de lokale belastingen In de gemeente Zwolle kan kwijtschelding worden aangevraagd voor afvalstoffenheffing, begraafplaatsrechten, onroerendezaakbelastingen en het eigenarendeel van de rioolheffing. De kwijtscheldingsnorm bedraagt 100 procent van het sociaal minimum. Dit is hoger dan de wettelijk voorgeschreven norm van 90 procent. Hierdoor hoeven huishoudens met een inkomen rond het sociaal minimum, afhankelijk van het vermogen, in principe geen gemeentelijke heffingen te betalen. Bij een inkomen hierboven wordt betalingscapaciteit verondersteld. De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving. Hierbij wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden om rekening te
houden met de kosten voor kinderopvang en om voor AOW’ers uit te gaan van de netto AOW in plaats van de bijstandsbedragen. De gemeente Zwolle houdt rekening met de kosten voor kinderopvang bij de bepaling van de betalingscapaciteit en maakt geen gebruik van de mogelijkheid om uit te gaan van de verhoogde norm voor AOW’ers. Er wordt uitgegaan van de geldende bijstandsnorm voor AOW’ers. Bij het waterschap Drents Overijsselse Delta is kwijtschelding mogelijk voor de waterzuiveringsheffingen en voor de watersysteemheffing ingezetenen. Bij de berekening van de kwijtschelding hanteert het waterschap, net zoals de gemeente, de norm van 100 procent van de bijstandsnorm. De kwijtschelding van de gemeentelijke heffingen en het waterschap worden gezamenlijk berekend. De lokale lasten worden opgeteld en gelegd naast de betalingscapaciteit. 3.2.2 Zorgkostenregeling Het verzekeren tegen zorgkosten is voor iedereen wettelijk verplicht. Daarom boden veel gemeenten inwoners met een laag inkomen een collectieve zorgverzekering aan. Gemeente Zwolle deed dit tot 1 januari 2022. Nu geldt er wel een tegemoetkoming voor het verbruik van het wettelijk verplichte eigen risico. Het betreft een vergoeding van maximaal 240 euro per persoon per jaar. Het huishoudinkomen mag daarbij niet hoger zijn dan 130 procent van de bijstandsnorm.
Daarnaast bestaat er binnen de Zorgkostenregeling een forfaitaire vergoeding van 180 euro per jaar voor inwoners die te maken hebben met een chronische ziekte of beperking. Deze forfaitaire vergoeding kan ook voor inwonende minderjarige kinderen met een ziekte of beperking worden verstrekt. Ook daarvoor geldt de inkomensgrens van 130 procent van de bijstandsnorm. In de begrotingen rekenen we met de premie van een gemiddelde zorgverzekering. Dit betreft de nominale premie van de basis- en aanvullende verzekering inclusief een tandartsverzekering. Daarnaast gaan we ervan uit dat huishoudens maandelijks moeten reserveren voor het eigen risico van 385 euro per jaar, omdat zij dit geld waarschijnlijk niet beschikbaar hebben als dit (onverwacht) nodig is. De kosten van de premie zijn in de begrotingen opgenomen onder de uitgavepost “zorgverzekering”. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. Het eigen risico is in de begrotingen opgenomen onder de post “eigen risico zorgverzekering” hiermee is de gemeentelijke tegemoetkoming verrekend. 3.2.3 Participatiefonds De gemeente Zwolle vindt het belangrijk dat alle volwassenen van de gemeente mee kunnen doen aan sociale, sportieve, culturele en maatschappelijke activiteiten. De gemeente heeft hiervoor het Participatiefonds.
De bijdrage is 120 euro per persoon per kalenderjaar en is bedoeld voor iedereen van in de leeftijd van 18 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd met een netto gezinsinkomen dat niet hoger is dan 110 procent van de geldende bijstandsnorm. Bij een chronische ziekte of beperking geldt een inkomensgrens van 130 procent van de geldende bijstandsnorm. Het is een vast bedrag per kalenderjaar dat besteed kan worden aan twee sociale, sportieve, maatschappelijke of culturele activiteiten. Per activiteit geldt een bijdrage van maximaal 60 euro.
Er geldt een vermogenstoets vergelijkbaar met die in de Participatiewet. In de begrotingen is de bijdrage verrekend met de post “sociale participatie’’. 3.2.4 Jeugdfonds Sport Zwolle Naast het Participatiefonds, kent de gemeente Zwolle voor kinderen het Jeugdfonds Sport Zwolle. Het is bedoeld voor huishoudens met schoolgaande kinderen van 4 tot 18 jaar. Voor huishoudens met kinderen van 4 tot 12 jaar mag het inkomen niet hoger zijn dan 110 procent van de geldende bijstandsnorm. Voor huishoudens met kinderen van 12 tot 18 jaar is de inkomensgrens 130 procent van de geldende bijstandsnorm. De bijdrage is maximaal 230 euro per sportjaar. Er geldt geen vermogenstoets. De bijdrage is ter ondersteuning van sportactiviteiten en voor sportkleding. De bijdragen vanuit het Jeugdfonds Sport worden verrekend met de post “sociale participatie” en met “kleding”. 3.2.5 Kindregeling De gemeente Zwolle wil dat ieder kind kan meedoen op school of bij een club. Daarom is voor de gezinnen met een laag inkomen de Kindregeling. Deze is voor schoolkosten, bijvoorbeeld een schoolreisje, rekenmachine, laptop, rugtas of de schoolbijdrage. En de regeling is voor kunst en cultuur. Zoals dans- of muziekles, de theaterklas of scouting. De Kindregeling is bedoeld voor huishoudens met kinderen van 4 tot 18 jaar.
De inkomensgrens is verschillend voor kinderen op de basisschool (110 procent) en voor die op de middelbare school en het mbo (130 procent). Voor kinderen op de basisschool geldt maximaal per kalenderjaar: • 450 euro voor kunst en cultuur; • 150 euro voor schoolkosten voor kinderen t/m groep 7. 50 euro daarvan krijgt men na aanvraag op de bankrekening voor schoolspullen of sportkleding. De rest is op basis van facturen of rechtstreeks aan de instantie waar de kosten worden gemaakt • 470 euro voor schoolkosten voor kinderen in groep 8. 150 euro daarvan krijgt men na aanvraag op de bankrekening voor schoolspullen of sportkleding. Voor kinderen op het voortgezet onderwijs, of 1e of 2e jaar mbo geldt per kalenderjaar: • 450 euro voor kunst en cultuur; • 470 euro voor schoolkosten. 150 euro daarvan krijgt men na aanvraag op de bankrekening voor schoolspullen of sportkleding. De rest is op basis van facturen of rechtstreeks aan de instantie waar de kosten worden gemaakt. De vergoedingen vanuit de Kindregeling voor onderwijs worden in de begrotingen verrekend met de post “onderwijs”, “vervoer” en “inventaris”. Voor de fiets en de laptop gaan we uit van een levensduur van vijf jaar. In de Nibud basisbegrotingen wordt voor ieder kind vanaf vier jaar gerekend met het lidmaatschap van één vereniging: sport óf cultuur.
We gaan ervan uit dat deze kosten voor kinderen al vergoed worden via het Jeugdfonds Sport Zwolle. We tellen geen vergoedingen dubbel. Vergoeding zwemmen De gemeente Zwolle heeft voor kinderen een Zwemvangnet. Het inkomen van de ouders moet niet hoger zijn dan 110 procent van de bijstandsnorm. Daarnaast vergoedt de gemeente ook gratis zwemkaarten zodat de kinderen na behalen van de zwemdiploma’s blijven zwemmen. Hierbij is de grens voor ouders van jonge kinderen (5 tot 12 jaar) ook
110 procent van de bijstandsnorm en voor ouders met oudere kinderen (12 tot 18 jaar) 130 procent van de bijstandsnorm. In het onderzoek wordt deze regeling niet doorgerekend omdat de kosten van zwemmen niet in de basisbegroting zijn opgenomen.
3.2.6 Individuele Inkomenstoeslag De Individuele inkomenstoeslag (IIT) in de gemeente Zwolle is bedoeld voor inwoners vanaf 21 jaar tot de AOW leeftijd die lange tijd een laag inkomen hebben. Voorwaarde is dat in de afgelopen drie jaar het inkomen niet hoger was dan de 110 procent van de geldende bijstandsnorm. De hoogte van de Individuele Inkomenstoeslag bedraagt: • 393 euro voor een alleenstaande; • 55 euro voor een alleenstaande ouder; • 559 euro voor gehuwden. Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van huishoudens die recht hebben op de Individuele inkomenstoeslag apart gepresenteerd, omdat niet elke inwoner van Zwolle met een laag inkomen hiervoor in aanmerking komt. 3.2.7 Kinderopvang en peuterspeelzaal Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot en met de basisschoolleeftijd een tegemoetkoming toegekend krijgen voor de kosten van kinderopvang, de kinderopvangtoeslag. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten. Voor enkele specifieke doelgroepen verstrekt de gemeente een vergoeding voor de eigen bijdrage, in deze rapportage wordt niet van deze bijzondere doelgroepen uitgegaan. Daarom wordt voor alleenstaande ouders met jonge kinderen de eigen bijdrage voor kinderopvang in de begrotingen opgenomen.
Bij 110 procent van het minimuminkomen wordt gerekend met 20 uur kinderopvang per week, bij een inkomen op 120 en op 130 procent wordt uitgegaan van 30 uur kinderopvang. Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering, die geen traject naar werk volgt, hoeft geen gebruik van de kinderopvang te maken. Daarom zijn in de begrotingen op 100 procent geen kosten voor kinderopvang opgenomen. Wel wordt ervan uitgegaan dat voor het kind van drie jaar twee dagdelen per week gebruik wordt gemaakt van de peuteropvang. Ook paren zonder werk (met een bijstandsuitkering) of paren waarvan één van beide partners werkt (met een inkomen op 110, 120 of 130 procent van de norm), zullen geen gebruik maken van de kinderopvang, maar van de peuteropvang. Per 1 januari 2018 zijn peuterspeelzalen omgevormd tot kinderdagverblijven. Dit is geregeld in de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Hierdoor krijgen sommige ouders die gebruik maken van de peuteropvang recht op kinderopvangtoeslag. Eenverdieners (kostwinnergezin) of werkloze alleenstaande ouders komen niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag. Kinderen tussen de 2,5 en 4 jaar van deze ouders kunnen wel naar de peuteropvang voor twee dagdelen per week. De ouders betalen daarvoor een inkomensafhankelijke bijdrage.
De eigen bijdrage voor de kinderopvang en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de peuteropvang zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”.
Voor de huishoudens die in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag, is dit in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. 3.2.8 Energietoeslag De energieprijzen zijn flink gestegen. Voor huishoudens met een laag inkomen drukken deze sterk op de begroting. De landelijke overheid heeft een eenmalige energietoeslag in het leven geroepen om deels deze kosten te compenseren. Gemeenten kunnen deze als vorm van categoriale bijstand verstreken. Gemeente Zwolle gaat de eenmalige Energietoeslag ter verstrekken aan alle huishoudens met een inkomen niet hoger dan 130 procent van de bijstandsnorm. Er geldt geen vermogensgrens. Het gaat in 2022 om een bedrag van 800 euro. Deze vergoeding wordt verrekend met de post “energie” op de begroting. 3.2.9 Individuele bijzondere bijstand De gemeente Zwolle verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten Individuele bijzondere bijstand. Het inkomen tot 110 procent van de bijstandsnorm wordt niet als draagkracht aangemerkt; het inkomen daarboven wordt gezien als draagkracht. Dit alles afhankelijk van de bijstandsnorm. Daarnaast geldt de vermogensgrens zoals bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Participatiewet. De Individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen voor de huishoudens zonder zorgvraag omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie.
Bij de huishoudens met zorgvraag is voor een aantal kostenposten deze bijzondere bijstand verrekend.
3.3
Huishoudens met een zorgvraag
In dit onderzoek worden twee huishoudens met extra zorgkosten onderzocht: Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd met chronische ziekte of beperking; Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) met chronische ziekte of beperking. Hieronder wordt eerst dieper ingegaan op de voorzieningen van de gemeente Zwolle voor huishoudens met een zorgvraag. Daarna worden de profielen van deze huishoudtypen nader omschreven en wordt bekeken wat het effect van de regelingen is op de maandbegroting van de huishoudens met een zorgvraag. 3.3.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zorgt ervoor dat mensen met een handicap, chronisch zieken en ouderen een zo normaal mogelijk dagelijks leven kunnen leiden. De gemeente bekijkt of hulp nodig is en waarmee iemand het beste is geholpen. Iedere gemeente regelt dit op zijn eigen manier.
Naast algemene taken, zoals het vergroten van de leefbaarheid in de gemeente, heeft de gemeente op basis van de Wmo de volgende taken: • ondersteuning van mensen met een lichamelijke, psychische of verstandelijke beperking zodat zij mee kunnen doen aan de samenleving, bijvoorbeeld door begeleiding, zinvolle daginvulling, huishoudelijke verzorging, woningaanpassing, vervoer of een rolstoel; • ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers, bijvoorbeeld door trainingen, of ondersteuning in het geval dat de mantelzorger ziek is.
3.3.2 Zorgkostenregeling Zoals in paragraaf 3.2.2 staat beschreven, kent de gemeente Zwolle geen collectieve zorgverzekering maar geldt er een ondersteuning van het eigen risico voor alle huishoudens met een inkomen niet hoger dan 130 procent van de bijstandsnorm. Voor inwoners met een beperking of chronische ziekte, kent de gemeente Zwolle de Zorgkostenvergoeding. Het gaat om een bijdrage van maximaal 180 euro per jaar, voor inwoners met zorgkosten die niet op een andere manier vergoed worden. In de begrotingen van de huishoudens met een zorgvraag is deze tegemoetkoming opgenomen onder de inkomsten. Aan de Zorgkostenvergoeding zijn de volgende voorwaarden verbonden: • Er is sprake van Wmo- of een Wlz-voorziening; • Er geldt geen vergoeding voor arbeidsongeschiktheid van UWV; • Het eigen risico telt niet mee, dit zijn geen bijzondere zorgkosten; • Er is sprake van gebruik van een gehandicaptenparkeerkaart of het eigen risico van 385 euro per jaar is gebruikt in dat jaar en de twee jaar daarvoor. De inkomensgrens is 130 procent van de bijstandsnorm. 3.3.4 Uitgangspunten huishoudens met zorgvraag Om de begrotingen voor huishoudens met een zorgvraag op te maken, moeten zogenoemde zorgprofielen worden opgesteld. Vervolgens kan bepaald worden welke extra kosten dit huishoudens heeft, en welke vergoedingen daar tegenover staan.
De profielen zijn opgesteld door het Nibud, in samenspraak met Ieder(In) 4. Voor de huishoudens vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd geldt het volgende zorgprofiel: Stofwisselingsziekte Bril Gehoorapparaat Rollator Een medicijn dat door (aanvullende) zorgverzekering vergoed wordt Lichte vorm van incontinentie Maakt gebruik van de maaltijdvoorziening Is aangewezen op een energieverrijkt dieet. 3 uur huishoudelijke verzorging per week 14 uur persoonlijke verzorging per week 4 uur verpleging per week Personenalarmering Gebruik belbus/collectief vervoer Woningaanpassing (drempels weg, traplift) Het profiel voor de huishoudens onder de AOW-gerechtigde leeftijd ziet er als volgt uit: Stofwisselingsziekte Longproblemen Hoog medicijngebruik (deels eigen bijdrage voor betalen) Rolstoelgebonden 2 uur huishoudelijke verzorging per week Woningaanpassing (drempels weg, traplift) Personenalarmering Gebruik belbus / collectief vervoer ____________________ Ieder(In) is een belangenorganisatie voor mensen met een beperking of een chronische ziekte.
Bij dit laatste huishouden gaan we ervan uit dat het inkomen boven het bijstandsniveau wordt verworven uit werk. Gezien de bovenstaande profielen, zal de begroting van de huishoudens met een zorgvraag op diverse punten afwijken van de standaardbegrotingen: Huishoudelijke hulp (Wmo-voorziening) Voor de huishoudelijke hulp is in de gemeente Zwolle een maatwerkwerkvoorziening en er geldt een eigen bijdrage van maximaal 19 euro per maand. Ook als er meerdere Wmovoorzieningen nodig zijn, betaalt men niet meer dan 19 euro per maand. Dit wordt verrekend met de uitgavenpost “eigen bijdragen/betalingen zorg”. Persoonlijke verzorging en verpleging (zorgverzekering De persoonlijke verzorging en verpleging vallen in het basispakket van de zorgverzekering. Hierdoor komen er dus geen extra kosten bij. Woningaanpassing (Wmo-voorziening) De kosten voor een woningaanpassing (drempels weg, traplift), die vanuit de Wmo wordt toegekend, worden doorgegeven aan het CAK voor de inning van de eigen bijdrage. Deze eigen bijdrage wordt al betaald voor de huishoudelijke en persoonlijke verzorging. Daarom komen er voor deze woningaanpassingen geen extra kosten meer bij. Maaltijdvoorziening (bijzondere bijstand) De maaltijdvoorziening zorgt voor meerkosten ten opzichte van de situatie waarin de warme maaltijd zelf wordt bereid.
In deze rapportage veronderstellen we dat huishouden met zorgvraag niet in staat is om zelf te koken en gebruik moet maken van de maaltijdvoorziening. De gemeente Zwolle vergoedt de meerkosten van deze maaltijden via de Individuele bijzondere bijstand. Deze vergoeding is het verschil tussen de werkelijke kosten en de normen die het Nibud voor reguliere maaltijden hanteert. Is er sprake van een chronische ziekte of beperking dan is de toetsnorm hiervan 110 procent van de bijstandsnorm. De eigen kosten als gevolg van de maaltijdvoorziening zijn in de begrotingen van de huishoudens met zorgvraag opgenomen onder de post “voeding”. Hiermee is de vergoeding via de Individuele bijzondere bijstand verrekend. Personenalarmering (bijzondere bijstand) De kosten voor de personenalarmering worden in de gemeente Zwolle vergoed via de Individuele bijzondere bijstand als de zorgverzekering of een andere voorliggende voorziening dit niet vergoedt. Voor huishoudens met een chronische ziekte of beperking geldt de toetsnorm van 110 procent van de bijstandsnorm. Collectief vraagafhankelijk vervoer (Wmo-voorziening) De onderzochte huishoudens met een zorgvraag kunnen niet zelf fietsen, autorijden of met het OV. Voor hun bezoeken aan arts, werkvoorziening of familie/vrienden zijn ze afhankelijk Collectief vraagafhankelijk vervoer, zoals de Wmo-taxi.
In de gemeente Zwolle betaalt men een tarief per afstandscategorie. Hiervoor geldt een dal- en een spitstarief. In deze rapportage wordt bij de alleenstaanden (onder en boven de AOW-gerechtigde leeftijd) met zorgvraag, gerekend met acht ritten per maand van vijf kilometer enkele reis met dal-tarief. We gaan er daarbij van uit dat de personen met een zorgvraag geen
gebruik maken van de fiets en regulier openbaar vervoer; de kosten daarvan zijn daarom uit de begroting gehaald. De vervoerskosten die uiteindelijk resteren zijn opgenomen onder de post “vervoer”. Waskosten (meerkosten) Voor de extra waskosten in verband met incontinentie bij de oudere huishoudens gaan we uit van twee keer per week extra wassen, wat neerkomt op 9 euro per maand. Dit bedrag is in de begrotingen opgenomen onder de post “was- en schoonmaakmiddelen”. Medicijnen (meerkosten) Voor de eigen betalingen voor medicijnen rekenen we 123 euro op jaarbasis. De kosten worden verrekend met de uitgavenpost “zelfzorgmiddelen”. Een deel hiervan betreft geneesmiddelen op recept waarvan de kosten aftrekbaar zijn. Attentiekosten (meerkosten) Naast bovengenoemde zorgkosten rekenen we nog 8 euro per maand voor attentiekosten voor hulp van buren, vrienden, etc. Deze kosten zijn opgenomen onder de post “eigen bijdragen/betalingen zorg”.
4 Resultaten 4.1
Saldo inkomsten min uitgaven
Dit hoofdstuk bevat de resultaten van het onderzoek. Dit wordt schematisch weergegeven in tabel 1 op de volgende pagina. De tabel bevat per voorbeeldhuishouden een overzicht van het saldo van inkomsten min uitgaven bij verschillende inkomensniveaus. Achtereenvolgens is het volgende weergegeven: 1. Saldo na basispakket: als alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan; 2. Saldo na basispakket en participatie: als zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan; 3. Inclusief Individuele inkomenstoeslag Saldo na basispakket: als alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan, rekening houdend met het recht op Individuele inkomenstoeslag (IIT); 4. Inclusief Individuele inkomenstoeslag Saldo na basispakket en participatie: zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan, rekening houdend met het recht op Individuele inkomenstoeslag (IIT). Een aanname bij de uitkomsten van tabel 1 is dat huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als de gemeentelijke. In praktijk is dit niet het geval. Verder is de volgende codering weergegeven: • Een negatief saldo op de maandbegroting is in rood weergegeven.
• Als een hoger inkomen leidt tot minder bestedingsruimte dan is dit bij het betreffende inkomensniveau aangegeven met een pijltje: o Een rood pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van de situatie met een bijstandsuitkering (uitstroomval/werkloosheidsval). o Een grijs pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van het voorliggende inkomensniveau (doorstroomval). Het kan voorkomen dat een huishouden op een bepaald inkomensniveau te maken heeft met zowel een doorstroom- als een uitstroomval. In dat geval kleurt het pijltje rood. Uit de tabel valt af te lezen dat er voor een alleenstaande met een bijstandsuitkering 126 euro per maand resteert nadat alle uitgaven uit het basispakket zijn gedaan. Als naast de uitgaven uit het basispakket ook alle uitgaven aan sociale participatie zijn gedaan, dan is er een bestedingsruimte van 34 euro. Hierbij is rekening gehouden met alle landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen.
4.2
Bestedingsruimte
4.2.1 Na invulling van alleen het basispakket Uit de tweede kolom (‘saldo na basispakket’) blijkt dat alle onderzochte huishoudens voldoende inkomsten hebben om de uitgaven uit het basispakket te betalen.