CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

Geanonimiseerde concept-Reactienota zienswijzen en adviezen - Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022.pdf

Raad Besluitvormingsronde 7 november 2022, gemeente ZwolleBij agendapunt: Zienswijze ontwerp Omgevingsvisie, verordeningen en Prov. progr. Energietransitie Overijssel52.069 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

Concept-Reactienota zienswijzen en adviezen ontwerp Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2022 geanonimiseerd

Inhoud reactienota Deel 1: Zienswijzen Per (deel)zienswijze zijn achtereenvolgens aangegeven: - Zienswijzenummer - Onderwerp - Samenvatting van de zienswijze - Reactie op de zienswijze - Gevolgen voor de Omgevingsvisie - Gevolgen voor de Omgevingsverordening

Deel 2: Advies Subcommissie wettelijke adviestaken fysiek domein Onderwerpen waarover de subcommissie advies heeft gegeven: - procedure - sturen op water en bodem - duurzame energie - geitenstop - conclusie advies Per onderwerp van het advies zijn achtereenvolgens aangegeven: - Samenvatting van het advies - Reactie op het advies - Gevolgen voor de Omgevingsvisie - Gevolgen voor Omgevingsverordening

Deel 3: Advies Commissie voor de milieueffectrapportage Onderwerpen waarover de commissie advies heeft gegeven: - Urgente opgave Water en Bodem - Urgente opgave Duurzame energie Per onderwerp van het advies zijn achtereenvolgens aangegeven: - Samenvatting van het advies - Reactie op het advies - Gevolgen voor de Omgevingsvisie - Gevolgen voor Omgevingsverordening

1

Deel 1: Zienswijzen 1.

Zienswijze (EDO kenmerk 6683678)

Onderwerp: algemeen Samenvatting zienswijze: Indiener heeft op 29 juli 2022 een verbeterde en aangevulde versie toegestuurd van de zienswijze die hij bij brief van 11 juli 2022 ingebracht heeft. In deze samenvatting zijn alleen de onderdelen van de brief opgenomen die relevant zijn voor de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022, zoals die ter inzage heeft gelegen. Reactie Bij de publicatie van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022 en de bijbehorende OER fase 1, hebben wij duidelijk gemaakt dat er alleen zienswijzen kunnen worden ingediend op die onderdelen van de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening, die in deze actualisatieronde worden gewijzigd. In de tekst van het ontwerp is duidelijk te zien welke onderdelen worden geschrapt en waar er nieuwe teksten worden toegevoegd. Wij gaan in op zienswijzen voor zover die betrekking hebben op de aanpassingen die in deze actualisatieronde worden gedaan in de Omgevingsvisie en de (geldende en nieuwe) Omgevingsverordening. Onderwerp: publicatie Samenvatting zienswijze: Indiener vindt dat de advertenties waarin gewezen wordt op de publicatie van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022 en OER fase 1 niet voldoende informatie bevat. Hij heeft daardoor veel computertijd moeten steken in het achterhalen van de stukken.

Reactie In de advertentietekst en op onze website hebben wij links opgenomen waarmee doorgeklikt kan worden naar de digitale documenten die samen de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022 vormen. We vinden het jammer dat deze indiener zoveel moeite heeft moeten doen om de stukken in te zien. Deze actualisatieronde is inderdaad complexer dan gebruikelijk. Daarom hebben we op de website het e-mailadres en het telefoonnummer opgenomen van een ambtenaar die vragen over de procedure en de inhoud van de Actualisatie 2022 kan beantwoorden. Indiener heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Onderwerp: OER fase 1 Samenvatting zienswijze: Indiener is van mening dat het Omgevingseffectrapport (OER) niet aangemerkt mag worden als een verbreed Milieueffectrapport (MER). Volgens hem is het opstellen van een MER verboden in het geval dat de grond niet in eigendom is verworven. Hij verwijst daarbij naar uitspraken van professor S. van Baars. Reactie Anders dan indiener meent, is eigendom van de grond geen voorwaarde om een MER te mogen doen. Voor de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022 geldt een wettelijke verplichting om een MER op te stellen, omdat daarin kaderstellende uitspraken worden gedaan voor projecten die MER(beoordelings)plichtig zijn.

Wij hebben ervoor gekozen om een milieueffectrapport met verbrede reikwijdte op te stellen, omdat de Omgevingsvisie en

Omgevingsverordening een doelbereik hebben die gericht is op de gehele fysieke leefomgeving, wanneer sprake is van provinciaal belang. Onderwerp: verstedelijking Samenvatting zienswijze: Uit de zienswijze is op te maken dat indiener vindt dat het nodig is om te ont-urbaniseren, vanwege alle gevolgen die verdergaande verstedelijking heeft op de leefomgeving. Hij wijst in zijn zienswijze op diverse gevallen waarin gronden gebruikt zijn voor urbanisatie, die volgens hem in strijd met het recht in bezit genomen zijn. Het is indiener uit de stukken die op de provinciale website staan niet duidelijk geworden waar urbanisatie zal plaatsvinden en hoe verzekerd is dat eigenaren van de gronden die daarvoor nodig zijn een passende vergoeding krijgen. Reactie In de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening zitten diverse wijzigingen die effecten hebben voor de urbanisatie. Gedacht kan worden aan het nieuwe artikel in de geldende en nieuwe Omgevingsverordening waarmee de provincie wil sturen op water en bodem, de aanpassing van de regeling voor externe veiligheid in de nieuwe Omgevingsverordening 2021 en de correctie van paragraaf 10.7.2.1 Geluidhinder in de geldende Omgevingsvisie. Het gaat om provinciale kaders die gemeenten moeten betrekken bij hun keuzes over verstedelijking.

De provincie geeft niet aan waar deze verstedelijking moet plaatsvinden, omdat dit een integrale keuze vraagt waarin niet alleen met de provinciale beleidskaders rekening gehouden moet worden, maar ook met de kaders van het Rijk, het waterschap en de gemeente. Gelet op de claims die grote maatschappelijke opgaven op de ruimte leggen, is ont-urbanisatie voorlopig niet aan de orde. De provincie stuurt bij nieuwe ruimteclaims aan op zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, waarbij wordt uitgegaan van het principe ‘inbreiding gaat voor uitbreiding’. Als er uitbreiding moet plaatsvinden van het bestaand stedelijk gebied, zullen de benodigde gronden uiteraard op legale wijze verkregen moeten worden. Dat wordt geborgd door procedures, die op grond van het privaatrecht dan wel het publiekrecht van toepassing zijn. Onderwerp: sturen op water en bodem Samenvatting zienswijze: Indiener zet vraagtekens bij de voorgenomen sturing op water en bodem die gericht is op een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Hij vraagt zich af waar het recht van de bevolking blijft om zich te verzetten tegen verontreinigingen en malversaties. Hij wijst in dat verband op de delfstofwinningen die grote risico’s opleveren voor het drinkwater. Reactie Wij delen de zorg van indiener over verontreiniging van het grondwater dat gebruikt wordt voor de winning van drinkwater.

Wij zijn als provincie verantwoordelijk voor de kwaliteit van het grondwater. Het nieuwe artikel Sturen op water en bodem moet ervoor zorgen dat bij nieuwe ontwikkelingen het natuurlijke systeem als uitgangspunt genomen wordt. Gemeenten moeten onderbouwen dat de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Daar hoort ook bij dat gekeken wordt naar eventuele gevolgen voor de kwaliteit van het drinkwater. Het nieuwe artikel stuurt niet op de winning van delfstoffen in de diepe ondergrond. Daar stuurt de Mijnbouwwet op en daarvoor is het Rijk het bevoegd gezag. De Mijnbouwwet regelt de procedures waarmee de bevolking invloed kan uitoefenen op de besluitvorming. Wij gebruiken onze rol als adviseur om als er ingrepen in de diepe ondergrond plaatsvinden, bij het Rijk – waar van toepassing – aandacht te vragen risico’s voor de drinkwatervoorziening. Conclusie De zienswijze van indiener geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022.

3

2.

Zienswijze (EDO kenmerk 6671547)

Onderwerp: pro forma zienswijze Samenvatting zienswijze: De gemeente Zwolle dient een pro forma zienswijze in omdat een inhoudelijk zienswijze een besluit vraagt van het college van burgemeester en wethouders. De eerstvolgende vergadering van het college is, vanwege het vakantiereces, na afloop van de ter inzage ligging. In de pro forma zienswijze wordt aangekondigd dat er na 24 augustus 2022 mogelijk nog een inhoudelijke zienswijze volgt. De zienswijze vraagt om afstemming met andere beleidsvelden en bestuurlijk overleg met de verantwoordelijk wethouder. De gemeente spant zich in om zo spoedig mogelijk na afloop van de termijn van ter inzage ligging de zienswijze aan te leveren. Reactie In de ontvangstbevestiging van de pro forma zienswijze is de termijn waarbinnen de inhoudelijke zienswijze binnen moet zijn, gesteld op uiterlijk 7 september 2022. De gemeente heeft de inhoudelijke zienswijze op 6 september 2022 toegestuurd. Onderwerp: sturen op water en bodem Samenvatting zienswijze: De gemeente onderschrijft het belang van sturen op water en bodem en de urgentie daarvan. In de Omgevingsvisie van de gemeente wordt daaraan concreet vorm gegeven door ruimte te reserveren voor een klimaatbestendig en water-robuuste ontwikkeling van de stad, ook vanwege de specifieke ligging van de gemeente in de delta van de IJssel, Vecht en Weteringen.

Om klimaatveranderingen een antwoord te kunnen bieden, kijkt de gemeente naar het totale watersystem en maakt de gemeente geen onderscheid tussen type watersysteem, landelijk, regionaal of stedelijk gebied. Alles hangt immers samen. Reactie: Goed en terecht dat de gemeente zelf al aandacht besteed aan sturen op water en bodem. Wij onderschrijven dat het daarbij van belang is om naar het totale watersysteem te kijken en te kijken welke maatregelen op een specifieke locatie nodig zijn. Onderwerp: formulering nieuw artikel sturen op water en bodem Samenvatting zienswijze: Volgens de gemeente zorgt de formulering van de artikelen 2.1.10 en 4.12a over een 'klimaatrobuust water- en bodemsysteem’ voor onduidelijkheid voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en initiatieven. In de artikelen is de verplichting opgenomen dat onderbouwd is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Uit de artikelen blijkt echter niet wanneer hiervan sprake is. De gemeente heeft twijfels bij de meerwaarde van provinciale regulering in de voorgestelde vorm. Klimaatverandering brengt verandering en onzekerheden met zich mee. De gemeente ervaart meerwaarde in het samen optrekken in het verbinden van water en ruimte.

De nu voorgestelde regulering remt innovatie en creativiteit om tot vernieuwende integrale oplossingen en perspectief te komen af. Gemeenten en initiatiefnemers zijn meer gebaat bij een stimulerende en faciliterende rol van de provincie. De gemeente denkt daarbij aan actieve advisering, opstellen van handreikingen en (financiële) bijdragen met betrekking tot projecten en gebiedsontwikkelingen door de provincie. Voorbeelden uit het recente verleden zijn de gezamenlijk gerealiseerde woningbouwontwikkelingen.

Bovendien mist de gemeente in het tweede lid van de artikelen de relatie tussen het landelijken stedelijk gebied. De vier verschillende regionale perspectieven waar naar wordt verwezen bieden onvoldoende houvast om grip te krijgen op het totale water- en bodemsysteem. De gemeente stelt het op prijs dat de provincie de regionale perspectieven voor bodem en water wil uitwerken met gemeenten en waterschappen, maar ziet daarin ook een risico. Namelijk het kwijtraken van de samenhang met het landelijk watersysteem en de ontwikkelingen/ besluiten daarin op lange termijn (2100) door klimaatverandering. Een risico hierbij is dat maatregelen die lokaal in een gebied worden genomen ‘teniet’ worden gedaan door beslissingen op een hoger schaalniveau (regionaal en/ of landelijk). De gemeente vraagt daarom in het vervolgproces naast het samenspel tussen lokale maatregelen en regionale perspectieven ook oog te blijven houden voor het samenspel tussen regionale perspectieven en het landelijk beleid. De gemeente vreest dat door de wijze waarop de artikelen nu geformuleerd zijn, urgente maatschappelijke opgaven, zoals de woningbouwopgave, vertraging oplopen. De gemeente wil doorgaan op de ingeslagen weg, waarbij water en bodemsysteem zwaarwegend worden meegenomen in alle gebiedsontwikkelingen in Zwolle en de regionale overheden als één overheid samenwerken.

Reactie: Het bodem en watersysteem staat onder druk en de doorzettende klimaatverandering versterkt dit. Wij vinden het voor nieuwe ontwikkelingen van belang om hier nu al rekening mee te houden. Dat geldt voor de locatiekeuze en maar ook voor het bepalen van inrichtingsvoorwaarden. Om dit te waarborgen vinden wij het nodig om een artikel toe te voegen aan de verordening. Dit nieuwe artikel ‘Sturen op water en bodem’ bevat de verplichting om te onderbouwen hoe de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan behoud en herstel van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Dit leidende principe ‘sturen op water en bodem’ werken we verder uit in de nieuwe Omgevingsvisie. De gebiedsindeling die wij nu koppelen aan de onderbouwingsverplichting in de Omgevingsverordening is inderdaad nog grofmazig. Ondertussen wordt dit najaar een Handreiking gemaakt samen met gemeenten en waterschappen. Die gaat initiatiefnemers en gemeenten handvatten bieden hoe de onderbouwingsverplichting uit de Omgevingsverordening ingevuld moet worden. Wij zijn met de gemeente eens dat het daarbij van belang is om naar verschillende schaalniveaus te kijken (lokaal – regionaal – landelijk) en ook naar de samenhang tussen stedelijk en landelijk gebied.

Bij de verdere uitwerking van het principe, zullen we samen met gemeenten, waterschappen en andere partijen nagaan wat nodig is om recht te doen aan regionale en lokale verschillen in omstandigheden. De vrees dat projecten door het toevoegen van dit artikel vertraging oplopen delen wij niet. Als dit aspect vroegtijdig in het planproces wordt betrokken zien wij geen reden voor vertraging. Onderwerp: regionaal waterbeheer Samenvatting zienswijze: De gemeente ziet in de provinciale de ambitie voor het Regionaal Waterbeheer een strijdigheid tussen het ruimte willen bieden aan een veelheid aan functies en de uitspraak dat het gewenste gebruik van gronden als gevolg van Regionaal Waterbeheer niet langer overal meer mogelijk is. De gemeente streeft naar één samenhangende benadering van de watersystemen op nationaal, regionaal en stedelijk niveau in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen. Dit ziet de

5

gemeente in ieder geval voor haar grondgebied graag in de Omgevingsvisie bevestigd. Er moet beter beschreven welke keuzes de provincie voor ogen heeft. De gemeente hecht grote waarde aan duidelijkheid en voldoende handelingsperspectief voor huidige en toekomstige gebruikers in zowel het bestaand stedelijk gebied als in het buitengebied. Gebieden die vragen om duidelijkheid en handelingsperspectief zijn onder meer de Polder Mastenbroek en het gebied ten noorden van de Vecht. De paragraaf over het Deltaprogramma verwijst naar het grotere geheel. Dat is niet dekkend, omdat de beieidshorizon van het huidige Deltaprogramma 2050 is. Bekend is dat de grote veranderingen en komende beslissingen over het watersysteem betrekking hebben op de periode na 2050. Het kabinet heeft in het regeerakkoord dan ook aangegeven de Deltabeslissingen te willen herzien in de huidige kabinetsperiode, waarbij meer samenhang wordt aangebracht tussen zoetwaterbeschikbaarheid, rivieren, IJsselmeer en Zeespiegelstijging. De gemeente vindt dat relevant omdat het uitgangspunt voor ruimtelijke ontwikkelingen in de regel minimaal 70 tot 100 jaar is. De gemeente verzoekt om het stuk over regionaal waterbeheer meer in samenhang te brengen met het landelijk watersysteem en de lange termijn (2100). Reactie: Dit onderdeel van de zienswijze gaat over het Fundament voor de nieuwe Omgevingsvisie.

Het Fundament is op hetzelfde moment dat de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022 ter inzage is gelegd, bekendgemaakt maar dan zonder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen. Wij reageren hier op de gemaakte opmerkingen op het Fundament, maar wijzen er daarbij wel op dat er te zijner tijd een mogelijkheid komt om zienswijzen in te dienen op de wijzigingen in het provinciale omgevingsbeleid. Dat is aan de orde als het ontwerp van de nieuwe Omgevingsvisie - waarvoor het Fundament een tussenstap is - ter inzage wordt gelegd. In het Fundament doet de provincie richtinggevende uitspraken voor het toekomstige landgebruik in gebieden - waarbij vanwege de doorzettende klimaatverandering - het natuurlijke bodem en watersysteem als uitgangspunt genomen wordt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De veerkracht van het natuurlijke bodem en watersysteem zal hersteld moeten worden om in te kunnen spelen op de doorzettende klimaatverandering. Dit geeft richting voor de ontwikkelingsmogelijkheden en de maatregelen die per gebied nodig zijn. Daarvoor hebben we ook gekeken waar kwetsbare gebieden liggen (bijvoorbeeld waterwingebieden en natuurgebieden). Wij vinden het belangrijk om in de directe omgeving met de kwetsbaarheid van deze gebieden rekening te houden en de bedrijfsvoering daarop af te stemmen.

In het provinciaal beleid bieden wij zoveel mogelijk ruimte aan ontwikkelingen, maar er zijn wel grenzen aan wat mogelijk is. In het Fundament voor de nieuwe Omgevingsvisie is de richtinggevende uitspraak gedaan dat het landgebruik meer in harmonie moet zijn met het natuurlijk systeem. Vanuit het principe dat het natuurlijke water- en bodem systeem sturend moet zijn, wordt in de deze actualisatieronde al een nieuw artikel opgenomen in de Omgevingsverordening die bij nieuwe ontwikkelingen verplicht om te onderbouwen dat die bijdragen aan het behoud en versterken van een klimaatrobuust water- en bodem systeem. Nieuwe ontwikkelingen gaan zo bijdragen aan het versterken van de veerkracht van het natuurlijk systeem. In de Handreiking die wij samen met gemeenten en waterschappen gaan maken, willen wij concreter aangegeven hoe het sturen op water en bodem in concrete gevallen in de uitvoering invulling moet krijgen. Dit geldt ook voor het handelsperspectief voor het veenweidegebied (o.a. polder Mastenbroek) en het stromingsgebied van de Vecht. Wij zien het belang van samenhang op gebied van waterbeheer op verschillende niveaus (lokaal, regionaal en landelijk) en op verschillende termijnen. Daarom richten wij ons beleid juist daarom op het robuuster maken van het bodem- en watersysteem.

Het in samenhang brengen van het regionaal waterbeheer met het landelijk watersysteem en de lange termijn plannen nemen we mee in de nadere uitwerking van het Fundament in de nieuwe

Omgevingsvisie. In het Fundament voor de nieuwe Omgevingsvisie wordt een visie op hoofdlijnen presenteert voor de periode tot 2040. De uitwerking van het beleidsprincipe ‘water en bodem sturend’ in een handelingskader voor een klimaatrobuuste ruimtelijke inrichting van Overijssel richt zich op een tijdshorizon ver na 2040. Immers, het water bodemsysteem is niet in 2040 af. Dit is vanwege klimaatverandering een inspanning van de lange adem, zonder een op dit moment een concreet te definiëren eindpunt. Onderwerp: duurzame energie Samenvatting zienswijze: De gemeente werkt intensief met de provincie samen als het gaat om de realisatie van energiedoelstellingen en het beperken van de uitstoot van broeikasgassen. Dit verloopt met name via regionale en lokale processen, waar samen wordt opgetrokken. Die samenwerking vindt onder andere plaats in de vorm van de RES West-Overijssel en moet inzicht bieden waar binnen de regio in de komende jaren nieuwe wind- of zonneparken gaan komen. Ook in kleiner verband, namelijk in een gemeentelijk samenwerkingscluster, trekt de gemeente samen met de provincie en buurgemeenten op om duurzame energieprojecten te realiseren en te werken aan netwerkversterking samen met netwerkbeheerders Enexis en TenneT. Met waardering ziet de gemeente de verschillende rollen die de provincie oppakt bij de energietransitie.

De gemeente ziet ook de noodzaak om naast de samenwerkende en faciliterende rol, verder invulling te geven aan de regulerende rol van de provincie op dit vlak. De gemeente vindt het wel vreemd dat de provincie ervoor gekozen heeft de zomerperiode van 2022 te gebruiken om uw energiestrategie (PPE), gericht op een actieve provinciale rol bij de realisatie van grootschalige windplannen, ter visie te leggen. Qua timing ongelukkig, omdat gemeenten tot het voorjaar van 2023 de tijd hebben om de lokale zoekgebieden vast te leggen en aan te geven wat er hier aan wind- en zonneparken kan worden gerealiseerd. Het resultaat hiervan wordt opgenomen in de RES 2.0 van West Overijssel en moet op 1 juli 2023 worden ingediend bij het Nationaal Programma RES. De gemeente heeft bij de vaststelling van de RES 1.0 bij de realisatie van de duurzame energieproductie in de periode tot 2030 aangegeven zoveel mogelijk te blijven aansluiten bij de gebiedskenmerken en het karakter van de stedelijke omgeving. Meervoudig ruimtegebruik en in het bijzonder het benutten van dakvlak vormen daarmee dan ook een belangrijke drager voor het realiseren van de doelstellingen van de gemeente. Het streven naar een voor de regio sturende verhouding voor wind en zon (60% wind respectievelijk 40%), doet dan ook geen recht aan de inzet en bijdrage van de gemeente.

De gemeente wil vasthouden aan de RES afspraken en doet haar bod gestand. De gemeente maakt zich zorgen over het scenario dat de provincie (vanuit bevoegd gezag rol bij windprojecten) moet meewerken aan wind projecten als commerciële windontwikkelaars zich direct tot de provincie wenden, met het oog op lokale gebiedsprocessen (afgerond of nog in volle gang). De gemeente vraagt om een heldere procesafspraak (zoals weigeringsrond voor de provincie indien plan niet in gemeentelijk bod past) om dit soort scenario’s te voorkomen. In paragraaf 10.8.2.1.1. van de Omgevingsvisie staat dat binnen de voorkeursgebieden voor grootschalige clustering wordt gestreefd naar een optimale invulling van het gebied. Dit houdt in dat projecten die kleiner zijn dan de ruimtelijke potentie zo vormgegeven worden dat toekomstige projecten niet belemmerd worden. Het gebied ten noorden van de Vecht is één van die gebieden. Dit deel van de gemeente is ook vanuit de gemeentelijke Omgevingsvisie en coalitieprogramma aangemerkt als voorkeursgebied voor het plaatsen van windmolens vastgelegd. In dit gebied zijn er echter nog meer ruimtelijke ontwikkelingen in onderzoek, los van de energietransitie. Zo onderzoekt de gemeente de mogelijke uitbreiding van het bedrijventerrein en de ontwikkeling van een railterminal.

De gemeente verwacht dat de provincie bij de omschrijving 'toekomstige projecten’ ook andere ruimtelijke ontwikkelingen bedoeld als het plaatsen van windmolens. De gemeente kijkt vanuit een integrale blik naar de ontwikkeling van deze gebieden, samen met de buurgemeente(n) en de provincie. Dit najaar gaat de gemeente samen met betrokken partijen, waaronder een buurgemeente, het

7

waterschap, de bewonersvertegenwoordigers en de provincie een gebiedsvisie maken voor het gebied ten noorden van de Vecht. Door de huidige formulering van paragraaf 10.8.2.1.1 (Kansrijke zoekgebieden windenergie) in de Omgevingsvisie over optimale invulling ontstaat er onduidelijkheid over rolneming en ziet de gemeente een draagvlakrisico ontstaan. Het beeld ontstaat dat na een zorgvuldig doorlopen gebiedsproces - waarbij bewoners en gemeente samen tot een voor hun optimale opstelling zijn gekomen en die passend is binnen de RES opgave van de gemeente - de provincie in de laatste fase van dit participatieproces weigert mee te werken. ‘Optimale invulling’ roept veel vragen op en suggereert dat in gebieden met de status van grote clusters ruimte voor windturbines de voorrang krijgt, ongeacht de uitkomst van gebiedsprocessen. De gemeente ziet hier graag een nuancering of extra toelichting op. Voor bewoners en grondeigenaren in de aan te wijzen grote clusters moet helder zijn wat onder optimaal wordt verstaan. Nu lijkt de provinciale deur voor nieuwe windinitiatieven in het gebied open te staan, terwijl er nog wordt gewerkt aan de het indienen van de omgevingsvergunning voor 3 windturbines. De gemeente wil op basis van de gebiedsovereenkomst de regie lokaal houden.

Reactie: De timing van het ter visie legging van het Provinciaal Programma Energiestrategie (PPE) heeft te maken met de samenloop met de actualisatie van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Het PPE beschrijft de rol van de provincie als partner in de RES. Het programma bestaat uit twee delen. Het eerste deel gaat over het aanwijzen van zoekgebieden. De provincie is het met de gemeente eens dat deze zoekgebieden in de RES2.0 op 1 juli 2023 volgens afspraak opgenomen worden. Deze zoekgebieden zullen dan onderdeel gaan uitmaken van het Fundament van de nieuwe Omgevingsvisie. De provincie heeft in deel 2 van het PPE aangegeven hoe ze van haar bevoegdheden gebruik maakt op het moment dat een initiatiefnemer een plan voor het realiseren van wind op land indient. Dit om duidelijkheid te bieden aan de partners in de RES, inwoners en initiatiefnemers. De provincie heeft als partner in de RES de uitgangspunten van de RES in het ruimtelijk beleid vastgelegd. De provincie kiest er daarbij voor om het afwegingskader vast te leggen in een zelfbindend programma. De intentie van de provincie is om gemeenten tot 1 juli 2023 de tijd te geven om zoekgebieden vast te stellen. Zoals in het PPE staat aangegeven wil de provincie samen met de partners in de RES optreden als één overheid.

Dit betekent dat als er een verzoek bij de provincie binnenkomt, de provincie volgens het afwegingskader handelt en altijd eerst contact opneemt met de betreffende gemeente. In het PPE en ons omgevingsbeleid zijn voldoende waarborgen opgenomen om te zorgen dat er een zorgvuldig gebiedsproces wordt doorlopen. Wanneer een gemeente zoekgebieden heeft vastgesteld en aan de overige uitgangspunten van de RES en ons ruimtelijk beleid is voldoen, dan kunnen wij op verzoek van de gemeente onze bevoegdheid tot vergunningverlening overdragen. Ook dan staat de gemeente er niet alleen voor en zullen wij waar mogelijk samenwerken om een goed proces te doorlopen. Het scenario dat de gemeente schetst, is niet zoals het afwegingskader in het PPE beschreven is. Wel is het zo dat de provincie toetst aan het meest optimaal invullen van het gebied aan de hand van de ruimtelijke kaders, die zowel in de RES als in ons omgevingsbeleid zijn vastgelegd. Onderwerp: erfmolens Samenvatting zienswijze: In titel 2.15, artikel 2.15.1 wordt de definitie van een windmolen aangepast door er aan toe te voegen dat deze een tiphoogte heeft van meer dan 25 meter. De gemeente vraagt zich af of dit de gemeente beleidsvrijheid geeft over het al dan niet mogelijk maken het plaatsen van

windmolens met een kleinere afmeting, dus ook qua locatie: buiten, aansluitend of op een erf? De gemeente kiest in haar Omgevingsvisie ervoor om kleine windmolens toe te staan op eigen erf voor eigen gebruik, mits dat geen afbreuk doet aan de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van een gebied. In bestemmingsplannen hanteert de gemeente een maximale tiphoogte van 15 meter. Via een binnenplanse afwijking kan de ashoogte verhoogd worden tot 18 meter en kunnen maximaal 2 windmolens geplaatst worden. Reactie: De aangepaste definitie van het begrip windmolen is bedoeld om kleine erfmolens bij agrarische bedrijven niet langer onder het generieke verbod van windturbines te laten vallen. Dat generieke verbod blijft gelden voor die delen van het Nationaal Landschap NoordoostTwente die niet zijn aangewezen als zoekgebied. De aangepaste definitie is alleen van toepassing binnen uitsluitingsgebieden windenergie. Daarbuiten is het nu ook al mogelijk om kleine erfmolens te plaatsen. Het is aan de gemeente om af te wegen welke (tip) hoogte aanvaardbaar is. Daarbij zal de gemeente wel rekening moeten houden met de normstellende en richtinggevende uitspraken van de Catalogus Gebiedskenmerken. Ook kan de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing zijn.

Wij gaan er vanuit dat de gemeenten criteria opnemen in hun lokale windbeleid die ervoor zorgen dat de kleine erfmolens niet leiden tot aantasting van het landschap. Conclusie De zienswijze van indiener geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022.

3.

Zienswijze (EDO kenmerk 6679420)

Onderwerp: beleidsrijke onderwerpen Samenvatting zienswijze: De voorgestelde aanpassingen in de verordening voor de twee beleidsrijke onderwerpen geven het waterschap geen aanleiding tot het indienen van een zienswijze. Wel nodigt het waterschap de provincie uit om de samenwerking die al is ingezet om water en bodem als sturend principe in de nieuwe Omgevingsvisie en verordening te verstevigen. Er is scherpte nodig in de uitwerking van dit principe om er ook daadwerkelijk op te kunnen sturen. Reactie Wij zijn blij dat het waterschap zich kan vinden in de nieuwe regels voor Sturen op water en bodem en de aanpassingen van de regels voor windenergie. Wij maken graag gebruik van het aanbod van het waterschap om de samenwerking rond water en bodem als sturend principe te versterken. Er is inderdaad scherpte nodig om daadwerkelijk te kunnen sturen op dit principe. Onderwerp: Fundament Samenvatting zienswijze: Het waterschap heeft met interesse kennisgenomen van het Fundament voor de nieuwe Omgevingsvisie. Dat is een belangrijk document door het kaderstellende karakter voor nieuwe initiatieven en voor de uitwerking van de nieuwe Omgevingsvisie. Het waterschap heeft via diverse kanalen inbreng kunnen geven in het proces op basis waarvan het Fundament is vastgesteld. Het waterschap vindt het voortzetten van deze betrokkenheid van groot belang.

De nieuwe Omgevingsvisie zal nog meer helderheid moeten geven over afspraken, rollen, verantwoordelijkheden en instrumenten. Samenwerking is nodig om de Omgevingsvisie te voorzien van de noodzakelijke handelingsperspectieven voor betrokkenen. Voor het waterschap staat centraal dat ‘water en bodem’ als sturend principe van de ruimtelijke ordening duidelijk geconcretiseerd moet worden.

9

Reactie Dit onderdeel van de zienswijze gaat over het Fundament voor de nieuwe Omgevingsvisie. Het Fundament is op hetzelfde moment dat de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022 ter inzage is gelegd, bekendgemaakt maar dan zonder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen. Wij reageren hier op de gemaakte opmerkingen op het Fundament, maar wijzen er daarbij wel op dat er te zijner tijd een mogelijkheid komt om zienswijzen in te dienen op de wijzigingen in het provinciale omgevingsbeleid. Dat is aan de orde als het ontwerp van de nieuwe Omgevingsvisie - waarvoor het Fundament een tussenstap is - ter inzage wordt gelegd. In het Fundament doet de provincie richtinggevende uitspraken voor het toekomstige landgebruik in gebieden - waarbij vanwege de doorzettende klimaatverandering - het natuurlijke bodem en watersysteem als uitgangspunt genomen wordt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De veerkracht van het natuurlijke bodem en watersysteem zal hersteld moeten worden om in te kunnen spelen op de doorzettende klimaatverandering. Dit geeft richting voor de ontwikkelingsmogelijkheden en de maatregelen die per gebied nodig zijn. Daarvoor hebben we ook gekeken waar kwetsbare gebieden liggen (bijvoorbeeld waterwingebieden en natuurgebieden).

Wij vinden het belangrijk om in de directe omgeving met de kwetsbaarheid van deze gebieden rekening te houden en de bedrijfsvoering daarop af te stemmen. In het Fundament is een kaart opgenomen waarmee wij duidelijk maken wat wij op lange termijn als mogelijkheden zien voor verschillende vormen van landbouw. De gevolgen van de doorzettende klimaatverandering en de teruglopende biodiversiteit maken duidelijk dat niet alles overal kan. Het waterschap is één van de partijen die wij ook in de vervolgfase van verdere uitwerking van het Fundament zullen betrekken, zowel bij het opstellen van de nieuwe Omgevingsvisie als bij de uitwerking in programma’s en gebiedsgerichte uitwerkingen. Zoals we ook in het Fundament hebben aangegeven, hebben wij de andere partijen in de fysieke leefomgeving hard nodig om van principe tot handelingsperspectief te komen. Terecht wijst het waterschap erop dat het principe van Sturen op water en bodem in de nieuwe regeling nog vrij abstract is. Wij verwachten dat we met een Handreiking, die we samen met alle betrokken partijen gaan opstellen, het concrete handelingskader kunnen bieden waarmee we daadwerkelijk gaan sturen op water en bodem.

Onderwerp: sturen op water en bodem Samenvatting zienswijze: Het waterschap ondersteunt van harte het voorstel om het uitgangspunt ‘water en bodem als sturend beginsel’ alvast te borgen in de geldende Omgevingsvisie en de geldende en nieuwe Omgevingsverordening. Wel spreekt het waterschap zorg uit over de wijze waarop dit sturend principe ook daadwerkelijk inhoud gaat krijgen. De regeling in de verordening verplicht om te onderbouwen hoe de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is. Het waterschap vraagt zich af op welke wijze en hoe krachtig hierop wordt toegezien, wanneer de aangeleverde onderbouwing als ‘voldoende’ wordt beoordeeld, wie dat doet en op basis van welke criteria. De gebiedsindeling is nog te grofmazig. De gebiedsprocessen moeten wel meer scherpte in de gebiedsindeling brengen. Ook moet duidelijk worden hoe, waar en wanneer maatwerk kan worden geleverd. De komende tijd zal samen met gemeenten en waterschappen de onderbouwingsverplichting ingevuld worden met een Handreiking die daarvoor voldoende houvast kan bieden. Daarbij zal ook bekeken moeten worden of de voorgestelde categorie-indeling nadere nuancering nodig heeft. Reactie

Sturen op water en bodem is voor de provincie een belangrijke en urgente beleidsopgave. Daarom is dit principe - vooruitlopend op de vaststelling van de nieuwe Omgevingsvisie alvast verankerd in de geldende en de nieuwe Omgevingsverordening. Dit principe werken we verder uit in de nieuwe Omgevingsvisie. Ondertussen wordt dit najaar een Handreiking gemaakt samen met gemeenten en waterschappen. Die gaat initiatiefnemers en gemeenten handvatten bieden hoe de onderbouwingsverplichting uit de Omgevingsverordening ingevuld moet worden. De gebiedsindeling die wij nu koppelen aan de onderbouwingsverplichting in de Omgevingsverordening is inderdaad nog grofmazig. Bij de verdere uitwerking van het principe, zullen we samen met gemeenten, waterschappen en andere partijen nagaan wat nodig is om recht te doen aan regionale en lokale verschillen in omstandigheden. Onderwerp: uitsluitingsgebieden windenergie Samenvatting zienswijze: Het waterschap kan zich vinden in de aanpassing van de Omgevingsverordening voor de urgente beleidsopgave Duurzame energie en is blij met het schrappen van de uitsluitingsgebieden windenergie. Dit biedt de partners van de RES en ook het waterschap zelf meer gelegenheid om te voorzien in duurzame opwek van energie.

Reactie We zijn blij dat het waterschap zich kan vinden in het voorstel om het verbod op het plaatsen van windturbines binnen het Nationaal Landschap IJsseldelta en het Natuurnetwerk Nederland te schrappen. Wij doen dat om meer ruimte te bieden aan de RES-partners om invulling te geven aan de gezamenlijke opgave om de energievoorziening op korte termijn te verduurzamen. Dit zal ook het waterschap de gelegenheid bieden hierin stappen te zetten. Onderwerp: horizontaal en verticaal uitlijnen van visies en beleid Samenvatting zienswijze: Het waterschap wijst op het belang van het horizontaal en verticaal uitlijnen van visies en beleid in samenspraak met partner om zo als één overheid op verschillende schaalniveaus te werken aan de grote maatschappelijke opgaven. Het waterschap vertrouwt op een goed vervolg van de als prettig ervaren samenwerking voor de noodzakelijke concretisering van het Fundament tot visie en de verdere aanscherping van de verordening. Reactie Wij zien ook de noodzaak om de grote maatschappelijke opgaven als één overheid aan te pakken. Afstemmen van visies en beleid is daarvoor een voorwaarde. Wij zijn blij dat het waterschap de samenwerking tot dusver als prettig ervaart. Wij rekenen op de inzet van het waterschap in het lopende proces van concretisering en aanscherping van beleid en regels.

Conclusie De zienswijze van het waterschap geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022.

4.

Zienswijze (EDO kenmerk 6685605)

Onderwerp: begrenzing Bornsche Maten Samenvatting zienswijze: Over de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022 heeft de gemeente Borne inhoudelijk geen opmerkingen. Wel wijst de gemeente er nogmaals op dat de begrenzing van de Bornsche Maten in de Omgevingsvisie niet klopt. De delen van deze woonwijk die inmiddels gerealiseerd zijn, horen

11

in de Stedelijke laag aangemerkt te worden als bestaand stedelijk gebied (Woonwijken 1955nu). Volgens afspraak zou deze correctie als ambtshalve aanpassing meegenomen worden in de vorige actualisatieronde. Reactie De gemeente Borne wijst er terecht op dat de begrenzing van de Bornsche Maten op de kaart Stedelijke laag niet klopt. Het was inderdaad de bedoeling om dit als een ambtshalve aanpassing in de vorige actualisatieronde te corrigeren, maar dit is helaas niet gebeurd. We passen de kaart in deze actualisatieronde alsnog aan. Conclusie De zienswijze van indiener geeft aanleiding tot aanpassing van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022. De delen van de woonwijk Bornsche Maten die inmiddels gerealiseerd zijn, krijgen de aanduiding ‘bestaand stedelijk gebied (Woonwijken 1955-nu).

5.

Zienswijze (EDO kenmerk 6682961)

Onderwerp: pro forma zienswijze Samenvatting zienswijze: De gemeente Wierden is het niet eens met het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022, OER Fase 1 en het Provinciaal Programma Energiestrategie. Vanwege de vakantieperiode en de behoefte tot intergemeentelijke afstemming hierover, vraagt de gemeente om een redelijke termijn om de zienswijze te formuleren. Reactie In de ontvangstbevestiging van de pro forma zienswijze is de termijn waarbinnen de inhoudelijke zienswijze binnen moet zijn, gesteld op uiterlijk 7 september 2022. De gemeente heeft op 6 september 2022 per mail en brief de inhoudelijke zienswijze toegestuurd. In deze Reactienota gaan wij alleen in op die onderdelen van de zienswijze die betrekking hebben op de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022 en OER fase 1. De onderdelen die betrekking hebben op het PPE worden meegenomen in de Reactienota die voor de besluitvorming door Gedeputeerde Staten over dat programma wordt opgesteld. Onderwerp: Fundament Samenvatting zienswijze: De gemeente gebruikt de zienswijze op de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022 om een reactie te geven op het Fundament voor de nieuwe Omgevingsvisie ‘Overijssel voor elkaar’. Reactie: Dit onderdeel van de zienswijze gaat over het Fundament voor de nieuwe Omgevingsvisie.

Het Fundament is op hetzelfde moment dat de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022 ter inzage is gelegd, bekendgemaakt maar dan zonder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen. Wij reageren hier op de gemaakte opmerkingen op het Fundament, maar wijzen er daarbij wel op dat er te zijner tijd een mogelijkheid komt om zienswijzen in te dienen op de wijzigingen in het provinciale omgevingsbeleid. Dat is aan de orde als het ontwerp van de nieuwe Omgevingsvisie - waarvoor het Fundament een tussenstap is - ter inzage wordt gelegd. Op grond van onze provinciale inspraakverordening kan besloten worden om geen formele inspraak toe te passen. Gedeputeerde Staten hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en besloten om het Fundament alleen bekend te maken. Inspraak op het Fundament wordt

namelijk vormgegeven door het gebiedsgericht uitwerken van het Fundament tot een nieuwe Omgevingsvisie samen met partners, waaronder de gemeenten. De nieuwe Omgevingsvisie zal te zijner tijd als ontwerp ter inzage worden gelegd. Dan kunnen er zienswijzen ingediend worden. We zullen de reactie van de gemeente op het Fundament meenemen in het verdere proces om te komen tot een nieuwe Omgevingsvisie. Onderwerp: duurzame energie Samenvatting zienswijze: Volgens de gemeente doet de provincie afbreuk aan haar eerder vastgestelde energiedoelstellingen door het bod van de RES Twente op te nemen in de provinciale Omgevingsvisie. De doelstellingen worden aangepast naar alleen elektriciteit in plaats van energie. De gemeente wijst erop dat de verhouding van 60% windenergie en 40% zonne-energie in de RES richtinggevend is en niet leidend. Het nu vastleggen van deze verhouding in de Omgevingsvisie is niet in lijn met eerdere afspraken. Het streven wordt nu omgezet in een vaststaand uitgangspunt. De gemeente ligt met haar inzet op schema wat betreft haar aandeel in het RES 1.0 bod. De gemeente houdt vast aan het eerder bod in de RES Twente 1.0 dat geamendeerd is vastgesteld van 56 GWh duurzame elektriciteit opwek met zon. Dit betekent dat gemeente niet kan instemmen met de verhouding wind/zon.

Naast de inzet op duurzame elektriciteit zet de gemeente ook in op andere vormen van energieopwek door bijvoorbeeld mono mestvergisting en de toepassing van zeer lage temperatuurnetten. Reactie De verhouding 60/40 is gebaseerd op het hoekpunt maatschappelijke kosten van het afwegingskader. De gezamenlijke gemeenten in Twente willen het bod van 1,5TWh te realiseren in die verhouding. Dit is afgesproken in de RES. Uiteraard kunnen per gemeente verschillen ontstaan in de verhouding wind/zon, maar gezamenlijk hebben de gemeenten zich daarop vastgelegd. Dit is bekrachtigd in de Omgevingsvisie, ook omdat op dit moment in de plannen van de Twente de verhouding meer naar 10/90 neigt. De gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor het aandeel en de mix waarin zij bijdragen aan het gezamenlijke RES-bod van 1,5 TWh. In de RES 1.0 is de verhouding van de opwek van elektriciteit op 60% wind en 40% zon is gesteld. Als een gemeente daarvan wenst af te wijken zal in overleg met de overige partners compensatie gevonden moeten worden om de afspraak te kunnen realiseren. Wij waarderen het dat de gemeente ook inzet op andere vormen van duurzame energieopwek, zoals mestvergisting en de toepassing van zeer lage temperatuurnetten. Onderwerp: water en bodem Samenvatting zienswijze: De gemeente wil de technische mogelijkheden behouden om integrale afwegingen te kunnen maken bij gewenste ontwikkelingen.

Op basis van de huidige informatie kan de gemeente zich vinden in de uitgangspunten die de provincie noemt voor het bodem- en watersysteem. De gemeente vraag aandacht voor wenselijke ontwikkelingen waarbij technische maatregelen noodzakelijk zijn om de het bodem- en watersysteem klimaatrobuust te maken. Vooralsnog lijkt uit de beleidsuitgangspunten dat er alleen ruimte is voor natuurlijke oplossingen. Hierbij ontbreekt volgens de gemeente de integraliteit. Volgens de gemeente ontbreekt de ruimte om overal alleen naar natuurlijke oplossingen te zoeken. In Nederland en dus ook in Overijssel is ruimte schaars en natuurlijke oplossingen brengen vaak een ruimtevraag met zich mee. Het vasthouden aan alleen natuurlijke oplossingen vindt de gemeente niet passend in een provincie als Overijssel, waar veel functies naast elkaar en door elkaar bestaan.

13

Reactie: Het bodem en watersysteem staat onder druk en de doorzettende klimaatverandering versterkt dit. Wij vinden het voor nieuwe ontwikkelingen van belang om hier nu al rekening mee te houden. Dat geldt voor de locatiekeuze en maar ook voor het bepalen van inrichtingsvoorwaarden. Om dit te waarborgen vinden wij het nodig om een artikel toe te voegen aan de verordening. Dit nieuwe artikel ‘Sturen op water en bodem’ bevat de verplichting om te onderbouwen hoe de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan behoud en herstel van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Het is niet onze bedoeling om technische oplossingen daarbij op voorhand uit te sluiten. Wel vinden wij dat de afwegingen van ruimtelijke ontwikkelingen moeten starten met het respecteren van het natuurlijke water- en bodemsysteem. Dat natuurlijke systeem moet het uitgangspunt zijn voor klimaatadaptatie. Om een antwoord te geven op de doorzettende klimaatverandering is het nodig om toe te werken naar een robuuster bodem- en watersysteem. Daarmee kan ingespeeld worden op toenemende periodes van droogte en watertekorten, kan voldoende opvangruimte gerealiseerd worden voor extreme stortbuien en is waterveiligheid ook in de toekomst verzekerd. Ook als we als leidend principe voor toekomstig grondgebruik het natuurlijk systeem als uitgangspunt nemen en waar nodig herstellen, blijven technische maatregelen mogelijk.

Dit leidende principe ‘sturen op water en bodem’ werken we verder uit in de nieuwe Omgevingsvisie. Ondertussen wordt dit najaar een Handreiking gemaakt samen met gemeenten en waterschappen. Die gaat initiatiefnemers en gemeenten handvatten bieden hoe de onderbouwingsverplichting uit de Omgevingsverordening ingevuld moet worden. De gebiedsindeling die wij nu koppelen aan de onderbouwingsverplichting in de Omgevingsverordening is inderdaad nog grofmazig. Bij de verdere uitwerking van het principe, zullen we samen met gemeenten, waterschappen en andere partijen nagaan wat nodig is om recht te doen aan regionale en lokale verschillen in omstandigheden. Conclusie De zienswijze van indiener geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022.

6.

Zienswijze (EDO kenmerk 6685603)

Onderwerp: Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Samenvatting zienswijze: Indiener heeft een zienswijze ingediend tegen de geconsolideerde Omgevingsverordening die samen met de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022 ter inzage is gelegd. Hij constateert na een snelle beoordeling van de stukken, dat artikel 2.1.7 van de Omgevingsverordening is geschrapt en dat er een artikel met maatregelen voor de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving voor in de plaats is gesteld. Indiener beroept zich voor de procedure van de verplaatsing van het agrarisch bedrijf op de geldende verordening. Daarvoor zou niet geanticipeerd moeten worden op de nieuwe regeling. Aanleiding voor deze zienswijze is de lopende procedure voor de verplaatsing van een agrarisch bedrijf, dat moet wijken voor de woonuitbreiding van de kern Dalfsen. Reactie Wij gaan in het kader van deze zienswijze niet in op de lopende procedure voor de verplaatsing van het agrarisch bedrijf. Die kent zijn eigen mogelijkheden van bezwaar en beroep.

Anders dan indiener meent wordt in deze actualisatieronde geen aanpassingen gedaan in artikel 2.1.7 van de Omgevingsverordening. Dat artikel geeft aan onder welke voorwaarden een nieuwe agrarisch bouwblok kan worden gelegd en een bestaand agrarisch bouwblok grootschalig uitgebreid kan worden. Daarin is niets gewijzigd ten opzichte van de geldende Omgevingsverordening. Bij de publicatie van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022 en de bijbehorende OER fase 1, hebben wij duidelijk gemaakt dat er alleen zienswijzen kunnen worden ingediend op die onderdelen van de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening, die in deze actualisatieronde worden gewijzigd. De geconsolideerde versies van de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening hebben wij bij de stukken gevoegd om duidelijk te maken hoe de visie en verordening er in totaal uit komen te zien nadat de voorgestelde wijzigingen zijn doorgevoerd. In de stukken is duidelijk gemaakt dat aan de geconsolideerde versies geen rechten kunnen worden ontleend. Conclusie De zienswijze van indiener geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022.

7.

Zienswijze (EDO kenmerk 6688471)

Onderwerp: Natuurnetwerk Nederland Samenvatting zienswijze: Indieners zijn eigenaren en gebruikers van twee landbouwpercelen (kadastraal bekend als gemeente Lonneker sectie AA nummers 451 en 470. De geldende bestemming van deze percelen is ‘agrarisch’. Indieners vrezen gebruiksbeperkingen doordat de percelen in de Actualisatie 2022 zijn aangewezen als ‘Natuurnetwerk Nederland, voorheen ecologische hoofdstructuur (EHS)’. Die aanduiding heeft negatieve gevolgen voor de totale bedrijfsvoering van de melkveehouderij. Het betekent aan de ene kant een fors vermogensverlies en aan de andere kant verlies aan inkomen uit het melkveehouderij. Indieners vragen om samen met hen de consequenties van de aanwijzing als Natuurnetwerk Nederland te inventariseren, voordat de Actualisatie 2022 wordt vastgesteld. Reactie In deze actualisatieronde brengen we in de omgeving van het agrarisch bedrijf geen wijzigingen aan de begrenzing van het Natuurnetwerk. Op gronden die aangewezen zijn als bestaande natuur, is natuur aanwezig. Die natuur moet op grond van de geldende Omgevingsverordening een passende natuurbestemming krijgen. Binnen het NNN zijn ook gronden aangewezen als nieuwe natuur. Zolang deze gronden nog niet zijn aangekocht en ingericht voor de beoogde natuurwaarden, mag het agrarische gebruik voortgezet worden.

Dit geldt ook voor de zogeheten ‘gele gebieden’ die mogelijk gebruikt gaan worden voor maatregelen ten behoeve van naastgelegen N2000-gebieden. De natuurontwikkeling op basis van het geldende beleid gaat niet ten koste van meer landbouwgrond dan eerder is voorzien. De aanduiding ‘zone Ondernemen met Natuur en Water’ levert ook geen beperkingen op aan het agrarisch gebruik van gronden. Gronden met deze aanduiding liggen vaak in de nabijheid van NNN-gebieden, omdat ze bij de herijking in 2017 uit de Ecologische Hoofdstructuur (nu NNN) zijn gehaald. Deze gronden zijn toen ‘teruggegeven’ aan de landbouw. Alleen als er ontwikkelingen plaatsvinden waarop de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing is, geldt voor deze gronden de bijzonderheid dat de extra investering in ruimtelijke kwaliteit moet worden ingezet voor maatregelen die aanwezige waarden van water en natuur versterken.

15

Deze actualisatieronde heeft dus geen aanvullende beperkingen tot gevolg voor het agrarische bedrijf door de ligging in de nabijheid van natuur. Conclusie De zienswijze van indiener geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022.

8.

Zienswijze (EDO kenmerk 6695415)

Onderwerp: Sturen op water en bodem Samenvatting zienswijze: Indieners wijzen op de verplichtingen die bij de keuzes voor het gebied in en rond Boetelerveld zijn aangegaan door betrokkenen, waaronder Gedeputeerde Staten. Indieners hebben in het kader van de procedure voor het provinciaal inpassingsplan Boetelerveld en ook bij de uitvoering van de werkzaamheden gewezen op de waterhuishouding en allerlei aanverwante zaken in het gebied. Indieners zijn van mening dat met de nieuwe regeling Sturen op water en bodem geen (nieuwe) verplichtingen mogen worden opgelegd die in strijd zijn met de verplichtingen die betrokkenen eerder zijn aangegaan in het gebied in en rond Boetelerveld. Reactie Uit de verwijzing naar de zienswijze die in 2019 is ingebracht op het provinciaal inpassingsplan Natura2000 Boetelerveld maken we op wij dat indieners nog steeds van mening zijn dat in alle plannen die de afgelopen jaren zijn gemaakt voor het gebied nabij het Boetelerveld ten onrechte geen rekening is gehouden met de aanwezigheid van een kweldrukgebied ten zuidoosten van de Eekteweg. Het bedrijf zegt daardoor schade te ondervinden van de maatregelen die getroffen zijn om verdroging van gronden tegen te gaan.

Bij de verplichtingen waarop indieners zich beroepen zou gaat het om uitspraken van vertegenwoordigers van de provincie en het waterschap Groot Salland die gedaan zouden zijn tijdens een zitting bij de Raad van State in het kader van het beroep tegen het Integrale Watervoorzieningsplan Luttenberg fase 2. Dat beroep is echter bij uitspraak van 25 februari 2004 RvS 200304535/1) afgewezen omdat op basis van bodemonderzoek aannemelijk is gemaakt dat er geen sprake is van een afwijkende samenstelling van de bodem. Het PIP Natura2000 Boetelerveld is inmiddels onherroepelijk en in uitvoering. De vrees van indieners dat de nieuwe regeling Sturen op water en bodem nieuwe verplichtingen oplegt die in strijd zijn met de verplichtingen die de provincie en andere betrokkenen zouden zijn aangegaan, is ongegrond. De regeling Sturen op water en bodem vraagt om een motivering bij nieuwe ontwikkelingen waarin wordt uitgelegd hoe deze nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. De regeling is dus nadrukkelijk gekoppeld aan nieuwe ontwikkelingen en legt geen nieuwe verplichtingen op voor de bestaande situatie. Conclusie De zienswijze van indiener geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022.

9.

Zienswijze (EDO kenmerk 6692802)

Onderwerp: algemeen

Samenvatting zienswijze: Indiener heeft een zienswijze ingediend die zich met name richt tegen het Provinciaal Programma Energiestrategie, maar die ook onderdelen bevat die opgevat kunnen worden als een zienswijze op de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022. Ook de onderdelen die gaan over de RES kunnen opgevat worden als zienswijzen op de aanpassingen van de Omgevingsvisie, omdat daarin de afspraken van de RES beleidsmatig geborgd worden. Reactie: In deze Reactienota gaan wij alleen in op die onderdelen van de zienswijze die betrekking hebben op de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022 en OER fase 1. De onderdelen die betrekking hebben op het PPE worden meegenomen in de Reactienota die voor de besluitvorming door Gedeputeerde Staten over dat programma wordt opgesteld. Onderwerp: energiemix Samenvatting zienswijze: Met de inzet van de provincie op een energiemix van 40% zon en 60% wind, wordt volgens indiener de keuzes van de RES-partners overruled. Deze inzet wordt vastgelegd in het provinciaal beleid door aanpassing van de Omgevingsvisie. Reactie: De gemeenten in de RES Twente hebben afgesproken gezamenlijk 1,5 TWh aan elektriciteit op te wekken met behulp van zonne-energie en windenergie in de verhouding 40% - 60%. De RES-partners (met uitzondering van de gemeente Rijssen-Holten) hebben dit bekrachtigd.

De keuzes van de RES-partners worden door de stellingname in de Omgevingsvisie niet overruled. We leggen in de Omgevingsvisie de verhouding wind/zon vast die in RES-verband is afgesproken voor het RES-gebied Twente. Het is in principe mogelijk dat een gemeente lokaal afwijkt van deze verhouding, maar alleen als andere gemeenten in het RES-gebied daarmee akkoord gaan. Deze andere gemeenten zullen immers de afwijking moeten compenseren om te zorgen dat binnen het totale RES-gebied aan de afspraak over de verhouding wind/zon kan worden voldaan. Onderwerp: windenergie Samenvatting zienswijze: Indiener is van mening dat de provincie eenzijdig inzet op de opwek van elektriciteit door wind. Dit is volgens indiener in strijd met de RES-aanpak waarbij lokale overheden een bod doen met een democratisch besloten energiemix. Het overnemen van deze verantwoordelijkheid is strijdig met de vastgestelde RES-strategie en vernietigt de democratische principes die daaronder liggen. Indiener beroept zich op een toezegging van de gedeputeerde tijdens de vergadering van de statencommissie Milieu en Energie dat de verantwoordelijkheid voor het RES-aanbod lokaal blijft liggen. Indiener wijst erop dat de RES geen juridisch instrument is, maar een intentie uitspreekt. Bij een verplichte energiemix van 40% zon en 60% wind, zou de RES een bindend karakter moeten hebben.

Voordat deze doelstelling in de Omgevingsvisie wordt vastgelegd, zou eerst de RES een update moeten krijgen. Indiener wijst erop dat het RES-instrument en het Klimaatakkoord duidelijk aangeven dat de energiemix flexibel ingevuld mag worden. Gemeenten kunnen hierop op lokaal niveau eigen keuzes maken. Het provinciedoel kan het duurzaam opwekken van energie zijn, maar de verantwoordelijkheid hoe dit gedaan wordt, ligt op gemeentelijk en regionaal niveau. De provinciale keuze is volgens indiener niet onderbouwd. In Overijssel is voldoende geschikt dakoppervlak om met alleen zonnepanelen alle huishoudens van elektriciteit te voorzien en 50% van de vraag. Indiener pleit ervoor dat de provincie het RES-gebied gaat aansporen om uitvoering te geven aan de adviezen van het rapport van de rijksbouwmeesters “Via Parijs”. Dit zou het tempo van uitvoering verhogen met behoud van kwaliteit. De provincie zou zich kritischer moeten opstellen bij de RES-plannen en eigen verantwoordelijkheid nemen op grond van een meer gedragen besluitvorming.

17

Reactie: De gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor het aandeel en de mix waarin zij bijdragen aan het gezamenlijke RES-bod van 1,5 TWh. In de RES 1.0 is de verhouding van de opwek van elektriciteit op 60% wind en 40% zon is gesteld. Als een gemeente daarvan wenst af te wijken zal in overleg met de overige partners compensatie gevonden moeten worden om de afspraak te kunnen realiseren. De provincie baseert het aandeel wind dus op de afspraken die in RESverband zijn gemaakt. Op dit moment blijkt dat via gerealiseerde projecten en via de pijplijn de verhouding ligt op dit moment op 10% windenergie en 90 % zonne-energie. Daarom spoort de provincie de partners aan om uitvoering te geven aan de windambitie. De provincie en gemeenten stimuleren in het kader van de RES grootschalige zonne-energie door ondernemers te helpen bij het realiseren van zon-op-dak. Van Rijkswege zijn er subsidies voor zon-op-dak, isolatiemaatregelen en stimulering energiebesparing (zie onder andere https://RVO.nl). Onderwerp: OER fase 1 Samenvatting zienswijze: Indiener bestrijdt de stelling van het Nationaal Programma RES dat de RES 1.0 niet MERplichtig is. De Richtlijn MER geldt al bij de voorbereidingen op grond van het voorzorgsbeginsel. Doordat de provincie zich conformeert aan de RES 1.0, is de provincie volgens indiener ook medeverantwoordelijk voor wet- en regelgeving.

De provincie heeft wel het ontwerp Omgevingseffectrapportage (OER) fase 1 ter inzage gelegd, maar dat kan niet als een plan-MER worden beschouwd. Indiener verlangt dat de provincie hoogste prioriteit geeft aan het uitvoeren van een zorgvuldig, objectief en neutraal milieueffecten onderzoek voor de RES. Het ontbreken van een nieuw Activiteitenbesluit is geen argument om dit onderzoek op te schorten. Reactie Een werkgroep met juristen en beleidsexperts van Rijk, provincies, gemeenten, Nationaal Programma RES, netbeheerders en de Commissie voor de milieueffectrapportage heeft een advies uitgebracht over de vraag of RES 1.0 m.e.r. plichtig is. Kern van het advies is dat voor het tot stand komen van de RES 1.0 een plan-mer niet verplicht is. De RES 1.0 is namelijk (nog) geen ‘programma’ zoals bedoeld in de Europese richtlijn strategische milieubeoordeling. De RES 2.0 is na het in werking treden van de Omgevingswet soms plan-mer plichtig (zie: https://www.regionale-energiestrategie.nl/Nieuws/2200342.aspx?t=Milieueffectrapportagesoms-verplicht-voor-Regionale-Energiestrategie). Inmiddels is besloten om voor de Overijsselse RES-en 2.0 een m.e.r.-procedure te starten. Onderwerp: RES Samenvatting zienswijze: Ook is indiener het niet mee eens dat tijdens het proces van de RES 1.0 de doelstelling van ‘maatschappelijk draagvlak’ is gewijzigd in ‘maatschappelijke acceptatie’.

Dit vindt indiener misleiding en het niet serieus nemen van de Overijsselse samenleving. Er is volstrekt onvoldoende inspanning gedaan door de RES, gemeenten en provincie om maatschappelijk draagvlak te creëren. Reactie Een discussie over de aanpassing van de inzet op ‘draagvlak’ naar de inzet op ‘acceptatie’ is volgens ons semantisch van aard. Het levert dan ook geen ander oordeel op van het proces dat in het kader van de RES wordt doorlopen. Zowel gemeenten, provincie en RES hebben een adequate inspanning geleverd in de communicatie over de doelen en realisatie van de RES door middel van inloopavonden, informatie via websites, webinars, etc.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=91ce2805-6d89-4afa-a26d-13d60fa31c38