Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)_vastgesteld_TOELICHTING
Tekst van het document
In de door de gemeenteraad vastgestelde 'Handreiking gebiedsgericht werken aan milieu gemeente Zwolle' (juli 2007) en in de beleidsregel 'Hogere waarden Wet geluidhinder' (9 februari 2007) worden de ambities en de grenswaarden (dit is de maximale waarde waarvoor nog hogere grenswaarden worden vastgesteld) per gebiedstype genoemd. 3.4.5.2 Beoordeling Voor dit plan is onderzoek gedaan naar wegverkeerslawaai (Akoestisch onderzoek Herontwikkeling Oving te Zwolle, Cauberg Huygen B.V., 13 september 2023, zie bijlage). Hierin is getoetst aan de normen uit de Wet geluidhinder en de gemeentelijke beleidsregel voor hogere waardes. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege de A28 en de Hogenkampsweg voldoet aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder. Als gevolg van de overige wegen wordt de voorkeurswaarde wel overschreden. Alleen bij de Bisschop Willebrandlaan en de Middelweg wordt ook de grenswaarde van het gemeentelijke beleid overschreden. Bij
50/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
geen van de wegen wordt de maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder overschreden. Vanwege de overschrijding van de voorkeurswaarde is woningbouw op basis van de Wet geluidhinder alleen mogelijk als hogere waardes verleend worden. Hiervoor moeten eerst maatregelen overwogen worden die de geluidbelasting kunnen verlagen. Als dit niet mogelijk is kunnen hogere waardes worden verleend, mits de cumulatieve geluidbelasting aanvaardbaar is. Ook gelden, omdat de grenswaarde uit de gemeentelijke beleidsregel wordt overschreden, aanvullende eisen. In het akoestisch onderzoek van Cauberg Huyghen is onderzocht of het mogelijk is om met bron-, overdrachts- en gevelmaatregelen de geluidbelasting bij de nieuwe woningen te verlagen. Dit blijkt niet mogelijk te zijn. Bronmaatregelen Mogelijk bronmaatregelen zijn het verlagen van de maximale snelheid en het toepassen van een stiller wegdektype. Bij de Bisschop Willebrandlaan en Middelweg is een reductie van 11 dB nodig om aan de voorkeurswaarde te voldoen. Uit het Reken- en meetvoorschrift behorende bij de Wet geluidhinder blijkt dat de maximaal te behalen reductie 5 dB is. Daardoor is het toepassen van stiller asfalt voor deze wegen geen doelmatige maatregel. Bij de Van Wevelinkhovenstraat is 4 dB reductie nodig. Met stiller asfalt kan deze reductie behaald worden.
Echter vanwege het afremmend en optrekkend verkeer is het toepassen van stiller asfalt in de nabije gelegenheid van een kruispunt niet wenselijk. Het aanpassen van de maximale snelheid is geen doelmatige maatregel. In de praktijk zal verlaging van de wettelijke snelheid nauwelijks effect hebben, gezien de vaak al lage snelheid bij dit kruispunt. Daarnaast hebben in de ideale situatie 30 km/uur wegen een afwijkende inrichting met bijvoorbeeld snelheidsbeperkende voorzieningen (drempels, wegversmallingen en dergelijke). Maatregelen in de overdracht Het toepassen van geluidschermen is in stedelijke situaties langs dit type wegen niet gewenst vanuit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt. De bebouwing staat hiervoor te dicht op de weg. In een stedelijke situatie is het toepassen van grondwallen om dezelfde reden niet mogelijk.
Maatregelen aan de gevel In de voorwaardelijk voorzieningen in de planregels wordt geregeld dat alle woningen geluidluw kunnen spuien in minimaal één geluidgevoelige ruimte. Hier moet de geluidbelasting voldoen aan de voorkeurswaarde. Als dit niet mogelijk is moet een bouwtechnische oplossing worden toegepast waardoor geluidluw spuien mogelijk is. Hierbij wordt bijvoorbeeld met een (afsluitbare) loggia of een vliesgevel de geluidsbelasting op een te openen deel verlaagd tot maximaal de voorkeurswaarde. Deze maatregelen worden in de aanvraag om een omgevingsvergunning verder uitgewerkt. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het aannemelijk is dat dergelijke maatregelen kunnen worden uitgevoerd Cumulatieve geluidbelasting De cumulatieve geluidbelasting is maximaal 64 dB. In een stedelijke omgeving zijn relatief hoge geluidbelastingen niet te voorkomen. Bij vrijwel alle woningen wordt voldaan aan de grenswaarde uit het gemeentelijke beleid. Door aanvullende regels te stellen over geluidluw spuien en rustige buitenruimtes wordt ondanks de geluidbelasting toch een goed woon- en leefklimaat gecreëerd. Hierdoor wordt de cumulatieve geluidbelasting als aanvaardbaar beoordeeld.
Er is een hogere grenswaarden-besluit genomen (besluit hogere waarde Wet geluidhinder bestemmingsplan Diezerpoort Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad), 18 januari 2024, kenmerk ZWRP-2024-01-18-BP23011).
51/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
3.4.5.3 Conclusie Het plan is niet in strijd met de kaders over geluid. 3.4.5.4 Uitgangspunten planregel Het opnemen van een voorwaardelijke verplichting, op grond waarvan de woningen gebouwd mogen worden onder de voorwaarde dat: De woningen geluidluw spuien in minimaal één geluidgevoelige ruimte. Doel hiervan is te borgen dat per woning bij minimaal één geluidgevoelige ruimte het spuien mogelijk is zonder dat nadelige effecten door de geluidsbelasting optreden. Als ter plekke de voorkeurswaarde niet wordt overschreden zal dit zonder extra bouwkundige maatregelen mogelijk zijn. Bij bijvoorbeeld éénzijdig georienteerde woningen waar de voorkeurswaarde wel wordt overschreden zullen bouwkundige maatregelen nodig zijn om geluidluw te kunnen spuien. Bij woningen met buitenruimte(n), waar de voorkeurswaarde wordt overschreden, minimaal één buitenruimte aan de minst geluidbelaste gevel van de woning ligt. Doel is bij woningen met meer dan één gevel te borgen dat, als een buitenruimte wordt gerealiseerd, deze aan de minst geluidbelaste gevel van de woning wordt geplaatst. 3.4.6
Luchtkwaliteit
3.4.6.1 Kaders Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. Op basis van artikel 5.16 Wm kan, samengevat, een bestemmingsplan worden vastgesteld, indien aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen. Ruimtelijk-economische besluiten die 'niet in betekenende mate' bijdragen worden niet individueel getoetst aan die grenswaarden. De effecten van deze projecten op de luchtkwaliteit worden verdisconteerd in de trendmatige ontwikkeling van de luchtkwaliteit, zoals beschreven in het Nationaal Samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL).
Zwolle wil aldus de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen, binnen de beïnvloedingssfeer van de gemeente, een significante bijdrage leveren aan de verbetering van de luchtkwaliteit. 3.4.6.2 Beoordeling Dit bestemmingsplan voorziet in maximaal 95 appartementen. Woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen dragen niet in betekende mate bij aan de lokale luchtkwaliteit. Het plan voldoet hieraan. Ook uit de heersende concentraties luchtverontreinigende stoffen NO2, PM10 en PM2,5, ontleend aan NSL-monitoringstool blijkt dat de grenswaarden van respectievelijke 40 ìg/m3, 40 ìg/m3 en 25 ìg/m3 ruimschoots worden gerespecteerd. 3.4.6.3 Conclusie Het plan is niet in strijd met de kaders over luchtkwaliteit. 3.4.6.4 Uitgangspunten planregel Er zijn geen specifieke planregels nodig.
52/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
3.4.7
Geur
3.4.7.1 Kaders In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht nodig in de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor het aspect geur. Enerzijds kunnen als gevolg van nieuwe ontwikkelingen nieuwe geurbronnen worden toegevoegd en anderzijds kunnen door de ontwikkelingen nieuwe geurgevoelige objecten worden toegevoegd die kunnen worden belast door bestaande of nieuwe geurbronnen. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het kader voor geurhinder vanuit veehouderijen. Deze wet heeft als doel om geurhinder van veehouderijen bij geurgevoelige objecten (zoals woningen) te voorkomen. Voor de realisatie van nieuwe geurgevoelige objecten nabij veehouderijen moet aan twee voorwaarden worden voldaan: garanderen van een goed woon- en leefklimaat voor de nieuwe geurgevoelige objecten, bestaande veehouderijen worden niet onevenredig in hun belangen geschaad. De Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen geeft aan dat het thema geur met name in het landelijk gebied speelt en een aandachtspunt is bij de verdere functiemenging van dit gebied en de verweving tussen stad en land. We zoeken naar de juiste balans tussen bedrijven met geurhinder en bescherming van geurgevoelige functies anderzijds. 3.4.7.2 Beoordeling Het onderdeel geur is niet relevant bij dit plan. Er bevinden zich geen agrarische bedrijven of geur-veroorzakende inrichtingen in de nabijheid van het plangebied.
3.4.7.3 Conclusie Het plan is niet in strijd met de kaders over geur. 3.4.7.4 Uitgangspunten planregel Er zijn geen specifieke planregels nodig. 3.4.8
Externe veiligheid
3.4.8.1 Kaders Externe veiligheid gaat over de gevaren die mensen in de directe omgeving lopen als gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door leidingen. Vanuit het externe veiligheidsbeleid worden veiligheidsnormen gesteld voor risicovolle bedrijven, transportroutes en buisleidingen ten opzichte van (1) kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen en scholen) en (2) beperkt kwetsbare objecten (bijvoorbeeld winkels of bedrijfsgebouwen). Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor bedrijvigheid staat dit in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat dit in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor buisleidingen staat dit in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
53/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde (inspanningsverplichting). Indien de oriënterende waarde voor het GR wordt overschreden, legt dit in het algemeen ook ruimtelijke beperkingen op aan een gebied buiten de 10-6-contour (PR).
In de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen van de gemeente worden de doelstellingen ten aanzien van externe veiligheid verwoord. De gemeente streeft ernaar voor haar gehele grondgebied te voldoen aan de basisveiligheid. Dit betekent: Er wordt altijd voldaan aan normen voor plaatsgebonden risico; Er wordt een gebiedsgerichte invulling gegeven aan groepsrisicobeleid welke wordt opgenomen in het omgevingsplan; Veiligheidsdoelstellingen passen bij de typering van het gebied; Er wordt zoveel mogelijk geanticipeerd op de landelijke beleidsontwikkeling die een ongunstige invloed kunnen hebben op de veiligheidssituatie in Zwolle. Het doel is het bewaken van een optimaal veiligheidsniveau. Op 20 januari 2009 heeft het college van B & W het gebiedsgericht beleidskader externe veiligheid vastgesteld. Het gaat om een ruimtelijke uitwerking van het externe veiligheidsbeleid dat aansluit op het gebiedsgerichte milieubeleid. Op basis van kenmerken (fysieke omgeving, hulpverleningsniveau en zelfredzaamheid) die bij een bepaald gebiedstype horen is een beleidsstandpunt bepaald ten aanzien van een mogelijke toename van het groepsrisico. Tevens is op basis van dezelfde kenmerken van een gebiedstype bepaald of er plaats is voor nieuwe risicobronnen. 3.4.8.2 Beoordeling Het plan is getoetst aan de risicokaart en de EV signaleringskaart
54/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
Het plan ligt niet binnen risico afstanden plaatsgebonden risico of invloedgebied risicobedrijven, transportroutes gevaarlijke stoffen of buisleidingen. Het woonplan ligt buiten de wettelijk afstand van 20 meter tot afleverzuilen van een tankstation. 3.4.8.3 Conclusie Het plan is niet in strijd met de kaders over externe veiligheid. 3.4.8.4 Uitgangspunten planregel Er zijn geen specifieke planregels nodig. 3.4.9
Infrastructuur
3.4.9.1 Kaders Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. 3.4.9.2 Beoordeling Binnen of nabij het plangebied bevindt zich geen ruimtelijk relevante infrastructuur welke (mogelijk) beperkingen geven voor de woningbouw. 3.4.9.3 Conclusie Het plan is niet in strijd met de kaders over infrastructuur. Voorafgaande aan de uitvoering is een KLIC-melding door de ontwikkelaar noodzakelijk. 3.4.9.4 Uitgangspunten planregel Er zijn geen specifieke planregels nodig. 3.4.10 Mer-beoordeling 3.4.10.1
Kaders
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Er kan op drie manieren met een milieueffectrapportage in aanraking worden gekomen: 1. Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan): Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. 2. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3): Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). 3. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4): Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
55/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
3.4.10.2
Beoordeling
Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Dan dient te worden getoetst of sprake is van een m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. worden niet overschreden, zodat op basis daarvan geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieueffectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaat uit een toets aan Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. In hoofdlijnen dient het project te worden getoetst aan: Kenmerken van het project; Plaats van het project; Kenmerken van het potentiële effect. Het voorliggende bestemmingsplan geeft een directe bouwtitel. Daardoor is het een project (kolom 4) in de zin van het besluit m.e.r. Op 10 oktober 2023 heeft de ontwikkelende partij de notitie 'Vormvrije M.E.R.-Beoordeling Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 Nieuwstad' aangeboden. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden als gevolg van de realisatie van de 95 woningen met bijbehorende voorzieningen binnen het plangebied. Op basis daarvan heeft het college op 31 oktober 2023 besloten dat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. De aanmeldnotitie en het mer-beoordelingsbesluit zijn als bijlage opgenomen in deze toelichting. 3.4.10.3
Conclusie
Het plan is niet in strijd met de kaders over de mer-beoordeling.
3.5
Natuur
3.5.1
Natuur inclusief en biodiversiteit
3.5.1.1 Kaders Omgevingsvisie Eén van de geformuleerde topambities is het behouden en beschermen van de aanwezige cultuurhistorie, biodiversiteit en landschap als belangrijke fysieke waarden. Biodiversiteit maakt deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle. Biodiversiteit heeft raakvlakken met diverse thema's uit de gebiedsvisie. Zo draagt het
56/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
behouden en versterken van biodiversiteit bij aan vitale, solidaire, gezonde en duurzame stadsdelen en een goed ontwikkelde groen- en waterstructuur. 3.5.1.2 Beoordeling Natuurinclusief ontwikkelen is dat bij het ontwerp, de aanleg en het beheer van de bebouwde en onbebouwde ruimte aandacht gegeven wordt aan het creëren van gunstige voorwaarden voor flora en fauna. Er is dan ook bij dit plan niet alleen naar de bebouwing gekeken, maar ook naar de (privé)buitenruimtes en de overgangen daarvan naar het landschap, de gezamenlijke tuin en de straat. Het ontwerp brengt gezondheid voor mens en dier de wijk in. De focus ligt op dracht- en waardplanten. Een drachtplant levert via nectar en pollen voedsel aan insecten, voornamelijk aan vlinders en bijen. Waardplanten bieden voedsel en nestgelegenheid aan insecten en rupsen. De flora is goed voor de fauna en trekt deze aan. Dankzij de aanwezigheid van stuifmeel en insecten, hebben ook vogels en vleermuizen hier wat te zoeken. Deze worden extra mogelijkheden geboden door in, op en aan gebouwen en de buitenruimte woon,- broed -en verblijfsplekken te creëren. Flora en fauna zijn complementair aan elkaar. Goede combinaties versterken het resultaat van natuurinclusiviteit. Zo profiteert de natuur mee van de ontwikkeling middels een grote biodiversiteit, soortenrijkdom en landschapswaarde, waar op zijn beurt ook de mens optimaal van profiteert
Flora Aandacht voor flora is er in de vorm van een grote diversiteit aan planten in de volle grond. Door op een natuurlijke wijze het landschap te plooien wordt aangesloten op structuren uit de omgeving, maar worden tevens nuanceverschillen gecreëerd tussen lage, natte vegetatie en hoge, droge vegetatie.
57/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
Door in het park diverse lagen te combineren (hoge en lage bomen, heesters, grassen, vaste planten, klimmers en kruidlaag) wordt een zo groot mogelijke diversiteit verkregen en veel beleving in de vorm van horen, zien, proeven, ruiken en voelen. Onder een bladerdak van transparante naald- en loofbomen groeien ook appels en noten. Klim- en slingerplanten vinden hun weg langs de boomstammen omhoog. In de tussenlaag is een veelheid aan diverse struiken te vinden op een ondergrond van bloemrijk en kruidenrijk gras. De soorten in de verschillende lagen worden zo geplant dat ze elkaar ondersteunen en aanvullen. Door de diversiteit vindt elk gewas zijn ideale groeiplaats, waar het bovendien optimaal bijdraagt aan het geheel. Zo trekken kruiden onder een fruitboom bijvoorbeeld bijen en andere bestuivende insecten aan als ze bloeien. Hun geur brengt fruitvliegjes in de war zodat ze het rijpe fruit niet aanvreten. En door een fruitboom aan de zuidzijde van een grote boom te planten staat hij zowel zonnig als beschermd tegen nachtvorst.
Fauna Insecten (sleedoornpage) De insecten profiteren vooral van de diverse kruidenrijke, bloemrijke en besdragende beplanting. Op het daklandschap zijn zowel bruine als groene daken te vinden, wat ze geschikt maakt voor wilde bijen en vlinders zoals de kleine vos, het zwartsprietdikkopje en de citroenvlinder. Daarnaast wordt in het park gezorgd voor zand, water en voldoende dood hout. Grondgebonden zoogdieren (egels) Egels blijven vrijwel nooit op een plek, een schutting of een hek is daardoor een ondoordringbare barrière. In plaats daarvan worden hier alleen hagen en heesters voorzien. Daarnaast is er foerageerplek, paarplek, kraamplek, nestelplek én overwinteringsplek. Ook muizen houden van de ruige hoekjes en rustige nestplaatsen, zoals een stapel hout of hoop bladeren. Vleermuizen Aansluitend bij de vliegroutes en het fourageergebied van de vleermuizen, lenen de gevels op het zuiden en westen zich goed voor de huisvesting van onder andere de gewone en de ruige dwergvleermuis. Zowel kraam- als verblijfskasten worden hier geplaatst. Daarnaast bieden grote bomen ook kansen voor de rosse vleermuis en de laatvlieger. Zangvogels Voor zangvogels wordt een grote diversiteit aan planten in de binnentuin voorzien zoals grote en kleine bomen, heesters, heggen, klimplanten en kruiden. Aan de grote bomen worden nestkastjes toegevoegd.
Op de vloer is op een aantal plaatsen zand en water voorzien. Zo is er voor deze grote groep voldoende plek om te nestelen, te schuilen en te fourageren. Gierzwaluw (en huismus) Daar waar de gevel georiënteerd is op het noorden of oosten, worden nestkasten geplaatst voor de gierzwaluw en de huismus. Omdat de gierzwaluw eerst een vrije val maakt na het verlaten van het nest, komen de inbouwkasten op plekken waar geen obstakels in de buurt zijn. De nestkasten voor de huismus worden juist in de buurt van groen geplaatst waar de mus ook leeft. Amfibieën Amfibieën bevinden zich op het grensgebied van water en land. Omdat ze koudbloedig zijn warmen ze op in de zon en koelen ze af in het water. Tevens hebben ze het water nodig om niet uit te drogen. In het plangebied is een combinatie van water, natte kruidenrijke vegetatie en schuilmogelijkheden voorzien in de
58/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
vorm van heggen, zand en takkenrillen. 3.5.1.3 Conclusie Het plan is niet in strijd met de bovengenoemde kaders voor natuur inclusief en biodiversiteit. 3.5.1.4 Uitgangspunten planregel De planregels laten de beoogde maatregelen toe. 3.5.2
Natuurwaarden en ecologie
3.5.2.1 Kaders Rijksbeleid De Wet natuurbescherming geeft regels ter bescherming van gebieden en soorten.
Gebiedsbescherming Nederland heeft met de aanwijzing van Natura2000 gebieden de gebiedsbescherming van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zorgt aan de hand van een vergunningenstelsel voor een zorgvuldige afweging rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000 gebieden. De provincie is hiervoor het bevoegd gezag. Ook projecten buiten de aangewezen gebieden kunnen van invloed zijn op de instandhoudingsdoelstellingen hiervan (externe werking). Om te bekijken of er sprake is van negatieve externe werking is natuuronderzoek gebiedsbescherming nodig. Het Nationaal Natuur Netwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Deze bescherming kent geen "externe werking" zoals wel het geval is bij de Natura2000 gebieden. Met een natuurtoets moeten de effecten op beschermde gebieden worden onderzocht (Natura 2000 en NNN). Alle potentieel verstorende (externe) effecten moeten hierbij betrokken worden.
Als onderdeel hiervan dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd om de (mogelijke) depositie van stikstof op Natura 2000 gebieden te bepalen
Soortbescherming De Wet natuurbescherming is eveneens op de soortbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van overtreding van de verbodsbepalingen in het kader van de soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming. Bij overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van beschermde soorten door een andere ruimtelijke inrichting moet er een goedgekeurde gedragscode van toepassing zijn, of een ontheffing of een vrijstelling worden gevraagd. Om te bekijken of hiervan sprake is moet er onderzoek worden gedaan naar de eventueel in het plangebied voorkomende beschermde soorten.
Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie De in Zwolle aanwezige natuurwaarden maken deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle, zoals
59/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
beschreven in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen. Eén van de geformuleerde topambities is het behouden en beschermen van natuur, biodiversiteit en landschap als belangrijke fysieke waarde. Belangrijk is dat de waarden van het fysiek kapitaal op een zorgvuldige wijze wordt meegewogen bij ingrepen in de fysieke leegomgeving. Daarvoor zijn spelregels vastgelegd. Vanuit natuurwaarden zijn dat: de Natura 2000-gebieden in Zwolle zijn beschermd via Europese wetgeving en is voor de gemeente leidend bij ingrepen in de fysieke leefomgeving; de NNN-gebieden zijn beschermd via provinciale regelgeving, namelijk via de provinciale Omgevingsverordening en is voor de gemeente leidend bij ingrepen in de fysieke leefomgeving; Bomenverordening De Bomenverordening 2021 geeft regels over de bescherming en het vellen van bomen. Voor het vellen van een boom binnen de op de Groene Kaart weergegeven hoofdgroenstructuur is in aangegeven gevallen een (kap)omgevingsvergunning nodig. Ook het verplanten van bomen in de hoofdgroenstructuur is vergunningplichtig. De omgevingsvergunning voor het vellen van beschermde houtopstand wordt geweigerd indien de belangen van het vellen van de houtopstand niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand.
Bijzondere houtopstand heeft de hoogste waardering, bomen in de hoofdgroenstructuur hebben een hoge waardering, nevengroenstructuur kent een basiswaardering. Het beschermen van de natuur, het beschermen van de gezondheid en het tegengaan van klimaatverandering, het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden, de beeldbepalende waarde van houtopstand, de cultuurhistorische waarde van houtopstand en het houden van een kwalitatief goed bomenbestand wordt bij de afweging betrokken. Bij de vergunning wordt in beginsel een verplantingsplicht, een herbeplantingsplicht en/of een financiële compensatie opgelegd.Bij het aanvragen van een kap- of omgevingsvergunning voor het verwijderen van bomen dient een compensatievoorstel te worden aangeleverd. 3.5.2.2 Beoordeling Het plangebied is met de Quickscan Ecologie Bisschop Willebrandlaan 66 te Zwolle (Mateboer, 27 september 2021) en met het Aanvullend ecologisch onderzoek Bisschop Willebrandlaan 66 te Zwolle (Mateboer, 7 november 2022) onderzocht. Verder is een Aerius berekening en rapportage opgesteld (AERIUS-Berekening Bisschop Willebrandlaan 66, Zwolle, BJZ.NU, 8 november 2023). De onderzoeken zijn als bijlage opgenomen. Voornaamste uitkomsten zijn: Gebiedsbescherming De Natura 2000-gebieden ‘Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht’ en ‘Rijntakken’, zijn de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden.
Beide gebieden liggen op grote afstand (> 4 kilometer) van het plangebied. Gezien het feit dat deze gebieden op grote afstand van het plangebied liggen, zijn, als gevolg van de beoogde plannen, geen (significant) negatieve effecten op de kenmerken en waarden van de Natura 2000 gebieden te verwachten. Een vervolgonderzoek in het kader van Natura 2000-gebieden is niet nodig in voorliggende situatie. Het plangebied ligt op grote afstand (> 4 kilometer) van een gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. Aangezien geen werkzaamheden worden uitgevoerd in het NNN, zijn, als gevolg van de beoogde plannen, geen (significant) negatieve effecten op de kenmerken en waarden van het NNN te verwachten. Een vervolgonderzoek ten aanzien van het NNN is niet nodig. Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard van de werkzaamheden zijn effecten als gevolg van stikstof op voorhand niet uit te sluiten. Om die reden is de stikstofdepositie van de gebruiksfase en bouw-/aanlegfase middels een stikstofberekening in beeld gebracht.Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten waargenomen in het plangebied.
60/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
De aanwezige bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor de ruige en gewone dwergvleermuis. Om zekerheid te krijgen of verblijfplaatsen van vleermuizen al dan niet aanwezig zijn, is nader onderzoek uitgevoerd. Op basis van het nadere onderzoek is gebleken dat binnen het plangebied geen kraamkoloniën, zomerverblijven, paarverblijven en zwermplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. In het plangebied zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van (verblijfplaatsen van) de eekhoorn, haas, konijn en steenmarter. Het is daarnaast onwaarschijnlijk dat het plangebied deel uitmaakt van een verblijfplaats van de eekhoorn en steenmarter. Voor beide soorten is voldoende geschikt leefgebied aanwezig op de nabijgelegen begraafplaats, waar veel vegetatie als struiken en bomen aanwezig is. Voor deze soorten is het nemen van vervolgstappen niet nodig. De groenzone tussen locatie Nieuwstad en de parkeerplaats van de begraafplaats, is geschikt als verblijfplaats en/of essentieel leefgebied van de beschermde egel. Binnen het plangebied is de egel twee keer en de steenmarter een keer waargenomen. Op de functionele leefgebiedenkaart is te zien dat in de directe omgeving van het plangebied ruim voldoende groenstructuren aanwezig zijn, die dienst kunnen doen als nest- en rustplaatsen, dekking- en schuilplaatsen en verbindingsroutes.
De functies die de te verwijderen groenstrook kan bieden, kunnen hierdoor als niet essentieel worden beschouwd. De herontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de vleermuis en egel in de omgeving van het plangebied. Verdere vervolgstappen zijn niet noodzakelijk. In de te behouden bomen in het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen jaarrond beschermde broedvogelnesten aangetroffen. Tevens is de bebouwing niet geschikt als locatie voor jaarrond beschermde nesten. Het plangebied is in de huidige situatie (autobedrijf) hooguit marginaal geschikt als foerageergebied voor enkele jaarrond beschermde soorten. Dit foerageergebied blijft beschikbaar en wordt op termijn geschikter voor broedvogels. Voor broedvogels met jaarrond beschermen is het niet nodig vervolgstappen te nemen. Wel zijn gedurende de broedtijd enkele algemene vogelsoorten (mezen, vinken, lijsters en houtduif) broedend te verwachten binnen het plangebied en binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden.
Bomen Eén van de uitgangspunten voor de herontwikkeling van dit plangebied is, dat zoveel mogelijk waardevolle bomen bespaard moeten blijven en zoveel mogelijk groen moet worden toegevoegd. Stedenbouwkundig is er onderzocht hoe zowel het situeren van de gewenste bebouwing, als respectvol om gaan met de groenstructuur - bomen - samen kan gaan op deze locatie. Met input uit het participatieproces, is gekomen tot een uiteindelijke oriëntering en plaatsing van de gebouwen. Deze opzet heeft gevolgen voor twee lindebomen. In 2021 is er onderzoek gedaan naar de vitaliteit van de verschillende bomen in het gebied (Inventarisatie bomenbestand in verband met Sloop /nieuwbouw plannen Oving-locatie Zwolle, Laanboomadvies, 10 november 2021, zie bijlage). Uit dit onderzoek blijkt dat de twee lindebomen goed verplantbaar zijn en ook het behouden waard gezien de omvang en betekenis in de hoofdgroenstructuur. Om verplaatsing mogelijk te maken is in april 2022 gestart met de voorbereiding zodat het mogelijk wordt om de bomen in goede conditie naar een nieuwe plek binnen het plangebied te verplaatsen. Van de overige bomen is de conditie of toekomstverwachting minder goed. Mede daarom is het voornemen om deze te kappen en te compenseren door grotere inheemse bomen. Zodoende wordt de kwaliteit van de hoofdgroenstructuur aanzienlijk vergroot.
Mede op basis van het Ruimtelijk ontwikkelingsplan is het aannemelijk dat er voldoende ruimte in het plan is voor compensatie van de eventueel te kappen bomen. Zowel de te verplanten bomen als de bomen die eventueel gekapt worden, zijn eigendom van de gemeente Zwolle. Het voornemen om ze te kappen en of te verplanten in het kader van dit project is vergunningplichtig. In het nog op te stellen inrichtingsplan zal expliciet gemaakt moeten worden hoe de compensatie wordt gerealiseerd en waar in het plangebied de lindebomen hun definitieve groeiplaats krijgen.
61/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
3.5.2.3 Conclusie Het voorliggende plan heeft geen negatieve gevolgen voor Natura 2000 en het NNN, is in overeenstemming met de soortenbescherming Wet natuurbescherming en is niet in strijd met de gemeentelijke kaders. 3.5.2.4 Uitgangspunten planregel De planregels maken het mogelijk dat (eventueel) te treffen maatregelen uitgevoerd kunnen worden.
62/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
Hoofdstuk 4 4.1
Juridische aspecten
Inleiding
Dit bestemmingsplan is gemaakt conform het 'Handboek bestemmingsplannen Zwolle' versie 21. Dit handboek is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De regels zijn binnen de systematiek van de SVBP2012 aangepast aan de Zwolse situatie en uitgebreid met extra standaardbestemmingen, waaraan in Zwolle behoefte is. De regels van Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad) zijn voor zover nodig op hun beurt weer aangepast aan specifieke situaties in het plangebied van het bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad).
De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1 Inleidende regels: De inleidende regels zijn van algemene aard en bestaan uit de volgende regels: Artikel 1 Begrippen; Artikel 2 Wijze van meten.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels: Toelichting op de regels voor de enkelbestemmingen: Het gehele plangebied is onderverdeeld in enkelbestemmingen. Dit in tegenstelling tot een bestemming die andere bestemmingen als dubbelbestemming overlapt. De dubbelbestemmingen behoeven niet in het gehele plangebied voor te komen. Een enkelbestemming kan in het plangebied op één plaats, maar ook op meerdere plaatsen voorkomen. De bij deze bestemmingen behorende regels zijn per bestemming in een apart artikel ondergebracht. Alle regels die op een bepaalde bestemming van toepassing zijn, worden zoveel mogelijk in de bestemmingsregels zelf geregeld. Op deze wijze wordt bij de digitale versie van het plan bij het aanklikken op adres of bestemmingsvlak zo veel mogelijk informatie gegeven zonder dat er verder doorgeklikt behoeft te worden. De opbouw van een bestemmingsregel is als volgt: 1. Bestemmingsomschrijving; 2. Bouwregels; 3. Nadere eisen; 4. Afwijken van de bouwregels; 5. Specifieke gebruiksregels; 6. Afwijken van de gebruiksregels; 7. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Per bestemmingsonderdeel wordt hierna een korte toelichting wordt gegeven. 1. Bestemmingsomschrijving:
63/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
In de bestemmingsomschrijving wordt een nadere omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie wordt als eerste genoemd. Indien van toepassing, worden ook aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. De ondergeschiktheid wordt aangegeven door de zin 'met daaraan ondergeschikt'. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie in de bestemming. De bestemmingsomschrijving is niet alleen functioneel maar bevat ook inrichtingsaspecten. 2. Bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Bij woningen wordt een onderscheid gemaakt tussen 'hoofdgebouwen', 'bijbehorende bouwwerken' en 'overige bouwwerken'. Een 'bijbehorend bouwwerk' is een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak'. Deze definitie is gelijk aan de definitie in het Besluit omgevingsrecht (Bor). Voor de andere functies geldt dat er meestal geen sprake is van 'bijbehorende bouwwerken'. Bij deze functies wordt dan alleen gebruik gemaakt van de begrippen 'gebouwen' en 'overige bouwwerken'. De maatvoering waaraan een (hoofd)gebouw, bijbehorend bouwwerk c.q. bouwwerk, geen gebouw zijnde, dient te voldoen wordt in deze regel opgenomen.
De maximum goothoogte en maximum bouwhoogte worden in meters weergegeven. 3. Nadere eisen: Op grond van artikel 3.6, eerste lid onder d, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan in het bestemmingsplan worden bepaald dat door burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen worden gesteld. Het betreft hier nadere eisen ten behoeve van bepaalde doorgaans kwalitatief omschreven criteria, zoals stedenbouwkundig beeld, woonsituatie, en verkeersveiligheid. De nadere eisenregeling biedt de mogelijkheid om in concrete situaties in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning sturend op te treden door het stellen van nadere eisen. De criteria zijn in de bepaling van nadere eisen zelf opgenomen. De procedure voor het stellen van nadere eisen is in deze bestemmingsregels omschreven in Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 9 Algemene procedureregels. 4. Afwijken van de bouwregels: Op grond van artikel 3.6, eerste lid onder c, van de Wro kan in het bestemmingsplan worden bepaald dat bij een omgevingsvergunning van het bestemmingsplan kan worden afgeweken. In deze bepaling wordt een opsomming gegeven van de bouwregels waarvan kan worden afgeweken. Een afwijkingsmogelijkheid van de bouwregels wordt alleen opgenomen, indien dit noodzakelijk wordt geacht in verband met het gewenste beleid en het een afwijking of verduidelijking betreft van de algemene afwijkingsregels.
De criteria zijn in de afwijkingsregel zelf opgenomen. De procedure voor het afwijken van de bouwregels is omschreven in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). 5. Specifieke gebruiksregels: In artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wabo wordt aangegeven dat het verboden is zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. Ter verduidelijking worden in een aantal bestemmingen in de specifieke gebruiksregels specifieke vormen van gebruik met name uitgesloten. Dit zijn gebruiksvormen, waarvan het op voorhand gewenst is aan te geven dat deze in ieder geval niet zijn toegestaan. 6. Afwijken van de gebruiksregels: Bij specifieke gebruiksregels wordt in een aantal bestemmingen een daarop gerichte afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Bij zo'n specifieke afwijkingsbevoegdheid zijn ook hier de criteria opgenomen. Ook deze afwijkingsbevoegdheid is gebaseerd op artikel 3.6, eerste lid onder c, van de Wro De procedure voor het afwijken van de gebruiksregels is omschreven in de Wabo. 7. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van
64/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
werkzaamheden: Door het opnemen van de eis voor een omgevingsvergunning overeenkomstig artikel 2.1, eerste lid onder b, van de Wabo, kunnen specifieke inrichtingsactiviteiten aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Het betreft het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden. Het bouwen wordt niet aangemerkt als zo'n inrichtingsactiviteit. De eis voor een dergelijke omgevingsvergunning wordt opgenomen om extra bescherming aan een specifieke waarde van de bestemming te bieden, zoals de landschappelijke of cultuurhistorische waarde. De eis voor deze omgevingsvergunning wordt met de criteria voor vergunningverlening in de bestemmingsregel opgenomen. Dit betekent dat in die gevallen dat er gebouwd wordt, er niet ook nog een vergunning nodig is voor het uitvoeren van een werk, tenzij de (bouw)aanvraag ook ziet op het uitvoeren van werken (bijvoorbeeld het inrichten van een terrein met parkeerplaatsen).
Toelichting op de regels voor dubbelbestemmingen: Een dubbelbestemming wordt opgenomen in een bestemmingsplan wanneer er sprake is van twee functies die onafhankelijk van elkaar op dezelfde plaats voorkomen. Het opnemen van een dubbelbestemming zorgt met het oog op een specifiek belang voor bescherming van het betreffende gebied. Deze bestemmingen liggen als het ware over de reguliere (enkel)bestemmingen heen. De bestemmingsomschrijving van de dubbelbestemming geeft aan dat de gronden, naast de andere aan die gronden gegeven (enkel)bestemmingen, mede voor deze dubbelbestemming zijn bestemd. De opbouw van een dubbelbestemmingregel is dezelfde als die van een (enkel)bestemmingsregel, maar alleen die regels worden ter aanvulling opgenomen die noodzakelijk zijn. De regels in de dubbelbestemming geven de verhouding van de enkelbestemming ten opzicht van de dubbelbestemming aan.
Hoofdstuk 3 Algemene regels: In de algemene regels zijn de volgende regels in onderstaande volgorde opgenomen: Artikel 7 Anti-dubbeltelregel; Artikel 8 Algemene afwijkingsregels; Artikel 9 Algemene procedureregels. Artikel 10 Overige regels
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels: In dit laatste hoofdstuk komen de overgangsregels en de slotbepaling aan de orde.
4.2
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen Hierin worden de in de regels gebruikte begrippen gedefinieerd. Ze zijn alfabetisch gerangschikt met uitzondering van de begrippen plan en bestemmingplan die als eerste zijn genoemd. Het doel van deze regels is om misverstanden of verschillen in interpretatie te voorkomen. Dit als aanvulling op de gevallen waarbij het woordenboek van Van Dale geen uitsluitsel geeft. Artikel 2 Wijze van meten Dit is de handleiding voor de manier van meten van diverse in het plan bepaalde maten.
65/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
De maximale bouwhoogte van bouwwerken wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen. Artikel 1.77 geeft een standaard-definitie voor het peil. Het plan voorziet in de nieuwbouw van een complex van twee woontorens met parkeergarage. Bij dit complex geldt sub b van artikel 1.77 als peil. De beide hoofdtoegangen bevinden zich aan de binnenzijde, ter plekke van de collectieve tuin bovenop de parkeergarage. Het peil ligt op de hoogte van het terrein ter hoogte van deze hoofdtoegangen bij voltooiing van de bouw. De maximale bouwhoogte en bouwdiepte van de parkeergarage, zowel binnen de bestemming Wonen-Meergezinshuis als de bestemming Groen, wordt eveneens gemeten vanaf dat peil.
Peil (rood) bij complex
4.3
Bestemmingsregels
Hierna wordt - voor zover nog nodig - een toelichting op een aantal artikelen van de bestemmingsregels gegeven: Artikel 3 Groen Het structuurgroen en het buurtgroen is bestemd tot 'Groen'. Het plan Nieuwstad voorziet in wonen in het groen. Omdat de daktuin tussen de twee woongebouwen functioneel vrijwel volledig deel uitmaakt van het omliggende groengebied wordt het als geheel bestemd als Groen. In de bestemming Groen zijn paden voor langzaam verkeer toegestaan. Bermen en groenstroken langs wegen, die geen structuur- of buurtgroen zijn, zijn opgenomen in de verkeersbestemmingen. De bestemming Groen laat overal trapveldjes en speelvoorzieningen toe. Ook mogen binnen deze bestemming gebouwtjes voor openbare nutsvoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen tot 50 m² en met een goothoogte tot 3 meter en een nokhoogte tot 6 meter worden gebouwd. Binnen de bestemming zijn wadi's toegestaan. Binnen de bestemming zijn twee aanduidingen opgenomen. De aanduiding 'verkeer' regelt dat ter plekke de beoogde ontsluitingsweg van de parkeergarage aangelegd en gebruikt kan worden. De breedte van deze weg mag niet meer dan 6 meter bedragen. De beoogde parkeergarage is gesitueerd binnen de bestemmingen Groen en Wonen-Meergezinshuis. De aanduiding 'parkeergarage' regelt dat ter plekke een parkeergarage gebouwd en gebruikt kan worden.
Artikel 4 Verkeer - Erftoegangsweg Deze bestemming is opgenomen voor het verkeers- en verblijfsgebied met een erftoegangsfunctie. Het betreft bij voorliggend plan het parkeerterrein nabij de begraafplaats. Binnen deze bestemming zijn onder andere erftoegangswegen, voetpaden, fietspaden en fiets/bromfietspaden, parkeervoorzieningen en 66/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
groenvoorzieningen toegestaan. Een parkeerterrein binnen deze bestemming mag gebruikt worden door bezoekers van de begraafplaats en bezoekers van de te realiseren woningen.
Artikel 5 Wonen - Meergezinshuis Deze bestemming is bedoeld voor meergezinshuizen. Dit zijn flats en andere gebouwen met meerdere naast en/of boven elkaar gelegen woningen, welke in tegenstelling tot het eengezinshuis qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kunnen worden. De definitie van meergezinshuis is opgenomen in de begrippen. De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor meergezinshuizen in combinatie met ruimte voor beroep aan huis. Bijbehorende voorzieningen, zoals bijvoorbeeld bergingen, entrees, gemeenschappelijke ruimten en parkeerruimtes die behoren bij de woningen zijn eveneens toegestaan. Het totaal aantal toegestane woningen is begrensd op 95. Het plan voorziet in twee appartementengebouwen. Voor beide is een eigen bouwvlak opgenomen, waarbinnen een hoofdgebouw is toegestaan. Met een aanduiding op de plankaart zijn de maximale bouwhoogtes vastgelegd. Bij het noordelijke bouwvlak is een differentiatie in bouwhoogtes opgenomen om te borgen dat het beoogde stedenbouwkundige beeld wordt gerealiseerd en in stand gehouden. Met een specifieke regel is vastgelegd dat liftkokers de aangeduide maximale bouwhoogte met twee meter mag overschrijden. Verder mogen binnen het bouwvlak bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken worden gebouwd. Buiten het bouwvlak zijn deze niet toegestaan. Een uitzondering is gemaakt voor de beoogde parkeergarage.
Deze is gesitueerd binnen de bestemmingen Groen en Wonen-Meergezinshuis. De parkeergarage komt zowel binnen als buiten het bouwvlak van de woonbestemming te liggen. Om die reden is specifiek bepaald dat een parkeergarage ook buiten het bouwvlak mag worden gebouwd. Ten behoeve van het bereiken van een goed woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners is een voorwaardelijke verplichting opgenomen welke borgt dat, voor zover nodig geacht, vanwege de geluidbelasting van het wegverkeer, passende maatregelen worden getroffen bij het bouwplan.
Beroep aan huis: Volgens vaste jurisprudentie moet binnen een woonbestemming ook een aan huis verbonden beroep worden toegelaten. Uit de jurisprudentie kan als enige ruimtelijk relevant criterium worden afgeleid het hebben van 'een ruimtelijke uitwerking of uitstraling, die in overeenstemming is met de woonfunctie van het betrokken perceel'. Er is in dit plan een regeling opgenomen voor het gebruik van een deel van een woning voor een aan huis verbonden beroep, zoals in de gemeente Zwolle bij deze bestemming gebruikelijk is. De beperking van het ruimtebeslag van de woning met inbegrip van de bijgebouwen tot 30% van het vloeroppervlak van de woning (met een absoluut maximum van 50 m²) dient om het verlies of de bovenmatige aantasting van de woonfunctie of van het woonkarakter tegen te gaan. Op deze wijze wordt tevens voorkomen dat de verkeersaantrekkende werking te groot zal worden. Het verhuren of anderszins beschikbaar stellen van woonruimte aan derden voor de uitoefening van een beroep of bedrijf, hoe gering ook van omvang, is zonder meer als strijdig met de woonbestemming aan te merken. In de begrippen is een definitie opgenomen over wat onder een aan huis verbonden beroep moet worden verstaan. Het gaat om een dienstverlenend beroep. De definitie van beroep aan huis is gelijk aan de landelijk gehanteerde standaarddefinitie.
Indien er personeel in dienst wordt genomen kan er eerder sprake zijn van een ruimtelijke uitwerking of uitstraling die niet met de woonfunctie in overeenstemming is. Overige bouwwerken: Bij de regeling van deze bouwwerken is geen verschil gemaakt tussen verschillende soorten bouwwerken. Elk bouwwerk dat functioneel past in de bestemming kan worden toegelaten. Volstaan is met algemene bepalingen omtrent de maximum hoogte. Daarbij is voor erf- of perceelafscheidingen aansluiting gezocht
67/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
bij het criterium voor vergunningvrij bouwen van het Bor en voor de afwijking bij het criterium van de Bouwverordening.
Artikel 6 Waarde - Archeologie Uitgangspunten voor deze dubbelbestemming zijn: De gebieden die volgens de gemeentelijke archeologische waarderingskaart een grote vondstkans hebben (50% of meer) zijn mede bestemd tot archeologisch waardevol gebied Bij de regeling voor de dubbelbestemming is nauwe aansluiting gezocht bij de Wet op de archeologische monumentenzorg. Bij verstoringen in de bodem met een grotere diepte dan 0,5 meter en een grotere oppervlakte dan 100 m² zijn specifieke bouwregels en een omgevingsgunningenstelsel conform de regeling uit de Wet op de archeologische monumentenzorg van toepassing.
4.4
Algemene regels
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een perceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Artikel 8 Algemene afwijkingsregels In deze regels is als eerste de op grond van vaste jurisprudentie vereiste algemene afwijking in de vorm van de zogenaamde 'toverformule' opgenomen. Bij een omgevingsvergunning moet van het gebruiksverbod worden afgeweken, indien strikte toepassing zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd. Daarnaast wordt in deze regels de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde in het bestemmingsplan geregelde onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Deze regels zijn niet van toepassing, indien en voor zover er specifieke in de bestemming zelf geregelde afwijkingsregels van toepassing zijn. Ten slotte zijn de criteria voor de toepassing van deze afwijkingsregels hier opgenomen.
Artikel 9 Algemene procedureregels Hierin wordt de standaardprocedure bij Zwolse bestemmingsplannen voor de voorbereiding van een besluit tot het stellen van een nadere eis beschreven.
Artikel 10 Overige regels In dit artikel wordt geregeld dat bij een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Daarbij moet worden voldaan worden aan de parkeeropgave, zoals neergelegd in de “Regeling Parkeernormen 2016”. Indien deze regeling wordt gewijzigd, moet rekening worden gehouden met deze wijziging. Bij een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken, indien anderszins in voldoende ruimte kan worden voorzien. Ten slotte kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken in bijzondere omstandigheden, onder andere op basis van criteria van de “Regeling Parkeernormen 2016” 68/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
4.5
Overgangs- en slotregels
Artikel 11 Overgangsrecht Het overgangsrecht is vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is voorgeschreven. Tevens is een hardheidsclausule opgenomen in de vorm van persoonsgebonden overgangsrecht op de wijze zoals door de regering bij de totstandkoming van het Bro werd aanbevolen. Artikel 12 Slotregel Als laatste wordt de slotregel opgenomen. Deze regel bevat zowel de aanhalingstitel van het plan, de aanhalingstitel van de regels van het plan als de vaststellingsregel van het plan.
4.6
Bijlagen
PM
4.7
Handboek
Dit bestemmingsplan is vervaardigd conform de richtlijnen van het 'Handboek bestemmingsplannen Zwolle' versie 21.
69/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De gemeente is op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht kosten van grondexploitatie te verhalen middels het vaststellen van een exploitatieplan indien een planologische maatregel een aangewezen bouwplan mogelijk maakt. Deze verplichting geldt niet als de kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd zijn middels een overeenkomst en er geen afspraken nodig zijn over een tijdvak, fasering en locatie-eisen. Met dit bestemmingsplan wordt een aangewezen bouwplan mogelijk gemaakt. Met de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten waarin nadere afspraken worden gemaakt over het verplichte kostenverhaal. Alle kosten van grondexploitatie als ook de kosten voor eventuele planschade komen voor rekening van initiatiefnemer. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en geldt er geen verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Overleg met de buurt
Voorafgaand aan de planontwikkeling is door de ontwikkelaar in afstemming met de gemeente een route uitgestippeld voor het participatieproces. Als doel is gesteld om, met behulp van een goed en gedegen proces, te komen tot een gedragen plan. Daarin is de ruimte bepaald voor participatie; wat ligt vast en wat is open, en in welke mate. Aangevuld met gesprekken met verschillende stakeholders is in kaart gebracht wat er speelt en leeft en wat belangrijke aandachtspunten zijn. Dit alles heeft de basis gevormd voor een participatie-aanpak, met als aandachtpunten: Zorgvuldig opbouwen. Mensen meenemen in het verhaal: eerst laten landen dat het gaat veranderen, dan inzoomen en verdiepen Niet teveel plenaire bijeenkomsten: ruimte laten voor gesprek in kleinere groepjes, Laagdrempelige events en heldere communicatie, zoveel mogelijk persoonlijk, Activatie via sociale netwerken in het gebied. Een volledig participatieverslag is als bijlage bij deze plantoelichting opgenomen.
Tijdens het participatietraject hebben voornamelijk de directe buren, bewoners uit de omgeving en vertegenwoordiging van (belangen)organisaties hun meningen en ideeën gedeeld. Opvallend was, dat in deze fase ook al relatief veel mensen met interesse in een woning op deze plek zich hebben laten horen. Er is positief kritisch gereageerd op de plannen voor de herontwikkeling van de locatie. Er heerst over het algemeen begrip voor het idee dat hier woningen komen. Deelnemers zien graag het behoud plus versterken van het groen, om de biodiversiteit te versterken en ook te gebruiken voor wandelrondjes. De input uit het participatietraject laat zich indelen in de vier categorieën: stedenbouw, landschap, mobiliteit en overig. Deze input is in acties verwoord op onderstaande kaart. De tekstballonnen zijn een samenvatting van de input in acties. De onderliggende afbeelding op de tekening laat de eerste opzet zien van het plan eind 2021, welke de basis vormde voor het gesprek.
70/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
De opgehaalde input is afgewogen in de verdere studies die gedaan zijn. Dit heeft geresulteerd tot een aantal wijzigingen in het plan, ten opzichte van hetgeen waarmee gestart is in 2021. In onderstaande afbeelding staat dit aangegeven.
71/72
februari 2024 bestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad)
Conclusie is dat het plan in een open gesprek met de omgeving aangescherpt en aangepast is. Dat heeft tot een verrijking van het plan geleid. In de laatste inloop-bijeenkomst is dit ook door de bezoekers bevestigd. Er is positief gereageerd op de voorgestelde aanpassingen. 5.2.2
Vooroverleg Besluit ruimtelijke ordening
Op 28 september 2023 is het voorontwerpbestemmingsplan Diezerpoort, Bisschop Willebrandlaan 66 (Nieuwstad) in het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening naar de Veiligheidsregio IJsselland, de Provincie Overijssel en het Waterschap Drents Overijsselse Delta verzonden met het verzoek om vóór 24 oktober 2023 te reageren. Van het waterschap is op 23 oktober, van de provincie is op 25 oktober en van de veiligheidsregio is op 26 oktober een reactie ontvangen. Het waterschap geeft aan dat de kaders in het bestemmingsplan akkoord zijn. De provincie geeft aan geen inhoudelijke opmerkingen te hebben op het plan. En dat het plan daarmee ook past in de provinciale Omgevingsvisie en -verordening. De veiligheidsregio geeft aan dat uit de stukken blijkt dat de risico locaties (buisleidingen en A28) op voldoende afstand van het plangebied liggen en er dan ook geen reden is voor verder externe veiligheidsadvies. Geadviseerd wordt ook bij de verdere uitwerking van het plan afstemming te houden.
72/72