Bijlage bij Raadsbesluit technische aanpassingen verordeningen
Tekst van het document
1. Uiterlijk vijftien weken na de uitvoering van de grond- en/of grondwatersaneringswerkzaamheden doet degene die de bodem heeft gesaneerd daarvan schriftelijk verslag als bedoeld in artikel 4.1246 van het Bal aan het bevoegd gezag.
1. Tegelijk met het saneringsverslag als bedoeld 4.1246 van het Bal of uiterlijk acht weken na de dag waarop met het saneringsverslag is ingestemd, wordt het nazorgplan ingediend bij het bevoegd gezag.
wordt:
1. Ter voorkoming van interferentie tussen gesloten of open bodemenergiesystemen onderling of anderszins ter bevordering van een doelmatig gebruik van bodemenergie, zijn burgemeester en wethouders bevoegd interferentiegebieden aan te wijzen als bedoeld in het inmiddels vervallen artikel 2.2a, zesde lid van het Besluit omgevingsrecht, en of de grenzen van al aangewezen gebieden te wijzigen.
2. Op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 5.1 e.v. Omgevingswet, ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, evenals op enig bezwaar of beroep, ingesteld tegen een beslissing over een dergelijke aanvraag, blijft de Verordening Interferentiegebieden Bodemenergiesystemen Stadshagen- Breezicht 2019 van toepassing.
Een geel gekleurd vakje betekent dat er een wijziging wordt voorgesteld.
Bomenverordening 2021 Paragraaf 1: Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. acuut gevaar: indien in ieder geval voorzienbaar is dat als gevolg van gebreken van een houtopstand op korte termijn de levens van mensen in gevaar worden gebracht en/of goederen worden beschadigd en/of sprake is van ernstige boomziektes en/of het gevaar voor verspreiding van ernstige boomziektes;.); b. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 4.1 lid a, van de Wet natuurbescherming; c. beschermde houtopstand: houtopstand vermeld op de Groene Kaart, die niet geveld mag worden zonder de vergunning als bedoeld in artikel 12; d. Bomen effect analyse: een rapportage, al dan niet voorzien van een werkplan, die is opgesteld door een boomtechnisch adviseur met als doel het inzichtelijk maken van de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op (beschermde)houtopstand; e. boom: een houtig opgaand gewas zowel levend als afgestorven met een stamomtrek van minimaal 30 centimeter op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de stamomtrek van de dikste stam; f. boomwaarde: de monetaire waarde van een houtopstand zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen; g.
dunnen: vellen als verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand, tenzij sprake is van een eindbeeld met houtopstand met een stamomtrek van meer dan 120 centimeter op 130 centimeter boven maaiveld; h. fysieke leefomgeving: de fysieke leefomgeving omvat in ieder geval natuur, bodem, water, lucht, landschappen, bouwwerken, infrastructuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed; i. Groene Kaart: geometrisch informatieobject met daarop aangegeven de beschermde houtopstand ingedeeld naar beschermingsniveaus: bijzondere houtopstand, hoofdgroenstructuur en nevengroenstructuur; j. houtopstand: één boom of meerdere bomen of een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend;knotten/ kandelaberen: het tot de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud; k.omgevingsvergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; l. l. vellen: kappen, rooien, verplanten, vernielen, of het knotten, kandelaberen, snoeien van meer dan 25 procent van de blijvende kroon of wortelgestel van een houtopstand en verder het verrichten van alle handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, de ernstige beschadiging of ernstige aantasting van Artikel 2.
Doelen het (straat)beeld vanverordening de houtopstand tot gevolg hebben. Hieronderzijn vallen ookop: het fors wijzigen van de 1. Doelen van deze met het oog op kunnen de fysieke leefomgeving, gericht groeiplaats van eenvan houtopstand door gronduitwisseling, bodemverdichting door materialen of verkeer, a. het waarborgen de veiligheid; bodembedekking, wijziging of door het onttrekken of toevoegen van stoffen, door straling of door b. het beschermenwaterstand van de gezondheid; aantasting van de wortelfunctie, waardoor meer dan 25 procent de wortelcapaciteit verloren gaat of is gegaan. c. het beschermen van het milieu; d. het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening; e. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; f. het behoud van cultureel erfgoed inclusief waardevolle landschapselementen; g. de natuurbescherming; h. het tegengaan van klimaatverandering; i. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; j. het beheer van geobiologische, geothermische systemen en ecosystemen; k. het beheer van natuurlijke hulpbronnen; l. het beheer van natuurgebieden; m. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; n. de instandhouding van het bos- en landschapareaal binnen de gemeente; o. de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de woonomgeving. Artikel 3.
Aanwijzing bebouwde kom De geometrische begrenzing van de bebouwde kom als bedoeld in artikel 4.1, onder a, van de Wet natuurbescherming, waarbinnen de regels over houtopstanden van hoofdstuk 4 Wet natuurbescherming niet van toepassing zijn, is opgenomen in het geometrische informatieobject “bebouwde kom” in bijlage I bij deze verordening.
Artikel 4. Normadressaat Aan de artikelen in deze verordening wordt voldaan door degene die de activiteit verricht dan wel laat verrichten, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 5. Wijze van meten De stamomtrek van een houtopstand wordt gemeten op een hoogte van 130 cm vanaf het maaiveld. Bij meerstammigheid wordt de stamomtrek van de dikste stam gemeten. Artikel 6. De afstand tot de erfgrens De afstand tot de erfgrens als bedoeld in artikel 5:42, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek is vastgesteld op 0,5 meter voor bomen, gemeten in het midden van de stamvoet van de boom op 0,1 meter boven het maaiveld, en op nihil voor heesters en heggen. Dit geldt zowel voor bomen, heesters en heggen in gemeentelijk eigendom als voor bomen, heesters en heggen in privaat eigendom. Artikel 7. Zorgplicht Als degene die een activiteit verricht of laat verrichten weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen, met het oog waarop de regels in deze verordening zijn gesteld, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; of Paragraaf 2: Vellenonvoldoende van beschermde c.
als die gevolgen kunnenhoutopstand worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat Artikel 8. Aanwijzing redelijkerwijs van diegene activiteiten kan worden gevraagd. Deze paragraaf gaat over het vellen van beschermde houtopstand die is opgenomen in het geometrische informatieobject Groene Kaart. Artikel 9. Groene Kaart 1. Het college van burgemeester en wethouders stelt de Groene Kaart vast en ter voorbereiding daarvan ook de lijst met bijzondere bomen. Op de voorbereiding is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De Groene Kaart bevat een samenhangend geheel van de volgende beschermde houtopstanden: a. bijzondere houtopstand: een op de Groene Kaart als punten aangegeven bijzondere boom of houtopstand (gemeentelijk of particulier) zijnde een waardevolle, monumentale of herinnerings boom van het hoogste beschermingsniveau; b. hoofdgroenstructuur: een op de Groene Kaart als vlak of lijn aangewezen structuur waarbinnen houtopstanden staan van een hoog beschermingsniveau. Hieronder vallen alle houtopstanden binnen deze structuur welke voldoen aan het begrip boom; c. nevengroenstructuur: een op de Groene Kaart als vlak of lijn aangewezen structuur waarbinnen houtopstanden staan van bescherming op basisniveau. Hieronder vallen alle houtopstanden binnen deze structuur welke voldoen aan het begrip boom. Artikel 10.
Melding tenietgaan bijzondere houtopstand 2. De Groene Kaart en bijbehorende lijst wordt driejaarlijks door het college van burgemeester en wethouders De eigenaar een bijzondere houtopstand is verplicht het college van burgemeester en wethouders bijgewerkt envan vastgesteld. onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen van: a. het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een bijzondere houtopstand, anders dan door velling op grond van een verleende vergunning; b. de dreiging dat de bijzondere houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan. Artikel 11. Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de natuur; b. het beschermen van de gezondheid en het tegengaan van klimaatverandering; c. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; d. de beeldbepalende waarde van houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van houtopstand f. een kwalitatief goed bomenbestand.
Artikel 12. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. beschermde houtopstand te vellen b. houtopstand te vellen die is aangeplant in het kader van de herplantplicht en daardoor kleiner is dan de in artikel 1 van deze verordening genoemde minimum maat van een boom. 2. Het verbod geldt niet voor: a. houtopstand op erven en in tuinen kleiner dan 400m2, tenzij aangewezen als bijzondere boom of houtopstand; b. houtopstand die moet worden gekapt op grond van de Plantenziektenwet of ter voorkoming van verspreiding van aangetoonde ernstige boomziekten of insectenplagen nadelig voor het voortbestaan van bomen; c. houtopstand die moeten worden gekapt vanwege een aanschrijving van het bevoegd gezag om te vellen, te herplanten of aan te planten; d. noodkap in verband met acuut gevaar of in verband met de openbare orde en veiligheid na schriftelijke advisering door een boomdeskundige van het kennis- en ervaringsniveau van boomtaxateur of European treetechnician en melding is gedaan aan het college van burgemeester en wethouders; e. het dunnen van houtopstand; f. het verwijderen van afgestorven houtopstand van de gemeente; g. het periodiek vormsnoeien, knotten of kandelaberen van reeds eerder geknotte of gekandelaberde houtopstand; h. bedrijfsmatig geteeldeaanvraagvereisten fruitbomen, notenbomen, kerstbomen tot 20 jaar en bomen Artikel 13.
Bijzondere omgevingsvergunning i. boomkwekerijteelt. Bijuitdedeaanvraag om een omgevingsvergunning wordt: a. iedere te vellen houtopstand op een kaart, foto of tekening geïdentificeerd met een nummer en de locatie; b. de stamomtrek in centimeters op 130 centimeter boven maaiveld van iedere houtopstand aangegeven; c. de reden voor het vellen van iedere houtopstand opgenomen; d. op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, in het geval van bouwen, aanleggen of andere werkzaamheden nabij houtopstand, wordt door aanvrager een Bomen effect analyse overgelegd, welke is opgesteld door onafhankelijk boomdeskundige van het kennis- en ervaringsniveau van boomtaxateur of European tree technician, inzake alternatieven voor het behoud van houtopstand, zoals verplanten, reconstructie van de ondergrondse groeiplaats bij verharden, het zwevend bouwen over wortels heen, of andere inpassing van houtopstand bij bouwen of aanleggen, of, een plan tot bescherming van houtopstand tijdens het bouwen of aanleggen; e. in het geval van vrees voor breuk, verminderde stabiliteit of vitaliteit van een houtopstand, wordt door aanvrager een rapport van een onafhankelijk boomdeskundige van het kennis- en ervaringsniveau van boomtaxateur of European tree technician hierover overgelegd; f.
indien herplant mogelijk is wordt een voorstel gedaan inzake het aantal, de soort(en), de grootte, de termijn, de locatie de groeiruimte van de te herplanten houtopstand. Artikel 14.en Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1. De omgevingsvergunning voor het vellen van beschermde houtopstand wordt geweigerd indien de belangen van het vellen van de houtopstand niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand. 2. Bij de afweging als bedoeld in het eerste lid worden de oogmerken uit artikel 11 van deze verordening betrokken. 3. Voor de afweging tussen behoud of vellen van de beschermde houtopstand wordt gebruik gemaakt van een beoordelingsformulier, dat wordt vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. 4. Het beoordelingsformulier maakt onderscheid in de waardering tussen bijzondere houtopstand, hoofdgroenstructuur en nevengroenstructuur, waarbij bijzondere houtopstand de hoogste waardering heeft en in beginsel niet gekapt wordt, de hoofdgroenstructuur een hoge waardering en de nevengroenstructuur een basiswaardering heeft. 5. Een omgevingsvergunning voor het vellen van een bijzondere houtopstand wordt geweigerd, tenzij: a. de houtopstand ernstig gevaar of ernstige hinder veroorzaakt; en/of b. een groot maatschappelijk belang zwaarder weegt dan de oogmerken van artikel 11. 6.
Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd indien de aanvraag is ingediend vanwege: a. lichte tot matige hinder, die van een ieder gevergd kan worden, zoals blad-, zaad-, pluis- en vruchtval, honing- of roetdauw, schaduwhinder in tuin of op erf, bij tijdelijke schaduw in een hoofdverblijfruimte; b. belemmering van de opbrengst van zonnepanelen, die geplaatst zijn of worden in de (toekomstige) schaduw van een aanwezige beschermde houtopstand; Artikel 15. Adviescommissie c. de aanwezigheid van hinder houtopstand veroorzakende dieren, zoals eikenprocessierupsen, teken, hoornaars, vogels, eekhoorns, marters of andere dieren. 1. Het college van burgemeester en wethouders kan een Adviescommissie houtopstand instellen. 2. De Adviescommissie houtopstand kan door het college van burgemeester en wethouders om advies worden gevraagd over de afweging van de belangen voor behoud of vellen van de houtopstand.
Artikel 16. Voorschriften 1. Bij vergunningvoorschrift voor het vellen van een houtopstand wordt in beginsel een : a. verplantingsplicht; en/of b. een herbeplantingsplicht, en/of c. een financiële bijdrage voor herbeplanting op een nieuwe locatie opgelegd. 2. Bij het in lid 1 bedoelde voorschrift over herbeplanting kunnen tevens voorwaarden worden gesteld inzake aantal, soort, kroonvolume, locatie, de termijn en wijze van herbeplanten als ook de termijn en wijze waarop niet aangeslagen herbeplanting moet worden vervangen. 3. Het college van burgemeester en wethouders kan bij omgevingsvergunning voor het vellen van een beschermde houtopstand overige voorschriften stellen ter bescherming van de in artikel 11 genoemde oogmerken. Artikel 17. Plicht tot instandhouding en vellen zonder vergunning 1. Als een houtopstand om welke reden ook teniet dreigt te gaan kan het bevoegd gezag een verplichting opleggen tot het uitvoeren van maatregelen tot instandhouding van de bedreigde houtopstand aan degene die tot het uitvoeren van deze verplichting bevoegd is.1. (...) 2.
Als een houtopstand om welke reden dan ook teniet is gegaan, waaronder in ieder geval wordt begrepen het vellen van een houtopstand zonder vergunning, kan het bevoegd gezag een verplichting opleggen tot financiële compensatie op basis van de boomwaarde, dan wel een verplichting tot herbeplanten al dan niet aangevuld met een financiële compensatie op basis van de boomwaarde. Deze verplichting wordt opgelegd aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond, dan wel aan degene die de houtopstand heeft geveld dan wel heeft laten vellen. 3. Bij de in het tweede lid bedoelde verplichting kunnen tevens voorwaarden worden gesteld inzake het aantal, soort, kroonvolume, locatie, de termijn en wijze van herbeplanten als ook de termijn en wijze waarop niet aangeslagen herbeplanting moet worden vervangen. 4. Indien sprake is van vellen zonder vergunning of in strijd met vergunningvoorschriften kan, eventueel naast een plicht tot herbeplanten of het in rekening brengen van de boomwaarde een bestuurlijke boete opgelegd worden. 5. De boomwaarde van een houtopstand in eigendom van de gemeente die teniet is gegaan of schade aan een dergelijke houtopstand, wordt in opdracht van het college van burgemeester en wethouders getaxeerd door Artikel 18. Bestrijding iepziekte een geregistreerd taxateur van bomen ten behoeve van herbeplanting en/of financiële compensatie.
De kosten 1. Indien zich op een terrein eenop of de meer iependie bevinden die naar oordeel van hetwel college van van de taxatie worden verhaald degene de schade heefthet veroorzaakt, dan de houtopstand teniet burgemeester en wethouders gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van heeft laten gaan. de iepenspintkever, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college van burgemeester en wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen; b. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen; c. of de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. 2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. 3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op geheel ontschorst iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter. 4. Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Artikel 19. Toezicht Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de bij besluit van het college aan te wijzen personen. Artikel 20. Slotbepaling 1.
Deze verordening kan worden aangehaald als: Bomenverordening 2021 gemeente Zwolle. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van 18 januari 2022. Op datzelfde tijdstip wordt de "Bomenverordening gemeente Zwolle 2013" ingetrokken. 3. Indien voor het tijdstip van de datum van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag of verzoek op grond van de "Bomenverordening gemeente Zwolle 2013" is ingediend en op de datum van de inwerkingtreding van deze verordening nog niet op de aanvraag of het verzoek is beslist, blijven de bepalingen van de "Bomenverordening gemeente Zwolle 2013" van toepassing. 4. Op besluiten, die zijn afgegeven voor de inwerkingtreding van deze verordening, waartegen nog een bezwaar, een beroep of hoger beroepsprocedure mogelijk is of aanhangig is, blijft de "Bomenverordening gemeente Zwolle 2013" van toepassing.
Geldend van
gepubliceerd
18-1-2022
10-1-2022
Bestaande tekst
was: Paragraaf 1: Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. acuut gevaar: indien in ieder geval voorzienbaar is dat als gevolg van gebreken van een houtopstand op korte termijn de levens van mensen in gevaar worden gebracht en/of goederen worden beschadigd en/of sprake is van ernstige boomziektes en/of het gevaar voor verspreiding van ernstige boomziektes;.); b. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 4.1 lid a, van de Wet natuurbescherming; c. beschermde houtopstand: houtopstand vermeld op de Groene Kaart, die niet geveld mag worden zonder de vergunning als bedoeld in artikel 12; d. Bomen effect analyse: een rapportage, al dan niet voorzien van een werkplan, die is opgesteld door een boomtechnisch adviseur met als doel het inzichtelijk maken van de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op (beschermde)houtopstand; e. boom: een houtig opgaand gewas zowel levend als afgestorven met een stamomtrek van minimaal 30 centimeter op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de stamomtrek van de dikste stam; f. boomwaarde: de monetaire waarde van een houtopstand zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen; g.
dunnen: vellen als verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand, tenzij sprake is van een eindbeeld met houtopstand met een stamomtrek van meer dan 120 centimeter op 130 centimeter boven maaiveld; h. fysieke leefomgeving: de fysieke leefomgeving omvat in ieder geval natuur, bodem, water, lucht, landschappen, bouwwerken, infrastructuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed; i. Groene Kaart: geometrisch informatieobject met daarop aangegeven de beschermde houtopstand ingedeeld naar beschermingsniveaus: bijzondere houtopstand, hoofdgroenstructuur en nevengroenstructuur; j. houtopstand: één boom of meerdere bomen of een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend;knotten/ kandelaberen: het tot de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud; k.omgevingsvergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; l. Vellen: kappen, rooien, verplanten, vernielen, of het knotten, kandelaberen, snoeien van meer dan 25 procent van de blijvende kroon of wortelgestel van een houtopstand en verder het verrichten van alle handelingen, zowel als ondergronds, die de dood, de ernstige beschadiging of ernstige aantasting van het Artikelboven2.
Doelen (straat)beeld deverordening houtopstandmet tot gevolg hebben. Hieronder vallen ook hetop: fors wijzigen van de 1. Doelen vanvan deze het oogkunnen op de fysieke leefomgeving, zijn gericht groeiplaats van eenvan houtopstand door gronduitwisseling, bodemverdichting door materialen of verkeer, a. het waarborgen de veiligheid; bodembedekking, wijziging of door het onttrekken of toevoegen van stoffen, door straling of door b. het beschermenwaterstand van de gezondheid; aantasting van de wortelfunctie, waardoor meer dan 25 procent de wortelcapaciteit verloren gaat of is gegaan. c. het beschermen van het milieu; d. het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening; e. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; f. het behoud van cultureel erfgoed inclusief waardevolle landschapselementen; g. de natuurbescherming; h. het tegengaan van klimaatverandering; i. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; j. het beheer van geobiologische, geothermische systemen en ecosystemen; k. het beheer van natuurlijke hulpbronnen; l. het beheer van natuurgebieden; m. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; n. de instandhouding van het bos- en landschapareaal binnen de gemeente; o. de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de woonomgeving. Artikel 3.
Aanwijzing bebouwde kom De geometrische begrenzing van de bebouwde kom als bedoeld in artikel 4.1, onder a, van de Wet natuurbescherming, waarbinnen de regels over houtopstanden van hoofdstuk 4 Wet natuurbescherming niet van toepassing zijn, is opgenomen in het geometrische informatieobject “bebouwde kom” in bijlage I bij deze verordening.
Artikel 4. Normadressaat Aan de artikelen in deze verordening wordt voldaan door degene die de activiteit verricht dan wel laat verrichten, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 5. Wijze van meten De stamomtrek van een houtopstand wordt gemeten op een hoogte van 130 cm vanaf het maaiveld. Bij meerstammigheid wordt de stamomtrek van de dikste stam gemeten. Artikel 6. De afstand tot de erfgrens De afstand tot de erfgrens als bedoeld in artikel 5:42, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek is vastgesteld op 0,5 meter voor bomen, gemeten in het midden van de stamvoet van de boom op 0,1 meter boven het maaiveld, en op nihil voor heesters en heggen. Dit geldt zowel voor bomen, heesters en heggen in gemeentelijk eigendom als voor bomen, heesters en heggen in privaat eigendom. Artikel 7. Zorgplicht Als degene die een activiteit verricht of laat verrichten weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen, met het oog waarop de regels in deze verordening zijn gesteld, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; of Paragraaf 2: Vellenonvoldoende van beschermde c.
als die gevolgen kunnenhoutopstand worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat Artikel 8. Aanwijzing redelijkerwijs van diegene activiteiten kan worden gevraagd. Deze paragraaf gaat over het vellen van beschermde houtopstand die is opgenomen in het geometrische informatieobject Groene Kaart. Artikel 9. Groene Kaart 1. Het college van burgemeester en wethouders stelt de Groene Kaart vast en ter voorbereiding daarvan ook de lijst met bijzondere bomen. Op de voorbereiding is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De Groene Kaart bevat een samenhangend geheel van de volgende beschermde houtopstanden: a. bijzondere houtopstand: een op de Groene Kaart als punten aangegeven bijzondere boom of houtopstand (gemeentelijk of particulier) zijnde een waardevolle, monumentale of herinnerings boom van het hoogste beschermingsniveau; b. hoofdgroenstructuur: een op de Groene Kaart als vlak of lijn aangewezen structuur waarbinnen houtopstanden staan van een hoog beschermingsniveau. Hieronder vallen alle houtopstanden binnen deze structuur welke voldoen aan het begrip boom; c. nevengroenstructuur: een op de Groene Kaart als vlak of lijn aangewezen structuur waarbinnen houtopstanden staan van bescherming op basisniveau. Hieronder vallen alle houtopstanden binnen deze structuur welke voldoen aan het begrip boom. Artikel 10.
Melding tenietgaan bijzondere houtopstand 2. De Groene Kaart en bijbehorende lijst wordt driejaarlijks door het college van burgemeester en wethouders De eigenaar een bijzondere houtopstand is verplicht het college van burgemeester en wethouders bijgewerkt envan vastgesteld. onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen van: a. het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een bijzondere houtopstand, anders dan door velling op grond van een verleende vergunning; b. de dreiging dat de bijzondere houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan. Artikel 11. Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de natuur; b. het beschermen van de gezondheid en het tegengaan van klimaatverandering; c. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; d. de beeldbepalende waarde van houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van houtopstand f. een kwalitatief goed bomenbestand.
Artikel 12. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. beschermde houtopstand te vellen b. houtopstand te vellen die is aangeplant in het kader van de herplantplicht en daardoor kleiner is dan de in artikel 1 van deze verordening genoemde minimum maat van een boom. 2. Het verbod geldt niet voor: a. houtopstand op erven en in tuinen kleiner dan 400m2, tenzij aangewezen als bijzondere boom of houtopstand; b. houtopstand die moet worden gekapt op grond van de Plantenziektenwet of ter voorkoming van verspreiding van aangetoonde ernstige boomziekten of insectenplagen nadelig voor het voortbestaan van bomen; c. houtopstand die moeten worden gekapt vanwege een aanschrijving van het bevoegd gezag om te vellen, te herplanten of aan te planten; d. noodkap in verband met acuut gevaar of in verband met de openbare orde en veiligheid na schriftelijke advisering door een boomdeskundige van het kennis- en ervaringsniveau van boomtaxateur of European treetechnician en melding is gedaan aan het college van burgemeester en wethouders; e. het dunnen van houtopstand; f. het verwijderen van afgestorven houtopstand van de gemeente; g. het periodiek vormsnoeien, knotten of kandelaberen van reeds eerder geknotte of gekandelaberde houtopstand; h. bedrijfsmatig geteeldeaanvraagvereisten fruitbomen, notenbomen, kerstbomen tot 20 jaar en bomen Artikel 13.
Bijzondere omgevingsvergunning i. boomkwekerijteelt. Bijuitdedeaanvraag om een omgevingsvergunning wordt: a. iedere te vellen houtopstand op een kaart, foto of tekening geïdentificeerd met een nummer en de locatie; b. de stamomtrek in centimeters op 130 centimeter boven maaiveld van iedere houtopstand aangegeven; c. de reden voor het vellen van iedere houtopstand opgenomen; d. op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, in het geval van bouwen, aanleggen of andere werkzaamheden nabij houtopstand, wordt door aanvrager een Bomen effect analyse overgelegd, welke is opgesteld door onafhankelijk boomdeskundige van het kennis- en ervaringsniveau van boomtaxateur of European tree technician, inzake alternatieven voor het behoud van houtopstand, zoals verplanten, reconstructie van de ondergrondse groeiplaats bij verharden, het zwevend bouwen over wortels heen, of andere inpassing van houtopstand bij bouwen of aanleggen, of, een plan tot bescherming van houtopstand tijdens het bouwen of aanleggen; e. in het geval van vrees voor breuk, verminderde stabiliteit of vitaliteit van een houtopstand, wordt door aanvrager een rapport van een onafhankelijk boomdeskundige van het kennis- en ervaringsniveau van boomtaxateur of European tree technician hierover overgelegd; f.
indien herplant mogelijk is wordt een voorstel gedaan inzake het aantal, de soort(en), de grootte, de termijn, de locatie de groeiruimte van de te herplanten houtopstand. Artikel 14.en Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1. De omgevingsvergunning voor het vellen van beschermde houtopstand wordt geweigerd indien de belangen van het vellen van de houtopstand niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand. 2. Bij de afweging als bedoeld in het eerste lid worden de oogmerken uit artikel 11 van deze verordening betrokken. 3. Voor de afweging tussen behoud of vellen van de beschermde houtopstand wordt gebruik gemaakt van een beoordelingsformulier, dat wordt vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. 4. Het beoordelingsformulier maakt onderscheid in de waardering tussen bijzondere houtopstand, hoofdgroenstructuur en nevengroenstructuur, waarbij bijzondere houtopstand de hoogste waardering heeft en in beginsel niet gekapt wordt, de hoofdgroenstructuur een hoge waardering en de nevengroenstructuur een basiswaardering heeft. 5. Een omgevingsvergunning voor het vellen van een bijzondere houtopstand wordt geweigerd, tenzij: a. de houtopstand ernstig gevaar of ernstige hinder veroorzaakt; en/of b. een groot maatschappelijk belang zwaarder weegt dan de oogmerken van artikel 11. 6.
Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd indien de aanvraag is ingediend vanwege: a. lichte tot matige hinder, die van een ieder gevergd kan worden, zoals blad-, zaad-, pluis- en vruchtval, honing- of roetdauw, schaduwhinder in tuin of op erf, bij tijdelijke schaduw in een hoofdverblijfruimte; b. belemmering van de opbrengst van zonnepanelen, die geplaatst zijn of worden in de (toekomstige) schaduw van een aanwezige beschermde houtopstand; Artikel 15. Adviescommissie c. de aanwezigheid van hinder houtopstand veroorzakende dieren, zoals eikenprocessierupsen, teken, hoornaars, vogels, eekhoorns, marters of andere dieren. 1. Het college van burgemeester en wethouders kan een Adviescommissie houtopstand instellen. 2. De Adviescommissie houtopstand kan door het college van burgemeester en wethouders om advies worden gevraagd over de afweging van de belangen voor behoud of vellen van de houtopstand.
Artikel 16. Voorschriften 1. Bij vergunningvoorschrift voor het vellen van een houtopstand wordt in beginsel een : a. verplantingsplicht; en/of b. een herbeplantingsplicht, en/of c. een financiële bijdrage voor herbeplanting op een nieuwe locatie opgelegd. 2. Bij het in lid 1 bedoelde voorschrift over herbeplanting kunnen tevens voorwaarden worden gesteld inzake aantal, soort, kroonvolume, locatie, de termijn en wijze van herbeplanten als ook de termijn en wijze waarop niet aangeslagen herbeplanting moet worden vervangen. 3. Het college van burgemeester en wethouders kan bij omgevingsvergunning voor het vellen van een beschermde houtopstand overige voorschriften stellen ter bescherming van de in artikel 11 genoemde oogmerken. Artikel 17. Plicht tot instandhouding en vellen zonder vergunning 1. Als een houtopstand om welke reden ook teniet dreigt te gaan kan het bevoegd gezag een verplichting opleggen tot het uitvoeren van maatregelen tot instandhouding van de bedreigde houtopstand aan degene die tot het uitvoeren van deze verplichting bevoegd is.1. (...) 2.
Als een houtopstand om welke reden dan ook teniet is gegaan, waaronder in ieder geval wordt begrepen het vellen van een houtopstand zonder vergunning, kan het bevoegd gezag een verplichting opleggen tot financiële compensatie op basis van de boomwaarde, dan wel een verplichting tot herbeplanten al dan niet aangevuld met een financiële compensatie op basis van de boomwaarde. Deze verplichting wordt opgelegd aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond, dan wel aan degene die de houtopstand heeft geveld dan wel heeft laten vellen. 3. Bij de in het tweede lid bedoelde verplichting kunnen tevens voorwaarden worden gesteld inzake het aantal, soort, kroonvolume, locatie, de termijn en wijze van herbeplanten als ook de termijn en wijze waarop niet aangeslagen herbeplanting moet worden vervangen. 4. Indien sprake is van vellen zonder vergunning of in strijd met vergunningvoorschriften kan, eventueel naast een plicht tot herbeplanten of het in rekening brengen van de boomwaarde een bestuurlijke boete opgelegd worden. 5. De boomwaarde van een houtopstand in eigendom van de gemeente die teniet is gegaan of schade aan een dergelijke houtopstand, wordt in opdracht van het college van burgemeester en wethouders getaxeerd door Artikel 18. Bestrijding iepziekte een geregistreerd taxateur van bomen ten behoeve van herbeplanting en/of financiële compensatie.
De kosten 1. Indien zich op een terrein eenop of de meer iependie bevinden die naar oordeel van hetwel college van van de taxatie worden verhaald degene de schade heefthet veroorzaakt, dan de houtopstand teniet burgemeester en wethouders gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van heeft laten gaan. de iepenspintkever, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college van burgemeester en wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen; b. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen; c. of de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. 2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. 3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op geheel ontschorst iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter. 4. Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Artikel 19. Toezicht Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de bij besluit van het college aan te wijzen personen. Artikel 20. Slotbepaling 1.
Deze verordening kan worden aangehaald als: Bomenverordening 2021 gemeente Zwolle. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van 18 januari 2022. Op datzelfde tijdstip wordt de "Bomenverordening gemeente Zwolle 2013" ingetrokken. 3. Indien voor het tijdstip van de datum van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag of verzoek op grond van de "Bomenverordening gemeente Zwolle 2013" is ingediend en op de datum van de inwerkingtreding van deze verordening nog niet op de aanvraag of het verzoek is beslist, blijven de bepalingen van de "Bomenverordening gemeente Zwolle 2013" van toepassing. 4. Op besluiten, die zijn afgegeven voor de inwerkingtreding van deze verordening, waartegen nog een bezwaar, een beroep of hoger beroepsprocedure mogelijk is of aanhangig is, blijft de "Bomenverordening gemeente Zwolle 2013" van toepassing.
Nieuwe tekst
wordt: Paragraaf 1: Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. acuut gevaar: indien in ieder geval voorzienbaar is dat als gevolg van gebreken van een houtopstand op korte termijn de levens van mensen in gevaar worden gebracht en/of goederen worden beschadigd en/of sprake is van ernstige boomziektes en/of het gevaar voor verspreiding van ernstige boomziektes;.); b. Bebouwingscontour houtkap: de bebouwde kom van de gemeente, zoals aangegeven in bijlage 1; c. Beschermde houtopstand: houtopstand vermeld op de Groene Kaart, die niet geveld mag worden zonder de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12; d. Bomen effect analyse: een rapportage, al dan niet voorzien van een werkplan, die is opgesteld door een boomtechnisch adviseur met als doel het inzichtelijk maken van de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op (beschermde)houtopstand; e. Boom: een houtig opgaand gewas zowel levend als afgestorven met een stamomtrek van minimaal 30 centimeter op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de stamomtrek van de dikste stam; f. Boomwaarde: de monetaire waarde van een houtopstand zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen; g.
Dunnen: vellen als verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand, tenzij sprake is van een eindbeeld met houtopstand met een stamomtrek van meer dan 120 centimeter op 130 centimeter boven maaiveld; h. Fysieke leefomgeving: de fysieke leefomgeving omvat in ieder geval natuur, bodem, water, lucht, landschappen, bouwwerken, infrastructuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed; i. Groene Kaart: geometrisch informatieobject met daarop aangegeven de beschermde houtopstand ingedeeld naar beschermingsniveaus: bijzondere houtopstand, hoofdgroenstructuur en nevengroenstructuur; j. Houtopstand: één boom of meerdere bomen of een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend;knotten/ kandelaberen: het tot de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud; k. Omgevingsvergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; l. Vellen: kappen, rooien, verplanten, vernielen, of het knotten, kandelaberen, snoeien van meer dan 25 procent van de blijvende kroon of wortelgestel van een houtopstand en verder het verrichten van alle handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, de ernstige beschadiging of ernstige aantasting van het (straat)beeld van de houtopstand tot gevolg kunnen hebben.
Hieronder vallen ook het fors wijzigen van de groeiplaats van een houtopstand door gronduitwisseling, bodemverdichting door materialen of verkeer, bodembedekking, waterstand wijziging of door het onttrekken of toevoegen van stoffen, door straling of door aantasting van de wortelfunctie, waardoor meer dan 25 procent de wortelcapaciteit verloren gaat of is gegaan.
Artikel 3. Aanwijzing bebouwde kom De geometrische begrenzing van de bebouwde kom, waarbinnen de regels over houtopstanden van artikel 11.111, lid 2 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing zijn, is opgenomen in het geometrische informatieobject “bebouwde kom” in bijlage I bij deze verordening.
Artikel 17. Plicht tot instandhouding en vellen zonder omgevingsvergunning
2. Als een houtopstand om welke reden dan ook teniet is gegaan, waaronder in ieder geval wordt begrepen het vellen van een houtopstand zonder omgevingsvergunning, kan het bevoegd gezag (...)
4. Indien sprake is van vellen zonder omgevingsvergunning of in strijd met vergunningvoorschriften kan, eventueel naast een plicht tot herbeplanten of het in rekening brengen van de boomwaarde een bestuurlijke boete opgelegd worden.
Een geel gekleurd vakje betekent dat er een wijziging wordt voorgesteld.
Verordening
Geldend van
Geurverordening Wijthmen - deelgebied Het Buyten van Zwolle
29-3-2022
Artikel 1: begripsbepaling In deze verordening wordt verstaan onder: a. Geurbelasting: de waarde ter plaatse van de gevel van het gevoelige object, berekend met V- Stacks vergunning, uitgedrukt in Europese odour units per m3. b. Geurgebiedsvisie: de onderbouwing van de geurverordening als bedoeld in artikel 8 van de Wet. c. Geurgevoelig object: zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij. d. Odour units (ouE/m3. P98): geurconcentratie als aantallen Europese odour units in een volume- eenheid lucht (ouE/m3), gemeten volgens de NEN-EN 13725:2003 “Luchtbepaling van de geurcon- centratie door dynamische olfactometrie”. In deze verordening wordt voor de geurbelasting uit- gegaan van het gebruikelijke 98-percentiel geurconcentratie. Dat betekent dat de, met een ver- spreidingsmodel, berekende geurconcentratie gedurende 98 procent van de tijdseenheid niet wordt overschreden. e. Veehouderij: inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren. f. Wet: de Wet geurhinder en veehouderij.
Artikel 2: aanwijzing gebieden Als gebied als bedoeld in artikel 6 van de Wet wordt aangewezen het gebied dat is aangegeven op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart. De bijbehorende kaart is opgenomen in de bijlage bij deze verordening. Artikel 3: andere waarden voor de geurbelasting In afwijking van artikel 3, lid 1 onder c van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als bedoeld in artikel 2 van deze verordening 3,0 odour units per m3. Artikel 4: andere waarden voor de afstanden In afwijking van artikel 4, lid 1 onder a van de Wet bedraagt de minimale afstand voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als bedoeld in artikel 2 van deze verordening 50 meter. Artikel 5: citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als de "Geurverordening Wijthmen - deelgebied Het Buyten van Zwolle". Artikel 6: inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking 8 dagen na bekendmaking.
gepubliceerd 21-3-2022
was:
Artikel 1: begripsbepaling In deze verordening wordt verstaan onder: a. Geurbelasting: de waarde ter plaatse van de gevel van het gevoelige object, berekend met VStacks vergunning, uitgedrukt in Europese odour units per m3. b. Geurgebiedsvisie: de onderbouwing van de geurverordening als bedoeld in artikel 8 van de Wet geurhinder en veehouderij. c. Geurgevoelig object: zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij. d. Odour units (ouE/m3. P98): geurconcentratie als aantallen Europese odour units in een volumeeenheid lucht (ouE/m3), gemeten volgens de NEN-EN 13725:2003 “Luchtbepaling van de geurconcentratie door dynamische olfactometrie”. In deze verordening wordt voor de geurbelasting uitgegaan van het gebruikelijke 98-percentiel geurconcentratie. Dat betekent dat de, met een verspreidingsmodel, berekende geurconcentratie gedurende 98 procent van de tijdseenheid niet wordt overschreden.
e. Veehouderij: inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren. f. Wet: de Wet geurhinder en veehouderij.
Artikel 2: aanwijzing gebieden Als gebied als bedoeld in artikel 6 van de Wet wordt aangewezen het gebied dat is aangegeven op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart. De bijbehorende kaart is opgenomen in de bijlage bij deze verordening.
Artikel 3: andere waarden voor de geurbelasting In afwijking van artikel 3, lid 1 onder c van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als bedoeld in artikel 2 van deze verordening 3,0 odour units per m3. Artikel 4: andere waarden voor de afstanden In afwijking van artikel 4, lid 1 onder a van de Wet bedraagt de minimale afstand voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als bedoeld in artikel 2 van deze verordening 50 meter. Artikel 5: citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als de "Geurverordening Wijthmen - deelgebied Het Buyten van Zwolle". Artikel 6: inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking 8 dagen na bekendmaking.
Wordt
b. Geurgebiedsvisie: de onderbouwing van de geurverordening als bedoeld in artikel 8 van de Wet geurhinder en veehouderij zoals die gold ten tijde van de vaststelling van deze verordening. c. Geurgevoelig object: zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij zoals die gold ten tijde van de vaststelling van deze verordening.
e. Veehouderij: een inrichting zoals die gold ten tijde van de vaststelling van deze verordening en die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren. f. Wet: de Wet geurhinder en veehouderij, zoals die gold ten tijde van de vaststelling bvan deze verordening. Artikel 2: aanwijzing gebieden Als gebied als bedoeld in artikel 6 van de Wet, zoals die gold ten tijde van de vaststelling bvan deze verordening, wordt aangewezen het gebied dat is aangegeven op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart. De bijbehorende kaart is opgenomen in de bijlage bij deze verordening. Artikel 3: andere waarden voor de geurbelasting In afwijking van artikel 3, lid 1 onder c van de Wet, zoals die gold ten tijde van de vastelling van deze verordening, bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als bedoeld in artikel 2 van deze verordening 3,0 odour units per m3.
Artikel 4: andere waarden voor de afstanden In afwijking van artikel 4, lid 1 onder a van de Wet, zoals die gold ten tijde van de vastelling van deze verordening, bedraagt de minimale afstand voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als bedoeld in artikel 2 van deze verordening 50 meter.
Een geel gekleurd vakje betekent dat er een wijziging wordt voorgesteld.
Verordening Inspraakverordening Artikel 1 Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a: inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de vooorbereiding van gemeentelijk beleid;
b. inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt gegeven; c. beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Artikel 2 Onderwerp van inspraak 1. Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. 2. Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht. 3. Geen inspraak wordt verleend: a. ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen; b. indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; c. inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; d. indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht. e: wanneer besluiten in het ruimtelijke domein worden voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals bedoeld in afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Artikel 3 Inspraakgerechtigden Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden. Artikel 4 Inspraakprocedure 1. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 2.
Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere inspraakprocedure vaststellen Artikel 5 Eindverslag 1. Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag op.
Geldend van 29-9-2011
2. Het eindverslag bevat in elk geval: a. een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure; b. een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht; c. een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het beleidsvoornemen wordt overgegaan. 3. Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze openbaar. Artikel 6 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2005.
was:
gepubliceerd 28-9-2011
Artikel 1 Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a: inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de vooorbereiding van gemeentelijk beleid;
b. inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt gegeven; c. beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Artikel 2 Onderwerp van inspraak 1. Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. 2. Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht. 3. Geen inspraak wordt verleend: a. ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen; b. indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; c. inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; d. indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht. e: wanneer besluiten in het ruimtelijke domein worden voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals bedoeld in afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Artikel 3 Inspraakgerechtigden Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden. Artikel 4 Inspraakprocedure 1. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 2.
Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere inspraakprocedure vaststellen Artikel 5 Eindverslag 1. Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag op.
2. Het eindverslag bevat in elk geval: a. een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure; b. een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht; c. een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het beleidsvoornemen wordt overgegaan. 3. Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze openbaar. Artikel 6 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2005.
wordt:
Artikel 1 Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a: inspraak: een door of namens een bestuursorgaan georganiseerde gelegenheid voor inwoners, bedrijven en belanghebbenden om hun mening over beleidsvoornemens te geven en daarover toelichting te geven en van gedachten te wisselen voorafgaand aan de definitieve besluitvorming door de raad, of burgemeester en wethouders of de burgemeester
e: wanneer besluiten ten aanzien van de fysieke leefomgeving worden voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. inspraak wordt verleend aan inwoners, bedrijven en belanghebbenden.
Een geel gekleurd vakje betekent dat er een wijziging wordt voorgesteld.
Ligplaatsenverordening woonschepen 2020 Artikel 1 Begripsbepalingen 1. beschermd stadsgezicht: het bij ministerieel besluit van 14 oktober 1993, kenmerk 187.298, aangewezen gebied met een bijzonder cultuurhistorisch karakter. Binnen dit gebied gelden beschermende regels om de cultuurhistorische waarde te behouden. 2. bijbehorende voorzieningen: zaken zonder welke het gebruik dan wel onderhoud van het woonschip niet of niet goed mogelijk is, zoals een bijboot, steiger, werkvlot en/of maximaal 2 toegangsvoorzieningen. 3. bijboot: een licht vaartuig, waarvan de bovenkant niet hoger is dan 1,5 meter boven de waterlijn en de oppervlakte niet groter is dan 15 m2. 4. werkvlot: een drijvend object ten behoeve van onderhoud met een maximale oppervlakte van 4 m2. 5. toegangsvoorziening: een voorziening die vanaf de wal toegang tot het woonschip mogelijk maakt. 6. college: het college van burgemeester en wethouders. 7. ligplaats: een gedeelte van openbaar water in de gemeente Zwolle, dat in het geldende bestemmingsplan als zodanig is aangewezen. 8. woonschip: een schip dat in hoofdzaak voor bewoning wordt gebruikt en dat bestemd is en gebruikt wordt voor de vaart.
Daaronder worden tevens verstaan, de schepen gelegen tussen de Diezerpoorterbrug en het Pelserbrugje aan de zijde van de Pletterstraat welke bestemd zijn voor horeca- en cultuurdoeleinden met – alleen in combinatie hiermee en ondergeschikt hieraan-, een woonfunctie en voor zover het een schip betreft dat bestemd is en gebruikt wordt voor de vaart. 9. peil: het waterpeil ter plaatse van de ligplaatsen. 10. walgebruik: het gebruik van de naast het woonschip gelegen oever als tuin en/of berging. Voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van normaal gebruik van het woonschip, waaronder toegangsvoorzieningen, vallen buiten deze definitie Artikel 2 Wijze van meten 1. De hoogte van een woonschip: vanaf het peil tot het hoogste punt van een woonschip, met uitzondering van ondergeschikte onderdelen van een woonschip, zoals masten, schoorstenen, antennes en daarmee vergelijkbare voorzieningen. 2. De breedte van een woonschip: het punt waar de constructie van het woonschip, inclusief loopranden, stootranden, dakranden, goten en vergelijkbare constructies, het breedst is. Ondergeschikte en/of niet-vaste delen die buiten de constructie steken, zoals zwaarden, rondhouten en eenvoudig demontabele voorzieningen, worden niet meegerekend. 3.
De lengte van een woonschip: het punt waar de constructie van het woonschip, inclusief loopranden, stootranden, dakranden, goten en vergelijkbare constructies, het langst is. Ondergeschikte en/of niet-vaste delen die buiten de constructie steken, zoals rondhouten, roerbladen en boegsprieten, en eenvoudig demontabele voorzieningen worden niet meegerekend
Artikel 3 Ligplaatsenvergunning 1. Het is verboden om zonder ligplaatsenvergunning van het college met een woonschip een ligplaats in te nemen. 2. Een aanvraag om een ligplaatsenvergunning wordt ingediend met behulp van een daartoe vastgesteld formulier. 3. Een ligplaatsenvergunning wordt geweigerd als: a. het innemen van de beoogde ligplaats niet is toegestaan op grond van het bestemmingsplan dan wel het beoogde gebruik daarmee in strijd is en er – voor zover van belang - niet meegewerkt wordt aan het afwijken van het bestemmingsplan. b. de verlening van de ligplaatsenvergunning zou leiden tot een overschrijding van het maximaal aantal aangewezen ligplaatsen in een geldend bestemmingsplan. c. voor de ligplaats al een vergunning is verleend en de houder van die vergunning niet bereid is om de inname van de betreffende ligplaats te beëindigen. d. het woonschip niet voldoet aan de eisen zoals bepaald in artikel 4 en 8 en voor zover van toepassing, artikel 5. e. het woonschip niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand, tenzij het college van oordeel is dat de ligplaatsenvergunning niettemin moet worden verleend. Het college wijkt in dat geval gemotiveerd van het advies van de welstandscommissie af. 4.
Het college kan afwijken van het in lid 3 onder d bepaalde indien het de maatvoering en bijbehorende voorzieningen van een eerder bewoond en vergund woonschip in de gemeente Zwolle betreft en dat in het belang van de volkshuisvesting is of strikte toepassing van het bepaalde leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. 5. De ligplaatsenvergunning wordt op naam van de aanvrager van de vergunning gesteld en vermeldt de plaatsaanduiding van de desbetreffende ligplaats, de bijbehorende voorzieningen en de kenmerken van het woonschip, waaronder de naam en de maten. 6. Het college verleent de ligplaatsenvergunning in beginsel voor onbepaalde tijd. Het college kan in voorkomende gevallen een ligplaatsenvergunning voor bepaalde tijd verlenen. 7. Aan een ligplaatsenvergunning kunnen, in aanvulling op de eisen zoals gesteld in deze verordening, aanvullende voorschriften worden verbonden. De voorschriften kunnen onder andere betrekking hebben op: a. veiligheid en volksgezondheid. b. de maximale diepgang van het woonschip. c. de bij het woonschip toegestane voorzieningen. d. de redelijke eisen van welstand. Artikel 4 Plaats, maatvoering en onderlinge afstand 8. vandient een woonschip kan debinnen ligplaatsenvergunning het liggende woonschip 1. Bij Hetverkoop woonschip geheel te liggen de daartoe in eenvan geldend bestemmingsplan op aanvraagzone.
door het college worden overgeschreven op naam van de nieuwe eigenaar. aangeduide
2. Voor woonschepen gelden de volgende regels:
a. Ter plaatse van de aanduiding ‘woonschepenligplaats’ in een geldend bestemmingsplan: 1. Ter plaatse van ‘specifieke bouwaanduiding-1’: -mag de lengte van een woonschip maximaal 30 meter bedragen; -mag de breedte van een woonschip maximaal 6 meter bedragen; -mag de hoogte van een woonschip maximaal 5 meter bedragen; -mag de hoogte van een roef en luikenkap maximaal 3 meter bedragen. 2. Ter plaatse van ‘specifieke bouwaanduiding-2’: -mag de lengte van een woonschip maximaal 25 meter bedragen; -mag de breedte van een bouwwerk maximaal 5 meter bedragen; -mag de hoogte van een woonschip maximaal 3,5 meter voor ten minste 1/3e deel van de lengte van het bouwwerk en maximaal 5,5 meter voor het overige deel bedragen. -moeten de aanbouwen, uitbouwen, opbouwen dan wel terrassen van het woonschip passen binnen de hierboven voorgeschreven maximale maatvoering, waarbij een terras op tenminste 3 meter van een aangrenzende boot ligt. 3. Ter plaatse van ‘specifieke bouwaanduiding-3’: -mag de lengte van een woonschip maximaal 25 meter bedragen; -mag de breedte van een woonschip maximaal 6 meter bedragen; -mag de hoogte maximaal 3 meter bedragen voor ten minste 1/3e deel van de lengte van het bouwwerk en maximaal 4,5 meter voor het overige deel bedragen.
-moeten de aanbouwen, uitbouwen, opbouwen dan wel terrassen van het woonschip passen binnen de hierboven voorgeschreven maximale maatvoering, waarbij een terras op tenminste 3 meter van een aangrenzende boot ligt. 4. Ter plaatse van de ‘specifieke bouwaanduiding-4’: -mag de lengte van een woonschip mag maximaal 25 meter bedragen; -mag de breedte van een woonschip mag maximaal 6 meter bedragen; -mag de hoogte van een woonschip mag maximaal 3,5 meter voor ten minste 1/3e deel van de lengte van het bouwwerk en maximaal 5,5 meter voor het overige deel bedragen. -moeten de aanbouwen, uitbouwen, opbouwen dan wel terrassen van het woonschip passen binnen de hierboven voorgeschreven maximale maatvoering, waarbij een terras op tenminste 3 meter van een aangrenzende boot ligt.
b. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van water – ligplaats horecaschepen’: -mag de lengte van een woonschip maximaal 30 meter bedragen; -mag de breedte van een woonschip maximaal 6 meter bedragen; -mag de hoogte van een woonschip maximaal 5 meter bedragen. c. De minimale afstand tussen de opbouwen van een woonschip en een ander woonschip, een drijvend bouwwerk en/of een recreatief schip dient ten minste 5 meter te bedragen, tenzij de bestaande afstand tussen de opbouwen kleiner is zoals vergund op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, dan mag de bestaande afstand worden gehandhaafd, totdat het woonschip wordt vervangen door een ander woonschip. d. De minimale afstand tussen een woonschip en een ander woonschip, een drijvend bouwwerk en/of een recreatief schip, dient ten minste 3 meter te bedragen, tenzij de bestaande afstand kleiner is zoals vergund op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, dan mag de bestaande afstand worden gehandhaafd, totdat het woonschip wordt vervangen door een ander woonschip.