Bijlage 9 - Nader onderzoek ecologie
Tekst van het document
Struikrover
Wildcamera
Tijdens het plaatsen en ophalen van de camera’s is specifiek gezocht naar sporen (poep-, prooi-, haarresten en loopsporen) die duiden op het gebruik van de planlocatie door marterachtigen. Middels een UV-lamp zijn de hoekjes in en buiten de schuur onderzocht op eventuele urinesporen. Er zijn geen waarnemingen gedaan van egels, marterachtigen of andere beschermde soorten. Wel zijn er slakken, vogels (koolmees, roodborst)
10
NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – ZWARTEWATERALLEE ZWOLLE
en muizen vastgelegd. Omdat deze beelden irrelevant zijn voor het onderzoek zijn deze niet opgenomen in deze rapportage. Habitatbeoordeling Het groen binnen de invloedsfeer van de planontwikkeling betreft een deel (openbaar) groen met bomen, struiken, heesters en gazon. Gezien de ligging van het plangebied is er nauwelijks sprake van de drie V’s. Ook de grootte van de home range is feitelijk van onvoldoende omvang. Voedsel Het perceel is een onderhouden gazon met heesters, struiken en wat onderbegroeiing in een behoorlijk versteende omgeving. Het bodemleven is schaars waardoor er nauwelijks voedsel te vinden/aanwezig is. Veiligheid Er is zeker geen veilige omgeving voor de marterachtigen om hun voedsel te zoeken of verblijfplaatsen te vestigen. Het aanwezige groen is zeer gering van omvang waardoor een populatie of zelfs individu zich er niet zal vestigen omdat de enkele benodigde functies voor een geschikt habitat ontbreken. Verbindingszones Er is geen sprake van (robuuste) verbindingszones tussen de verschillende groenelementen.
11
NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – ZWARTEWATERALLEE ZWOLLE
Locatie van de struikrovers camera’s:
Locatie wildcamera Locatie struikrovers
12
NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – ZWARTEWATERALLEE ZWOLLE
4.4 Ecologie marterachtigen Grote marterachtigen De boom- en steenmarter lijken sterk op elkaar. De boommarter heeft meestal een gele bef, de steenmarter een witte bef. Maar er komen boommarters voor met een (geel-) witte bef en steenmarters met een gelige bef. De oren van de boommarter zijn groter en staan meer naar het midden van de kop; die van een steenmarter meer naar de zijkant. De neusdop van een volwassen boommarter is zwart/bruin, die van de steenmarter vleeskleurig (roze). Verschillen die nogal eens genoemd worden zijn een lichte rand aan de oren bij de boommarter en het doorlopen van de bef op de voorpoten bij een steenmarter. Dit zijn echter vooral individuele verschillen en niet bruikbaar om de soorten van elkaar te onderscheiden. Het enige echte verschil is de ondervacht die bij de boommarter donker (grijs-bruin) is en bij een steenmarter licht (wit). De Steenmarter De steenmarter heeft het formaat van een huiskat maar dan met veel kortere poten. Deze soort is te vinden in de omgeving van dorpen, boerderijen en zelfs in grote steden. De voorkeur gaat uit naar gebieden met kleinschalige landbouw, oude schuren, en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang omdat hij zich hierlangs verplaatst en foerageert. Het leefgebied kan een grootte van 80 tot 700 ha. omvatten.
Binnen het leefgebied heeft de steenmarter tientallen verblijfplaatsen die wisselend worden gebruikt. Van deze tientallen verblijfplaatsen zijn er enkele van groter belang als nestplek en/of voedselopslag. De steenmarter heeft verblijfplaatsen in boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders, kruipruimtes, spouwmuren en ruimtes onder dakbedekking. De steenmarter eet zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Op zijn menu staan o.a. muizen, ratten, egels, jonge konijnen, vogels, eieren, kevers, rupsen, kikkers en regenwormen, bessen en fruit. Vaak wordt de prooi meegenomen naar een rustig plekje om daar verorberd te worden. De Boommarter De boommarter is een lang en slank zoogdier dat zich vlug en lenig door bomen verplaatst. De boommarter is qua formaat als een huiskat maar met veel kortere poten. De sterk behaarde, volle, pluimstaart neemt bijna een derde van de totale lengte in beslag. Hiermee kan de boommarter goed zijn evenwicht bewaren bij het achtervolgen van een prooi in de bomen. Door de relatief lange achterpoten is de rug bij het lopen licht naar voren gebogen. De kop is spits met vrij grote oren. Poten en snuit zijn bijna altijd donkerder dan de koffie- tot roodbruine vacht met grijsbruine ondervacht. Opvallend is de gele, soms bijna witte, bef waarvan het patroon met vlekken en vorm individueel verschilt.
13
NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – ZWARTEWATERALLEE ZWOLLE
Kleine marterachtigen Anders dan bij grote marters, is er nog veel onbekend over bunzing, hermelijn en wezel. Er zijn sterke aanwijzingen dat deze soorten in aantallen achteruitgaan. De oorzaak is complex, maar heeft in ieder geval te maken met de verandering van het agrarisch cultuurlandschap. Door de afname van kleinschaligheid en diversiteit en de toename van verkeersintensiteit komen populaties onder druk te staan. Als de soorten niet actiever worden beschermd bestaat de kans dat ze uitsterven. Dat zou nadelig zijn voor de biodiversiteit. Alle drie de soorten hebben een territoriumgrootte die afgestemd is op het voedselaanbod. Het leefgebied vervult de volgende ecologische functies: 1. foerageergebied met voldoende dekking, 2. verbindingen met andere leefgebieden en 3. rust- en voortplantingsplaatsen. En voor de hermelijn en in mindere mate ook voor de bunzing is van belang: 4. water. De hermelijn en de wezel zijn ook overdag actief, de bunzing voornamelijk s ’nachts. Ze zijn dan meestal op zoek naar voedsel. Het voedsel van de hermelijn bestaat uit konijnen, woelmuizen, maar ook ware muizen, ratten, vogels, inclusief hun jongen en eieren worden gegeten. De wezel is een specialist die voornamelijk op woelmuizen jaagt, maar op zijn menu staan ook ware muizen, spitsmuizen en ongewervelden.
De bunzing jaagt voornamelijk op kleine zoogdieren zoals woelmuizen, ware muizen, en ratten maar ook amfibieën worden geregeld gegeten evenals bessen en fruit. Slapen doen ze in een verborgen hoekje, meestal in een hol. Ze graven nooit zelf een hol, maar maken gebruik van bestaande gaten en holten, zoals mollennesten, rattenholen, drainagepijpen, houtstapels, takkenhopen, opgestapeld puin, holle bomen, schuurtjes, stapels hooien strobalen en alle andere mogelijke schuilplaatsen die een erf of een opslagplaats kan hebben. Elk dier beschikt over meerdere van zulke onderkomens. Kenmerken Bunzing De bunzing (Mustela putorius) is de grootste kleine marter. Het mannetje is met een kop- romp lengte van 33 tot 45 cm en een gewicht van 500 – 1800 gram duidelijke groter dan het vrouwtje, welke doorgaans een kopromp- lengte heeft van 28 tot 38 cm en 300 tot 900 gram weegt. De bunzing is herkenbaar aan de donkerbruine vacht waarbij de geel of geelwitte ondervacht vaak duidelijk doorschijnt. Ook de witte snuit, witgerande oren en witte ‘halve maantjes’ boven de ogen zijn kenmerkend. De gedomesticeerde bunzing, de fret, komt soms verwilderd voor. Biotoop De bunzing komt in allerlei landschapstypen voor. Het dier lijkt echter een voorkeur te hebben voor kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid.
Ook in een bebouwde omgeving met veel groen kan de bunzing voorkomen, evenals in open bossen (Pertoldi et al., 2006). In de winter wordt de bunzing ook wel in schuurtjes, kelders of hooizolders aangetroffen (Birks, 1998) aangezien deze locaties goede beschutting bieden tegen de kou Kenmerken Hermelijn De hermelijn lijkt erg op de wezel maar is duidelijk groter. Hij heeft een lange zware behaarde staart met een zwarte pluimpunt. De rug is grijs- of beigebruin en de buik wit. De demarcatielijn (scheidingslijn tussen de bruine rugkleur en de lichte buikkleur van de vacht) is strak en recht, in tegenstelling tot de wezel waarbij die kronkelig is. De hermelijn heeft geen donkere keelvlekken. De hermelijn heeft een zomer- en een wintervacht. In de zomer is de vacht roodbruin, in de winter is het soms wit. Het staartpuntje blijft echter altijd zwart. In het koudere deel van het verspreidingsgebied van de hermelijn wordt de vacht in de winter geheel wit. In warmere gebieden wordt de wintervacht slechts gedeeltelijk wit. Nederland ligt net op de grens tussen koud en niet koud: een deel van de hermelijnen veranderd van kleur,
14
NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – ZWARTEWATERALLEE ZWOLLE
maar er worden elke winter ook bruine dieren waargenomen. Vroeger werden wintervachten van hermelijnen gebruikt voor het vervaardigen van koningsmantels. De kenmerkende witte bontkraag met zwarte stippen. Biotoop De hermelijn leeft solitair in territoria van tussen de 4 en 50 ha groot. Het vrouwtje heeft een leefgebied dat drie- tot viermaal zo klein is als die van het mannetje. Een leefgebied van een mannetje overlapt dat van meerdere vrouwtjes. Met geurklieren markeren ze hun territorium. De hermelijn leeft in een hol, meestal een oud mollennest of konijnenhol en verplaats zich meestal langs lijnvormige elementen die dekking bieden zoals heggen, muurtjes, oeverlijnen, etc. Ook maakt hij hierbij geregeld gebruik van holen van andere dieren. Een hol of gang moet een doorsnede hebben van vijf centimeter Tijdens de route gaat de hermelijn op zijn achterpoten staan om de omgeving goed te kunnen overzien. Men noemt dit ook wel ‘kegelen’. Hermelijnen kunnen goed klimmen en jagen soms zwemmend (achter woelmuizen aan).
Kenmerken wezel De wezel (Mustela nivalis) is het kleinste roofdier van Europa en behoort tot de familie der marterachtigen. Een wezel lijkt wel wat op een slanke, lange, snelle muis die zich met golvende bewegingen met 30 cm verre sprongen verplaatst. Verwarring met andere marterachtigen kan optreden (hermelijn). De vrouwtjes zijn een stuk kleiner dan de mannetjes. Ze zijn zelfs zó klein, dat ze muizen tot in hun gangenstelsels kunnen achtervolgen. Ze kunnen door een opening van slechts 28 mm doorsnee. Een wezel lijkt wel wat op een slanke, lange, snelle muis die zich met golvende bewegingen met 30 cm verre sprongen verplaatst. Het lichaam is slank en langgerekt met korte poten en een korte staart. De rug is grijsbruin, de buik wit met een onregelmatige afscheidingslijn, in tegenstelling tot de hermelijn die een scherpe kleurlijn heeft tussen bruin (rug) en wit buik. Soms zijn de voetjes wit. Soms met een bruine keelvlek bij de mondhoeken. De staart van de wezel is kort en geheel bruin, in tegenstelling tot de staart van de hermelijn die langer is met een zwarte punt. In Nederland wordt de wezel in de winter niet (deels) wit; een andere ondersoort die voorkomt in Zweden en Rusland wel. In Nederland is de hermelijn dus het enige zoogdier dat 's winters wit kan worden. Biotoop De wezel komt voor in heel Europa, behalve in Ierland.
In Nederland komt hij nog overal voor, maar minder dan vroeger. Op de Waddeneilanden ontbreekt de soort. De soort leeft tot boven de boomgrens. Wezels leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap (Rd) maar verder in veel verschillende biotopen (zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. Meestal in droger gebied dan de hermelijn. Echter overal waar woelmuizen ontbreken, ontbreekt ook de wezel. Ze zoeken graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden en de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt.
15
NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – ZWARTEWATERALLEE ZWOLLE
5. Resultaten en conclusie In de nazomer van 2023 is er onderzoek uitgevoerd doormiddel van het plaatsen van cameravallen met wildcamera’s en struikrovers. Deze zijn geplaatst op locaties die vrij is van menselijke activiteit en in potentie geschikt is als (migratie)route voor kleine marterachtigen. Ecologische verbindingszones zoals struwelen en ruigtes met geven voldoende voedselmogelijkheden, maar ook dekking en veiligheid voor eventuele predatoren. De aantrekkende werking van de geurende sardientjes heeft een spitsmuis gelokt naar de Struikrover. Daarnaast zijn de nog waarnemingen gedaan van de koolmees en merel. Naast nog diverse insecten zijn er geen marterachtigen op beeld vastgelegd. In combinatie met het ontbreken van overige aanwijzingen (verblijfplaatsen, krabsporen, prooiresten of uitwerpselen) heeft opdrachtgever alles gedaan wat redelijkerwijs van hen verwacht mag worden om te voorkomen dat er schadelijke handelingen plaatsvinden conform de Omgevingswet betreffende de steenmarter (en kleine marterachtigen). De wildcamera is in een struikgewas te midden van het verruigde deel plangebied geplaatst. De struikrovers zijn in bospassages geplaatst die als ecologische verbindingszones kunnen dienen. Dit heeft geen waarnemingen / hits opgeleverd. De grootte van de home range is onder andere afhankelijk van het seizoen, leeftijd, sekse en voedselaanbod.
Onder optimale omstandigheden kan 10 hectare functioneel leefgebied al genoeg zijn voor een vrouwtje (Hofmeester & Dekker, 2016). Territoria kunnen tot enkele duizenden hectare groot zijn. Voor zowel bunzing, hermelijn als wezel geldt dat zij in ons land in zeer verschillende biotopen worden aangetroffen. Om bestaand (potentieel) leefgebied te kunnen herkennen of om nieuw leefgebied te realiseren is het goed om een beeld te hebben van waar leefgebied van kleine marters aan moet voldoen en welke functies het vervult. Hoewel het leefgebied van bunzing, hermelijn en wezel verschilt, is er wel een aantal overeenkomsten aan te wijzen. Alle drie de soorten hebben een territoriumgrootte die is afgestemd op het voedselaanbod. Het leefgebied vervult de volgende ecologische functies: 1.
Foerageergebied met voldoende dekking
2.
Verbindingen met andere leefgebieden
3.
Rust- en voortplantingsplaatsen
4.
Voor hermelijn, en in mindere mate ook voor de bunzing, is ook van belang:
5.
Water Foerageergebied met voldoende dekking
Kleine marters hebben een voorkeur voor structuurrijk kleinschalig (cultuur-)landschap waarin zij voldoende dekking vinden (Zub, et al., 2008; Ĉervinka, et al., 2013). Als jachtgebied wordt gebruik gemaakt van landschapselementen zoals overhoekjes, bosjes en hagen. Ook (delen van) weilanden die direct grenzen aan dekking biedende structuren worden als jachtgebied benut. Buiten de dekking van vegetatie zijn kleine marters kwetsbaar voor andere predatoren. Open veld wordt dan ook gemeden en in de regel zullen ze zich niet verder dan enkele meters uit de dekking van vegetatie wagen. De bunzing kan ook in het bos worden aangetroffen (Baghli, et al., 2005). Kleine bosjes, bosranden en bossen met een open structuur hebben dan de voorkeur. Verbindingen Het belang van lijnvormige landschapselementen is groot voor kleine marters. Deze
16
NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – ZWARTEWATERALLEE ZWOLLE
lijnvormige elementen verbinden niet alleen leefgebieden met elkaar, zij vormen zelf eveneens leefgebied. Via de landschapselementen verplaatsen de dieren zich tussen hun rustplaatsen en ook vinden zij er hun prooi. Hoewel zowel wezel, hermelijn als bunzing kan klimmen, verplaatsen de dieren zich over het algemeen over de grond. Lanen, kale bomensingels of opgesnoeide hagen zijn dan ook niet geschikt, de vegetatie moet tot aan de grond reiken. Wel potentieel geschikt als leefgebied zijn landschapselementen als: •
Groene oevers
•
Houtwallen
•
Hagen
•
Takkenrillen
•
Bosranden
•
Struweel
•
Hoge graslandvegetatie
•
Boomgaarden
•
Rommelhoekjes
•
(Wilgen-)singels
•
Graften en steilranden
•
Greppels
•
Rietlanden‘
Conclusie: Het bureau-onderzoek, habitatgeschiktheidsonderzoek en de cameravallen geven geen aanleiding om aan te nemen dat de kleine marterachtigen gebruik maken van de planlocatie. Ook de waarneming van de huiskat (predator) maakt het leefgebied suboptimaal. Derhalve blijft een groot deel van het habitat intact.
17
NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – ZWARTEWATERALLEE ZWOLLE
Disclaimer Deze rapportage is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven. Niets uit deze rapportage mag, met uitzondering van de opdrachtgever, worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, kopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van Ecofect B.V., noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecofect B.V. is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen. De opdrachtgever vrijwaart Ecofect B.V. voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie. © 2024 Ecofect B.V.; Nunspeet
18