CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 9 - Nader onderzoek ecologie

Raad Besluitvormingsronde 23 september 2024, gemeente ZwolleBij agendapunt: Ruimtelijk Ontwikkelplan Havezate- Zwartewaterallee19.652 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Welke soorten zijn beschermd? De Omgevingswet kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Er is een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

28

Plantensoorten

Verstoren

Eieren

beschadigen of vernielen

Doden/ vangen

TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb

Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wnb

Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen. Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.

Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art 3.1 lid 4 en 5 Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Art 3.10 lid 1b Het is verboden vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

29

TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief

Bijlage 3

Vrijgestelde soorten per provincie Zuid-Holland

Zeeland

Utrecht

Overijssel

Amfibieën Bruine Kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Bastaardkikker Reptielen Hazelworm Levendbarende hagedis Landzoogdieren Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Molmuis Ondergrondse Woelmuis Ree Rosse Woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Wild Zwijn Woelrat

Noord-Holland

Soort

Noord-Brabant

Limburg

Groningen

Gelderland

Friesland

Flevoland

Drenthe

Provincie

Legenda Vrijgestelde soort 1 = Vrijgesteld jul - sep 2 = Vrijgesteld 15 aug - 15 okt 3 = Vrijgesteld mrt - apr en jul - nov 4 = Vrijgesteld 15 aug - feb Geldig per: 4 oktober 2022 Bronnen: Regelink Habitus Natuurinclusief

1 2

3

4

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

30

TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief

Bijlage 4

Natuurkalender Jan

Houtopstanden Afzetten/hakhoutbeheer Dunnen Verw. opslag/exoot Knotten Snoeien

Terugzetten

Zuiveren Vellen

Feb

Mrt

Apr

Mei

Jun

Jul

Aug

Sep

Okt

Nov

Algemeen Heg afzetten Algemeen Algemeen Algemeen Opsnoeien/opkronen Hoogstam wintersnoei Hoogstam zomersnoei Vleermuisbomen zomerverblijf Vleermuisbomen paarplaats Bomen met winterslaapvogels Hazelmuis struweel hakhoutbeheer Boomkikker struweel Das Grondgebonden kleine zoogdieren Sleedoornstruwelen voor sleedoornpage

Pionier, grazige en ruigte vegetaties Maaien Algemeen Vochtig/nat grasland Droog schraalgrasland Afgraven Ruigte vegetatie met amfibieën Ophogen Ruigte vegetatie met reptielen Heide Maaien Plaggen Branden Afgraven Ophogen

Algemeen Heide met reptielen Algemeen Algemeen Algemeen

Wateren (poel, moeras, watergang en beek) Graven Algemeen Aanbrengen Kunstwerken nieuwe wateren Kunstwerken bestaande wateren Opschonen Algemeen Poel Baggeren Algemeen Dempen Algemeen Oever-, water- en moerasvegetatie Maaien Algemeen Afgraven Algemeen Ophogen Algemeen Bebouwing en muren Verbouwen Renoveren Slopen

Algemeen Zomerverblijf vleermuizen Winterverblijf vleermuizen Gebouwen met uilen Gebouwen met zwaluwen

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

31

Dec

TOETSING OW EN NNN – Gombertstraat 350, Zwolle Status: Definitief Legenda Optimale perioden voor werkzaamheden. In deze perioden zijn de minste kans op verstoringen van planten en dieren. Acceptabele perioden voor werkzaamheden, mits er geen verstoring van planten en dieren plaatsvindt. De werkzaamheden verrichten onder begeleiding van een ter zake kundige. Geen werkzaamheden in deze perioden. Wanneer andere zwaarwegende belangen gelden dan de werkzaamheden verrichten onder de voorwaarden. Bijvoorbeeld voorwaarden in de ontheffing Omgevingswet.

Bronnen: Natuurbank Overijssel Natuurkalender Arnhem

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

32

Nader onderzoek soorten GOMBERTSTRAAT

ZWOLLE

Vleermuisonderzoek conform vleermuisprotocol 2021

Datum:

13 november 2023 – update OW juni 2024

Project:

NOV50271

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

INHOUD 1.

Colofon

3

2.

Samenvatting

4

3.

Inleiding

5

3.1

Aanleiding

5

3.2

Planlocatie

5

3.3

Werkzaamheden

6

4.

Wettelijk kader

7

5.

De vleermuis

8

6.

Werkwijze

9

6.1

Vleermuisprotocol 2021

9

6.2

Checklist

10

6.3

Bureauonderzoek

14

6.4

Werkwijze onderzoek

15

6.5

Onderzoeksresultaten

15

7.

Verantwoording

Disclaimer

18 19

2

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

1. Colofon Onderzoek

Nader onderzoek vleermuis

Document

NOV50271

Datum

13 november 2023 – update OW juni 2024

Locatie

Gombertstraat; Zwolle

Opdrachtgever

BJZ.NU

Opdrachtnemer

Ecofect B.V.

Ecoloog

P. Smits / P. Wiegel

Adres

Laan 21, 8071 JG Nunspeet

Telefoon

06-12918775

Email

info@ecofect.nl

Internet

www.ecofect.nl

KvK-nummer

87036487

Btw-identificatienr.

Nl864184311B01

Rekeningnummer

NL39 RABO 0198 8908 69

3

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

2. Samenvatting Samenvattend: •

Er is een zomer / kraam en een winterverblijfplaats vastgesteld van de gewone dwergvleermuis. Er zijn geen essentiële vliegroutes van vleermuizen aangetroffen in en nabij de (te slopen) bebouwing. Er zijn geen paarroepjes en baltsgedrag waargenomen, waardoor er ook geen opnames zijn gemaakt.

•

Het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute: Het plangebied wordt in de toekomstige situatie niet veranderd waardoor er geen essentiële lijnelementen verloren gaan.

•

Er gaan verblijfplaatsen of essentiële functies verloren door of tijdens de geplande ingreep. Een ontheffing is noodzakelijk.

•

Vliegroutes, waarbij met een zekere regelmaat vleermuizen passeren, zijn niet aangetroffen.

•

Elke inventarisatie is een steekproef gebaseerd op momentopnamen.

Hierdoor is niet uitgesloten dat soorten en functies die tijdens de inventarisatie niet waargenomen zijn, op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is acceptabel omdat met het volgen van de inventarisatieprotocollen gedaan is ‘wat redelijkerwijs verwacht kan worden’. Hiermee is voldoende invulling gegeven aan zorgplicht van de Omgevingswet.

4

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

3. Inleiding 3.1 Aanleiding BJZ.NU heeft aan Ecofect B.V. gevraagd een vleermuisonderzoek uit te voeren ten behoeve van Gombertstraat te Zwolle. Op basis van bevindingen vanuit de eerder afgenomen QuickScan van BJZ (pr. nr. 2022-521) is besloten een aanvullend onderzoek uit te voeren conform het vleermuisprotocol 2021. In deze rapportage zijn de bevindingen van diverse veldbezoeken opgenomen. Om zekerheid en inzicht te krijgen op het voorkomen van schadelijke handelingen Omgevingswet hebben we ervoor gekozen om de volledige checklist vleermuizen door te lopen en te rapporteren met daarbij wel de reële inschatting of de aard van de ingreep invloed heeft op het soort.

3.2 Planlocatie De planlocatie bestaan uit bebouwing en deel verruigd gebied. Het blauwe gedeelte wordt behouden, de rest wordt gesloopt en her ontwikkeld. Het plangebied ligt middenin de woonkern van Zwolle.

Figuur 1 – planlocatie en onderzoeksgebied

5

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

3.3 Werkzaamheden Initiatiefnemer is voornemens een gedeelte van de bebouwing te slopen en daar nieuwbouw voor te realiseren. Voor de inhoudelijke vragen hierover wordt verwezen naar de opdrachtgever.

Figuur 2 – Ontwerpplannen

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn blijvend van karakter. De functie van het plangebied zal gelijk blijven en ecologisch niet veranderen. De ingrepen en effecten van de ingreep in relatie tot natuurwaarden: •

Bouwwerkzaamheden/ Sloop

•

Aan- en afvoer materiaal.

•

Verwijderen beplanting/ Aanleggen erfverharding

De mogelijk aanwezige ecologische functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).

6

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

4. Wettelijk kader Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Deze wetgeving vervangt o.a. de Wet natuurbescherming. In deze wet is o.a. de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. Dit onderzoek beperkt zich tot soortbescherming vleermuis. Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een: ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ Anders dan bij een ‘Natura 2000-activiteit’, waarvan pas sprake is als een activiteit leidt tot een kans op significante gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden, is er al sprake van een ‘flora- en fauna-activiteit’ als het een mogelijk gevolg heeft voor één van nature in het wild levend dier of plant, ongeacht of deze soort beschermd is volgens de Omgevingswet. Doordat in de definitie wordt verwezen naar ‘van nature’ in het wild levende soorten, gaat de definitie niet op voor niet-van nature voorkomende soorten. Met andere woorden, de regels voor flora- en fauna-activiteiten gelden niet voor soorten die buiten het natuurlijk verspreidingsgebied voorkomen of exoten, tenzij specifiek vermeld. Als er sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient er rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht), art.

11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen). Hoewel de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal alleen betrekking hebben op de bij wet beschermde soorten, gelden de artikelen 11.27 en 11.28 ook met betrekking tot de niet-beschermde soorten. Specifieke zorgplicht flora en fauna In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor onder meer alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ die, zoals hiervoor aangegeven, vrijwel alle ruimtelijke activiteiten betreft (art. 11.27 Bal). 8 Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht die in de Omgevingswet staat (zie hiervoor).9 Iedereen die een flora- en fauna-activiteit uitvoert, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.27, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. In het tweede lid onder a is er met betrekking tot de reikwijdte van de zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten aangegeven dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat moet worden nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn.

Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende: • Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, 2e lid Vrl; • Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V Hrl; • nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal); • dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten; • voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Als deze aanwijzingen er zijn, moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan wordt gevraagd om na te gaan welke nadelige gevolgen kunnen optreden en passende preventieve maatregelen te nemen, de activiteit te staken, of, als dat niet kan, passende herstelmaatregelen te nemen. Verder wordt er ook gevraagd om tijdens en na het verrichten van de activiteit na te gaan of de getroffen passende preventieve maatregelen de beoogde effecten hebben. De zorgplicht geldt altijd voor alle in het wild levende soorten, ongeacht een eventueel van toepassing zijnde vrijstelling, gedragscode of vergunning.

De zorgplicht voor soorten is bovendien niet beperkt tot de dieren en planten zelf, maar ook tot de directe leefomgeving van de soorten. Dat betreft voor dieren de foerageergebieden, rust en vaste verblijfplaatsen en plaatsen voor het grootbrengen van de jongen. Mochten de zorgplichtbepalingen

7

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

niet helder genoeg zijn, dan staat het bevoegd gezag vrij om middels maatwerkregels (artikel 11.29 Bal) of maatwerkvoorschriften (artikel 11.31 Bal) deze te verduidelijken. Bijvoorbeeld door het opnemen van regels in een provinciale Omgevingsverordening of het stellen van een maatwerkvoorschrift of vergunningsvoorschrift. Zoals ook aangegeven hiervoor met betrekking tot de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden, is de kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en fauna-activiteiten dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan worden gevergd, moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Ook in art. 11.27, tweede lid wordt verwezen naar passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen. In art. 11.27, tweede lid onder b Bal wordt aangegeven dat er moet worden ‘vastgesteld’ of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Daarnaast zijn de overige voorwaarden in het tweede lid onder c t/m f zodanig concreet dat in deze bewoording kan worden gelezen dat er aantoonbaar aan deze voorwaarden moet worden voldaan, zeker ook met in het achterhoofd dat de specifieke zorgplichten in de Omgevingswet zowel bestuurlijk als strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd.

Om aantoonbaar aan de voorwaarden van de specifieke zorgplicht te kunnen voldoen, is het noodzakelijk dat de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek wordt vastgelegd. Hiertoe kan door ecologische adviesbureaus – naast een bureaustudie door raadpleging van verspreidingsgegevens in tools zoals de NDFF – een ‘Habitatcheck’ worden uitgevoerd naar het voorkomen van de genoemde soorten, op basis van de geschiktheid van het aanwezige habitat als leefgebied van deze soorten. Afhankelijk van het aan te treffen habitat, kan daardoor goed inzicht worden verkregen in het mogelijk voorkomen van soorten of soortgroepen. Of een nader onderzoek ook naar redelijkheid kan worden gevergd om de aanwezigheid te kunnen uitsluiten, zal afhangen van de opdrachtgever. Vervolgens moet worden beschreven in de Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten of dat deze kunnen worden voorkomen, beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt door maatregelen zoals hiervoor aangegeven. De soortenbeschermingsregimes In de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 Bal zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: •

§ 11.2.2 Bal: omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn

•

§ 11.2.3 Bal: omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn

•

§ 11.2.4 Bal: omgevingsvergunning andere soorten

Onder iedere paragraaf zijn de vergunning plichtige gevallen en de vergunningsvrije gevallen aangegeven. In de Omgevingswet wordt niet meer gesproken over verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of vrijstelling kan worden verleend, maar over schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval. De inhoud van de schadelijke handelingen komen overeen met de verbodsbepalingen van de soortenbeschermingsregimes uit de Wnb, aangezien deze rechtstreeks voortkomen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale Verdragen en betreffen de volgende schadelijke gevallen:

8

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

Schadelijke handelingen Vogelrichtlijn (art. 11.37 Bal):

Schadelijke handelingen Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal):

Schadelijke handelingen andere soorten (art. 11.54 Bal)

Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in art. 1 Vrl

Het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren Hrl bijlage IV, onder a, Bern bijlage II, Bonn bijlage I (ex. vogels art. 1 Vrl);

Het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A

Het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels

Het opzettelijk verstoren van dieren

Het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren

Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels

Het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren

Het opzettelijk storen van vogels*

Het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren

Het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B

Het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b Hrl of bijlage I verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied

De

Omgevingswet

onderscheidt

drie

verschillende

beschermingsregimes,

met

elk

hun

eigen

verbodsbepalingen (zie tabel 2). De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Het 3e beschermingsregime, andere soorten, betreft soorten die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op landelijk niveau (nationaal beschermde soorten). Daarnaast geldt dat voor alle soorten de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs verwacht van men kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen.

9

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

Als door het tijdig nemen van (effectief bewezen) maatregelen een vaste rust- en verblijfplaats in stand blijft, en daardoor geen verbodsverboden uit de Omgevingswet worden overtreden, is een omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit niet noodzakelijk. Wel is het dan van belang om een en ander onderbouwd vast te leggen in een mitigatieplan / projectplan, voor het geval er een handhavingsverzoek of toezicht aan de orde is kan ondanks het nemen van maatregelen niet worden voorkomen dat verbodsbepalingen/schadelijke handelingen worden overtreden, dan is een vergunningaanvraag noodzakelijk.

10

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

5. De vleermuis Vleermuizen gebruiken het landschap gedurende het jaar op verschillende manieren: in verschillende perioden van het jaar maken ze gebruik van kraamplaatsen, zomerverblijfplaatsen, paarverblijven, winterverblijfplaatsen en jachtgebied. Daarnaast gebruiken ze landschapselementen, zoals bomenrijen en watergangen als vliegroute. Het meest recente vleermuisprotocol (2021) dat door onder andere de Zoogdiervereniging en de gegevensautoriteit NGB is opgesteld, stelt daarom dat tenminste vijf inventarisatiemomenten nodig zijn om de verschillende functies, die de aanwezige bebouwing mogelijk voor vleermuizen vervult, zo goed mogelijk te inventariseren. Vleermuizen Verblijfplaats Een object (gebouw, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters, met enige regelmaat). Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. Kraamverblijfplaats Een verblijfplaats van een kraamgroep met vrouwtjes met jongen. Paar(verblijf)plaats Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort.

Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.) Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Het betreft bij soorten die jaarrond in hun leefgebied blijven nogal eens een voormalige paarplaats of een andere verblijfplaats. Er zijn bij soorten als gewone dwergvleermuis massa winterverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen voor kleinere groepen te onderscheiden. Vliegroute Een vaste route van een vleermuis of een groep van vleermuizen vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied of tussen verblijfplaatsen visa versa. Migratieroute Een vaste route van zomerleefgebied naar winterverblijfplaats of winterleefgebied en visa versa. Foerageergebied Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert.

Uit het verkennende onderzoek dat in 2023 is uitgevoerd, bleek dat dat de te saneren bebouwing mogelijk geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. Nader onderzoek naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen was daarom nodig. Het aanvullende onderzoek naar vleermuizen aan Gombertstraat te Zwolle is volgens het vleermuisprotocol 2021 uitgevoerd: namelijk een vleermuisonderzoek naar kraam-, zomer-, paaren winterverblijven.

11

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

6. Werkwijze De werkwijze van Ecofect om te komen tot gedegen conclusies is als volgt: 1.

Bureau-onderzoek naar de voorkomende en te verwachten soorten

2.

Het onderzoek is uitgevoerd conform het vleermuisprotocol 2021

3.

De checklist aanwezigheid (vleermuisprotocol) is ingevuld

4.

Het onderzoek is te voet uitgevoerd

5.

Er is gebruik gemaakt van verrekijker, zaklamp en batdetector Anabat Scout

6.1 Vleermuisprotocol 2021 Het onderzoek is uitgevoerd conform het vleermuisprotocol 2021 zoals gepubliceerd op de website van BIJ12. In het voorliggende onderzoek zijn de volgende functies voor vleermuis onderzocht: •

Paarverblijfplaatsen

•

Kraamverblijfplaatsen

•

Zomerverblijfplaatsen

De inventarisatie blijft echter een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet waargenomen zijn, terwijl dat ze op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is echter acceptabel, de Omgevinggwet vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is hieraan voldoende invulling gegeven. Wat betreft dit onderzoek heeft de initiatiefnemer dan ook gedaan wat redelijkerwijs verwacht kan worden. •

Het gehele projectgebied is in beeld geweest tijdens de onderzoeken.

•

De tussentijd tussen de verschillende bezoeken waren conform het protocol.

•

De weersomstandigheden (temperatuur, windkracht en neerslag) waren optimaal.

•

Er is niet afgeweken van het vleermuisprotocol.

12

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

6.2 Checklist Ga eerst na welke soorten redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn aan de hand van het landschap, de omgeving en gekend verspreidingsbeeld (binnen 20 km van het plangebied, denk daarbij indien nodig ook buiten de landsgrenzen). Daarna dient gekeken te worden welke functies voor vleermuizen mogelijk voorkomen. Hiervoor kan de onderstaande checklist of geheugensteun worden gebruikt. Het gaat om voor vleermuis van belang zijnde objecten die door de beoogde activiteit of plan, in relevante mate worden aangetast. De hieronder aangegeven soorten en/of soortgroepen zijn niet dekkend. Hou rekening met het voorkomen van zeldzaam voorkomende soorten. Foerageergebied en vliegroutes zijn alleen beschermd als ze essentieel zijn voor het goede voortbestaan van de soort ter plaatse. Dat blijkt vaak pas uit het (nader) onderzoek. De volgende landschapselementen zullen worden behandeld: -

Dikke bomen

-

Opgaande gewassen

-

Open water

-

Open gebied

-

Grotten, groeven en andere elementen

-

Grootschalige landschapselementen, zoals b.v. kustzones

1. Dikke bomen Is in of grenzend aan het plangebied één (of meerdere) dikke boom (doorsnede globaal > 3 dm op borsthoogte) aanwezig? 1.1 Zijn holtes, spleten, scheuren, losse bast uit te sluiten?

Zo niet, nader onderzoek naar (winter-,) kraam-, zomeren paar verblijfplaatsen van boombewonende soorten.

Ja

1.2 Maakt de boom (bomen) deel uit van een mogelijke route of verbinding?

Nader onderzoek naar vliegroutes van alle (in de omgeving) voorkomende vleermuissoorten.

Nee

1.3 Maakt de boom (bomen) deel uit of vormt deze mogelijk foerageergebied of beschutting van een naastgelegen foerageergebied?

Nader onderzoek naar foeragerende vleermuizen.

Nee

Conclusie: Bomen zijn niet aanwezig op de projectlocatie, bomen nabij de planlocatie blijven intact. Boombewonende soorten, zoals bechsteinsvleermuis, Rosse vleermuis en bosvleermuis, worden daarom in dit onderzoek niet meegenomen.

13

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

2. Opgaande gewassen Is op of grenzend aan het plangebied één (of zijn meerdere) dunne bomen (doorsnede globaal. < 3 dm op borsthoogte) en/of struiken/gewassen > 1,5 meter aanwezig? 2.1 Maken de struiken, gewassen, boom (bomen) deel uit van een mogelijke route of verbinding (lijnelement)?

Onderzoek vleermuizen.

naar

vliegroutes

van

Nee

2.2 Zijn er zichtbare holtes spleten, scheuren, losse bast in de boom (bomen)?

Nader onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van boombewonende soorten.

Nee

2.3 Vormt het opgaand groen mogelijk foerageergebied of beschutting van een naastgelegen foerageergebied (let vooral op kleinschalig gebied of parkachtige omgeving)?

Nader onderzoek vleermuizen.

Nee

naar

foeragerende

Conclusie: Vegetatie en gewassen zijn niet op/en gering aanwezig nabij de planlocatie. Onderzoek naar foerageergebied zou meegenomen kunnen worden in de onderzoeken. Het foerageergebied blijft echter met de geplande ingreep onaangetast en in dezelfde vorm bestaan.

3. Open water Is er open water aanwezig? 3.1 Is er water?

Nader onderzoek naar gebiedsfuncties (foerageergebied en vlieg- en/of migratieroute), tweekleurige vleermuis, Rosse vleermuis ruige dwergvleermuis, watervleermuis (> 1m breed) en meervleermuis (> 2m breed).

Ja, nabij de planlocatie

3.2 Is er water in tenminste iets besloten gebied?

Nader onderzoek naar gebiedsfuncties (foerageergebied en vlieg- en/of migratieroute) gewone of ruige dwerg-, baard-, Brandts’-, ingekorven, franjestaart, grijze en gewone grootoorvleermuis en laatvlieger.

Nee

3.3 Is er water in open gebied?

Nader onderzoek naar gebiedsfuncties (foerageergebied en vlieg- en/of migratieroute) tweekleurige-, Rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger.

Nee

3.4 Heeft het water een mogelijk essentiële functie als drinkwater?

Nader onderzoek naar functie voor alle soorten vleermuizen.

Nee

Conclusie: Er is water in de directe omgeving van het plangebied. Nader onderzoek naar meervleermuis is meegenomen.

4. Open gebied Is er open gebied (> 1 ha)? 4.1 Bestaat het plangebied uit moeras, grasland, akker of anderszins (denk bij < 500 meter van water breder dan 2 meter extra aan meervleermuis)?

Nader onderzoek naar gebruik door Rosse vleermuis, meervleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis en ruige dwergvleermuis.

Nee

Conclusie: De planlocatie ligt in de bebouwde omgeving van Zwolle.

14

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

5. Gebouwen Zijn er gebouwen aanwezig? 5.1 Biedt het gebouw of bieden de gebouwen mogelijk winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen voor vleermuizen (denk aan de spouwmuur, dakpannen, kelders, luiken aan de muur, gevelbekleding, zolders, daklagen, kruipruimtes etc.)? (bouwtekening ter inzage vragen).

Nader onderzoek naar winter-, kraam-, zomer- en paar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen.

Ja

5.2 Zijn er sporen van aanwezigheid, poepvlekken, keutels, vraatresten, bruinverkleuring langs de rand van invliegopeningen en dergelijke?

Nader onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen.

Nee

5.3 Mogelijk foerageergebied?

Nader onderzoek naar foeragerende vleermuizen.

Ja

5.4 Zijn er lange, mogelijk in het duister liggende, muren aanwezig?

Nader onderzoek naar gebiedsfuncties vlieg- en/of migratieroutes.

Nee

Conclusie: Nader onderzoek gebouw bewonende vleermuizen te weten: Laatvlieger, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis

6. Grotten, groeves, kelders en andere objecten Zijn er grotten en/of groeves en/of kelders, bruggen, tunnels en/of andere objecten met ruimten? 6.1 Zijn deze geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen?

Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen, met de nadruk op winter-, en paarverblijfplaatsen.

Nee

Conclusie: Planlocatie is geschikt als winterverblijf

7. Grootschalige landschapselementen Zijn er grootschalige lijnvormige landschapselementen zoals kustzones, grootschalige dijken, duinenrijen, rivierdalen of waterpartijen die een verbindingsroute zouden kunnen vormen tussen zomer- en winterleefgebieden Nader onderzoek naar mogelijke migratieroutes van o.a. meervleermuis, Rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis in voor- en najaar. n.v.t.

Nee

Conclusie: Niet aanwezig op en nabij planlocatie

Randvoorwaarden en vervolg De conclusies uit de veldverkenning in combinatie met deze checklist, gekende verspreiding, de ligging in het landschap, de relatie met het landschap en de uitgebreide tabel van het protocol, geven de onderzoeksinspanning (tijdstip, omstandigheden frequentie per te onderzoeken soort) voor het nader onderzoek aan.

15

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

Conclusie overall checklist: Op basis van de ingevulde checklist is het nader onderzoek naar winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen en vliegroutes uitgevoerd. Het betreft hier de gebouw bewonende vleermuizen laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis en gewone dwergvleermuis, meervleermuis. De overige gebouw bewonende soorten worden uitgesloten: •

Baardvleermuis bewoont in de zomer bomen, nest- of vleermuiskasten, zolders, of de ruimte achter gevelbetimmeringen en vensterluiken van gebouwen. Baardvleermuizen worden vooral aangetroffen in bossen, aan bosranden en in kleinschalige gesloten landschappen. Biotoop ongeschikt.

•

Rosse vleermuis betreft een boombewonende soort.

•

Franjestaart: biotoop ongeschikt deze vleermuis leeft in bosrijke gebieden met waterrijke gedeelten, in winter binding met hogere zandgronden.

•

Ingekorven vleermuis komt uitsluitend voor in Zuid-Limburg en Noord Brabant. Op de planlocatie is geen habitat aanwezig voor deze soort.

•

Grijze grootoorvleermuis: zeer zeldzaam alleen in Limburg, Zeeuws Vlaanderen en Noord Brabant waarnemingen bekend.

•

Watervleermuis: leeft in een waterrijk en bosrijk landschap. Habitat ongeschikt.

•

Tweekleurige vleermuis wordt uitgesloten op basis van zeldzaamheid en habitatseisen

Indien er tijdens de inventarisatieronden waarnemingen gedaan worden van de hierboven uitgesloten soorten of functies, kan de methodiek aangepast worden om het nader onderzoek uit te breiden.

16

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

6.3 Bureauonderzoek Hieronder treft u een overzicht van te verwachten soorten per provincie volgens de NDFF-verspreidingsatlas. Tevens is de mate van zeldzaamheid toegevoegd. Tijdens het veldbezoek wordt dit model ook gebruikt als focusdocument. In de bijlagen zijn de verspreidingsgegevens van genoemde soorten uitgewerkt.

Zeldzm

Fl

Gr

FR

Dr

Ov

Gld

Li

N-Br

Utr

Zld

Z-H

N-H

Vleermuis soort

Baard vleermuis Bechsteins vleermuis Bosvleermuis Brandt’s vleermuis Gewone grootoorvleerm Franjestaart Gewone dwergvleermuis Grijze grootoorvleermuis Ingekorven vleermuis Laatvlieger Meervleermuis Mopsvleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Tweekleurige vleermuis Vale vleermuis Watervleermuis Algemeen

Zeldzaam

Vrij zeldzaam

Zeer zeldzaam

17

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

6.4 Werkwijze onderzoek De vaste waarnemers / ecologen hebben samen op post gestaan en vaste looproutes aangehouden tijdens de veldbezoeken. Tijdens de veldbezoeken zijn meerdere waarnemers (6) in wisselende samenstelling ingezet en zijn er extra tijden ingepland (meervleermuis). De projectlocatie is volledig onderzocht. Auditieve detectie van vleermuizen is op een minimale afstand van 20 meter en verder (dwergvleermuis), afgezien van visuele waarnemingen. Onderzoekers: P. Wiegel - ecoloog P. Smits - ecoloog J.H. van der Wetering - veldmedewerker H. van der Toorn - veldmedewerker A. Blok - veldmedewerker R. Barreveld - veldmedewerker

Waarnemer 1

Waarnemer 2

Waarnemer 3 Waarnemer 4

Waarnemer 5 Waarnemer 6

De waarnemers hebben in wisselende samenstellingen op post gestaan en hun rondes gelopen. Alle zijden waren

in

beeld

tijdens

de

onderzoeken.

Tijdens

alle

onderzoeken

is

gebruik

gemaakt

van

warmtebeeldcamera’s en batdetectoren.

18

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

6.5 Onderzoeksresultaten Algemeen: Datum 16-05-2023

Kraam (K)

Zon

start

Eind

gr

weer

Bft

Resultaat

21.29

21.25

00.05

12

Helder

2

Gewone dwergvleermuis (G)

Zomerverblijf (Z) 08-06-2023

K/Z

05.20

02.15

05.25

23

Helder

2

G

12-07-2023

K/Z

21.55

21.50

00.30

19

Helder

2

G

22-08-2023

Paar (P) / Z /

20:51

20:45

02.00

22

Droog

2

G / Met

Zwerm (ZW) 07-09-2023

warmtecamera

Zwerm (ZW)

20.12

22.00

02.00

18

Droog

2

19:55

19:50

22.59

13

Droog

4

Met warmtecamera

/P 14-09-2023

P/Z

Vijf van de zes inventarisaties zijn in de avond en nacht uitgevoerd. Twee inventarisaties hebben we in onderzoekstijden verlengd tot 02.00 uur om tevens het eventuele zwermen in beeld te brengen. Eén inventarisatie heeft in de vroege ochtend plaatsgevonden die tevens in de kraamperiode viel. Tijdens de bezoeken is vooral gelet op uitvliegende, invliegende en/of zwermende vleermuizen en op vleermuizen die al rond zonsondergang actief waren. Wanneer een vleermuis rond zonsondergang wordt waargenomen, kan dit namelijk op de aanwezigheid van een verblijfplaats duiden. Dit omdat de meeste vleermuissoorten rond zonsondergang hun verblijfplaats verlaten en dan naar hun foerageergebieden vliegen. Vleermuizen die rond zonsondergang bij het te onderzoeken object worden waargenomen, hebben nog geen grote afstand af kunnen leggen, waaruit opgemaakt kan worden dat zij mogelijk in het object een verblijfplaats hebben. Tijdens

de

veldbezoeken

is

gebruikgemaakt

van

heterodyne

batdetectors

(Anabat

Scout)

en

warmtebeeldcamera. Met behulp van deze batdetectors kunnen de waargenomen vleermuissoorten op naam gebracht. Alle waargenomen vleermuizen konden direct op naam gebracht worden. Door zoveel mogelijk visueel waar te nemen werd de determinatie geverifieerd en werd het gedrag (en daarmee vaak de functie van het gebied) vastgesteld. Op 8 juni is het ochtendbezoek uitgevoerd vanaf drie uur voor zonsopkomst om de optimale onderzoeksperiode binnen de kraamperiode van de gewone grootoorvleermuis en meervleermuis ook optimaal te benutten (60 min voor zonsopkomst) om zodoende minimaal 3 uur te onderzoeken voor deze te verwachten soorten. Op 22 augustus en 7 september zijn de onderzoeken naar zwermplaatsen uitgevoerd vanwege de potentie voor winterverblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis. De onderzoekstijden in de paarperiode zijn minimaal verlengd tot middernacht. Het vleermuisprotocol schrijft voor dat de start van de bezoeken plaats moet vinden vanaf 60 minuten na zonsondergang voor de ruige en gewone dwergvleermuis. Echter voor de meervleermuis verplicht start zonsondergang, terwijl de ruige

19

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

dwergvleermuis onderzocht moet worden rond middernacht. Derhalve hebben wij in de paarperiode (meervleermuis 15/8 – 15/9) gepost van zonsondergang tot 02.00 uur. Daardoor zijn ook de verplichte 3 uur onderzoeksinspanning voor de meervleermuis gedekt, het massazwermen van de gewone dwergvleermuis valt tevens in deze periode.

Functie

Periode

Tussentijd

Datum

Kraamverblijfplaats 1

15 mei – 15 juli

20 dagen

16 mei

Kraamverblijfplaats 2

15 mei – 15 juli

20 dagen

08 juni

Kraamverblijfplaats 3

15 mei- 15 juli

20 dagen

12 juli

Paarverblijfplaats 1

15 augustus – 1 oktober

20 dagen

22 augustus

Paarverblijfplaats 2

15 augustus – 1 oktober

20 dagen

07 september

Paarverblijfplaats 3

15 augustus – 1 oktober

20 dagen

14 september

Massawinter 1 (pp)

1 (15) augustus – 10 (15)

10 dagen

22 augustus

10 dagen

07 september

september Massawinter 2 (pp)

1 (15) augustus – 10 (15) september

In totaal zijn verdeeld over de bezoeken 9 gebouw verlatende gewone dwergvleermuizen waargenomen in de kraamperiode en 6 (gewone dwergvleermuis) tijdens het onderzoek naar massazwermen. Er is geen enkele waarneming gedaan van gebouw verlatende vleermuizen in de paarperiode, terwijl de tijden en perioden optimaal te noemen waren. Voorafgaand aan de avondbezoeken is bij daglicht op de locatie naar sporen gezocht die op het voorkomen van vleermuizen duiden (vleermuiskeutels, meststrepen, afgebeten insectenvleugels en vetsporen). Daarbij zijn de holten, spleten en scheuren die geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen doorzocht voor zover mogelijk. Tevens zijn de aanwezige soorten op naam gebracht te weten gewone dwergvleermuis. De overige onderzochte soorten zijn niet waargenomen op en nabij de projectlocatie. Een ontheffing dient te worden aangevraagd voor een kraamverblijf en winterverblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis.

20

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

Locatie Kraam- en winterverblijfplaats onder daklijst

21

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

Veldbezoeken De weersomstandigheden waren optimaal om de onderzoeken op de juiste wijze uit te kunnen voeren. De tussenliggende periode tussen de diverse veldbezoeken zijn conform het vleermuisprotocol 2021. Kraamperiode: Tijdens de veldbezoeken in het voorjaar zijn waarnemingen gedaan waaruit de aanwezigheid van kraam en/of zomerverblijfplaatsen blijkt. Er zijn 9 gebouw verlatende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Er zijn ook jagende, foeragerende en overvliegende gewone dwergvleermuizen waargenomen in deze periode. In het plangebied is één kraam- en/of zomerverblijfplaats vastgesteld. Dit betreft dezelfde locatie als de aangetroffen zwerm- / massawinterverblijfplaats (zie middenachtzwermen). Paarperiode: Ruim voor of na zonsondergang- en opkomst waren de vleermuizen aanwezig op of nabij de planlocatie. Tijdens de inventarisaties in de paarperiode is tevens gelet op vleermuizen die sociale geluiden (waaronder paarroepjes) uitstoten en die paargedrag vertonen. Dergelijke geluiden en gedrag kunnen duiden op de aanwezigheid van een paarverblijfplaats. De onderzoekstijden van de avondronden (paar) betreffen tot drie uur na zonsondergang om ook de volledige optimale periode te onderzoeken voor diverse vleermuissoorten die pas 30 minuten na zonsondergang actief worden (gewone grootoor/laatvlieger), volgens het vleermuisprotocol.

Tijdens de veldbezoeken in het najaar zijn in het plangebied geen baltsgeluiden waargenomen. Op basis van het ontbreken van waarnemingen en baltsgeluiden kan worden vastgesteld dat in het plangebied geen paarverblijfplaatsen aanwezig zijn. Middernachtzwermen: Het nachtbezoek naar massazwermen heeft hits opgeleverd waaruit blijkt dat de vleermuizen gebruik maken van het gebouw als paar- of winterverblijfplaats. Winterverblijfplaatsen zijn lastig aan te tonen of uit te sluiten. Van zomer-, kraam- en paarverblijven kan aangenomen worden dat deze ook in gebruik kunnen zijn als winterverblijfplaats, zolang de temperatuur niet onder het vriespunt komt. Met name gebouw nummer vier kopse gevel zijn een klein aantal (8) gewone dwergvleermuizen waargenomen die duidelijk binding met het gebouw Havezate (zijde Zwartewaterallee) vertoonden. De vleermuizen verdwenen onder de daklijst. Samenvattend: •

Er is een zomer / kraam en een winterverblijfplaats vastgesteld van de gewone dwergvleermuis. Er zijn geen essentiële vliegroutes van vleermuizen aangetroffen in en nabij de (te slopen) bebouwing. Er zijn geen paarroepjes en baltsgedrag waargenomen, waardoor er ook geen opnames zijn gemaakt.

•

Het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute: Het plangebied wordt in de toekomstige situatie niet veranderd waardoor er geen essentiële lijnelementen verloren gaan.

•

Er gaan verblijfplaatsen verloren door of tijdens de geplande ingreep. Een ontheffing is noodzakelijk.

•

Vliegroutes, waarbij met een zekere regelmaat vleermuizen passeren, zijn niet aangetroffen.

•

Elke inventarisatie is een steekproef gebaseerd op momentopnamen.

Hierdoor is niet uitgesloten dat soorten en functies die tijdens de inventarisatie niet waargenomen zijn, op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is acceptabel omdat met het volgen van de inventarisatieprotocollen gedaan is ‘wat redelijkerwijs verwacht kan worden’. Hiermee is voldoende invulling gegeven aan artikel 11.27 Bal zorgplicht van de Omgevingswet.

22

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

7. Verantwoording Materialen: • Fotocamera •

Anabat Scout

•

Verrekijker (Swarovski 8*42; Bresser 8*60)

•

Endoscoop

•

Ladder

•

Zaklamp

Literatuur: •

NDFF

•

Zoogdiervereniging

•

Fauna-inventarisaties; Rick Schoon

Websites •

www.bij12.nl

•

www.rvo.nl

•

www.ndff.nl

•

www.zoogdiervereniging.nl

•

www.synbiosys.alterra.nl/natura2000

•

www.verspreidingsatlas.nl

23

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

Disclaimer Deze rapportage is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven. Niets uit deze rapportage mag, met uitzondering van de opdrachtgever, worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, kopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van Ecofect B.V., noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecofect B.V. is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen. De opdrachtgever vrijwaart Ecofect B.V. voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie. © 2023 Ecofect B.V.; Nunspeet

24

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

Bijlage(n) Vleermuis soorten In Nederland komen de volgende vleermuissoorten voor: Baardvleermuis

Bechsteins vleermuis

25

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

Bosvleermuis

Brandt's vleermuis

26

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

Bruine of gewone grootoorvleermuis

Franjestaart

27

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

Gewone dwergvleermuis

Grijze grootoorvleermuis

28

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

Ingekorven vleermuis

Laatvlieger

29

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

Meervleermuis

Mopsvleermuis

30

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

Rosse vleermuis

Ruige dwergvleermuis

31

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

Tweekleurige vleermuis

Vale vleermuis

32

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOMBERTSTRAAT ZWOLLE

Watervleermuis

33

Nader onderzoek soorten NADER ONDERZOEK

MARTERACHTIGEN Locatie onderzoek:

Datum:

04 maart 2024

Gombertstraat Zwolle

Project:

NOM50998

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – ZWARTEWATERALLEE ZWOLLE

INHOUD 1. Colofon

3

2. Samenvatting

4

3. Inleiding

5

3.1

Aanleiding

5

3.2

Planlocatie

5

4. Wettelijk kader

6

4.1

Planlocatie

6

4.2

Vrijgestelde soorten

10

4.3

Onderzoeksmethode

10

4.3

Ecologie kleine marterachtigen

13

5. Resultaten en conclusie

16

Disclaimer

18

2

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – ZWARTEWATERALLEE ZWOLLE

1. Colofon Onderzoek

Nader onderzoek kleine marterachtigen

Document

NOM50998

Datum

04 maart 2024

Locatie

Zwartewaterallee; Zwolle

Opdrachtgever

BJZ.NU

Opdrachtnemer

Ecofect B. V.

Ecoloog

P. Wiegel

Adres

Laan 21, 8071 JG Nunspeet

Telefoon

06-12918775

Email

info@ecofect.nl

Internet

www.ecofect.nl

KvK-nummer

87036487

Btw-identificatienr.

NL864184311B01

Rekeningnummer

NL39 RABO 0198 8908 69

3

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – ZWARTEWATERALLEE ZWOLLE

2. Samenvatting Het bureau-onderzoek, habitatgeschiktheidsonderzoek en de cameravallen geven geen aanleiding om aan te nemen dat de kleine marterachtigen gebruik maken van de planlocatie. Derhalve blijft een groot deel van het habitat intact. Het ontbreken van hits op de wildcamera’s in combinatie met het ontbreken van overige aanwijzingen (verblijfplaatsen, krabsporen, prooiresten of uitwerpselen) heeft opdrachtgever alles gedaan wat redelijkerwijs van hen verwacht mag worden om te voorkomen dat er geen schadelijke handelingen plaatsvinden conform de Omgevingswet betreffende de steenmarter (en kleine marterachtigen).

4

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – ZWARTEWATERALLEE ZWOLLE

3. Inleiding 3.1 Aanleiding Met de voorgenomen ontwikkelingen aan de Zwartewaterallee te Zwolle heeft BJZ. B. V. namens cliënt aan Ecofect B.V. opdracht gegeven een nader onderzoek kleine marterachtigen uit te voeren t.b.v. het vergunning traject en inzicht te verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de Omgevingswet (flora en fauna-activiteit. Voorliggend rapport geeft inzicht in het wettelijk kader, de gebruikte methodiek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek. Uit dit verkennende natuurwaardenonderzoek en een habitatsonderzoek ter plaatse is gebleken dat het plangebied functies kan hebben voor de steen- en boommarter en dat de aanwezigheid van kleine marters als wezel, bunzing en hermelijn aannemelijk is. De steenmarter en kleine marterachtigen zijn in Overijssel beschermd op basis van de Provinciaal beleid in de Omgevingswet. Dit betekent dat zonder vrijstelling, of d.m.v. een goedgekeurde gedragscode of vergunning deze soorten niet mogen worden verwond of gedood, en dat vaste rust- en verblijfplaatsen niet mogen worden beschadigd of vernield.

3.2 Planlocatie De planlocatie betreft een perceel (zie figuur 1) met bebouwing en verruigd gebied. Het blauwe gedeelte wordt behouden, de rest wordt gesloopt en her ontwikkeld. Het plangebied ligt middenin de woonkern van Zwolle.

Figuur 1: Planlocatie en onderzoeksgebied van Zwartewateralle.

5

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – ZWARTEWATERALLEE ZWOLLE

4. Wettelijk kader 4.1 Omgevingswet Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Deze wetgeving vervangt o.a. de Wet natuurbescherming. In deze wet is o.a. de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. Dit onderzoek beperkt zich tot soortbescherming vleermuis. Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een: ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ Anders dan bij een ‘Natura 2000-activiteit’, waarvan pas sprake is als een activiteit leidt tot een kans op significante gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden, is er al sprake van een ‘flora- en fauna-activiteit’ als het een mogelijk gevolg heeft voor één van nature in het wild levend dier of plant, ongeacht of deze soort beschermd is volgens de Omgevingswet. Doordat in de definitie wordt verwezen naar ‘van nature’ in het wild levende soorten, gaat de definitie niet op voor niet-van nature voorkomende soorten. Met andere woorden, de regels voor flora- en fauna-activiteiten gelden niet voor soorten die buiten het natuurlijk verspreidingsgebied voorkomen of exoten, tenzij specifiek vermeld. Als er sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient er rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht), art.

11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen). Hoewel de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal alleen betrekking hebben op de bij wet beschermde soorten, gelden de artikelen 11.27 en 11.28 ook met betrekking tot de niet-beschermde soorten. Specifieke zorgplicht flora en fauna In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor onder meer alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ die, zoals hiervoor aangegeven, vrijwel alle ruimtelijke activiteiten betreft (art. 11.27 Bal). 8 Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht die in de Omgevingswet staat (zie hiervoor).9 Iedereen die een flora- en fauna-activiteit uitvoert, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.27, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. In het tweede lid onder a is er met betrekking tot de reikwijdte van de zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten aangegeven dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat moet worden nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn.

Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende: • Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, 2e lid Vrl; • Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V Hrl; • nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal); • dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten; • voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Als deze aanwijzingen er zijn, moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan wordt gevraagd om na te gaan welke nadelige gevolgen kunnen optreden en passende preventieve maatregelen te nemen, de activiteit te staken, of, als dat niet kan, passende herstelmaatregelen te nemen. Verder wordt er ook gevraagd om tijdens en na het verrichten van de activiteit na te gaan of de getroffen passende preventieve maatregelen de beoogde effecten hebben. De zorgplicht geldt altijd voor alle in het wild levende soorten, ongeacht een eventueel van toepassing zijnde vrijstelling,

6

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – ZWARTEWATERALLEE ZWOLLE

gedragscode of vergunning. De zorgplicht voor soorten is bovendien niet beperkt tot de dieren en planten zelf, maar ook tot de directe leefomgeving van de soorten. Dat betreft voor dieren de foerageergebieden, rust en vaste verblijfplaatsen en plaatsen voor het grootbrengen van de jongen. Mochten de zorgplichtbepalingen niet helder genoeg zijn, dan staat het bevoegd gezag vrij om middels maatwerkregels (artikel 11.29 Bal) of maatwerkvoorschriften (artikel 11.31 Bal) deze te verduidelijken. Bijvoorbeeld door het opnemen van regels in een provinciale Omgevingsverordening of het stellen van een maatwerkvoorschrift of vergunningsvoorschrift. Zoals ook aangegeven hiervoor met betrekking tot de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden, is de kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en fauna-activiteiten dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan worden gevergd, moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Ook in art. 11.27, tweede lid wordt verwezen naar passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen. In art. 11.27, tweede lid onder b Bal wordt aangegeven dat er moet worden ‘vastgesteld’ of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten.

Daarnaast zijn de overige voorwaarden in het tweede lid onder c t/m f zodanig concreet dat in deze bewoording kan worden gelezen dat er aantoonbaar aan deze voorwaarden moet worden voldaan, zeker ook met in het achterhoofd dat de specifieke zorgplichten in de Omgevingswet zowel bestuurlijk als strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd. Om aantoonbaar aan de voorwaarden van de specifieke zorgplicht te kunnen voldoen, is het noodzakelijk dat de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek wordt vastgelegd. Hiertoe kan door ecologische adviesbureaus – naast een bureaustudie door raadpleging van verspreidingsgegevens in tools zoals de NDFF – een ‘Habitatcheck’ worden uitgevoerd naar het voorkomen van de genoemde soorten, op basis van de geschiktheid van het aanwezige habitat als leefgebied van deze soorten. Afhankelijk van het aan te treffen habitat, kan daardoor goed inzicht worden verkregen in het mogelijk voorkomen van soorten of soortgroepen. Of een nader onderzoek ook naar redelijkheid kan worden gevergd om de aanwezigheid te kunnen uitsluiten, zal afhangen van de opdrachtgever. Vervolgens moet worden beschreven in de Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten of dat deze kunnen worden voorkomen, beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt door maatregelen zoals hiervoor aangegeven.

De soortenbeschermingsregimes In de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 Bal zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: •

§ 11.2.2 Bal: omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn

•

§ 11.2.3 Bal: omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn

•

§ 11.2.4 Bal: omgevingsvergunning andere soorten

Onder iedere paragraaf zijn de vergunning plichtige gevallen en de vergunningsvrije gevallen aangegeven. In de Omgevingswet wordt niet meer gesproken over verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of vrijstelling kan worden verleend, maar over schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval. De inhoud van de schadelijke handelingen komen overeen met de verbodsbepalingen van de soortenbeschermingsregimes uit de Wnb, aangezien deze rechtstreeks voortkomen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale Verdragen en betreffen de volgende schadelijke gevallen:

7

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – ZWARTEWATERALLEE ZWOLLE

Schadelijke handelingen Vogelrichtlijn (art. 11.37 Bal):

Schadelijke handelingen Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal):

Schadelijke handelingen andere soorten (art. 11.54 Bal)

Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in art. 1 Vrl

Het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren Hrl bijlage IV, onder a, Bern bijlage II, Bonn bijlage I (ex. vogels art. 1 Vrl);

Het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A

Het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels

Het opzettelijk verstoren van dieren

Het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren

Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels

Het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren

Het opzettelijk storen van vogels*

Het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren

Het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B

Het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b Hrl of bijlage I verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied

De

Omgevingswet

onderscheidt

drie

verschillende

beschermingsregimes,

met

elk

hun

eigen

verbodsbepalingen (zie tabel 2). De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Het 3e beschermingsregime, andere soorten, betreft soorten die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op landelijk niveau (nationaal beschermde soorten). Daarnaast geldt dat voor alle soorten de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs verwacht van men kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen.

8

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – ZWARTEWATERALLEE ZWOLLE

Als door het tijdig nemen van (effectief bewezen) maatregelen een vaste rust- en verblijfplaats in stand blijft, en daardoor geen verbodsverboden uit de Wnb worden overtreden, is een ontheffingsaanvraag niet noodzakelijk. Wel is het dan van belang om een en ander onderbouwd vast te leggen in een mitigatieplan / projectplan, voor het geval er een handhavingsverzoek of toezicht aan de orde is kan ondanks het nemen van maatregelen niet worden voorkomen dat verbodsbepalingen/schadelijke handelingen worden overtreden, dan is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk. De steenmarter wordt landelijk beschermd onder het beschermingsregime van ‘andere soorten’. Het is verboden steenmarters te doden, te verwonden en hun vaste rust- of voortplantingsplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen. Kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) De kleine marters, bunzing, wezel en hermelijn waren eerder door de provincie Overijssel vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen. De soorten zijn echter door de provincie van de vrijstellingslijst afgehaald. Deze soorten zijn meegenomen in het onderzoek in het kader van zorgvuldig handelen daar alle in het wild levende soorten of dieren niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond.

9

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – ZWARTEWATERALLEE ZWOLLE

4.2 Vrijgestelde soorten De marterachtigen zijn in de provincie Overijssel niet vrijgesteld en valt dus onder het beschermingsregime van de Omgevingswet.

4.3 Onderzoeksmethode Voor de (kleine) marterachtigen is een kennisdocument opgesteld. De onderzoeksmethode is conform het kennisdocument kleine marterachtigen @BIJ12. De toegepaste methodiek is een beproefde methode om de aanwezigheid en functies van kleine marterachtigen vast te stellen of uit te sluiten. De methodiek die is toegepast bestaat uit een minimaal 12 weken durend onderzoek in de nazomer met de plaatsing van een cameraval met gewone wildcamera en struikrovers. De Struikrover® is een onderzoeksinstrument speciaal ontworpen buis waarmee alle in Nederland voorkomende marters en andere roofdieren (bv. vos, wasbeer, wasbeerhond) met een wildcamera gefotografeerd of gefilmd kunnen worden. Maar ook zangvogels zijn er goed mee op beeld vast te leggen. De Struikrover is een verdere optimalisatie van eerder uitgedachte onderzoeksinstrumenten en voldoet aan de volgende eisen: •

Geschikt voor inventarisatie van alle marterachtigen

•

Goedkoop lokmiddel dat detectiekans maximaliseert

•

Vrijwel onzichtbaar in het veld te plaatsen

Tijdens het onderzoek zijn diverse meetpunten uitgezet. Voor de meetpunten geldt de minimale inzet van één methodiek per 0,25 hectare geschikt leefgebied. Met functioneel leefgebied wordt het gebied bedoeld dat door de marter ook daadwerkelijk wordt benut. Terreinen die te weinig dekking bieden als weiden, akkers, wegen etc. zijn ongeschikt en worden daar dus niet in meegenomen. De struikrovers en wildcamera hebben 14 weken (29 augustus 2023- 17 november 2023) op de planlocatie gestaan. Iedere drie weken zijn de sardientjes vervangen zodat de geurende werking in de gehele periode aanwezig was.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=9afd869c-7110-4980-acbc-4595cbe2ca92