Bijlage 4 concept provinciale Energievisie
Tekst van het document
Alleen zo kan voldoende vraag georganiseerd worden om regionaal toegang tot waterstof te krijgen vanaf de backbone. Anders resteert een oplossing van lokaal aanvoer via water of land die al snel inefficiënt en prijzig is. Een fijnmazig distributienet ligt hier niet voor de hand, tenzij door innovatie lokale, kleinschalige opwek van waterstof een grote vlucht neemt. Wel kan waterstof daarbij een systeemfunctie aannemen voor een groter gebied dan alleen de direct betrokken afnemers. Voor elektriciteit geldt dat een bepaalde mate van clustering, zowel van vraag als van aanbod, bijdraagt aan een efficiënt en robuust energiesysteem. Ook is vraag dichtbij aanbod prettig. Dit past echter niet altijd goed als de impact op de leefomgeving en andere opgaven meegenomen worden. Bovendien vindt grootschalige opwek over het algemeen op enige afstand plaats van de vraag. Dat is niet zorgelijk. Netbeheerders hebben in onze werksessies aangegeven dat clustering van aanvullende opwek in veel gevallen de benodigde infrastructuuruitbreidingen, en dus de kosten, substantieel 21
verlaagd als daarmee het aantal uitbreidingen beperkt kan worden. Wel zijn er niveaus van clustering waarboven verdere clustering weinig meer toevoegt omdat de gewenste ruimte- en kostenefficiëntie dan bereikt is. Vanuit impact op de leefomgeving zou enige clustering op projectniveau en clusteren bij bestaande opweklocaties goed scoren. Daar staat tegenover dat dit op bepaalde gebieden relatief veel impact heeft. Wel verwachten we dat het voor de haalbaarheid van SMR’s realisatie nabij de vraag van groot belang is om uitbreidingen aan het elektriciteitsnetwerk te voorkomen. Het vraagstuk van clustering zal waar nodig een plek krijgen in de omgevingsvisie, en hangt deels ook af van de gewenste keuzes onder de hoofdkeuzes 1 en 2. In het algemeen concluderen we dat een bepaalde mate van clustering gewenst is, maar dat verspreiding ook nodig is om in alle deelnetten ook een goede balans tussen vraag en aanbod te houden. Onze keuze: voor waterstof is clustering essentieel, voor warmte en biogas ontstaat deze natuurlijk, en voor elektriciteit is deze van beperkt belang.
Figuur 11: keuze clusteren
22
Figuur 12: decentraal vs. centraal Bovenstaande figuur geeft onze gedachten weer over welke vraagstukken je op centraal of decentraal niveau wil oplossen. Momenteel wordt er veel gekeken naar decentrale oplossingen, vanwege congestie op het hoogspanningsnet. Is dat na alle verwachte uitbreidingen nog steeds de moeite waard als alle geplande uitbreidingen op het net zijn gerealiseerd? Vanuit een aantal startprincipes is daar zeker voor te pleiten, en dit kwam tijdens de werksessies sterk naar voren, met name als hier dure uitbreidingen in de hoofdinfrastructuur mee te voorkomen zijn. Een aantal vraagstukken is bewust niet op centraal of decentraal ingedeeld, omdat de lokale situatie soms tot een andere afweging kan leiden. Dit vraagstuk is vanuit de netbeheerders nog lastig te duiden, maar een aantal algemene conclusies is wel te trekken. Zo wil je de lokale opwek van zon op dak het liefst decentraal oplossen door deze lokaal te verbinden met vraag of het tijdelijk op te slaan (bijvoorbeeld met opladen elektrische voertuigen). Nationaal beleid kan hier een grote rol spelen. Zo zijn ook principiële keuzes voorstelbaar die sterkere prikkels geven, waarmee met name op laagspannings-niveau veel capaciteitsproblemen voorkomen kunnen. Denk aan mensen die hun gedrag veranderen of gewoon beperkt worden in de mogelijkheden.
Naar aanleiding van hoofdkeuzes 1 en 2 gaan we nog met de netbeheerders in gesprek om te bepalen welke impact deze keuzes hebben. Denk aan de behoefte aan flexibiliteitsopties in het systeem (conversie en opslag), en in welke mate er duidelijkheid te geven is over welk vraagstuk je op welk niveau wil oplossen. 23
4. Gewenste toekomstbeeld voor Overijssel in 2050 In eerdere hoofstukken behandelden we de ontwikkeling van de vraag, startprincipes en hoofdkeuzes. Dit hoofdstuk beschrijft de stip op de horizon voor Overijssel in 2050. Hoe ziet Overijssel er uit als we de keuzes in het voorgaande hoofdstuk realiseren? Dit hoofdstuk geeft een impressie van het toekomstige energiesysteem. Hierbij hebben we gekozen voor een actieve schrijfstijl om te kunnen inspireren. Het is echter niet bedoeld als hard toetsingskader voor toekomstige ontwikkelingen. Aan het einde van dit hoofdstuk staan we ook stil bij de impact op de sectoren. Ontwikkelingen in de vraag naar energie Het aantal woningen, de economische activiteiten en de mobiliteit zijn in 2050 naar verwachting met circa 10% tot 20% toegenomen. Deze groei heeft redelijk verspreid over heel Overijssel plaatsgevonden in lijn met de verschillende verstedelijkingsstrategieën. Er is veel aandacht voor energiebesparing in Overijssel en er wordt veel bewuster met energie omgegaan. De blijvende inzet op energiebesparing heeft geleid tot een substantiële verbetering in de efficiëntie van apparaten en productieprocessen. In combinatie met elektrificatie van een groot deel van de mobiliteitssector en de gebouwde omgeving, is de energievraag gedaald met ruim 30% van bijna 90 PJ naar circa 60 PJ.
Door een stevige inzet op warmte, biogas en waterstof beperken we de stijging in de elektriciteitsvraag tot ruim 30 PJ, wat nog steeds een verdubbeling is ten opzichte van de vraag in 2024. Duurzame warmte gaat bijna 10% van de toekomstige vraag naar energie voorzien Vanuit de wens om een robuust en efficiënt energiesysteem te ontwikkelen en daarbij lokale kansen te benutten, wordt bijna 10% van de Overijsselse energievraag met duurzame warmte ingevuld, vanuit een divers spectrum van bronnen. Zo voorziet geothermie een aantal gebieden van een stabiele warmtevoorziening. In Twente is de bijdrage van warmte relatief hoog, mede door de historische aanwezigheid van restwarmte uit afvalverbranding en het daaraan gekoppelde warmtenet. Door de overgang naar een meer circulaire economie is een groot deel van deze restwarmte in 2050 vervangen door duurzame warmte vanuit andere processen. In Overijssel wordt er daarbij op ingezet om één op de vier huishoudens te voorzien van warmte vanuit een collectief warmtenet, met name in stedelijk gebied. Daarnaast is ongeveer een derde van de proceswarmtevraag uit de industrie ingevuld met warmte. Door deze keuze is de belasting van de elektriciteitsnetten, met name in de winter, beperkter. Daarmee is ook een bijdrage geleverd aan de betaalbaarheid van de toekomstige energiehuishouding.
We benutten de potentie voor biogas maximaal om onze eigen restvraag aan duurzaam gas (nagenoeg) te vervullen We maken volop gebruik van de lokale kansen bij biogas. Vanuit diverse routes (o.a. rioolwaterzuivering, mestvergisting en voedingsindustrie) is er biogasproductie mogelijk op diverse locaties in Overijssel. We vullen bijna 10% van de Overijsselse energievraag in met biogas. We gebruiken dit biogas vooral voor toepassingen waar geen ander (klimaatneutraal en betaalbaar) alternatief voor beschikbaar is: hoge temperatuur warmte voor de industrie en de warmtevraag van monumenten. Waar lokaal geen inzet van biogas mogelijk is, wordt het omgezet naar groen gas en in het gasnet ingevoed. Welk deel van de energievraag in Overijssel uiteindelijk met biogas of groen gas wordt ingevuld is nog onduidelijk, maar zal ongeveer overeenkomen met de eigen opwek. Doordat
24
vraag en aanbod zowel qua tijd als locatie zal verschillen blijft een deel van de oude gasinfrastructuur bestaan. Dit is echter veel minder fijnmazig zijn en dekkend dan de oude gasinfrastructuur. Op een aantal locaties biedt waterstof industrie en zware logistiek een alternatief voor elektriciteit Om Overijssel qua vestigingsklimaat aantrekkelijk te houden en ondernemers met een hoge energievraag een alternatief te bieden voor elektriciteit, zijn er drie regionale aftakkingen vanaf de waterstofbackbone. Hiermee zijn de verzwaringen aan het elektriciteitsnet beperkt gebleven en is het Overijsselse energiesysteem bovendien robuuster. Iedere aftakking heeft zijn eigen verhaal, en draagt bij aan de keuze om de grootschalige vraag naar waterstof te clusteren rond een aantal gebieden. Zo houden we de kosten van infrastructuur in de hand. De verbinding richting Twente is met name gericht op de Twentse industrie en een aantal logistieke ondernemers (rond A1). Deze wordt op termijn ook verbonden met de Duitse waterstofbackbone. De tweede aftakking voorziet een deel van de energie-intensieve industrie in Noordwest-Overijssel van waterstof. Deze aftakking valt grotendeels samen met een aftakking naar de Maximacentrale in Flevoland.
Door gebruik te maken van de oude gashoofdinfrastructuur en het voorkomen van grote aanvullende vraag naar elektriciteit, is de ruimtelijke impact op de leefomgeving beperkt gebleven. Rond Deventer is een derde aftakking gerealiseerd vanwege de zeer korte afstand tot de backbone en de lokale situatie. Er zijn daar beperkte mogelijkheden voor geothermie en warmte. Rond deze regionale aftakkingen is lokaal ook enige lokale waterstofproductie. Ook buiten de voorzieningsgebieden van de drie aftakkingen wordt op kleine schaal waterstof geproduceerd en/of gebruikt. Hiervoor is echter geen hoofdinfrastructuur voor handen. In 2050 wekken we onze elektriciteitsvraag zelf op met zo min mogelijk impact op de leefomgeving en het energiesysteem Rond 2030 is circa 15 PJ elektriciteit duurzaam opgewekt, bijna de helft van de elektriciteitsvraag in 2050 (34 PJ). We hebben een relatief kleine elektriciteitsvraag en veel ruimte, daarom voorzien we in onze eigen elektriciteitsvraag. Of dat in 2050 helemaal gelukt is, is nog de vraag. We willen verdere inzet op zon en wind op land zoveel als mogelijk beperken. Daar waar wind op land een rol speelt blijven we dit clusteren en richten we ons op de provinciale voorkeursgebieden. De bijdrage van zon op dak groeit wel door inclusief innovaties op het gebied van lokale opslag (bijvoorbeeld in batterijen van elektrische voertuigen).
Zo wordt het energiesysteem er niet sterk mee belast. Dit levert een bijdrage van rond de 5 PJ of meer, afhankelijk van de technische ontwikkelingen. Op een aantal locaties kunnen Small Modular Reactors een aanvullende bijdrage leveren met een stabiele elektriciteitsproductie. Vanuit het energiesysteem bekeken is Twente hier, door de beperkte potentie voor windenergie, de meest voor de hand liggende optie. Geschikte locaties hiervoor zijn nog onbekend, maar nabij industrie met een grote constante elektriciteitsvraag is een pré. Verder is de opwek van elektriciteit redelijk verspreid over Overijssel gerealiseerd, mede omdat onze vraag ook verspreid is. Overijssel levert een proportionele bijdrage aan een Klimaatneutraal Nederland Overijssel neemt haar eigen verantwoordelijkheid door een grote mate van zelfvoorzienendheid te realiseren. In 2050 hebben we door energiebesparing, elektrificatie en bewust omgaan met energie ons verbruik met ruim 30% verminderd ten opzichte van 2024, ondanks de groei in activiteiten. Daarnaast hebben we ongeveer een kwart van onze resterende vraag met (lokaal opgewekte) warmte en biogas ingevuld. Om het elektriciteitsnet verder te ontzien is een deel van de regionale gashoofdinfrastructuur omgebouwd tot regionale waterstofinfrastructuur.
Onze vraag naar waterstof is grotendeels afhankelijk van aanvoer van de backbone, waarbij we indirect profiteren van wind op zee en grootschalige kernenergie elders in Nederland. Ruim de helft van onze energievraag in 2050 is 25
elektriciteit en deze wekken we zelf op, met zo min mogelijk ruimtelijke impact en met oog voor het energiesysteem. We zetten daarom in op meer zon op dak en innovaties waaronder Small Modular Reactors, en indien nodig aangevuld met windenergie Overijssel gaat voor een gebalanceerd systeemontwerp: robuust en efficiënt In 2050 is het energiesysteem in Overijssel robuust en efficiënt. Robuust door de keuze voor diverse energienetwerken en keuzes om het energiesysteem minder afhankelijk te maken van de hoofdinfrastructuur. Dat doen we met decentrale systeemoplossingen (opslag op het juiste schaalniveau, uitwisseling vraag en aanbod, etc.). Daarmee zijn ook diverse uitbreidingen aan de hoofdinfrastructuur beperkt gehouden. We voorzien in de energievraag met: -
Een beperkt aantal aftakkingen van de waterstof backbone voor grote energievragers Vier deelnetten van TenneT Beperkte regionale gasinfrastructuur (rond decentrale vraag en opweklocaties) Een aantal collectieve warmtenetten
Een deel van de opwek van energie (warmte, biogas en elektriciteit) sluit niet goed aan qua timing op wanneer de energievraag zich voordoet. Denk aan dag en nacht, zomer en winter. Daarom blijven we goed verbonden met de (inter)nationale hoofdinfrastructuur voor uitwisseling. Om het verschil in timing tussen vraag en aanbod van verschillende energiestromen op te lossen is ingezet op de verdere ontwikkeling van decentrale energiesystemen. Er zijn veel meer smart energyhubs, locaties waar vraag- en aanbod van energie lokaal goed op elkaar worden afgestemd. Daarnaast draagt opslag en conversie van energie, ingepast op de juiste plek in de energie-infrastructuur, bij aan een efficiënt systeem. Flexibiliteit in het systeem door energievraag bij te sturen, en opslag en conversie op de juiste momenten in te zetten draagt ook bij aan een robuust systeem. Dit vraagt in veel gevallen ook een gedragsverandering van de eindgebruikers.
4.1 Impact per sector
Figuur 13: impact gebouwde omgeving
26
Bij de gebouwde omgeving is de grootste uitdaging de verduurzaming van de warmtevraag van het oudere woningbestand. Voor nieuwbouw is de netto energiebehoefte laag en met een beperkte eigen opwek zelf op te wekken. Deze huizen zijn heel goed geïsoleerd en gebruiken lage temperatuurverwarming. Nieuwe wijken worden netneutraal ontworpen, met waar mogelijk warmtenetten op basis van lokale warmtebronnen. Energievraag van het oudere woningbestand daalt door verdergaande isolatie. Een aantal historische kernen zal nog met groen gas worden verwarmd (waar mogelijk met hybride warmtepomp). Daarnaast wordt een groot deel van dichtbebouwde gebieden met collectieve warmtenetten van warmte voorzien, gevoed vanuit diverse bronnen. Daar waar collectieve warmtenetten geen mogelijkheid bieden, wordt ingezet op isolatie en elektrische warmtepompen. Elektrische warmtepompen, elektrische voertuigen, batterijen en meer zon-op-dak zijn het nieuwe normaal, maar vragen om goede oplossingen op buurt- en wijkniveau. Omdat deze met elkaar verbonden zijn, zijn grote verzwaring van het laagspanningsnet en afwenteling op de nationale hoofdinfrastructuur voorkomen. Hierdoor is ook de hoeveelheid zon-op-dak die een gebied zonder netproblemen kan absorberen, flink toegenomen.
Figuur 14: impact industrie, land- en tuinbouw De grootste opgave vanuit de energietransitie ligt bij de industrie, met name lokale industrie met een grote warmtevraag. Naast sectorbrede inzet op energiebesparing stappen veel bedrijven over van aardgas naar elektriciteit. Er is een aantal uitzonderingen. Zo gebruikt industrie met een behoefte aan hoge temperatuur warmte, die dichtbij de regionale aftakkingen van de waterstof backbone zit, waterstof. Daar waar in de buurt biogas wordt geproduceerd, wordt deze door industrie gebruikt die een constante vraag heeft. Voor industrie en glastuinbouw met een vraag naar midden temperatuur warmte biedt geothermie op een aantal plekken een alternatief (rekening houdend met beperkingen vanuit drinkwatervoorziening). Nieuwe industrie houdt bij vestiging rekening met de beschikbaarheid van deze alternatieven. Op sommige plekken is vanuit nichetoepassingen ook lokale waterstof beschikbaar. Voor grote volumes is nabijheid bij de regionale aftakkingen noodzakelijk.
27
De industrie is een grootverbruiker en dus draagt zij actief bij aan het voorkomen van netcongestie. Dooreigen vraag (en opwek) lokaal/decentraal uit te wisselen bijvoorbeeld, of tijdelijk op te slaan op het niveau waarop dit efficiënt kan (o.a. smart energy hubs).
Figuur 15: impact mobiliteit Door de beschikbaarheid van waterstof langs de snelwegen en logistieke knooppunten, is een groot deel van de grote vermogensvraag die met elektrisch vrachtvervoer gepaard gaat vermeden. Nieuwe logistieke bedrijven kiezen hun vestigingsplaats zorgvuldig. Mobiele werktuigen hebben bij grote projecten (o.a. wegenonderhoud, dijkverzwaring) op basis van lokale omstandigheden een keuze tussen operatie aangedreven vanuit elektriciteit of waterstof. Alle personenvoertuigen zijn elektrisch aangedreven. Deze voertuigen houden met hun laadgedrag, zowel qua locatie als tijdstip, rekening met de mogelijkheden op het elektriciteitsnet en verlenen, indien niet onderweg, op termijn een bijdrage aan een robuust en efficiënt te opereren elektriciteitsnet. Vier Overijsselse deelnetten De vier verschillende deelnetten hebben een vrij vergelijkbare energievraag. De beschikbaarheid van lokale warmtebronnen en het potentieel van biogas en windenergie verschillen wel per deelnet. Twente heeft een grote warmtebron waarmee regionaal een deel van de warmtevraag kan worden ingevuld maar heeft qua windenergie minder potentie dan West-Overijssel. Daarnaast zijn er binnen deelnetten soms ook nog beperkingen (bijvoorbeeld rond geothermie). In de bijlage zijn de gegevens hierover opgenomen.
Een ander belangrijk verschil is dat door de keuze om waterstof op een selectief aantal gebieden vanuit de hoofdinfrastructuur te bedienen, er binnen de deelnetten gebieden zijn met en zonder toegang tot deze waterstofinfrastructuur. Vanuit de hoofdinfrastructuur elektriciteit bekeken, zijn er voldoende mogelijkheden om zelfs bij de hoge mate van zelfvoorzienendheid op elektriciteit, per deelnet een passende balans tussen vraag en aanbod te kiezen, die recht doet aan de startprincipes. Hierbij helpt het dat de lagere potentie van 28
windenergie in Twente deels gecompenseerd wordt door de ruimere beschikbaarheid van warmtebronnen.
29
Hoofdstuk 5 – Hoe bereiken we ons toekomstbeeld? In dit hoofdstuk beschrijven we de ontwikkelpaden. Waar in het vorige hoofdstuk de stip op de horizon is beschreven, richten de ontwikkelpaden zich meer op de weg er naar toe. Per energieketen schetsen we de belangrijkste mijlpalen die bijdragen aan het bereiken van onze stip op de horizon. Er zijn veel actoren betrokken bij het zetten van de gewenste stappen en samen met die partijen moeten we dan ook invulling geven aan de genoemde stappen. De ontwikkelpaden zoals in dit hoofdstuk beschreven dienen dan ook gezien worden als een eerste aanzet om samen met alle partners – met name de gemeenten en netbeheerders – een uitvoeringsagenda op te stellen voor de eerstkomende jaren.
5.1 Biogas– ontwikkelpad (wordt nog gevisualiseerd) -
-
2022: 0,6PJ biogas / groen gas 2025: uitwerking aanpak opschaling productie kleinschalige mestvergisting 2025: visie op allocatie biogas/groen gas 2026-2035: Opschaling/versnelling 2025: strategie ontwikkeling grootschalige mestvergisting (mestfabrieken) o Locatie-onderzoek (planMER) o Verkennen eventueel benodigde ruimtelijke reserveringen 2030-2035: 50% van de beschikbare mest wordt vergist 2035: biogasfabrieken operationeel 2035: herijken allocatie biogas / groen gas 2040-2050: afhankelijk van herijking vervangen bestaande mestvergisters (i.v.m. technische levensduur) 2050: 5,7 PJ biogas/groen gas in gebruik
Onze huidige ambitie is dat in 2030 de helft van de beschikbare mest wordt vergist. Momenteel is dit percentage minder dan 5%. Essentieel is om op korte termijn te werken aan een grote opschaling van de productie van biogas/groen gas. Daarbij moeten we rekening houden met de ontwikkeling van de veestapel, de consequenties van de terugloop van het gasgebruik voor de instandhouding van het netwerk, mogelijk alternatieve bronnen (naast mest) en alternatieve technieken (vergassing op termijn). Ook hebben we een gedragen visie nodig op de allocatie van biogas. Conform de lijn in deze visie willen we biogas met name gebruiken voor de industrie en waar nodig voor (historische panden in) oude binnensteden. Een belangrijke factor hierin is de verhouding tussen biogas en groen gas, en voor het groen gas de mate waarin instandhouding van het netwerk houdbaar en haalbaar is op bepaalde plekken. Tot slot is het van belang om rond 2035 de allocatie van biogas (binnen en buiten Overijssel) te herijken. Afhankelijk van Rijksbeleid is het voorstelbaar dat gestuurd wordt op een inzet van biogas/biogrondstoffen voor primair de industrie om in koolstofbehoefte te voorzien. Tegelijkertijd komt er naar verwachting de komende jaren een bijmengverplichting voor gasleveranciers om groen gas bij te mengen.
Omdat dit een impact kan hebben op de benodigde infrastructuur én omdat het mogelijk betekent dat er alternatieven nodig zijn voor verwarming van de gebouwde omgeving of warmte voor de industrie is het van belang deze herijking te doen voordat maximaal is opgeschaald.
5.2 Elektriciteit (wordt nog gevisualiseerd) Grootschalige opwek – 2050: proportionele bijdrage 30
-
Ontwikkeling van het aanbod (bovenkant ontwikkelpad) o 2025: nadere verkenning energiebesparing o 2025-2026: aanpak zon op dak o 2025-2028: verkenning potentie SMR ▪ 2025/2026: verkennend locatieonderzoek (mede op basis van versnellingsprogramma, n.a.v. Motie Realistisch Realiseren Kernenergie) ▪ aansluiting bij landelijke studies (Versnellingsprogramma SMR EZK) o 2025-2028: uitvoering procedures windenergie RES-ambitie 2 TWh o 2028: herijking energievisie met invulling eigen opwekambitie + mix (proportionele bijdrage) en tussendoel 2040 o 2032: opwek 15PJ zon/wind (kleinschalig + RES) o 2035-2050: repoweren reeds bestaande zon- en windparken + grootschalig zon op dak o 2040: herijken eigen opwekambitie o.b.v. technologische ontwikkeling en voortgang op andere sporen en definitief invullen hoe eigen opwek te verzorgen (gezien ontwikkeltijd van de opwekopties) ▪ indien SMR nog niet beschikbaar dan alternatieven aanwenden ▪ afhankelijk van vooruitzichten voor 2050 voor andere bronnen + besparing
-
Ontwikkeling van de infrastructuur (onderkant ontwikkelpad) o 2025: capaciteitsstudie benodigde elektriciteitsinfrastructuur inclusief keuzes voor elektrificatie o.b.v. realistisch tempo capaciteitsuitbreiding o 2025: verkenning behoefte aan flex (grootschalig + buurtniveau) ▪ In samenwerking met Rijk/Tennet voor grootschalig ▪ Eventueel ruimtelijke reserveringen o 2025-2026: verkenning waar elektrisch laden logistiek / locaties bekend o 2025-2035: implementatie en opschaling decentrale oplossingen (o.a. SEH) o 2028-2032: 4 deelnetten Tennet gerealiseerd o 2030 en verder: plaatsing systeembatterijen o 2035-2040: uitbreiding elektriciteitsnet Tennet / HSMS stations gerealiseerd9
Gezien de centrale rol van elektriciteit in het systeem staan de komende jaren in het teken van het opschalen van de elektriciteitsproductie, met name door middel van windenergie. De vervolgstap is om richting 2030 de energievisie te herijken en concreet invulling te geven aan onze proportionele bijdrage, zowel qua omvang als het aandeel van de verschillende opwektechnieken. We bepalen hiertoe eerst welke (aanvullende) inzet op besparing nodig is om de verwachte besparing te realiseren. Ook verkennen we de mogelijkheden van opschaling kleinschalige zon op dak in combinatie met slim gebruik en opslag. Rond 2028 verwachten we meer zicht op de haalbaarheid en inzetbaarheid van SMR’s en ontstaat er ook in de uitvoeringsagenda weer ruimte om nieuwe projecten aan te jagen voor de periode na 2030. Voor de infrastructuur is het korte termijn belang dat er maximaal wordt ingezet op uitbreiding en op de ontwikkeling van decentrale oplossingen om de negatieve impact van netcongestie op de energietransitie te beperken. We zetten daarbij in op een nadere capaciteitsstudie: Hoeveel capaciteit wordt er gerealiseerd op basis van de plannen van de netbeheerders (IP26, Targetgrid) en hoeveel is er nodig? Met onze keuze voor meer variatie in de mix willen we met de netbeheerders sturen op 9
Hierbij gaat het om de hoofdinfrastructuur. Dit laat onverlet dat er ook veel moet gebeuren op MS/LS niveau. Dit kan mogelijk een plek krijgen in gemeentelijke energievisies.
31
IP28 en een ‘Targetgrid 2.0’. Mogelijk volgt daarbij ook de behoefte om ruimtelijke reserveringen te doen voor toekomstige uitbreidingen van de elektriciteitsinfrastructuur. Daarnaast werken we een aanpak uit voor het opschalen van decentrale oplossingen: waar is behoefte aan welke vorm van flexibiliteit, met name in de vorm van opslag? Hoeveel, waar en op welk niveau is dit nodig?
5.3 Warmte (wordt nog gevisualiseerd) -
-
-
2025/2026: WCW/WGIW 2025/2026: verbinding tussen inzet warmte (energievisie) en warmteprogramma’s gemeenten o Vergelijking tussen inzet warmteprogramma’s en energievisie o Verkenning benodigde inzet isolatie o Bronnenstudie (loopt al in Twente) i.c.m. met waar groen gas en potentiestudie geothermie o Aanpak voorkomen individuele oplossingen in desbetreffende wijken / geef duidelijkheid 2026: warmteprogramma’s gemeenten + inzet aanwijsbevoegdheid gemeenten (welke wijken < 2034 van het gas af) 2025-2030: opbouw publieke realisatiekracht (inter)provinciaal warmtebedrijf o Financieel (garantiefonds/subsidie (WIS)) o Organisatorisch 2033: vanaf dit jaar alle nieuwe warmtenetten in publieke handen 2030-2035: realisatie eerste warmtenetten (inzet op ongeveer 80.000 woningen in Zwolle, Twente en Deventer) 2035: wijken uit warmteprogramma’s van het aardgas af (binnen 8 jaar na aanwijzen) 2035: herijken inzet: is er meer nodig? 2035-2040: verkenning lange termijn beschikbaarheid duurzame warmte en robuustheid beschikbare bronnen (inclusief mogelijke ontwikkeling afvalstromen) 2040: om het doel in 2050 binnen bereik te houden dienen we rond 2040 ongeveer halverwege te zijn met indicatief 100.000-130.000 weq. 2050: 180.000 weq op het warmtenet
5.4 Waterstof (wordt nog gevisualiseerd) -
-
-
2025: 0 PJ waterstof 2025: haalbaarheidsstudie en samenwerkingsverbanden rond Overijsselse aftakkingen backbone, afstemming met o.a. Gasunie/HNS, Rijk, buurprovincies en gemeenten 2025: studie naar mogelijke locaties voor productie van waterstof inclusief mogelijk lokale transportinfrastructuur voor waterstof. Hierbij betrekken we ook de toekomstige ontwikkeling van Overijssel en haar energievraag, zoals bijvoorbeeld beïnvloed door de verstedelijkingsstrategieën. 2025: verkenning (o.a. met RWS) naar locaties waterstofvulpunten 2025-2035: organisatie van het aanbod kleinschalig (bovenkant ontwikkelpad) o Pilots kleinschalige opwek en kennisontwikkeling stimuleren (o.a. via Hydrogen Valley, ondersteuning hubs, H2 innovatiefonds, borging netaansluitingen) o Aanpak mobiliteit: realisatie logistieke vulpunten o Op basis van de pilots uitbreiding productiecapaciteit 2025-2040: realisatie aftakkingen backbone 32
-
-
o 2025: studie haalbaarheid regionale aftakkingen + prioritering → PMIEK o Commitment overheden en bedrijfsleven organiseren o Realisatie aftakkingen: 2035-2040 o Koppeling met de decentrale productie 2025-2030: organisatie van de vraag (onderkant ontwikkelpad) o Launching customers o Gesprekken en beleid voor logistiek en pCES6 over bereidheid tot wachten 20302035 en commitment organiseren voor afname o Ruimtelijk vestigingsbeleid (bedrijventerreinen) om waterstof vraag geografisch te clusteren (indien nodig) o Stimuleren gebruik waterstof 2030: H2 backbone oost operationeel 2030: ongeveer 0,5-1 PJ waterstof 2030: H2 tankstations/vulpunten gerealiseerd o Eerste jaren per vrachtwagen voorzien van waterstof 2030-2040: opschaling van productiecapaciteit (afhankelijk van aftakking) 2035-2040: H2 grootschalig beschikbaar, anders terugvallen op alternatieven (verbonden met herijking elektriciteit in 2040) 2040: 6 PJ waterstof (3 PJ industrie, 3 PJ mobiliteit waterstof) 2050: 9 PJ waterstof (3 PJ industrie, 6 PJ mobiliteit)
De focus bij het gebruik van waterstof ligt op de industrie en mobiliteit. Het grootste risico daarbij is dat ondernemers verduurzamen zonder te wachten op de beschikbaarheid van waterstof. Het is essentieel om zo snel als mogelijk een helder (perspectief op) waterstof te schetsen, de energievisie is daarin een eerste stap. Uiteindelijk zullen ondernemers alleen overstappen als dat perspectief er is. Dat betekent allereerst maximale inzet op organisatie van het aanbod, voorafgegaan door een studie waar waterstof decentraal geproduceerd wordt. Van belang hierbij is waar de potentiële vraag zit. Daarbij zien we kleinschalige opwek (via elektrolysers) voor een gedeelte als ‘korte termijn’ opstap naar gebruik van waterstof uit een aftakking van de backbone. Die kleinschalige opwek vindt grotendeels plaats bij bedrijven die op termijn gebruik kunnen maken van waterstof uit de aftakking. Deze initiatieven zien we al ontstaan in bijvoorbeeld Deventer, Almelo/Vriezenveen en Zwolle, met vaak een behoefte aan ondersteuning voor de opschaalfase. Voor de mobiliteit betekent dit dat er niet alleen opwek moet zijn, maar dat er rond 2030 ook een dekkend netwerk van vulpunten voor waterstof moet zijn. Parallel aan de aanbod ontwikkeling werken we aan de organisatie van de vraag. Omdat ondernemers nu geen perspectief hebben op waterstof richten ze zich al snel op elektriciteit.
Dit vraagt om nadere afstemming met ondernemers waarbij we verder in kaart brengen waar de potentiële vraag zit en wat er voor nodig is om hen het comfort te bieden om af te wachten (met perspectief). Hierbij zal ook de inzet van het Rijk nodig zijn en mogelijk flankerend beleid vanuit de provincie. Bij het Rijk zou beleid rekening kunnen houden met het moment dat waterstof beschikbaar komt als optie, of de hogere kosten van belevering met tube trailers. Als provincie kunnen we daarbij – samen met gemeenten – zorgen voor launching customers door te sturen op de inzet van waterstof en door zelf als launching customer te fungeren. Rond 2030 verwachten we nader inzicht in wanneer en waar er uiteindelijk aftakking van de backbone worden gerealiseerd. Dit betekent dat we dan ook een keuze maken in de mate van verdere opschaling van decentrale productie versus het afnemen van waterstof via een aftakking.
33
5.5 Vervolgstappen Deze energievisie is de eerste in het kader van het integraal programmeren en kent een doorwerking naar het pMIEK. Van belang is om de komende tijd met de netbeheerders – regionaal en landelijk – en het Rijk te verkennen hoe de doorwerking van de provinciale energievisies wordt geborgd. Hoe vindt dit zijn weg in de netvisies en investeringsplannen van de netbeheerders. Niet alleen op papier (integraal programmeren), maar ook in de praktijk. Daarnaast is het vooral van belang om aan de slag te gaan. Veel van de in de ontwikkelpaden opgenomen acties richten zich op de komende jaren en hebben alleen kans van slagen als ze in gezamenlijkheid opgepakt worden. Op basis van de genoemde acties is de eerste stap om samen met gemeenten en netbeheerders een uitvoeringsagenda op te stellen voor de komende jaren. Het is verstandig om deze energievisie over een aantal jaar te herijken en bij de vertaling naar (omgevings-)beleid voldoende flexibiliteit te houden om onze aanpak bij te kunnen stellen waar nodig. Veel partijen hebben de noodzaak voor een heldere en adaptieve energievisie onderschreven. Het meest logisch lijkt vooralsnog een herijking eens in de vier jaar om zo de aansluiting te houden bij de planning van het pMIEK in de cyclus van het integraal programmeren. Concreet betekent dit een eerste herijking in 2028.
Tot slot hebben diverse gemeenten aangegeven aan de slag te gaan met een gemeentelijke energievisie. Samen met de gemeenten verkennen we daarom hoe deze visies vormgegeven kunnen worden op zo’n manier dat ze qua inhoud, detailniveau en vervolgstappen goed aansluiten bij de provinciale energievisie.
5.6 PMIEK projecten voortkomend uit de energievisie Op basis van de hoofdkeuzes en de geschetste ontwikkelpaden verwachten wij dat een aantal ontwikkelingen in het pMIEK proces meegenomen worden en daar via het afgesproken proces worden beoordeeld. Een aantal van de genoemde projecten krijgen waarschijnlijk de status verkenningsproject: -
-
De nieuwe 380 kV koppelpunten voor de vier Overijsselse deelnetten om de centrale elektriciteitsinfrastructuur te verzwaren en daarmee de toenemende elektrificatie te kunnen faciliteren. Het regionale warmtenet in Twente vanuit de hoofdkeuze variatie in de mix. De drie regionale aftakkingen van de waterstofbackbone vanuit de hoofdkeuzes variatie in de mix en clustering bij waterstof vanuit de hoofdinfrastructuur. Een verkenning naar de mogelijkheden van grootschalige mestfabrieken.
34
Bijlage 1 – Landelijke kaders voor de energievisie In hoofdstuk is een korte duiding gegeven van de relatie tussen de energievisie, het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) en de provinciale omgevingsvisie (Overijssel voor en met Elkaar!). Voor de volledigheid volgen hieronder nog een drietal (type) kaders die we betrokken hebben bij het opstellen van de energievisie. Programma Energiehoofdstructuur (PEH) Het PEH is de ruimtelijke visie voor de energiehoofdstructuur voor Nederland in 2050 op land. Het PEH is een van de programma’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en bevat structurerende keuzes voor de energiehoofdinfrastructuur, en vormt daarmee een belangrijke bouwsteen voor de Nota Ruimte. Een aantal ontwikkelingen uit het PEH raakt Overijssel en is al redelijk concreet qua impact, zoals de voorziene waterstofbackbone die door Overijssel heen loopt. Een aantal andere ontwikkelingen die op weg naar een klimaatneutraal energiesysteem ruimtelijk ingepast moeten worden zijn minder concreet qua omvang en locatie (systeembatterijen en mogelijke ondergrondse opslag van waterstof). Sectorale plannen De afgelopen jaren zijn er verschillende sectorale energieplannen ontwikkelt. Denk aan de Regionale Agenda Laadinfrastructuur (RAL), de Cluster Energiestrategieën (CES), transitievisies warmte en de Regionale Energiestrategieën (RES).
Maar ook op andere gebieden dan energie zijn al diverse sectorale ambities afgesproken, bijvoorbeeld op het vlak van wonen (Woondeals) en bedrijventerreinen (Programmeringsafspraken bedrijventerreinen). Deze opgaven hebben altijd een vraag naar en/of aanbod van energie, of zijn van invloed op de ruimtelijke mogelijkheden voor energie(infrastructuur). De energievisie is daarmee enerzijds richtinggevend voor de verdere ontwikkelingen in de verschillende sectoren. Anderzijds zijn deze sectorale plannen meegenomen als input voor de ontwikkelingen die verwacht worden, met de kanttekening dat veel sectorale plannen een kortere tijdshorizon hebben, vaak tot 2030. Specifiek voor de RESsen merken we op dat daarin momenteel gewerkt wordt aan een strategie en uitvoeringsplannen voor de komende jaren. De energievisie is daarbij richtinggevend voor de provinciale rol en opvattingen daarin. (Investerings)plannen Netbeheerders De energieinfrastructuur is constant in ontwikkeling. De nationale netbeheerders, TenneT en Gasunie, en de regionale netbeheerders, Enexis, Coteq en RENDO, zijn al diverse uitbreidingen en nieuwe energieinfrastructuur aan het realiseren. Daarnaast hebben ze in hun investeringsplannen diverse uitbreidingen opgenomen die op basis van huidige inzichten noodzakelijk zijn. Mogelijk dat deze nog deels worden bijgesteld op basis van de energievisie of keuzes in het pMIEK.
Wel is er een aantal ontwikkelingen aan de energiehoofdinfrastructuur die naar alle waarschijnlijkheid gaan plaatsvinden en we daarom als uitgangspunt voor de Overijsselse energievisie hebben gebruikt: - Realisatie waterstofbackbone: een deel van de bestaande gashoofdinfrastructuur wordt hiervoor (her)gebruikt. Dit tracé loopt dwars door Overijssel vanuit gasknooppunt Vilsteren zuidwaarts tot het tussen Deventer en Holten Overijssel verlaat. - Regionaal warmtenet Twente: in een samenwerking tussen een aantal Twentse gemeenten, netbeheerder Cogas en Twence, wordt er gewerkt om het huidige lokale warmtenet, gevoed vanuit restwarmte van Twence, uit te breiden tot een regionaal warmtenet waarmee circa 100.000 woningequivalenten van warmte worden voorzien in Twente. - TenneT uitbreiding van twee tot vier deelnetten: onderstaande figuur laat de beoogde opsplitsing zien van de twee bestaande deelnetten (Zwolle en Oele) in vier deelnetten (Hessenpoort, Zwolle, Almelo, Hengelo) en een indicatieve schets van de voedingsgebieden. 35
Deze deelnetten gebruiken we om de impact van ontwikkelingen - bijvoorbeeld rondom de opwek en vraag naar energie - te kunnen beoordelen. -
Figuur 1: Overzicht vier toekomstige deelnetten van TenneT inclusief de huidige HS/MS stations.
36
Bijlage 2 – Werksessies en bijeenkomsten energievisie Deze energievisie is van de provincie Overijssel, maar ook voor de hele provincie Overijssel. Vanaf het begin zijn gemeenten, netbeheerders en maatschappelijke organisaties daarom betrokken geweest. Hieronder vindt u een overzicht van de georganiseerde bijeenkomsten, doelgroep, datum en onderwerp. Voor de volledigheid zijn de momenten waarop de energievisie in GS en PS aan de orde is geweest ook toegevoegd (blauwe tekst). Onderwerp
Datum
Doelgroep
2023 Plan van aanpak
17 oktober
Netbeheerders + aantal gemeenten
Plan van aanpak
26 oktober
Netbeheerders + aantal gemeenten
Plan van aanpak
7 december
Werkplaats Twente (gemeenten/netbeheerders)
Plan van aanpak
12 december
Vaststelling door GS
Plan van aanpak
14 december
Werkplaats West-Overijssel (gemeenten/netbeheerders)
Plan van aanpak
15 december
Plan van aanpak gedeeld met alle gemeenten/netbeheerders met verzoek intern (ambtelijk/bestuurlijk) te delen/bespreken
2024 Startprincipes
8 februari
Werksessie Twente (gemeenten/netbeheerders/maatschappelijke organisaties)
Startprincipes
15 februari
Werksessie West-Overijssel (‘’)
Plan van aanpak
13 maart
Commissie milieu en energie (naar aanleiding van PS-brief: PS24-000125)
Startprincipes
14 maart
Werksessie Twente (‘’)
Startprincipes
21 maart
Werksessie West-Overijssel (‘’)
Toekomstbeelden
22 april
Ontwerpatelier deelnet Hessenweg – West Overijssel (gemeenten/netbeheerders/maatschappelijke organisaties)
Startprincipes
24 april
Webinar voor gemeenten/netbeheerders
Toekomstbeelden
25 april
Ontwerpatelier deelnet Zwolle – West Overijssel (‘’)
Startprincipes
Begin mei
Schriftelijke input bestuurders RES West-Overijssel
Toekomstbeelden
6 mei
Ontwerpatelier deelnet Almelo – Twente(‘’)
Toekomstbeelden
7 mei
Ontwerpatelier deelnet Hengelo – Twente (‘’)
Startprincipes
13 mei
Energyboard
Toekomstbeelden
13 mei
Kwantitatieve werksessie West-Overijssel (gemeenten/netbeheerders)
Toekomstbeelden
14 mei
Kwantitatieve werksessie Twente (gemeenten/netbeheerders)
37
Algemene toelichting / startprincipes
24 mei
BBO RES Twente
Toekomstbeelden
13 juni
Werksessie opbrengsten - Twente(gemeenten/netbeheerders)
Toekomstbeelden
20 juni
Werksessie opbrengsten – West Overijssel (gemeenten/netbeheerders)
Verduurzaming bedrijven
Juli / augustus
1-op-1 interview aantal bedrijven
Hoofdkeuzes
3 juli
Bestuurlijk platform RES West-Overijssel
Hoofdkeuzes
8 juli
Bestuurders RES Twente
Startprincipes
10 juli
Commissie milieu en energie
Hoofdkeuzes
12 juli
Energyboard
Startprincipes
17 juli
PS
Startprincipes
18 juli
Brief aan gemeenten (colleges) en netbeheerders over vaststellen startprincipes en vervolgproces (waaronder consultatie, verzoek om raden te informeren en waar nodig van gedachten te wisselen)
Proces en data
12 september
Werkplaats Twente (gemeenten/netbeheerders)
Proces en data
19 september
Werkplaats West-Overijssel (gemeenten/netbeheerders)
Concept energievisie
1 oktober
Gemeenten/netbeheerders Twente ambtelijk
Concept energievisie
3 oktober
Gemeenten/netbeheerders West-Overijssel ambtelijk
Procesupdate
4 oktober
Energyboard
Concept energievisie
8 oktober
Buurprovincies
Concept energievisie
8 oktober
Ministerie EZK/KGG
Concept energievisie
11 oktober
Bestuurders RES West-Overijssel / netbeheerders
Concept energievisie
16 oktober
Bestuurders RES Twente / netbeheerders
Concept energievisie
24 oktober
Maatschappelijke organisaties
Concept energievisie
7 november
Webinar voor gemeenten/netbeheerders
Concept energievisie
20 november
Scholieren en hun ouders
Concept energievisie
27 november
Scholieren en hun ouders
Concept energievisie
4 december
Bestuurders RES Twente
Concept energievisie
4 december
Bestuurders RES West-Overijssel
Aanvullend op bovenstaande bijeenkomsten is het proces van de totstandkoming van de energievisie begeleid door een kernteam. Onderdeel van dit kernteam waren: -
Provincie Overijssel 38
-
Tennet Gasunie Rendo Coteq Enexis Noaberkracht (gemeenten Dinkelland/Tubbergen) Gemeente Enschede Gemeente Hengelo Gemeente Ommen Gemeente Zwolle Gemeente Dalfsen
39
Bijlage 3 – Startprincipes Principe 1 Het huidige energiesysteem is ontworpen op een systeem waarin de energievraag voorspelbaar groeide en van energie voorzien werd vanuit een aantal centrales (elektriciteit), de gasbel bij Slochteren (gas/warmte) en door raffinage van geïmporteerde olie (brandstof). Eenvoudig op- en afregelbaar in lijn met de ontwikkelingen in de vraag en met een hoofdinfrastructuur die energie efficiënt transporteert en distribueert naar de afnemers. Deze afnemers waren qua energievraag vrij voorspelbaar en de vraag ontwikkelde zich vrij stabiel over de tijd. In een paar decennia moet dit hele systeem een transitie doormaken naar een energiesysteem waarin een groot deel van de energieproductie decentraal plaatsvindt en bovendien weers- en seizoensafhankelijk is. Industrie en mobiliteit stappen (groten)deels over van gas en benzine/diesel op hernieuwbare elektriciteit. De voorspelbaarheid qua belasting van het systeem is veel lastiger. Deze ontwikkelingen vragen een enorme verbouwing en systeemverandering die op dit moment niet bij te benen is door de netbeheerders, met alle gevolgen van dien. Ondernemers kunnen niet uitbreiden, de woonopgave en de verduurzaming van diverse sectoren worden vertraagd, en de beschikbaarheid van energie is niet langer vanzelfsprekend op ieder moment.
Gezien deze ontwikkelingen is enerzijds een wens om een robuust energiesysteem te ontwikkelen dat om kan gaan met veranderende omstandigheden, zowel incidenteel (storingen) en structureel (vraaguitval of nieuwe innovaties). Anderzijds willen we ook oog voor efficiëntie: een systeem dat op alles voorbereid is, kan ook onbetaalbaar en inefficiënt zijn omdat het met alles rekening houdt. Om die betaalbaarheid mee te nemen is het belangrijk dat kostenefficiëntie (o.a. in de energiemix) en het efficiënt benutten van beschikbare capaciteit (zowel voor transport, opslag en conversie) een grote bijdrage leveren. Dit leidt tot het volgende principe: Het energiesysteem van de toekomst is robuust en efficiënt. Het systeem is robuust genoeg om onvoorziene ontwikkelingen op te vangen en vergroot onze mogelijkheden om onze maatschappelijke opgaven te realiseren. Voor- en nadelen van dit principe: +
Door energievraag, -aanbod, en -opslag optimaal aan elkaar te koppelen. Door hierbij te kiezen voor het juiste schaalniveau lossen we lokale vraagstukken lokaal op, waardoor onnodige belasting op de hoofdinfrastructuur voorkomen wordt): wijkgericht, lokaal, gebiedsgerichte oplossingen.
+
Door het energiesysteem efficiënt en slim in richten, beperken we de maatschappelijk kosten die het energiesysteem met zich meebrengt. Hiermee beperken we, voor zover mogelijk, de benodigde investeringen in het energiesysteem.
+
Een energiesysteem met een goede mix van energiedragers toegepast op de juiste schaal met mogelijkheden om zich aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen vergroot onze mogelijkheden om alle maatschappelijke opgaven te realiseren.
-
Een robuust en efficiënt systeem vraagt ook lastige keuzes over waar en in welke sectoren we welke schaarse energiedragers willen inzetten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan keuzes rond de inzet van waterstof die vanuit het NPE een systeemfunctie toegeschreven is, met uitspraken over in welke sectoren deze energiedrager wel en geen rol kan spelen. Niet alles kan meer overal. Ook bij de keuze in energiebronnen kunnen er spelregels komen. Bijvoorbeeld: om een efficiënt energiesysteem te bouwen, en de druk op het elektriciteitsnet te verlagen kan het gewenst zijn
-
40
om een collectief warmtenet aan te leggen. Om dit warmtenet goed te laten functioneren, is een bepaalde afname van warmte een belangrijke randvoorwaarde, en kan het nodig zijn de inzet van andere (individuele) oplossingen zoals een warmtepomp te ontmoedigen. Principe 2: De energietransitie biedt veel kansen, waarbij op alle vlakken ook meegeprofiteerd kan worden van de economische kansen die zij biedt. Energie die je niet gebruikt, hoef je niet te betalen, en energie die je zelf opwekt kan veel goedkoper zijn en je veel onafhankelijker maken van marktprijzen. Waar bij de eerste stappen in de energietransitie de lusten en lasten nog onvoldoende eerlijk verdeeld werden, ontstaan nieuwe kansen voor inwoners en bedrijven waarbij ook (lokale) samenwerking zijn vruchten afwerpt. Het benutten van lokale kansen afgestemd op het lokale energiesysteem vraagt goede afstemming met de ontwikkeling van lokale en regionale energieinfrastructuur. Dit leidt tot het volgende principe: Lokale kansen om van duurzame energie te profiteren worden benut. Voor- en nadelen van dit principe +
Lokaal collectief eigenaarschap van energie biedt kansen en vraagt samenwerking. Winsten vanuit duurzame energie vloeien zoveel mogelijk terug naar de lokale omgeving, waardoor vaak meer mogelijk wordt door het toenemende draagvlak.
+
Betrokkenheid van lokaal bedrijfsleven in lokale energievoorziening stimuleert innovatie.
+
Noaberschap kan een belangrijke basis voor samenwerking zijn in energiegemeenschappen, om energie te besparen, samen op te wekken en samen te delen. Net als bestaande en op te richten publiek-private samenwerkingen.
+
Door lokale kansen voor duurzame energie te benutten, versterken we onze strategische autonomie. Overigens kunnen die soms groter zijn door ze regionaal te delen.
+
Er liggen kansen om recreatie en energie aan elkaar te verbinden. Het energiesysteem van de toekomst biedt perspectief voor nieuwe verdienmodellen in de energietransitie voor (agrarisch) ondernemers en ten aanzien van landschapsbeheer. Deze nieuwe verdienmodellen kunnen doorwerken in een versterking van de leefbaarheid.
-
De afstemming van de ontwikkeling van lokale en regionale energieinfrastructuur kan leiden tot beperkt gebruik van regionale infrastructuur, waarbij de wens wel blijft dat deze altijd hulp kan bieden als het incidenteel nodig is. Hoe de kosten van deze leveringszekerheid goed te socialiseren is een complex vraagstuk. Lokaal beschikbare energie is niet altijd de meest gewenste en/of “goedkoopste” energiebron.
-
Principe 3: In de transitie waar we als samenleving voor staan, gebeurt al heel veel vanzelf. Sommige grote stappen brengen echter grote risico’s en investeringen met zich mee. Om deze stappen te zetten moet er voldoende comfort en zekerheid zijn. Denk bv. aan een grote onderneming die voor een miljoeneninvestering staat om afscheid te nemen van zijn productieproces op basis van aardgas. Hoe ontwikkelt de prijs voor waterstof en/of elektriciteit zich? Komt er voldoende infrastructuur en is die tijdig beschikbaar voor deze onderneming? Waar en in welke mate gaat kernenergie een rol spelen? En vanuit de wens voor een efficiënt energiesysteem weten we dat niet alles overal kan. Sommige 41
sectoren, denk aan industrie en logistiek, hebben door de aard en intensiteit van hun energiegebruik een beperkt aantal mogelijkheden: hoe gaan we om met de schaarste van energiebronnen? Hoe geven we hierin voldoende duidelijkheid met voldoende ruimte én perspectief voor het nemen van eigen verantwoordelijkheid van alle partijen binnen de energietransitie? Het is hierbij de kunst om de keuzes op het passende schaalniveau te maken. Dit leidt tot het volgende principe: Er worden - waar dit nodig is - duidelijke keuzes gemaakt om te zorgen dat de energietransitie voort kan en iedereen daarin mee kan en aan kan bijdragen. Voor- en nadelen bij dit principe: +
Duidelijke keuzes geven helderheid over het handelingsperspectief van inwoners en ondernemers. Door de toenemende druk op de ruimte en het energiesysteem kan niet alles meer overal. Duidelijkheid over waar wat wel kan, geeft belangrijk inzicht aan inwoners en ondernemers en richting geven aan de energietransitie.
+
Door de duidelijke keuzes te beperken tot vraagstukken waarvoor dit noodzakelijk is, en te nemen op het relevante schaalniveau, geven we inwoners en ondernemingen, binnen die keuzes, de vrijheid om energie-initiatieven te ontplooien die goed passen bij hun situatie.
+
Overijssel heeft veel industrie verspreid over haar provincie. Met duidelijke keuzes kunnen we de aantrekkelijkheid om ook relevante hoofdinfrastructuur te realiseren in Overijssel verhogen, door een attractief perspectief te bieden aan het Rijk en de nationale netbeheerders en/of private partijen met een rol in het energiesysteem (denk aan flex-aanbieders en huidige warmtebedrijven).
-
Het bouwen aan het energiesysteem van de toekomst vraagt om een intensieve inzet vanuit alle overheden, ondernemers, maatschappelijke organisaties en inwoners. Vanwege de verschillende belangen en rollen is een goede rolverdeling van belang om voldoende voortgang te kunnen maken. De keuzes die nodig zijn, zijn deels afhankelijk van keuzes op nationale schaal en soms pas wat later in de tijd te maken. Te vroeg de verkeerde keuzes maken kan suboptimaal en kostbaar zijn. Soms leiden keuzen, bijvoorbeeld tot clustering, ertoe dat gebieden buiten de clusters voor bepaalde sectoren minder aantrekkelijk worden. Dat kan, in het geval van industrie, effect op werkgelegenheid en leefbaarheid hebben.
-
Principe 4: In 2050 wordt Overijssel nog steeds gewaardeerd om haar rust, ruimte en recreatiemogelijkheden. Tegelijkertijd staat de ruimte in de provincie steeds meer onder druk. Want alle ruimtelijke opgaven hebben de afgelopen decennia om meer ruimte gevraagd. Natuurversterking, beheer van landschappelijke kwaliteiten, landschapsversterking, extensivering in de landbouw, versterking van water- en bodemkwaliteit, en zo ook de energietransitie. Tevens is het onvermijdelijk dat het landschap - en ook het stedelijk gebied - gaat veranderen door de energietransitie. In die onvermijdelijke verandering is het belangrijk zoveel mogelijk oog te hebben voor het versterken van ruimtelijke kwaliteit en in te zetten op meer en meer slimme oplossingen om de ruimte multifunctioneel te gebruiken. De benodigde ruimte voor het toekomstige energiesysteem wordt een mee te wegen aspect in de keuze voor het energiesysteem van de toekomst (inclusief energiemix). Ook kan het helpen om onze blik te verbreden van een project-businesscase naar meer brede maatschappelijke welvaart. Hierbij neem je naast enkel economische afwegingen voor een 42
initiatiefnemer, de maatschappelijke kosten en baten mee voor de hele maatschappij, waarbij o.a. ook aan sociale en milieu-effecten een waarde wordt toegekend. Bepaalde (economisch duurdere) investeringen in energiebronnen of energie-infrastructuur kunnen de moeite waard zijn omdat daarmee fysieke ruimte blijft bestaan voor andere sectoren/ontwikkelingen en daarmee alsnog ‘terugverdiend’ kunnen worden. Dit leidt tot het principe: De inrichting van het toekomstige energiesysteem benut de beschikbare ruimte in Overijssel optimaal: zuinig en multifunctioneel waar mogelijk. Voor- en nadelen van dit principe +
Door optimaal en multifunctioneel ruimtegebruik blijft er ruimte voor gewenst ontwikkelingen
+
Het waardevolle landschap in Overijssel blijft zoveel mogelijk behouden
+
Bepaalde ontwerpkeuzes voor het energiesysteem kunnen de behoefte aan, en eventuele zichtbaarheid van, nieuwe en/of verzwaarde energieinfrastructuur flink beperken. Ook menselijk gedrag kan hierin een rol spelen. Besparen is beter dan verzwaren.
-
Inzet op multifunctioneel ruimtegebruik maakt oplossingen complexer en kan vertragend werken. De ontwikkeling van energieinfrastructuur en de opwek van energie is niet overal mogelijk en kent veel randvoorwaarden. Hierdoor is het niet altijd mogelijk dit goed te combineren met andere functies. Multifunctioneel ruimtegebruik is dan ook slechts een gedeeltelijke oplossing. Inzet op multifunctioneel ruimtegebruik beperkt (in eerste instantie) de mogelijkheid om te kiezen voor oplossingen die vanuit energetisch, financieel, draagvlak en andere aspecten een meer logische keuze zijn.
-
Principe 5: Heel Nederland is in 2050 klimaatneutraal. We gebruiken 100% duurzame energie, uit verschillende energiebronnen, deels zelf opgewekt, deels geïmporteerd. We werken toe naar een robuust, slim, efficiënt en rechtvaardig energiesysteem, dat vraagt veel. De vraag naar energie in Nederland zal ondanks besparing en innovatie substantieel zijn, en hierbij is het ongewenst om deze volledig te voorzien met grootschalige opwek uit enkele bronnen op locatie elders. Van alle landen en regio’s wordt verwacht een bijdrage te leveren aan deze grote opgave. Dit is nog los van de wens naar een kleinere afhankelijkheid van andere landen voor onze energievoorziening. Dit vraagt om het langdurig maatschappelijk rendement mee te nemen bij keuzes over wel of niet aanboren van lokale energiebronnen. Hierdoor kan de mate van zelfvoorzienendheid (individueel en op gebiedsniveau) sterk stijgen, dit wordt uitgedrukt als het aandeel van zelf geproduceerde energie (opwek) in de eigen energievraag. Ook Overijssel kan hiermee – naar haar mogelijkheden – een bijdrage aan leveren. Dit leidt tot het volgende principe: Overijssel draagt proportioneel bij aan een Klimaatneutraal Nederland met een duidelijke ambitie qua mate van zelfvoorzienendheid Voor- en nadelen van dit principe +
Met een substantiële bijdrage nemen we ook de verantwoordelijkheid voor de toekomstige generaties die hun keuze nog niet kenbaar kunnen maken.
+
Er zijn veel sectorplannen ontwikkeld voor (een stap richting) een Klimaatneutraal Nederland (denk aan RES, CES6, RAL). Door een Overijsselse ambitie te bepalen voor de mate van 43
zelfvoorzienendheid in 2050 kan mede richting gegeven worden aan de gewenste ambitie van deze sectorplannen. Deze ambitie relateren we aan onze opwekmogelijkheden, en zal schuren met de andere startprincipes. +
Overijssel is verbonden met grotere gebieden: het energiesysteem stopt niet bij de (lands)grens. Door die verbinding te houden, en onze eigen afhankelijkheid te beperken, kunnen we andere regio’s helpen en waar nodig geholpen worden. We blijven verbonden met landelijke infrastructuur voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat aangezien we voor onze sectoren industrie en mobiliteit (met name) logistiek niet de verwachting hebben alle benodigde energie zelf op te kunnen/willen wekken, zonder hierbij de brede maatschappelijke welvaart in Overijssel flink te verlagen.
-
Overijssel blijft voor een gedeelte afhankelijk van de landelijke infrastructuur om al haar sectoren van duurzame energie te voorzien in 2050. In welke mate vraagt een politieke keuze waarbij de toekomstbeelden uit de energievisie de consequenties schetsen.
44
Bijlage 4 – Samenvatting toekomstbeelden Als denkoefening voor het komen tot een energievisie voor de provincie Overijssel in 2050 zijn er vier toekomstbeelden bedacht. Welke richtingen zou het systeem zich op kunnen ontwikkelen? Hiermee hebben we getracht inzicht te krijgen in de verschillen en bijbehorende vragen die dit oproept: 1. Energie is volgend. Energie-infrastructuur, opslag en opwek volgen in principe ander ruimtelijk beleid en ruimtelijke structuren. Energie faciliteert dit beleid. 2. Energie is sturend. Energie-infrastructuur, opslag en opwek zijn medesturend in de ruimtelijke ordening van de toekomst. Vraag en aanbod van energie wordt geclusterd en ruimtelijke ordening volgt deze clustering. 3. Energie is innovatie; 4. Energie is lokaal. Hierbij wordt opgemerkt dat de eerste twee toekomstbeelden op zichzelf staande volwaardige toekomstbeelden zijn. Dit geldt niet voor toekomstbeelden 3 en 4. Deze toekomstbeelden kunnen gezien worden als aanvullingen op de eerste twee toekomstbeelden.
Toekomstbeeld Energie is Volgend Het energiesysteem sluit zoveel mogelijk aan bij de landschappelijke en ruimtelijke structuren. Energie is ‘volgend’ – en daarmee faciliterend - aan andere ruimtelijke opgaven. Wel kunnen er duidelijke keuzes gemaakt worden en kan er regie gepakt worden, alleen is daarin dan het energiesysteem niet sturend of van doorslaggevend belang, maar zijn dit andere belangen. Dit toekomstbeeld lijkt het meest op de huidige situatie. 2.1. Energievraag Overijssel zet maximaal in op energiebesparing. In stedelijk gebied voorzien we een groot deel van de woningen met warmtenetten, mede om de benodigde opwek van elektriciteit met windparken en zonneparken te voorkomen. Waar dit niet mogelijk is, vervullen warmtepompen deze rol. In landelijk gebied helpt isolatie, warmte-koude opslag (waar mogelijk) en elektrificatie iedereen de winter door. Bedrijventerreinen ontwikkelen zich conform de huidige ideeën waarbij kleine(re) kernen de eigen bedrijventerreinen beperkt uitbreiden voor de ‘eigen’ ambitie. Daarnaast staan er in Overijssel een aantal grote uitbreidingen gepland zoals Almelo XL (100 ha). In Overijssel maken 21 locaties deel uit van het CES6-cluster. Naast deze clusters is er ook daarbuiten industrie gevestigd, met name levensmiddelenindustrie.
In 2050 is deze industrie verregaand geëlektrificeerd, waarbij relatief eenvoudig winbare geothermie of nabij opgewekt biogas wel gebruikt wordt voor de middentemperatuur warmtevraag . Ook wordt er ingezet op warmteintegratie voor industrie in de omgeving van Twence. Biogas/groen gas wordt in de industrie beperkt ingezet voor hoge temperatuurvraag nabij opweklocaties. Door het uitblijven van door de overheid gestuurde “vraagclustering” is de aftakking van de waterstofbackbone er niet gekomen, en komen initiatieven die waterstof gebruiken slechts op een paar plekken lokaal van de grond. Deze waterstof wordt per vrachtwagen getransporteerd naar de gebruikers. Energiecoöperaties en bedrijvenverenigingen zijn een drijvende kracht in de ontwikkeling van slimme energiehubs. Zij werken, vanuit economische en bedrijfsmatige motieven, intensief met elkaar samen om ‘pieken’ in het net te voorkomen, beschikbare energie slim te delen en energie te besparen.
45
Het openbaar vervoer is in 2050 geheel elektrisch. Het is hierbij wel de verwachting dat de vraag naar OV toeneemt en er dus meer energie voor nodig zal zijn. Ook de personenmobiliteit en de logistieke sector zijn verreweg geëlektrificeerd, waarbij veel gebruik gemaakt wordt van “eigen” laadpalen en de voorzieningen bij de vele (snel)laadstations. Voor het opladen van elektrische voertuigen kunnen grote laadpleinen op strategische locaties (vanuit logistiek perspectief) ontwikkeld worden om de logistieke sector van energie te voorzien. Een klein deel van het zwaar transport gebruikt waterstof. In Overijssel zal een beperkt aantal waterstoftankstations zijn die vooral gericht zijn op het bedienen van transport langs de internationale transport corridors. Waterstof kan ook een bijdrage leveren aan het beperken van de elektriciteitsvraag. Qua locatiebeleid vindt er geen sturing plaats vanuit energie. Nieuwe of uitbreidingen van activiteiten die energie vragen, bepalen zelf grotendeels waar zij zich vestigen.. Tevens bepalen inwoners en ondernemers zelf of zij op hun terrein energie willen opwekken (zon op dak, “eigen” mestvergister, erfmolen). Zij hoeven hiermee geen rekening te houden met beschikbaarheid van de energie infrastructuur, die volgt uiteindelijk hun behoefte.
Daardoor moeten zij over het algemeen wel langer wachten op een aansluiting en/of beschikbare capaciteit van de energie-infrastructuur. 2.2 Energieaanbod In dit toekomstbeeld worden in Overijssel voor zover als mogelijk voor technieken gekozen die met minimale impact op de directe leefomgeving energie opwekken (zon-op dak, biogasproductie en geothermie). De grootschalige elektriciteitsopwekking die wel plaatsvindt positioneren we op plekken die ruimtelijk het beste geschikt zijn. Warmtenetten zijn een belangrijke oplossing voor het verwarmen van woningen. Niet zo zeer vanuit een systeem overweging waarbij energie sturend is, het vraagt immers veel regie en vraag coördinatie, maar we vanuit de ambitie om het Overijsselse landschap zo veel mogelijk te ontzien. De potentie voor warmtenetten verschilt daarbij per plek. In Twente springt de beschikbare warmte van Twence daarbij in het oog. Op sommige andere plekken behoort geothermie tot de mogelijkheden en ook restwarmte vanuit de industrie is een belangrijke bron. Naast de grootschalige en collectieve oplossingen voor de warmtevoorziening zullen er ook diverse individuele toepassingen zijn waarbij omgevingswarmte wordt benut voor (ruimte)verwarming. Voor woningen in het buitengebied en eventueel voor monumenten blijft ook het gebruik van biogas een optie. Dit naast het gebruik van groengas in de industrie.