Bijlage 4 concept provinciale Energievisie
Tekst van het document
Concept energievisie Overijssel
Inhoud Samenvatting ........................................................................................................................................... 2 1. Aanleiding en context .......................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding – een nieuw energiesysteem voor Overijssel ............................................................. 5 1.2 Een Overijsselse energievisie ......................................................................................................... 6 1.3 Relatie met landelijke en Overijsselse kaders................................................................................ 6 1.4 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 8 2. Een gezamenlijke energievisie ............................................................................................................. 9 2.1 De energievisie in een aantal stappen........................................................................................... 9 2.2 Verwachte autonome ontwikkeling in de Overijsselse energievraag ............................................
9 2.3 Startprincipes .............................................................................................................................. 11 2.4 Toekomstbeelden ........................................................................................................................ 12 2.5 Van toekomstbeelden naar een energievisie: de hoofdkeuzes in Overijssel............................... 12 3. Keuzes rond de energiehuishouding voor 2050 ................................................................................ 13 3.1 Hoofdkeuze 1: Met welke energiemix vullen we in 2050 de Overijsselse energievraag in? ....... 13 3.2 Hoofdkeuze 2: Welk aandeel van onze energievraag wekken we zelf op in Overijssel in 2050? 16 3.3 Hoofdkeuze 3: Keuzes over inrichting energiesysteem ............................................................... 20 4. Gewenste toekomstbeeld voor Overijssel in 2050 ............................................................................ 24 4.1 Impact per sector ........................................................................................................................ 26 Hoofdstuk 5 – Hoe bereiken we ons toekomstbeeld?........................................................................... 30 5.1 Biogas– ontwikkelpad (wordt nog gevisualiseerd) ......................................................................
30 5.2 Elektriciteit (wordt nog gevisualiseerd) ....................................................................................... 30 5.3 Warmte (wordt nog gevisualiseerd) ............................................................................................ 32 5.4 Waterstof (wordt nog gevisualiseerd) ........................................................................................ 32 5.5 Vervolgstappen ............................................................................................................................ 34 5.6 PMIEK projecten voortkomend uit de energievisie ..................................................................... 34 Bijlage 1 – Landelijke kaders voor de energievisie ................................................................................ 35 Bijlage 2 – Werksessies en bijeenkomsten energievisie ........................................................................ 37 Bijlage 3 – Startprincipes ....................................................................................................................... 40 Bijlage 4 – Samenvatting toekomstbeelden ......................................................................................... 45 Bijlage 5 – Verantwoording gebruikte data ...........................................................................................
55 Bijlage 6 – Energiebronnen: kenmerken en verschillen ........................................................................ 65 Bibliografie Bijlage 5 en 6 ...................................................................................................................... 89
1
Samenvatting Overijssel zit midden in de energietransitie. In de Klimaatwet is vastgelegd dat we in 2030 55% minder CO2 uitstoten en per 2050 volledig klimaatneutraal zijn. We stappen in hoog tempo van fossiele brandstoffen af en vervangen veel daarvan door elektriciteit. Steeds meer opwek van elektriciteit vindt decentraal plaats met windturbines en zonnepanelen. En op allerlei plekken wordt steeds meer elektriciteit gevraagd doordat verwarming, transport en productieprocessen worden geëlektrificeerd. Het energiesysteem kan deze ontwikkelingen nauwelijks bijbenen. Het meest actuele symptoom van deze veranderingen in het systeem - netcongestie - heeft grote gevolgen. Bedrijven kunnen geen aansluiting meer krijgen, de opwek van energie kan niet meer worden aangesloten en taxibedrijven krijgen hun wagenpark niet opgeladen. Dit kan voor pijnlijke situaties zorgen. Ondernemers lopen vast. Zaken van groot maatschappelijk belang moeten soms gewoon wachten. En tegelijkertijd moet de verduurzaming wel doorgaan. Nieuwe wijken moeten kunnen worden aangesloten. Overijsselse bedrijven moeten kunnen groeien om toekomstperspectief te houden. Daarmee staan we voor een dilemma.
Gaan we door op de huidige manier? Door in een situatie waarbij nieuwe ontwikkelingen zich vestigen op plekken waar dat vanuit energie niet handig is? Door met een situatie waarin ondernemers nog vele jaren moeten wachten op een netaansluiting? Of zijn we bereid te sturen? Sturen op een toekomstbestendig systeem waarin we onze maatschappelijke opgaven aankunnen. In Overijssel kiezen we voor dat laatste. Waarbij we weten dat frequente bijstelling van de energievisie nodig is vanwege de grote onzekerheden rondom toekomstige ontwikkelingen. Onze keuzes Het energiesysteem gaat in essentie om de combinatie van vraag, aanbod en het transport/opslag van energie. Om ons toekomstbeeld te kunnen schetsen geven we antwoord op drie vragen: 1) Met welke energiemix vullen we in 2050 de Overijsselse energievraag in? 2) Welk aandeel van de Overijsselse energievraag willen we in 2050 zelf opwekken, en met welke mix van technieken? 3) Welke keuzes maken we rond het ontwerp van het energiesysteem? In Overijssel streven we naar een gebalanceerde energiemix, waarbij we onze vraag vanuit verschillende energiedragers willen invullen. Warmte, waterstof en biogas gaan een belangrijke rol spelen om de grote toename in de elektriciteitsvraag te beperken.
Hiermee zetten we in op een robuust systeem, voorkomen we een te grote druk op de beschikbare ruimte in Overijssel en bieden we kansen voor onze inwoners en ondernemers. De vervolgvraag is welk aandeel van onze energievraag we zelf opwekken. Dat begint met energiebesparing. In lijn met het NPE willen we daar maximaal op inzetten. We zetten in op energiebesparing om de energievraag voor Overijssel in 2050 te beperken. Realisatie daarvan vraagt wel extra inzet. Na besparing blijft er een vraag naar biogas, warmte, waterstof en elektriciteit over. Voor biogas en warmte voorzien we in 2050 zelf in onze behoefte. De beschikbaarheid van waterstof bouwen we lokaal op waarbij we uiteindelijk toewerken naar een situatie waarbij we het grootste deel importeren. Voor elektriciteit streven we naar zelfvoorzienendheid. We beperken de benodigde opwek in Overijssel door in te zetten op energiebesparing en andere energiedragers dan elektriciteit. Rond 2030 zijn we met onze huidige ambities ongeveer op de helft. Om zelfvoorzienend te zijn streven we in 2050 naar een opwek van 34PJ aan elektriciteit. Welke technieken, denk aan zon op dak, SMR’s en windenergie, hier na 2030 een rol in gaan spelen, bepalen we later. 2
De onderstaande figuur geeft inzicht in deze eerste twee hoofdkeuzes. De figuur laat zien dat we overstappen van een fossiel gedreven energievoorziening naar een CO2 neutrale energievoorziening. Door de efficiency van elektrische auto’s en warmtepompen, gecombineerd met energiebesparing daalt onze energievraag in grote mate. Met de inzet op een gebalanceerde energiemix komen we uit op een vraag naar 59 PJ energie. Hiermee beperken we de vraag naar elektriciteit en bouwen we aan een robuust systeem. Figuur 1: ontwikkeling energiegebruik
De derde hoofdkeuze gaat over de inrichting van het energiesysteem. Daarbij zetten we in op clustering waar dat nodig is. Dat wil onder meer zeggen clustering van vraag en aanbod bij waterstof om het kip-ei probleem te doorbreken. En clustering van de opwek van elektriciteit om de ruimtelijke kwaliteit in Overijssel te bewaken. Tot slot zoeken we de balans tussen decentrale en centrale oplossingen. Vraagstukken als lokale opwek van zon op dak en het opladen van elektrische auto’s kunnen meestal beter decentraal opgelost worden dan met grote uitbreidingen van het centrale elektriciteitsnet. Voor andere vraagstukken – denk aan grootschalige opwek of het plaatsen van een SMR – maken we gebruik van het centrale net. Ons toekomstbeeld Wat betekenen deze keuzes voor het Overijssel van 2050? Hieronder geven we een impressie van het toekomstige energiesysteem, waarbij dit vooral dient ter inspiratie en niet als toetsingskader voor toekomstige ontwikkelingen. Het aantal woningen, de economische activiteiten en de mobiliteit stijgen tot 2050 naar verwachting nog met circa 10% tot 20%. Ondanks dat is de energievraag in 2050 gedaald met ruim 30%.
3
Vanuit de wens om een robuust en efficiënt energiesysteem te ontwikkelen en daarbij lokale kansen te benutten, streven we er naar om in Overijssel één op de vier huishoudens te voorzien van warmte vanuit een collectief warmtenet, met name in stedelijk gebied. Daarnaast wordt circa een derde van de proceswarmtevraag uit de industrie ingevuld met warmte. Door deze keuze is de belasting van de elektriciteitsnetten, met name in de winter, beperkter. Daarmee dragen we ook bij aan de betaalbaarheid van de toekomstige energiehuishouding. We benutten de potentie voor biogas maximaal om onze eigen restvraag aan duurzaam gas in te vullen. Daarbij gebruiken we dit biogas idealiter voor toepassingen waar geen ander (klimaatneutraal en betaalbaar) alternatief voor beschikbaar is: hoge temperatuur warmte voor de industrie en de warmtevraag van monumenten. Waar lokaal geen inzet van biogas mogelijk is, wordt het omgezet naar groen gas en in het gasnet ingevoed. Om Overijssel qua vestigingsklimaat aantrekkelijk te houden en ondernemers met een hoge energievraag een alternatief te bieden voor elektriciteit, is er een drietal regionale aftakkingen voorzien vanaf de waterstofbackbone. Hiermee zijn de verzwaringen aan het elektriciteitsnet beperkt gebleven en is het Overijsselse energiesysteem bovendien robuuster.
Door waar mogelijk gebruik te maken van de huidige bestaande gashoofdinfrastructuur en het voorkomen van grote aanvullende vraag naar elektriciteit is hiermee ook de ruimtelijke impact op de leefomgeving beperkt gehouden. Met zon op dak en innovatie verhogen we de beoogde eigen opwek van elektriciteit substantieel richting 2050. Vanuit onze wens tot een proportionele bijdrage aan een klimaatneutraal Nederland willen we als provincie met een relatief kleine elektriciteitsvraag en veel ruimte proberen onze eigen elektriciteitsvraag op te wekken. Of dat lukt hangt af van toekomstige ontwikkelingen. Daarbij willen we verdere inzet op opwek met zon op land en wind zoveel als mogelijk beperken. Al met al hebben we ongeveer een kwart van onze toekomstige energievraag met (lokaal opgewekte) warmte en biogas ingevuld. Om het elektriciteitsnet verder te ontzien is een deel van de regionale gashoofdinfrastructuur omgebouwd tot regionale waterstofinfrastructuur. Onze vraag naar waterstof is grotendeels afhankelijk van aanvoer van de backbone, waarbij we indirect ook een deel wind op zee en grootschalige kernenergie in Overijssel inzetten. Ruim de helft van onze energievraag in 2050 is elektriciteit en deze willen we zelf opwekken zonder grote ruimtelijke impact en met oog voor het energiesysteem.
Door deze inzet nemen we onze verantwoordelijkheid door een grote mate van zelfvoorzienendheid na te streven, waarbij we rekening houden met de impact op onze leefomgeving en het energiesysteem, en bieden we hiermee kansen voor lokaal en collectief eigenaarschap. Samen stappen zetten Deze energievisie is van de provincie Overijssel, maar vooral ook vóór de provincie Overijssel. Om die reden zijn gedurende het gehele proces gemeenten, netbeheerders en maatschappelijke organisaties actief betrokken bij de realisatie van de energievisie. Deze energievisie is echter slechts de start. Voor het bereiken van het geschetste toekomstbeeld moeten veel partijen aan de slag. Ieder vanuit een eigen rol en verantwoordelijkheid, wetende dat elke bijdrage op zichzelf onmisbaar is. De eerste stap na vaststelling van deze visie is dan ook om samen met gemeenten en netbeheerders een uitvoeringsagenda op te stellen voor de komende jaren. Daarbij betrekken we ook het bedrijfsleven en onderwijs- en kennisinstellingen. Tegelijkertijd hebben we nog een lange weg te gaan richting 2050. Een weg waarbij we afhankelijk zijn van de voortgang op onderdelen, technologische ontwikkelingen en keuzes die buiten Overijssel worden gemaakt. Dit brengt een grote onzekerheid met zich mee. Daarom is het belangrijk dat we de energievisie frequent herijken. 4
1. Aanleiding en context 1.1 Aanleiding – een nieuw energiesysteem voor Overijssel Overijssel zit midden in de energietransitie. In de Klimaatwet is vastgelegd dat we in 2030 55% minder CO2 uitstoten en per 2050 volledig CO2 -neutraal zijn. Daar is een nieuw energiesysteem voor nodig. Dat bouwen we nu en in de komende jaren, maar gaat niet zonder groeipijn. Het huidige energiesysteem in Nederland is ontstaan vanuit de beschikbaarheid van aardgas uit Groningen, import van olie en grootschalige productie van elektriciteit uit steenkool en aardgas op een paar centrale plekken in Nederland. Deze energie wordt over het hele land getransporteerd naar onze huizen en iedereen die dat wil heeft gas en stroom op ieder gewenst moment van de dag. Maar deze vanzelfsprekendheid ligt inmiddels achter ons. We stappen in hoog tempo van fossiele brandstoffen af en vervangen veel daarvan door elektriciteit. Steeds meer opwek van elektriciteit vindt decentraal plaats via windturbines en zonnepanelen. En op allerlei plekken wordt steeds meer elektriciteit gebruikt doordat verwarming, transport en productieprocessen worden geëlektrificeerd. Daarmee ligt er een veel grotere opgave om vraag en aanbod goed op elkaar af te stemmen.
Met een energiesysteem bedoelen we het geheel van vraag en aanbod (opwek en gebruik), transport en opslag van verschillende energievormen. Om klimaatneutraal te zijn, moet het Overijssel energiesysteem overgaan op hernieuwbare (duurzame) energievormen. Zoals elektriciteit en waterstof van duurzame afkomst, warmte, groen gas en groene brandstoffen. Om een nieuw energiesysteem te ontwikkelen hebben we minder dan 30 jaar de tijd. We moeten daarom nú al keuzes maken.
Het gevolg is dat het elektriciteitsnet wordt gebruikt op een manier waarop het niet is ontworpen. Voor veel meer toepassingen wordt elektriciteit gebruikt, vaak ook nog op hetzelfde moment. Op zo’n moment kan capaciteitstekort ontstaan en ontstaat file op het elektriciteitsnet. Meer ruimte via andere infrastructuur, zoals waterstofleidingen of warmtenetten, is vaak nog niet ontwikkeld. Deze netcongestie - het meest actuele symptoom van het veranderende energiesysteem - heeft grote gevolgen. Het net zit op slot. Wat netbeheerders voorspellen aan stijgende transportvraag kan gewoonweg niet snel genoeg worden bijgebouwd. In ieder geval niet tot 2030. Het gevolg is dat bedrijven geen aansluiting meer krijgen, windparken niet overal meer kunnen worden aangesloten en taxibedrijven hun wagenpark niet opgeladen krijgen. Dit kan voor pijnlijke situaties zorgen. Ondernemers lopen vast. Zaken van groot maatschappelijk belang moeten soms gewoon wachten. En tegelijkertijd moet de verduurzaming wel doorgaan. Nieuwe wijken moeten kunnen worden aangesloten. Overijsselse bedrijven moeten kunnen groeien om toekomstperspectief te houden. Concluderend: het gebruik en de productie van energie veranderen in hoog tempo, maar het energiesysteem kan dit niet bijbenen. Daarmee staan we voor een dilemma.
Gaan we door op de huidige manier? Door in een situatie waarbij nieuwe ontwikkelingen zich vestigen op plekken waar dat vanuit energie niet handig is? Door met een situatie waarin ondernemers nog vele jaren moeten wachten op een netaansluiting? Of zijn we bereid te sturen? Sturen op een toekomstbestendig systeem waarin we onze maatschappelijke opgaven (energetisch) aankunnen, wetende dat dit vraagt om een hele grote inzet de komende jaren. In Overijssel kiezen we voor dat laatste. Als vertrekpunt maken we een energievisie voor de periode na 2030. Daarmee zetten we ook in op het voorkomen van toekomstige netcongestie. 5
1.2 Een Overijsselse energievisie Energiesysteem als een kans voor Overijssel De verandering van het energiesysteem is geen keuze. De manier waarop dit gebeurt wel. De kansen die dit biedt willen we in Overijssel benutten. De kans om te zorgen voor een goed vestigingsklimaat, waar voldoende energie voorhanden is. De kans om de ruimte in Overijssel goed te benutten, want opwek en transport van energie gaan wel ruimte vragen. En de kans om iedereen mee te laten doen en de lusten en lasten eerlijk te verdelen. Hier zijn wel keuzes voor nodig. Waar dat vanuit het energiesysteem nodig is sturen we op ruimtelijke ontwikkelingen en kijken we hoe een duidelijke en integrale afweging gemaakt kan worden tussen ruimtelijke ontwikkelingen en de benodigde energie-infra. Stip op de horizon Met deze energievisie zetten we een stip op de horizon. Dat doen we in de wetenschap dat we niet alles kunnen sturen én te maken hebben met grote onzekerheden. Andere overheden en organisaties zijn op veel vlakken in eerste instantie verantwoordelijk Deze visie is dan ook niet een wet van Meden en Perzen waar alle stakeholders zich naar zouden moeten voegen. Deze visie heeft wel de ambitie om richting te geven aan de ontwikkeling van het energiesysteem in Overijssel in de wetenschap dat we er alleen samen komen.
Tegen die achtergrond is er ook voor gekozen deze visie tot stand te laten komen in een gezamenlijk proces (zie hoofdstuk 2). In onze aanpak hebben we ons gebaseerd op een recente verkenning (II3050) van de netbeheerders voor een klimaatneutraal Nederland. Hierin zitten diverse aannames over toekomstige economische en technologische ontwikkelingen. Hierdoor kan het beeld tot achter de komma worden doorgerekend, maar daarmee is de onzekerheid niet weg. Toch zullen we - met alle kennis die we wel hebben - keuzes moeten maken. Wanneer we geen richting geven voor de toekomst, kampen we over 10-20 jaar nog steeds met netcongestie en wordt de leefbaarheid van onze provincie aangetast. Daarbij past de energievisie in een cyclus waarin we regelmatig aanpassingen kunnen doen. Tot slot biedt de langetermijnplanning van het energiesysteem ook kansen. Wat nu niet kan, dat kan straks misschien wel. Denk aan bepaalde technieken die er nu nog niet zijn. En niet alle keuzes hoeven nu al gemaakt te worden. Scope Deze energievisie gaat over het energiesysteem in 2050. We richten ons op energie-infrastructuur met een regionaal belang. We brengen de dilemma’s, oplossingen én gevolgen in kaart, op de schaal van Overijssel. Daarbij houden we rekening met de verwachte ontwikkelingen op de energieinfrastructuur op nationale schaal en op een lager schaalniveau.
Daarbij kijken we niet alleen naar elektriciteit, maar ook naar de ketens van warmte en duurzame gassen. Het gaat om de hele keten van opwek tot aan levering, inclusief conversie en opslag.
1.3 Relatie met landelijke en Overijsselse kaders Integraal programmeren De wens tot een Overijsselse energievisie komt voort uit het coalitieakkoord (Schouder aan schouder), maar staat niet op zichzelf. De netbeheerders hebben aan de provincies gevraagd om regie te nemen op de ontwikkeling van het energiesysteem. Op veel punten heeft deze ontwikkeling invloed op het leven van inwoners en ondernemers. Daarom is het belangrijk dat de politiek keuzes 6
maakt. Uit die keuzes volgen dan weer de investeringen door netbeheerders, overheden en ondernemers. Voor de regionale infrastructuur heeft de provincie deze regierol, vastgelegd in de nieuwe energiewet. Het nieuwe energiesysteem heeft ook veel invloed op hoe onze omgeving eruit gaat zien en waar welke ontwikkeling mogelijk is. Om het energiesysteem zo goed mogelijk aan te laten sluiten op die de gewenste ruimtelijk-economische ontwikkelingen van de provincie, is het nodig dat het energiesysteem volwaardig onderdeel wordt van de ruimtelijke ordening. Hieraan werken we met een proces genaamd integraal programmeren van het energiesysteem. Het opstellen van een energievisie is de eerste stap in dit proces. Hierin staan de gewenste en verwachte ontwikkelingen voor Overijssel. Daarna volgt het provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK). In dit plan wordt aangegeven welke ontwikkelingen in het energiesysteem eerst moeten gebeuren. In Overijssel heeft GS in maart 2023 het eerste pMIEK vastgesteld. Dit pMIEK 1.0 bevat een advies aan de netbeheerders voor de uitbreidingsinvesteringen in het elektriciteitsnetwerk. Om dit in de toekomst op een goede manier te kunnen doen, worden in de volgende pMIEK de lange termijnontwikkelingen mee genomen, zoals die op het gebied van waterstof en duurzaam gas. Hiervoor geeft de energievisie de juiste richting.
Figuur 2: Cyclus integraal programmeren
Het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) en de provinciale omgevingsvisie Nu duidelijk is wat de positie van de energievisie in het integraal programmeren is het van belang nog twee belangrijke kaders te schetsen voor de energievisie.
7
Het NPE beschrijft de ontwikkeling van het Nederlands energiesysteem naar een klimaatneutrale samenleving. In het NPE staat een langetermijnvisie voor het energiesysteem in 2050. Met een aantal richtinggevende keuzes is het NPE ook voor Overijssel kaderstellend. Hoewel de impact per provincie verschilt is het van belang om te weten waar het Rijk op in zet. Daarbij gaat het onder meer om een maximale opschaling van het aanbod van duurzame energie, waaronder hernieuwbare elektriciteitsopwekking op land, en energiebesparing als belangrijke hoeksteen in het energiebeleid waar maximaal op ingezet dient te worden. Met toekomstige ambities en opgaven geeft de provinciale omgevingsvisie (Overijssel voor en met Elkaar!) kaders, bijvoorbeeld als het gaat over de ruimtelijke mogelijkheden voor het ontwikkelen van duurzame energie op land. De omgevingsvisie is daarmee ook relevant voor keuzes in de energievisie. Tegelijkertijd is deze energievisie ook een bouwsteen voor en nadere uitwerking van de omgevingsvisie. De hoofdkeuzes uit deze energievisie worden dan ook opgenomen in de omgevingsvisie omdat deze een grote impact op de ruimte kunnen hebben. Tegelijkertijd moet er na vaststelling van de energievisie nog veel werk verzet worden. Dit kan er in resulteren dat we kaders opnemen in de omgevingsverordening of dat we onze inzet voor de realisatie van deze visie bundelen in een programma.
De energievisie zoals die nu voorligt is niet planMER-plichtig. Eventuele kaders voor toekomstige ruimtelijke besluiten en projecten zullen deze plicht mogelijk wel kennen. Die plicht zal dan ingevuld worden binnen het spoor waar die kaders worden gesteld (bijvoorbeeld de omgevingsvisie, verordening of individuele projecten). Naast het NPE en de provinciale omgevingsvisie zijn er meer kaders en ontwikkelingen die van belang zijn voor de energie. Een aantal hiervan is opgenomen in bijlage 1.
1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 geeft een schets van het proces . In hoofdstuk 3 gaan we in op de hoofdkeuzes waar we voor staan. Hoofdstuk 4 beschrijft onze stip op de horizon. Daarbij gaan we ook in op de belangrijkste consequenties voor de verschillende sectoren. Tot slot gaan we in hoofdstuk 5 in op een ontwikkelpad per energiedrager op weg naar de stip op de horizon. Ook schetsen we welke projecten voor regionale energie infrastructuur we vanuit de energievisie voort zien komen om af te wegen in het pMIEK.
8
2. Een gezamenlijke energievisie Deze energievisie is van de provincie Overijssel, maar vooral ook vóór de provincie Overijssel. Vanaf het begin zijn gemeenten, netbeheerders en maatschappelijke organisaties daarom betrokken geweest bij de realisatie van de energievisie: - Eind 2023 is het plan van aanpak - om tot deze energievisie te komen – opgesteld. Hierbij zijn een aantal netbeheerders en gemeenten geraadpleegd. - Voor het proces van totstandkoming van de energievisie is een kernteam geformeerd met daarin de provincie, TenneT, Gasunie, regionale netbeheerders en zeven gemeenten uit Overijssel. - Bij de totstandkoming van de diverse deelproducten en discussies (startprincipes, toekomstbeelden, hoofdkeuzes) zijn vele werksessies georganiseerd, vaak opgedeeld in Twente en West-Overijssel. Alle gemeenten in Overijssel hebben aan één of (meestal) meerdere sessies deelgenomen. De input die hieruit naar voren is gekomen vormt de basis voor de energievisie. - Aanvullend is er een aantal bijeenkomsten geweest voor maatschappelijke partners (startprincipes en concept energievisie). - De tussentijdse resultaten zijn op een aantal momenten besproken in de Energyboard en de twee bestuurlijke overleggen van de RES Twente en de RES West-Overijssel. Dit is gebeurd voor het plan van aanpak, de startprincipes, hoofdkeuzes en de concept energievisie.
Hierna volgt nog een raadpleging bij de colleges van B&W en netbeheerders. In bijlage 2 is een overzicht te vinden van de bijeenkomsten die zijn gehouden.
2.1 De energievisie in een aantal stappen De visie is opgebouwd in een aantal stappen. De eerste stap is dat we gekeken hebben naar de Overijsselse energievraag. Hoe ziet die er nu uit, hoe ontwikkelt deze zich richting 2050 en welke keuzes zijn daarin te maken? Vervolgens zijn we aan de slag gegaan met startprincipes die richting moeten geven aan het toekomstige energiesysteem in Overijssel. Als derde stap hebben we mogelijke toekomstbeelden verkend. Deze toekomstbeelden hebben inzicht gegeven in de belangrijkste vraagstukken voor onze energievisie. In dit hoofdstuk staan we stil bij de opbrengsten van deze drie stappen.
2.2 Verwachte autonome ontwikkeling in de Overijsselse energievraag Huidige energievraag Op dit moment verbruiken we in Overijssel jaarlijks circa 90 PJ aan energie. Het grootste deel van deze energie bestaat uit fossiele brandstoffen: olie en gas. Slechts 20% van onze huidige vraag bestaat uit elektriciteit waarvan we een klein deel in Overijssel zelf opwekken. Onderstaande figuur geeft inzicht in hoeveel opwek nodig is om 1 PJ (in deze voorbeelden elektriciteit) op te wekken. Figuur 3: Opwek van 1PJ Wind (6MW)
Zonneveld Woningen met (ha) zonnedaken
Geothermie Small Modular Reactors bronnen – SMR (20MW)
Benodigd voor 1 PJ
275
6
14
50.000
2
9
Toekomstige energievraag Voor een inschatting van de energievraag van Overijssel in 2050 hebben we een scenariostudie van de netbeheerders naar het energiesysteem van een klimaatneutraal Nederland in 2050 (II3050) gebruikt. Deze heeft ook als basis gediend voor het Nationaal Plan Energiesysteem. Het gebruikte scenario (Nationaal Leiderschap) is het meest in lijn is met de huidige ontwikkelingen in Nederland met een hoge mate van elektrificatie. In dit scenario blijven zowel de opkomst van warmtenetten als de inzet van waterstof beperkt. Dit scenario is vertaald en verrijkt met Overijsselse data. Zo sluit het goed aan op onderstaande verwachte ontwikkelingen qua woningbouw, mobiliteit en industrie in Overijssel (zie bijlage 5 voor een toelichting op de gebruikte cijfers). In al deze sectoren wordt richting 2050 groei van tussen de 10 en 20 procent verwacht met de onderstaande groei in de energievraag als gevolg. Figuur 4: Groei energievraag over de sectoren
De vraag naar energie in 2050 is naar verwachting, ondanks de groei in de diverse sectoren en bijbehorende behoefte aan energie, toch flink lager dan nu. Dat komt uit op (minimaal) ruim 50 PJ en verondersteld een (autonome) hoge mate van elektrificatie. Een klein deel van deze verlaging komt door de verwachting dat we in Nederland nog veel energie gaan besparen, bijvoorbeeld door de isolatie van onze huizen. Energiebesparing Er zijn verschillende manieren om energie te besparen. Er zijn technische ingrepen zoals isolatie waardoor je met minder energie je huis comfortabel verwarmen. Of gedragsaanpassingen zoals de thermostaat wat lager zetten of carpoolen. In het door ons gebruikte scenario voor een klimaatneutraal Nederland is de totale energiebesparing een fractie lager dan de toename in het energieverbruik als gevolg van de groei in onze sectoren. In alle sectoren wordt circa 10% energie bespaard in de periode tot 2050, met de huishoudens als positieve uitschieter met bijna 15%. Deze besparing komt veelal tot stand door (inter)nationaal beleid en/of hoge energieprijzen. Als het besparingstempo hoger of lager is dan het verwachte tempo, kan dit dus effect hebben op de Overijsselse energievraag.
Het grootste deel van het lagere energieverbruik wordt veroorzaakt doordat elektrische auto’s en warmtepompen met een veel lagere hoeveelheid elektriciteit dezelfde prestatie kunnen leveren als de huidige technologieën met hun (fossiele) energiebron (auto’s met verbrandingsmotor en cvketels). Dit komt doordat elektrische voertuigen geen energie verliezen door warmteverliezen en warmtepompen “gratis” omgevingswarmte gebruiken. Figuur 51 geeft inzicht in de verschillen tussen de huidige en toekomstige energievraag van Overijssel. De figuur laat ook zien dat we naast
1
Dit scenario geeft een beeld over de energievraag in 2050. De energiemix waarmee die vraag wordt ingevuld staat echter niet vast, hierin kunnen we keuzes maken.
10
duurzaam opgewekte elektriciteit in het toekomstig energiesysteem gebruik maken van warmte, waterstof en biogas2 om Overijssel van energie te voorzien. Figuur 5: ontwikkeling energievraag
In 2050 zien we in dit scenario voor Overijssel een vraag van circa 50 PJ, substantieel lager dan de huidige energievraag van circa 90 PJ. We maken geen gebruik meer van de fossiele brandstoffen olie en gas. Wat opvalt is dat de vraag naar elektriciteit meer dan verdubbeld. Dit noemen we ook wel de elektrificatie van het energiesysteem. Veel processen die voorheen gebruik maakten van fossiele brandstoffen stappen in het gekozen scenario over op (duurzaam opgewekte) elektriciteit. Algemene waarschuwing: Bij het interpreteren van toekomstbeelden en het uitwerken van de energievisie moet rekening gehouden met de grote onzekerheid in deze prognose, omdat deze van veel ontwikkelingen afhankelijk is, waarvan een deel niet of beperkt beïnvloedbaar is. Deze ontwikkelingen zijn ook sterk afhankelijk van beleidskeuzes op lokaal, provinciaal, nationaal en internationaal niveau. Hoe ver zijn we met de verduurzaming van onze eigen energievraag? Momenteel wekken we circa 14 PJ hernieuwbare energie op, met daarin een relatief groot aandeel vanuit verbranding van restafval (het biogene deel – 5 PJ). Daarnaast mengen we biobrandstoffen bij (2 PJ) en verbranden we (geïmporteerde) houtige biomassa (2 PJ).
Richting 2030 is er vanuit de Regionale Energie Strategie (RES Twente en West-Overijssel) een ambitie geformuleerd voor de opwek van grootschalige hernieuwbare elektriciteit waarmee we de huidige opwek van elektriciteit (5,5 PJ) willen verhogen tot circa 15 PJ.
2.3 Startprincipes De startprincipes vormen het inhoudelijk vertrekpunt en geven richting aan de keuzes in deze energievisie. Bij de totstandkoming van de startprincipes is er samen met alle partners expliciet voor gekozen om vanuit waarden te redeneren naar startprincipes. Daarmee kijken we wat belangrijk is voor het Overijssel in 2050 en de daarin te maken keuzes op het snijvlak van het energiesysteem en ruimtelijke ontwikkelingen. De principes zijn als volgt: -
-
Het energiesysteem van de toekomst is robuust en efficiënt. Het systeem is robuust genoeg om onvoorziene ontwikkelingen op te vangen en vergroot onze mogelijkheden om onze maatschappelijke opgaven te realiseren. Lokale kansen om van duurzame energie te profiteren worden benut. Er worden – waar dit nodig is – duidelijke keuzes gemaakt om te zorgen dat de energietransitie voort kan en dat iedereen daar in mee kan en aan kan bijdragen.
2
Vanwege leesbaarheid gebruiken we één term (biogas) voor een breder pallet van toepassingen (biogas, groen gas (= biogas op aardgaskwaliteit), biobrandstoffen en andere toepassingen met biomassa), waarbij biogas en groen gas qua orde grootte dominant wordt verwacht binnen deze categorie.
11
-
De inrichting van het toekomstige energiesysteem benut de beschikbare ruimte in Overijssel optimaal: zuinig en multifunctioneel waar mogelijk. Overijssel draagt proportioneel bij aan een Klimaatneutraal Nederland met een duidelijke ambitie qua mate van zelfvoorzienendheid
Een nadere toelichting op de startprincipes is te vinden in bijlage 3.
2.4 Toekomstbeelden Met behulp van de startprincipes zijn vervolgens vier onderscheidende toekomstbeelden uitgewerkt. De twee belangrijkste en van elkaar verschillende toekomstbeelden zijn “Energie is volgend” en “Energie is sturend”. Als energie volgend is sluit het energiesysteem zoveel mogelijk aan bij de landschappelijke en ruimtelijke structuren. Energie is ‘volgend’ - en daarmee faciliterend - aan andere ruimtelijke opgaven. Wel kunnen er duidelijke keuzes gemaakt worden en kan er regie gepakt worden, alleen is daarin dan het energiesysteem niet sturend of van doorslaggevend belang. Dit scenario lijkt het meest op de huidige situatie. In een tegenovergesteld toekomstbeeld is energie juist sturend. Energie-infra, opslag en opwek zijn sturend in de ruimtelijke ordening van de toekomst. Vraag en aanbod van energie wordt geclusterd en ruimtelijke opgaven volgen die clustering. In essentie gaat het daarmee om een zo efficiënt mogelijk energiesysteem waarbij andere opgaven daarop volgen. Niet alles wordt per definitie gefaciliteerd, sommige ontwikkelingen met een bepaalde energievraag zullen alleen mogelijk zijn op bepaalde plekken. Deze toekomstbeelden zijn in diverse werksessies met gemeenten en netbeheerders uitgewerkt. Voor deze werksessies is Overijssel in vier gebieden opgedeeld die overeenkomen met de door TenneT beoogde toekomstige voedingsgebieden voor elektriciteit.
We refereren hier in de visie naar als deelnet, waarbij expliciet ook alle andere energieinfrastructuur in het voedingsgebied meegenomen is. Zie bijlage 1 voor een toelichting hierop. In bijlage 4 is een samenvatting van alle vier de toekomstbeelden te vinden.
2.5 Van toekomstbeelden naar een energievisie: de hoofdkeuzes in Overijssel Het energiesysteem gaat in essentie om de combinatie van vraag, aanbod en het transport/opslag van energie. De verkenning van de toekomstbeelden heeft het inzicht gegeven dat er drie belangrijke vragen zijn te beantwoorden: 1) Met welke energiemix vullen we in 2050 de Overijsselse energievraag in? 2) Welk aandeel van de Overijsselse energievraag willen we in 2050 zelf opwekken, en met welke mix van technieken? 3) Welke keuzes maken we rond het ontwerp van het energiesysteem? De antwoorden op deze vragen geven de basis voor de energievisie. Om die reden staan we in het volgende hoofdstuk stil bij de overwegingen en argumenten. In hoofdstuk 4 leidt dit tot het gewenste toekomstbeeld voor Overijssel.
12
3. Keuzes rond de energiehuishouding voor 2050 In dit hoofdstuk beschouwen we de drie hoofdkeuzes. We schetsen de mogelijke oplossingsruimte, identificeren een aantal voor- en nadelen en concluderen met onze keuze. Hierbij zijn de door Provinciale Staten vastgestelde startprincipes en de overige relevante kaders gebruikt.
3.1 Hoofdkeuze 1: Met welke energiemix vullen we in 2050 de Overijsselse energievraag in? Het vraagstuk Het Nationaal Plan Energiesysteem schetst de beoogde contouren van de energiemix voor 2050, waarbij elektriciteit de hoofdrol gaat spelen in onze energievoorziening en er voor waterstof een systeemrol is weggelegd. Daarmee wordt bedoeld dat het grootste deel van onze toekomstige energievraag met elektriciteit wordt voorzien, en dat waterstof een cruciale rol speelt om het gehele energiesysteem robuust en efficiënt te houden. Als alternatieve energiedrager voor energieintensieve industrie en lastig te verduurzamen transportsectoren met een optie voor langduriger opslag kan zij die systeemrol vervullen. Daarnaast wordt ook in een aantal sectoren ingezet op toepassingen van biogas en warmte. De vraag is hoe de energiemix voor Overijssel er uit ziet. Wat past het beste bij ons? Hiertoe hebben we twee opties uitgewerkt, die in deze paragraaf verder toegelicht worden en hieronder in perspectief ten opzichte van de huidige energievraag worden gezet. Figuur 6: opties invulling energiemix
Scenario 1: hoge elektrificatie De netbeheerders hebben in hun verkenning voor 2050 (II3050) een aantal scenario’s uitgewerkt. Het scenario met een grote rol voor elektriciteit (Nationaal Leiderschap) hebben we uitgewerkt voor Overijssel, waarbij we rekening hebben gehouden met hoe Overijssel er nu en in de toekomst uitziet. Het resultaat daarvan is weergegeven in figuur 5 in Hoofdstuk 2 en komt neer op een energieverbruik van ruim 50 PJ waarvan 42 PJ uit elektriciteit bestaat. In het gepresenteerde scenario wordt ingezet op een sterke elektrificatie waardoor elektriciteit een aandeel van 80% in de energievraag van Overijssel heeft. Dit sluit het meest aan op de huidige trend van elektrificatie en versneld afscheid nemen van aardgas. Het is ook de richting waarvan we verwachten dat het op gaat als er landelijk niet wordt ingegrepen. Alleen met beleidsinstrumenten kunnen op korte termijn (grootschalige) collectieve warmtenetten en voldoende en betaalbare 13
waterstof zich als alternatieven ontwikkelen, en deze ontbreken momenteel. Deze variant zou gezien kunnen worden als een scenario waarin vanuit overheid, zowel Rijk als provincie, weinig sturend ingegrepen wordt om de huidige trends om te buigen. Voor- en nadelen van dit scenario: + + + -
-
-
Zeer lage energievraag. Gebaseerd op bestaande technieken. Geen grote afhankelijkheid van onzekerheid of waterstof en warmte zich ontwikkelen tot betaalbare en aantrekkelijke alternatieven. Voor 80% afhankelijk zijn van één energiedrager, ook nog eens precies die energiedrager waarbij we momenteel netcongestie ervaren. De hoge elektrificatie levert grote uitdagingen voor en een grote verbouwing3 op van het energiesysteem. De kosten hiervan zijn moeilijk te overzien, en zullen uiteindelijk terecht komen bij onze inwoners en bedrijven. De grote verbouwing van het elektriciteitsnet raakt het tempo van de energietransitie en is een grote kans op vertragingen in diverse maatschappelijke opgaven die van energieinfrastructuur afhankelijk zijn. Denk hierbij aan woningbouw, economische ontwikkelingen en de verduurzaming van de mobiliteit. Grote beschikbaarheid van voldoende en betaalbare CO2-vrije elektriciteit nodig. Bij het beoogde grote aandeel van weersafhankelijke opwekopties (wind op zee/land en zon-PV) veel extra maatregelen (zoals opslag) nodig om het elektriciteitsnet betrouwbaar te maken en voldoende leveringszekerheid te borgen.
Scenario 2: meer variatie in de mix Voor Overijssel hebben we ook een variant met minder elektrificatie onderzocht. Hierbij wordt, in lijn met de visie van het Rijk, een rol voorzien voor waterstof (met name voor industrie, logistiek en zware mobiliteit), duurzaam gas (groen gas en biogas) en warmte (zowel in de stedelijke omgeving (warmtenetten) als voor bepaalde industriële toepassingen). In bijlage 5 geven drie figuren de mogelijke toepassingen weer en welk deel van de elektrische vraag vervangen kan worden door warmte, biogas en waterstof. Ook zijn de belangrijkste voor- en nadelen van de toepassingen kort samengevat. Belangrijk is om te constateren dat deze vormen van energie nog in beperkte mate onderdeel uitmaken van de toekomstplannen van de industrie vanwege de onzekerheid over de betaalbaarheid en beschikbaarheid. Het NPE stelt dat we zorgvuldige keuzes moeten maken voor de inzet van schaars biogas en voorzien een rol voor inzet in de (hoge temperatuur) industrie, logistiek en zware mobiliteit. Op de lange termijn wordt biogas ook als belangrijke duurzame koolstofbron voor o.a. de chemie en is de inzet voor biogas in de energietransitie op lange termijn mogelijk beperkt. In Overijssel schatten we de maximaal realistische potentiële vraag naar waterstof in Overijssel in op ruim 9 PJ.
Hiervan bestaat een derde deel uit industrie met een vraag naar hoge temperatuur warmte en de rest uit potentiële vraag in de logistiek. Bij deze inschatting is 75% van de zware mobiliteit (vrachtwagens) overgestapt op waterstof4. Het lokaal beschikbaar maken van waterstof vraagt nog
3
Voor dit scenario is een verzwaring en uitbreiding nodig van het elektriciteitsnet op vrijwel alle schaalniveaus (van straat tot hoogspanningstracés) en flinke investeringen in flexibiliteit om het systeem betrouwbaar te houden. 4 Volledige overstap van de zware mobiliteit kan dit potentieel nog verhogen, maar daarover is zoveel onzekerheid dat we dat op dit moment niet als realistisch kunnen aannemen als basis voor onze visie.
14
flinke investeringen en doorlooptijd. Niet alle bedrijven willen hier op wachten. Momenteel is het zeer onduidelijk welke prijs duurzame waterstof heeft tegen de tijd dat die gebruikt gaat worden. Nu is deze nog heel duur. Voor investeringsbeslissingen van industrie en de logistieke sector is dit perspectief onzeker waardoor ook de investeringsbeslissing voor de infrastructuur lastig is (kip-ei probleem). Wat wel gunstig is in Overijssel is dat de beoogde nationale waterstof hoofdinfrastructuur (de waterstof backbone) dwars door Overijssel loopt en een regionale aftakking op dit moment nog meegenomen kan worden in de planning (bij voldoende perspectief). In dit scenario daalt het totale energieverbruik tot net onder de 60 PJ, bijna 15% hoger dan in het scenario hoge elektrificatie. Het elektriciteitsverbruik is wel verdubbeld, maar 20% lager dan het scenario hoge elektrificatie tot circa 34 PJ. Het aandeel elektriciteit in de energievraag daalt van 80% naar circa 55%. Doordat een deel van de seizoensgebonden warmtevraag niet-elektrisch wordt opgelost, wordt met name in de winterperiode de uitdaging op het elektriciteitsnet minder groot. Voor- en nadelen van dit scenario: + + + + -
-
-
Lagere elektriciteitsbehoefte en substantiële vermindering van een groot deel van de geschetste uitdagingen voor het elektriciteitsnet uit de variant hoge elektrificatie variant. Collectieve warmtenetten in dichtbebouwde omgevingen zijn vanuit een maatschappelijk perspectief meestal goedkoper. Beschikbare lokale bronnen (warmte en biogas) worden benut. Meer keuzevrijheid voor ondernemers voor verschillende energiedragers. De hogere energievraag vraagt ergens in het energiesysteem meer opwek (evt. via import). Biogas vraagt wellicht om een groter deel van de huidige gasinfrastructuur in stand te houden en is qua potentie deels afhankelijk van de toekomst van de veeteelt in Overijssel. Warmtenetten zijn momenteel onvoldoende aantrekkelijk: door het huidige beleid en de huidige marktordening voor collectieve warmtenetten komen de lusten bij andere partijen terecht dan bewoners en de partijen, waaronder gemeenten, die aan zet zijn om de warmtenetten te realiseren. En toepassing is afhankelijk van nabije warmtebronnen. Om deze variant te realiseren is meer actie nodig van diverse partijen. Voor de nationale overheid en decentrale overheden betekent het dat er steviger beleid nodig is, zowel voor warmte, biogas als waterstof. Een risico hierbij is dat de overheden door de realiteit ingehaald kunnen worden5.
Kip-ei dynamiek rond waterstof: ondanks beoogd hergebruik bestaande gasinfrastructuur is er een relatieve lange doorlooptijd voordat waterstof via regionale infrastructuur beschikbaar komt. Ook is er nog onzekerheid over de kosten vergeleken met andere opties.
Onze keuze voor Overijssel: meer variatie in de mix Bij de twee hiervoor beschreven opties zijn diverse voor- en nadelen beschreven. Als we deze afzetten tegen het NPE en de Overijsselse startprincipes is de keuze eenvoudig en is er een duidelijke voorkeur voor de variant met variatie in de energiemix: In Overijssel streven we naar een gebalanceerde energiemix, waarbij we onze vraag (na besparing) vanuit verschillende energiedragers willen invullen. Warmte, waterstof en biogas gaan een belangrijke rol spelen om de grote toename in de elektriciteitsvraag te beperken.
5
Individuele keuzes kunnen de aantrekkelijkheid van een collectieve warmtevoorziening verminderen, denk daarbij aan isolatie en individuele elektrische oplossingen.
15
Figuur 7: scenario’s energiemix
De variant hoge elektrificatie scoort relatief slecht op de meeste startprincipes. Een energiesysteem dat voor 80% afhankelijk is van één energiedrager die lastig op te slaan is voor langere tijd is kwetsbaar. Deze variant scoort daarmee slecht op robuustheid. Bovendien is elektriciteit weliswaar in gebruik efficiënt, maar bij opslag, transport en distributie van grote hoeveelheden, relatief gezien duurder. Het niet maximaal inzetten op het benutten van lokale warmtebronnen en biogas strookt niet met het Nationaal Plan Energiesysteem en met ons startprincipe om lokale kansen te benutten om van duurzame energie te profiteren. Door meer inzet op warmte en (geïmporteerde) waterstof, voorkomen we grote druk op de beschikbare ruimte doordat deze grotendeels ondergronds gerealiseerd worden. Ook zullen er minder bovengrondse landschap-doorsnijdende uitbreidingen zijn door de transportinfrastructuur voor elektriciteit. Met inzet op beschikbaarheid van waterstof voor gebruik in de industrie en zware industrie bieden we onze ondernemers keuzevrijheid en flexibiliteit over hoe zij hun energievraag op termijn duurzaam willen invullen. Wel vraagt deze keuze een steviger inzet vanuit diverse partijen en is er een aantal afhankelijkheden die in het ontwikkelpad richting 2050 aandacht vragen.
Met name rond de aantrekkelijkheid van collectieve warmtenetten voor gemeenten en bewoners en een tijdig perspectief op toegang (via infrastructuur) tot betaalbare waterstof.
3.2 Hoofdkeuze 2: Welk aandeel van onze energievraag wekken we zelf op in Overijssel in 2050? Het vraagstuk Het Nationaal Plan Energiesysteem geeft als richtinggevende keuze maximale inzet op aanbod van duurzame energie, maar werkt dit niet uit naar de provincies. Voor 2050 heeft Overijssel nog geen ambitie geformuleerd voor opwek van duurzame energie. In de startprincipes voor de energievisie is wel opgenomen dat Overijssel proportioneel wil bijdragen aan een klimaatneutraal Nederland met
16
een duidelijke ambitie qua mate van zelfvoorzienendheid6. Dat betekent dat we een substantieel deel van onze eigen energievraag in 2050 zelf op willen wekken. Hiervoor zijn verschillende technieken nu al beschikbaar, bijvoorbeeld mestvergisting, zon-PV en windturbines. Ook is een aantal meer innovatieve technieken nog in ontwikkeling (o.a. Small Modular Reactors en ultradiepe geothermie) die in de periode 2035-2050 mogelijk ook bij kunnen dragen. We bepalen in de volgende paragrafen per energiedrager (biogas, warmte, waterstof en elektriciteit) een indicatieve bijdrage met behulp van de startprincipes, en relateren die aan de gerelateerde energievraag. Voor de eerste drie energiedragers geven de mogelijkheden en de startprincipes een duidelijke voorkeurspositie aan. Voor elektriciteit is de afweging minder eenvoudig en is die uitgebreider onderbouwd. Eerst staan we stil bij besparing en bewust omgaan met energie. Daarmee kunnen we de opgave voor opwek verlagen. Besparing en bewust omgaan met energie In lijn met het NPE willen we in Overijssel maximaal inzetten op energiebesparing. Alle energie die we niet gebruiken hoeven we ook niet op te wekken. Door maximaal in te zetten op besparing en het voorkomen van energieverbruik (vraagreductie) beperken we de opgave voor lokale opwek.
Daarmee beperken we ook de ruimte die we nodig hebben voor onze proportionele bijdrage aan een klimaatneutraal Nederland. Deze maximale inzet op besparing vraagt wel om extra inzet. Dat maken we onderdeel van de ontwikkelpaden (hoofdstuk 5). Warmte Per deelnet hebben we het potentieel warmteaanbod vergeleken met de verwachte warmtevraag per deelnet die volgt uit hoofdkeuze 1. Hieruit blijkt dat de potentiële vraag naar warmte (met name de gebouwde omgeving en de industrie) grotendeels bediend kan worden door afvalverwerker Twence en door geothermie. Daarbij is de hoeveelheid restwarmte op lange termijn, als ook de financiële haalbaarheid van geothermie, wel een onzekerheid. In sommige gebieden zijn ook bijdrages van andere bronnen (o.a. power-to-heat) nodig, mede om verschillen tussen continue warmteproductie en seizoensgebonden warmtevraag te overbruggen. Omdat warmte per definitie vanuit een lokale bron komt (behoudens eventuele grensgevallen) zijn we voor warmte dus volledig zelfvoorzienend7. Biogas In Overijssel vergisten we nu nog geen 5 procent van de beschikbare mest, en dat levert samen met een aantal kleine andere toepassingen in totaal nog maar 0,6 PJ biogas op. Als provincie hebben we al de ambitie om in 2030 de helft van de beschikbare mest te vergisten. Voor Overijssel is de totale potentie voor biogasproductie ingeschat op bijna 5 PJ.
Hiervoor is het nodig dat we ruim de helft van de huidige mest in Overijssel vergisten, en ook andere biogasproductie maximaal benutten (o.a. bij voedingsindustrie en de rioolwaterzuivering). Dit vraagt om grote stappen, zowel met kleinschalige als grootschalige vergisting, die onder de ontwikkelpaden zijn toegelicht. De startprincipes wijzen hier overwegend richting maximale inzet om deze potentie ook te realiseren (o.a. het benutten van lokale kansen, het leveren van een proportionele bijdrage met een beperkte ruimtelijke impact). Onder hoofdkeuze 1 hebben we, in lijn met het NPE, slechts een beperkt, moeilijk anders te verduurzamen,
6
Hierbij is het van belang om te beseffen dat de term zelfvoorzienendheid hier gaat over de mogelijkheid om je totale energievraag in te vullen met de totale opwek over het hele jaar heen. Als Overijssel zijn en blijven we iedere dag van het jaar verbonden met de rest van Nederland waarbij we op sommige momenten energie importeren en op andere momenten exporteren. 7 In principe is het potentieel aan diepe geothermie vrij groot (85 PJ) en kan bij een hogere warmtevraag meer warmte geproduceerd worden. De risico’s en kosten zijn in veel gevallen zo groot, dat het potentieel realistisch gezien beperkt wordt verondersteld.
17
deel van de energievraag vervangen door de inzet van biogas, ruim 5 PJ. Daarmee is ook voor biogas zelfvoorzienendheid in 2050 een reële en aantrekkelijke optie. Waterstof Bij hoofdkeuze 1 is aangegeven dat we waterstof als belangrijk onderdeel van de energiemix in Overijssel zien. Voor de productie van waterstof zijn andere energiedragers (o.a. (bio)gas en elektriciteit) nodig. In Overijssel is grootschalige productie dan ook niet voor de hand liggend aangezien we deze energiedragers zelf direct kunnen inzetten. Dit sluit aan bij de keuzes in het Programma Energiehoofdinfrastructuur. Vanuit de startprincipes is volledige zelfvoorzienendheid moeilijk te motiveren als hier een grote aanvullende inzet op opwek van elektriciteit volgt (met name vanuit impact op ruimtelijke kwaliteit). Wel kan lokale waterstofproductie bijdragen aan een robuuster en efficiënter energiesysteem en is het een belangrijke stap in de marktontwikkeling en daarmee bijna voorwaardelijk voor onze hoofdkeuze 1. Ons uitgangspunt voor 2050 is dat er op kleine schaal, vanuit een behoefte aan een lokale toepassing of als opstap in de marktontwikkeling lokaal waterstofproductie plaatsvindt uit elektriciteit (lokaal opgewekt waar mogelijk).
We verwachten dit met name rond de voedingsgebieden van de beoogde regionale aftakkingen of bij specifieke toepassingen waar ook warmte en zuurstof nuttig toegepast kunnen worden. Afhankelijk van de prijs- en marktontwikkeling, zou dit in een derde van onze beoogde waterstofvraag kunnen voldoen8. Het merendeel van onze waterstofvraag verwachten we ook op lange termijn te importeren vanuit andere provincies of het buitenland. Via de nationale hoofdinfrastructuur (de backbone) of via logistieke routes (met trailers / containers). Wellicht kan dit beeld veranderen als door innovatieve doorbraken kleinschalige opwek van waterstof een betaalbaar alternatief wordt. In het ontwikkelpad in hoofdstuk 5 staan we stil bij welke rol kleinschalige opwek wel kan spelen om de vraag naar waterstof te ontwikkelen. Elektriciteit Onderstaande figuur geeft - onder een aantal aannames die in bijlage 5 worden toegelicht - aan wat de potentie is voor de voornaamste technieken voor elektriciteitsopwekking in Overijssel. Figuur 8: opties voor invulling elektriciteitsvraag
8
Ter indicatie: 3 PJ waterstofproductie vraagt circa 180 MWe opgesteld vermogen, wat middels een aantal kleinere installaties gerealiseerd kan worden. Als bijproduct ontstaat ook 1 PJ warmte en een stroom aan zuurstof.
18
De potentie voor wind en zon overschrijdt de totale elektriciteitsvraag ruim, ook in het scenario van hoge elektrificatie. Bij kleinschalige kernenergie, is een potentie opgenomen die overeenkomt met vier middelgrote SMRs van 20 MW (ruimtebeslag is circa 2 hectare per installatie). Deze leveren ongeveer evenveel elektriciteit als 50 MW aan windturbines (circa 8 grote windturbines). Wij achten dit voorstelbaar op ongeveer 4 plekken in Overijssel. Er zijn ook SMRs met fors grotere vermogens (bv. 300 MW). Die hebben een groter ruimtebeslag (ca 14 hectare), en vragen veel extra energieinfrastructuur als er lokaal niet een vergelijkbaar grote elektriciteitsvraag is. De nabijheid van een constante en substantiële elektriciteitsvraag is erg van belang. In samenwerking met het Rijk wordt onderzocht hoe groot de potentie van SMRs is. In het ontwikkelpad wordt expliciet aandacht besteed aan hoe omgegaan kan worden met de onzekerheid in deze ontwikkeling. In bijlage 6 is een vergelijking met meer informatie te vinden over de diverse typen SMRs. In tegenstelling tot de eerste hoofdkeuze en deze keuze voor de andere energiedragers wijzen de startprincipes voor elektriciteit verschillende kanten op.
Een proportionele bijdrage aan de nationale opwek van hernieuwbare opwek op land bedraagt qua orde grootte circa 50 PJ (afhankelijk van de gehanteerde methode1)), en die overstijgt de beperkte elektriciteitsvraag die Overijssel. Daarmee zou Overijssel netto exporteur kunnen worden. Om deze opgave op realiteit in te schatten en een gevoel te krijgen bij de omvang kan deze vergeleken worden met de verwachte opwek rond 2030: 15 PJ (80% grootschalig vanuit RESsen en 20% kleinschalige zon op dak). Vanuit de ambitie om proportioneel bij te dragen aan een klimaatneutraal Nederland is het gewenst om zoveel mogelijk van de elektriciteitsbehoefte zelf in te vullen. Een stevige ambitie past bij wat redelijkerwijs van Overijssel verwacht kan worden gezien het beperkte energieverbruik binnen Overijssel en de opwekpotentie. Het realiseren van deze energieopwekking - grotendeels met zonneen windenergie biedt ook lokale kansen om van duurzame energie te profiteren. Vanuit het startprincipe robuust en efficiënt is meer opwek in Overijssel dan haar eigen elektriciteitsbehoefte niet voor de hand liggend. Een dergelijke omvang heeft ook impact op het netwerk, die deels beperkt kan worden door aanvullende maatregelen (o.a. curtailment en opslag).
Bij een ambitie van 50 PJ zijn met name investeringen nodig in flexibiliteit inclusief opslag, en verzwaringen op de lagere netniveaus (afhankelijk van locatiekeuzes). Vanuit het benutten van lokale kansen is het ook onduidelijk of een (te) hoge ambitie economisch nog iets oplevert: op momenten dat er in Overijssel een overschot aan productie is, zal dat ook bij onze buurprovincies waarschijnlijk het geval zijn (zon en wind zullen vergelijkbaar zijn) met grote overschotten als gevolg. Deze overschotten geven drukte op het net en leiden waarschijnlijk tot lage elektriciteitsprijzen. Op deze manier wordt het voor ondernemers weinig zinvol om hier kapitaal in te investeren. Bovendien gaat met name elektriciteitsopwekking gepaard met grote ruimtelijke ingrepen: windparken, zonneparken en in de toekomst mogelijk ook SMR’s hebben allen een niet gering ruimtebeslag. Dit gaat in tegen het startprincipe van zuinig en multifunctioneel ruimtegebruik. Zon op dak is hiervoor wellicht een uitzondering, aangezien deze techniek per definitie geen aanvullend ruimtebeslag heeft. Indien het toekomstige energiesysteem beter kan omgaan met
19
decentrale opwek van stroom (zie hoofdkeuze 3), dan is hier nog een flinke slag mogelijk. Hierbij is een aanvullende bijdrage van 5 PJ realistisch. Voor elektriciteit is er spanning tussen de startprincipes. Door maximale inzet op energiebesparing en de inzet van andere energiedragers, beperken we de elektriciteitsvraag in Overijssel. De resterende elektriciteitsvraag van 34 PJ gebruiken we als richtpunt voor onze opwekambitie in 2050 om daarmee een proportionele bijdrage te leveren aan een klimaatneutraal Nederland. Onze keuze voor Overijssel: zelfvoorzienend voor alle energiedragers behalve waterstof Figuur 9: ambitie voor zelfvoorzienendheid
In Overijssel zetten we vol in op energiebesparing en voorzien we in 2050 zelf in onze behoefte aan warmte en biogas. Waterstof importeren we vanwege het verwachte gebrek aan mogelijkheden om lokaal grootschalige waterproductie te realiseren. Voor elektriciteit streven we zelfvoorzienendheid na door enerzijds in te zetten op een beperkte stijging van de elektriciteitsvraag (tot 34 PJ in plaats van 42 PJ) en anderzijds door maximaal in te zetten op opwek in eigen provincie. Hierbij richten we ons op 34 PJ, tenzij het door toekomstige ontwikkelingen eenvoudiger wordt om meer te doen. Welke technieken, buiten zon op dak, hier na 2030 een rol in gaan spelen, bepalen we later als er meer duidelijkheid is over het perspectief van SMRs en we inzicht hebben in de nationale richting. In het ontwikkelpad schetsen we wanneer we deze ambitie verder willen invullen.
3.3 Hoofdkeuze 3: Keuzes over inrichting energiesysteem We hebben gesproken over de ambitie voor opwek en daarvoor over de energiemix. Daaruit volgt het ontwerp van het energiesysteem. Waar breng je welke energie naartoe? Keuzes die we hier moeten maken, hebben veel invloed op de ruimtelijke inrichting en het ontwerp van het Overijsselse energiesysteem in 2050. We kijken bij deze hoofdkeuze specifiek naar het aspect van clustering en de vraag op welk schaalniveau in het energiesysteem je bepaalde vragen wil oplossen. Op beide keuzes blijven we bij deze hoofdkeuze op hoofdlijnen, omdat dit op sommige vlakken ook op nationale schaal nog onvoldoende uitgewerkt is.
20
Figuur 10: opties clusteren Deze vraag is niet zo zwart-wit als hierboven gepresenteerd. Wel is duidelijk dat een bepaalde mate van clustering de opgave om een robuust en efficiënt energiesysteem te ontwikkelen positief kan beïnvloeden. We lopen kort de betreffende energiedragers langs. Bij de beoogde rol van warmte in 2050 is nabijheid van vraag en aanbod noodzakelijk, aangezien warmte zich niet makkelijk efficiënt over grote afstanden laat verplaatsen. Ook is het van belang, vanuit efficiëntie, om zo veel mogelijk vraag naar warmte te bundelen en daarmee de aantrekkelijkheid van een collectief warmtenet te vergroten. Voor biogasproductie is de keuze voor clusteren zeer locatieafhankelijk (en zelfs afhankelijk van de sector). We gaan ervan uit dat de meeste productiebronnen vrij lokaal zijn. Voedselindustrie, rioolwaterzuivering en de land en tuinbouw zitten echter vrij verspreid over Overijssel, en zijn niet makkelijk te verplaatsen vanwege hun karakter. Wel kan het voordelig zijn om biogashubs gezamenlijk te realiseren, bijvoorbeeld als meerdere partijen in een gebied gezamenlijk biogas of groen gas willen produceren. In sommige gevallen kan ook gezamenlijke grootschalige mestverwerking overwogen worden. Voor waterstof is vraagclustering noodzakelijk door vraagontwikkeling op een aantal plekken te organiseren.