Bijlage 31 - Mer-beoordeling
Tekst van het document
Indien onder de constructie goed doorlatende zandlagen met voldoende dikte aanwezig blij‐ ven, dan kan het grondwater onder de constructie door stromen. Uit studies bij vergelijkbare projecten is bekend dat nega‐ tieve effecten pas merkbaar zijn indien het pakket voor minimaal de helft wordt afgesloten. Dat is hier niet het geval. Daarom worden geen negatieve effecten verwacht. Grondwaterbeschermingsgebied/intrekgebied en (grond)waterkwaliteit Aan de westzijde van het plangebied is er een minimale overlap met het grondwaterbeschermingsgebied. Een groter deel van het plangebied (deelgebied Lurelui) is gelegen binnen het intrekgebied. Tot 2021 was Lurelui een onontwikkeld terrein met moestuinen, tijdelijke woningen, tijdelijke opslag van materialen en parkeerplaatsen. Deze activiteiten hebben de vol‐ gende risico´s opgeleverd voor het grondwater: weglekken van stoffen, uitlogen materialen en parkeren van auto´s. On‐ langs is dit terrein functievrij en bouwrijp gemaakt. In de beoogde situatie zijn de risico´s voor het grondwater (volledig) beheerst door het treffen van de juiste maatregelen en daarmee wordt voldaan aan het stap‐vooruit beginsel. In de nabijheid van de Oostzeelaan, binnen het plangebied, vindt onttrekking plaats van grondwater dat verontreinigd is met vinylchloride.
De onttrekking vindt plaats ter bescherming van de drinkwaterwinning het Engelse Werk ten zuiden van het plangebied. In 2011 is binnen het plangebied een systeem geïnstalleerd met o.a. een deepwell, beluchtingsbassin, be‐ zinkbassin, helofytenfilter, infiltratiesloot en overloop naar riool. Grondwater met daarin de VC verontreiniging wordt mid‐ dels een deepwell (capaciteit 8 m3/h) opgepompt. Eerst wordt er warmte/koude‐ aan het water onttrokken t.b.v. levering aan een semipermanente (woon)units. Daarna wordt het grondwater behandeld in een innovatief systeem wat gebruik maakt van een beluchting, bezinking en een helofytenfilter. Naast de VC verontreiniging wordt met het grondwater ook opgelost ijzer opgepompt. Dit dient verwijderd te worden in verband met het negatieve effect op het helofytenfilter en het afnemen van de infiltratiecapaciteit van de infiltratiesloot. Verder is van belang dat er afspraken zijn gemaakt over een toe‐ komstige aanvullende onttrekking van 17 m3 /uur. Deze onttrekkingspunt zal gesitueerd zijn zuidelijk van de Oostzeelaan en waar mogelijk ingepast worden in het bestaande zuiveringssysteem met helofyten. In het kader van de watertoets is op hoofdlijnen ingegaan op de mogelijkheden voor verplaatsing van het helofytenfilter in verband met de herontwikkeling van het gebied.
Het debiet waarmee gerekend wordt is 25 m3/h (8 bestaande en 17 aan‐ vullende onttrekking). Verplaatsing van het helofytenfilter is mogelijk mits aan de functionaliteit van de zuiverende werking (kwantitatief en kwaliteit) voldaan wordt en geen sprake is van nadelige effecten ten gevolge van de verplaatsing, Over de exacte randvoorwaarden en uitgangspunten voor de verplaatsing vindt afstemming plaats met de gemeente Zwolle en Vi‐ tens. Ook is in het kader van de watertoets ingegaan op de mogelijke gevolgen van de toekomstige WKO op de grondwaterver‐ ontreiniging. Een risico op vermenging en/of verplaatsing van de grondwaterverontreiniging onder invloed van de toekom‐ stige WKO is niet uit te sluiten. In de regels van het bestemmingsplan is daarom een regeling opgenomen om negatieve effecten van de WKO‐bronnen op de grondwaterverontreiniging te voorkomen. Er wordt pas een vergunning verleend als
25/35
aangetoond is dat de VOCL‐beheersing niet negatief beïnvloed wordt. De aanleg van een ondergrondse parkeergarage bin‐ nen het intrekgebied lijkt niet te leiden tot knelpunten, aangezien er bouwmethodes zijn die onttrekken van grondwater minimaliseren, bijvoorbeeld toepassing van onderwaterbeton of injectie met waterglas. Klimaatadaptatie Neerslagkaarten laten zien dat de Spoorzone op verschillende plekken te maken zal krijgen met wateroverlast tijdens he‐ vige regenbuien. Het nieuwe bestemmingsplan laat een grote toename van groen zien, waardoor een deel van dit water in de bodem kan worden opgenomen en vertraagd worden afgevoerd (vanwege een afname van het verhard oppervlak). De relatief lage grondwaterstand in dit gebied zorgt er ook voor dat het waterbergend vermogen van dit gebied goed is. Bij de inrichting van het gebied wordt rekening gehouden met de randvoorwaarden die zowel het waterschap als de gemeente stelt aan het voorkomen van wateroverlast. De groene invulling van het plangebied speelt ook een rol bij het tegengaan van hittestress en het beperken van mogelijke negatieve effecten door verdroging. Dit volgt ook de Zwolse adaptatiestrategie waarin de toevoeging van groen als belang‐ rijkste pijler wordt gezien om hittestress tegen te gaan.
Daarbij is het wel belangrijk dat in deze groene gebieden veel bo‐ men worden toegevoegd die voor schaduw gaan zorgen, alleen dan zal de hittestress aanzienlijk lager zijn. De grondwater‐ stand kan tijdens landelijke droge periodes sterk zakken. De beoogde groene invulling van het gebied draagt in positieve zin bij aan het bergend vermogen. Bij het kiezen van vegetatie in het gebied dient er rekening te houden met de gevolgen voor de grondwaterstand.
4.4
Natuur
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status als Natura Soortenbescherming zoals Natura 2000 of NNN. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor wor‐ den uitgesloten. Gezien de ligging ten opzichte van de natuurgebieden en aard en omvang van de beoogde ontwikkelingen kunnen ook effecten zoals verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De potentiële effecten beperken zich tot de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000‐gebieden. In het kader van het bestemmingsplan zijn de mogelijke gevolgen voor stikstofdepositie tijdens gebruiksfase en aanlegfase berekend10. Binnen het plangebied zijn nu bedrijven operationeel die onlosmakelijk met het plan gaan verdwijnen, waardoor de stik‐ stofemissie blijvend afneemt. Uit de resultaten blijkt een toename tijdens aanlegfase en gebruiksfase op maximaal zes Natura 2000‐gebieden. Na salde‐ ring met de referentiesituatie is er geen sprake van depositietoenamen op Natura 2000. De ontwikkeling zorgt voor een afname van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000‐gebieden. Omdat geen sprake is van een berekende toename (en zelfs van een afname) is er geen aanleiding om de mogelijke cumulatie met omliggende plannen en projecten in beeld te brengen.
Op basis van de uitgevoerde berekeningen zijn significante negatieve effecten op Natura 2000‐gebieden uitge‐ sloten. Soortenbescherming Uit de ecologische quickscan blijkt dat het plangebied potentieel van betekenis is voor huismus, gewone‐ en ruige dwerg‐ vleermuizen en egel. Om hierover uitsluitsel te kunnen geven is nader onderzoek nodig. Indien het plangebied van beteke‐ nis is voor deze soort(en), kan naar het oordeel van het bevoegd gezag een ontheffing van de Wnb noodzakelijk zijn. Voor andere beschermde soorten heeft het plangebied geen betekenis of zijn negatieve effecten van de voorgenomen in‐ greep uitgesloten of geldt een vrijstelling.
10 LBP SIght Transformatie van NS Spoorzone Zwolle; stikstofonderzoek. Kenmerk R001_03_087428ab, d.d. 27 oktober 2023.
26/35
Er wordt nader onderzoek uitgevoerd voor de huismus, gewone‐ en ruige dwergvleermuizen en egel. Zo nodig zullen ont‐ heffingen worden aangevraagd en maatregelen worden getroffen om strijdigheid met de Wet natuurbescherming te voor‐ komen.
4.5
Luchtkwaliteit
De ontwikkeling van het plangebied draagt ‘mogelijk in betekenende mate’ bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Op basis van de te verwachten wijzigingen in de verkeersstromen is een onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd om inzicht te geven in de gevolgen van de planontwikkeling voor de concentraties luchtverontreinigende stoffen11. Daarbij is zowel gekeken naar de emissies die samenhangen met de bedrijfsactiviteiten als met de emissies door het extra verkeer. Uit het onderzoek blijkt dat de bronbijdrage door het plan aan de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide uiteenloopt van 0,25 tot 3,00 µg/m3. Voor fijn stof loopt dit uiteen van 0,02 tot 0,22 µg/m3. Deze toenames vinden ver onder de wettelijke grenswaarden plaats. Tabel 4.1 geeft inzicht in de maximaal berekende concentraties (achtergrondconcentratie + bijdrage bestaande bronnen + planbijdrage). Tabel 4.1 Berekeningsresultaten: maximaal berekende concentraties
Gezien de maximaal optredende concentraties wordt geconcludeerd dat geen sprake is van belangrijke nadelige milieuge‐ volgen.
4.6
Geurhinder
Bij de realisatie van woningen of andere milieugevoelige functies in de nabijheid van bedrijven dient rekening te worden gehouden met mogelijke geurhinder. Er is een analyse uitgevoerd op basis van de systematiek uit de VNG‐publicatie Bedrij‐ ven en milieuzonering om inzicht te krijgen in de impact van de bestaande en de planologische mogelijke bedrijvigheid12. Daarbij is ook gekeken naar de richtafstanden voor het aspect geur. Uit deze analyse blijkt dat voor geen van de bedrijfsper‐ celen het aspect geur een belemmering vormt voor de beoogde woningbouw. Er is geen sprake van bedrijfsactiviteiten met relevante geuremissies en –contouren die leiden tot ruimtelijke beperkingen op de omliggende gronden. In alle gevallen waarbij niet wordt voldaan aan de richtafstanden is geluid het maatgevende aspect.
11 LBP Sight, Transformatie van NS Spoorzone Zwolle; luchtkwaliteit onderzoek. Kenmerk R002_01_087428ab, d.d. 15 oktober 2023. 12 Peutz, Spoorzone Zwolle; Bedrijven en milieuzonering, d.d. 10 november 2023.
27/35
4.7
Externe veiligheid
Algemeen Externe veiligheid wordt beoordeeld rondom risicobronnen waar opslag, gebruik en transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Met de beoogde ontwikkelingen worden geen nieuwe risicobronnen toegevoegd. Wel worden er (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt in de omgeving van risicobronnen. In de directe omgeving van het plangebied zijn twee transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig: ● De spoorlijn Weesp‐Zwolle ● De IJsselallee (N337) Er is onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het plan voor de risicosituatie13. Bij de beoordeling van de mogelijke ri‐ sico’s spelen het plaatsgevonden risico en het groepsrisico een rol. Het plaatsgebonden risico Dit wordt bepaald op basis van de risicobron en wordt gebruikt om het minimum beschermingsniveau waar de samenle‐ ving recht op heeft aan te geven. Dit minimum beschermingsniveau wordt uitgedrukt in een grenswaarde en kan ruimtelijk worden weergegeven als een contour. Het ruimtebeslag van deze contour is veelal beperkt. Het groepsrisico Met het groepsrisico wordt aangegeven welk beschermingsniveau ontstaat als mensen (omdat ze wonen, werken, recre‐ eren in de nabije omgeving) en industriële risico's bij elkaar in de buurt komen. Verder dient het groepsrisico om een afwe‐ ging te kunnen maken over de wenselijkheid van de voorgenomen activiteit (herbestemming, verdichting, etc.) in relatie tot de risicobron.
Dit wordt de verantwoordingsplicht genoemd. Het groepsrisico wordt uitgerekend voor het invloedsge‐ bied, en berekent de kans op 10 of meer slachtoffers. Voor het groepsrisico geldt niet een grenswaarde maar een oriënta‐ tiewaarde. Beoordeling plaatsgebonden risico Voor beide transroutes geldt dat de 10‐6 contour van het plaatsgebonden risico (PR) conform het Besluit externe veiligheid transportroutes niet buiten de transportroutes kan en mag liggen. Deze houdt voor de Spoorzone in dat er binnen 6 meter van het spoor geen kwetsbare bestemmingen mogen zijn. Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden voor de realisa‐ tie van gebruiksfuncties binnen 6 meter van het spoor. Dat betekent dat wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (zijnde: PR < 10‐6 per jaar). De plaatsgebonden risicocontour van de N337 ligt niet buiten de weg en leidt daarmee niet tot ruimtelijke beperkingen binnen het plangebied. Beoordeling groepsrisico In vergelijking met de huidige situatie is er sprake van een toename van het aantal aanwezigen in het plangebied waardoor het groepsrisico zal toenemen. Om het groepsrisico (en de relatieve stijging daarvan) in beeld te brengen, zijn kwantita‐ tieve risicoberekeningen uitgevoerd met het rekenmodel RBM‐II. N337 De provinciale weg N337 (IJsselallee) ligt direct ten zuiden van het plangebied.
Deze weg maakt geen onderdeel uit van de Regeling basisnet. Voor de situatie waarin alleen District Z, Werkplaatsen en Lurelui worden ontwikkeld, is er afgerond geen verandering van het groepsrisico, bovendien blijft het groepsrisico beperkt tot 0,1 maal de oriëntatiewaarde. In de situatie waarin ook de overige deelgebieden binnen de Spoorzone worden ontwikkeld stijgt het GR naar 0,2 maal de oriën‐ tatiewaarde. Dit is weliswaar een verdubbeling, maar het GR ligt nog steeds ver onder de oriëntatiewaarde. Spoorlijn Weesp‐Zwolle
13
LBP Sight, Milieuonderzoeken transformatie Spoorzone Zwolle: onderzoek externe veiligheid, kenmerk: V087428ab.22HZDFT.djs, d.d. 8 november 2023.
28/35
De spoorlijn Weesp‐Zwolle (route 40) grenst aan het plangebied. Over deze spoorlijn vindt, conform de Regeling basisnet, vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De toename van het groepsrisico is afhankelijk van de bezettingsgraad per woning en de verdeling over het gebied. In de risicoberekeningen is onderscheid gemaakt tussen een situatie met uniforme verde‐ ling van de toekomstige populatie over het gehele plangebied tot aan de grenzen van het spoor en een situatie waarbij de populatie is afgestemd op de grenzen van de verblijfsgebieden zoals die zijn vastgelegd in het bestemmingsplan. Hieronder worden de resultaten voor de laatstgenoemde situatie beschreven. Daarnaast wordt in de risicoberekeningen onderscheid gemaakt in de situatie waarin alleen de deelgebieden District Z, Werkplaatsen en Lurelui (het bestemmingsplangebied) worden ontwikkeld en de situatie waarin ook de overige deelgebieden binnen de Spoorzone worden ontwikkeld. Voor de bestemmingsplansituatie (ontwikkeling District Z, Werkplaatsen en Lurelui) is er sprake van een toename van het groepsrisico van 0,4 maalt de oriëntatiewaarde in de huidige situatie tot 0,8 maal de oriëntatiewaarde in de beoogde situa‐ tie. In de situatie waarbij ook de andere deelgebieden binnen de Spoorzone worden ontwikkeld stijgt het GR verder tot 1,2 maal de oriëntatiewaarde.
Gemeentelijk beleid Aan de hand van het beleidsdocument "Handreiking proefperiode Gebiedsgericht werken aan milieu, gemeente Zwolle ‐ september 2005" heeft er een vertaling plaatsgevonden van de ambities uit de beleidsvisie externe veiligheid naar de ge‐ biedstypen zoals deze door de gemeente Zwolle zijn gedefinieerd. Op basis van een aantal gebiedskenmerken voor de fy‐ sieke omgeving (met name personendichtheden), de hulpverleningssituatie en de zelfredzaamheid is de "risicoruimte" in beeld gebracht. De risicoruimte geeft aan in hoeverre er binnen een gebiedstype ruimte is voor risicovolle activiteiten of risicovolle situaties vanuit het groepsrisico verantwoord kunnen worden. Hierbij wordt onder andere ingegaan op de hoogte van het groepsrisico. Binnen de definities van het Gebiedsgericht beleidskader externe veiligheid valt de Spoorzone onder het Gebiedstype 7 Stroomzone, wat de hoofdinfrastructuur (weg en spoor) en de directe omgeving hiervan omvat. Bij de mogelijkheden voor het gebruik worden zogenaamde veiligheidszones toegepast die middels het gemeentelijk beleid zijn aangeduid.
Deze zijn: ● ZONE 01: Wettelijke norm, plaatsgebonden risico (6m) en plasbrandaandachtsgebied (30 m) ● ZONE 02: Aandachtsgebied explosie (250 m) ● ZONE 03: Aandachtsgebied toxisch (1.500 m) Binnen deze zones bestaan beperkingen aan gebruiksmogelijkheden, dan wel te nemen maatregelen om een bepaald ge‐ bruik mogelijk te maken. Deze zijn verwoord in het “Inspiratieboek milieu voor een levendige spoorzone ‐ integrale aanpak milieu en stedenbouw” van de Gemeente Zwolle van oktober 2015. De zone‐indeling en maatregelen uit het inspiratieboek ten aanzien van externe veiligheid zijn opgenomen in bijlage III. Plasbrandaandachtsgebied (zone 01) Het plan Spoorzone ziet niet op de ontwikkeling van gebruiksfuncties binnen de plaatsgebonden risicocontour van 6 m. Binnen het plasbrandaandachtsgebied van 30 meter zal zich wel een deel van het deelgebied Werkplaatsen bevinden om‐ dat het huidige gebouw van Wärstilä gehandhaafd blijft, en dit bevindt zich op een afstand van minimaal 18 meter. In het deel dat binnen de 30 meter is gelegen worden alleen bedrijven en kantoren ontwikkeld (het plasbrandaandachtsgebied is vastgelegd op de verbeelding, daarbinnen is in de planregels een groot aantal functies uitgesloten). Dit is verenigbaar met de gebruiksbeperkingen uit bijlage III.
Naast eventuele verplichtingen ten aanzien van ontwerp, bouwkundige maatregelen en voorzieningen die vanuit het Bouwbesluit 2012 gelden voor plasbrandaandachtsgebieden, zijn de overige maatregelen zoals opgenomen in bijlage III uitvoerbaar. Aandachtsgebied explosie (zone 02) Het overige deel van het plangebied ligt in het aandachtsgebied voor explosies (‐250 meter). Uit de gebruiksbeperkingen in bijlage III blijkt dat het gemeentelijk beleid niet verenigbaar is met toestaan van de gebruiksfuncties Gezondheid (zieken‐ huizen, verzorgingshuizen, gezinsvervangende tehuizen), Basisonderwijs en Kinderdagverblijf. Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden voor de realisatie van dergelijke functies binnen het plangebied. Voor alle functies die wel voorzien zijn binnen het plangebied, bestaan geen gebruiksbeperkingen en de maatregelen uit bijlage III die van toepassing zijn, zijn
29/35
praktisch uitvoerbaar. Maatregel 5, het beperken/voorkomen van (nachtelijke) verblijfsgebieden aan de kant van de risico‐ bron, zal voor een hotelfunctie moeilijker uitvoerbaar zijn, waardoor een gelijkwaardige invulling benodigd is. In de huidige plannen is een hotelfunctie voorzien in DistrictZ, naast de Rode hal. Voor het spoor is het maatgevende scenario t.a.v. maatregel 5 een BLEVE van een LPG ketelwagen. De effecten van een warme BLEVE zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking. Vanaf een afstand van 50 m vanaf het spoor is bij dit scenario de overdruk afgenomen tot het niveau waarop lichte gebouwschade optreedt. Deze minimale afstand dient te worden aangehouden indien een hotelfunctie over‐ wogen wordt met (nachtelijke) verblijfsgebieden aan de kant van het spoor. De afstand van 50 meter ziet erop toe dat het gebouw intact blijft, zodat het gebouw bescherming biedt aan de personen die er zich in bevinden. Er is aanvullend aan‐ dacht nodig voor de gevolgen van warmtestraling (ontbranding van brandbare objecten, en weerstand tegen branddoor‐ slag en ‐overslag) en scherfvorming. In het externe veiligheidsonderzoek is een aantal bouwkundige maatregelen be‐ noemd. Hierover zal bij de uitwerking van het ontwerp van een gebouw met hotelfunctie binnen zone 2 nadere afstem‐ ming met gemeente en veiligheidsregio plaatsvinden.
In het bestemmingsplan wordt voor nachtelijk verblijf aan de zijde van het spoor een regeling opgenomen die maatregelen en afstemming met de veiligheidsregio voorschrijft. Aandachtsgebied toxisch (zone 3) Zone 03 reikt tot 1.500 meter, maar legt geen specifieke beperkingen van de gebruiksfuncties op die in het plangebied voorzien zijn. Omdat deze zone in verband staat met de verspreiding van toxische stoffen, gelden binnen deze zone de‐ zelfde maatregelen, zijnde verantwoordingsplicht én uitschakelbare ventilatievoorzieningen die ook voor Zone 02 gelden. Verantwoording groepsrisico De verantwoording van het groepsrisico wordt opgenomen in het bestemmingsplan. De daarmee samenhangende maatre‐ gelen zijn waar nodig geborgd in de planregels. Op de verbeelding zijn de voorgenoemde zones vastgelegd met daaraan gekoppelde randvoorwaarden en beperkingen in de planregels. Rekening houdend met deze randvoorwaarden en beper‐ kingen en de te treffen maatregelen in het kader van de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zal geen sprake zijn van be‐ langrijke nadelige milieugevolgen.
4.8
Cultuurhistorie en archeologie
Cultuurhistorie De voormalige werkplaatsen van de Staatsspoorwegen aan de Hanzelaan 95 zijn aangewezen als cultuurhistorisch waarde‐ vol. De panden hebben de bestemming ‘waarde‐cultuurhistorie 1’ gekregen, ter plaatse van deze gronden is het niet toege‐ staan veranderingen aan te brengen in de bestaande cultuurhistorische bebouwing tenzij rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden. Negatieve effecten worden vanwege de beschermende regeling uitgesloten. Archeologie Het plangebied ligt op de archeologische waarderingskaart van de gemeente Zwolle grotendeels binnen een zone met een verwachting van 0%. Een klein deel valt echter binnen het gebied ‘dekzandrug Hanzeland’. Deze zone heeft een waardering van 50%. Binnen het deel dat valt binnen dekzandrug Hanzeland, is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het onderzoeksgebied vermoedelijk geen archeologische resten te verachten zijn. Negatieve effecten worden uitgesloten.
4.9
Schaduwhinder en windhinder
Schaduwhinder In het plangebied wordt bebouwing mogelijk gemaakt van meer dan 30 meter hoog (maximaal 55 meter hoog), daarom is er een bezonningsstudie gedaan naar het effect op de bezonning in de omgeving. Omdat de nieuwbouw ten noorden van de bestaande bebouwing ligt, treedt er nauwelijks schaduwwerking op. Alleen in de zomer is er in de vroege ochtend enige schaduwwerking op de bebouwing aan de Noordzeelaan en vanaf circa 20.00 uur enige schaduwwerking op de bebouwing
30/35
aan de Hanzelaan. Er wordt ruimschoots voldaan aan de TNO‐norm. De openbare ruimte van het nieuw te bebouwen ge‐ bied heeft afwisselend schaduw en zon. Negatieve effecten worden uitgesloten. In de planregels van het bestemmingsplan is de mogelijkheid opgenomen om nadere eisen te stellen aan bouwplannen met een bouwhoogte van meer dan 25 meter ter voorkoming of beperking van schaduwwerking. In het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen dient een bezonningsstudie te worden overlegd die inzicht geeft in de mogelijke gevolgen van schaduwwerking en de eventueel daar‐ uit voortvloeiende maatregelen. Windhinder In het bestemmingplan wordt voorzien in hoogbouw (tot maximaal 55 meter). Hoogbouw kan windhinder veroorzaken in de omgeving. Om de effecten te kunnen bepalen is een windhinder onderzoek uitgevoerd14. Uit dit onderzoek blijkt het volgende: - In het plangebied is overwegend sprake is van een goed windklimaat voor de activiteit doorlopen, uitgezonderd een aantal aandachtsgebieden. - Aan de zuidwesthoek van het plangebied ligt een tweetal fietspaden in een gebied met een matig windklimaat voor doorlopen. Op de kruising met de Oostzeelaan is ook zeer lokaal sprake van beperkt risico op windgevaar. Het windklimaat op deze locatie zal aanzienlijk verbeteren wanneer meer omgevingsbebouwing wordt gerealiseerd.
- Aan de Hanzeweg is door de hogere torens in het plangebied lokaal sprake van een matig windklimaat. Bij de toren aan de oostzijde van het plangebied, bij de doorgang van het Lübeckplein naar de Hanzeweg, is een matig windkli‐ maat voor doorlopen te verwachten, en een beperkt risico op windgevaar. Dit zal voor een aanzienlijk deel worden veroorzaakt door de bestaande hoge bebouwing aan het Lübeckplein. - In het plangebied is overwegend sprake van een beoordeling goed voor de activiteit slenteren aan de gevels van de geplande bebouwing, uitgezonderd een aantal aandachtspunten. - Aan de Hanzeweg is lokaal sprake van een matig windklimaat voor de activiteit slenteren aan de gevel van de be‐ staande bebouwing. De hoofdentree van de bestaande bebouwing ligt in een colonnade, waardoor de entree meer in de luwte ligt. Zodoende zal bij de hoofdentree sprake zijn van een goed windklimaat. - In de doorgang tussen de Hanzeweg en het Lübeckplein bevindt zich ook een aantal entrees. Op deze locatie is sprake van een slecht windklimaat voor de activiteit slenteren. - Aan de westzijde van het plangebied, bij de geplande bebouwing tussen de Oostzeelaan en het spoor is op een aantal gevels sprake van een beoordeling matig voor slenteren. Deze gevels zijn op voorhand iets minder geschikt voor windgevoelige functies. Het windklimaat zal verbeteren door lokale windafschermende maatregelen.
In de planregels van het bestemmingsplan is voor gebouwen met een bouwhoogte van meer dan 25 meter de mogelijkheid opgenomen om nadere eisen te stellen aan de plaats, de hoogte en de wijze van bouwen voor zover dat noodzakelijk is om onaanvaardbare gevolgen voor het windcomfort in de verblijfsgebieden in de directe omgeving te voorkomen. voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw met een hoogte van 25 m of meer verleend kan worden, dient door de aanvrager een windhinderonderzoek te worden overgelegd. Dit onderzoek moet inzicht bieden in de mogelijke gevolgen van windhinder in de omgeving van het gebouw en de eventueel daaruit voortvloeiende te nemen maatregelen en/of aan te leggen voorzieningen.
4.10 Trillingen Er is een onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten trillingsniveau vanwege railverkeer op de beoogde woningbouw. Verspreid over het plangebied liggen potentiële woonlocaties ruim binnen het standaard aandachtsgebied van 100 m waar conform de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van het Ministerie van I & W van mei 2019 nader onderzoek naar trillinghinder wenselijk is.
14
Peutz, Spoorzone Zwolle; Windklimaatonderzoek met behulp van CFD, d.d. 7 september 2023.
31/35
In het onderzoek is getoetst aan de streefwaarden uit de Richtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen door trillin‐ gen, Meet‐ en beoordelingsrichtlijn” van de Stichting Bouwresearch (SBR) van augustus 2006. Ter plaatse van de potentiële woonlocaties aan de westzijde van het plangebied blijkt sprake te zijn van een beperkte overschrijding van de streefwaar‐ den. Maatregelen om de trillinghinder te voorkomen zijn noodzakelijk en worden in later stadium, bij constructieontwerp, gedimensioneerd. Op grond van het onderzoek wordt geconcludeerd dat het plan realiseerbaar is op een manier waarbij een trilling technisch acceptabel woonklimaat kan worden gewaarborgd. In de planregels van het bestemmingsplan zijn voorwaarden verbonden aan het bouwen van woningen in de zone langs het spoor. Met een voorwaardelijke verplichting is vastgelegd dat in principe dient te worden voldaan aan de streefwaarden voor nieuwe woningen zoals bedoeld in de voorgenoemde Richtlijn. Onder voorwaarden kan hiervan worden afgeweken voor zover het de maximale trillingssterkte Vmax betreft (waarbij de streefwaarden voor 'Wonen in bestaande situatie', niet mogen worden overschreden).
4.11 Gezondheid Een groot aantal van de omgevingsaspecten in dit hoofdstuk hebben een gezondheidscomponent. Uit de voorgaande paragrafen wordt ook duidelijk dat binnen het plangebied sprake is van een relatief hoge milieubelasting. Om te komen tot een situatie die vanuit gezondheidsoogpunt aanvaardbaar is zijn maatregelen noodzakelijk. Daarbij gaat het in het bijzonder om: ● Gebouw‐ en woninggebonden akoestische maatregelen waarmee zoveel mogelijk woningen beschikken over een geluidluwe gevel. ● Voor de bebouwing aan de westzijde van het plangebied dienen maatregelen getroffen te worden op trillinghinder te voorkomen. Deze maatregelen zijn onderdeel van de bouwkundige uitwerking van het ontwerp van de gebouwen. ● Uitgangspunt is dat minimaal 30% van het totale grondoppervlak groen wordt ingericht. Groen in de directe omgeving leidt tot positieve gezondheidseffecten. Een groene omgeving stimuleert lopen en fietsen, zet aan tot sporten, spelen en bewegen in de buitenlucht, zorgt voor ontspanning en bevordert sociale cohesie en ontmoetingen. ● Maatregelen vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor. De maatregelen die volgen uit de verant‐ woording van het groepsrisico en het advies van de veiligheidsregio worden meegenomen bij de verdere uitwerking van het ontwerp van de gebouwen en de openbare ruimte.
● Op gebouwniveau kunnen lokaal maatregelen nodig zijn met het oog op het windklimaat in de directe omgeving van het gebouw. ● Het plangebied wordt volledig ingericht op een duurzaam en gezond mobiliteitsconcept waarbij het verminderen van autobezit centraal staat. Het stimuleren van lopen en fietsen leidt tot positieve gezondheidseffecten. Verder is vanuit gezondheidsoogpunt van belang dat er binnen het plangebied een ondergrondse hoogspanningsverbinding (110 kV) is gelegen. Het landelijke voorzorgbeleid in verband met magneetvelden in de omgeving van het electriciteitsnet‐ werk leidt niet tot harde ruimtelijke beperkingen in de omgeving van ondergrondse hoogspanningsverbindingen. In weten‐ schappelijk onderzoek zijn aanwijzingen gevonden dat kinderen die dichtbij bovengrondse hoogspanningslijnen wonen, mogelijk een hoger risico op leukemie hebben. Het gaat om kinderen die wonen op plaatsen waar het magneetveld van een hoogspanningslijn gemiddeld over een jaar sterker is dan ongeveer 0,4 microtesla. In Nederland zou het gaan om onge‐ veer één leukemiegeval per twee jaar dat toe te schrijven zou kunnen zijn aan het wonen in de buurt van hoogspanningslij‐ nen. Er is niet wetenschappelijk vastgesteld dat de gevallen van leukemie daadwerkelijk wordt veroorzaakt door het mag‐ neetveld.
De Rijksoverheid hanteert sinds 2005 de advieslijn om, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waar het magneetveld gemiddeld over een jaar hoger is dan 0,4 microtesla. Reden dat de advieslijn alleen ziet op boven‐ grondse hoogspanningslijnen is dat er uit het huidige wetenschappelijke onderzoek geen samenhang blijkt tussen kinder‐ leukemie en het wonen bij ondergrondse hoogspanningslijnen (waar nog maar weinig onderzoek naar gedaan is). Binnen het plangebied wordt geen ruimte geboden voor basisscholen en kinderdagverblijven. Wel zijn woningen mogelijk op korte afstand van de ondergrondse hoogspanningsverbinding. Met de netbeheerder (Tennet) vindt afstemming plaats over het
32/35
bouwen boven en direct grenzend aan de ondergrondse hoogspanningsverbinding en de daarmee samenhangende rand‐ voorwaarden.
4.12 Bouwwerkzaamheden Ook tijdens de bouwfase kunnen milieueffecten optreden door het in te zetten materieel en de verkeersgeneratie. In para‐ graaf 4.4 is ingegaan op de mogelijk effecten van de bouwwerkzaamheden op de stikstofdepositie binnen Natura 2000‐ gebieden. De uitgangspunten voor de bouwfase zijn op dit moment nog niet bekend. In deze paragraaf wordt op hoofdlij‐ nen ingegaan op de overige effecten gedurende de bouwfase. Verkeershinder Het bouwverkeer tijdens de realisatiefase zal via de N337 en Hanzeallee naar het plangebied rijden. Het aantal bestaande woningen in het gebied is beperkt. Langs de mogelijke rijroutes zijn voornamelijk kantoren en voorzieningen aanwezig. De rijroutes zullen zodanig worden gekozen dat het bouwverkeer op het terrein zo min mogelijk hinder oplevert voor de be‐ woners en gebruikers in de omgeving. Geluidhinder en trillinghinder aanlegfase De sloop‐, bouw‐ en aanlegactiviteiten produceren geluid. Het plangebied betreft een geluidbelaste locatie. De bijdrage van het bouwlawaai aan de geluidbelasting ter plaatse van de woningen in de omgeving zal gezien de aanwezige tussenge‐ legen kantoren en de over het algemene ruime afstanden beperkt zijn. Verder is van belang dat zal moeten worden vol‐ daan aan de eisen uit het Bouwbesluit.
Waar nodig zullen geluidbeperkende maatregelen moeten worden getroffen om onaanvaardbare akoestische situaties te voorkomen. Dit zal bij het bepalen van de concrete uitgangspunten voor de aan‐ legfase verder worden uitgewerkt. Dat geldt ook voor de mogelijke trillinghinder ter plaatse van bestaande en nieuwe wo‐ ningen door de werkzaamheden binnen het plangebied. Gelet op de tijdelijkheid van de aanlegwerkzaamheden kunnen belangrijke negatieve milieueffecten uitgesloten worden.
33/35
5. CONCLUSIE Uit de informatie in deze notitie blijkt dat de kenmerken en de plaats van het project geen aanleiding vormen voor het doorlopen van een m.e.r.‐procedure. Het stedelijk ontwikkelingsproject leidt niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen mits rekening wordt gehouden met de maatregelen zoals die zijn beschreven in hoofdstuk 4 van deze notitie. Met inacht‐ neming van deze maatregelen is het doorlopen van een volledige m.e.r.‐procedure niet noodzakelijk. Waar relevant zijn deze maatregelen geborgd in het bestemmingsplan dat wordt voorbereid.
34/35
35/35