Bijlage 30 - Water
Tekst van het document
RAPPORT
Watertoets spoorzone Zwolle
Analyse van de effecten op water
Versie: 4.0 Status: Vrijgegeven Datum: 19-09-2023 Kenmerk: D81-JBR-HS-RAP22007072
Autorisatieblad Watertoets spoorzone Zwolle Analyse van de effecten op water
Naam Opgesteld door Gecontroleerd door Vrijgegeven door
Akkoord
Broek, J.M. ten Cornelissen, J.P. Cornelissen, J.P.
Datum 19-09-2023 19-09-2023 19-09-2023
Versie historie Versie Naam
Datum
Korte toelichting
1.0 2.0
Broek, J.M. ten Broek, J.M. ten
21-10-2022 11-11-2022
3.0
Broek, J.M. ten
07-06-2023
4.0
Broek, J.M. ten
19-09-2023
Watertoets versie 1.0 Spoorzone Zwolle. Watertoets versie 2.0 Spoorzone Zwolle, opmerkingen PartnersRO verwerkt. Watertoets versie 3.0 Spoorzone Zwolle, Toevoeging van WKO en onderbouwing grootschalige risicovolle functie in intrekgebied. Watertoets versie 4.0 Spoorzone Zwolle, Aanvullingen van de onderbouwing grootschalige risicovolle functie in intrekgebied.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
Inhoudsopgave 1
2
3
Inleiding
1
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Aanleiding Doel Wettelijk kader Proces Leeswijzer
1 1 2 2 3
Situatiebeschrijving
4
2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie 2.3 Uitgangspunten
4 4 5
Analyse effecten op water
6
3.1 3.2 3.3 3.4
Maaiveldhoogte Waterhuishouding bestaand systeem Bodemopbouw en geohydrologie Grondwater
6 6 8 8
3.4.1 Onttrekken van grondwater 3.4.2 Grondwateroverlast 3.4.3 WKO-systeem 3.4.4 Grondwaterbeschermingsgebied 3.4.5 Intrekgebied drinkwater
9 9 10 11 12
3.5 Grootschalige risico-activiteiten in intrekgebieden 3.5.1 Stap 1: Inventarisatie nieuwe / toekomstige activiteiten 3.5.2 Stap 2: Functiegroepen en risico´s 3.5.3 Stap 3: Toetsing aan randvoorwaarden 3.5.4 Stap 4: Detaillering 3.5.5 Stap 5: Categorie-indeling 3.5.6 Stap 6: Kwalitatieve uitwerking 3.5.7 Samenvatting en advies 3.6 Waterhuishouding verhard oppervlak 3.6.1 Uitvoeringsregels Keur 3.6.2 Verhard oppervlak 3.6.3 Compensatie nieuwbouw uitbreidingslocaties
4
15 15 15 16 17 19 20 21 21 21 22
3.7 Waterkwaliteit 3.8 Riolering
22 22
Klimaatadaptatie
24
4.1.1 Wateroverlast 4.1.2 Hitte 4.1.3 Droogte 4.1.4 Overstromingsrisico 4.1.5 Maatregelen
5
14
Conclusies en advies
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
24 25 25 26 26
28
Colofon
30
Bijlage 1 Uitgangspuntennotitie waterschap
31
Bijlage 2 Uitgangspunten helofytenfilter
32
Bijlage 3 Programma van eisen energievoorziening
33
Bijlage 4 Effecten bodemenergiesysteem spoorzone Zwolle
34
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
1
Inleiding
Voor een project in het plangebied Spoorzone Zwolle heeft Movares Nederland B.V., hierna Movares genoemd, in opdracht van NS Stations een watertoets opgesteld. Het plangebied betreft de deelgebieden Lurelui, Werkplaatsen en District Z van de Spoorzone Zwolle.
1.1
Aanleiding
Aanleiding voor het opstellen van de watertoets is de toekomstige herontwikkeling van de deelgebieden Lurelui, Werkplaatsen en District Z van de Spoorzone. De verschillende percelen zijn in eigendom van NS stations. Het gebied zal getransformeerd worden van een bedrijvenlocatie naar een gemengd gebied met wonen, werken, onderwijs en voorzieningen. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Het plangebied maakt onderdeel uit van een groter herontwikkelingsgebied, zijnde een klimaat adaptieve groeiregio. De regio wordt dan ontwikkeld tot de delta van de toekomst. Een delta waarin stedelijk gebied, het water en platteland met elkaar verweven zijn, klimaatbestendigheid heeft hierin een centrale plaats.
Figuur 1: Ligging van het plangebied Spoorzone Zwolle.
1.2
Doel
Bij ruimtelijke (her)ontwikkelingen is het van belang om de waterhuishoudkundige aspecten van het begin af aan mee te nemen in de planvorming. Om dat te waarborgen is een watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is om een goede en evenwichtige afstemming tussen de waterbeheerder en de ruimtelijke plannen te bewerkstelligen en dient tevens als invulling voor het thema water in de ruimtelijke paragraaf.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
1/34
Middels een watertoets wordt bepaald of het ontwerp negatieve effecten heeft op de waterhuishouding en zo ja, in welke mate er compenserende dan wel alternatieve maatregelen kunnen worden getroffen. Effecten worden voornamelijk kwalitatief beoordeeld, met uitzondering van de toename van het verhard oppervlak. In een volgende fase worden mitigerende en compenserende maatregelen uitgewerkt. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze watertoets geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Wanneer een bronnering nodig is voor de bouwwerkzaamheden of bij ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (aanpassing van waterhuishouding of lozing / infiltratie of werkzaamheden in de buurt van een watergang), moeten in het kader van de Waterwet vergunningen/meldingen aangevraagd worden middels het Omgevingsloket.
1.3
Wettelijk kader
In het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening is het voor ruimtelijke ontwikkelingen sinds 1 november 2003 wettelijk verplicht een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit te (laten) voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening: de Keur. Onderdeel van de Keur is de Legger. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen.
Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in of nabij waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet bij het niet voldoen aan de Algemene Regels een vergunning aanvragen. De meeste werkzaamheden zijn minimaal meldingsplichtig. Voor het dempen, verleggen of graven van wateren (ook die niet in beheer zijn bij het waterschap) dient altijd een Watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Drents Overijsselse Delta. Voor het dempen van watergangen (of greppels dieper dan 40 cm) dient gecompenseerd te worden. Vooroverleg voor het aanvragen van een vergunning wordt geadviseerd. Het waterschap neemt nieuwe primaire A-watergangen in beheer en onderhoud, nadat is vastgesteld of deze nieuwe watergangen voldoen aan de daarvoor geldende criteria. Het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Beleidsnotitie stedelijk waterbeheer Water Raakt! (2015). Een deel van het plangebied ligt in het intrekgebied van de openbare drinkwaterwinning Engelse Werk in Zwolle en grenst aan het grondwaterbeschermingsgebied. Het provinciale grondwaterbeschermingsbeleid voor de drinkwaterwinning staat beschreven in de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel.
1.4
Proces
Op 12 oktober 2022 is door Waterschap Drents Overijsselse Delta een Uitgangspuntennotitie geleverd, deze is verwerkt in de watertoets. In de notitie staat bruikbare informatie van de waterhuishouding in en rond het plangebied. Deze notitie is opgenomen in bijlage 1.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
2/34
Op 20 juli 2023 heeft een overleg plaatsgevonden met de Provincie Overijssel over de invulling van grootschalige risico-activiteiten binnen het intrekgebied. De gemaakte afspraken zijn vastgelegd en voor zoveel mogelijk verwerkt in deze watertoets.
1.5
Leeswijzer
In het volgende hoofdstuk (2) staat het ontwerp toegelicht. Aanvullend staan uitgangspunten vermeld van waaruit de watertoets is opgesteld. In hoofdstuk 3 is per thema het ontwerp getoetst. In hoofdstuk 4 wordt uitgebreider ingegaan op klimaatadaptatie. Tenslotte is in de conclusie (hoofdstuk 5) het eindoordeel en advies gegeven.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
3/34
2
Situatiebeschrijving
2.1
Huidige situatie
De Spoorzone is momenteel in gebruik als een kantoren- en industrielocatie. In het plangebied bevindt zich o.a. een Q-park P+R Zwolle en diverse bedrijven (o.a. Van Halteren, TechniekFabriek, Quantiparts). In onderstaande figuur is een impressie zichtbaar van de huidige inrichting. Over het algemeen is de Spoorzone sterk verhard en is weinig groen aanwezig. De wegen bestaan hoofdzakelijk uit asfaltverharding en/of klinkers, het trottoir bestaat uit tegels. Het geheel is functioneel ingericht.
Figuur 2: Impressie van het plangebied Spoorzone Zwolle (bron gemeente Zwolle).
De Spoorzone bestaat uit verschillende deelgebieden en is bijna volledig in eigendom van NS. Het plangebied betreft de deelgebieden District Z, Werkplaatsen en Lurelui (respectievelijk 1, 2 en 3 in figuur 3).
2.2
Toekomstige situatie
Binnen het plangebied zijn ontwikkelingen in voorbereiding waarbij de Spoorzone wordt verbonden met de oude binnenstad. Het gebied wordt ontwikkeld tot een innovatiedistrict. De Wartsila-hallen krijgen een nieuwe functie als experimenteerplek voor de maakindustrie. Er komen o.a. nieuwe woningen in de Spoorzone. Dit is mogelijk door nieuwbouw in combinatie met transformatie van bestaande kantoorpanden. De parkeerplaats aan de zuidkant van de Wartsila-hallen verdwijnt, tussen de nieuwbouw is meer ruimte voor een groene invulling. Om dit plan te verwezenlijken is een aanpassing van het bestemmingsplan nodig. Tegelijkertijd moet de Spoorzone klimaatbestendig worden (voor hittestress en wateroverlast). Het bestemmingsplan Spoorzone is te zien in figuur 4.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
4/34
Figuur 3: Delen van de Spoorzone Zwolle: District Z (1), Werkplaatsen (2) en Lurelui (3) (bron: gemeente Zwolle).
Figuur 4: Bestemmingsplan Spoorzone District Z, Werkplaatsen en Lurelui, d.d. 27 oktober 2022.
2.3
Uitgangspunten
Voor het opstellen van deze watertoets zijn de volgende uitgangspunten / documenten gehanteerd: Concept verbeelding bestemmingsplan Spoorzone District Z, Werkplaatsen en Lurelui, d.d. 27-10-2022. Uitgangspuntennotitie opgesteld door waterschap Drenst Overijsselse Delta d.d. 12-10-2022. Nota van uitgangspunten voor de NS-delen van de Spoorzone (DistrictZ, Werkplaatsen en Lurelui), opgesteld door Urban Xchange BGSV, d.d. 28 oktober 2021. Memo inpassing helofytenfilter in Spoorzone ontwikkeling, d.d. 22 maart 2021. Spoorzone Zwolle Ontwikkelkader d.d. juni 2020. D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
5/34
3
Analyse effecten op water
In dit hoofdstuk wordt de analyse van de gevolgen voor water uitgewerkt, deze bestaat uit de volgende onderwerpen (klimaatadaptatie wordt separaat beschreven in hoofdstuk 4): Maaiveldhoogte Waterhuishouding bestaand systeem Bodemopbouw en geohydrologie Grondwater Waterhuishouding toename verhard oppervlak Waterkwaliteit Riolering
3.1
Maaiveldhoogte
Aan de hand van de Algemene Hoogtekaart Nederland (AHN 3) is een inschatting gemaakt van de hoogte van het maaiveld. Het maaiveld ter plaatse van het plangebied bevindt zich tussen de circa 1,25 en 2,5 m+NAP. De zuidwestkant van het plangebied is relatief het laagst gelegen. Figuur 5 geeft een indicatie van het verschil in maaiveldhoogte op en nabij de onderzoekslocatie. Het hoogteverschil wordt aangegeven van laag naar hoog in respectievelijk de kleuren van blauw, groen, naar geel/oranje.
Figuur 5: Algemene Hoogtekaart Nederland met in rood het plangebied.
3.2
Waterhuishouding bestaand systeem
Het plangebied is gelegen in het stroomgebied Zandwetering. Op basis van de legger bevindt zich direct grenzend aan het plangebied een primaire A-watergang (betreft de codes WV 11, WV 11.4, WV 11.6. WV 11.8 en WV 11.12) die in het beheer is van waterschap Drents Overijsselse Delta. Op de locatie zelf bevinden zich geen watergangen. De watergangen hebben een ontwaterende functie. Het plangebied is gesitueerd in een peilgebied met een maximumpeil van -0,2 m NAP en dit peil is de instelhoogte van het kunstwerk (gelegen buiten het plangebied). Lokaal kunnen verschillen optreden in het peil, afhankelijk van de afstand tot de instelhoogte.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
6/34
Figuur 6: Legger van het oppervlaktewater (blauw is een primaire A-watergang).
Binnen het plangebied ligt een beschermingszone van een primaire A-watergang van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Bij een primaire watergang geldt dat de beschermingszone de breedte heeft van 5 meter uit de insteek. De functie van deze watergang(en) moet te allen tijde worden gegarandeerd. Hiertoe dient de beschermingszone van deze watergangen zoals in de Keur beschreven. Met betrekking tot deze watergangen gelden de binnen de Keur opgenomen gebods- en verbodsbepalingen. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszone moet een Watervergunning worden aangevraagd bij het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Er is niet de verwachting dat een bestaande watergang wordt gedempt of een nieuw watergang wordt gegraven. In het nu geldende bestemmingsplan van de Spoorzone is voor de enkelbestemming geen raakvlak met water. Bij de dubbelbestemming is een raakvlak met een grondwaterbeschermingsgebied (intrekgebied drinkwater), dit is nader toegelicht in paragraaf 3.4.3 en 3.4.4. Helofytenfilter Oostzeelaan In de nabijheid van de Oostzeelaan in Zwolle (binnen het plangebied) vindt een onttrekking plaats van grondwater dat verontreinigd is met vinylchloride (VC). Dit gebeurt om de drinkwaterwinning het Engelse Werk (gelegen ten zuiden van het plangebied) ook voor de langere termijn te beschermen tegen een grondwaterverontreiniging afkomstig uit het stedelijk gebied.
In bijlage 2 is een memo opgenomen waarin een nadere toelichting is gegeven. In 2011 is binnen het plangebied een systeem geïnstalleerd met o.a. een deepwell, beluchtingsbassin, bezinkbassin, helofytenfilter, infiltratiesloot en overloop naar riool. Verplaatsing van het helofytenfilter is (hoogstwaarschijnlijk) noodzakelijk, hierbij moet aan de functionaliteit van de zuiverende werking (kwantitatief en kwaliteit) voldaan worden (verplichting in bestemmingsplan). Bij de toekomstige herinrichting dient afstemming plaats te vinden met de gemeente Zwolle en Vitens over de verplaatsing van dit systeem.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
7/34
3.3
Bodemopbouw en geohydrologie
Om inzicht te krijgen in de bodemopbouw is gebruik gemaakt van het ondergrondmodel REGIS II v2.2 van Dinoloket en verschillende grondwaterkaarten van Nederland. Hieruit blijkt dat bodemopbouw bestaat uit verschillende geohydrologische eenheden. In tabel 1 is de globale regionale geohydrologische bodemopbouw schematisch weergegeven. Tabel 1: Geohydrologische bodemopbouw Diepte Geohydrologische (t.o.v. mv) eenheid
Formatie
Grondsoort
0 – 2,5
Antropogeen
n.v.t.
Divers
2,5 – 3,5
Complexe eenheid
Holocene afzetting
Afwisseling zand, klei en veen
3,5 – 6,0
Watervoerend pakket
Formatie van Boxtel
Midden en fijn zand
6,0 – 28
Watervoerend pakket
Formatie van Kreftenheye
Midden en grof zand
>28
Complexe eenheid
Gestuwde afzetting
Afwisseling zand, klei en veen
3.4
Grondwater
Via Grondwatertools is inzicht verkregen in de grondwaterstanden op en rondom het plangebied. Er zijn meerdere langjarige tijdreeksen beschikbaar van peilbuizen. Hieronder worden van de meest relevante peilbuizen de tijdreeksen weergegeven. De gemiddelde grondwaterstand bevindt zich op circa op 1,7 m-mv (zie figuren 7 en 8). Op basis van de grafieken wordt de gemiddeld hoogste grondwaterstand verwacht op circa 1,0 – 1,25 m-mv. Dit betekent dat er in combinatie met de aanwezige grondsoort voldoende bergingscapaciteit beschikbaar is in de bodem. De grondwaterstroming in het eerste watervoerend pakket is overwegend in de richting van het noorden/noordoosten. De stromingsrichting van het freatisch grondwater kan beïnvloed worden door lokale omstandigheden zoals waterlopen, drainagesystemen en dergelijke.
Figuur 7: Tijdreeks van peilbuis B21G0488. Bruine kleur betreft het maaiveld.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
8/34
Figuur 8: Tijdreeks van peilbuis B21G0054. Bruine kleur betreft het maaiveld.
3.4.1 Onttrekken van grondwater Op grond van Waterwet en Omgevingsverordening Overijssel geldt een verbod voor het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem, omdat dit in het beginsel niet wenselijk is voor het in stand houden van het grondwatersysteem. Onder voorwaarden kan hiervan worden afgeweken, hiervoor is dan een melding of vergunning benodigd. In nieuw te ontwikkelen gebied worden de waterstanden binnen het in te richten gebied tijdens of na het bouwrijp maken niet structureel verlaagd. Afhankelijk van het bouwpeil en de eventuele aanleg van een ondergrondse constructie (zoals een parkeerkelder, tunnel, riolering etc.) is waarschijnlijk een bemaling nodig. Voor een tijdelijke grondwateronttrekking is op grond van de Waterwet een melding of vergunning van het waterschap nodig. 3.4.2 Grondwateroverlast Uit de uitgevoerde stresstesten door de gemeente Zwolle blijkt dat het gebied van de Spoorzone niet extra kwetsbaar is voor grondwateroverlast (vanwege een te hoog peil). Tevens is op basis van de tijdreeksen van de grondwaterstanden niet de verwachting dat het grondwater (GHG) op of direct onder het maaiveld is te verwachten. Voor de aanleghoogte van gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een aanleghoogte van de vloer geadviseerd van minimaal 80 cm ten opzichte van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG).
Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 cm boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. Constructie beneden maaiveld Indien een constructie onder de grondwaterstand wordt aangelegd dan bestaat de kans op blokkering van de grondwaterstroming met als gevolg een permanente beïnvloeding van de grondwaterstand. Deze kans is aanwezig indien een constructie haaks is gepositioneerd op de stromingsrichting van het grondwater. Het risico is afhankelijk van de mate van blokkering van het watervoerende pakket: indien het pakket voor een groot deel wordt afgesloten dient het grondwater in horizontale richting om de constructie heen te stromen. Dit heeft tot gevolg dat er bovenstrooms een opstuwing optreedt en benedenstrooms een verlaging van de grondwaterstand. Hoe meer de constructie de grondwaterstroming belemmert (zowel tijdens de aanleg als tijdens de permanente fase), hoe groter de effecten zullen zijn.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
9/34
Ter plaatse bedraagt de dikte van het (goed doorlatend) watervoerend pakket circa 100 m. Het pakket wordt over maximaal 5 m afgesloten. Dit is 5% van de totale dikte van het pakket. Indien onder de constructie goed doorlatende zandlagen met voldoende dikte aanwezig blijven, dan kan het grondwater onder de constructie door stromen. Uit studies bij vergelijkbare projecten is bekend dat negatieve effecten pas merkbaar zijn indien het pakket voor minimaal de helft wordt afgesloten. Dat is hier niet het geval. Daarom worden geen negatieve effecten verwacht. Koggetunnel en nieuwe realisatie fietsentunnel De Koggetunnel is momenteel in gebruik als fietstunnel, in de toekomst wordt het een autotunnel. Daarnaast ligt het plan om een nieuwe fietsentunnel te realiseren onder het spoor aan de noordkant van het plangebied. Een onderdoorgang kan worden voorzien van een waterkelder waarin water in eerste instantie wordt gebufferd en een pompkelder van waaruit het water vervolgens naar het oppervlaktewater wordt gepompt. Wel zal eerst de first-flush (met daarin mogelijk verontreinigingen) moeten worden leeggepompt. Daarnaast dienen kolken gerealiseerd te worden die onderdeel uitmaken van het afwateringssysteem. Om dit technisch nader uit te werken zal een adviesnota / rapportage moeten worden opgesteld ten behoeve van de riolering en afwatering van de aangepaste en nieuwe onderdoorgang.
Toekomstige flexibeler peilbeheer Voorheen werkte het waterschap met een vast zomer- en winterpeil. Klimaatverandering en technische vooruitgang maken het noodzakelijk en mogelijk om met flexibel waterpeilbeheer te werken. Dit betekent dat zoveel mogelijk wordt gewerkt met een minimum- en maximumpeil. Bij de ontwikkeling binnen Spoorzone Zwolle dient hier rekening mee te worden gehouden. Er zijn nog geen kwantitatieve gegevens bekend, dus in welke mate het freatisch grondwater wordt beïnvloed is nog onbekend. Deelgebieden District Z en Werkplaatsen In beide deelgebieden binnen het plangebied wordt geen grondwateroverlast verwacht, tevens zijn geen natte gebieden aanwezig. Het hemelwater kan infiltreren in de bestaande bodem, er zijn voldoende bergingsmogelijkheden rekening houdend met de gemiddeld hoogste grondwaterstand. Voor deelgebied Lurelui is de situatie anders, in onderstaande paragrafen wordt dit nader toegelicht. 3.4.3 WKO-systeem De provincie Overijssel is de bevoegde overheid voor grote (open) bodemenergiesystemen in de ondergrond. De gemeente Zwolle is de bevoegde overheid voor kleinere (gesloten) bodemenergiesystemen. De gemeente Zwolle heeft per 30 november 2021 een verordening interferentiegebieden bodemenergiesystemen vastgesteld.
Royal Haskoning DHV heeft in opdracht van de gemeente Zwolle een studie uitgevoerd met als titel Verdieping haalbaarheid wko Bronnet. Daarmee wordt de technische en financiële haalbaarheid van een collectief wko-systeem in Spoorzone Zwolle onderzocht. Door Royal Haskoning is specifiek gekeken naar de nieuwbouw voor Spoorzone Zwolle en is geconcludeerd dat er per deelgebied een zelfstandig te realiseren collectief wko-systeem mogelijk is. Daarbij is niet gekeken naar de bestaande bouw van de NS.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
10/34
Uit de haalbaarheidsstudie is op hoofdlijnen geconstateerd dat een wko met bronnet mogelijk is voor de nieuwbouw. Er zijn wel aanvullende maatregelen nodig om dit energiesysteem thermisch in balans te brengen, omdat de warmtevraag groter is dan de koudevraag. Daar zijn verschillende methodes voor. Bijvoorbeeld het benutten van het warmtenet van Ennatuurlijk, de inzet van lucht/waterwarmtepompen, de levering van koude aan bestaande kantoren, toepassen van aquathermie of droge koelers. Royal Haskoning DHV raadt aan om een bodemenergieplan op te stellen waarin de randvoorwaarden voor wko-bronnen worden vastgelegd. Bodemenergie in een dichtbebouwde omgeving vraagt om regulering om optimaal gebruik van de ondergrond te waarborgen. Anders ontstaat het risico dat wkobronnen elkaar nadelig gaan beïnvloeden en/of er onvoldoende bodemenergie beschikbaar is voor alle gebouwen. De gemeente Zwolle is verantwoordelijk voor het (laten) opstellen van een bodemenergieplan. Het bodemenergieplan is naar verwachting in het voorjaar 2023 gereed. In aanvulling op het onderzoek geeft Royal Haskoning DHV aan dat er voldoende bodemcapaciteit en ruimte in de ondergrond is van de deelgebieden Werkplaatsen, District-Z en Lurelui om ook bestaande gebouwen van de NS aan te laten sluiten op het bronnet.
Bestaande bebouwing De visie van NS is een aardgasvrije warmte-/koudevoorziening voor de bestaande gebouwen. Aardgasvrij betekent vrijwel altijd een investering aan de voorzijde. Doorgaans met lange terugverdientijden. Daar past dus ook een langetermijnstrategie bij. Deze strategie start met het in kaart brengen van huidige gebouw- en installatietechnische kenmerken en onderzoeken van verduurzamingsmogelijkheden. Vervolgens kan een keuze gemaakt worden voor een energieconcept en plan van aanpak om tot de aardgasvrije warmte/koudevoorziening van de bestaande gebouwen te komen. De aansluiting op het beoogde wko-bronnet voor het ontwikkelgebied Spoorzone Zwolle voor de bestaande gebouwen van de NS is op dit moment nog niet mogelijk als dat in combinatie is met laagtemperatuurverwarming (40 tot 45°C). Dat komt omdat de gebouwen ingericht zijn op hoogtemperatuurverwarming (70 tot 90°C). Om de gebouwen geschikt te maken voor laagtemperatuurverwarming, is extra isolatie van de schil en aanpassing van het afgiftesysteem nodig. De toepassing van hoogtemperatuurwarmtepompen of een aansluiting op het warmtenet van Ennatuurlijk lijken voor de korte termijn mogelijke alternatieven voor de verduurzaming van de warmte-/koudevoorziening. Ennatuurlijk heeft plannen om in 2028 gebruik te gaan maken van aardwarmte.
Parallel kunnen in de komende jaren de gebouwen verder verduurzaamd worden en op termijn alsnog worden aangesloten op het toekomstige wko-bronnet. Het toekomstige wko-bronnet dient daarop voorbereid te zijn. In het programma van eisen energievoorziening Spoorkwartier Zwolle staat een nadere uitwerking, zie hiervoor bijlage 3. 3.4.4 Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Aan de zuidwestkant is er een minimale overlap met het grondwaterbeschermingsgebied. Het grondwaterbeschermingsgebied bevindt zich aan de zuidwestkant van het plangebied (weergegeven in figuur 9).
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
11/34
Figuur 9: Ligging grondwaterbeschermingsgebied (in blauwe arcering) nabij plangebied.
3.4.5 Intrekgebied drinkwater Het plangebied ligt wel (deels) in een intrekgebied van een drinkwaterwinning (figuur 10). De provincie Overijssel is bevoegd gezag om deze gebieden te beschermen. In deze gebieden is het beleid gericht op het verminderen van de risico's op verontreiniging van het grondwater. Drinkwatervriendelijke functies worden gestimuleerd en aan de overige functies worden specifieke voorwaarden gesteld. Het provinciale grondwaterbeschermingsbeleid voor de drinkwaterwinning is terug te vinden in de Omgevingsverordening van de provincie.
Figuur 10: Ligging intrekgebied drinkwater (in grijze arcering) binnen het plangebied.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
12/34
Uit de quickscan Spoorzone Zwolle opgesteld door Movares blijkt dat de Omgevingsverordening Overijssel nieuwe functies binnen het intrekgebied mogelijk maakt onder bepaalde voorwaarden. Daarbij moet onder ‘nieuw’ worden verstaan: anders dan de vigerende bestemmingen binnen het te ontwikkelen gebied (verkeer en verkeer voor bedrijven, industrie en kantoren). Een van de voorwaarden is dat de waterhuishouding niet mag verslechteren, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin. Voor grondwaterbeschermingsgebieden geldt op grond van de Omgevingsverordening het stand still-beginsel. De volgende artikelen uit de Omgevingsverordening zijn o.a. van toepassing op intrekgebieden: Artikel 2.13.3 Grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden Bestemmingsplannen voorzien in een aanduiding voor grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden waarbij alleen functies worden toegestaan die harmoniëren met de functie voor de drinkwatervoorziening. Artikel 2.13.5 Niet-risicovolle functies en grote risicovolle functies in intrekgebieden In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 Grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden kunnen in intrekgebieden ook nieuwe niet-risicovolle en grote risicovolle functies worden toegestaan, mits daarbij wordt voldaan aan het stand still-principe.
Artikel 2.13.6 Grote of grootschalige risicovolle functies In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in artikel 2.13.4 en artikel 2.13.5, kunnen nieuwe grote of grootschalige risicovolle functies in grondwaterbeschermingsgebieden en nieuwe grootschalige risicovolle functies in intrekgebieden alleen worden toegestaan als dit noodzakelijk is vanuit een zwaarwegend maatschappelijk belang, waarvoor redelijke alternatieven ontbreken en mits voldaan wordt aan het stap vooruit-principe. Bescherming RO-spoor De grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden krijgen in deze titel hun bescherming in de RO-regelgeving. Het beschermingsregime voor intrekgebieden is in grote lijnen vergelijkbaar met dat van grondwaterbeschermingsgebieden. De intrekgebieden liggen echter op een grotere afstand van de winputten en zijn daarom minder kwetsbaar. Daarom is het voor intrekgebieden aanvaardbaar dat er minder zware eisen worden gesteld aan nieuwe ontwikkelingen. Waar in grondwaterbeschermingsgebieden alleen niet-risicovolle functies worden toegestaan die voldoen aan het stand still-principe, geldt dat in intrekgebieden naast niet-risicovolle ook grote risicovolle functies worden toegestaan die aan dit principe voldoen.
In grondwaterbeschermingsgebieden geldt voor grote en grootschalige activiteiten de eisen van zwaarwegend maatschappelijk belang, ontbreken van alternatieven en stap-vooruit. In intrekgebieden worden deze voorwaarden alleen gesteld bij grootschalige activiteiten. In figuur 11 zijn de verschillende beschermingszones in de regio weergegeven.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
13/34
Figuur 11: Beschermingszones. Bron: Witteveen en Bos.
3.5
Grootschalige risico-activiteiten in intrekgebieden
Op basis van de beschikbare informatie is sprake van een grootschalige risicovolle functie als bedoeld in de verordening en dit betekent dat moet worden voldaan aan de eisen in artikel 2.13.6 van de verordening: zwaarwegend maatschappelijk belang, ontbreken redelijke alternatieven en voldoen aan stap-vooruit-principe. Voor het bestemmingsplan Spoorzone – District Z, Werkplaatsen en Lurelui is een conceptvoorontwerp beschikbaar met daarin alle regels voor de verschillende bestemmingen. Hiervoor is de methodiek “Gebiedsgerichte Grondwaterbescherming” toegepast. Deze methodiek bestaat uit het doorlopen van de volgende stappen: 1. Inventarisatie van de nieuwe activiteiten 2. Functiegroepen en risico´s 3. Toetsing aan randvoorwaarden 4. Detaillering 5. Categorie-indeling 6. Uitwerking 7. Beoordeling 8. Besluitvorming
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
14/34
3.5.1 Stap 1: Inventarisatie nieuwe / toekomstige activiteiten De huidige kantoren- en industrielocatie wordt ontwikkeld tot een innovatiedistrict. De Wartsilahallen krijgen een nieuwe functie als experimenteerplek voor de maakindustrie. Verder komen er nieuwe woningen, de woningbouw komt in nieuwbouw. In tabel 2 is van alle (toekomstige) functies de oppervlakte omschreven. Het deelgebied Lurelui bevindt zich grotendeels binnen de grens van het intrekgebied. In dit deelgebied is een grote hoeveelheid woningen met daarbij voorzieningen gepland. Tabel 2: Toekomstige functies deelgebieden Functie Oppervlakte (in m2) Deelgebied Lurelui Wonen 29.407 (350 woningen) Werken Voorzieningen Deelgebied Werkplaatsen Wonen
2.892 1.922
Werken Voorzieningen Deelgebied District-Z Wonen
33.899 19.987
Werken Voorzieningen
29.729 27.652
39.010 (580 woningen)
25.269 (400 woningen)
Risico perspectief Binnenluchtkwaliteit Gebruik grondwater voor bodemenergie Gebruik grondwater voor bodemenergie Proceswater Binnenluchtkwaliteit Gebruik grondwater voor bodemenergie Gebruik grondwater voor bodemenergie Proceswater Binnenluchtkwaliteit Gebruik grondwater voor bodemenergie Gebruik grondwater voor bodemenergie Proceswater
3.5.2 Stap 2: Functiegroepen en risico´s In de methodiek “Gebiedsgerichte Grondwaterbescherming” worden voor functies drie risiconiveaus gehanteerd: Risicovolle functies zijn ongewenst in grondwaterbeschermingsgebieden en worden daarom uitgesloten. Bepalend hierbij is of de activiteit op de lijst staat met verboden inrichtingen. Het gaat hierbij veelal om grootschalige activiteiten. Bij niet risicovolle functies is bepalend of de activiteit bestaat uit één onderdeel (bijvoorbeeld een begraafplaats) of uit meerdere onderdelen (bijvoorbeeld een recreatieterrein met golfbaan en bungalowpark). Harmoniërende functies gaan goed samen met drinkwaterwinning. Bepalend is of er wel of niet sprake is van natuur. Door de aard en omvang van de activiteiten binnen het deelgebied Lurelui (nieuwe woningbouw, kantoren en voorzieningen) is sprake van een grootschalige risicovolle functie als bedoeld in de verordening. 3.5.3 Stap 3: Toetsing aan randvoorwaarden De activiteiten binnen het deelgebied Lurelui worden getoetst aan de opgestelde randvoorwaarden. Hierbij maakt de methode verschil tussen activiteiten die zich bevinden in het grondwaterbeschermingsgebied of het intrekgebied en in overwegend landelijk of overwegend stedelijk gebied.
De volgende randvoorwaarden gelden voor een activiteit gelegen in het intrekgebied: Er is sprake van een zwaarwegend maatschappelijk belang; Redelijke alternatieven ontbreken; De nieuwe activiteit voldoet aan het stap-vooruit principe.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
15/34
Zwaarwegend maatschappelijk belang Zwolle is aangewezen als NOVI-gebied in het kader van de Nationale Omgevingsvisie. Het Rijk heeft daarnaast de Spoorzone in Zwolle geïdentificeerd als één van de veertien prioritaire gebieden waar het meer regie op verstedelijking wil nemen. Spoorzone Zwolle is een van de veertien nationale versnellingsgebieden. Door het inzetten op plekken rondom bestaande OV-knopen en infrastructuur wordt de bestaande stedelijke omgeving in Nederland zoveel mogelijk benut. Overijssel heeft een woondeal gesloten, die erop gericht is om tot 2030 tenminste 42.000 woningen te bouwen. De Spoorzone Zwolle maakt deel uit van deze woondeal. Redelijke alternatieven ontbreken In de Structuurvisie Ons Zwolle van Morgen 2030 is een afweging gemaakt welke locaties binnen Zwolle nog voor herontwikkeling in aanmerking komen. De Spoorzone is een van de grote ontwikkelingslocaties en maakt onderdeel uit van de StadsRuit. In de Stadsruit wordt het overgrote deel van de nieuwe woningen in Zwolle gebouwd. Het worden gemengde stedelijke gebieden waar gewoond, gewerkt en gerecreëerd wordt. Telkens afhankelijk van de kwaliteit van het gebied en de behoeften uit de omgeving en voor de stad. De gebieden hebben gemeen dat ze liggen aan de stadsring. Ze vormen als het ware een ruit over een deel van de stad: de StadsRuit.
Stap vooruit principe Om tegemoet te komen aan de 3e randvoorwaarde (stap vooruit principe) is dit hoofdstuk opgesteld. In onderstaande stappen wordt dit nader toegelicht. 3.5.4 Stap 4: Detaillering In deze stap vindt een eerste inschatting van de risico´s plaats op basis van de volgende vragen: Vindt er (grootschalige) toepassing van brandstoffen, chemicaliën of andere schadelijke stoffen plaats (bij productieproces, overslag en transport? Antwoord: Nee, tenzij ongelukken gebeuren tijdens de aanleg van de nieuwbouw. Daarbij valt te denken aan brandstoflekkage van bouwvoertuigen, morsen van verf en/of ander bouwstoffen, lekkage bij aansluiting van riolering en dergelijke. Worden er stoffen in de bodem gebracht (bouwstoffen, diepinfiltratie, lozing, begraafplaats etc.)? Antwoord: Ja, er wordt een grote hoeveelheid nieuwe woningen gebouwd. Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van ‘schone’ bouwstoffen. Vindt er bemesting en/of bestrijdingsmiddelengebruik plaats op meer dan 10% van het oppervlak? Antwoord: Nee, beheer en onderhoud zal op een milieuvriendelijke, duurzame manier worden gedaan. Er is sprake van bebouwing op meer dan 25% van het oppervlak (in verband met uitlogen van de toegepaste materialen, etc.)? Antwoord: Ja, betreft nieuwe bebouwing op meer dan 25% van het oppervlak.
Wordt er riolering gerealiseerd of vindt er infiltratie plaats van afgekoppeld neerslagwater? Antwoord: Ja, nieuwe woningen worden aangesloten op bestaande en nieuw aan te leggen riolering. Hemelwater wordt afgekoppeld en vertraagd naar het (bestaande) oppervlaktewater geleid. Vinden er andere risicovolle activiteiten plaats? Antwoord: Ja, warmte-koude opslag in de ondergrond, de potentiële locaties van de WKO zijn weergegeven in figuur 12. Warme bronnen zijn gekleurd in rood en koude bronnen zijn gekleurd in blauw. De onderlinge afstand tussen warm en koud is minimaal 150 m en de onderlinge afstand tussen dezelfde bron is 50 m. In deelgebied Lurelui betreft het enkel twee warmtebronnen.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
16/34
Figuur 12: Potentiële locaties van warme en koude opslag.
Grond- en grondwaterverontreinigingen Binnen spoorzone Zwolle zijn een groot aantal verontreinigingen aanwezig is zowel het grond als grondwater. Deze zijn (grotendeels) kadastraal vastgelegd middels een beschikking. In de afgelopen jaren hebben er diverse saneringen plaatsgevonden, wel is nog sprake van restverontreinigingen. Een uitgebreide omschrijving van de verontreinigingen staat beschreven in briefrapportage bodemkwaliteitskaart spoorzone te Zwolle, opgesteld door Aveco de Bondt, met projectnummer 193736 d.d. 20 april 2021. Binnen Lurelui is in zowel de grond als het in grondwater nog sprake van sterke verontreinigingen. Bij toekomstige (graaf)werkzaamheden, bijvoorbeeld bij de aanleg van een parkeerkelder, dient hier rekening mee te worden gehouden en moet worden gehandeld volgens de voorschriften in de beschikking. Bij toekomstige herontwikkelingen is het belangrijk dat verplaatsing van grond- en grondwaterverontreinigingen zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. Dit geldt met name voor warmte-koude opslag in de ondergrond, voor het bepalen van de optimale positie dienen de grondwaterverontreinigingen in de afweging meegenomen te worden. 3.5.5 Stap 5: Categorie-indeling Op basis van de voorgaande stappen is het mogelijk om het risico te beoordelen en de activiteiten in te delen in een categorie voor het deelgebied Lurelui.
De categorie-indeling bepaalt hoe met de nieuwe functie moet worden omgegaan. De categorie-indeling loopt van categorie A (activiteit niet toegestaan) tot categorie F (toegestaan zonder voorwaarden, geldt voor natuur).
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
17/34
Tot 2021 is Lurelui een onontwikkeld terrein waar sprake is van moestuinen, tijdelijke woningen, tijdelijke opslag van materialen en parkeerplaatsen. Deze activiteiten hebben de volgende risico´s opgeleverd voor het grondwater: weglekken van stoffen, uitlogen materialen en parkeren van auto´s. Onlangs is dit terrein functievrij en bouwrijp gemaakt. In figuur 13 is een foto weergegeven vanuit Cyclomedia met een impressie van de locatie uit maart 2022. De braakliggende situatie op dit moment is een opmaat naar de toekomstige herinrichting.
Figuur 13: Foto´s impressie huidige situatie onderzoeklocatie.
De toekomstige activiteiten worden ingedeeld in categorie B “Nee, tenzij nadere uitwerking”. In overwegend stedelijk gebied gelden de volgende randvoorwaarden voor risicovolle functies: Functie voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Voldoen aan stap-vooruit principe (grondwaterbeschermingsgebied of stand-still principe (intrekgebied). De nadere uitwerking is het aantonen van de stap-vooruit. Dit gebeurt in deze fase middels een kwalitatieve uitwerking van de belastingen voor het grondwater waarbij de huidige functies worden vergeleken met de toekomstige functies. Kiwa en Iwaco hebben voor een dertigtal landgebruiksvormen scores vastgesteld waaruit het risico wordt bepaald. Het risico wordt gevormd door drie factoren: Diffuse belasting (onderverdeeld in drie stofklassen en negen stofgroepen); Calamiteiten (onderscheiden in vier typen); Handhaafbaarheid (gebaseerd op vier aspecten). Binnen het vigerende bestemmingsplan is op het terreindeel van Lurelui de bestemming “bedrijf” en “cultuur en ontspanning” aanwezig. De toekomstige bestemming is woningbouw. De toekomstige woonfunctie draagt een beperkt risico op het ontstaan van bodemverontreinigingen. De belasting en kans op calamiteiten nemen toe naarmate de woondichtheid toeneemt.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
18/34
In de tabellen 3 en 4 is de potentiële diffuse belasting van het grondwater uitgewerkt waarbij de huidige functie is vergeleken met de toekomstige functie. De kleuren zijn als volgt: rood = kans aanwezig, oranje = kans is klein en groen = kans is niet aanwezig. In tabel 3 is per stofgroep de beoordeling uitgevoerd. Voor vijf van de negen stofgroepen treedt een verbetering op bij verandering van de functie. In tabel 4 is het risico van calamiteiten beoordeeld. Bij twee van de vier type calamiteiten treedt een verbetering op bij verandering van de functie. Tabel 3: Niveaus voor de belasting van het grondwater per functie Diffuse belasting Stofklassen Stofgroepen Belasting score
Anorganische macro´s
Huidige functie
Toekomstige functie
Nutriënten Zouten Zuren
Anorganische micro´s
Zware metalen Ontsmettingsmiddelen
Organische micro´s
Bestrijdingsmiddelen Vluchtige aromaten Gehalogeneerde koolwaterstoffen Overige koolwaterstoffen
Tabel 4: Niveaus voor het bepalen van de score voor het risico van calamiteiten per functie Type calamiteit Stofklasse Huidige functie Bedrijfs- en verkeersongeluk
Anorganische macro´s Anorganische micro´s Organische micro´s
Brand / brandbestrijding
Anorganische macro´s Anorganische micro´s Organische micro´s
Lekkage uit opslag
Anorganische macro´s Anorganische micro´s Organische micro´s
Illegale lozing of dumping
Anorganische macro´s Anorganische micro´s Organische micro´s
Toekomstige functie
3.5.6 Stap 6: Kwalitatieve uitwerking Een matig tot hoge kwetsbaarheid in combinatie met functies die mogelijk risicovol zijn voor het grondwater kan aanleiding geven tot een actueel risico in delen van het intrekgebied van de winning vanaf maaiveld. Een hoge risico-score hoeft niet te betekenen dat er ook sprake is van actuele risico’s. Het kan zijn dat gebieden met het grootste risico nader onderzocht moeten worden. Eventueel kunnen voor die gebieden emissiereducerende maatregelen worden overwogen om de waterkwaliteit te verbeteren. In tabel 5 zijn de risicovolle deelactiviteiten beschreven binnen het intrekgebied en worden beheersmaatregelen voorgesteld die de initiatiefnemer kan nemen.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
19/34
Tabel 5: Activiteiten met risico´s voor grondwater binnen het intrekgebied en beheersmaatregelen Activiteit met risico Indicatie belasting Indicatie belasting Indicatie belasting voor grondwater (omvang) (mobiliteit stoffen) (toxiciteit) Laag
Laag
Maatregelen (RO- en/of milieuspoor)
Op of in de bodem brengen van stoffen (bouwstoffen, fundatie)
Middel
Constructies zoals ondergrondse parkeergarage, gebouwen en straatmeubilair
Laag (uitloging en verwering)
Laag (zware metalen)
Middel
Eisen aan materiaalgebruik
Verkeer / wegen / parkeren (auto´s en vrachtwagens)
Laag (diffuse emissie)
Laag (PAK) Middel (olie)
Laag – Hoog
Zonering en/of compensatie (regelen in bestemmingsplan) Voorziening aanleggen Parkeerplaatsen voorzien van gesloten verharding
Zonering en/of compensatie Voorziening aanleggen Eisen aan uitloging van bouwstoffen (volgens Bbk) / Drinkwater verordening
3.5.7 Samenvatting en advies Op basis van de beschikbare informatie is sprake van een grootschalige risicovolle functie als bedoeld in de verordening en dit betekent dat moet worden voldaan aan de eisen in artikel 2.13.6 van de verordening: zwaarwegend maatschappelijk belang, ontbreken redelijke alternatieven en voldoen aan stap-vooruit-principe. In de toekomstige situatie zijn de risico´s, voor de activiteiten zoals benoemd in tabel 5, voor het intrekgebied van het grondwater minder groot vergeleken met de huidige situatie. Door verandering van functie, namelijk van industrie naar woningbouw, vervallen een aantal potentiële risico´s, zie hiervoor de tabellen 3 en 4. Dit geldt echter niet voor de activiteit grondwateronttrekking. Dit vanwege de aanwezige grondwaterverontreinigingen (met name VOCL) en het feit dat scheidende lagen in de ondergrond beperkt aanwezig zijn. Hierdoor is een risico op vermenging en/of verplaatsing van de grondwaterverontreiniging onder invloed van een toekomstige WKO niet uit te sluiten. In de regels van het bestemmingsplan is een regeling opgenomen om negatieve effecten van de WKO-bronnen op VOCL te voorkomen. Er wordt pas een vergunning verleend als aangetoond is dat de VOCLbeheersing niet negatief beïnvloed wordt.
De aanleg van een ondergrondse parkeergarage binnen het intrekgebied lijkt minder een probleem, aangezien er bouwmethodes zijn die onttrekken van grondwater minimaliseren, bijvoorbeeld toepassing van onderwaterbeton of injectie met waterglas. In deze fase wordt een nadere kwantitatieve analyse met Reflect vooralsnog niet zinvol geacht. Reflect is een instrumentarium dat inzicht geeft in belasting aan maaiveld bij verschillende functies. Als definitief bekend waar de nieuwbouw gaat plaatsvinden zullen de volgende aspecten nader uitgewerkt moeten worden: De kwetsbaarheid van de waterwinning. Hiervoor is de samenstelling van de grond en de reistijd van het grondwater in ogenschouw genomen. Een kwantitatieve vergelijking met Reflect van belastingen van de huidige en toekomstige functie. Uitgebreide beschrijving van de maatregelen om een eventuele negatieve invloed op de grondwaterkwaliteit te beperken.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
20/34
3.6
Waterhuishouding verhard oppervlak
In de gemeente Zwolle is de hemelwaterverordening van toepassing, deze is in werking sinds 5 oktober 2022. In deze verordening zijn regels opgenomen over het afvoeren en opvangen van hemelwater bij het bouwen van een bouwwerk en bij het aanleggen of vervangen van verhard oppervlak. De verordening is van toepassing op het bouwen van een bouwwerk met een oppervlakte gelijk of groter dan 30 m2, uitvoeren van een werk dat leidt tot het aanleggen of vervangen van verhard oppervlak met een omvang gelijk of groter dan 30 m2 en de verordening legt de verplichting vast om een waterberging tot stand te brengen en te beheren. 3.6.1 Uitvoeringsregels Keur Voor de toename van verharding bij ruimtelijke ontwikkelingen heeft het waterschap beleid vastgesteld. Het plan wordt zo ontworpen dat kortstondige hevige buien zonder problemen kunnen worden opgevangen in de openbare ruimte en worden afgevoerd naar het oppervlaktewater of een infiltratievoorziening. De samenhang tussen het watersysteem en de riolering moet goed in beeld zijn. Ontwerp in de dagelijkse beheersituatie (Stowa rapport 2015-10) Hoe hoog het waterpeil kan stijgen is afhankelijk van de beschikbare ruimte voor water en de toegestane afvoer. Om ervoor te zorgen dat bij nieuwe ruimtelijke plannen de versnelde afvoer van water naar het omliggende gebied wordt beperkt, wordt afvoernorm gehanteerd.
De te hanteren afvoernorm voor een situatie die 1 of 2 dagen per jaar optreedt is gemiddeld 0,8 L/s/ha. Bij het ontwerp van het oppervlaktewatersysteem in de dagelijkse beheersituatie is het van belang rekening te houden met de hydraulische afvoercapaciteit van het rioolstelsel. De dagelijkse rioleringsbui moet zonder problemen kunnen uitstromen. Daarom wordt de peilstijging van het oppervlaktewater in de normale beheersituatie onder andere bepaald door de hoogte van drempels in de riolering. Toetsbui voor extreme neerslagsituatie (Stowa rapport 2015-10) Het watersysteem wordt getoetst op basis van een hoeveelheid neerslag die eens in de 100 jaar wordt overschreden. Er wordt rekening gehouden met een bui van 111 mm in 48 uur. De toegestane afvoer in deze neerslagsituatie is 1,6 L/s/ha. Er mag bij deze bui geen water in woningen komen en belangrijke ontsluitingswegen blijven vrij van water. 3.6.2 Verhard oppervlak In het plan is sprake van een verandering in het verhard oppervlak. Een (mogelijke) toename kan leiden tot een extra belasting van het watersysteem.
Op basis van de hemelwaterverordening geldt een minimale capaciteit van de hemelwaterberging die afhankelijk is van de omvang van de ontwikkeling: Bij ontwikkelingen met minder dan 10 wooneenheden en/of een totale perceelsomvang van maximaal 1.500 m2, geldt als eis dat 20 liter hemelwater per m2 op perceelsniveau moet kunnen worden opgevangen. Bij ontwikkelingen, met een perceelsomvang van meer dan 1.500 m2, geldt als eis dat 60 liter hemelwater per m2 moet kunnen worden opgevangen binnen de grenzen van de totale ontwikkeling. En bij verkaveling geldt daarnaast nog als eis dat 20 liter per m2 hemelwater op perceelsniveau moet kunnen worden opgevangen. Bij bedrijventerreinen, geldt als eis dat er 60 liter hemelwater per m2 binnen de grenzen van de planontwikkeling waarvan minimaal 20 liter hemelwater per m2 op het bedrijfsperceel. Bij herinrichting openbare ruimte moet 60 liter hemelwater per m2 kunnen worden opgevangen waarvan 20 liter hemelwater per m2 afvoer door het bestaande rioolstelsel. Voor de berekening / analyse van de toename verhard oppervlak gelden de volgende uitgangspunten: Voor de huidige situatie is gebruik gemaakt van een recente topografische kaart in combinatie met een luchtfoto. Voor de toekomstige situatie is gebruik gemaakt van de plankaart van 8 september 2022. Alle typen verharding worden gezien als verhard oppervlak.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
21/34
In de huidige situatie is sprake van een totaal verhard oppervlak van circa 128.615 m2. In de nieuwe situatie is sprake van totaal verhard oppervlak van circa 107.650 m2. Rondom o.a. de beoogde nieuwbouw en een lange groenstrook parallel aan het spoor komt meer ruimte voor groen (zie ook figuur 4). Dit verbetert de sponswerking, water kan infiltreren en worden vastgehouden. Er is sprake van een afname van het verhard oppervlak in de toekomstige situatie. De herontwikkeling leidt daarom niet tot een toename van versnelde hemelwaterafvoer en compenserende maatregelen zijn daarom niet benodigd. 3.6.3 Compensatie nieuwbouw uitbreidingslocaties Bij grotere uitbreidingslocaties wordt gevraagd een waterhuishoudings- en rioleringsplan op te stellen en daarover vroegtijdig met het waterschap over de uitgangspunten in gesprek te gaan. Het waterschap hanteert de volgende uitgangspunten: Bij het ontwerp van het watersysteem wordt rekening gehouden met toenemende neerslagintensiteit als gevolg van klimaatverandering. Op basis van de KNMI'14klimaatscenario’s adviseert het waterschap rekening te houden met minimaal 10% meer neerslag in 2050. Het waterschap toetst het plan op basis van de werknormen die zijn vastgesteld in het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW).
Voor de bebouwde omgeving betekent dit dat in een neerslagsituatie die 1x in de 250 jaar plaatsvindt water in de woning mag stromen en 1x in de 100 jaar water tegen de woning mag komen. Andere kapitaalintensieve functies, zoals elektriciteits- of communicatievoorzieningen mogen ook niet onder water staan.
3.7
Waterkwaliteit
Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afstromende hemelwater te garanderen. Licht vervuild hemelwater (bijvoorbeeld van een woonstraat) wordt via een bodempassage geloosd op het oppervlaktewater. Bij aanleg van bedrijventerreinen, wegen met een hoge verkeersbelasting, parkeerterreinen, marktpleinen, winkelstraten en tunnels dient de mogelijkheid voor lozing van hemelwater op open water met het waterschap te worden afgestemd. Ten aanzien van hemelwater ligt het uitgangspunt bij het gescheiden afvoeren van afval- en hemelwater en wanneer mogelijk aansluiten op een gescheiden rioolstelsel. Gescheiden afvoeren leidt tot een vermindering van vuilwateroverstorten en ten gunste van de waterkwaliteit. Tevens is er daardoor ook een vermindering van water dat wordt afgevoerd naar de AWZI.
3.8
Riolering
De nieuw te ontwikkelen gebouwen zullen worden aangesloten op de bestaande riolering en waterleiding. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van het gescheiden rioolstelsel. Het advies is om bij de nieuwe gebouwen geen materialen te gebruiken die een verontreiniging van het oppervlaktewater met zich meebrengen. Onderzocht dient te worden waar het afvalwater naar toe moet, het bestaande rioleringsstelsel heeft momenteel te weinig capaciteit. De gemeente Zwolle heeft adviesbureau Sweco opdracht gegeven om een rioolstructuurplan te maken van de gehele Spoorzone. De ontwikkeling van Spoorzone District Z, Werkplaatsen en Lurelui dienen afgestemd te worden met dit rioolstructuurplan. Voor het plangebied is een oriëntatiemelding verricht om inzicht te krijgen in de aanwezige kabels en leidingen. Uit deze oriëntatiemelding blijkt dat er geen persleiding van het waterschap aanwezig is binnen het plangebied. In figuur 14 is de riolering onder vrij verval zichtbaar op en rondom het plangebied. Hierbij wordt opgemerkt dat uit de oriëntatiemelding blijkt dat in een groot deel van het plangebied geen riolering onder vrij verval aanwezig is.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
22/34
Voor de lozing van afvalwater (al het water waarvan de initiatiefnemer zich moet ontdoen) op oppervlaktewater vanuit een woning of een (agrarisch) bedrijf gelden de volgende regels: Voor lozingen van huishoudelijk afvalwater vanuit woningen geldt het “Besluit lozing afvalwater huishoudens” (Blah). Uitgangspunt is dat het huishoudelijk afvalwater op een gemeentelijk rioolstelsel wordt geloosd. Indien dit niet mogelijk is, moet een voorziening worden aangelegd die een gelijkwaardig milieubeschermingsniveau biedt. Voor lozingen van afvalwater van een (agrarisch) bedrijf geldt het “Activiteitenbesluit”. Voor lozingen vanuit niet-inrichtingen geldt het “Besluit lozen buiten inrichtingen” (Blbi).
Figuur 14: Huidige ligging riolering onder vrij verval (in blauw).
In figuur 15 is de persleiding van de gemeente (riolering onder druk) zichtbaar op en rondom het plangebied.
Figuur 15: Huidige ligging riolering onder druk (persleiding, weergegeven in groen).
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
23/34
4
Klimaatadaptatie
4.1.1 Wateroverlast Neerslagkaarten laten zien dat de Spoorzone op verschillende plekken te maken zal krijgen met wateroverlast tijdens hevige regenbuien (figuur 16). Het grote gebouwcomplex op bedrijvenpark Hanzelaan 95 zal mogelijk te maken krijgen met schade en plasvorming rondom het complex bij hevige buien. Verder komt uit de stresstest naar voren dat het Koggepad mogelijk onbegaanbaar is bij een piekbui. Het nieuwe bestemmingsplan laat een grote toename van groen zien, waardoor een deel van dit water in de bodem kan worden opgenomen en vertraagd worden afgevoerd (vanwege een afname van het verhard oppervlak). De relatief lage grondwaterstand in dit gebied zorgt er ook voor dat het waterbergend vermogen van dit gebied goed is. In Zwolse adaptatiestrategie en hemelwaterverordening 2022 stelt de gemeente dat een bui van 60 mm in één uur geborgen moet kunnen worden binnen het plangebied en dat een bui van 90 mm in één uur niet tot waterschade mag leiden. Belangrijkste maatregelen hiervoor zijn het verbeteren van de sponswerking door verharding te ontnemen. De verwachte groenere invulling van het gebied zal deze sponswerking laten toenemen. Bij concretere invulling van de groene ruimte dient ook rekening gehouden te worden met een tijdelijke waterberging.
De toename van het aantal gebouwen vraagt ook specifieke maatregelen voor die gebouwen zodat daken een eigen bergende functie krijgen. In paragraaf 4.1.5. wordt hier nader op ingegaan. De ontwikkelaar houdt rekening met de randvoorwaarden die zowel het waterschap als de gemeente stelt aan het voorkomen van wateroverlast. Er wordt rekening gehouden met de randvoorwaarden die gemeenten stellen aan: het benutten, lokaal verwerken of vertraagd afvoer van hemelwater op percelen en in de openbare ruimte; het gescheiden houden van hemelwater; de capaciteitseisen voor de afvoer van hemelwater; de eisen die aan woningen, andere kwetsbare functies en openbare ruimte worden gesteld ter voorkoming van wateroverlast; hemelwaterverordening 2022 (geldend van 05-10-2022 t/m heden).
Figuur 16: Neerslagkaart bij een waterdiepte van 70 mm in 1 uur. Bron: Klimaateffectatlas.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
24/34
4.1.2 Hitte In verband met de verwachte hogere luchttemperaturen en de toename van het aantal en duur van hittegolven is de kans op hittestress in de stad groter. In steden wordt meer warmte geabsorbeerd door donkere warmtevasthoudende materialen. Bovendien wordt er door menselijke activiteiten meer warmte gegenereerd en is het warmteverlies lager door lagere windsnelheden. De huidige Spoorzone is sterk verhard waardoor veel warmte wordt vastgehouden, zoals ook te zien is op de hittestresskaart (figuur 17). Alleen bij de waterlichamen net buiten het projectgebied is enige mate van verkoeling te zien. De groene invulling van het bestemmingsplan gaat ervoor zorgen dat de omgeving een stuk koeler gaat zijn op hete dagen. Dit volgt ook de Zwolse adaptatiestrategie waarin de toevoeging van groen als belangrijkste pijler wordt gezien om hittestress tegen te gaan. Daarbij is het wel belangrijk dat in deze groene gebieden veel bomen worden toegevoegd die voor schaduw gaan zorgen, alleen dan zal de hittestress aanzienlijk lager zijn. Een extra aandachtspunt voor het te ontwikkelen plan is de positionering en vormgeving van de gebouwen. Deze kunnen windvorming mogelijk stimuleren of tegenhouden. Wanneer er niet voldoende ventilatie is zal hittestress alsnog aanwezig kunnen zijn bij deze gebouwen.
Het is daarom aan te raden een windstudie op de nog te realiseren bebouwing te laten uitvoeren.
Figuur 17: Hittekaart Zwolle. Bron: Klimaatatlas Zwolle.
4.1.3 Droogte De Spoorzone kent een gemiddeld laagste grondwaterstand van meer dan 2 meter onder maaiveld. Tot nu toe heeft een daling van het grondwater in Zwolle nog niet geleid tot problemen zoals verzakkingen onder gebouwen. Grondwaterstand kan tijdens landelijke droge periodes wel sterk zakken. Dit omdat de IJssel een van de belangrijkste toevoeren is van het IJsselmeer, die op zijn beurt een belangrijke zoetwaterberging vormt voor het land. Het is nog niet duidelijk wat de gevolgen hiervan zullen zijn voor de stad. Het plangebied heeft met de groene invulling al gezorgd voor meer bergend vermogen. Bij het kiezen van vegetatie in het gebied dient er rekening te houden met deze grondwaterstand.
D81-JBR-HS-RAP-22007072 / Proj.nr. MN001227 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 19-09-2023
25/34
4.1.4 Overstromingsrisico Het plangebied ligt in een dijkringgebied. Als er gebouwd wordt in dijkringgebieden (gebieden met een risico op overstromingen) verplicht de provincie Overijssel in het bestemmingsplan een overstromingsrisicoparagraaf op te nemen. Deze paragraaf heeft aandacht voor voorzieningen die zorgen dat er bij een overstroming minder slachtoffers vallen en dat de schade beperkt blijft. De ligging van Zwolle tussen de IJssel en de Vecht zorgt ervoor dat Zwolle mogelijk te maken krijgt met overstromingsrisico. Dit geldt ook voor het plangebied (figuur 18). Hier is een middelgrote kans (1/30 – 1/300 per jaar) dat er overstroming zal optreden. In het gebied kan het water tijdens een dergelijke overstroming tot wel anderhalve meter boven maaiveld reiken. De gebouwen in het gebied dienen rekening te houden met deze overstromingskans door tenminste +2,6 m+NAP waterbestendig te bouwen. Mogelijkheden voor gevolgbeperking zijn voornamelijk gericht op schade beperken. Vitale en kwetsbare functies kunnen in dit gebied beter op hoogte worden geplaatst zodat deze niet belast worden. Ook kan overwogen worden de gebouwen een hogere drempelhoogte te geven.