Bijlage 3 – Bijlagen behorende bij de motivering BOPA Zonnepark Van der Valk
Tekst van het document
omgevingsvergunning
BOPA - Zonnepark Van der Valk Zwolle Zwolle
DATUM IMRO IDN
15-12-2025 NL.IMRO.0193.20240741-0001
PROJECT PROJECTLEIDER
Zonnepark Van der Valk Zwolle
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER AUTEUR STATUS
5.1.2e
20240741 5.1.2e
ontwerp
/ 5.1.2e
Inhoudsopgave
Bijlage
5
Bijlage 1
Landschappelijk inpassingsplan
7
Bijlage 2
Principetekening veldopstelling
23
Bijlage 3
Quickscan flora en fauna
25
Bijlage 4
Stikstofonderzoek
55
Bijlage 5
Onderzoek externe veiligheid
79
Bijlage 6
Reflectieonderzoek
95
Bijlage 7
Archeologisch onderzoek
203
Bijlage 8
Waterbelang Drens Overijsselse Delta uitgangspunten
219
Bijlage 9
Participatieverslag
239
3/240
4/240
Bijlage
5/240
6/240
Bijlage 1
7/240
Landschappelijk inpassingsplan
VAN DER VALK ZWOLLE LANDSCHAPPELIJKE INPASSING ZONNEPANELEN DATUM : SEPTEMBER 2025 PROJECT : Zwolle Van der Valk - BOPA OPDRACHTGEVER : VAN DER VALK HOTEL ZWOLLE PROJECTNR : 20240741.001
INHOUDOPGAVE LOCATIE VAN DE VALK ZWOLLE
3
LANDSCHAPPELIJKE ANALYSE 4 LANDSCHAPPELIJK BELEID 5 ECOLOGIE/ BIODIVERSITEIT 7 KERNKWALITEITEN EN UITGANGSPUNTEN
8
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN
9
LOCATIE VAN DER VALK ZWOLLE HET PLANVOORNEMEN Initiatiefnemer is voornemens om een zonnepark van 3 hectare te realiseren naast het Van der Valk hotel, bij de A28 te Zwolle. Het zonneveld is primair bedoeld voor de laadstroom voor de auto’s geparkeerd op het parkeerterrein bij het hotel. Om een continu aanbod van zonnestroom te kunnen leveren, wordt de gewonnen elektriciteit opgeslagen in een batterijpark. De gemeente Zwolle heeft op 28 mei 2024 een advies uitgebracht ten aanzien van het plan. De gemeente is akkoord onder een aantal voorwaarden. Eén van deze voorwaarden is het aanleveren van een inpassingsplan waarbij een goede landschappelijke inpassing van
het zonnepark essentieel is. Het maken van een ‘zachte’ overgang tussen A28 en bedrijventerrein Hessenpoort is hierbij van belang. In dit landschappelijk inpassingsplan wordt hieraan gehoor gegeven. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan ecologie en beheer.
GEBIEDSBESCHRIJVING Het plangebied ligt direct aan de A28, nabij de afrit naar Ommen. Het wordt aan de oostzijde ingeklemd door bedrijventerrein Hessenpoort. Aan de zuidzijde staat hotel Van der Valk, dat door haar hoogte een landmark vormt vanuit de omgeving. zicht op zuidzijde van het plangebied vanaf de A28 oostbaan
het projectvoornemen; de aanleg van een zonneveld met batterijopslag
luchtfoto plangebied
zicht op het midden van het plangebied vanaf de A28 oostbaan
ligging plangebiedten ten noordoosten van Zwolle, aan de A28
luchtfoto plangebied ingezoomd
zicht op de noordzijde van het plangebied vanaf de A28 oostbaan; haagbeuken dicht opeen
| Landschappelijke inpassing Zonnepanelen Van der Valk Zwolle | 3 / 14
LANDSCHAPPELIJKE ANALYSE LANDSCHAP, HISTORIE, BODEM, GEOMORFOLOGIE EN HOOGTELIGGING Het plangebied ligt in een van oorsprong zeer open landschap, in een veenontginningslandschap. Het veen is geheel afgegraven. Historisch gezien heeft het gebied een grote transformatie doorgemaakt; rond 1900 kwamen hier allerlei wegen samen en was er een kanaal met dijken. Destijds was ook al grasland aanwezig. De verkavelingsstructuur was vooral zuidwest-noordoost gericht. Daar waar nu de oksel van de Nieuwleusenerdijk en de Hermelenweg is, stond bebouwing. De sloot ten oosten van het plangebied volgt de contour van het kanaal. De bodem van het plangebied bestaat uit beekeerdgrond met lemig
fijn zand (pZg23). Deze grond heeft een minerale eerdlaag van 15 tot 30 cm dik. Ten zuiden liggen vlakvaaggronden (andgrond zonder minerale eerdlaag). Geomorfologisch gezien ligt het plangebied (nog net) op een dekzandrug, door de wind in het Weichselien gevormd. Ten noorden ligt een ‘vlakte van ten dele verspoelde dekzanden of löss‘. Op de hoogtekaarten van de AHN-viewer (www.AHN.nl) is te zien dat het plangebied lager ligt dan de omgeving (40 - 90 cm +NAP. Het hotel is 32 meter hoog. Rondom het plangebied ligt een sloot, ten zuiden een (pijlvormige) lagergelegen waterplas.
hoogteligging (AHN viewer) detail met en zonder bomen en bebouwing
huidige situartie
bodemkaart (bodemdata.nl); kalkrijke drechtvaaggronden; zavel
hoogteligging (AHN viewer) met bomen en bebouwing
situatie rond 1955
geomorfologische kaart (bodemdata.nl); vllakte van getij-afzettingen (M72) (jonge zeeklei)
hoogteligging plangebied (AHN Viewer) zonder bomen en bebouwing
| Landschappelijke inpassing Zonnepanelen Van der Valk Zwolle | 4 / 14
LANDSCHAPPELIJK BELEID ACTUALISATIE OMGEVINGSVISIE 2023, PROVINCIE OVERIJSSEL
CULTUURHISTORISCHE WAARDENKAART, PROVINCIE OVERIJSSEL
Volgens de Actualisatie Omgevingsvisie 2023 maakt het plangebied deel uit van het cultuurhistorische thema IJssellinie inundatieveld (ERAF).
Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Overijssel zijn er twee bijzondere lijnen in het plangebied te vinden (blauw op kaart): • oude doorgaande route (tenminste aanwezig in 1648) (in oostwest richting) • oude stoomtramlijn Zwolle- Meppel (in noordzuid richting). Beiden zijn niet meer zichtbaar in het landschap.
gebiedskenmerken Laag van de beleving; IJssel
cultuurhistorische waardenkaart
| Landschappelijke inpassing Zonnepanelen Van der Valk Zwolle | 5 / 14
LANDSCHAPPELIJK BELEID vervolg STRUCTUURVISIE ‘ONS ZWOLLE VAN MORGEN 2030’, GEMEENTE ZWOLLE
LANDSCHAPSONTWIKKELINGSPLAN ZWOLLE Het Landschapsontwikkelingsplan Zwolle (2010) laat de landschapstypekaart zien. Het plangebied ligt in de veld- en hoogveenontginningen, op de grens met Laagveenontginningen bij Kamperveen, Haesterbroek, Gennenger- en Holtenerbroek.
Volgens de structuurvisie van Zwolle ligt ten zuiden van het plangebied zeer waardevol landschap Vechtdal, ten westen ligt waardevol open landschap. Langs de Hermelenweg ligt een hoofdgroenstructuur. Direct ten noorden van het plangebied is een gewenste robuuste blauwe structuur aangegeven.
hoofdgroenstructuur Zwolle
landschapstypenkaart LOP Zwolle
Het gebied ligt in / sluit aan op het gebied Veldontginning en De RuitenDambord met natuurwaarden. Dit is een grootschalig landbouwgebied met blok-verkaveling en natuurwaarden. • grootschaligheid behouden en versterken; • erfbeplantingen stimuleren; • landbouw heeft primaat; • nieuwe vormen landbouwkundig gebruik toegestaan, met inachtneming van de waardevolle openheid van het gebied; • inpassing stedelijke ontwikkeling in landschap; • weidevogelgebied; • natuurontwikkeling in De Ruiten; • behoud van zandwegen, schrale bermen en slootranden.
landschapstypering bestemmingsplan Buitengebied - Haerst, Tolhuislanden
natuur- en landschapswaarden uit Bestemmingsplan Buitengebied
| Landschappelijke inpassing Zonnepanelen Van der Valk Zwolle | 6 / 14
LANDSCHAPPELIJK BELEID vervolg VERVOLG LANDSCHAPSONTWIIKELINGSPLAN ZWARTEWATERLAND EN KAMPEN, 2010
ZWOLLE,
Aan de zuidzijde grenst het plangebied dekzandruggenlandschap Zwartewater en Vecht.
ECOLOGIE/ BIODIVERSITEIT aan
het
De pdrachtgever wil de biodiversiteit in het plangebied versterken. Toepassing van inheemse beplanting, structuurvariatie, gelaagdheid, gradiënten en diverse flora van verschillende leeftijden spelen een belangrijke rol bij het versterken van de biodiversiteit Ook de zogenaamde 5 V’s; voedsel, vocht, verblijfplaats, voortplanting en verbinding spelen een beplanrijke rol. Wanneer één van deze V’s niet aanwezig is, dan is de kans groot dat het gewenste doel niet behaald wordt. INHEEMSE BEPLANTINGSSOORTEN Het toepassen van inheemse beplantingssoorten is een voorwaarde voor het verhogen van de biodiversiteit. Daarnaast dienen de soorten die gebruikt worden voldoende structuur te hebben om een schuilplaats en nestgelegenheid te bieden aan kleine zoogdieren en vogels. Ook dienen ze voedsel, bijvoorbeeld in de vorm van vruchten/ bessen te leveren. Door meerdere soorten beplanting te gebruiken is er het hele jaar door voldoende variatie, schuilgelegenheid en voedsel.
veldontginning en De Ruiten- Dambord met natuurwaarden
Het plangebied grenst tevens aan het landschapstype Laagveenontginningen bij Kamperveen, Haesterbroek, Gennenger- en Holtenerbroek. Het sluit aan op het gebied Broekgebieden - Broeden en weiden. Dit gebied kenmerkt zich door open landbouwgebied met karakteristieke gestrektheid in verkaveling. • versterking openheid en behoud gestrektheid verkaveling; • bebouwing langs de ontginningsas; • behoud eendenkooien; • zichtlijnen vanaf ontginningslijnen behouden; • landbouw heeft primaat; • erfbeplantingsplannen; • ontginningslijnen versterken met beplanting; • weidevogelgebied; • natuurontwikkeling langs de wetering.
BLOEMRIJK GRASLAND Bloemrijk grasland/ wilde bloemen verhogen de biodiversiteit van een gebied. Door diversiteit in nectarplanten toe te passen ontstaan er meer voedselbronnen voor vlinders, bijen en andere insecten. De natuurlijke verspreiding van deze planten via wind, water, vogels en andere dieren is een langzaam proces. Door het inzaaien van wilde bloemenmengsels, wordt de natuur een handje geholpen.
In het plangebied kan de grootschalige blokverkaveling, inpassing van stedelijke ontwikkeling in het landschap, natuurontwikkeling en behoud van schrale bermen en slootranden meegenomen worden.
broekgebieden - Broeden en weiden
| Landschappelijke inpassing Zonnepanelen Van der Valk Zwolle | 7 / 14
BIJENKASTEN, INSECTENHOTELS EN DOORGANGEN KLEINE ZOOGDIEREN Door het plaatsen van bijenkasten, naast of in bloemrijk grasland, wordt de bijenpopulatie ondersteunt hetgeen vervolgens de biodiversiteit bevordert. Ook het plaatsen van insectenhotels draagt bij aan de biodiversiteit. Het terrein is toegankelijk voor kleine zoogdieren door het maken van kleine openingen in het hekwerk. WATER Het toepassen van water in een plangebied zorgt voor variatie. Door de watertaluds flauw te laten aflopen, worden diersoorten geholpen het water in - en uit te komen. Voor amfibieën zijn taluds op het zuiden/ op de noordhelling van belang om op te warmen. Ook de toepassing van wadi’s zorgt voor een hogere natuurwaarde. De toepssing van riet zorgt voor een specifieke biotoop.
KERNKWALITEITEN EN UITGANGSPUNTEN KERNKWALITEITEN • Ligging op de overgang tussen de snelweg A28 en bedrijventerrein Hessenpoort. • De landschappelijke openheid van het (voormalige veen) gebied. • Bodem: zandgrond. • Hoogteligging: lage ligging van het plangebied ten opzichte van omgeving. • Water: er lopen sloten rondom het plangebied. • De oorspronkelijke noordoost-zuidwest verkavelingsstructuur. • Historie: de oorspronkelijke loop van een kanaal met dijk aan oostzijde plangebied. • Het hotel als landmark. • De ligging in de buitenbocht van de A28, waardoor de het zicht vanaf de oostbaan gericht is op het plangebied. • Langs de A28 staan haagbeuken dicht opeen op ongeveer 6.5 meter van elkaar; dit zorgt voor een filtering van het beeld. UITGANGSPUNTEN het terrein • Creëren van een zachte overgang tussen de snelweg en bedrijventerrein Hessenpoort. • Respecteren van de openheid van het landschap; hoge bouwwerken, panelen of beplanting die deze openheid belemmerd is onwenselijk. Daar komt bij dat opgaande beplanting de opbrengst van de panelen verlaagd (met uitzondering van de noordzijde). • Toepassen van (inheemse) beplanting die op lage, vrij natte zandgronden groeit. • Zorgen voor voldoende waterberging in het plangebied. • De sloten rondom het terrein behouden. • Zo mogelijk de oorspronkelijke verkavelingsstructuur behouden/ herstellen (noordoost-zuidwest).
• Zo mogelijk de historie van het terrein zichtbaar maken door een verwijzing naar het kanaal en de dijk te maken. • Het zicht op landmark (hotel) vanuit de omgeving behouden. • Verhogen biodiversiteit ter plekke (bijvoorbeeld door
•
•
•
•
toevoegen beplanting en bloemrijk grasland, zie kopje biodiversiteit). Ook het beheer is gericht op het verhogen van de biodiversiteit. Voldoen aan de welstands-/ beeldkwaliteitseisen van de gemeente Zwolle (‘Welstandskader Hessenpoort‘); voldoende ruimte tussen erfgrens en panelen, toepassing transparante hekwerken, openingen in hekwerk voor kleine zoogdieren. Bescherming van het terrein middels hekwerk of brede sloot. Het ontoegankelijk maken van het terrein in combinatie met landschappelijke inpassing. Bijvoorbeeld door water te realiseren of beplanting waarin een hekwerk is opgenomen. Het hekwerk rondom het zonneveld bestaat uit een zwart spijlen hekwerk van maximaal 2 meter hoogte, type HerasAtlas of gelijkwaardig (welstandseis). Aan alle zijden van het zonneveld zullen in de erfafscheiding minimaal om de 100 meter kleine openingen gemaakt worden, waardoor de erfafscheiding voor kleine zoogdieren als egels passeerbaar is (welstandseis).
het zonnepark/ de panelen • De panelen staan op voldoende afstand (ongeveer 10 meter) vanaf perceelsgrens, om een geleidelijke, zachte overgang mogelijk te maken. • De opstelling is laag; de panelen zijn ongeveer 1.65 meter hoog. • Er kan zowel gebruik gemaakt worden van een zuid als een oostwest opstelling. Belangrijk is dat er hierbij voldoende ruimte is tussen de panelen, vanwege de bodemkwaliteit. • Er dient rekening te worden gehouden met reflectieschittering bij lage zonnestanden. • Ondersteunende bouwwerken als schakelcellen, laagspanningsborden en transformatoren moeten zo gepositioneerd worden, dat zij zich voegen naar het patroon van de opstelling van de zonnepanelen. Deze bijbehorende voorzieningen mogen maximaal 2 meter hoog worden. Deze
| Landschappelijke inpassing Zonnepanelen Van der Valk Zwolle | 8 / 14
worden uit het zicht gehouden vanaf de openbare weg. • Ook de batterijopslag dient zo gepositioneerd te worden, dat zij zich voegt naar het patroon van de opstelling. • Ondersteunende bouwwerken worden uit het zicht gehouden vanaf de openbare weg, bijvoorbeeld door beplanting.
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN 0
1:1500
| Landschappelijke inpassing Zonnepanelen Van der Valk Zwolle | 9 / 14
50,00
75,00
100,00
125,00
150,00 m
DOORSNEDE LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN
| Landschappelijke inpassing Zonnepanelen Van der Valk Zwolle | 10 / 14
DOORSNEDE LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN
| Landschappelijke inpassing Zonnepanelen Van der Valk Zwolle | 11 / 14
TOELICHTING OP HET LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN HET ZONNEPARK Het planvoornemen gaat uit van het aanleggen van een zonnepark van netto ongeveer 3 ha, met centrale apparatuur zoals omvormers en een batterijopslag. De panelen krijgen een zuidopstelling. De panelen worden in een drietal ‘blokken’ opgesteld, met een groene ruimte tussen de blokken. De blokken verwijzen naar van oorsprong aanwezige blokverkaveling.
doorsnede PV-panelen
De panelen komen op tafels te liggen, die elk zo’n 6.5 meter breed zijn. Op de tafels komen 3 panelen boven elkaar. Tussen deze panelen wordt een kleine ruimte opengelaten om regenwater af te voeren onder de tafels. Dit is gunstig voor het bodemleven. Tussen de tafels is 3.5 meter ruimte opengelaten. Deze ruimte wordt benut voor bloemrijk grasland en vormt tevens een onderhoudsstrook. De panelen zijn ongeveer 1.65 meter hoog. Landschappelijke inpassing Rondom het zonnepark komt een landschappelijk ingerichtte zone. Ecologie en biodiversiteit spelen een belangrijke rol bij het opstellen van de landschappelijke inpassing. Om voldoende variatie in planten, structuren en materialen te ontwikkelen, zijn diverse groen-en waterelementen toegepast in het plan: • Struweelheg • Bloemrijk grasland • Kleine bosjes/ bossages • Water met dijkje en rietkraag • Wadi’s De groenelementen aan de rand van het zonnepark beperken de ruimtelijke impact van het zonnepark en bevorderen de ecologische
waarden op het plangebied. Met de komst van het zonnepark is het de verwachting dat een aantrekkelike habitat ontstaat voor diverse dieren (naast insecten en vogels ook voor kleine zoogdieren). Het is wellicht wenselijk te onderzoeken of er mogelijkheden bestaan voor het toevoegen van faunapassages in de omgeving. Aan de noordwest zijde, nabij de A28, bestaat het groenelement uit een struweelheg en bloemrijk grasland. Aan de oostzijde bestaat deze uit een brede sloot met dijkje. Aan de zuid en zuidwest zijde bestaat deze uit water, een flauw talud met bloemrijk grasland. Verder bestaat de landschappelijke inpassing uit een drietal kleine bosjes/ bossage. Het plangebied word in drieën ‘geknipt‘ door een tweetal wadi’s, die omringt zijn door bloemrijk grasland. Aan de zuidzijde kunnen de gasten van het naastgelegen hotel een fraai ommetje maken.
gemengde struweelheg
Hierna worden elk van de landschapselementen verder uitgewerkt. Ook aan het hekwerk wordt aandacht besteedt.
GROEN Struweelheg De struweelheg bevindt zich aan de noordwest zijde van het plangebied, parallel aan de A28 en de haagbeuken die deze snelweg begeleiden. Omdat de snelweg hoger ligt, én het plangebied zich in de buitenbocht van de weg bevindt, is er, met name vanaf de oostbaan van de A28, nadrukkelijk zicht op het plangebied. Ook om reflectieschittering bij lage zonnestand tegen te gaan, in dit geval de avondzon, is het van belang dat het zonnepark voldoende wordt afgeschermd. Dit wordt bewerkstelligd door de aanleg van een struweelheg van circa 3 meter hoog (en de bosjes, zie hierna). (Zie ook Reflectieonderzoek van ROM3d.) Er is gekozen voor een dichte heg met struiken. De heg zorgt voor een visuele afscheiding van het zonneveld. Door het toepassen van drie grote openingen/ onderbrekingen in de struweelheg is vanaf de snelweg A28 af en toe zicht op het zonnepark, het landschap ten noordwesten van het gebied en de bebouwing van Hessenpoort. Hierdoor blijft er contact met de omgeving vanaf de snelweg. De struweelrand bestaat uit een mix van inheemse struiken, waardoor deze een rijke habitat voor verschillende vogel- en insectensoorten biedt (zie beplantingssoorten op volgende pagina).
| Landschappelijke inpassing Zonnepanelen Van der Valk Zwolle | 12 / 14
sloot met rietkraag
bloemrijk gras
AANLEG EN BEHEER Bloemrijk grasland Het zonnepark wordt door twee brede stroken met wadi’s en bloemrijk grasland (ongeveer 10 meter breed) in drieën verdeeld. Aan de buitenzijde van het zonnepark, aan de zijde van de panelen, wordt tevens bloemrijk gras ingezaaid. Aan de zuidzijde loopt een brede strook geleidelijk af richting de waterplas. Ook hier komt bloemrijk gras. Dit talud op de noordhelling zal opwarmen, en hiermee een extra biotoop voor met name ambibieën opleveren. Kleine bosjes/ bossage Er komen een aantal bosjes aan de randen van het plangebied. Hier komen zowel struiken als bomen. De bosjes vormen een verwijzing naar de erfbeplantingen van de Veld- en Hoogveenontginningen. In het meest zuidelijke bosje komen de ondersteunende bouwwerken zols de transformatoren en de batterijopslag. Vanaf de Nieuwleusenerdijk is hierdoor geen of nauwelijks zicht op deze centrale apparatuur.
WATER sloot met kleine dijk en rietkraag Aan de oostzijde van het plangebied komt een sloot van 3 meter breed, en een laag dijkje van ongeveer 1 meter hoog. Tussen de dijk en de panelen komt een bloemrijke grasstrook van ongeveer 4 meter, waar ruimte is voor het hekwerk. Een rietkraag langs de waterkant (deels op de dijk) beperkt het zicht op de panelen vanuit de Nieuwleusenerdijk en Hermelenweg. De sloot met dijkje vormen een knipoog (en verwijzen) naar de oorspronkelijke loop van het kanaal en de dijk van de stoomtramlijn tussen tussen Zwolle en Meppel die op deze locatie aanwezig was. Wadi’s Midden in het zonnepark komen twee stroken met wadi’s. Dit zijn laagtes waar alleen water in komt te staan als het flink geregend heeft. De wadi’s zorgen voor een goede waterberging.
BOUWWERKEN Centrale apparatuur De centrale apparatuur zoals omvormers en batterijopslag wordt geconcentreerd aan de zuidzijde en ingebed in het zuidelijke bosje. Hierdoor is het zicht op de apparatuur vanaf de omgeving minimaal.
Hekwerk Rondom het zonnepark komt een hekwerk. Het hekwerk wordt aan de westzijde ingebed in de struweelheg of in de bosjes. Aan de oostzijde komt het hekwerk achter een lage dijk met rietkraag te staan. Het hekwerk is transparant, bestaat uit donkerkleurige spijlen en is maximaal 2 meter hoog, type Heras-Atlas of gelijkwaardig. Aan alle zijden van het zonneveld zullen in de erfafscheiding minimaal om de 100 meter kleine openingen gemaakt worden, waardoor de erfafscheiding voor kleine zoogdieren als egels passeerbaar is. Om het terrein te kunnen bereiken voor onderhoud en calamiteiten zal het gebied toegankelijk gemaakt moeten worden; er zal een poort in het hekwerk moeten komen. De apparatuur is bereikbaar via een karrespoor. De toegang is nu gedacht nabij het hotel, maar wellicht zal een ontsluiting vanaf de oostzijde ook wenselijk zijn. In dt geval zal er een brug of dam aangelegd moeten worden over de bestaande sloot.
BEPLANTINGSSOORTEN Aan de west- en noordzijde zullen struiken worden toegevoegd. Deze zullen inheems zijn en passen in open landschap en op de zandgronden ter plekke. In de bosjes/ bossages worden ook bomen toegevoegd. De beplanting wordt zoals de gemeente Zwolle voorschrijft in de volgende verhouding aangeplant: struiken Latijnse naam • 50% Eenstijlige meidoorn Crataegus monogyna • 30% Sleedoorn Prunus spinosa • 5% Sporkehout (vuilboom) Rhamnus frangula • 5% Gelderse Roos Viburnum opulus • 5% Dauwbraam Rubus caesius • 5% Hondsroos Rosa canina bomen • veldesdoorn Acer campestre • iep Ulmus laevis • haagbeuk Carpinus betulus.
| Landschappelijke inpassing Zonnepanelen Van der Valk Zwolle | 13 / 14
Struweelheg De struweelheg aan de westrand van het plangebied wordt in rijen aangeplant, met een onderlinge afstand van 0.20 tot 0.25 meter. Groepsgewijze menging zorgt ervoor dat minder dominante beplantingsoorten niet snel verdwijnen. De struweelheg krijgt uiteindelijk een hoogte van circa 3 meter. De heg wordt 1 a 2 keer per jaar geknipt. Bloemrijk gras Aan de rand van het zonneveld, maar ook tussen (en onder) de panelen en in de wadi’s wordt bloemrijk gras ingezaaid. Bloem- en/of kruidenrijk grasland is aantrekkelijk voor bijen, vlinders en kleine vogels. Het maaien dient buiten de bloeiperiode van de kruiden en bloemen plaats te vinden. Het wordt één- of tweemaal per jaar gemaaid. Het maaisel wordt afgevoerd om verschraling te stimuleren. (Dus niet klepelmaaien.) Bij één keer maaien per jaar kan vanaf half juni gemaaid en afgevoerd worden. Bij twee keer maaien: eerste maaibeurt maaien na half juni, tweede maaibeurt in september. Bomen en struiken in de bosjes/ bossage Onderhoud aan de bomen vindt in principe niet plaats, tenzij blijkt dat dit noodzakelijk is (na jaarlijkse inspectie op gezondheid van de boom). Waterkant/ rietkraag Het onderhoud van de sloot en de waterkant vindt indien nodig plaats. Richtlijn is 1 keer per jaar maaien en afvoeren. De rietkraag hoeft in principe niet onderhouden te worden, tenzij de sloot dichtgroeit.
LEEUWARDEN – GRONINGEN – DEVENTER – ROTTERDAM – MIDDELBURG - EINDHOVEN
22/240
Bijlage 2
23/240
Principetekening veldopstelling
u
3ê =s
EE
…0 eco. ooo. 3 …0 zó za
‘
Bijlage 3
25/240
Quickscan flora en fauna
Quickscan Ecologie Nieuwleusenerdijk 1 te Zwolle
Quickscan Ecologie Nieuwleusenerdijk 1 te Zwolle
Projectnummer:
EC247162/SK
Datum:
29 augustus 2024
Versie:
1.0
Opdrachtgever:
RHO Adviseurs
Auteur:
5.1.2e
Kwaliteitscontrole:
5.1.2e
Handtekening:
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit document is aantoonbaar vrijgegeven.
INHOUDSOPGAVE 1
2
Pagina: INLEIDING ................................................................................................................................................ 5 1.1
Aanleiding en doel ................................................................................................................................. 5
1.2
Kwaliteitsborging ................................................................................................................................... 5
TOETSINGSKADER EN ONDERZOEKSMETHODE ........................................................................................ 6 2.1 2.1.1
Zorgplicht ........................................................................................................................................ 6
2.1.2
Soortenbescherming........................................................................................................................ 6
2.1.3
Nesten ............................................................................................................................................. 7
2.1.4
Gebiedsbescherming ....................................................................................................................... 8
2.1.5
Houtopstanden ................................................................................................................................ 9
2.2 3
4
3.1
Huidige situatie .................................................................................................................................... 11
3.2
Beoogde ontwikkeling ......................................................................................................................... 13
GEBIEDSBESCHERMING EN HOUTOPSTANDEN ...................................................................................... 14 Gebiedsbescherming ........................................................................................................................... 14
4.1.1
Natura 2000-gebieden .................................................................................................................. 14
4.1.2
Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................................ 14
4.1.3
Weidevogelgebied ......................................................................................................................... 14
4.1.4
Ganzenfoerageergebied ............................................................Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
4.2
6
Onderzoeksmethode ............................................................................................................................. 9
PLANGEBIED EN BEOOGDE ONTWIKKELING ........................................................................................... 11
4.1
5
Toetsingskader Omgevingswet .............................................................................................................. 6
Houtopstanden .................................................................................................................................... 15
SOORTENBESCHERMING ........................................................................................................................ 16 5.1
Flora ..................................................................................................................................................... 16
5.2
Grondgebonden zoogdieren ................................................................................................................ 16
5.3
Zeezoogdieren ................................................................................ Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
5.4
Amfibieën ............................................................................................................................................ 18
5.5
Reptielen.............................................................................................................................................. 19
5.6
Vissen ................................................................................................................................................... 19
5.7
Ongewervelden ................................................................................................................................... 19
5.8
Vleermuizen ......................................................................................................................................... 20
5.9
Broedvogels ......................................................................................................................................... 20
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .......................................................................................................... 22 6.1
Conclusie beschermde soorten, houtopstanden en gebiedsbescherming .......................................... 22
6.2
Aanbevelingen en vervolgstappen ...................................................................................................... 23
6.3
Beheersmaatregelen .......................................................................................................................... 23
Quickscan Ecologie, Nieuwleusenerdijk 1 te Zwolle, EC247162/SK
3
7
6.4
Natuur+/Natuurinclusiviteit ................................................................................................................ 24
6.5
Geldigheid onderzoeksgegevens ......................................................................................................... 24
GERAADPLEEGDE BRONNEN .................................................................................................................. 25
BIJLAGEN Bijlage 1: Ligging plangebied Bijlage 2: Overzichtskaart beschermde gebieden
Quickscan Ecologie, Nieuwleusenerdijk 1 te Zwolle, EC247162/SK
4
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel
In opdracht van RHO Adviseurs heeft Mateboer Milieutechniek een quickscan ecologie uitgevoerd ter plaatse van Nieuwleusenerdijk 1 in Zwolle (zie bijlage 1). Aanleiding voor deze quickscan ecologie is de realisatie van een zonnepark bij het aanwezige Van der Valk hotel. De ecologische quickscan is uitgevoerd in het kader van de Omgevingswet. Het doel van de quickscan is, om op basis van een literatuuronderzoek en een veldonderzoek, inzichtelijk te maken of: - beschermde planten- en diersoorten in het plangebied of de directe omgeving (binnen een straal van twee kilometer) van het plangebied kunnen voorkomen; - de planontwikkeling mogelijk effect(en) heeft op de al dan niet aanwezige beschermde plantenen diersoorten en daarmee mogelijk strijdig is met de soortenbescherming conform de Omgevingswet.
Naar aanleiding van de mogelijke effecten wordt de noodzaak beschreven tot het uitvoeren van nader (soort specifiek)onderzoek conform de geldende protocollen; - de planontwikkeling plaatsvindt in of nabij een beschermd natuurgebied (Natura 2000-gebied, NNN-gebied, weide- en akkervogelgebied, ganzengebied (foerageer- en rustplaatsen)) en of daarbij sprake is van de noodzaak voor nadere toetsing en vergunning in het kader van gebiedsbescherming conform de Omgevingswet; - invasieve exoten aanwezig zijn binnen het plangebied en aanvullende maatregelen dienen te worden genomen voor de beoogde herontwikkeling. Wanneer uit de quickscan blijkt dat mogelijke effecten optreden als gevolg van de planontwikkeling of als er onvoldoende gegevens bekend zijn over de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten, dient er mogelijk een nader onderzoek of nadere toetsing uitgevoerd te worden. Op basis daarvan kan een vergunning bij het bevoegd gezag aangevraagd worden. Wanneer binnen het plangebied en in de directe omgeving geen beschermde soorten of functies aanwezig zijn, is het nemen van soortgerichte maatregelen niet noodzakelijk. Bij het voorkomen van algemene (niet strikt beschermde) soorten geldt ten alle tijden de zorgplicht.
1.2
Kwaliteitsborging
Mateboer Milieutechniek B.V. is door Normec Certification gecertificeerd voor de NEN-EN-ISO 9001:2015 en heeft een eigen kwaliteitssysteem. De medewerkers van Mateboer Milieutechniek B.V. zijn voor de uitvoer van flora- en faunaonderzoeken VCA gecertificeerd. Daarnaast is Mateboer als kandidaat aangesloten bij Netwerk Groene Bureaus (NGB). Dit rapport is uitsluitend samengesteld voor gebruik door de opdrachtgever. Het rapport is alleen geldig in originele en volledige vorm. Ieder ander dan de opdrachtgever, die het rapport gebruikt zonder specifieke referentie, doet dit op eigen risico. Mateboer Milieutechniek accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Mateboer Milieutechniek uitgevoerde onderzoek.
Quickscan Ecologie, Nieuwleusenerdijk 1 te Zwolle, EC247162/SK
5
2
TOETSINGSKADER EN ONDERZOEKSMETHODE
2.1
Toetsingskader Omgevingswet
In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2024 geregeld in de Omgevingswet. Vanuit de Omgevingswet worden kernbepalingen beschreven in de geldende uitvoeringsregelgeving. Hierbij zijn voor ‘natuur’ het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), Omgevingsbesluit (Ob) en Omgevingsregeling (Or) van belang. De Omgevingswet regelt de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. De provincie is (in de meeste gevallen) bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden en beschermde dier- en plantensoorten. Daarmee zorgt zij tevens voor de verlening van vergunningen. Bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk bevoegd gezag.
2.1.1 Zorgplicht Een belangrijk overkoepelend instrument is de zorgplicht (artikel 1.6 -1.8 Omgevingswet), waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor de fysieke leefomgeving. Deze zorgplicht houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt, voor de fysieke leefomgeving: • dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel; • de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zo veel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Naast algemene regels kunnen overheden specifieke zorgplichten opnemen in hun verordeningen en omgevingsplannen. De specifieke zorgplicht zijn concrete maatregelen welke eenieder dient op te volgen als verantwoordelijke voor een voorgenomen activiteit: • welke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben (artikel 11.6 Bal); • welke betrekking hebben tot dieren en planten in het wild (artikel 11.27 Bal); • welke betrekking hebben op houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Een handeling valt onder een specifieke zorgplicht als degene die de activiteit verricht weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handeling nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving.
Het nalaten van de zorgplicht is een overtreding van de Omgevingswet en kan gevolgen hebben.
2.1.2 Soortenbescherming Binnen de Omgevingswet zijn veel dier en plantensoorten beschermd. Het gaat om soorten welke vallen onder het Europese belang van de vogel- en habitatrichtlijn en bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Binnen het Bal zijn regels opgesteld over flora- en fauna activiteiten om soorten te beschermen. Drie beschermingsregimes kunnen worden onderscheiden (zie tabel 2.1).
Quickscan Ecologie, Nieuwleusenerdijk 1 te Zwolle, EC247162/SK
6
Tabel 2.1: Beschermingsregimes voor beschermde soorten Beschermingsregime (artikel)
Lid
1a 1b 1c 1d 1a 1b Habitatrichtlijnsoorten, Bern 1c I en II en Bonn I (art. 11.46 1d Bal) 1e Vogelrichtlijnsoorten (art. 11.37 Bal)
1a Andere beschermde soorten 1b (art. 11.54 Bal) 1c
Schadelijke handelingen
Verboden opzettelijk doden/vangen Verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen/beschadigen Verboden eieren te rapen Verboden opzettelijk te verstoren Verboden opzettelijk doden/vangen Verboden opzettelijk verstoren Verboden eieren te vernielen/rapen. Verboden voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen/vernielen Verboden opzettelijk planten te plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen Verboden opzettelijk doden/vangen van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers vernoemd in onderdeel A Verboden opzettelijk beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaatsen van diersoorten als bedoeld in onderdeel A Verboden opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten als bedoeld in onderdeel B
De eerste twee beschermingsregimes sluiten nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime. Dit betreffen soorten van nationaal belang (bijlage IX Bal). Voor ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud zijn soorten vrijgesteld van artikel 11.54 van het Bal. Deze vrijgestelde soorten zijn genoemd in de omgevingsverandering van de desbetreffende Provincie. Bij het gebruik van de vrijstelling geleden wel aanvullende voorwaarden. Dit is afhankelijk van de soort, activiteit en het bevoegd gezag. Plannen/ingrepen dienen beoordeeld te worden op hun gevolgen voor beschermde soorten. Als uit de beoordeling blijkt dat er geen schadelijke handelingen uitgevoerd zullen worden, is het nemen van vervolgstappen niet nodig. Leidt de voorgenomen ingreep (mogelijk) wel tot een schadelijke handeling, dan is het nemen van vervolgstappen (bijvoorbeeld aanvullend onderzoek of het aanvragen van een vergunning flora en fauna activiteit) wel nodig.
2.1.3 Nesten De Omgevingswet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen van vogels. Het gaat om een bezet nest of een broedgeval. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen van de desbetreffende soort onder de bescherming van artikel 11.37 lid 1b van het Bal. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar door gebruiken of jaarlijks terugkeren, zijn jaarrond beschermd. Nesten die het gehele jaar door zijn beschermd zijn opgedeeld in vier categorieën. Naast de algemene broedvogels en categorie 1 t/m 4 soorten is er nog een vijfde groep broedvogels gecategoriseerd. Dit betreft categorie 5-soorten, welke niet jaarrond beschermd zijn tenzij zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen (zie tabel 2.2).
Quickscan Ecologie, Nieuwleusenerdijk 1 te Zwolle, EC247162/SK
7
Tabel 2.2: Jaarrond beschermde nesten Categorie
1. 2.
3. 4. 5.
Soort nesten
Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). Vogels die ieder jaar gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.
2.1.4 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden worden met een aanwijzingsbesluit vastgesteld (artikel 2.44 Omgevingswet). Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en wordt in Nederland beschermd middels de Omgevingswet. Deze wet biedt een beschermingskader voor de aangewezen beschermde gebieden. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuur(gebieden). De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden aan. Wanneer een activiteit plaatsvindt welke significante negatieve effecten heeft op een Natura 2000gebied spreken wij van een Natura 2000-activiteit. Leidt de ingreep (mogelijk) tot significante negatieve effecten op het Natura 2000-gebied dan zijn vervolgstappen (bijvoorbeeld aanvullend onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning) benodigd. Binnen het NNN mogen geen activiteiten worden mogelijk gemaakt die leiden tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte of samenhang van het NNN.
Tenzij, deze nadelige gevolgen tijdig kunnen worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijft. De provincies zijn verantwoordelijk voor de bescherming van het NNN. Plannen/ingrepen in het NNN dienen beoordeeld te worden op hun gevolgen voor het NNN. Leidt de ingreep (mogelijk) tot negatieve effecten, dan is het nemen van vervolgstappen (bijvoorbeeld compensatieplicht, aanvullend onderzoek of het aanvragen van een vergunning) benodigd. Naast het Natuurnetwerk Nederland zijn weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden nationaal beschermd. De specifieke gebieden zijn opgenomen in de omgevingsverordening van de desbetreffende Provincie. In de Provincie Overijssel zijn vier soorten weidevogelgebieden aangewezen, namelijk Open Grasland ‘kritische soorten’, Open Grasland ‘Niet kritische soorten’, Open Akkerland en Dooradering. Binnen de aanwezige Natura 2000-gebieden ‘IJssel (rijntakken)’, ‘Zwarte meer’, ‘De Wieden’, ‘Zwarte water’
Quickscan Ecologie, Nieuwleusenerdijk 1 te Zwolle, EC247162/SK
8
en ‘Engbertsdijkvenen’ zijn voor ganzen instandhoudingsdoelstelling (als niet-broedvogels) opgenomen. Deze Natura 2000-gebieden maken onderdeel van een ganzenrustgebied.
2.1.5 Houtopstanden Houtopstanden voorzien in de bescherming van het behoud van het aanwezige areaal aan bos in Nederland. Onder een houtopstand wordt verstaan: een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Binnen de Omgevingswet is geen minimale omvang gedefinieerd. Wanneer houtopstanden worden gekapt die vallen onder de Omgevingswet, geldt een meldingsplicht aan het bevoegd gezag (Gedeputeerde Staten en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)). Er is daarnaast een herbeplantingplicht van toepassing. Rijksregels over vellen en herbeplanten gelden niet voor de houtopstanden zoals genoemd onder artikel 11.111 van het Bal. Voor houtopstanden die vallen binnen de ‘bebouwingscontour houtkap’ (binnen omgevingsplan desbetreffende gemeente) is de gemeente bevoegd gezag. Voor het kappen van de houtopstand is dan mogelijk een omgevingsvergunning noodzakelijk. De vereisten (bijvoorbeeld hoeveelheid, dikte boom) voor wanneer een omgevingsvergunning benodigd is, kan per provincie/gemeente verschillen (opgenomen in bijvoorbeeld omgevingsplan). Daarnaast zijn ook beschermde bomen en struiken vastgelegd. Voor het kappen van deze bomen en struiken is een omgevingsvergunning noodzakelijk.
2.2
Onderzoeksmethode
Het onderzoek is uitgevoerd middels een bureauonderzoek en een veldbezoek. Bureauonderzoek Middels een bureauonderzoek is in beeld gebracht of het plangebied binnen of in de directe omgeving van een beschermd natuurgebied is gelegen. Tevens is nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten bekend zijn binnen het plangebied en in de directe omgeving ervan. Hiervoor is gebruik gemaakt van actuele verspreidingsgegevens (soortenverspreidingsatlassen) en zijn de bekende gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) ingezien (Nationale Databank Flora en Fauna, 2024). Veldbezoek De informatie uit het bureauonderzoek is als basis gebruikt bij het veldbezoek dat is uitgevoerd op 23 augustus 2024 door 5.1.2e van Mateboer Milieutechniek. De deskundig ecoloog voldoet aan alle van de door het Ministerie van LVVN genoemde voorwaarden, welke zijn gesteld voor een deskundige (RvO, 02-01-2024). Ten tijde van de inspectie was het gemiddeld 21°C, bewolkt met een matige zuidwestenwind (4 bft) en motregen. Met dit veldbezoek is beoordeeld of de soorten die in de bestaande gegevens zijn genoemd, ook daadwerkelijk in het gebied voorkomen of verwacht kunnen worden. Daarnaast is beoordeeld of ook andere beschermde soorten voorkomen of te verwachten zijn op basis van de aanwezige terreinkenmerken en het beheer.
Quickscan Ecologie, Nieuwleusenerdijk 1 te Zwolle, EC247162/SK
9
Effectbeoordeling Op basis van het bureauonderzoek en het veldbezoek is inzicht verkregen in de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten en gebieden binnen of rondom het plangebied. De voorgenomen planontwikkeling vormt de basis voor de effectbeoordeling. Binnen de effectenbeoordeling wordt een inschatting gemaakt van tijdelijke en langdurige effecten. De effectenbeoordeling is sterk afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare gegevens en duidelijkheid over de uit te voeren werkzaamheden en uitvoeringsplanning. In de effectenbeoordeling wordt ervan uitgegaan dat de werkzaamheden gedurende daglichtperiode worden uitgevoerd. Omdat de exacte werkzaamheden en uitvoeringsperiode en -duur nog niet bekend zijn, wordt in de effectenbeoordeling aangegeven in welke periode veel dan wel weinig (of geen) effecten worden verwacht. Wanneer aanvullend onderzoek noodzakelijk blijkt, is dat beschreven.
Quickscan Ecologie, Nieuwleusenerdijk 1 te Zwolle, EC247162/SK
10
3
PLANGEBIED EN BEOOGDE ONTWIKKELING
3.1
Huidige situatie
Het plangebied is gelegen in de omgeving van de Nieuwleusenerdijk in Zwolle, ten oosten van het knooppunt waar de A28 en de N340 samenkomen (zie bijlage 1 en figuur 3.1). Het plangebied bestaat uit kortgemaaid grasland dat aan de west- en oostkant omringd is door een sloot. Ten tijde van het veldbezoek was de sloot recent gebaggerd. In de sloten stond troebel water en aan de kanten van de sloten groeide onder andere riet, brandnetel, braam en haagwinde. De noordkant van het plangebied grenst aan een klein stuk perceel met onder andere hondsroos, spaanse aak en sleedoorn. Aan de oostkant van het plangebied is een dierenweide aanwezig en een groenstrook met onder andere rozenbottel, akkerdistel, schietwilg, grauwe wilg en jacobskruiskruid. Ten zuidoosten van de dierenweide en het plangebied bevindt zich de Nieuwleusenerdijk. Op deze doorgaande weg is veel verkeer aanwezig richting het hotel ten zuiden van het plangebied, de aanwezige P&R op een kilometer afstand en het aanwezige bedrijventerrein ten noordoosten van het plangebied. Aan de zuidkant van het plangebied is een vijver aanwezig. De vijver is omringd door onder andere riet, krulzuring, harig wilgenroosje, wolfspoot en grote kattenstaart. Aan de westkant van de vijver is een oeverzwaluwwal aanwezig. De vijver grenst aan het aanwezige hotel dat bestaat uit opgetrokken bakstenen en vele ramen.
Een impressie van het plangebied is weergegeven in figuur 3.2 t/m 3.7.
Figuur 3.1: Ligging plangebied.
Quickscan Ecologie, Nieuwleusenerdijk 1 te Zwolle, EC247162/SK
11
Figuur 3.2 Overzicht plangebied
Figuur 3.3 Sloot westkant plangebied
Figuur 3.4 Bosschage noordkant
Figuur 3.5 Dierenweide
Figuur 3.6 Oeverzwaluwwal
Figuur 3.7 Hotel
Quickscan Ecologie, Nieuwleusenerdijk 1 te Zwolle, EC247162/SK
12
3.2
Beoogde ontwikkeling
De opdrachtgever is voornemens om het gebied her in te richten. Hierbij zal een zonnepark geplaatst worden. Binnen het zonnepark zal spontane ontwikkeling van verschillende algemene soorten plaatsvinden. Rondom het zonnepark wordt een hek geplaatst. Buiten dit hekwerk wordt ingezaaid met middelhoog inheems bloemrijk graslandmengsel. Rondom deze grasstrook zullen verschillende inheemse planten en bomen aangeplant worden. Deze beplantingsstrook zal overgaan in gras en de sloot. De aanwezige sloten binnen en rondom het plangebied worden niet aangetast of gedempt. Het is nog onduidelijk wanneer de opdrachtgever voornemens is om de werkzaamheden uit te voeren. Ten behoeve van de herinrichting wordt ervan uitgegaan dat de aanwezige begroeiing binnen het plangebied worden verwijderd. Er wordt in de effectenbeoordeling van uitgegaan dat de werkzaamheden in de daglichtperiode worden uitgevoerd.
Quickscan Ecologie, Nieuwleusenerdijk 1 te Zwolle, EC247162/SK
13
4
GEBIEDSBESCHERMING EN HOUTOPSTANDEN
4.1
Gebiedsbescherming
In deze paragraaf wordt beschreven of het plangebied onderdeel uitmaakt van een beschermd natuurgebied en wordt beschreven of mogelijk effecten optreden door de planontwikkeling op nabijgelegen natuurgebieden. Zie bijlage 2 voor een overzichtskaart met nabijgelegen natuurgebieden.
4.1.1 Natura 2000-gebieden Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreffen de ‘Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht’. Dit gebied is gesitueerd op circa 600 meter ten westen van het plangebied. Toetsing Gezien de aard van de ingreep en de ruime afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied worden externe effecten zoals trillingen, verstoring door geluid en mechanische effecten niet verwacht. Gezien de aard van de ingreep doet de planontwikkeling naar verwachting geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. Een nader zoals een Natura 2000voortoets is niet noodzakelijk. Tijdens de bouwfase wordt een verhoogde waarde van stikstof in de lucht verwacht. Extra uitstoot als gevolg van de werkzaamheden kan een negatief effect hebben op de omliggende Natura 2000gebieden. Zowel tijdelijke als permanente toename van stikstofdepositie is niet toegestaan. Om na te gaan of de werkzaamheden zorgen voor een verhoogde stikstofdepositie op de Natura 2000gebieden wordt aanbevolen een AERIUS-berekening te laten uitvoeren.
4.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied is gesitueerd op circa 500 meter ten westen van het plangebied. Toetsing Het plangebied heeft geen status in het kader van Natuurnetwerk Nederland (NNN). De planontwikkeling heeft door de locatie, aard en omvang geen negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Vanuit het provinciale natuurbeleid is er daarom geen bezwaar tegen de voorgenomen ingreep. Een nadere beoordeling is niet nodig.
4.1.3 Weidevogelgebied Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een weidevogelgebied. Het dichtstbijzijnde weidevogelgebied is gesitueerd op circa 8 kilometer ten zuiden van het plangebied. Toetsing Het plangebied heeft geen status als beschermd weidevogelgebied. Vanuit het provinciale natuurbeleid ten opzichte van weidevogelgebied is er daarom geen bezwaar tegen de voorgenomen ingreep. Nadere toetsing aan het provinciale beleid omtrent weidevogels is derhalve niet noodzakelijk.
Quickscan Ecologie, Nieuwleusenerdijk 1 te Zwolle, EC247162/SK
14
4.2
Houtopstanden
Het plangebied ligt binnen de door de gemeente Zwolle vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Mogelijk aanwezige houtopstanden vallen derhalve niet onder de Omgevingswet. Er is derhalve geen sprake van een meldingsplicht aan het bevoegd gezag (Gedeputeerde Staten en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)). Omdat de houtopstand binnen de openbare ruimte valt dient getoetst te worden of een mogelijke houtopstand beschermd is in een gemeentelijke verordening. Toetsing Binnen het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig. Vervolgstappen ten aanzien van houtopstanden zijn niet van toepassing.
Quickscan Ecologie, Nieuwleusenerdijk 1 te Zwolle, EC247162/SK
15
5
SOORTENBESCHERMING
Dit hoofdstuk beschrijft de aangetroffen en te verwachten (beschermde) soorten en leefgebieden binnen het plangebied en de directe omgeving. Tevens is beschreven of de voorgenomen plannen effecten hebben op (beschermde) soorten en leefgebieden. Dit is getoetst aan de schadelijke handelingen uit de Omgevingswet. Indien het nemen van vervolgstappen (zoals soortgericht onderzoek of aanvragen van een vergunning flora- en fauna activiteit) noodzakelijk is, zal dit vermeld worden.
5.1
Flora
Op basis van de verspreidingsatlassen en de verspreidingsgegevens uit de Nationale databank Flora en Fauna zijn binnen het plangebied, de afgelopen vijf jaar, geen beschermde plantensoorten waargenomen. Ten westen van het plangebied op twee kilometer afstand zijn in 2019, 2021, 2022 meerdere waarnemingen van de waterteunisbloem en in 2022 van een grote waternevel bekend in NDFF. Deze waarnemingen zijn allen gedaan rondom een vijver bij een camping gevestigd op de Vechtdijk 1. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Op basis van de terreinkenmerken (kortgemaaid grasland), habitateisen en recente verspreidingsgegevens wordt het voorkomen van beschermde plantensoorten binnen het plangebied en binnen de invloedsfeer van het plangebied uitgesloten. Invasieve exoten Op 500 meter afstand ten noordwesten is in 2020 een waarneming bekend van een hemelboom. In 2021 is een waarneming bekend van een reuzenberenklauw op twee kilometer ten westen van het plangebied. Op twee kilometer ten zuiden van het plangebied is in 2022 een smalle waterpest waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn geen invasieve exoten waargenomen. Conclusie Aanvullende maatregelen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aan de orde.
5.2
Grondgebonden zoogdieren
Op basis van de verspreidingsatlassen en de verspreidingsgegevens uit de Nationale databank Flora en Fauna zijn in de omgeving van het plangebied (tot twee kilometer) diverse waarnemingen bekend van grondgebonden zoogdieren. Voor een aantal van de mogelijk voorkomende soorten (onder andere: haas, konijn, ree, vos) geldt in Overijssel een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Deze vrijstelling geldt niet voor de in de verspreidingsgegevens bekende bever, bunzing, das, egel, otter en steenmarter. Bever De waarnemingen van de bever zijn op ongeveer twee kilometer ten zuiden van het plangebied gedaan, rondom de Overijsselsche Vecht. Door het gebrek aan geschikt habitat voor de bever binnen het plangebied (geen moerassen, beken, rivieren en meren met langs de kant bomen als wilg en populier) en de afwezigheid van sporen kan de aanwezigheid van een bever binnen het plangebied en binnen de invloedsferen van de werkzaamheden worden uitgesloten. (Zoogdiervereniging, sd)
Quickscan Ecologie, Nieuwleusenerdijk 1 te Zwolle, EC247162/SK
16
Bunzing De dichtstbijzijnde waarneming van een bunzing betreft een in 2020 aangetroffen dood exemplaar op de Nieuwleusenerdijk. Dit exemplaar is op ongeveer 50 meter van het plangebied waargenomen. Binnen het plangebied zijn geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen van een bunzing aanwezig (takkenhopen, holen, struikgewas). Het is wel mogelijk dat een bunzing de sloten en oevers rondom het plangebied gebruikt als foerageergebied en verbindende elementen. Ook is het mogelijk dat een bunzing een verblijfplaats heeft in het bosschage ten noorden van het plangebied of in de groenstrook ten oosten van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van een bunzing zoals uitwerpselen of prooiresten aangetroffen. (BIJ12, 2024) Das Op ongeveer 1,5 kilometer is in 2021 een dode das aangetroffen op de Nieuwe Hessenweg. Door het gebrek aan geschikt habitat voor de das binnen het plangebied en de afwezigheid van sporen (zoals burchten, mestputjes, wissels) kan de aanwezigheid van een das binnen het plangebied en binnen de invloedssferen van de werkzaamheden worden uitgesloten. (BIJ12, 2017) Egel Rondom het plangebied zijn verschillende waarnemingen van egels bekend. De waarneming het dicht bij het plangebied betreft een dood exemplaar dat in 2021 op de Nieuwleusenerdijk is aangetroffen. Het voorkomen van de egel binnen en rondom het plangebied kan niet worden uitgesloten.
Echter biedt het plangebied geen dekking en verblijfplaatsen voor de egel in de vorm van rommelhoekjes en struikgewas. Het is mogelijk dat een enkele egel het plangebied gebruikt als foerageergebied. Ook is het mogelijk dat een egel een verblijfplaats heeft in het bosschage ten noorden van het plangebied of in de groenstrook ten oosten van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van egels, zoals uitwerpselen, aangetroffen. (Zoogdiervereniging, sd) Otter Op de A28 ten westen van het plangebied is in 2019 een dode juveniele otter waargenomen. Ook in 2022 is een dode otter aangetroffen, ditmaal aan de Nieuwleusenerdijk op ongeveer 100 meter van het plangebied. De omgeving van het plangebied blijkt dus gebruikt te worden door otters. Het plangebied zelf is niet geschikt als habitat van een otter door het gebrek aan verblijfplaatsen en geschikt leefgebied (schoon water met voldoende dekking). Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van een otter aangetroffen. (Zoogdiervereniging, sd) Steenmarter In 2019 is op de A28 ten westen van het plangebied een dode steenmarter aangetroffen. Binnen het plangebied zijn geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen van een steenmarter aanwezig (takkenhopen, holen, struikgewas, gebouwen). Het is wel mogelijk dat een steenmarter de sloten en oevers rondom het plangebied gebruikt als foerageergebied en verbindende elementen.
Ook is het mogelijk dat een steenmarter een verblijfplaats heeft in het bosschage ten noorden van het plangebied of in de groenstrook ten oosten van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van steenmarters zoals uitwerpselen of prooiresten aangetroffen. (Zoogdiervereniging, sd) Overige soorten Tijdens het veldbezoek zijn uitwerpselen van hazen gevonden. Het plangebied fungeert mogelijk als leefgebied voor de haas. Daarnaast zijn er meerdere molshopen en muizenholen aangetroffen binnen het plangebied (zie afbeelding 5.1 en 5.2). Molshopen en muizenholen kunnen ook gebruikt worden door de wezel als verblijfplaats. Door de aanwezigheid van muizen, dekking langs de randen van het plangebied en mogelijke verblijfplaatsen in de vorm van muizenholen, molshopen en het Quickscan Ecologie, Nieuwleusenerdijk 1 te Zwolle, EC247162/SK
17
bosschage ten noorden van het plangebied of de groenstrook ten oosten van het plangebied is het mogelijk dat het plangebied en de directe omgeving onderdeel uitmaakt van het leefgebied van een wezel.
Figuur 5.1 Molshopen
Figuur 5.2 Muizenhol (doorsnede 2,5 cm)
Conclusie Aangezien de werkzaamheden tijdelijk van aard zijn, deze in de daglichtperiode worden uitgevoerd, de biodiversiteit op het terrein zullen versterken en de voornoemde soorten de omgeving van het plangebied kunnen blijven gebruiken als onderdeel van hun leefgebied kunnen negatieve effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren worden voorkomen door te werken volgens een ecologisch werkprotocol en met ecologische begeleiding. Hierin worden maatregelen per soort (egel, bunzing, steenmarter en wezel) toegelicht om een schadelijke handelingen zoals genoemd in de Omgevingswet te voorkomen. Voor alle voorkomende soorten geldt te allen tijde de zorgplicht waar rekening mee gehouden dient te worden (zie hoofdstuk 2, paragraaf 1). Ten aanzien van het voorkomen van algemene soorten zoogdieren zijn aanvullende maatregelen van toepassing. Deze zijn benoemd in paragraaf 6.2.
5.3
Amfibieën
Op basis van de verspreidingsatlassen en de verspreidingsgegevens uit de Nationale databank Flora en Fauna zijn in de omgeving van het plangebied (tot twee kilometer) diverse waarnemingen bekend van amfibieën. Voor alle van de mogelijk voorkomende soorten (onder andere: gewone pad en kleine watersalamander) geldt in de provincie Overijssel een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Vanuit de verspreidingsatlas zijn geen waarnemingen bekend van beschermde amfibieën. Door het ontbreken van geschikt biotoop (zandgronden, geschikt landhabitat) en op basis van de verspreidingsgegevens kan het voorkomen van beschermde amfibieën binnen en rondom het plangebied worden uitgesloten.
Quickscan Ecologie, Nieuwleusenerdijk 1 te Zwolle, EC247162/SK
18
Conclusie Aanvullende maatregelen ten aanzien van beschermde amfibieën zijn niet aan de orde. Het plangebied kan wel fungeren als onderdeel van het leefgebied van algemene soorten zoals de gewone pad. Ook voor algemene soorten geldt te allen tijde de zorgplicht (zie hoofdstuk 2, paragraaf 1). Ten aanzien van het voorkomen van algemene soorten amfibieën zijn aanvullende maatregelen van toepassing. Deze zijn benoemd in paragraaf 6.2.