Bijlage 22 - Natuur Spooronderdoorgangen
Tekst van het document
De biotoopeisen van de in de omgeving waargenomen soorten worden in onderstaand kader beschreven. Ringslang De ringslang is in Nederland vooral gebonden aan het water in veen- en riviergebieden. De ringslang houdt zich bij voorkeur op in overgangssituaties, waar naast gelegenheid om te zonnen ook voldoende schuilplaatsen aanwezig zijn. De ringslang komt in de loop van maart bij de eerste warme dagen uit zijn winterslaap. In het najaar gaan de dieren op zoek naar geschikte overwinteringsplaatsen. De ringslang overwintert op droge vorstvrije plaatsen, zoals gaten tussen boomwortels en holen en gangenstelsels van konijnen en muizen [lit. 9].
Veldbezoek Tijdens het veldbezoek werden geen, onder de Wnb beschermde, reptielen aangetroffen. Gezien de stedelijke omgeving waarin het plangebied is gelegen, en de afwezigheid van oppervlaktewaterlichamen, vormt het plangebied geen geschikt biotoop voor ringslang. Ook in de directe omgeving van het plangebied is geen geschikt biotoop voor de soort aanwezig. Effecten en conclusie Door de afwezigheid van geschikt biotoop voor reptielen, kan worden uitgesloten dat beschermde reptielen binnen of direct rond het plangebied aanwezig zijn. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroep uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
1
Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige
2
Wees alert met het gebruik van puntwaarnemingen, een punt is niet per se een waarneming op die plek.
andere wijze openbaar gemaakt worden.
35 | 41
Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9
3.2.7
Vissen
In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De aanwezigheid en de verstoring van beschermde vissoorten is daarmee uit te sluiten. Nader onderzoek en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig.
3.2.8
Vlinders, libellen en andere ongewervelden
Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 3] zijn in de afgelopen vijf jaar binnen 3 km van het plangebied waarnemingen bekend van beekrombout, gevlekte glanslibel, grote vos, grote weerschijnvlinder en sleedoornpage, die zijn beschermd onder het beschermingsregime ‘Andere soorten’ van de Wnb (artikel 3.10). Alle soorten, met uitzondering van gevlekte glanslibel, zijn verschillende keren aangetroffen verspreid in de omgeving van het plangebied, waarbij waarnemingen van beekrombout, grote vos en grote weerschijnvlinder tevens op korte afstand < 100 m) van het plangebied zijn gedaan (afbeelding 3.14). Sleedoornpage wordt regelmatig aangetroffen in de groenstrook langs de N337, op circa 300 m afstand ten zuiden van het plangebied. Gevlekte glanslibel is slechts één keer waargenomen op grotere afstand van het plangebied. Daarnaast zijn in de omgeving van het plangebied ook verschillende waarnemingen bekend van de Habitatrichtlijnsoorten gevlekte witsnuitlibel, sierlijke witsnuitlibel, rivierrombout en teunisbloempijlstaart (afbeelding 3.14). Met betrekking tot gevlekte witsnuitlibel, sierlijke witsnuitlibel en teunisbloempijlstaart gaat het om slechts één waarneming per soort, op > 2,5 km afstand van het plangebied. Rivierrombout is verschillende keren aangetroffen ter plaatse van een zandstrand aan de IJssel, op circa 1,6 km afstand ten zuidwesten van het plangebied.
Afbeelding 3.14 Waarnemingen van beschermde soorten ongewervelden in de omgeving van het plangebied in de periode 2018 2023 [lit. 3].1,2
1
Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige
2
Wees alert met het gebruik van puntwaarnemingen, een punt is niet per se een waarneming op die plek.
andere wijze openbaar gemaakt worden.
36 | 41
Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9
De biotoopeisen van de in de omgeving waargenomen soorten worden in onderstaand kader beschreven. Teunisbloempijlstaart De laatste jaren breidt de teunisbloempijlstaart zich vanuit Zuid-Limburg naar het noorden uit; de meeste waarnemingen komen uit de provincie Limburg, maar er zijn ook enkele exemplaren waargenomen in andere provincies, waaronder Noord-Brabant en Gelderland. Het biotoop bestaat uit open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Waardplanten: wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart [lit. 10].
Grote vos De grote vos vliegt op warme, zonnige plekken in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote, vrijstaande bomen. Waardplanten zijn vooral de iepen maar ook wilgen en soms ook fruitbomen (zoete kers) of meidoorn [lit. 10].
Grote weerschijnvlinder De grote weerschijnvlinder komt voor in vochtige oudere loofbossen of wilgenbroekbos met open plekken erin. Vaak zijn het structuurrijke bossen of groepen samenhangende bosjes bestaande uit verschillende boomsoorten met beekdalen en paden met brede bermen in beekdalen. Waardplanten zijn de boswilg en soms grauwe wilg [lit. 10].
Sleedoornpage De sleedoornpage is een soort van (sleedoorn)struwelen, houtwallen, parken en bosranden van loofbos. De laatste jaren lijkt het leefgebied steeds meer te verschuiven naar tuinen en parken in stedelijk gebied, vooral rond de Veluwe. Waardplanten zijn de sleedoorn en enkele andere gecultiveerde Prunus-soorten (onder andere pruim) [lit. 10].
Gevlekte witsnuitlibel Zwaartepunt van de verspreiding ligt in de laagveengebieden van Noordwest-Overijssel, aangrenzend Friesland en het Vechtplassengebied. Daarnaast wordt de gevlekte witsnuitlibel steeds vaker waargenomen bij vennen op de hoge zandgronden en in de duinen van Noord-Holland. De larven leven tussen waterplanten in de verlandingszone van laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen [lit. 10].
Rivierrombout In Nederland wordt de Rivierrombout vooral langs grote rivieren aangetroffen. Bij meer door de mens beïnvloede rivieren (zoals in Nederland) bestaat de biotoop uit ondiep water met een glooiende, zandige oever tussen kribben. De kribben zorgen voor een plaatselijk lagere stroomsnelheid [lit. 10].
Sierlijke witsnuitlibel De sierlijke witsnuitlibel komt voor nabij stilstaande, ongestoorde wateren met een rijke submerse watervegetatie. De soort is te vinden langs beschutte wateroevers van veenplassen, vijvers en dode rivierarmen. De wateren zijn doorgaans omgeven door bos en hebben een (matig) voedselrijk karakter. Een goed ontwikkelde helofytenvegetatie op de oever is van groot belang voor deze soort. Het centrale deel van de waterpartij moet open zijn. Anders dan andere witsnuitlibellen zijn de wateren waar de sierlijke witsnuitlibel zich in voortplant visrijk. In Nederland is er een populatie in de Weerribben en omgeving, maar sinds 2018 wordt de soort ook elders in het land aangetroffen [lit. 10].
Beekrombout De beekrombout komen vaak voor in traag stromende laagland beken. Deze beken moeten zuurstofrijk zijn en moeten een zandige bodem hebben. Verder is het belangrijk dat het water niet te rijk is aan nitraten en fosfaten. Vrij meanderende beken en rivieren zijn ook geschikte wateren voor de soort. De waterkwaliteit is van groter belang voor de soort dan diversiteit van de omgeving en de structuur van de oevervegetatie. Larvenhuidjes worden vaak aangetroffen achter obstakels in het water waar een stromingsluwte is. In Nederland is het een zeldzame soort die voor komt in oostelijk Noord-Brabant, Limburg, de Achterhoek, Twente, het rivierengebied en langs de Overijsselse Vecht [lit. 10].
Gevlekte glanslibel De gevlekte glanslibel is een soort van matig voedselrijke moerassen waar de voortplantingswateren kwel gevoed zijn en zich voornamelijk bevinden nabij uitgestrekte riet- en zeggen ruigten. In de Weerribben bestaat het voortplantingsbiotoop voornamelijk uit sterk verlandende petgaten met weinig water. In Nederland komt de soort voornamelijk voor in de laagveengebieden van noord Nederland, de Kempen in Noord-Brabant en Midden-Limburg [lit. 10].
37 | 41
Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9
Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen vlinders, libellen en ongewervelden aangetroffen die onder de Wnb beschermd zijn. Binnen het plangebied is relatief weinig groen aanwezig, waardoor het gebied geen optimaal leefgebied vormt voor beschermde soorten ongewervelden. Ten aanzien van in de omgeving waargenomen beschermde soorten vlinders (grote vos, grote weerschijnvlinder, sleedoornpage) kan de aanwezigheid van een sporadisch passerend individu niet worden uitgesloten. Waardplanten voor deze soorten zijn echter binnen het plangebied niet aanwezig. Ook ten aanzien van teunisbloempijlstaart geldt dat een sporadisch passerend individu in het plangebied niet kan worden uitgesloten. Voor teunisbloempijlstaart zijn binnen het plangebied wel geschikte waardplanten aanwezig (teunisbloem, kattenstaart, wilgenroosje). Aangezien het binnen het plangebied ontbreekt aan oppervlaktewaterlichamen, biedt het gebied geen biotoop voor in de omgeving waargenomen beschermde soorten libellen (gevlekte witsnuitlibel, sierlijke witsnuitlibel, rivierrombout, beekrombout, gevlekte glanslibel). Effecten en conclusie Voor vrijwel alle beschermde soorten ongewervelden (m.u.v. teunisbloempijlstaart) geldt dat, door de afwezigheid van geschikt biotoop en waardplanten, kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden leiden tot negatieve effecten ten aanzien van deze soorten.
Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn voor deze soorten niet nodig. Enkel voor teunisbloempijlstaart zijn binnen het plangebied geschikte waardplanten aanwezig. Het voornemen leidt niet tot een wezenlijk effect op het leefgebied van de soort, aangezien teunisbloempijlstaart erg mobiel is en relatief lage eisen stelt aan zijn leefgebied. Er zijn dus in de directe omgeving voldoende uitwijkmogelijkheden. Wel kunnen eitjes of rupsen aanwezig zijn op waardplanten; indien dit het geval is vormt het verwijderen van deze waardplanten een overtreding van de Wnb. Aangezien het praktisch gezien onmogelijk is om tijdens de bouwwerkzaamheden de waardplanten te behouden, dient de aanwezigheid van de soort onderzocht te worden. Hierbij worden de waardplanten gecontroleerd op de aanwezigheid van eitjes of rupsen van teunisbloempijlstaart. Het onderzoek wordt uitgevoerd middels tenminste twee gerichte veldbezoeken in de periode juni - juli. Indien de teunisbloempijlstaart worden aangetroffen, is voor de desbetreffende werkzaamheden een ontheffing nodig in het kader van de Wnb, inclusief mitigerende/compenserende maatregelen.
Tabel 3.6 Overzicht effectbeoordeling ten aanzien van beschermde ongewervelden Soort
Verwachte functie plangebied
Doden of vangen (art. 3.5, lid 1/ art. 3.10, lid 1a)
Verstoren (art. 3.5, lid 2)
Eieren vernielen of rapen (art. 3.5, lid 3)
Beschadigen/vernielen leefgebied (art. 3.5, lid 4/ art. 3.10, lid 1c)
teunisbloempijlstaart
leefgebied
x
x
x
-
38 | 41
Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9
4 CONCLUSIE 4.1
Gebiedsbescherming
Natura 2000 Het optreden van fysieke effecten, zoals verstoring door oppervlakteverlies, geluid, licht, trilling of optische verstoring, en indirecte effecten zoals vernatting, verdroging, verzoeting en verontreiniging kan als gevolg van de afstand (minimaal 1,2 km) tussen het plangebied en omliggende Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Rijntakken als gevolg van een verhoogde stikstofdepositie kunnen echter niet worden uitgesloten. Een nadere effectbeoordeling naar de effecten van stikstofdepositie is nodig in de vorm van een ecologische beoordeling. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten het NNN. Omdat het plangebied geheel buiten het NNN valt, bestaan er vanuit het provinciale beleid geen belemmeringen.
4.2
Soortenbescherming
In de onderstaande tabel zijn de bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten samengevat. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen ‘maatregelen om overtreding Wnb te voorkomen’ en ‘benodigde mitigerende/compenserende maatregelen’ in het geval van een ontheffingsaanvraag. In de eerste categorie vallen maatregelen die voorafgaand aan of tijdens de uitvoering van het voornemen getroffen kunnen worden en waarmee de noodzaak tot verdere vervolgstappen vervalt. In de tweede categorie vallen noodzakelijke maatregelen waarmee de lokale staat van instandhouding van een soort gewaarborgd wordt, indien voor het voornemen een ontheffing nodig is in het kader van de Wnb.
39 | 41
Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9
Tabel 4.1 Samenvattende tabel soortenbescherming Soortgroep
Kans op overtreding Wnb?
Vervolgstappen nodig?
Ontheffing Wnb
Maatregelen om overtreding Wnb te voorkomen
Vervolgonderzoek (indien voorkomen overtreding Wnb niet of onvoldoende mogelijk)
Is ontheffing nodig?
Benodigde mitigerende/compenserende maatregelen
flora
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
niet van toepassing
grondgebonden zoogdieren
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
niet van toepassing
vleermuizen (foerageergebied/vliegroute)
ja, indien:
ja, door:
nee, mits maatregelen (zie kolom 3) in acht worden genomen
-
nee, mits met maatregelen (zie kolom 3) een overtreding wordt voorkomen
niet van toepassing
-
niet van toepassing
aangezien werkzaamheden met (piek)geluidbelasting > 80 dB worden uitgevoerd dienen aanwezige verblijfplaatsen binnen de verstoringscontour in kaart te worden gebracht middels aanvullend onderzoek
mogelijk, afhankelijk van uitkomst aanvullend onderzoek
ja, 3 mogelijkheden:
nee
nee, mits met maatregelen (zie kolom 3) een overtreding wordt voorkomen
foeragerende/overvliegende vleermuizen worden verstoord
werkzaamheden overdag uitvoeren en gebruik maken van vleermuisvriendelijk lichtbeheer
vleermuizen (verblijfplaatsen)
ja, indien:
-
-
verblijfplaatsen van vleermuizen worden indirect aangetast door verstoring
vogels
ja, indien broedparen worden verstoord
-
buiten het broedseizoen werken,
niet van toepassing
of
-
werkzaamheden voor het broedseizoen inzetten en continu doorwerken, of of plangebied ongeschikt maken voor broedvogels en/of vrijgave door deskundig ecoloog
amfibieën
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
reptielen
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
vissen
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
vlinder, libellen & ongewervelden
ja, indien eitjes of rupsen van teunisbloempijlstaart worden gedood
-
de aanwezigheid van eitjes en rupsen van de soort binnen het plangebied dient te worden onderzocht. Het onderzoek wordt uitgevoerd middels tenminste 2 gerichte veldbezoeken in de periode juni - juli
mogelijk, afhankelijk van uitkomst aanvullend onderzoek
40 | 41
Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9
niet van toepassing
niet van toepassing
5 LITERATUUR 1 2
natura2000.nl, geraadpleegd op 27 juli 2023. https://services.geodataoverijssel.nl/viewer/layer/B46_natuur_en_landschap/B46_Natuurnetwerk_Nederla nd, geraadpleegd op 27 juni 2023. 3 NDFF-ecogrid database (ndff.nl), geraadpleegd op 14 juli 2023. 4 waarneming.nl/waarneming/view/275587467 5 verspreidingsatlas.nl, geraadpleegd op 27 juli 2023. 6 zoogdierenvereniging.nl, geraadpleegd op 27 juli 2023. 7 vleermuis.net, geraadpleegd op 27 juli 2023. 8 vogelbescherming.nl; geraadpleegd op 27 juli 2023. 9 ravon.nl, geraadpleegd op 27 julli 2023. 10 vlinderstichting.nl, geraadpleegd op 27 juli 2023. 11 atlasleefomgevingnl/thema/geluid-in-je-omgeving/kaarten 12 Meijer, R.G., Dwarshuis, J.P., & Piening, K.R. (2018). Wat horen vleermuizen van door mensen geproduceerde geluiden? Lutra 61 (2): 297-320 13 https://www.infomil.nl/onderwerpen/geluid/functies/bouwlawaai-0/virtuele-map/afstandstabel 14 Feijen, J., & Alberts, A. (2023). Stikstofonderzoek Koggetunnel & Veeralleetunnel. Beoordeling ten aanzien van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Rapport 23-308. Ecogroen bv Zwolle.
41 | 41
Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 01
Bijlage(n)
I BIJLAGE: WETGEVEND KADER I.1
Wet natuurbescherming
I.1.1
Gebiedsbescherming
In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming zijn de bepalingen voor gebiedsbescherming vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. Nederland past een vergunningstelsel toe bij de bescherming van Natura 2000-gebieden. Projecten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000gebied, zijn volgens artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming vergunningplichtig. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden/ontwikkeling een significant negatief effect hebben op de beschermde natuurwaarden in het betreffende gebied. Indien significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een ‘passende beoordeling’ te worden uitgevoerd. In het geval de passende beoordeling niet de zekerheid verschaft dat er geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, moet de vergunning, c.q. de instemming, worden geweigerd, tenzij aan de ‘ADC-criteria’ voldaan wordt.
Dit betekent dat er geen alternatieven zijn (A), er sprake is van bij de wet genoemd belang (D) en dat door compensatie de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk gewaarborgd blijft (C). Effecten op Natura 2000-gebieden worden beoordeeld aan de hand van de IHD die in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden zijn vastgesteld. IHD betreffen zowel habitattypen als habitat- en vogelsoorten. In het kader van de alternatievenafweging wordt beoordeeld of er onderscheid is in de mate waarin de verschillende alternatieven effect hebben op de IHDen of er voor de verschillende alternatieven de kans bestaat dat significant negatieve effecten optreden.
I.1.2
Soortenbescherming
Onder de Wet natuurbescherming bestaat de soortenbescherming uit 3 beschermingsregimes: een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (§ 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (§ 3.2) en ‘Andere soorten’ (§ 3.3). Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. In de onderstaande tabel zijn de verbodsbepalingen waaraan getoetst wordt, weergegeven. In de navolgende paragrafen worden de verbodsbepalingen nader toegelicht.
Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Bijlage II | Concept 01
Tabel I.1 Overzicht verbodsbepalingen Beschermingsregimes Vogelrichtlijn §3.1 Wnb
Habitatrichtlijn §3.2 Wnb
Andere soorten §3.3 Wnb
Artikel 3.1, lid 1
Artikel 3.5, lid 1
Artikel 3.10, lid 1a
Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.
Artikel 3.1, lid 2
Artikel 3.5, lid 2
Artikel 3.10, lid 1b
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.
Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Artikel 3.1, lid 3
Artikel 3.5, lid 3
Artikel 3.10, lid 1c
Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.
Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
Het is verboden planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Artikel 3.1, lid 4 en lid 5
Artikel 3.5, lid 4
Het is verboden vogels opzettelijk te verstoren, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. Artikel 3.5, lid 5 Het is verboden planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Vogelrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten heeft betrekking op de soorten zoals aangeduid in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Dit betreft alle van nature in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied. Voor vogelsoorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden opzettelijk vogels te doden of te vangen; - het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten weg te nemen; - het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; - het is verboden vogels opzettelijk te storen. Het laatste verbod is echter niet aan de orde indien kan worden onderbouwd dat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het bepalen of sprake is van een wezenlijke invloed is per soort en per situatie maatwerk. De meeste vogelsoorten maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de hiervoor beschreven verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. Buiten het broedseizoen mogen deze nesten worden
Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Bijlage II | Concept 01
verwijderd of verplaatst, tenzij in specifieke situaties er een ecologisch zwaarwegend belang is om nesten die normaliter niet jaarrond beschermd zijn toch jaarrond te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer door een ingreep een groot deel van de nestgelegenheid van een bepaalde populatie dreigt te verdwijnen. Voor het verstoren van vogels (in het broedseizoen) is het verkrijgen van een ontheffing in principe niet mogelijk omdat bijna altijd een alternatief voorhanden is, namelijk werken wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming zijn altijd relevant voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten.
Jaarrond beschermde nesten zijn: 1 nesten die buiten het broedseizoen worden gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld steenuil); 2 nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop (bijvoorbeeld roek, gierzwaluw en huismus); 3 nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing (bijvoorbeeld ooievaar, kerkuil en slechtvalk); 4 vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd en ransuil). Habitatrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Habitatrichtlijnsoorten heeft betrekking op in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn. De verbodsbepaling voor flora heeft betrekking op soorten (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) uit bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern.
Voor deze fauna en flora van de Habitatrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden dieren opzettelijk te verstoren; - het is verboden eieren opzettelijk te vernielen of te rapen; - het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; - het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Als deze verbodsbepalingen voor deze soorten worden overtreden, moet een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. ‘Andere soorten’ Het beschermingsregime voor de ‘Andere soorten’ heeft betrekking op de soorten uit bijlage A en B bij de Wet natuurbescherming. Hierin zijn lijsten met overige plant- en diersoorten opgenomen die, buiten de Vogel- en Habitatrichtlijn om, nationaal beschermd worden. Voor deze soorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen; - het is verboden vaatplanten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Binnen de soortenlijsten in bijlage A en B bij de Wet natuurbescherming is geen onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar beschermde soorten.
Zowel het Ministerie van LNV als de provincies zijn bevoegd om binnen deze lijsten soorten aan te wijzen waarvoor een vrijstelling geldt of waarvoor aangepaste voorwaarden gelden in het geval van een ontheffingsaanvraag. Als er sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.
Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Bijlage II | Concept 01
Zorgplicht In artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht beschreven: ’Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving. Eenieder laat handelingen na, waarvan redelijkerwijs te vermoeden is, dat ze nadelig zijn voor in het wild levende dieren. Als dat nalaten in redelijkheid niet gevergd kan worden, dienen de gevolgen van dat handelen voor die dieren zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt te worden’. De zorgplicht geldt altijd. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Voorheen werd dit de ecologische hoofdstructuur (EHS) genoemd. Het betreft een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur de voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN verbindt alle grote en kleinere natuurgebieden en loopt door dorpen, steden en gebieden met natuurinclusieve landbouw. Ook water, zoals de grote rivieren, en een deel van de Waddenzee, het IJsselmeer, de Zeeuwse delta en de Noordzee horen bij het NNN. De provincies zijn verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.
Begrenzing en wezenlijke kenmerken en waarden De wezenlijke kenmerken en waarden van een NNN-gebied zijn van belang bij het bepalen of ruimtelijke initiatieven doorgang kunnen vinden. In het beginsel geldt de regel dat geen bestemmingswijzigingen mogelijk zijn als daardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied (per saldo) significant worden aangetast. Om te kunnen bepalen of de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied significant worden aangetast, moet het bevoegd gezag erop toezien dat hiernaar door de initiatiefnemer onderzoek wordt verricht. Om een zorgvuldige afweging te kunnen maken heeft de provincie de te behouden wezenlijke kenmerken en waarden per gebied gespecificeerd in het Natuurbeheerplan. Nee, tenzij-principe Het NNN wordt beschermd op grond van de Provinciale OmgevingsVerordening Overijssel. De regels ter bescherming van het NNN staan in artikel 2.7.3 van het provinciaal blad. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden aangeduid als NNN (voorheen EHS) wijzen geen bestemmingen aan of stellen geen regels die activiteiten mogelijk maken die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden.
Bij nieuwe ontwikkelingen in het NNN moet getoetst worden of er sprake is van significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Of een activiteit een significante invloed heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van het betreffende gebied is afhankelijk van de soort bedrijvigheid, de plek in het NNN-gebied en de natuurwaarden ter plaatse. Wordt significante aantasting aangetoond, dan is de ontwikkeling niet mogelijk, tenzij er sprake is van: - een groot openbaar belang; - er geen reële andere mogelijkheden zijn en; - de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd waarbij: · de compensatie niet mag leiden tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden; en · de compensatie plaatsvindt.
Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Bijlage II | Concept 01
II BIJLAGE: INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN NATURA 2000-GEBIED RIJNTAKKEN
Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Bijlage II | Concept 01
Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Bijlage II | Concept 01
Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Bijlage II | Concept 01
III BIJLAGE: INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN NATURA 2000-GEBIED UITERWAARDEN ZWARTE WATER EN VECHT
Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Bijlage III | Concept 01
Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Bijlage III | Concept 01
IV BIJLAGE: INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN NATURA 2000-GEBIED VELUWE
Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Bijlage IV | Concept 01
Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Bijlage IV | Concept 01
www.witteveenbos.com