CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 22 - Natuur Spooronderdoorgangen

Raad Besluitvormingsronde 16 december 2024, gemeente ZwolleBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui13.258 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Spooronderdoorgangen Spoorzone Zwolle D12 - Quickscan ecologie met veldbezoek

Gemeente Zwolle 1 september 2023

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Spooronderdoorgangen Spoorzone Zwolle Gemeente Zwolle

D12 - Quickscan ecologie met veldbezoek Concept 01 1 september 2023 136889/23-014.064

136889 Ing. W.P. de Vries Ir.drs J.L.C.M. van Daelen

V.A. van Os MSc L. Bovend’aerde MSc, A. Vellekoop Msc Ing. W.P. de Vries

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Projectomschrijving

5

1.2

Rapport

5

1.2.1 1.2.2 1.2.3

D12 - Quickscan ecologie met veldbezoek Doelstelling Scope rapport

5 5 6

1.3

Leeswijzer

10

2

GEBIEDSBESCHERMING

11

2.1

Natura 2000 (Wet natuurbescherming)

11

2.1.1 2.1.2

11 12

2.2

Gegevens Effecten en conclusie

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

13

2.2.1 2.2.2

13 14

Gegevens Effecten & conclusie

3

SOORTENBESCHERMING

15

3.1

Methode

15

3.2

Beschrijving per soortgroep

15

3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.2.5 3.2.6 3.2.7 3.2.8

15 19 24 30 33 34 36 36

Flora Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Vogels Amfibieën Reptielen Vissen Vlinders, libellen en andere ongewervelden

4

CONCLUSIE

39

4.1

Gebiedsbescherming

39

4.2

Soortenbescherming

39

5

LITERATUUR

41

Laatste pagina

Bijlage(n)

41 Aantal pagina's

I

Wetgevend kader

4

II

Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebied Rijntakken

3

III

Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebied Veluwe

2

IV

2

1 INLEIDING 1.1

Projectomschrijving

De komende jaren werkt de gemeente Zwolle samen met omwonenden, ondernemers, ontwikkelaars en overige betrokkenen aan de Spoorzone. De Spoorzone wordt een prominente plek om te wonen, werken, leren, studeren en ondernemen. Het ligt centraal tussen de historische binnenstad en de natuurlijke omgeving van de IJssel, met station Zwolle als verbinder. Het openbaar vervoer maakt het gebied gemakkelijk bereikbaar en verbindt de randstad met het noorden en oosten van het land. De komende jaren wordt het gebied met circa 3.500 nieuwe woningen, lokale maakindustrie, kantoren en voorzieningen uitgebreid. De huidige fietsinfrastructuur moet daarom worden aangepast. Door het onderzoeken en ontwerpen van een aanpassing aan de bestaande onderdoorgang (Koggetunnel) en de realisatie van een extra onderdoorgang (Onderdoorgang Veerallee) dragen we bij aan het verbeteren van actieve mobiliteit en het verkleinen van de barrière die het spoor voor fietsers vormt.

1.2

Rapport

1.2.1

D12 - Quickscan ecologie met veldbezoek

Dit rapport is een resultaatsproduct uit het project spooronderdoorgangen spoorzone Zwolle voor de gemeente Zwolle. Dit is een resultaat uit het werkpakket D12 - Quickscan ecologie met veldbezoek.

1.2.2

Doelstelling

De geplande werkzaamheden kunnen effecten hebben op beschermde natuurwaarden in en rondom het plangebied. In deze quickscan worden mogelijke effecten op aanwezige beschermde natuurwaarden door de geplande werkzaamheden beoordeeld en getoetst. Naast het bepalen van de effecten van het voornemen op beschermde gebieden en soorten, worden ook de juridische consequenties en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen, zoals een ontheffingsaanvraag en eventuele mitigerende en/of compenserende maatregelen, inzichtelijk gemaakt. Het doel van deze quickscan is om te toetsen: - welke effecten de werkzaamheden voor de realisatie van de twee spooronderdoorgangen hebben op: · beschermde gebieden (Natura 2000) in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb); · beschermde soorten in het kader van de Wnb; · het Natuurnetwerk Nederland (NNN); - wat de consequenties van deze mogelijke effecten zijn in het kader van de natuurwetgeving en het natuurbeleid (ontheffings- en/of vergunningaanvraag in combinatie met mitigerende/compenserende maatregelen).

5 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

1.2.3

Scope rapport

De projectscope is geometrisch beperkt door middel van scopegrenzen. Ten behoeve van de quickscan flora en fauna is voor het te onderzoeken plangebied deze projectscope aangehouden, waarbij in de praktijk ook de directe omgeving (buiten de scopegrenzen) is getoetst. De ligging van de projectscope/het plangebied is weergegeven in afbeelding 1.1 en afbeelding 1.2.

Afbeelding 1.1 Globale ligging van het plangebied te Zwolle

6 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Afbeelding 1.2 Ligging plangebied in detail

Deelgebied

De elg eb ied

Beschrijving plangebied Het plangebied bevindt zich te midden van een stedelijk omgeving, in de bebouwde kom van Zwolle (provincie Overijssel) en bestaat uit twee delen; het deelgebied voor de ‘Onderdoorgang Veerallee’ aan de noordoostzijde en het deelgebied voor de ‘Koggetunnel’ aan de zuidwestzijde. Beide deelgebieden worden begrensd door de Nieuwe Veerallee aan de noordwestzijde en het bedrijventerrein Hanzeland aan de zuidoostzijde. Ook kruisen beide deelgebieden het spoor (traject Zwolle - Wezep). Het deelgebied ‘Onderdoorgang Veerallee’ strekt zich verder uit tot aan de Hanzelaan aan de zuidzijde. Het deelgebied ‘Koggetunnel’ loopt langs het Koggepad tot aan de kruising met de Koggelaan aan de oostzijde. Binnen het plangebied bevindt zich geen bebouwing, wel is in het grootste deel van het plangebied een asfaltverharding aanwezig. Deze verharding omvat onder andere de parkeerterreinen aan de Hanzelaan en de Nieuwe Veerallee. De aanwezige bebouwing in de directe omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit kantoorpanden. Alle direct aan het plangebied grenzende bebouwing wordt gekenmerkt door platte daken en spouwmuren met open stootvoegen. In de relatief beperkte delen van het plangebied die in de bestaande situatie onverhard zijn is veelal een lagere vegetatie aanwezig (ingezaaid dan wel spontaan ontstaan) bestaande uit verschillende soorten grassen en kruiden.

Dit is onder andere het geval aan de zuidzijde langs het Koggepad, in de bermen van de Nieuwe Veerallee en langs de randen van een terrein van ProRail in het noorden van het plangebied. Ook zijn verspreid over het plangebied bomen aanwezig, waaronder lijnvormige beplantingen langs wegen en enkele solitaire bomen. De bomen beschikken niet over holtes, spleten, scheuren, loshangende bast en dergelijke.

7 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Binnen het plangebied is geen permanent oppervlaktewater aanwezig. Direct grenzend aan de noordwestzijde van het plangebied bevindt zich langs de Nieuwe Veerallee een watergang waarvan de oevers zijn beschoeid. Tevens bevindt zich een watergang net buiten het plangebied aan de oostzijde, ter hoogte van de kruising van het Koggepad en de Koggelaan. afbeelding 1.3 geeft een impressie van het deelgebied ‘Onderdoorgang Veerallee’. afbeelding 1.4 geeft een impressie van deelgebied ‘Koggetunnel’.

8 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Afbeelding 1.3 Impressie deelgebied ‘Onderdoorgang Veerallee’

9 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Afbeelding 1.4 Impressie deelgebied ‘Koggetunnel’

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is verkend of er effecten zijn te verwachten op beschermde gebieden die vallen binnen de Wnb. Hoofdstuk 3 beschrijft per soortgroep of er in of nabij het plangebied onder de Wnb beschermde soorten aanwezig zijn en wat de effecten van het voornemen op deze soorten zijn. In hoofdstuk 5 zijn de belangrijkste resultaten en conclusies samengevat. In hoofdstuk 6 is de geraadpleegde literatuur weergegeven. Het toetsingskader in relatie tot de natuurwet- en regelgeving is weergegeven in bijlage I.

10 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

2 GEBIEDSBESCHERMING 2.1

Natura 2000 (Wet natuurbescherming)

2.1.1

Gegevens

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de ‘Rijntakken’, op circa 1,2 km ten zuidwesten van het plangebied (afbeelding 2.1). Dit gebied heeft de status van Vogel- en Habitatrichtlijngebied [lit. 1]. Op iets grotere afstand (circa 3,0 km) ten noorden van het plangebied, ligt het Natura 2000-gebied ‘Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht’ (Vogel- en Habitatrichtlijngebied; [lit. 1]). Op circa 4,4 km afstand ten zuiden van het plangebied bevindt zich het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ (Vogel- en Habitatrichtlijngebied). Overige Natura 2000-gebieden (‘Olde Maten & Veenslootlanden’, ‘Zwarte Meer’ en ‘Veluwerandmeren’) bevinden zich op ruime afstand (> 10 km) van het plangebied.

Afbeelding 2.1 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden

11 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Hieronder wordt voor de nabijgelegen Natura 2000-gebied een korte beschrijving gegeven van het gebied en van relevante aandachtspunten met betrekking tot het gebied. Rijntakken Het Natura 2000-gebied Rijntakken omvat de vier deelgebieden Uiterwaarden IJssel, Uiterwaarden NederRijn, Gelderse Poort en Waal. Het dichtst bij het plangebied gelegen deelgebied is Uiterwaarden IJssel. Dit deelgebied omvat het systeem van de rivier de IJssel, de aanliggende oeverwallen en de uiterwaarden. De IJssel is een zijtak van de Rijn en loopt van Arnhem tot aan het IJsselmeer. Het landschap is ontstaan in een periode dat de rivier een veel groter deel van de waterafvoer verzorgde en de monding nog een echte delta was. De IJssel neemt in perioden van hoge afvoer 1/6 deel van de Rijnafvoer voor haar rekening. In perioden met lage afvoer wordt het water op peil gehouden door de stuw in de Neder-Rijn. Gedurende het winterhalfjaar kunnen grote delen van de uiterwaarden geïnundeerd raken. De overstromingsduur en frequentie variëren sterk van jaar tot jaar. Er zijn grote verschillen in het buitendijkse gebied, verschillen in hoogteligging, afwisseling tussen smalle en brede delen van tussen dichte kleinschalige en open delen. Plaatselijk treedt grondwater uit en monden beken uit in het IJsseldal. Zandige kalkrijke oeverwallen en rivierduinen worden afgewisseld met kleiige, vlakke stroomdalen [lit. 1].

Het Natura 2000-gebied is in totaal aangewezen voor negen habitattypen (onderverdeeld in 14 subtypen), 12 habitatrichtlijnsoorten, 12 broedvogels en 26 niet-broedvogels [lit. 1]. Een overzicht van deze habitattypen en soorten, en hun landelijke staat van instandhouding en doelstelling staat in bijlage II. Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht De uiterwaarden ten noorden van Zwolle, waar de Overijsselse Vecht samenstroomt met het Zwarte Water, danken hun bekendheid vooral aan de uitgestrekte kievitsbloemgraslanden. Het betreft verreweg de omvangrijkste groeiplaats van de wilde kievitsbloem (Fritillaria meleagris) in ons land en een van de bolwerken van deze soort in Europa. Daarnaast vormen de uiterwaarden een belangrijk rust- en foerageergebied voor weidevogels en voor soorten als kleine zwaan en kolgans. In natte, ruige graslanden broeden porseleinhoen en kwartelkoning [lit. 1]. Het Natura 2000-gebied is aangewezen voor elf habitat(sub)typen, vier habitatrichtlijnsoorten, vijf broedvogels en zeven niet-broedvogels [lit. 1]. Een overzicht van deze habitattypen en soorten, en hun landelijke staat van instandhouding en doelstelling staat in bijlage III. Veluwe De Veluwe is een in de ijstijden gevormd stuwwallandschap dat in Europa nauwelijks een evenknie heeft.

Dit grootste van onze Natura 2000-gebieden op het vasteland is voornamelijk begroeid met loof- en naaldbos van arme bodems. Deze wisselen af met omvangrijke heiden, stuifzanden, honderden vennen, landbouwenclaves en enkele beekdalen. Door zijn uitgestrektheid is de Veluwe een belangrijk gebied voor een groot aantal planten- en diersoorten van voedselarme milieus. Een aantal hiervan komt ins ons land niet buiten de Veluwe voor [lit. 1]. Het Natura 2000-gebied is aangewezen voor in totaal 19 habitat(sub)typen, zeven habitatrichtlijnsoorten en tien broedvogels [lit. 1]. Een overzicht van deze habitattypen en soorten, en hun landelijke staat van instandhouding en doelstelling staat in bijlage IV.

2.1.2

Effecten en conclusie

Fysieke effecten De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden bij het plangebied (‘Rijntakken’, ‘Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht’ en ‘Veluwe’) bevinden zich respectievelijk op circa 1, 3 en 4 km afstand. Overige Natura 2000gebieden liggen op ruim 10 km afstand van het plangebied. Vanwege de ligging van het plangebied buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden is van fysieke effecten tot in het Natura 2000-gebied als oppervlakteverlies en versnippering geen sprake. Ook effecten van verstoring door licht (’s avonds en ’s nachts werken), geluid en trillingen reiken, gezien de grote tussenliggende afstand, niet tot binnen Natura 2000-gebied. Daarnaast is ook geen sprake van negatieve effecten op de IHD van de Natura 2000 gebieden door ‘externe werking’; bijvoorbeeld doordat aangewezen soorten/populaties van het Natura 2000-gebied voor een deel

12 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

van hun levenscyclus voorkomen tot binnen de verstoringcontour van de werkzaamheden (buiten de grenzen van Natura 2000-gebied). De soorten van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn immers gebonden aan zeer specifieke biotopen (bijvoorbeeld bos, water, oever- en moerasvegetaties) die niet voorkomen in of rond het plangebied, en dus binnen de verstoringcontour van de werkzaamheden. Daardoor zijn negatieve effecten van werkzaamheden op goede instandhouding van deze populaties op voorhand uit te sluiten. Van negatieve fysieke effecten van de werkzaamheden op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden is dus geen sprake. Stikstofdepositie Door de aard en omvang van de werkzaamheden, in combinatie met de afstand (1,2 km) tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied(en) (Rijntakken) zijn effecten van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten. Uit een reeds uitgevoerde stikstoftoetsing blijkt dat zowel tijdens de aanlegfase als de gebruiksfase een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebied Rijntakken te verwachten is [lit. 14]. Een nadere effectbeoordeling in de vorm van een ecologische beoordeling is daarom noodzakelijk. Dit is reeds door de gemeente Zwolle uitgevraagd bij Witteveen+Bos.

Overige (indirecte) effecten Indirecte effecten op Natura 2000-gebieden zoals vernatting, verdroging, verontreiniging, verzoeting of verzilting kunnen als gevolg van de aard van het voornemen en de relatief grote tussenliggende afstand worden uitgesloten. Van negatieve indirecte effecten door de werkzaamheden op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden is dus geen sprake. Vervolgstappen in het kader van de Wnb onderdeel Gebiedsbescherming zijn niet nodig.

2.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

2.2.1

Gegevens

In de omgeving van het plangebied bevinden zich gebieden behorend tot het NNN-netwerk van de provincie Overijssel. De dichtstbijzijnde percelen van het NNN-netwerk zijn gelegen op een afstand van circa 300 m ten zuidwesten van het plangebied. De wezenlijke kenmerken en waarden van het dichtstbijzijnde deel van het NNN worden gevormd door de natuurbeheertypen ‘droog bos met productie’ en ‘rivier- en beekbegeleidend bos’ (afbeelding 2.2).

13 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Afbeelding 2.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van percelen behorend tot het natuurnetwerk van de provincie Overijssel [lit. 2]

2.2.2

Effecten & conclusie

Het plangebied ligt buiten en grenst niet aan een NNN-gebied. Het dichtstbijzijnde perceel waarop de beheertypen ‘droog bos met productie’ en ‘rivier- en beekbegeleidend bos’ aanwezig zijn ligt op circa 300 m afstand ten zuidwesten van het plangebied. Gezien het plangebied echter buiten de grenzen van het NNN ligt, en de Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Overijssel geen bepalingen ten aanzien van externe werking bevat, bestaan er vanuit het provinciaal natuurbeleid geen belemmeringen. Vervolgstappen zijn daardoor niet nodig.

14 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

3 SOORTENBESCHERMING 3.1

Methode

Om de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in of rondom het plangebied vast te kunnen stellen is een bureaustudie en een verkennend veldbezoek uitgevoerd. De bureaustudie bestond uit het raadplegen van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) [lit. 3]. Aanvullend hierop zijn, als daar aanleiding voor was, verspreidingsatlassen, internetbronnen en de op internet vrij verkrijgbare verspreidingsgegevens geraadpleegd. Ter verificatie van- en als aanvulling op de bureaustudie is een veldbezoek uitgevoerd op 2 augustus 2023. Soortgerichte inventarisaties en tellingen van afzonderlijke dier- en plantensoorten waren geen onderdeel van het veldbezoek; wel zijn toevallige waarnemingen van soorten of verblijfplaatsen genoteerd. Daarnaast is een habitatscan uitgevoerd. De inventarisatie is niet vlakdekkend en slechts indicatief, maar is voor deze fase voldoende gedetailleerd. Op basis van de biotoopeisen van beschermde soorten, het veldbezoek en de resultaten van de bureaustudie is bepaald of beschermde soorten leefgebied kunnen vinden in en nabij het plangebied en of daar nader onderzoek naar nodig is. Aan de hand van de geplande werkzaamheden en de verstoringgevoeligheid van soorten is vervolgens bepaald of negatieve effecten kunnen optreden, en of er sprake is van een overtreding van de Wnb.

3.2

Beschrijving per soortgroep

3.2.1

Flora

Bureaustudie Uit de NDFF [lit. 3] blijkt dat de afgelopen vijf jaar binnen 3 km van het plangebied de volgende beschermde plantensoorten zijn waargenomen: kartuizer anjer en wilde ridderspoor (afbeelding 3.1). Wilde ridderspoor werd een aantal keer waargenomen op een braakliggend veld nabij het centrum van Zwolle, op circa 1 km afstand ten noorden van het plangebied. Kartuizer anjer werd slechts één keer aangetroffen op een bedrijventerrein op circa 3 km afstand ten noordoosten van het plangebied. Het gaat hier vermoedelijk om een verwilderd exemplaar [lit. 4].

15 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Afbeelding 3.1 Waarnemingen van beschermde soorten flora in de omgeving van het plangebied in de periode 2018 - 2023 [lit. 3].1,2

De biotoopeisen van de in de omgeving waargenomen soorten staan beschreven in het kader hieronder. Kartuizer anjer Kartuizer anjer staat op zonnige, warme en droge, matig voedselarme en uitgesproken stikstofarme, basenrijke en vaak kalkhoudende grond (al of niet lemig zand en mergel) en ook op stenige plaatsen). Ze groeit in schrale- en kalkgraslanden, in bosschages langs bermen en dijken en op leisteenhellingen en zandsteenrotsen [lit. 5].

Wilde ridderspoor Wilde ridderspoor is te vinden op zonnige en vochtige, matig voedselrijke, kalkhoudende, zandige klei, in wintergraanakkers en op omgewerkte terreinen op kalkgrond. Ook rondom graansilo’s en graanoverslagbedrijven wordt deze soort aangetroffen [lit. 5].

Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten waargenomen. De vegetatie binnen het plangebied bestaat uit verschillende soorten grassen en kruiden, en enkele bomen. Soorten die onder andere tijdens het veldbezoek zijn waargenomen, zijn: boerenwormkruid, duizendblad, echte kamille, kattenstaart, luzerne, reigersbek, roos (species), teunisbloem (species), vlasbekje, wilde cichorei en wilgenroosje. afbeelding 3.2 geeft een impressie van de aanwezige (lagere) vegetatie. Er werden geen invasieve exoten aangetroffen zoals Aziatische duizendknoop en reuzenberenklauw.

1

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige

2

Wees alert met het gebruik van puntwaarnemingen, een punt is niet per se een waarneming op die plek.

andere wijze openbaar gemaakt worden.

16 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Afbeelding 3.2 Impressie bestaande vegetatie in verschillende delen van het plangebied

Bomen zijn verspreid over het plangebied aanwezig, zowel in de vorm van lijnvormige wegbeplantingen als solitaire bomen (afbeelding 3.3, afbeelding 3.4). Lijnvormige wegbeplantingen bevinden zich langs de Nieuwe Veerallee en langs het Koggepad. De bomen beschikken niet over holtes, spleten, scheuren, loshangende bast en dergelijke. De aanwezige vegetatie binnen het plangebied betreft algemeen voorkomende soorten kruiden en grassen. Het plangebied en de directe omgeving bieden geen geschikt biotoop aan beschermde flora. Kartuizer anjer en wilde ridderspoor, de in de omgeving waargenomen soorten, worden niet verwacht vanwege de afwezigheid van geschikt habitat (matig voedselarme, kalkhoudende grond). Ook overige beschermde flora zijn uitgesloten. De meeste onder de Wnb beschermde flora zijn immers zeldzaam tot zeer zeldzaam en komen voor in zeer specifieke biotopen. Voorbeelden van biotopen waar onder de Wnb beschermde flora lokaal kunnen voorkomen zijn loof- en naaldbossen, hakhout en struwelen op kalkrijke, humeuze, vrij voedselarme, compacte en lemige bodems. Ook in heiden en borstelgraslanden en in onbemeste riet- en hooilanden, leemrijke akker (vooral onder wintergraan), op rivierduintjes, in kalkgraslanden en lemige

17 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

blauwgraslanden, in duinvalleien en soms in het winterbed van rivieren komen de soorten voor. Daarnaast zijn er enkele soorten specifiek gebonden aan stenig substraat. Deze soorten zijn te vinden op rotsen, puinhellingen en oude (kalkrijke) muren. Op basis van de ligging en de aard van het plangebied (ligging in stedelijke omgeving) is het daardoor uitgesloten dat er binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen.

Afbeelding 3.3 Impressie aanwezige bomen binnen het plangebied. Linksboven: Bomen op Bedrijvenpark Hanzelaan 95; rechtsboven: platanen Nieuwe Veerallee; linksonder: bomenrij langs Koggepad; rechtsonder: bomen op parkeerterrein bij Dinoland

18 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Afbeelding 3.4 Bestaande bomen binnen het plangebied

Effecten en conclusie Uit de NDFF [lit. 3] blijkt dat er in de wijdere omgeving (< 3 km) van het plangebied gedurende de afgelopen vijf jaar slechts enkele waarnemingen zijn gedaan van de onder de Wnb beschermde flora. Op basis van de aangetroffen vegetatietypen en de aanwezige biotopen binnen het plangebied kan het voorkomen van onder de Wnb beschermde flora worden uitgesloten. Hierdoor zijn negatieve effecten voor deze soortgroep niet aan de orde. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.

3.2.2

Grondgebonden zoogdieren

Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 3] zijn in de afgelopen vijf jaar binnen 3 km van het plangebied waarnemingen bekend van een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten die beschermd zijn onder het beschermingsregime ‘Andere soorten’ van de Wnb, zoals haas, konijn, ree, vos en verschillende muizensoorten. Voor deze soorten geldt binnen de provincie Overijssel een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ingrepen. Ook zijn waarnemingen bekend van niet-vrijgestelde ‘Andere soorten’ van de Wnb: eekhoorn, egel, boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel (afbeelding 3.5). Met name eekhoorn is in grote aantallen waargenomen in verschillende groenzones in de omgeving van het plangebied, waaronder in een bomenrijk deel van de woonwijk direct ten noorden van het plangebied. Ook in het Prins Clauspark (circa 350 m ten noorden van het plangebied) en Spoolderbos (circa 500 m afstand ten zuiden van het plangebied) wordt de soort regelmatig waargenomen. Tevens is één waarneming van eekhoorn bekend binnen de begrenzing van het plangebied, hierbij gaat het naar verwachting om een fout in de locatie van de waarneming of een verdwaald individu. Ook egel wordt wijdverspreid door Zwolle waargenomen en komt naar verwachting overal voor in parken, achtertuinen en andere groenzones.

Van de in de omgeving waargenomen marterachtigen gaat het voor de meeste soorten om slechts één waarneming. Dit geldt voor

19 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

boommarter (1 waarneming op circa 1,7 km ten oosten van het plangebied), hermelijn (1 waarneming op circa 1,3 km ten zuiden) en wezel (1 waarneming op circa 2,2 km ten oosten). Voornamelijk steenmarter en daarnaast ook bunzing worden met meer regelmaat waargenomen verspreid in de bebouwde kom van Zwolle, waaronder ook op zeer korte afstand (< 100 m) van het plangebied. Gezien de verborgen levenswijze van de meeste marterachtigen vormt het ontbreken van grote aantallen waarnemingen van de meeste soorten geen goede indicatie voor de aanwezigheid. Daarnaast zijn in de omgeving van het plangebied ook waarnemingen bekend van de Habitatrichtlijnsoorten bever en otter (afbeelding 3.5). De waarnemingen van deze soort concentreren zich voornamelijk rond verschillende watergangen in de omgeving van het plangebied. Met name van otter zijn relatief veel waarnemingen bekend, waaronder in de watergang ter hoogte van de Koggelaan, direct aangrenzend aan de oostzijde van het plangebied. Waarnemingen van bever zijn uitsluitend bekend in en om de grotere watergangen in de wijdere omgeving van het plangebied (IJssel, Zwarte Water).

Afbeelding 3.5 Waarnemingen van beschermde soorten grondgebonden zoogdieren in de wijdere omgeving van het plangebied in de periode 2018 - 2023 [lit. 3].1,2

De biotoopeisen van de in de omgeving waargenomen niet-vrijgestelde soorten worden in onderstaand kader beschreven. Bever Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en els. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste; (open of rotsige oevers worden gemeden) [lit. 6].

1

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige

2

Wees alert met het gebruik van puntwaarnemingen, een punt is niet per se een waarneming op die plek.

andere wijze openbaar gemaakt worden.

20 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Otter De otter leeft in oeverzones met voldoende dekking en rust van allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. Maar ook in kustzones, rotskusten en estuaria. Ze leven in schoon en zoet water, waar voldoende voedsel, dekking en rust is. In brakke en zoute wateren (in Europa) komen ze alleen voor als er zoet water in de omgeving is, omdat ze dat nodig hebben voor het schoonhouden van hun pels en als drinkwater [lit. 6].

Boommarter De boommarter leeft bij voorkeur in bossen. Als behendige klimmer en springer kan hij zijn leefgebied vanaf de grond tot in de boomtoppen benutten. Bij de boommarter wordt al gauw gedacht aan oud (loof)bos. In Nederland klopt dat beeld in ieder geval niet; de boommarter komt hier in allerlei typen en leeftijden bos voor. Boommarters leven bijvoorbeeld ook in de jonge bossen van de Flevopolders en in Moerasbossen in Overijssel en Utrecht [lit. 6].

Bunzing De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt hij ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten [lit. 6].

Eekhoorn Het verspreidingsgebied van de eekhoorn strekt zich uit over heel Europa en Noord-Azië. Ze leven tot op een hoogte van 2000 meter. De eekhoorn komt in grote delen van Nederland voor, vooral in Drenthe, Overijssel, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Ook in de duinen van Noord- en Zuid-Holland komen eekhoorns voor. Tussen 1960 en 1970 brak een virusziekte uit waardoor de eekhoorn in het hele land zeldzaam werd. Na 1970 heeft herstel plaatsgevonden. Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied. Hun voorkeur gaat uit naar ouder bos (naaldbomen ouder dan 20 jaar en loofbomen ouder dan 40-80 jaar) omdat daar meer voedsel en nestgelegenheid is [lit. 6].

Egel De egel komt in vrijwel alle landschappen voor. De soort heeft een voorkeur voor tuinen, bosranden, loofbos (met ondergroei) en struwelen. Zelfs in steden komt de egel voor zolang er maar voldoende groen en beschutting aanwezig is [lit. 6].

Hermelijn De hermelijn heeft een voorkeur voor een waterrijke omgeving, maar komt ook in agrarische cultuurlandschappen voor. Voorwaarde is dat er voldoende dekking is. Bossen worden gemeden, evenals de bebouwde omgeving. De hermelijn leeft in een hol, meestal een oud mollennest of konijnenhol en verplaats zich meestal langs lijnvormige elementen die dekking bieden zoals heggen, muurtjes, oeverlijnen, et cetera. Ook maakt hij hierbij geregeld gebruik van holen van andere dieren. Een hol of gang moet een doorsnede hebben van vijf centimeter [lit. 6].

Steenmarter De steenmarter dankt zijn naam aan zijn voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De steenmarter komt vooral voor in parklandschap, maar ook in volkomen bosloze gebieden, steengroeven en rotsige hellingen. Hij is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig zelfs in grote steden (de steenmarter is een ‘cultuurvolger’). Hij heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt [lit. 6].

Wezel Wezels leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap, maar verder in veel verschillende biotopen (zoals bossen, duinen, wei- en akkerland). Meestal in droger gebied dan de hermelijn. Echter overal waar woelmuizen ontbreken, ontbreekt ook de wezel. Ze zoeken graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden en de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt [lit. 6].

Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van individuen of sporen van onder de Wnb beschermde grondgebonden zoogdiersoorten. Het plangebied biedt wel geschikt biotoop aan verschillende ‘Andere soorten’ van de Wnb waarvoor in provincie Overijssel een vrijstelling geldt, zoals verschillende algemeen voorkomende muizensoorten.

21 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Ook biedt het plangebied geschikt biotoop aan een soort als egel, een ‘Andere soort’ die binnen de provincie Overijssel niet is vrijgesteld. De bestaande groene delen binnen het plangebied kunnen door deze soort worden gebruikt als (onderdeel van het) foerageergebied en kunnen een geleidende functie vervullen. Lokaal kunnen tevens verblijfplaatsen aanwezig zijn. Aangezien het plangebied relatief open is (weinig beschutting), en een relatief hoge mate van verstoring kent, is echter uitgesloten dat het gebied een essentieel belang heeft als functioneel leefgebied voor egel. Het plangebied biedt geen geschikt biotoop aan overige niet-vrijgestelde ‘Andere soorten’ zoals kleine marterachtigen, boommarter, steenmarter of eekhoorn. Dit vanwege de afwezigheid van voldoende kleinschalige landschapselementen en beschutting (bosschages/bos), in combinatie met de geïsoleerde ligging in het landschap (geen groene verbindingsroutes met leefgebieden in omgeving) en de hoge mate van verstoring. Ten aanzien van kleine marters en eekhoorn kan mogelijk nog wel sprake zijn van een sporadisch passerend individu, gezien de aanwezigheid van de soort in de directe omgeving. Het plangebied biedt geen geschikt biotoop aan de Habitatrichtlijnsoorten bever en otter vanwege de afwezigheid van (oeverzones van) oppervlaktewaterlichamen.

De aanwezigheid van met name otter in de watergangen in de directe omgeving van het plangebied is wel aannemelijk, gezien het feit dat de soort hier is waargenomen. In de watergang waar de soort is waargenomen is een behoorlijk goed ontwikkelde oevervegetatie aanwezig, waardoor deze geschikt leefgebied vormt voor de soort (afbeelding 3.6).

Afbeelding 3.6 Impressie watergang aan de zuidoostzijde van het plangebied (waar waarnemingen van otter bekend zijn)

22 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Effecten en conclusie Het voorkomen van enkele soorten grondgebonden zoogdieren (‘Andere soorten’ van de Wnb) zoals algemeen voorkomende muizensoorten kan op basis van het aanwezige biotoop en de ligging van het plangebied niet worden uitgesloten. Voor deze soorten geldt binnen de provincie Overijssel een vrijstelling voor artikel 3.10 (doden van dieren of beschadigen/vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen) in het kader van ruimtelijke ingrepen. Een ontheffingsaanvraag en/of aanvullende maatregelen, dan wel compenserende maatregelen zijn voor deze vrijgestelde soorten niet nodig. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Egel, kleine marters, steenmarter, boommarter en eekhoorn zijn in de provincie Overijssel niet vrijgesteld. Voor deze soorten vormt het plangebied echter geen (essentieel) onderdeel van het leefgebied. Van aantasting/vernietiging van essentieel leefgebied van deze soorten als gevolg van de werkzaamheden is geen sprake. Het kan niet worden uitgesloten dat (sporadisch) individuen van deze soorten, met name egel, kleine marters en eekhoorn, aanwezig zijn binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden. Het verstoren van deze ‘bijlage A’ soorten is echter niet verboden. Tevens zijn het mobiele dieren die bij verstoring makkelijk kunnen uitwijken naar het beter geschikt leefgebied buiten de verstoringscontour.

Er is daarmee geen sprake van een negatief effect en/of overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb. Vervolgstappen in het kader van de Wnb (Andere soorten) zijn niet nodig. De aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren beschermd onder de Habitatrichtlijn is binnen het plangebied uitgesloten. Bever en otter komen voor in de (wijdere) omgeving, maar vinden binnen het plangebied geen geschikt leefgebied. De bestaande watergangen in de directe omgeving van het plangebied kunnen onderdeel uitmaken van het functioneel leefgebied van otter, echter reikt verstoring als gevolg van het voornemen niet tot in deze delen. De werkzaamheden leiden ten aanzien van deze soorten niet tot overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb. Vervolgstappen in het kader van de Wnb (Habitatrichtlijn) zijn niet nodig. Tabel 3.1 geeft een overzicht van de conclusie ten aanzien van beschermde soorten grondgebonden zoogdieren. Hierbij is aangegeven voor de te verwachten soorten of en welke Wnb verbodsbepalingen mogelijk worden overtreden.

Tabel 3.1 Overzicht effectbeoordeling ten aanzien van beschermde grondgebonden zoogdieren Soort

Verwachte functie plangebied

Doden of vangen (art. 3.5, lid 1/ art. 3.10, lid 1a)

Verstoren (art. 3.5, lid 2)

Beschadigen/vernielen leefgebied (art. 3.5, lid 4/ art. 3.10, lid 1c)

algemene (vrijgestelde) soorten zoals muizen

leefgebied

niet van toepassing (vrijstelling)

niet van toepassing (‘bijlage A’ soort)

niet van toepassing (vrijstelling)

egel

leefgebied (nietessentieel)

-

niet van toepassing (‘bijlage A’ soort)

-

23 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

3.2.3

Vleermuizen

Bureaustudie Alle soorten vleermuizen zijn in Nederland beschermd onder de Wnb en vallen onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn (HR). Volgens de NDFF [lit. 3] komen er tenminste zes soorten vleermuizen voor in de directe omgeving van het plangebied. Het betreft waarnemingen in de afgelopen vijf jaar binnen 3 km van het plangebied van overvliegende en/of foeragerende individuen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, meervleermuis en watervleermuis. Gewone dwergvleermuis is veruit de vaakst aangetroffen soort, met een groot aantal waarnemingen verspreid over de omgeving van het plangebied. Ook ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis worden regelmatig waargenomen in Zwolle (afbeelding 3.7).

Afbeelding 3.7 Waarnemingen van vleermuizen in de omgeving van het plangebied in de periode 2018 - 2023 [lit. 3].1,2

De biotoopeisen van de in de omgeving waargenomen soorten staan in onderstaand kader beschreven. Gewone dwergvleermuis (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen, in spouwmuren, achter betimmering en daklijsten, of onder dakpannen gevonden. Gewone dwergvleermuizen zijn plaatstrouw, maar gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden. Overwinterende gewone dwergvleermuizen worden vooral bij toeval gevonden in spouwmuren, onder dakpannen, achter betimmering en daklijsten. Daarnaast zijn ze ook in spleten in de muur van kerktorens, en in spleten in grotten, groeves, betonnen bruggen en parkeergarages en dergelijke gevonden. Ze kiezen temperatuurgevoelige winterslaapplaatsen. Bij vorst zoeken ze vaak verwarmde huizen op [lit. 7].

1

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige

2

Wees alert met het gebruik van puntwaarnemingen, een punt is niet per se een waarneming op die plek.

andere wijze openbaar gemaakt worden.

24 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Laatvlieger Kraamkolonies komen voor zover bekend alleen in gebouwen voor. Ze wonen in de spouwmuur, achter de betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. Laatvliegers bewonen een netwerk van verschillende huizen die op een afstand van hooguit enkele honderden meters van elkaar liggen. Ze verhuizen soms wel, maar zijn in principe erg plaats- en gebiedstrouw. In de winter zoeken laatvliegers nauwe en relatief droge plaatsen op zoals spouwmuren, spleten en scheuren in zolders, oude kelders en soms ook kieren dicht bij de ingang van grotten [lit. 7].

Meervleermuis Kolonies van meervleermuizen bevinden zich vrijwel altijd in gebouwen zoals op kerkzolders, in spouwmuren en onder dakpannen. In de winter verdwijnen de meeste meervleermuizen op mysterieuze wijze. In Nederland worden in de winter totaal ongeveer 400 meervleermuizen waargenomen. Voor zover we weten overwinteren meervleermuizen in Nederland in mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken en kelders. Ook worden af en toe dieren waargenomen in gebouwen. De vleermuis vliegt na zonsondergang uit, waarbij afstanden tot zo’n 10 km worden overbrugd [lit. 7].

Rosse vleermuis Kraamkolonies zijn hoofdzakelijk bekend uit laaggelegen gebieden in Noord-Duitsland en Nederland. De rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boombewonende soort. Zowel solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen, als dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. In Midden-Europa staat de rosse vleermuis bekend als een trekkende soort. Met behulp van ringonderzoek zijn in het verleden ook in Nederland waarnemingen gedaan die wijzen op trek. Anderzijds zijn er gebieden waar tijdens alle seizoenen rosse vleermuizen gevonden kunnen worden [lit. 7].

Ruige dwergvleermuis In het buitenland zijn verblijfplaatsen vooral aangetroffen in spleten en gaten in bomen, in nest- en vleermuiskasten, in gebouwen achter betimmeringen, achter daklijsten, onder dakbedekking en op zolders. Twee Nederlandse kolonies bewoonden spouwmuren. Vele solitaire mannetjes of kleine groepen zijn gevonden in spleten en gaten in bomen, achter loshangend schors en in kasten. Als winterverblijf zijn gebouwen (spouwmuur, dakpannen, betimmering), houtstapels, maar ook boomholtes en nest- en vleermuiskasten bekend [lit. 7].

Watervleermuis De watervleermuis is een boombewonende soort van half open tot gesloten, waterrijk en bosrijk landschap. Grotere dichtheden worden vooral daar gevonden waar zowel beschut water als ouder bos of oudere bomen aanwezig zijn. De verspreiding toont een duidelijke binding met de oudere bossen in de duinen in het westen van Nederland, en de bossen op de hogere zandgronden en het krijtlandschap in het oosten en zuiden van Nederland. Desondanks komt de soort ook voor in het laagland op plaatsen waar oudere bossen of parken aanwezig zijn. In het noordwestelijke laagland worden in bosarme omgeving soms kleine groepen op zolders gevonden [lit. 7].

Veldbezoek De bestaande bomen en opgaand groen binnen het plangebied kunnen door vleermuizen worden gebruikt als (onderdeel van het) foerageergebied. Het areaal aan opgaand groen is binnen het plangebied echter beperkt, en bovendien is hier naar verwachting relatief veel sprake van lichtverstoring (nachtelijke verlichting). Andere gebieden in de omgeving van het plangebied, zoals groenzones in de woonwijk ten noordwesten van de Veerallee en ten zuiden van de N337, vormen aantrekkelijkere foerageergebieden voor vleermuizen. Het is uitgesloten dat het plangebied essentieel foerageergebied voor vleermuizen vormt. Binnen het plangebied is de aanwezigheid van belangrijke vliegroutes voor vleermuizen uitgesloten. Ter plaatse van het Koggepad vormt de bestaande bomenrij hier een groene, lijnvormige verbinding. De boomkronen staan echter relatief ver uit elkaar (circa 4 m) (afbeelding 3.8), er is geen hop-over functie aanwezig over het spoor (het ontbreekt hier aan voldoende begroeiing), en bovendien is de omgeving relatief verstoord, en zijn er buiten het plangebied geschiktere alternatieven voorhanden.

25 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Afbeelding 3.8 Bomenrij langs het Koggepad

Tijdens het veldbezoek werd tevens de mogelijke aanwezigheid van verblijfplaatsen voor vleermuizen onderzocht. Binnen het plangebied bevindt zich geen bebouwing, waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten op voorhand is uitgesloten. Daarnaast beschikken de aanwezige bomen niet over holtes, spleten, kieren en dergelijke en zijn daarmee ongeschikt als verblijfplaats voor boombewonende vleermuissoorten. In de bestaande fietstunnel Veerallee zijn enkele holtes en spleten aanwezig, echter zijn deze ondiep en bieden dus ook geen geschikte verblijfplaats voor vleermuizen (afbeelding 3.9). Binnen het plangebied bevinden zich dus geen verblijfplaatsen van vleermuizen. De aanwezige bebouwing in de directe omgeving van het plangebied (< 50 m) kan wel dienst doen als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten. Deze bebouwing beschikt over een spouw met open stootvoegen (afbeelding 3.10). Daarnaast kunnen ook andere openingen, zoals spleten onder dakranden en openingen bij regenpijpen, geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen.

26 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Afbeelding 3.9 Spleten in bestaande fietstunnel Veerallee, deze zijn te ondiep om een geschikte verblijfplaats voor vleermuizen te vormen

27 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Afbeelding 3.10 Bedrijfspanden in de directe omgeving van het plangebied die geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen (rood omlijnd open stootvoegen die vleermuizen toegang kunnen verschaffen tot de spouw)

Effecten en conclusie Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied vormt geen (onderdeel van een) essentieel foerageergebied en/of essentiële vliegroute voor vleermuizen. Het is daarmee uitgesloten dat het voornemen leidt tot vernietiging van essentiële foerageergebieden of vliegroutes voor vleermuizen. Vleermuizen zijn tevens nachtactief en zeer mobiel, waardoor van doden van foeragerende/overvliegende dieren als gevolg van de werkzaamheden geen sprake is. Wel kunnen in de omgeving foeragerende en overvliegende vleermuizen worden verstoord, wanneer de werkzaamheden zorgen voor geluid, licht of trillingen in het gebied. Het verstoren (en daarmee tevens indirect aantasten van het leefgebied) van vleermuizen is onder de Wnb verboden. Deze vorm van verstoring is echter te voorkomen door

28 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

werkzaamheden uit te voeren buiten de actieve periode voor vleermuizen, bij daglicht (tussen een uur na zonsopkomst en een uur voor zonsondergang) en bij voorkeur in de winterperiode (december tot februari). Waar verlichting nodig is dient gebruik te worden gemaakt van efficiënt lichtbeheer. Dit kan door: - gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting; - het kunstmatig licht enkel daar te richten waar het ook daadwerkelijk nodig is (doelgericht); - gebruik te maken van armaturen die het licht door middel van een scherpe bundel één bepaalde kant (en weg van de aanwezige groenstructuren) richten; - gebruik te maken van aangepaste armaturen die verstrooiing van licht minimaliseren; - het aantal lampen, de lichtintensiteit en het gebruik van hoge lichtmasten met veel lichtverstrooiing te beperken; - voor en na de werkzaamheden het gebruik van kunstverlichting te beperken tot enkel verlichting ter beveiliging van opslagterreinen. Ook hiervoor gelden de bovenvermelde restricties. Verblijfplaatsen Binnen het plangebied bevinden zich geen mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen. Van vernietiging van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen of doden van dieren in de verblijfplaatsen is dus geen sprake. In bebouwing in de directe omgeving van het plangebied (< 50 m) zijn verblijfplaatsen mogelijk wel aanwezig.

Vleermuizen die gebruik maken van verblijfplaatsen in (de omgeving van) het plangebied kunnen als gevolg van de werkzaamheden worden verstoord; wat tevens een indirecte aantasting van de verblijfplaats betreft. Het verstoren en zo ook indirect aantasten van een vleermuis/verblijfplaats is een overtreding van de verboden van de Wnb. Echter is in de huidige situatie reeds sprake van relatief veel geluidsverstoring als gevolg van verkeer over wegen en spoor. De huidige geluidsbelasting bedraagt in het grootste gedeelte van het plangebied > 66 dB. Enkel langs het Koggepad ligt dit iets lager, rond de 61 - 65 dB [lit. 11]. Van soorten die zich hebben gevestigd in het plangebied kan worden aangenomen dat deze tot op zekere hoogte gewend zijn aan een dergelijke relatief hoge geluidsbelasting en zich hier mogelijk op hebben aangepast. Negatieve effecten op deze soorten als gevolg van een vergelijkbare (en tevens tijdelijke) bijkomende geluidsverstoring bij de uitvoering van de werkzaamheden zijn uit te sluiten. Werkzaamheden die (plotse) puls-geluiden veroorzaken met een hoge bronsterkte, zoals heien, kunnen echter wel leiden tot een geluidsverstoring die boven de bestaande geluidsbelasting ligt. Er wordt vanuit gegaan dat geluid van ≥ 80 dB kan leiden tot verstoring van vleermuizen [lit. 12].

Het heien van stalen buispalen produceert een bronsterkte van circa 140 dB, en kan tot op een afstand van 230 m nog een geluidsbelasting van 80 dB veroorzaken [lit. 13]. De omvang van de verstoringscontour is echter in hoge mate afhankelijk van het vermogen van het ingezette materieel, de bodemgesteldheid en het omliggende landschap. Het project bevat sloop- en heiwerkzaamheden met een geluidsbelasting boven de 80 dB. Er dient daarom te worden onderzocht of er in de bebouwing binnen de verstoringscontour van waar de werkzaamheden plaatsvinden verblijfplaatsen aanwezig zijn. De verstoringscontour is daarbij het gebied waarbinnen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden sprake is van een geluidbelasting ≥ 80 dB op gevels en muren van bebouwing. Dit kan aan de hand van een gericht vleermuisonderzoek conform de meest recente versie van het vleermuisprotocol (momenteel vleermuisprotocol 2021, vanaf begin 2024 wordt dit naar verwachting geactualiseerd). Indien uit het onderzoek volgt dat er binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, is voor de uitvoering van de verstorende werkzaamheden een ontheffing in het kader van de Wnb nodig.

29 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Tabel 3.3 Overzicht effectbeoordeling ten aanzien van vleermuizen Soort

Verwachte functie plangebied

Doden of vangen (art. 3.5, lid 1)

Verstoren (art. 3.5, lid 2)

Beschadigen/vernielen leefgebied (art. 3.5, lid 4)

alle vleermuizen

foerageergebied en vliegroute (marginaal geschikt/niet essentieel)

-

x

-

alle vleermuizen

verblijfplaatsen (in omgeving)

-

x

x

3.2.4

Vogels

Bureaustudie In de afgelopen vijf jaar werden binnen 3 km van het plangebied verschillende vogelsoorten waargenomen zoals zwarte roodstaart, kauw, groenling, merel en houtduif. Daarnaast werden in de omgeving van het plangebied ook verschillende soorten waargenomen waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Het betreft boomvalk, buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, kerkuil, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer en steenuil [lit. 3]. Het betreft vooral waarnemingen van overvliegende en foeragerende individuen. Van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, huismus, ransuil, roek, sperwer en steenuil zijn echter ook nest- en/of territorium-indicerende waarnemingen bekend of verblijfplaatsen vastgesteld (afbeelding 3.11). Het gaat hierbij voornamelijk om een groot aantal nestplaatsen van huismus, en in mindere mate van gierzwaluw, in de verschillende Zwolse woonwijken die zich rondom het plangebied bevinden. Nestplaatsen van boomvalk, ransuil en sperwer zijn aanzienlijk minder talrijk en bevinden zich voornamelijk in het buitengebied rondom Zwolle.

30 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Afbeelding 3.11 Waarnemingen van nest- en/of territorium-indicerend gedrag van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestplaats in de omgeving van het plangebied in de periode 2018 - 2023 [lit. 3].1,2

De biotoopeisen van soorten waarvan nest- of territorium-indicerende waarnemingen bekend zijn in de omgeving van het plangebied, staan in onderstaand kader beschreven. Boomvalk Broedt in allerlei typen bos, liefst in halfopen bos of aan de randen ervan, ook wel in solitaire bomen; bijna overal waar kraaien en eksters broeden. Dus ook regelmatig in populierensingels, op erven en in hoogspanningsmasten en in stadsparken. Concentraties boomvalken vaak waar veel libellen zijn [lit. 8].

Gierzwaluw Voor hun nestgelegenheid zijn gierzwaluwen afhankelijk van beschikbaarheid van gebouwen met geschikte holtes. Ze jagen boven uiteenlopende habitats in dorpen en steden. Al het voedsel wordt gevangen in de lucht, ze zijn gespecialiseerd in het vangen van insecten in volle vlucht. Daarvoor zoeken ze meestal de luchtlagen op die op dat moment de meeste insecten bevatten, en dat kan best een flinke hoogte zijn [lit. 8].

Huismus Huismussen stellen prijs op een rommelige menselijke omgeving, met struikgewas, schuren, weilanden met vee, gemorst graan en zo verder. Talrijkst in dorpen en in oudere buitenwijken, met rommelige tuinen. Als er veel hoge bomen staan, verdwijnt de huismus. De huismus heeft 2 tot 3 legsels per broedseizoen met elk 4 - 6 eieren. Broedduur: 11 - 12 dagen. Huismussen broeden in een los kolonieverband. Het nest wordt vooral gemaakt onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten, Het slordige nest bestaat uit takjes, stro, veertjes en hondenharen [lit. 8].

Ransuil De ransuil bewoont een groot scala aan leefgebieden, variërend van agrarische gebieden tot open bos, bosranden, parken, duinen, heiden, hoogvenen en moerasgebieden. In groot, aaneengesloten bos ontbreekt hij veelal. De ransuil broedt en roest bij voorkeur in naaldbomen, die hem de beste dekking bieden. Daarnaast ook in houtwallen, boomgroepen, hagen en zelfs solitaire bomen [lit. 8].

1

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige

2

Wees alert met het gebruik van puntwaarnemingen, een punt is niet per se een waarneming op die plek.

andere wijze openbaar gemaakt worden.

31 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Sperwer Broedt in bossen, soms tuinen en parken, meestal in een dicht, jong bos met naaldbomen (fijnspar, lariks), het liefst in halfopen landschappen. Soms ook in de stad of in tuinen, in open boerenland in windsingels, bosjes en op erven [lit. 8].

Veldbezoek Het plangebied biedt leefgebied aan verschillende algemene vogelsoorten, die hier kunnen foerageren en/of de (beperkte) aanwezige vegetatie als nestplaats kunnen gebruiken. Aangezien het plangebied grotendeels verhard is en een relatief hoge verstoring kent, heeft het beperkte waarde als foerageergebied of nestlocatie voor vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. Ook de bebouwing in de directe omgeving (< 50 m) van het plangebied is niet geschikt als nestplaats voor gebouwbewonende soorten met een jaarrond beschermd nest, zoals huismus en gierzwaluw. Tijdens het veldbezoek werden twee boomnesten aangetroffen in de groenstrook op het Bedrijvenpark Hanzelaan, in het noordelijke deel van het plangebied (afbeelding 3.12). Het betreft vermoedelijk oude nestplaatsen van ekster of zwarte kraai, die niet meer in gebruik zijn. Gezien de relatief slechte staat waarin de nesten verkeren is uitgesloten dat deze gebruikt worden door vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest, zoals sperwer of buizerd. Afbeelding 3.12 Locatie aangetroffen nesten in bomen

Effecten en conclusie Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zijn beschermd onder artikel 3.1 van de Wnb. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen (artikel 3.1 Wnb). Vogels met jaarrond beschermde nesten Binnen en in de directe omgeving (binnen verstoringscontour) van het plangebied is de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten uitgesloten. Ook is uitgesloten dat het plangebied een belangrijke functie heeft als functionele leefomgeving voor vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. Het incidenteel passeren

32 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

van een individu kan niet worden uitgesloten, maar gezien de stedelijke en relatief verstoorde omgeving waarin het plangebied is gelegen vormt dit geen essentiële functionele leefomgeving. Het voornemen leidt dus niet tot aantasting/vernietiging van jaarrond beschermde nesten of essentieel leefgebied; ook doden of verstoring van vogels op deze nesten is uitgesloten. Overige broedvogels Het onderzoeksgebied biedt leefgebied aan verschillende algemeen voorkomende broedvogels. Het voorkomen van algemeen voorkomende broedvogels gedurende het broedseizoen is dan ook aannemelijk. Voor aanwezige broedvogels geldt dat werkzaamheden tijdens het broedseizoen (maart tot en met september, afhankelijk van de soort) voor verstoring kunnen zorgen door trillingen of geluid. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) verboden is volgens de Wnb. Het verkrijgen van ontheffing voor het verstoren van broedvogels is meestal niet mogelijk.

De effecten op vogels en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb zijn namelijk gemakkelijk te voorkomen, te weten door in principe 3 mogelijkheden: - buiten het broedseizoen werken, dit met risico dat sommige vogels tot in september kunnen broeden; - de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt; - het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels en/of een vrijgave door een deskundig ecoloog. Als werkzaamheden plaats gaan vinden in het broedseizoen, moet een deskundige eerst vaststellen dat er geen broedende vogels aanwezig zijn in het plangebied. Wanneer kan worden geconstateerd dat in de directe omgeving van de werkzaamheden geen vogels broeden bij de start van de werkzaamheden, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Mochten er wel broedende vogels aanwezig zijn binnen de verstoringcontour van de werkzaamheden mag er pas worden gestart met de werkzaamheden als er niet meer gebroed wordt. Doorgaans zijn de meeste vogels rond half juli uitgebroed, er zijn echter vogelsoorten die tot in september broeden.

Tabel 3.4 Overzicht effectbeoordeling ten aanzien van vogels Soort

Functie

Doden of vangen (art. 3.1, lid 1)

algemene broedvogels

nestplaats

-

Nesten vernielen of wegnemen (art. 3.1, lid 2) x

Eieren rapen of onder zich hebben (art. 3.1, lid 3)

Opzettelijk storen (art. 3.1, lid 4)*

-

x

* Op basis van Wnb art. 3.1, lid 5 is het verbod, bedoeld in het vierde lid, niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

3.2.5

Amfibieën

Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 3] zijn in de afgelopen vijf jaar binnen 3 km van het plangebied waarnemingen bekend van amfibiesoorten die zijn beschermd onder het beschermingsregime ‘Andere soorten’ van de Wnb (artikel 3.10), zoals bruine kikker en gewone pad. Voor deze soorten geldt binnen de provincie Overijsel een algemene vrijstelling in het kader van ruimtelijke ingrepen. In de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van niet-vrijgestelde ‘Andere soorten’ amfibieën of amfibiesoorten beschermd onder de Habitatrichtlijn. Deze soorten worden hier op basis van verspreidingsgegevens en/of habitatvereisten ook niet verwacht [lit. 5]. In de wijdere omgeving van het plangebied is de aanwezigheid van rugstreeppad wel bekend (onder andere in de Vreugderijkerwaard, op circa 4,5 km afstand ten westen van het plangebied). Binnen de bebouwde kom zijn echter geen waarnemingen van de soort bekend.

33 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Veldbezoek Tijdens het veldbezoek werden geen, onder de Wnb beschermde, amfibieën aangetroffen. Gezien de (beperkte) aanwezigheid van groenzones in het plangebied, en de nabijheid van watergangen aan de oosten westzijde van het plangebied, kan het voorkomen van algemene soorten amfibieën (zoals bruine kikker, gewone pad) niet geheel worden uitgesloten. De aanwezige biotopen binnen het plangebied komen echter niet overeen met de biotoopeisen van minder algemeen voorkomende (niet -vrijgestelde) beschermde amfibieën. Effecten en conclusie Op basis van het aanwezige biotoop kan het voorkomen van algemeen voorkomende ‘Andere soorten’ amfibieën zoals bruine kikker en gewone pad niet worden uitgesloten. Voor het verstoren van deze soorten in het kader van ruimtelijke ingrepen geldt een algemene vrijstelling. De aanwezigheid van niet-vrijgestelde soorten is uitgesloten, gezien het ontbreken van geschikt biotoop voor deze soorten. Het voornemen leidt dus niet tot een negatief effect ten aanzien van deze soorten. Vervolgstappen in kader van het Wnb zijn niet nodig.

3.2.6

Reptielen

Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 3] zijn in de afgelopen vijf jaar binnen 3 km van het plangebied waarnemingen bekend van ringslang, een reptielsoort beschermd onder het beschermingsregime ‘Andere soorten’ van de Wnb (artikel 3.10). Het gaat om twee waarnemingen ten zuiden van het plangebied, op circa 1,2 en 2,0 km afstand (afbeelding 3.13). In de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van reptielsoorten beschermd onder de Habitatrichtlijn. Deze soorten worden hier ook niet verwacht op basis van verspreidingsgegevens en/of habitatvereisten.

34 | 41

Witteveen+Bos | 136889/23-014.064 | Concept 0.9

Afbeelding 3.13 Waarnemingen van beschermde soorten reptielen in de omgeving van het plangebied in de periode 2018 - 2023 [lit. 3].1,2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=9138aca6-ef92-478e-ac39-6191047feacb