Bijlage 2 Tabel Overzicht wijzigingen in de APV (inc. aanpassing gamecenters).docx
Tekst van het document
Overzicht wijzigingen in de APV 2023
Welk Huidige tekst artikel Artikel Te late indiening aanvraag 1:3 1. 1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing minder dan vier weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft wordt ingediend, kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. 2. 2. Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste twaalf weken.
Nieuwe tekst
Toelichting
-
Artikel 1:8
Weigeringsgronden De vergunning of ontheffing kan door het 1. bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu 2.
Weigeringsgronden 1. De vergunning of ontheffing kan door het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Artikel 2:2
Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek openstaande gebouwen en
-
Dit artikel is vervallen en vervangen door een soortgelijke weigeringsgrond in artikel 1.8, lid 2. Dit is om de volgende reden: de wetgever heeft in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten, mits de aanvrager de kans heeft gekregen om de aanvraag aan te vullen. Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten. Zoals bij artikel 1:3 al vermeld is kunnen gemeenten bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten. Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een –volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb.
Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor e aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Het tweede lid biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Dit artikel is vervallen. Bij arrest van 24 december 2021 heeft de Hoge Raad het in de APV opgenomen ‘colorverbod’ onverbindend verklaard, omdat dit in strijd is met het in artikel 7,
Artikel 2:10
daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij de rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Het plaatsen van voorwerpen in de openbare ruimte in strijd met de publieke functie ervan 1. Het is verboden de openbare ruimte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: a. het beoogde gebruik gevaar oplevert voor de bruikbaarheid of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud daarvan of schade toebrengt aan de openbare ruimte. b. van het beoogde gebruik niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het gebruik melding is gedaan aan het college op een door het college vastgesteld meldingsformulier. c. niet wordt voldaan aan de in lid 2 gestelde nadere regels. 2. Het college kan in het belang van de woonen leefomgeving en de bruikbaarheid openbare ruimte en het doelmatig en veilig gebruik daarvan, nadere regels stellen over handelingen als bedoeld in lid 1. Deze regels hebben betrekking op: a. het plaatsen van uitstallingen en reclameobjecten; b.
het plaatsen van terrasmeubilair en toebehoren. 3. Het college kan gebieden aanwijzen waar terrasmeubilair en toebehoren mogen worden geplaatst. 4. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. uitstallingen en reclameobjecten in winkelcentra of winkelstraten buiten de binnenstad, die zijn geplaatst in overeenstemming met afspraken die door de
derde lid, van de Grondwet neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting (ECLI:NL:HR:2021:1946).
Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen in de openbare ruimte in strijd met de publieke functie ervan 1. Het is verboden de openbare ruimte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: a. het beoogde gebruik gevaar oplevert voor de bruikbaarheid of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud daarvan of schade toebrengt aan de openbare ruimte; b. het beoogde gebruik niet kortdurend en niet noodzakelijk is; c. van het beoogde gebruik niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het gebruik melding is gedaan aan het college op een door het college vastgesteld meldingsformulier; d. niet wordt voldaan aan de in lid 2 gestelde nadere regels. 2. Het college kan in het belang van de woonen leefomgeving en de bruikbaarheid openbare ruimte en het doelmatig en veilig gebruik daarvan, nadere regels stellen over handelingen als bedoeld in lid 1. Deze regels hebben betrekking op: a. het plaatsen van uitstallingen en reclameobjecten; b. het plaatsen van terrasmeubilair en toebehoren. c. de bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie bij de uitvoering van bouwprojecten op door het college aangewezen plaatsen.
In het eerste lid staat een mogelijkheid om ander gebruik van de openbare ruimte welke niet schadelijk is voor de bruikbaarheid en niet belemmerend is voor beheer en onderhoud te melden. Dit is bedoeld voor steigers, afzetcontainer e.d. Maar in de praktijk bleek dat de meldingsplicht ‘gebruikt’ werd voor andere voorwerpen op/aan de weg. Om deze reden is in het eerste lid onder b een beperking van de meldingsplicht opgenomen. Het moet gaan om gebruik dat tijdelijk en noodzakelijk is (waarbij het aan de aanvrager is om aan te geven hoelang het beoogde andere gebruik gaat duren en waarvoor het noodzakelijk is). Om overlast van bouwprojecten zoveel mogelijk te beperken is in het tweede lid onder c de mogelijkheid tot het stellen van nadere regels m.b.t. de bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie bij de uitvoering van bouwprojecten op door het college aangewezen plaatsen, opgenomen.
winkeliersvereniging of door tenminste 70% van de winkeliers zelf, schriftelijk zijn gemaakt en die door het college zijn bekrachtigd. c. uitstallingen en reclameobjecten in winkelcentra of winkelstraten buiten de binnenstad waarvoor geen afspraken zijn gemaakt als bedoeld in dit lid onder b, die zijn geplaatst in overeenstemming met artikelen 2 lid a, 3 en 4 van de op basis van lid 2a gestelde nadere regels d. uitstallingen en reclameobjecten in alle overige delen van de stad (inclusief de binnenstad), die voldoen aan de op basis van lid 2a gestelde nadere regels; e. verwijsborden die voldoen aan de op basis van lid 2a gestelde nadere regels f. terrasmeubilair en toebehoren ten behoeve van terras waarvoor vergunning is verleend op grond van artikel 2.28 of 2.28a of die zijn geplaatst in de door het college aangewezen gebieden als bedoeld in 2.28a lid 2 en die voldoen aan de op basis van lid 2b gestelde nadere regels g. banners, vlaggen, wimpels of vlaggenstokken, voor zover zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; h.
voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijs kortstondig op de weg gebracht worden in verband met het laden en lossen ervan, mits geen schade wordt toegebracht aan de weg, het geen gevaar of belemmering vormt, en de voorwerpen of stoffen onmiddellijk na beëindiging van het laden en lossen, in elk geval voor zonsondergang, van de weg verwijderd worden en de weg hiervan gereinigd is; i. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, voor zover deze geen schade toebrengen aan de weg of geen gevaar of belemmering vormen; j. voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Omgevingsverordening Overijssel 2009;
3. Het college kan gebieden aanwijzen waar terrasmeubilair en toebehoren mogen worden geplaatst. 4. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. uitstallingen en reclameobjecten in winkelcentra of winkelstraten buiten de binnenstad, die zijn geplaatst in overeenstemming met afspraken die door de winkeliersvereniging of door tenminste 70% van de winkeliers zelf, schriftelijk zijn gemaakt en die door het college zijn bekrachtigd; c. uitstallingen en reclameobjecten in winkelcentra of winkelstraten buiten de binnenstad waarvoor geen afspraken zijn gemaakt als bedoeld in dit lid onder b, die zijn geplaatst in overeenstemming met artikelen 2 lid a, 3 en 4 van de op basis van lid 2a gestelde nadere regels; d. uitstallingen en reclameobjecten in alle overige delen van de stad (inclusief de binnenstad), die voldoen aan de op basis van lid 2a gestelde nadere regels; e. verwijsborden die voldoen aan de op basis van lid 2a gestelde nadere regels; f. terrasmeubilair en toebehoren ten behoeve van terras waarvoor vergunning is verleend op grond van artikel 2.28 of 2.28a of die zijn geplaatst in de door het college aangewezen gebieden als bedoeld in 2.28a lid 2 en die voldoen aan de op basis van lid 2b gestelde nadere regels; g.
banners, vlaggen, wimpels of vlaggenstokken, voor zover zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; h. voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijs kortstondig op de weg gebracht worden in verband met het laden en lossen ervan, mits geen schade wordt toegebracht aan de weg, het geen gevaar of belemmering vormt, en de voorwerpen of stoffen onmiddellijk na beëindiging van het laden en lossen, in elk geval voor zonsondergang, van de weg verwijderd worden en de weg hiervan gereinigd is; i. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, voor zover
k. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
Artikel 2:19
-
Artikel 2:26
Ordeverstoring bij evenementen of betaalde voetbalwedstrijden 1. Het is verboden bij een evenement of betaalde voetbalwedstrijd de orde te verstoren 2. Het is verboden bij een evenement of betaalde voetbalwedstrijd zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning indien: a. de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of
Artikel 2:28
deze geen schade toebrengen aan de weg of geen gevaar of belemmering vormen; j. voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Omgevingsverordening Overijssel 2009; k. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. Messen en andere voorwerpen als wapen 1. Het is verboden op door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen messen of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt bij zich te hebben. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen die zodanig zijn ingepakt, dat zij niet voor dadelijk gebruik gereed zijn. 3.Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp daarvan wordt voorzien bij of krachtens de Wet wapens en munitie. Ordeverstoring bij evenementen of betaalde voetbalwedstrijden Het is verboden bij een evenement of betaalde voetbalwedstrijd de orde te verstoren.
Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning indien: a. de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of
Ook in Zwolle lopen jongeren rond met messen op zak. Om hiertegen op te kunnen treden, is artikel 2:19 opgenomen. Deze bepaling geeft de burgemeester de bevoegdheid om openbare plaatsen aan te wijzen waar het verboden is om messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruik, bij zich te hebben. Deze bepaling werkt aanvullend op de Wet wapens en munitie. De Wet wapens en munitie regelt namelijk illegaal wapenbezit, terwijl het hier gaat om legale voorwerpen, zoals bijvoorbeeld zakmessen, die als steekwapen kunnen worden gebruikt. Het tweede lid is vervallen. Bij arrest van 24 december 2021 heeft de Hoge Raad het in de APV opgenomen ‘colorverbod’ onverbindend verklaard, omdat dit in strijd is met het in artikel 7, derde lid, van de Grondwet neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting (ECLI:NL:HR:2021:1946).
Technische wijziging; er stond nog een verwijzing naar de Drank & Horecawet en het bijbehorende besluit. Deze wet is echter vervangen door de Alcoholwet en het bijbehorende Alcoholbesluit. De tekst is hierop aangepast.
b. indien de aanvraag tevens betrekking heeft op een terras en een of meer van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.28a lid 3 van toepassing zijn. c. indien de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven. d. de exploitant en de leidinggevende niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt e. de exploitant en de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn f. de exploitant en de leidinggevende niet voldoen aan de eisen gesteld in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999, zoals dat luidt ten tijde van de aanvraag. 3. Het is verboden personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht toe te laten als bezoeker. 4. Het eerste lid geldt niet voor een openbare inrichting die zich bevindt in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit. 5. Voorts geldt het eerste lid niet voor een openbare inrichting: a. waarvoor op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet een vergunning is vereist; b. in zorginstellingen; c. in musea; d. in clubhuizen; e. in stationsrestauraties; f. in ziekenhuizen; g. in vrijwilligersorganisaties; h.
in scholengemeenschappen. 6. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de in het eerste lid genoemde vergunning, voor zover deze betrekking heeft op het terras, wijzigen indien de ligging of de afmetingen van het terras, door verandering in de omstandigheden wijzigen. 7.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
b. indien de aanvraag tevens betrekking heeft op een terras en een of meer van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.28a lid 3 van toepassing zijn; c. indien de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven; d. de exploitant en de leidinggevende niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt; e. de exploitant en de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; f. de exploitant en de leidinggevende niet voldoen aan de eisen gesteld in het Alcoholbesluit, zoals dat luidt ten tijde van de aanvraag. 3. Het is verboden personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht toe te laten als bezoeker. 4. Het eerste lid geldt niet voor een openbare inrichting die zich bevindt in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit. 5. Voorts geldt het eerste lid niet voor een openbare inrichting: a. waarvoor op grond van artikel 3 van de Alcoholwet een vergunning is vereist; b. in zorginstellingen; c. in musea; d. in clubhuizen; e. in stationsrestauraties; f. in ziekenhuizen; g. in vrijwilligersorganisaties; h. in scholengemeenschappen. 6.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de in het eerste lid genoemde vergunning, voor zover deze betrekking heeft op het terras, wijzigen indien de ligging of de afmetingen van het terras, door verandering in de omstandigheden wijzigen. 7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
Artikel 2:28a
Artikel 2:29
beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Terrassen bij openbare inrichtingen zonder exploitatievergunning 1. Indien een openbare inrichting waarvoor op grond van artikel 2.28 geen exploitatievergunning is vereist, beschikt over een terras, is het verboden om dit terras te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar dit verbod niet geldt. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de in het eerste lid bedoelde vergunning weigeren indien a. het beoogde gebruik gevaar oplevert voor de bruikbaarheid of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud daarvan of schade toebrengt aan de openbare ruimte. b. het terras hetzij op zichzelf, hetzij in relatie met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. c. het woon- en leefklimaat of de openbare orde in de omgeving van het terras op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de in het eerste lid genoemde vergunning wijzigen indien de ligging of de afmetingen van het terras, door verandering in de omstandigheden wijzigen. 5.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Terrassen bij openbare inrichtingen zonder exploitatievergunning 1. Indien een openbare inrichting waarvoor op grond van artikel 2.28 geen exploitatievergunning is vereist, beschikt over een terras, is het verboden om dit terras te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar dit verbod niet geldt. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de in het eerste lid bedoelde vergunning weigeren indien: a. het beoogde gebruik gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare ruimte of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud daarvan of schade toebrengt aan de openbare ruimte. b. het terras hetzij op zichzelf, hetzij in relatie met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. c. het woon- en leefklimaat of de openbare orde in de omgeving van het terras op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de in het eerste lid genoemde vergunning wijzigen indien de ligging of de afmetingen van het terras, door verandering in de omstandigheden wijzigen. 5.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 02.00 uur en 08.00 uur. 2. In afwijking van het eerste lid zijn op donderdag, vrijdag en zaterdag de terrassen, gesloten tussen 01.00 uur en 09.00 uur in de maanden september t/m juni en tussen 01.30 en 09.00 in de maanden juli en augustus. 3. In afwijking van het eerste lid zijn coffeeshops gesloten tussen 01.00 uur en 08.00 uur.
Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 02.00 uur en 08.00 uur. 2. In afwijking van het eerste lid zijn coffeeshops gesloten tussen 01.00 uur en 08.00 uur. 3. Openbare inrichtingen met een houder, in het bezit van een vergunning op grond van artikel 3, van de Alcoholwet, niet zijnde paracommerciële rechtspersonen, zoals bedoeld
Technische wijziging; in het derde lid, onder a, ontbraken de woorden ‘van de openbare ruimte’.
In de huidige APV is per abuis het artikel uit de voorgaande APV blijven staan, terwijl door de raad besloten was tot wijziging van het artikel. De juiste versie van het artikel is nu opgenomen.
4. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, derde lid, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 5. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 6. De burgemeester kan ten aanzien van de sluitingstijden nadere regels stellen. 7. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijden. 8. Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 9. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:34a t/m artikel 2:34e
-
artikel 1.1 13e gedachtestreepje van de Alcoholwet, zijn gesloten tussen 05:00 uur en 08:00 uur. 4. In afwijking van het derde lid zijn openbare inrichtingen, die uitsluitend of hoofdzakelijk gericht zijn op de verkoop van gerede eetwaren (snackbars, cafetaria’s), gesloten tussen 06:00 uur en 08:00 uur en verstrekken tussen 05:00 uur en 08:00 uur geen alcoholhoudende dranken. 5. Openbare inrichtingen die na 03:00 uur voor bezoekers zijn geopend, plaatsen bij de in- of uitgang een persoon die voldoet aan de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. 6. Op openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:28, derde lid, zijn de sluitingstijden van de winkel van toepassing. 7.Terrassen zijn gesloten tussen 01.00 uur en 09.00 uur. In de maanden juli en augustus zijn terrassen op zaterdag en zondag gesloten tussen 01.30 uur en 09.00 uur. 8. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 9. De burgemeester kan ten aanzien van de sluitingstijden nadere regels stellen. 10.De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijden. 11. Het eerste tot en met vierde lid, zevende lid en het tiende lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is voorzien. 12.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:34a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: • alcoholhoudende drank; • horecabedrijf; • horecalokaliteit; • inrichting; • paracommerciële rechtspersoon; • sterke drank;
In het kader van duidelijkheid en vindbaarheid, en conform het advies van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), zijn de regels m.b.t.de paracommerciële rechtspersonen in de APV opgenomen en niet meer in een aparte Verordening Paracommercie. Deze verordening zal bij inwerkingtreding van de APV worden ingetrokken.
• slijtersbedrijf; • zwak-alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1. Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sportieve aard verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank op: a. maandag tot en met donderdag na 19.00 uur en tot 0.00 uur; b. vrijdag na 19.00 uur en tot 01.00 uur; c. zaterdag na 12.00 uur tot 01.00 uur; d. zondag na 12.00 uur en tot 0.00 uur. 2. Paracommerciële rechtspersonen van sportieve aard met in overwegende mate een recreatief karakter is het toegestaan om in afwijking van het eerste lid op maandag tot en met vrijdag vanaf 14:30 uur alcoholhoudende drank te schenken. 3. Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sociaal-culturele aard en verzorgende aard verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank op: a. maandag tot en met donderdag en zondag na 12.00 uur en tot 0.00 uur; b. vrijdag en zaterdag na 12.00 uur en tot 01.00 uur; 4. Overige paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank op: a. maandag tot en met zondag na 12.00 uur en tot 04.00 uur. 5. Het college kan, gelet op bijzondere omstandigheden, op aanvraag besluiten om een paracommerciële rechtspersoon in een andere categorie te plaatsen. 6.
In afwijking van de leden 1, 2 en 3 mogen de daarbij genoemde paracommerciële rechtspersonen per kalenderjaar maximaal 10 dagen alcoholhoudende drank verstrekken van 12.00 uur tot 02.00 uur. 7. Voorafgaand dient van een afwijking van de schenktijden melding te worden gemaakt bij de gemeente Zwolle conform de door de
burgemeester vastgestelde 'lichte' meldingsprocedure. 8. Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon zijn betrokken. 9. Het gestelde in lid 8 is niet van toepassing op paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van verzorgende aard voor zover de bijeenkomsten van persoonlijke aard gericht zijn op patiënten of bewoners. 10. Het gestelde in lid 8 is niet van toepassing op paracommerciële rechtspersonen van culturele aard voor zover dit past binnen de statutaire doelstelling van deze rechtspersoon. Artikel 2:34c Beperking verstrekking alcoholhoudende dranken 1. Het is verboden, anders dan om niet, sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een inrichting: a. die uitsluitend of in hoofdzaak voor het geven van onderwijs wordt gebruikt; b. die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of -instellingen; c. die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of -instellingen; d. waarin of in een onderdeel waarvan uitsluitend of in hoofdzaak geringe eetwaren, zoals belegde broodjes, patates-frites en kroketten, worden verkocht; e.
die of waarvan een onderdeel in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaarvervoersbedrijf. 2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod. Artikel 2:34d Koppeling toegang aan leeftijden (Gereserveerd)
Artikel 2:34f
-
Artikel 2:34g
Artikel 2:35a
Artikel 2:34e Beperkingen voor andere detailhandel dan slijtersbedrijven (Gereserveerd) Verbod ‘happy hours’ Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.
-
-
Proeverijen in slijtlokaliteiten 1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit. 2. De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.
Aanwezigheid medewerker met diploma sociale hygiëne op vervoermiddel 1. De burgemeester kan vervoermiddelen, die bestemd zijn voor het vervoer van personen op de weg of op het openbaar water, waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt, aanwijzen die aan de in het tweede lid genoemde voorwaarde moeten voldoen. De aanwijzing kan beperkt worden in gebied en in tijd.
Door prijsacties met alcohol worden mensen gestimuleerd in korte tijd veel alcohol te gebruiken. Prijsacties met alcohol dragen niet bij aan de gezonde, veilige en leefbare stad die Zwolle wil zijn. Dit artikel verbiedt ‘happy hours’ in de horeca. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 25d van de Alcoholwet dat het mogelijk maakt om bij gemeentelijke verordening, ter bescherming van de volksgezondheid of in het belang van de openbare orde, regels te stellen over prijsacties voor alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse in een horecalokaliteit of op een terras. Het geeft de gemeente de mogelijkheid om op te treden tegen ‘happy hours’ waar tijdens bepaalde tijdspanne kortingen op alcoholhoudende drank wordt gegeven. Dit artikel is conform het artikel in de Model-APV. Het is voor slijters verboden in hun slijterij een proeverij te organiseren. Het is alleen toegestaan de klant te laten proeven indien hij daarom verzoekt en dat proeven moet bovendien gratis zijn (artikel 13, tweede lid, van de Alcoholwet). Artikel 25e van de Alcoholwet maakt het mogelijk om bij verordening vrijstelling te verlenen van dit verbod, zodat betaalde proeverijen in slijtlokaliteiten, onder voorwaarden, zijn toegestaan. Deze vrijstelling geldt voor alle slijters in de gemeente. Het nieuwe artikel 2:34g voorziet in die vrijstelling.
De voorwaarden waaraan een proeverij moet voldoen staan in artikel 6.1 van het Alcoholbesluit. Zo mogen maximaal één proeverij per dag en maximaal drie proeverijen per week worden gegeven. Soms wordt er op vervoersmiddelen bedrijfsmatig alcohol verstrekt met de daarbij behorende risico’s voor de volksgezondheid, op openbare ordeverstoringen en aantasting van de leefbaarheid; denk bijv. aan de zgn. bierfietsen, maar ook aan rondvaartboten. Toch geldt daarvoor geen vergunningplicht, op grond van artikel 1, derde lid, onderdeel a, van de Alcoholwet. In artikel 25g van de Alcoholwet wordt de mogelijkheid geboden dat bij gemeenteverordening gebieden en/of tijdstippen aangewezen kunnen worden waar het verplicht is dat op vervoermiddelen die bestemd zijn voor het vervoer van personen iemand aanwezig is die in het bezit is
2. Op door de burgemeester aangewezen vervoermiddelen is een medewerker aanwezig die voldoet aan de eis gesteld in artikel 8, derde lid van de Alcoholwet. Artikel 2:38 t/m artikel 2:40
Afdeling 9 Toezicht op speelgelegenheden 1 Artikel 2:38 Begripsbepalingen 1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de kansspelen vergunning is verleend; b. speelgelegenheden waarvoor de minister van Veiligheid en Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. 2. De burgemeester weigert de vergunning: a.
indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden en gamecenters Artikel 2:38 Begripsbepalingen 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een speelautomatenhal of gamecenter; b. exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die een speelautomatenhal of gamecenter exploiteert; c. gamecenter: een inrichting bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van verschillende soorten behendigheidsautomaten te laten beoefenen en waar geen kansspelautomaten of kermisautomaten aanwezig zijn; d. speelautomatenhal: een inrichting als bedoeld in artikel 30c, eerste lid aanhef en onder b, van de Wet op de kansspelen; 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel 2:39 Inrichtingen 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal of een gamecenter te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het in het eerste lid genoemde verbod is niet van toepassing op: a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de kansspelen vergunning is verleend; b. inrichtingen waarvoor de minister van Veiligheid en Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;
van een diploma sociale hygiëne, indien er bedrijfsmatig of anders dan om niet alcohol wordt verstrekt. In artikel 2:35a is deze verplichting opgenomen om de benoemde risico’s voor de volksgezondheid, openbare orde en leefbaarheid te beperken. De laatste jaren hebben zich verschillende initiatiefnemers gemeld met plannen voor een gamecenter (arcadehal met fun and gaming, in combinatie met horeca) in Zwolle. De wenselijkheid van een gamecenter in Zwolle is de afgelopen jaren integraal beoordeeld. Daarbij is ingegaan op de vraag of een gamecenter verslaving zou bevorderen of niet. De conclusie was dat dit niet het geval is, afhankelijk van het aanbod en de voorwaarden waaronder spellen worden aangeboden. Op dit moment kunnen aanvragen uitsluitend op basis van het bestemmingsplan worden beoordeeld. Er is geen andere regelgeving van toepassing op gamecenters, terwijl er wel behoefte bestaat aan sturing bij de vestiging van een gamecenter, zowel op kwaliteit als op integriteit. Daarom is besloten om de APV aan te passen en specifieke regels op te nemen voor gamecenters. Deze zijn opgenomen in afdeling 10 dat gaat over het toezicht op speelgelegenheden.
Om te voorkomen dat onduidelijkheid kan ontstaan over de vraag wat de gemeente verstaat onder een gamecenter is in de begripsomschrijving expliciet opgenomen dat in een gamecenter verschillende soorten behendigheidsautomaten aanwezig (moeten) zijn. Dit is in lijn met de doelstellingen van het voorstel, te weten het ontwikkelen van voldoende ontspanningsmogelijkheden voor jongeren in het centrum, waarbij sprake is van een daadwerkelijke toevoeging van het bestaande leisureaanbod. Ook sluit deze definitie beter aan bij de Regeling Gamecenter Zwolle en de bijbehorende Procedureregels, waarbij een van de gunningsvoorwaarden is “een plan waarin de plaatsing, het aantal en de verschillen tussen de behendigheidsautomaten worden vermeld”. Het aanbod blijft beperkt tot verschillende soorten behendigheidsautomaten. In een gamecenter zijn géén kermisautomaten en géén kansspelautomaten toegestaan. Hiermee wordt beoogd de risico’s die
b. indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 3. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
c. inrichtingen waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten; d. gamecenters die hoofdzakelijk een maatschappelijke en educatieve functie vervullen. 3. Van de vergunningen als bedoeld in het eerste lid wordt ten hoogste één vergunning verleend voor een speelautomatenhal en ten hoogste één voor een gamecenter. 4. Een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt getoetst aan de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 5. De burgemeester stelt nadere regels vast ten behoeve van het creëren van gelijke kansen om voor een vergunning in aanmerking te komen, waarbij in elk geval regels worden gesteld betreffende: a. de inhoud en wijze van indiening van een aanvraag; b. de verdelings- en toekenningsprocedure voor een vergunning. 6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:39a Weigering vergunning 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning: a. als het maximaal aantal af te geven vergunningen is verleend; b.
als de exploitatie van een speelgelegenheid of gamecenter in strijd is met een geldend bestemmingsplan; c. als het gamecenter niet zal worden geëxploiteerd in het door de gemeenteraad aangewezen gebied zoals aangegeven op de kaart in bijlage A bij deze verordening;
gepaard gaan met kansspelverslaving, onmatig speelgedrag, etc. te voorkomen. Door het uitsluitend aanbieden van behendigheidsautomaten, waarbij de speler invloed heeft op het verloop van het spel, wordt voorkomen dat minderjarigen deelnemen aan kansspelen. Op grond van bovengenoemde afwegingen is er ruimte voor 1 gamecenter. Door het aantal vergunningen te beperken valt de vergunning voor een gamecenter onder het schaarse vergunningstelsel. Als vestigingsgebied is gekozen voor het centrum. Dit gebied ligt niet midden in een kinderrijke woonwijk, maar biedt wel voldoende mogelijkheden voor vestiging.
d. als het gamecenter niet rechtstreeks vanaf de openbare weg of vanaf een centrale entree voor het publiek toegankelijk is; e. als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid of het gamecenter. Artikel 2:39b Vergunning gamecenter 1.De in artikel 2:39, eerste lid, genoemde vergunning voor een gamecenter is tijdelijk en wordt verleend voor een periode van maximaal 10 jaar. 2. De burgemeester vermeldt in deze vergunning in elk geval: a. de naam van de vergunninghouder; b. de naam van iedere exploitant en beheerder; c. de locatie waar het gamecenter is gevestigd; d. het aantal behendigheidsautomaten; e. een omschrijving van de inrichting met vermelding van de oppervlakte(n). 3. Aan de in artikel 2:39, eerste lid, genoemde vergunning voor een gamecenter worden in elk geval voorschriften verbonden met betrekking tot: a. de openingstijden; b. het toezicht in de het gamecenter en op de directe omgeving van de inrichting; c. het voorkomen van overlast en openbare ordeverstoring; d. de exploitatie van het gamecenter. 4. Onverminderd het bepaalde in het derde lid wordt aan elke vergunning het voorschrift verbonden dat: a.
het verboden is het gamecenter voor publiek geopend te houden als er geen, op de vergunning vermelde, exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is; b. als een exploitant of beheerder zijn hoedanigheid als zodanig verliest, de vergunninghouder dit binnen 7 dagen aan de burgemeester meldt.
Artikel 2:39c Leeftijdsgrenzen 1. Het is verboden in een speelautomatenhal de aanwezigheid toe te laten van een bezoeker als niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. 2. Het is verboden in een gamecenter de aanwezigheid toe te laten van een bezoeker als niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 14 jaar heeft bereikt, tenzij die bezoeker wordt begeleid en onder direct toezicht staat van een persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. 3. De vaststelling van de leeftijd als bedoeld in het eerste en tweede lid: a. geschiedt aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet op de identificatieplicht; b. blijft achterwege, als de persoon onmiskenbaar de vereiste leeftijd heeft bereikt. Artikel 2:39d Schorsing, intrekking en wijziging vergunning 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning schorsen, intrekken of wijzigen als: a. de ondernemingsvorm wijzigt; b. gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; c. een exploitant of beheerder, vermeld op de vergunning voor een gamecenter, niet meer als zodanig functioneert; d.
aannemelijk is, dat een exploitant of beheerder, vermeld op de vergunning voor een gamecenter, betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit het gamecenter, die een gevaar opleveren voor de openbare orde, de volksgezondheid of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het gamecenter; e. een exploitant of beheerder, vermeld op de vergunning voor een gamecenter, strafbare feiten in het gamecenter pleegt, dan wel toestaat of gedoogt dat in het gamecenter strafbare feiten worden gepleegd;
f. een exploitant of beheerder, vermeld op de vergunning voor een gamecenter, zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht, seksuele geaardheid of religie; g. zich in het gamecenter anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het gamecenter ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde. 2. De in artikel 2:39, eerste lid, genoemde vergunning vervalt van rechtswege als: a. de exploitant de exploitatie van zijn speelautomatenhal of gamecenter beëindigt; b.de exploitatie van de speelautomatenhal of het gamecenter voor een periode van langer dan zes maanden onderbroken is geweest; c. binnen twaalf maanden na verlening van de vergunning niet is gestart met de exploitatie van het gamecenter.
Artikel 2:48
Was artikel 2:49a Wordt 2:79
Verboden drankgebruik 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, en b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Artikel 2:49a Woonoverlast 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon, die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisadministratie personen is ingeschreven,
Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan. Verboden drankgebruik 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, en b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. Artikel 2:79 Woonoverlast 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of
Technische wijziging; er stond nog een verwijzing naar de Drank & Horecawet. Deze wet is echter vervangen door de Alcoholwet. De tekst is hierop aangepast.
In dit artikel is een zorgplicht opgenomen voor gebruikers en verhuurders van woningen om geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden te veroorzaken. De burgemeester kan op grond hiervan gedragsaanwijzingen geven aan overlastgevers in zowel huur- als koopwoningen en aan verhuurders. Tot
draagt er zorg voor dat door gedragingen, in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf, geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester is overeenkomstig artikel 151d van de Gemeentewet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het in het eerste lid bedoelde voorschrift indien de ernstige en herhaaldelijke hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan.
dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf, of e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
1 januari 2021 was de gedragsaanwijzing aan verhuurders alleen mogelijk als de persoon die overlast gaf niet als ingezetene in de desbetreffende gemeente stond ingeschreven. Met de inwerkingtreding van de Wet toeristische verhuur van woonruimte (Stb. 2020, 460) op 1 januari 2021 is die beperking vervallen. In verband hiermee is artikel 2:79 aangepast. Om woonoverlast beter tegen te gaan, geldt de zorgplicht voortaan in alle gevallen voor verhuurders van woonruimten. Dat betekent dat verhuurders zorgdragen dat de woningen die zij verhuren geen ernstige en herhaaldelijke hinder veroorzaken. Als de verhuurder zich niet of op een verkeerde manier inzet tegen ernstige en herhaaldelijke hinder, kan de burgemeester direct een verhuurder aanspreken en hoeft de burgemeester daarvoor niet eerst de huurder te hebben aangesproken. Dit is wenselijk wanneer verschillende huurders van dezelfde verhuurder hinder hebben veroorzaakt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in panden waar meerdere huurders wonen of waar huurders snel wisselen. De burgemeester kan dan dus – als ultimum remedium – direct aan een verhuurder een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen. Vanwege uitvoeringsproblemen m.b.t het tweede lid van dit artikel is besloten om het tweede lid aan te passen conform het betreffende lid uit de Model-APV van de VNG.
Artikel 2:58
Verontreiniging door honden 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Verontreiniging door honden 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 4. Degene die zich met een hond op een openbare plaats bevindt, is verplicht een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van de
Ook is de nummering aangepast conform de ModelAPV. In het kader van de handhaafbaarheid/uitvoerbaarheid is, op verzoek van de boa’s, het vierde lid toegevoegd.
uitwerpselen van de hond. De eigenaar of houder van de hond is verplicht dit hulpmiddel op eerste vordering van een toezichthoudend ambtenaar te laten zien. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. Artikel 2:60
Artikel 2:65
Houden dieren op hinderlijke of schadelijke wijze 1. Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; dan wel b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; dan wel c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven. 2. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het college is aangegeven. 3. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw om geld of andere zaken te bedelen.
Houden dieren op hinderlijke of schadelijke wijze 1. Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of beëindiging van overlast of van schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; dan wel b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; dan wel c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven. 2. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het college is aangegeven. 3. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.
Technische wijziging conform advies van de VNG.
Op grond van artikel 2:65 van de Model-APV is het verboden te bedelen op openbare plaatsen in een door het college aangewezen gebied. Wij voegen daar het motief ‘voorkoming of beëindiging van overlast’ aan toe. Aanleiding is een uitspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens, waarin hij oordeelt dat de menselijke waardigheid wordt aangetast als iemand niet beschikt over voldoende bestaansmiddelen en dat deze beschermd wordt door artikel 8 EVRM (het recht op de eerbiediging van het privéleven).
Dit recht kan op grond van artikel 8, tweede lid, EVRM beperkt worden, mits deze beperking een legitiem doel dient, een wettelijke basis heeft en noodzakelijk is voor de democratische samenleving. De laatste voorwaarde vereist een afweging van de belangen van het individu en die van de maatschappij. Veiligheidshalve nemen wij daarom het motief ‘voorkomen of beëindiging van overlast’ op in artikel 2:65. De bepaling is ook redactioneel aangepast. Technische wijziging begripsbepaling conform ModelAPV.
Artikel 2:71
Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.
Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit.
Artikel 2:74a
-
Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, in de openbare ruimte of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
In het kader van handhaafbaarheid is dit artikel op verzoek van de Boa’s en de politie toegevoegd.
Artikel 3:16 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutibedrijf (..)
Artikel 3:16 Minimale verhuurperiode werkruimte (Gereserveerd)
Technische wijziging. Onjuiste en onvolledige nummering (o.a. artikel 3:18 ontbrak) aangepast conform Model-APV.
4
Artikel 3:17 Raamprostitutie (..)
5
Artikel 3:19 Straatprostitutie (..)
Artikel 3:17 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf (..)
6
Artikel 3:20 Handhaving straatprostitutie (..)
2 Artikelen 3
3:16 t/m 3:20
Artikel 3:18 Raamprostitutie (..) Artikel 3:19 Straatprostitutie (..) Artikel 3:20 Handhaving straatprostitutie (..)
Artikel
7 4:9 8 9
10 Artikel 5:5
Artikel 5:6
Artikel 5:11
Verbod oplaten ballonnen 1. Het is verboden ballonnen vrij op te 11laten stijgen in de open lucht. Het is tevens verboden het oplaten van ballonnen in de open lucht te organiseren. 2. Onder een ballon als bedoeld in het 12eerste lid wordt verstaan: elke onbemande ballon die opstijgt door middel van open vuur of door middel van helium of andere gassen en waarvan de richting en/of hoogte niet door menselijk ingrijpen wordt bepaald. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Artikel 5:5 Voertuigwrakken (Vervallen)
Aanhangwagen, keetwagen, kampeermiddelen e.a. 1. Het is verboden een aanhangwagen, keetwagen of voertuig welke voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op campers die met inbegrip van voorzieningen niet langer zijn dan 6 meter en niet hoger zijn dan 2.40 meter. 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening Overijssel. Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het voertuig of een kleine wagen daarin te laten staan.
Verbod oplaten ballonnen 1. Het is verboden ballonnen vrij op te laten stijgen in de open lucht. Het is tevens verboden het oplaten van ballonnen in de open lucht te organiseren. 2. Onder een ballon als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: elke onbemande ballon die opstijgt door middel van open vuur of door middel van helium of andere gassen en waarvan de richting en/of hoogte niet door menselijk ingrijpen wordt bepaald. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel 5:5 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Aanhangwagen, keetwagen, kampeermiddelen e.a. 1. Het is verboden een aanhangwagen, keetwagen of voertuig welke voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op campers die met inbegrip van voorzieningen niet langer zijn dan 6 meter of niet hoger zijn dan 2.40 meter. 4.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening Overijssel. -
Technische wijziging; in lid 3 stond een verwijzing naar het verkeerde lid.
In het kader van handhaafbaarheid is dit artikel op verzoek van de Boa’s en de politie toegevoegd. Het artikel is conform de Model-APV.
Technische wijziging; het corrigeren van een kennelijke verschrijving: het woordje ‘en’ in het derde lid is aangepast naar het woordje ‘of’ net als in artikel 5:8, derde lid.
Zowel het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) als het ministerie van Verkeer en Waterstaat vinden dat de bepaling in strijd is met hogere regelgeving, namelijk artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). In verband hiermee is feitelijke handhaving/strafbaarstelling onmogelijk, is de bepaling een dode letter en kan deze dus vervallen.
Artikel 5:12
Artikel 5:18
2. Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 3. Dit verbod is niet van toepassing: a. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; en b. op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. Overlast van fiets of bromfiets 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan door het college vastgestelde perioden onafgebroken te laten staan. 3. Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op of aan de weg te laten staan. Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning: a. wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; b.
indien de standplaats niet staat aangegeven op de door het college vastgestelde standplaatsenkaart. 3. De weigeringsgronden als bedoeld in het tweede lid zijn niet van toepassing als de vergunningaanvraag betrekking heeft op een incidentele standplaats. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: