CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 128243-21-017.299-rapd-Vormvrije m.e.r.-beoordeling Weezenlanden.pdf

Raad Besluitvormingsronde 7 maart 2022, gemeente ZwolleBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Weezenlanden Noord15.876 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het ongeschikt maken van de gebouwen gebeurt door te werken met exclusion flaps. Niet gebruikte openingen worden dan dichtgemaakt en gebruikte openingen dienen voorzien te worden van een exclusion flap. Vleermuizen kunnen dan nog wel eenmalig naar buiten, maar daarna niet meer terug naar binnen.

11. Minimaal 5 dagen na het ongeschikt maken van een gebouw vindt een check door een ecologisch deskundige op het gebied van vleermuizen plaats om vast te stellen of er daadwerkelijk geen vleermuizen meer aanwezig zijn in de bebouwing. Als er geen vleermuizen meer aanwezig zijn, dan kunnen ook de resterende openingen worden dichtgemaakt en vervolgens de werkzaamheden worden gestart. Zijn er nog wel vleermuizen aanwezig in gebouwen, dan zal in samenspraak met de ecologisch deskundige worden gekeken welke aanvullende maatregelen moeten worden getroffen, zoals bijvoorbeeld het maken van grote gaten in gevels om tocht in de spouw te creëren. Deze procedure wordt herhaald totdat geen vleermuizen meer aanwezig zijn in de bebouwing. De sloopwerkzaamheden mogen pas starten als uit de controle blijkt dat er geen vleermuizen meer aanwezig zijn in de te slopen bebouwing. 12. Gebouwen 4, 5 en 6 die vanwege de fasering pas later worden gesloopt dienen als tijdelijke uitwijkmogelijkheid voor de vleermuizen die zich in de gebouwen 1 en 2 bevinden. In de gebouwen 4, 5 en 6 worden op strategische plekken de roostertjes die niet toegankelijk zijn in samenspraak met de ecologische deskundige verwijderd. Of er wordt een ruimte tussen de roosters en de gevel gecreëerd waar vleermuizen langs kunnen om in de spouw te komen. Per gevel moet u minimaal 2 extra openingen aanbrengen.

Als dat bij de aanwezige roosters kan, dan is dat het eenvoudigst. Als dat niet kan, dan worden er open stootvoegen geboord van minimaal 4 bij 1 cm (h x b). U voert deze maatregel uit voorafgaand aan de sloop van gebouw 1. Indien open stootvoegen geboord gaan worden, dan dient u dat te doen buiten de kwetsbare perioden van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Permanente maatregelen 13. Gebouw A wordt deels voorzien van een gemetselde buitengevel. Conform het Bouwbesluit bevat dit gebouw een spouw die via open stootvoegen toegankelijk gemaakt wordt voor de gewone dwergvleermuis. Alle stootvoegen in de bovenste helft van de gemetselde gevels blijven open en geven toegang tot de achtergelegen spouw. De ruimte in de spouw tussen het isolatiemateriaal en de buitenmuur dient minimaal twee centimeter breed te zijn. De open stootvoegen zijn minimaal 4 bij 1 cm

(h x b). 14. In gebouw A worden op verschillende plekken in totaal 12 keramische Tichelaarkasten (47x43x10 centimeter) aangebracht. Daarbij worden op 6 plekken twee kasten geschakeld, of op minimaal 4 plekken drie kasten geschakeld (laatste variant zoals weergegeven conform bijlage 6). Het schakelen kan horizontaal (meerdere kasten achter elkaar) of verticaal (meerdere kasten boven elkaar). 15. De exacte locaties van de in te bouwen Tichelaarkasten in gebouw A wordt in samenspraak met de ecologisch deskundige op het gebied van vleermuizen bepaald. U streeft naar een diverse spreiding van de voorzieningen over N, NO, O, ZO en Z oriëntatie. In het ecologisch logboek (voorschrift 24) geeft u aan waar en in welke gevels de Tichelaarkasten zijn geplaatst.

Pagina 6

Ontheffing Wet natuurbescherming

16. Bij minimaal twee andere nieuw te bouwen gebouwen zorgt u voor mogelijkheden voor verblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Deze verblijfplaatsen worden gecreëerd in de vorm van toegankelijke spouwen in combinatie met Tichelaarkasten (conform de wijze uit voorschrift 13 en 14), of -als er geen sprake is van gemetselde gevels met een spouw -worden alleen de genoemde Tichelaarkasten in de constructie ingebouwd, maar dan minimaal drie kasten geschakeld aan elkaar zodat een groter aaneengesloten microklimaat ontstaat. Dit doet u op de wijze zoals weergegeven in bijlage 6. 17. De nieuwbouw uit voorschrift 16 maakt u permanent geschikt voor de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis, maar door het ontbreken van technische ontwerpen is nu nog niet helemaal bekend hoe u voorschrift 16 gaat uitvoeren. Indien met spouwmuren gebouwd gaat worden, dan stelt u voor om deze spouwmuren toegankelijk en geschikt te maken als massawinterverblijfplaats, in combinatie met de Tichelaarkasten. Indien geen spouwmuur gebouwd zal worden, dan worden alleen Tichelaarkasten ingebouwd. In het voorjaar van 2025, voorafgaand aan het ongeschikt maken van de gebouwen 4, 5 en 6 ten behoeve van de sloop, stuurt u ons ter goedkeuring een mitigatieplan toe, waarin beschreven wordt hoe de nieuwbouw ontworpen wordt en welke permanente maatregelen u daarin gaat voorzien.

Indien blijkt of redelijkerwijs aangenomen kan worden dat de Tichelaarkasten of andere nieuwere typen inbouwconstructies niet effectief kunnen zijn als massawinterverblijfplaats, dan moet u minimaal twee gebouwen voorzien van geschikte spouwmuurconstructies. Hierbij geldt ook dat als over een paar jaar andere/betere permanente maatregelen bekend zijn (als massawinterverblijfplaats), u deze dan ook opneemt in het mitigatieplan voor de latere fases. Het mitigatieplan dient ook voorzien te zijn van een nieuw ecologische werkprotocol. Hierin worden de resultaten van het actualiserende onderzoek (voorschrift 7) weergegeven en de wijze waarop de gebouwen 4, 5 en 6 ongeschikt gemaakt worden en gesloopt worden.

Monitoring, aanvullend onderzoek en rapportages 18. U moet een monitoring (laten) uitvoeren naar de aanwezigheid van zwermlocaties van de gewone dwergvleermuis en de effectiviteit van de permanente maatregelen in de nieuwbouw. Deze monitoring is gekoppeld aan de bouwfase van de nieuwbouw. De monitoring moet zich richten op de volgende gebouwen en monitoringsjaren:

• Gebouw A in 2024, 2026, 2029 en 2030; • Gebouwen C, D, E en F in 2026, 2029 en 2030; • Gebouwen G, H, I, J, K, L en M in 2029 en 2030; • De bestaande bebouwing in 2024 en 2026, voor zover nog aanwezig en niet gesloopt. 19. De monitoring moet uitgevoerd worden middels veldonderzoek en moet zich richten op het middernachtzwermen en het vorstzwermen van de gewone dwergvleermuis. Dit onderzoek moet uitgevoerd worden door een ecologisch deskundige die bekend is met onderzoek naar middernachtzwermen en vorstzwermen van gewone dwergvleermuizen. De monitoringsmethode is als volgt: • Het middernachtzwermen dient, volgens het meest recente vleermuisprotocol, minimaal tweemaal onderzocht te worden in de periode augustus tot en met september. • Het vorstzwermen dient plaats te vinden gedurende vorstperioden tijdens de wintermaanden. Van belang hierbij is dat een moment gekozen wordt vlak (één of twee nachten) na een plotselinge temperatuurdaling met (flinke)nachtvorst. Dit is een trigger voor de gewone dwergvleermuis om de stabiele massawinterverblijfplaatsen binnen het plangebied op te zoeken. • Het onderzoek dient uitgevoerd te worden door een combinatie van verschillende onderzoekstechnieken; batdetector, batlogger cq luisterkasten en/of warmtebeeldcamera.

De onderzoekstechnieken dienen zodanig ingezet te worden, dat uitspraken gedaan kunnen worden over waar vleermuizen zwermen, en waar vleermuizen invliegen. De inzet van het aantal waarnemers is afhankelijk van de gekozen onderzoekstechnieken. 20. Van elk monitoringsjaar maakt een rapportage. U moet deze monitoringsrapportage ter goedkeuring aanleveren aan de provincie in de periode mei-juli. Deze rapportage beschrijft de uitgevoerde monitoring van het monitoringsjaar daarvoor. De eerste rapportage verwachten wij in 2025, de laatste in 2031. In de rapportage dient beschreven te worden hoe en wanneer onderzoek is uitgevoerd is, en wat de resultaten zijn. Het aantonen van invliegende vleermuizen tijdens het vorstzwermen kan betekenen dat de betreffende locatie niet meer meegenomen hoeft te worden in de verdere monitoringsjaren. 21. In de laatste monitoringsrapportage van 2031 dient u een plan van aanpak met andere oplossingen voor te stellen in het geval meerdere permanente maatregelen niet, of niet voldoende lijken te

Pagina 7

Ontheffing Wet natuurbescherming

functioneren als massawinterverblijfplaats. In het plan van aanpak dient u aan te geven binnen welke termijn u de aanpassingen zal realiseren. Overleg met ons is mogelijk. Wij kunnen aanvullende voorschriften opleggen, bijvoorbeeld aanpassingen aan de getroffen permanente maatregelen of een uitbreiding van het aantal permanente maatregelen. Overige zaken 22. U dient gedurende het project rekening te houden met (felle) bouwverlichting. Deze verlichting mag niet uitstralen naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Daarbij moet extra aandacht besteed worden aan de bekende zwermlocaties van de gewone dwergvleermuis binnen en net buiten het plangebied. 23. De werkzaamheden voert u uit in overeenstemming met bovengenoemde voorschriften en door of onder begeleiding van een ecologisch deskundige op het gebied van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis

24. U houdt een ecologisch logboek bij of laat dit bijhouden door bijvoorbeeld de ecologisch deskundige. Uit dit logboek blijkt aantoonbaar hoe en waarom uitvoering is gegeven aan de bovengenoemde voorschriften. Het gaat dan om het bijhouden van data van uitvoeren, de inbouwwijze van inbouwkasten, de locaties van de inbouwkasten, afmetingen van voor vleermuizen geschikte spouwmuren, de wijze van geschikter maken van gebouwen 4, 5 en 6, oplossingen bij onverwachte soorten of situaties, de wijze van ongeschikt maken, resultaten controle met batdetector en oplossingen bij onverwachte soorten of situaties.

Pagina 8

Ontheffing Wet natuurbescherming

BIJLAGE 2 - OVERWEGINGEN BIJ HET BESLUIT In deze bijlage zijn de overwegingen bij het besluit opgenomen. Het besluit en de overwegingen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De overwegingen zijn als volgt opgebouwd:

A BEVOEGDHEID, PROCEDURE EN TOETSINGSKADER 10 Al

Be

oegdheid

10

Al.1 Gedeputeerde Staten van Overijssel bevoegd 10 A2

Procedure

10

A2.1 Overeenstemming andere provincie 10 A2.2 Adviesverzoek aan gemeente 10 A2.3 Relevante overige besluiten 10 A3

Toetsingskader

A3.1

Wettelijke

A3.2

Provinciaal

soorten

10

regels

10

beleid

10

B WEERGAVE VAN DE FEITEN 11 BI Aanvraag ontheffing beschermde soorten 11

Bl.1 Omschrijving van het project / activiteiten 11 Figuur 1. Fasering van het project 11 BI.2

Doel

van

het

project

11

BI.3 Soorten waarvoor ontheffing wordt gevraagd 11 BI.4

Periode

12

BI.5 Onderliggende documenten

12

BI.6 Aanvullende gegevens 12

C TOETSING AANVRAAG ONTHEFFING SOORTEN 12 Cl Inhoudelijke beoordeling 12 Cl.1 Onderzoeksmethode en resultaten onderzoek 12 Cl.2 Effectbeoordeling, mitigatie en staat van instandhouding 13

Cl.3 Beschrijving noodzaak ontheffing 16 Cl.4 Geen andere bevredigende oplossing / alternatievenafweging 17

Cl.5 Wettelijk belang van het project 17 Cl.6 Toetsing aan overige vereisten 17

Cl.7 Zorgplicht blijft altijd gelden 17 D

Pagina 9

Slotconclusie

18

Ontheffing Wet natuurbesc erming

A BEVOEGDHEID, PROCEDURE EN TOETSINGSKADER Al Bevoegdheid Al.1 Gedeputeerde Staten van Overijssel bevoegd De aangevraagde activiteiten vinden plaats op het grondgebied van Overijssel. De activiteiten vallen niet onder de uitzonderingen van de bevoegdheid, zoals weergegeven in het Besluit natuurbescherming7. In dat geval zijn Gedeputeerde Staten van provincie Overijssel bevoegd tot het nemen van besluiten op basis van de Wnb (art. 1.3, eerste lid). Als de activiteiten ook gevolgen heeft voor populaties van soorten op het grondgebied van de aangrenzende provincie (Wnb, art. 1.3, derde lid) stemmen wij ons besluit af met gedeputeerde staten van die provincie. A2 Procedure De procedure voor het verlenen van de ontheffing is uitgevoerd in overeenstemming met hoofdstuk 5 van de Wnb. Daarbij zijn de relevante artikelen van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. A2.1 Overeenstemming andere pro incie De aangevraagde activiteiten vinden plaats op ons grondgebied. De effecten van het project op beschermde soorten zijn beperkt tot ons grondgebied. Overeenstemming met een andere provincie is niet nodig. A2.2 Adviesverzoek aan gemeente Wij hebben de aanvraag naar het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle gestuurd met het verzoek om advies. De gemeente is vier weken de gelegenheid geboden om te reageren.

Zij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. A2.3 Relevante overige besluiten Wij wijzen u erop, dat er ook andere besluiten nodig zijn voordat u de voorgenomen activiteiten uitvoert. Voor zover ons bekend gaat het om de volgende besluiten: Naam wet en van toepassing zijnde artikel

Be oegd bestuursorgaan en adres

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,

Gemeente Zwolle

art. 2.1 en/of art. 2.2

A3 Toetsingskader soorten Een ontheffing kan worden verleend als aan verschillende kaders is voldaan. In deze paragraaf beschrijven we kort aan welke kaders wordt getoetst.

A3.1 Wettelijke regels Een verzoek tot ontheffing wordt beoordeeld op basis van de regels, zoals deze zijn opgenomen in hoofdstuk 3, paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Bij ons oordeel houden we tevens rekening met het derde lid van artikel 1.10 Wnb. Ook het Besluit natuurbescherming8 en (soms) de Regeling natuurbescherming9 zijn voor de toetsing relevant.

A3.2 Provinciaal beleid Naast de wettelijke regels hebben wij beleid opgesteld in onze Omgevingsvisie. De regels, die daaruit voortkomen, zijn vastgelegd in onze Omgevingsverordening Overijssel 2017 (hoofdstuk 7 Natuur). Hierin zijn onder andere regels met betrekking tot een vrijstelling van bepaalde soorten weergegeven.

7 Art. 1.3, eerste lid Besluit natuurbescherming 8 Art. 3.9 Besluit natuurbescherming 9 Art. 3.22 Regeling natuurbescherming i.s.m. art. 3.25 Besluit natuurbescherming

Pagina 10

Ontheffing Wet natuurbesc erming

In onze Beleidsregel Natuur Overijssel 201710 11 is vastgesteld dat wij kennisdocumenten soorten" (voorheen de soortenstandaarden) betrekken bij de afweging tot het verlenen van een ontheffing op basis van de artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wnb.

B WEERGAVE VAN DE FEITEN BI Aanvraag ontheffing beschermde soorten

Bl.1 Omschrijving van het project / activiteiten Het plangebied ligt in het centrum van Zwolle en bestaat uit zes flatgebouwen (met 180 woningen) aan de Schuurmanstraat en Wiecherlinckstraat in Zwolle. De zes flats bestaan uit drie lage flats met spouwmuur (de zuidelijk gelegen flats, nummers 1, 2 en 4 in figuur 1) en drie hoge flats zonder spouwmuur (de noordelijke gelegen flats, nummer 3, 5 en 6). Woonstichting Openbaar Belang is voornemens om alle gebouwen te slopen en 501 woningen, een beperkte omvang aan commerciële/maatschappelijke ruimten en twee ondergrondse parkeergarages terug te bouwen. Circa de helft van de te realiseren woningen zijn bedoeld voor de sociale huursector. Naast de gebouwen zijn verhardingen, bomen, gazons en groenstroken aanwezig. Dit zal ook verwijderd worden. In bijlage 3 van

dit besluit is de ligging van het plangebied weergegeven. In bijlage 4 van dit besluit is de nieuwe inrichting weergegeven. De ontwikkeling wordt gefaseerd uitgevoerd. De start van de werkzaamheden is gepland in 2021. De afronding van het project is voorzien in 2028/2029. In onderstaande figuur is deze fasering schematisch weergegeven.

/ •

>

</

4» 2

1

ft

3

4

fi

. ft,

£

¦ F

c f O

Sloop/bouw

Fase

2 2 3 3 4 5 6 6 7 8

•

sloop 1 Bouw A sloop 2, 3

Bouw PI (parkeerkelder) Bouw BI, E, F Bouw B2, C, D sloop 4, 5, 6

Bouw P2 (parkeerkelder) Bouw G, H, K Bouw I, L, J, M

ajaar 2021 2022-2023 Zomer/najaar 2023 2023-2024 2023-2025 2023-2025 Najaar 2025 2026-2027 2026-2028 2028-2028

Figuur 1. Fasering van het project. BI.2 Doel van het project Het project wordt uitgevoerd vanwege vocht-, schimmel- en tochtproblemen in de 180 woningen, en de afspraak met de gemeente Zwolle om de komende jaren samen versneld honderden extra sociale (huur)woningen te realiseren in Zwolle. Het project voorziet in minimaal 230 sociale huurwoningen en de rest koopwoningen.

10 Art. 4.2.1 Beleidsregel Natuur Overijssel 2017 11 Te raadplegen via: https://www.bijl2.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/ ennisdocumenten-soortenontheffingen-wet-natuurbescherming/

Pagina 11

Ontheffing Wet natuurbescherming

BI.3 Soorten waarvoor ontheffing wordt gevraagd U vraagt ontheffing aan van het verbod om de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis opzettelijk te verstoren12, en om de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen13. BI.4 Periode De ontheffing wordt aangevraagd voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2029. BI.5 Onderliggende documenten Voor de beoordeling van de aanvraag zijn de volgende documenten toegezonden: • 'Natuurtoets Openbaar Belang Zwolle, 2017 , van 25 april 2018; • 'Zoogdier- en broedvogelonderzoek complex 8 (Weezenlanden Noord), Zwolle , van 18 maart 2020; • 'Projectplan sloop en nieuwbouw Weezenlanden Noord Zwolle', van 3 augustus 2020; • Aanvullende gegevens van 27 en 30 oktober 2020. BI.6 Aanvullende gegevens Wij hebben uw aanvraag op 30 juli 2020 ontvangen. Nadien heeft u op 3 augustus 2020 een projectplan14 aangeleverd. Er zijn aanvullende gegevens per e-mail gevraagd. Hierop heeft u op 27 en 30 oktober 202015 gereageerd.

C TOETSING AANVRAAG ONTHEFFING SOORTEN Cl Inhoudelijke beoordeling Onze Omgevingsverordening geeft voor uw handeling en betrokken soorten geen vrijstelling. We betrekken wel het kennisdocument van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis bij onze toetsing. Cl.1 Onderzoeksmethode en resultaten onderzoek Middels bureau- en veldonderzoek is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde soorten. In het rapport'Zoogdier- en broedvogelonderzoek complex 8 (Weezenlanden Noord), Zwolle'16 wordt beschreven hoe dit onderzoek is uitgevoerd. Op hoofdlijnen komt dit neer op: • Een quickscan met een aanvullend onderzoek naar vleermuizen in 2017. De afwezigheid van huismus en gierzwaluw kon niet vastgesteld worden. Uit het vleermuisonderzoek kwam naar voren dat in ieder geval drie van de zes gebouwen in gebruik zijn als verblijfplaats door vleermuizen. Het betrof twee zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, en één paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis. • In 2019 is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar gebouwbewonende vogels, vleermuizen en egels. Hierbij is de onderzoekswijze toegepast uit de kennisdocumenten en het vleermuisprotocol 2017. Wij zijn van oordeel dat het onderzoek zodanig is uitgevoerd dat dit voldoende heeft kunnen vaststellen dat binnen het plangebied geen verblijfplaatsen van gier- en huiszwaluw, huismus en de egel aanwezig zijn.

Tijdens het onderzoek zijn verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis aangetroffen in de flatgebouwen. In de bomen ontbreken geschikte holten die mogelijk in gebruik zijn als verblijfplaats van vleermuizen. Wij zijn van oordeel dat het onderzoek zodanig is uitgevoerd dat dit voldoende heeft kunnen vaststellen of verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Van de gewone dwergvleermuis zijn in alle flats aanwijzingen aangetroffen voor verblijfplaatsen (zie

bijlage 5). Het gaat om de volgende functies: • Winterverblijfplaats: tijdens de middernachtbezoeken in augustus-september 2019 zijn bij de centrale hoge flat en de westelijke en oostelijke lage flat zwermende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Dergelijk gedrag is een indicatie voor een belangrijk winterverblijf, waarschijnlijk aanwezig in de

spouwmuren. In totaal zijn drie winterverblijfplaatsen met maximaal 5 (beide lage flats) en 10 (hoge flat) zwermende exemplaren waargenomen. Verwacht wordt dat deze verblijfplaatsen in de

12 Art. 3.5, tweede lid Wnb 13 Art. 3.5, vierde lid Wnb 14 Projectplan sloop en nieuwbouw Weezenlanden Noord Zwolle

15 EDO-kenmerk 2020/0300352 en 2020/0300353 16 Bladzijden 1 tot en met 5

Pagina 12

Ontheffing Wet natuurbescherming

winterperiode door een groot aantal (mogelijk tientallen) gewone dwergvleermuizen worden gebruikt.

Het plangebied ligt dichtbij een belangrijke zwermplek van de gewone dwergvleermuis (meer dan 20 zwermende dieren) in het Thomas a Kempis College.

• Zomerverblijfplaats: in de middelste hoge flat en in de middelste en oostelijke lage flats zijn in totaal zes zomer erblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. In de lage flats zijn de verblijfplaatsen vermoedelijk aanwezig in spouwmuren die toegankelijk zijn via een kier onder de daklijst of kieren onder vensterbanken. In de hoge flats zijn geen spouwmuren aanwezig en wordt ingevlogen in de ruimte achter de boeiplank bij de dakrand. Op basis van het aantal invliegende vleermuizen (1 per zomerverblijfplaats) wordt verwacht dat het aantal gewone dwergvleermuizen in de zomerperiode bestaat uit 6-15 dieren. • Paarverblijfplaats: tijdens de veldbezoeken in augustus-september 2019 zijn geen paarverblijfplaatsen aangetroffen. Op basis van twee vastgestelde baltsterritoria wordt verwacht dat de centrale en

oostelijke hoge flat in gebruik zijn als paarverblijfplaats. Als verblijfplaats wordt vermoedelijk de ruimte achter de boeiplank bij de dakrand gebruikt en daarnaast zijn mogelijk ook kieren tussen kozijnen en muren geschikt als verblijfplaatsen. In de paarperiode wordt de verwachte populatiegrootte ingeschat op 2-10 dieren. Van de ruige dwergvleermuis is één paarverblijfplaats aangetroffen in de meest oostelijke hoge flat (zie

bijlage 5 van dit besluit). De meeste verblijfplaatsen van beide soorten bevinden zich in de spouw van de lage flatgebouwen,

enkele paarverblijfplaatsen zitten (mogelijk) achter daklijsten. Er zijn geen (essentiële) vliegroutes van vleermuizen aangetroffen in het plangebied. Tijdens alle bezoeken zijn diverse foeragerende exemplaren van gewone dwergvleermuis vastgesteld en incidenteel is een passerende ruige dwergvleermuis of rosse vleermuis waargenomen. De bosschages in en rondom het plangebied hebben geen belangrijke functie als foerageergebied van vleermuizen. De inventarisaties zijn uitgevoerd in 2019 en zijn volgens u nog voldoende actueel bij de start van de werkzaamheden in 2021. Aangezien het een langlopend project betreft en tussentijds aanwezigheid van beschermde soorten kan wijzigen, wilt u gedurende de looptijd van het project het natuuronderzoek actualiseren. Voorafgaand aan de sloop van de gebouwen 2 en 3 in 2023 zal het natuuronderzoek geactualiseerd worden. Het geactualiseerde natuuronderzoek is dan weer bruikbaar tot en met de laatste sloopactiviteiten in het najaar 2025. Cl.2 Effectbeoordeling, mitigatie en staat van instandhouding Door de sloopwerkzaamheden gaat één paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis verloren. Deze verblijfplaats kan ook in de winterperiode gebruikt worden door enkele exemplaren van deze soort. De sloopwerkzaamheden leiden tot het verlies van verschillende jaarrond gebruikte verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis.

Het gaat om drie massawinterverblijfplaatsen, zes zomerverblijfplaatsen en twee paarverblijfplaatsen. Ook de zomer- en paarverblijfplaatsen kunnen in (mildere) winterperioden fungeren als overwinteringsverblijfplaats, maar hiervan maken lagere dichtheden gebruik van (1 tot 5 exemplaren van de gewone dwergvleermuis) dan de massawinterverblijfplaatsen waar vele tientallen dieren waarschijnlijk vorstvrij kunnen overwinteren. Door Ecogroen is de afgelopen jaren in het kader van de monitoring vanwege de sloop van het voormalige ziekenhuis Weezenlanden gekeken naar alternatieve door gewone dwergvleermuis gebruikte (massa)winterverblijfplaatsen in de stad. Op verschillende plekken zijn in het najaar groepen zwermende vleermuizen gevonden, wat een indicatie is voor aanwezigheid van een massawinterverblijfplaats op die locaties. Het gaat onder andere om de appartementencomplexen langs het Almelose kanaal, de Menistenflat, het Thomas a Kempis College en flats aan de Spui, Gombertstraat, Haringvliet en Dollard. Drie van deze locaties bevinden zich in het plangebied. Dit zijn echter alle drie locaties waar maar een beperkt aantal (5-10) gewone dwergvleermuizen zwermden. In de omgeving (bijv. Thomas a Kempis College en Menistenflats) zijn veel grotere massawinterverblijfplaatsen aangetroffen.

Volgens Ecogroen (mondelinge mededeling Marco van der Sluis) hebben gewone dwergvleermuizen zich naar verwachting wat meer verspreid over verschillende kleinere locaties na de sloop van het voormalig ziekenhuis de Weezenlanden. Zo blijkt het Thomas a Kempiscollege ineens een belangrijke winterverblijfplaats te zijn geworden na de sloop van het ziekenhuis. Volgens u is het netwerk met winterverblijfplaatsen sterk genoeg is om het verlies van andere winterverblijfplaatsen (zoals het gesloopte Weezenlanden ziekenhuis) op te vangen.

Pagina 13

Ontheffing Wet natuurbescherming

U stelt de volgende mitigerende maatregelen voor:

Tijdelijke maatregelen • Voorafgaand aan de sloop van gebouw 1 (planning najaar 2021) worden de gebouwen 1, 2 en 3 in overleg met een vleermuisdeskundige ongeschikt gemaakt als verblijfplaats voor vleermuizen. In deze

gebouwen zijn 1 winterverblijfplaats (gebouw 1) en 1 zomerverblijfplaats (gebouw 2) van de gewone dwergvleermuis aanwezig. Het is ecologisch gezien niet heel zinvol om vleermuizen meerdere keren te laten verhuizen wanneer gebouwen 2 en 3 in 2023 ongeschikt worden gemaakt. Beter is om ze eerst een aantal jaar naar de gebouwen 4, 5 en 6 te laten verhuizen en daarna terug naar de nieuwbouw. • Het ongeschikt maken van de bebouwing voor vleermuizen vindt plaats buiten de meest kwetsbare periode(n) van de soorten. De meest kwetsbare periode betreft de overwinteringsperiode, die loopt van half november tot en met maart. Omdat geen kraamkolonies aanwezig zijn, is de periode half april tot en met mei een geschikte werkperiode. Weliswaar kunnen zomerverblijfplaatsen dan al bezet zijn, maar omdat er geen reproductie plaatsvindt zijn vleermuizen in die periode goed in staat om een alternatieve verblijfplaats op te zoeken. De periode augustus tot en met half november is ook een geschikte periode. Bij voorkeur wordt dus gewerkt in de periode augustus tot en met half november of half april t/m mei. • De invliegopeningen bevinden zich op plekken in de gevels waar ventilatieroosters zitten. Bij sommige roosters zit een ruimte tussen het rooster en de gevel die net groot genoeg is voor vleermuizen en op andere plekken missen deze roosters. Er zijn geen open stootvoegen in de gevels.

Het aantal invliegplekken is dus beperkt. Het ongeschikt maken van de gebouwen gebeurt door te werken met exclusion flaps. Niet gebruikte openingen worden dan dichtgemaakt en gebruikte openingen voorzien van een exclusion flap. Vleermuizen kunnen dan nog wel eenmalig naar buiten, maar daarna niet meer terug naar binnen. Als er geen vleermuizen meer aanwezig zijn, worden ook deze openingen dichtgemaakt, waardoor er geen vleermuizen meer in het gebouw kunnen komen. • Voor het ongeschikt maken van de gebouwen 4, 5 en 6, die volgens planning in 2025 worden gesloopt, wordt uiterlijk in het voorjaar van 2025 (na actualisatie van het veldonderzoek in 2022/2023) een nieuw ecologisch werkprotocol opgesteld, dat voorafgaand aan de sloop aan de provincie wordt toegestuurd ter goedkeuring. Het ongeschikt maken van de gebouwen zal vergelijkbaar als bovenstaand worden uitgevoerd met het gebruik van exclusion flaps. • Na het ongeschikt maken van de gebouwen vindt telkens een check door een vleermuisdeskundige plaats om vast te stellen of er daadwerkelijk geen vleermuizen meer aanwezig zijn in de bebouwing. Is dat niet het geval, dan kunnen de werkzaamheden worden gestart.

Is dat wel het geval, dan zal in samenspraak met een vleermuisdeskundige worden gekeken welke aanvullende maatregelen moeten worden getroffen, zoals bijvoorbeeld het maken van grote gaten in gevels om tocht in de spouw te creëren.

• Gebouwen 4, 5 en 6 die vanwege de fasering pas later worden gesloopt dienen als tijdelijke uitwijkmogelijkheid voorde vleermuizen die zich in de gebouwen 1 en 2 bevinden. Constructief zijn deze gebouwen gelijk aan de gebouwen 1 en 2. Om te waarborgen dat er voldoende invliegmogelijkheden zijn, worden in deze gebouwen op strategische plekken de roostertjes die niet toegankelijk zijn in samenspraak met een vleermuisdeskundige verwijderd of wordt een ruimte tussen de roosters en de gevel gecreëerd waar vleermuizen langs kunnen om in de spouw te komen. U stelt voor om per gevel minimaal 2 extra openingen aan te brengen. Als dat bij de aanwezige roosters kan (ze iets bijbuigen), dan is dat het makkelijkst. Als dat niet kan, kunnen er open stootvoegen worden geboord van minimaal 4 bij 1 cm (h x b). In beide gevallen kunnen deze openingen dan later effectief met exclusion flaps dicht worden gemaakt. Op deze wijze creëert u meer verblijfsmogelijkheden dan in de huidige situatie. • Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt per relevante fase een ecologisch werkprotocol opgesteld waarin de betreffende maatregelen worden vastgelegd. Permanente maatregelen Van het nieuw te bouwen gebouw A is inmiddels een ontwerp klaar. Dit betreft ca. 30 meter hoog appartementencomplex dat deels is voorzien van een gemetselde buitengevel.

Conform het Bouwbesluit bevat dit gebouw een spouw die via open stootvoegen toegankelijk gemaakt kan worden voor vleermuizen. Het merendeel van de huidige aanwezige verblijfplaatsen bevindt zich namelijk ook in de spouw van de huidige gebouwen. Alle stootvoegen in de bovenste helft van de gemetselde gevels blijven open en geven toegang tot de achtergelegen spouw. • Daarnaast worden op verschillende plekken in totaal 12 keramische Tichelaar inbouwkasten (47x43x10 centimeter) aangebracht in gebouw A. Deze kasten zijn speciaal in samenspraak met de Zoogdiervereniging ontworpen en hebben ruimtes die zowel het buitenblad als het binnenblad raken, waardoor meerdere microklimaten voor vleermuizen beschikbaar zijn. Dit is vergelijkbaar met de huidige situatie, waarbij dieren in de spouw tegen het binnenblad gebufferd overwinteren. De Tichelaarkasten zijn door vleermuizen te gebruiken als kraam-, zomer-, paar- en winterverblijfplaats. Door de gelaagdheid van deze kasten bieden ze ook juist in de winter voldoende mogelijkheden voor een stabiele en vorstvrije overwinteringsplaats. Een kast biedt ruimte aan enkele tientallen vleermuizen. Met 12 inbouwkasten kunnen dus meerdere overwinteringsplekken in gebouw A

Pagina 14

Ontheffing Wet natuurbesc erming

gerealiseerd worden die allemaal in potentie voldoende ruimte bieden voor het opvangen van het totaal aantal zwermende dieren dat in het plangebied is waargenomen. U stelt voor om op 6 plekken twee kasten te schakelen, of op minimaal 4 plekken drie kasten te schakelen (laatste variant is weergegeven in bijlage 6). Het schakelen kan horizontaal (meerdere kasten schuin achter elkaar) of verticaal (meerdere kasten boven elkaar). Bij horizontale schakeling heeft de onderste kast die aan de buitengevel komt heeft het minst stabiele klimaat, de middelste kast heeft al wat meer buffering en de bovenste kast die tegen het binnenblad zit wordt gebufferd door de binnenschil van het gebouw en zou daarmee vorstvrij moeten zijn. • Voor de overige nieuw te bouwen gebouwen is er op dit moment nog geen ontwerp voorhanden. Bij de nadere uitwerking van deze ontwerpen zullen bij minimaal twee andere gebouwen mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen worden gecreëerd in de vorm van toegankelijke spouwen in combinatie met gelaagde keramische inbouwvoorzieningen (Tichelaarkasten), of -als er geen sprake is van gemetselde gevels met een spouw -worden alleen de genoemde Tichelaarkasten in de constructie ingebouwd, maar dan meerdere kasten geschakeld aan elkaar zodat een groter aaneengesloten microklimaat ontstaat. Dit doet u op de wijze zoals weergegeven in bijlage 6.

• De exacte locatie van de in te bouwen keramische Tichelaarkasten in gebouw A wordt in samenspraak met een vleermuisdeskundige bepaald. Gestreefd wordt naar een diverse spreiding van de voorzieningen over N, NO, O, ZO en Z oriëntatie. Een en ander wordt uitgewerkt in een mitigatieplan. • Voor de andere gebouwen wordt voorafgaand aan de sloop een mitigatieplan ruim voor de nieuwbouw opgesteld, op basis van het dan beschikbare ontwerp. De mitigatieplannen worden vooraf ter goedkeuring aan de provincie voorgelegd voordat wordt overgegaan tot sloop van gebouwen van de volgende fases. Als over een paar jaar andere/betere opties voor de permanente maatregel zijn, dan neemt u die op in het mitigatieplan voor de latere fases, zodat ze afgestemd kunnen worden met de provincie. De door u voorgestelde maatregelen zijn in grote lijnen voldoende. Ze komen overeen met bestaande methoden zoals beschreven in het kennisdocument van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. In aanvulling op de door u voorgestelde maatregelen leggen wij de volgende extra maatregelen op als voorschrift op in bijlage 1: • Het ongeschikt maken van gebouwen moet plaatsvinden op de meest optimale momenten, namelijk onder geschikte weersomstandigheden in voor- of najaar en ter bepaling van de ecologisch deskundige. Hierdoor wordt voorkomen dat vleermuizen verstoord wanneer zij (al of nog) in

lethargische staat zijn; bijvoorbeeld tijdens een koude periode in april of in oktober (voorschriften 5 en 9). • Het geschikter maken van de gebouwen 4, 5 en 6 dient u buiten de kwetsbare perioden van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis uit te voeren, indien u extra stootvoegen gaat openboren in de buitenmuren. U voert deze maatregel uit voorafgaand aan de sloop van gebouw 1. • Daarnaast dient u gedurende het project rekening te houden met bouwverlichting. Deze verlichting mag niet uitstralen naar de verblijfplaatsen van vleermuizen. Daarbij moet extra aandacht besteed worden aan de bekende zwermlocatie binnen en net buiten het plangebied. Dit is opgenomen in voorschrift 22.

Monitoring Om te voorkomen dat de populatie van de gewone dwergvleermuis in Zwolle en omgeving verslechterd is het belangrijk om een vinger aan de pols te houden en om de in gebruik name van de permanente maatregelen vast te stellen. Daarom is monitoring noodzakelijk van de massawinterverblijfplaatsen van deze soort binnen het plangebied. De monitoring moet plaatsvinden op geschikte momenten gedurende het najaar (middernachtzwermen) en de winter, van 1 augustus tot 15 april (vorstzwermen). De monitoring moet uitgevoerd worden middels onderzoek. Dit onderzoek moet uitgevoerd worden door een ecologisch deskundige die bekend is met onderzoek naar middernachtzwermen en vorstzwermen van gewone dwergvleermuizen. De monitoringsmethode is als volgt: • Het middernachtzwermen dient, volgens het vleermuisprotocol, minimaal tweemaal onderzocht te worden in de periode augustus tot en met september. Het onderzoek dient uitgevoerd te worden door een combinatie van verschillende onderzoekstechnieken; batdetector, batlogger cq luisterkasten en warmtebeeldcamera. • Het vorstzwermen dient plaats te vinden gedurende de winterperiode. Van belang hierbij is dat een moment gekozen wordt vlak na een plotselinge temperatuurdaling met (flinke)nachtvorst. Dit is een trigger voor de gewone dwergvleermuis om de stabiele massawinterverblijfplaatsen binnen het plangebied op te zoeken.

Ook hier is een combinatie van onderzoekstechnieken nodig door een combinatie van de inzet van de batdetector, batlogger cq luisterkasten en warmtebeeldcamera. • De onderzoekstechnieken dienen zodanig ingezet te worden, dat uitspraken gemaakt kunnen worden over waar vleermuizen zwermen, en waar vleermuizen invliegen. De inzet van het aantal waarnemers is afhankelijk van de gekozen onderzoekstechnieken.

Pagina 15

Ontheffing Wet natuurbesc erming

Wanneer gestart kan worden met de monitoring is afhankelijk van wanneer de maatregelen uitgevoerd worden. Omdat vleermuizen enige tijd nodig hebben om bekend te raken met nieuwe verblijfplaatsen, stellen wij voor dat één jaar na de oplevering gestart moet worden met de monitoring. Dit levert de volgende monitoringsopgave op, welke is gekoppeld aan de bouwfase van de verschillende gebouwen:

> Gebouw A in 2024, 2026, 2029 en 2030; > Gebouwen C, D, E en F in 2026, 2029 en 2030; > Gebouwen G, H, I, J, K, L en M in 2029 en 2030; > De bestaande bebouwing in 2024 en 2026, voor zover nog aanwezig en niet gesloopt. U moet een monitoringsrapportage ter goedkeuring aanleveren in de periode mei-juli. Deze rapportage beschrijft de uitgevoerde monitoring van het monitoringsjaar daarvoor. De eerste rapportage verwachten wij in 2025, de laatste in 2031. In de rapportage dient beschreven te worden hoe en wanneer onderzoek is uitgevoerd is, en wat de resultaten zijn. Het aantonen van invliegende vleermuizen tijdens het vorstzwermen kan betekenen dat deze locatie niet meer meegenomen hoeft te worden in de verdere monitoringsjaren. In de monitoringsrapportage van 2031 dient u een plan van aanpak met andere oplossingen voor te stellen in het geval één of meerdere permanente maatregelen niet, of niet voldoende functioneren als massawinterverblijfplaats. In het plan van aanpak dient u aan te geven binnen welke termijn u de aanpassingen zal realiseren. Overleg met ons is mogelijk. Wij kunnen aanvullende voorschriften opleggen, bijvoorbeeld aanpassingen aan de getroffen permanente maatregelen of een uitbreiding van het aantal permanente maatregelen. Op deze manier kunnen wij borgen dat de staat van instandhouding gewaarborgd kan blijven.

De verplichtingen ten aanzien van de monitoring, aanvullend onderzoek en rapportages zijn te vinden in de voorschriften 18 tot en met 21. Vanwege de monitoring en de borging van deze voorschriften verlengen wij de ontheffingsduur naar 31 december 2033. Op voorhand is al duidelijk hoe nieuwbouw A ontworpen zal worden, en hoe de permanente maatregelen in dit gebouw vorm gegeven worden. U geeft aan minimaal 2 andere nieuwbouw ook geschikt te willen maken voor de vleermuizen, maar het is nu nog niet helemaal bekend hoe. Indien met spouwmuren gebouwd gaat worden, dan stelt u voor om deze spouwmuren toegankelijk en geschikt te maken als massawinterverblijfplaats, in combinatie met de Tichelaarkasten. Indien geen spouwmuur gebouwd zal worden, dan worden alleen Tichelaarkasten ingebouwd. In het voorjaar van 2025, voorafgaand aan het ongeschikt maken van de gebouwen 4, 5 en 6 ten behoeve van de sloopt, stuurt u ons ter goedkeuring een mitigatieplan toe, waarin beschreven wordt hoe de nieuwbouw ontworpen wordt en welke permanente maatregelen u daarin gaat voorzien. U heeft dan ook al monitoring uitgevoerd. Indien blijkt of redelijkerwijs aangenomen kan worden dat de Tichelaarkasten of andere nieuwere typen inbouwconstructies niet effectief kunnen zijn als massawinterverblijfplaats, dan moet u minimaal twee gebouwen voorzien van geschikte spouwmuurconstructies.

Op deze manier bestaat op voorhand meer zekerheid over het toekomstig gebruik van deze nieuwbouw als massawinterverblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis. massawinterverblijfplaats. Daarom moet de monitoring zich juist op die functie te richten. Het migratieplan dient ook voorzien te zijn van het door u voorgestelde nieuwe ecologische werkprotocol. Hierin worden de resultaten van het actualiserende onderzoek weergegeven en de wijze waarop de gebouwen 4, 5 en 6 ongeschikt gemaakt worden en gesloopt worden. Staat van instandhouding Met uw maatregelen en onze aanvullende maatregelen worden negatieve effecten op de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis zoveel mogelijk geminimaliseerd. Door de fasering in tijd en ruimte en door het gelijktijdig aanbrengen van permanente maatregelen zijn altijd voldoende alternatieve verblijfplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Het is daarom aannemelijk dat de betrokken soorten in het plangebied aanwezig blijven. Ook buiten het plangebied zijn zwerm- en massawinterlocaties van de gewone dwergvleermuis bekend, en zijn mogelijkheden voor zomer- en paarverblijven aanwezig voor de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis.

Omdat de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis aanwezig kunnen blijven in het plangebied en buiten het plangebied ook voorkomen, wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Wanneer de nieuwbouw niet geschikt blijkt te zijn als zwerm- en massawinterlocatie, ontstaat er wel een groot permanent effect, gezien het belang van een dergelijk groot winterverblijf voor de lokale populatie van de gewone dwergvleermuis. Daarom is ook monitoring noodzakelijk om de maatregelen te kunnen bijstellen. De gunstige staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis komt derhalve niet in het geding. Cl.3 Beschrijving noodzaak ontheffing De voorgenomen werkzaamheden ten behoeve van de sloop van de flatgebouwen leiden tot het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis en

Pagina 16

Ontheffing Wet natuurbesc erming

de ruige dwergvleermuis. Dit is een overtreding van de verbodsartikelen genoemd in artikel 3.5, lid 4 Wnb. Voor de overtreding van deze verboden heeft u een ontheffing nodig. U heeft ook ontheffing aangevraagd van het verbod om de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis opzettelijk te verstoren. Bij het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen wordt rekening gehouden met de kwetsbare perioden van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Daarom is geen sprake van het verstoren van deze soorten. Ontheffing van dit verbod is niet noodzakelijk. Cl.4 Geen andere bevredigende oplossing / alternatievenafweging Omdat de gevolgen ingrijpend voor de bewoners zijn, is onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor renovatie van de woningen. Bij alles wat is onderzocht, is gekeken naar wat de gevolgen zijn voor de bewoners, de woningen zelf en de financiën. Uiteindelijk is geconcludeerd dat er geen andere bevredigende oplossing is dan de 180 woningen te slopen en te vervangen door nieuwbouw van minimaal 230 nieuwe sociale huurwoningen. Hiermee worden de problemen met betrekking tot vocht-, schimmel¬ en tocht opgelost, en kan voldaan worden aan de afspraak met de gemeente Zwolle om honderden extra sociale (huur)woningen te realiseren in Zwolle. Bij enkel het renoveren van de bestaande woningen kan het woonprobleem in Zwolle minder goed aangepakt worden.

Door het nemen van maatregelen zoals het werken buiten de kwetsbare perioden en het aanbieden van permanente verblijfplaatsen, wordt voldoende rekening gehouden met de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. In deze situatie is de gekozen werkwijze het beste voor de aanwezige gewone dwergvleermuizen en ruige dwergvleermuizen.

Cl.5 Wettelijk belang van het project De voorgenomen activiteiten zijn volgens de aanvraag nodig in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Wij zijn van oordeel dat het wettelijk belang, zoals weergegeven in de aanvraag, voldoende is aangetoond. De voorgenomen herontwikkeling is nodig in het belang van een dwingende reden van groot openbaar belang. Enerzijds om te problemen ten aanzien de volksgezondheid door vocht-, schimmel- en tochtproblemen aan te pakken, anderzijds door invulling te geven aan een groot landelijk, regionaal en lokaal sociale en maatschappelijk probleem: een dringend tekort aan betaalbare sociale (huur)woningen. Er zijn naar schatting 330.000 woningen te weinig in Nederland en het kabinet heeft als doel om jaarlijks minimaal 75.000 woningen extra te bouwen. In de stad Zwolle is ook een groot tekort aan woningen in algemeenheid en in specifiek betaalbare sociale (huur)woningen. De gemeente Zwolle heeft afspraken gemaakt met woningcorporaties om de komende jaren samen versneld honderden extra sociale (huur)woningen te realiseren. Het doel van deze 'versnellingsactie' is om de wachttijd voor sociale huurwoningen gelijk te houden, of zelfs te verkorten.

De gemeente Zwolle heeft in februari 2018 de nieuwe concept visie voor Weezenlanden-Noord gepresenteerd aan de bewoners, omwonenden en andere geïnteresseerden. In deze visie wordt het belang van nieuwe sociale huurwoningen op deze locatie onderstreept. In oktober 2018 heeft het college ingestemd met de visie. Cl.6 Toetsing aan overige vereisten Op basis van de Wnb17 houden wij bij onze besluiten rekening met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied. Ook nemen we regionale en lokale bijzonderheden mee in de overweging. Wij zien geen aanleiding om aan de gevraagde ontheffing extra voorschriften te verbinden op basis van artikel 1.10, derde lid Wnb.

Cl.7 Zorgplicht blijft altijd gelden Ongeacht wat in het besluit is weergegeven geldt altijd de zorgplicht, zoals deze is weergegeven in de Wnb18. De zorgplicht geldt voor alle in het wild levende dieren, planten en hun directe leefomgeving.

17 Art. 1.10, derde lid Wnb 18 Art. 1.11, eerste en tweede lid Wnb

Pagina 17

Ontheffing Wet natuurbesc erming

D Slotconclusie De ontheffing van de verbodsbepalingen om de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis te beschadigen en te vernielen, kan op basis van de wettelijke en beleidsmatige regels worden verleend. De gunstige staat van instandhouding van de betrokken soorten worden niet aangetast. Wij zijn van oordeel dat voor het doel van het project geen andere bevredigende oplossing is waarbij minder negatieve effecten op de beschermde soorten optreden. Daarnaast zijn wij van oordeel dat er een wettelijke belang is om de negatieve effecten op de betrokken soorten te rechtvaardigen. We verbinden wel voorschriften aan de ontheffing.

Pagina 18

Ontheffing Wet natuurbesc erming

BIJLAGE 3 - LIGGING VAN HET PLANGEBIED

Pagina 19

Ontheffing Wet natuurbescherming

BIJLAGE 4 - INRICHTINGSSCHETS EN IMPRESSIE VAN HET PROJECT

Pagina 20

Ontheffing Wet natuurbesc erming

BI LAGE 5 - LOCATIES VLEERMUISVERBLI FPLAATSEN

Pagina 21

Ontheffing Wet natuurbescherming

BI LAGE 6 - HORIZONTALE SCHAKELING VAN DRIE TICHELAARKASTEN

Buitennuur Binnenmuur

Pagina 22

www.witteveenbos.com

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=4b711c84-f0ea-4ae3-85b2-cc8346f62ac9