CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Stadshagen I, uitbreiding winkelcentrum - BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING.pdf

Raad Besluitvormingsronde 7 maart 2022, gemeente ZwolleBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Stadshagen I, uitbreiding winkelcentrum21.978 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2

Ten gevolge van het coronavirus is het uitvoeren van een recentere representatieve parkeerdrukmeting geen mogelijkheid.

8 (23)

Figuur 1-5

Overzicht huidige parkeerfaciliteiten huidig centrumgebied Stadshagen (bron: RHDHV)

Tabel 2-2

Parkeerdrukmeting huidige parkeerfaciliteiten huidig centrumgebied Stadshagen (bron: RHDHV)

2.5 Fietsverkeer In de huidige situatie is het bestaande winkelcentrum per fiets bereikbaar via de Werkerlaan, Belvédèrelaan, Mannagras-Duiker, Muurmeesterstraat, Veldbeemgras – Overtoom en de Twistvlietbrug. Er is in de huidige situatie geen sprake van verkeersonveilige situaties voor de fietser. De fietsintensiteiten van RHDHV uit 2018 zijn als basis gehanteerd. 2.6 Bevoorrading In de bestaande situatie is sprake van een expeditiestraat van waaruit de winkels aan de noordzijde Wade worden bevoorraad. Het vrachtverkeer rijdt in één richting komend vanaf de Werkerlaan, door de expeditiestraat en vervolgens richting de Belvédèrelaan (van oost naar west).

9 (23)

Figuur 2-6

Routering huidige expeditiestraat

Via het parkeerterrein aan de westzijde verlaat het vrachtverkeer het gebied in zuidelijke richting (Belvédèrelaan). In de huidige situatie mengt het vrachtverkeer zich op meerdere locaties met parkerende auto’s en het langzaam verkeer. Meer menging van verschillende verkeersstromen brengt in potentie een hogere onveiligheid met zich mee.

10 (23)

3

Toekomstige situatie

Door de uitbreiding met het stedelijk plan De Stadsmaker is er sprake van een gewijzigde verkeerssituatie. De stedelijke uitbreiding genereert extra verkeersbewegingen. Er is sprake van extra verkeersbewegingen door bezoekers, werknemers en bevoorrading van de nieuwe functies, en verkeersbewegingen van nieuwe bewoners. 3.1 Programma Het beoogde en representatieve bouwprogramma van de V.O.F. De Stadsmaker (04-09-20) is gehanteerd om de verkeerseffecten van het stedelijk plan in beeld te brengen. Dit omvat de volgende typologieën en bijbehorende hoeveelheden: · ± 58 koopwoningen; · ± 75 vrije sector huur; · ± 80 sociale huurwoningen; · ± 40 woningen met zorg; · ± 30 st. zorgeenheden; · ± 5.575 m² bvo commercieel; · ± 3.175 m² bvo maatschappelijk. 3.2

Uitgangspunten

Verkeersaantallen Het verkeersmodel van de gemeente Zwolle, met basisjaar 2020, heeft als basis gediend om de toekomstige situatie autonoom (zonder stedelijk plan De Stadsmaker) te bepalen. Sweco heeft de verkeersgegevens uit het basisjaar opgehoogd met een autonome groei van jaarlijks 1% in verkeersintensiteiten. Voor de prognose is het planjaar 2030 gehanteerd. Voor het bepalen van de verkeersaantrekkende werking van het nieuwe stedelijk plan zijn kencijfers van het CROW gehanteerd3. Binnen de kencijfers wordt onderscheid gemaakt naar stedelijkheidsgraad en ligging ten opzichte van een centrumgebied. In de kencijfers is een bandbreedte beschikbaar. Deze bandbreedte is mede bedoeld enig maatwerk toe te kunnen passen, afhankelijk van de plaatselijke situatie. Sweco heeft de verkeersgeneratiebepaling van het stedelijk plan bovenop de toekomstige situatie planjaar 2030 geprojecteerd om de toekomstige verkeerssituatie in beeld te brengen. Voor de verkeersverdeling over het omliggend wegennet is gebruik gemaakt van het verkeersmodel van de gemeente Zwolle met prognosejaar 20304. De fietsintensiteiten van RHDHV uit 2018 zijn voor het planjaar 2030 opgehoogd met 30% als zijnde ‘stedelijk plan en een robuustheidsmarge’. Voor de bepaling van de verkeersgeneratie van de nieuwe ontwikkeling is de ligging ‘rest bebouwde kom, sterk stedelijk’ het uitgangspunt.

De kencijfers vanuit het CROW worden normaliter per functie toegepast, waardoor functies als solitair worden beschouwd. Hierdoor valt veelal het aantal berekende verkeersbewegingen bij een stads- of winkelcentrum hoger uit dan in de praktijksituatie. Voor de onderdelen commercieel en maatschappelijk is om die reden de verzamelfunctie ‘Wijkcentrum Groot’ toegepast. 3

Kencijfers zijn afkomstig van de CROW-publicatie 381 ‘kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Het verkeersmodel met prognosejaar 2030 bevat autonome ontwikkelingen in- en rondom de wijk Stadshagen een geeft een representatief beeld van de toekomstige verkeersverdeling over de noorden zuidentree van het stedelijk plan. Het prognosejaar 2030 dient uitsluitend om de verkeersverdeling op de nieuwe verkeersbewegingen te bepalen (21% via de Belvédèrelaan, 79% via de Werkerlaan). 4

11 (23)

Hierin zit het gebruik van meerdere functies bij een enkel bezoek verwerkt, zoals vaak het geval is bij een stads- of winkelcentrum. Voor de functie ‘wonen’ bestaat een dergelijke verzamelfunctie niet. In de bepaling van de verkeersaantrekkende werking is de onderkant in de bandbreedte gehanteerd. Hiervoor wordt de volgende onderbouwing aangedragen. · Er is sprake van dubbeltellingen in de kencijfers tussen de onderdelen wonen en commercieel/maatschappelijk. Er worden meer verkeersbewegingen meegenomen in de kencijfers dan in de praktijk (door de concentratie van verschillende functies) het geval is. · De gemeente Zwolle is een gemeente met een hoog fietsgebruik5, en er is een uitnodigende en comfortabele fietsinfrastructuur in de wijk Stadshagen aanwezig. · De frequente busverbinding en de nabijheid van het treinstation Stadshagen biedt aanknopingspunten voor minder autogebruik. De in 2019 vastgestelde Mobiliteitsvisie van de gemeente Zwolle haakt in op de inzet van duurzame mobiliteitsvormen om de gezondheid te stimuleren; Parkeren Het college van de gemeente Zwolle heeft in 2016 de Regeling Parkeernormen 2016 vastgesteld. In de regeling wordt verwezen naar de parkeerkencijfers van het CROW: De CROW notitie ‘De nieuwe parkeerkencijfers en kencijfers verkeersgeneratie 2012’.

Er dient, afhankelijk van de omvang/bestemming/functie/gebruik van het gebouw en/of terrein, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s, parkeerruimte op het eigen terrein worden aangelegd conform de parkeeropgave. De Regeling Parkeernormen 2016 schrijft voor dat de parkeeropgave wordt bepaald aan de hand van het gemiddelde in de bandbreedte van het parkeerkencijfer CROW. Voor de bepaling van de parkeervraag bieden we realistisch maatwerk voor deze specifieke locatie. Voor het stedelijk plan beschouwen we de Regeling Parkeernormen 2016 als basis, maar wijken we gefundeerd af van het toepassen van het gemiddelde in de bandbreedte van de parkeerkencijfers6. Hiervoor wordt de volgende onderbouwing aangedragen. · De gemeente Zwolle is een gemeente met een hoog fietsgebruik5 en er is een uitnodigende en comfortabele fietsinfrastructuur in de gemeente Zwolle, alsmede de wijk Stadshagen aanwezig. Tevens wordt met het stedelijk plan maximaal ingezet om fietsen te faciliteren door de fietsroutes in het gebied te optimaliseren en gericht in aantrekkelijke fietsparkeerfaciliteiten te voorzien. · De frequente busverbinding en de nabijheid van het treinstation Stadshagen biedt aanknopingspunten voor minder autogebruik. De in 2019 vastgestelde Mobiliteitsvisie van de gemeente Zwolle haakt in op de inzet van mobiliteitsvormen om de gezondheid te stimuleren.

· Er is een sterk verband tussen de verkeersgeneratiekencijfers en de parkeerkencijfers. Het naar beneden bijstellen van de verkeersgeneratiekencijfers biedt een logisch aanknopingspunt hier ook in de parkeerkencijfers bij aan te sluiten. · De bestaande parkeergarage is gedimensioneerd op het bestaande winkelcentrum inclusief wonen. Hiervan is bekend dat tijdens het drukste moment sprake is van een forse overcapaciteit7;

5

Op basis van gegevens gemeente Zwolle (50% verplaatsingen binnen de stad per fiets, het hoogste fietsgebruik in Nederland). 2 op de 3 ritten binnen de stad vinden per fiets plaats (bron: VNG). 6 Het afwijken van de CROW-kencijfers binnen een bepaalde bandbreedte is toegestaan. De parkeerkencijfers zijn volgens de publicatie niet als norm ontwikkeld, maar als hulpmiddel. 7 Op basis van parkeerdrukmeting RHDHV 2018

12 (23)

Het gemiddelde in de bandbreedte is per functie met 0,1 afgeschaald op basis van de bovenstaande onderbouwing (argumenten). Er wordt niet uitgegaan van het minimum in de bandbreedte zoals bij de verkeersgeneratie, maar er wordt rekening gehouden met licht naar beneden afgeschaalde parkeerkencijfers. Deze afgeschaalde parkeerkencijfers zijn realistisch en op de plaatselijke situatie afgestemd. Conform de Regeling Parkeernormen 2016 is het maatgevend moment bepaald aan de hand van aanwezigheidspercentages. Hiermee is het maatgevende moment in de parkeerbalans (zaterdagmiddag) in beeld gebracht. Dit is het moment waarop de hoogste parkeerbezetting door bewoners8 en bezoekers samenkomt. Er is geen vaststaand beleid vanuit de gemeente Zwolle over de toepassing van deelauto’s. Ervaringscijfers van het CROW, exploitanten en andere gemeenten zien dat, afhankelijk van de locatie en functie, per deelauto gemiddeld vijf parkeerplaatsen minder nodig zijn. Omdat een deelauto zelf ook een plek inneemt maakt de netto besparing vier parkeerplaatsen per deelauto. De verwachting is dat een deelauto’s vooral een matigend effect hebben op het bezit van een tweede auto. Hierdoor neemt de parkeervraag af. Dit is toegelicht in paragraaf 3.5.

Koppeling parkeergarages versus niet-koppelen In het toekomstige stedelijke uitbreidingsplan zijn twee uitgewerkte scenario’s met betrekking tot de ontsluiting van de parkeerfaciliteiten, die verschillende invloeden hebben op de verkeerseffecten. Dit zijn scenario A (het fysiek koppelen van de bestaande- en de nieuwe parkeergarage) en scenario B (het niet-koppelen van de bestaande- en nieuwe parkeergarage). Het verschil in de scenario’s heeft invloed op het parkeeraanbod, de inrichting van de openbare ruimte en de verkeerscirculatie. De scenario’s zijn in paragraaf 3.3. schematisch weergegeven. Scenario A biedt met een koppeling van de bestaande- en de nieuwe parkeergarage een efficiënt ruimtegebruik. De ingangen van de garages worden in dit scenario aan zowel de Noordkant (Werkerlaan) als aan de Zuidkant (Belvédèrelaan) gebundeld op één locatie. In scenario B krijgen de parkeergarages aparte in- en uitgangen, wat van invloed is op de inrichting van de openbare ruimte. 3.3 Toetsing verkeersafwikkeling en verkeersintensiteiten Op basis van het in paragraaf 3.1 benoemde programma en de in 3.2 benoemde uitgangspunten is de totale verkeersgeneratie op etmaalbasis werkdagniveau op het omliggend wegennet bepaald9:

8

Voor de bewoners in De Stadsmaker is in het Parkeerhuis rekening gehouden met 63 privé parkeerplekken voor de vrije sector huur, en 42 privé parkeerplekken voor de koopwoningen (1,0 per koopwoning). Deze parkeerplekken komen niet in aanmerking voor dubbelgebruik en zijn nietopenbaar toegankelijk. 9 De verkeerscijfers zijn weergegeven op etmaalbasis werkdagniveau. Hierin verschillen de cijfers van de verkeerscijfers die voor de milieuberekening zijn gehanteerd, dit betreft etmaalbasis weekdagniveau.

13 (23)

Tabel 3-1

Verkeersintensiteiten etmaalbasis omliggend wegennet De Stadsmaker Situatie Wegvak Huidig Autonoom Netto Plan: Plan: (2030) toename scenario A scenario B plan t.o.v. (2030) (2030) autonoom Belvédèrelaan (ten zuiden 2.000 2.200 +1.200 3.400 3.400 van de Duiker) Duiker (voor de afsplitsing) +1.200 1.200 1.200 Nieuwe aanleg Overtoom 600 600 (vanaf de Duiker tot halverwege het fietspad, ter hoogte van het maaiveldparkeren) Nieuwe aanleg Overtoom 3.500 (vanaf de Werkerlaan tot halverwege het fietspad, ter hoogte van het maaiveldparkeren) Werkerlaan (tussen de 5.400 5.900 +4.700 10.600 10.600 Mastenbroekerallee en Veldbeemdgras)

Bovenstaande verkeersintensiteiten zijn getoetst aan ‘wenswaarden’ voortkomend uit landelijke CROW richtlijnen10 Op basis van bovenstaande geldt dat de intensiteiten op de Belvédèrelaan (ten zuiden van de Duiker) in de toekomstige situatie binnen de maximale capaciteit liggen voor een gebiedsontsluitingsweg (50 km/u). Dit geldt voor beide scenario’s. Voor de Werkerlaan geldt dat inrichting niet meer passend is bij de toekomstige verkeersintensiteiten. Ook dit geldt voor beide scenario’s. De huidige Werkerlaan (tussen Mastenbroekerallee en Veldbeemdgras) is door de groei van het verkeer niet meer ingericht conform richtlijnen Duurzaam Veilig voor een gebiedsontsluitingsweg 50 km/u weg, met de intensiteiten zoals benoemd in tabel 3-1. Het is aan het bevoegd gezag om te oordelen omtrent de aanvaardbaarheid van de verkeerstoename in deze specifieke situatie. Voor de Duiker en Overtoom (beide erftoegangsweg 30 km/u) geldt dat beide wegen qua inrichting moeten worden aangepast conform de CROW richtlijnen om te kunnen voldoen aan een inrichting die past bij de toekomstige verkeersintensiteiten. Naast de bepaling op etmaalbasis zijn voor de direct aangrenzende kruispunten kruispuntberekeningen uitgevoerd op basis van het drukste uur. Om het drukste uur te bepalen zijn de etmaalintensiteiten teruggerekend naar een piekmoment (ca. 10% van het etmaal).

Vervolgens is een worst-case belasting gehanteerd. De gehanteerde verkeerscijfers in het drukste uur zijn hieronder weergegeven:

10

De landelijke richtlijnen van het CROW geven wenswaarden weer voor wegvakken conform een duurzaam veilige inrichting.

14 (23)

Tabel 3-2

Verkeersintensiteiten drukste uur (vrijdagmiddag) omliggend wegennet De Stadsmaker Wegvak Situatie Scenario A (2030) Scenario B (2030) Belvédèrelaan (ten zuiden van de Duiker) 850 850 Nieuwe parkeergarage De Stadsmaker 300 350 Bestaande parkeergarage 200 200 Duiker - Overtoom 350 300 Werkerlaan (tussen de Mastenbroekerallee en 1.000 1.000 Veldbeemdgras) Nieuwe aanleg Overtoom (vanaf de Werkerlaan 300 tot halverwege het fietspad, ter hoogte van het maaiveldparkeren) Werkerlaan bestaande parkeergarage en 1.000 700 maaiveldparkeren

De kruispunten Werkerlaan - Overtoom en Belvédèrelaan – Duiker zijn voor wat betreft het voorlopig ontwerp op conceptniveau getoetst (zie voor impressies van het Voorlopig Ontwerp kruispuntontwerp (figuren 3-1 en 3-2). In scenario A wijzigt de Noordsituatie (aansluiting Werkerlaan – Overtoom) niet.

Figuur 3-1

Impressie van het Voorlopig Ontwerp kruispuntonwerp Zuid (Scenario A)

Figuur 3-2

Impressies van het Voorlopig Ontwerp kruispuntontwerp Noord en Zuid (Scenario B)

15 (23)

Door middel van de kruispuntberekeningen is inzichtelijk gemaakt wat tijdens het drukste uur de gemiddelde wachttijden zijn11. Voor zowel de Werkerlaan - Overtoom als de Belvédèrelaan – Duiker geldt dat de toekomstige verkeersaantallen in het drukste uur goed te verwerken zijn en niet leiden tot afwikkelingsproblemen. Dit geldt voor beide scenario’s. Voor scenario A geldt dat op de Werkerlaan – Overtoom geen sprake is van een kruising tussen gemotoriseerd verkeer en fietsverkeer. De gemiddelde wachttijden, voortkomend uit de kruispuntberekeningen zijn opgenomen in bijlage 1. 3.4 Toetsing verkeersveiligheid Het Voorlopig Ontwerp is gebaseerd op ‘verkeersveilig ontwerpen’. De ontwerpen zijn ontstaan op basis van landelijke CROW richtlijnen en/of toegepaste ‘expert judgement’ (=verantwoord maatwerk door ervaren ontwerpers). Bij het ontwerpproces geldt: ‘verkeersveiligheid vooraf’. De Werkerlaan aan de oostzijde van het bestaande winkelcentrum, ter plekke van het maaiveld parkeren en de huidige toegang naar de expeditiestraat, wordt qua inrichting niet gewijzigd. Wel is sprake van gewijzigd gebruik, met name de verhoogde verkeersintensiteiten en de gewenste aangepaste bevoorradingsroute (zie 3.7).

De verhoging van de intensiteit ontstaat mede door de aantrekkende werking van het stedelijk uitbreidingsplan, met name omdat gebruik wordt gemaakt van de restcapaciteit van de bestaande parkeergarage (zowel scenario A als B) én bij scenario A sprake is van een koppeling met de nieuwe parkeergarage. De toename van het verkeer leidt aan de oostzijde niet tot een hogere onveiligheid ten opzichte van de bestaande situatie, want de toename van het verkeer levert voor het verkeer gemiddeld een lagere snelheid op. Dit is veiliger voor de fietsers. Daarbij overweegt de gemeente Zwolle dit deel van de Werkerlaan op te nemen in een 30km zone, daar waar de maximum snelheid nu 50km/u is. De veiligheid van de voetgangers wordt niet verminderd ten opzichte van de huidige situatie omdat er geen wijzigingen zijn bij de toegang tot de bestaande parkeergarage en ook het maaiveld parkeren kent hetzelfde gebruik. Ter plekke van de expeditiestraat verbetert het zicht op de kruisende voetganger omdat het vrachtverkeer de expeditiestraat vanaf de Belvédèrelaan in rijdt in plaats van uitrijdt in de huidige situatie. Ook verbetert de situatie door minder menging van het vrachtverkeer en langzaam verkeer. Door het gewenste instellen van een 30km zone wordt het gehele gebied als verblijfsgebied aangemerkt.

Het Voorlopig Ontwerp, is een veilig ontwerp, waar nadrukkelijk is gekeken naar de kwetsbare verkeersdeelnemer (voetgangers en fietsers). Bij een aantal deelontwerpen is sprake van enkele aandachtspunten. De aandachtspunten zijn alle binnen het uit te werken Definitief Ontwerp goed oplosbaar, zodat een klantvriendelijk en veilige omgeving wordt gecreëerd. Voor beide scenario’s geldt dat deze met aandacht voor de juiste inrichting een verbetering voor de verkeersveiligheid zijn. 3.5 Toetsing parkeren Op basis van het in paragraaf 3.1 benoemde programma en de in 3.2 benoemde uitgangspunten is de totale parkeervraag in beeld gebracht. Om de parkeervraag als gevolg van het stedelijk plan op te vangen worden parkeerfaciliteiten gerealiseerd, maar wordt ook een beroep gedaan op bestaande parkeerfaciliteiten die in de huidige situatie niet optimaal worden benut (restcapaciteit). Een deel van het bestaande maaiveldparkeren op de Belvédèrelaan komt te vervallen, maar wordt aan de vraagzijde gecompenseerd.

11

Indien bij een voorrangskruispunt sprake is van een gemiddelde wachttijd korter dan twintig seconden, wordt dit verkeerskundig als acceptabel beschouwd.

16 (23)

Het toekomstige aanbod bestaat uit de Nieuwe parkeergarage De Stadsmaker, het Parkeerhuis, maaiveldparkeren op de Overtoom/Werkerlaan en de restcapaciteit van de bestaande parkeergarage. We maken efficiënt gebruik van bestaande voorzieningen. Op basis van de in paragraaf 2.4 benoemde parkeerdrukmeting is de beschikbare restcapaciteit voor zowel scenario A als B bepaald. De parkeerdrukmeting is als maatgevend moment gehanteerd inclusief een robuustheidsmarge van 15%12 (hiermee is ook autonome groei opgevangen). De beschikbare restruimte bij een parkeerbezetting van 95% is in scenario A en B toegepast. Een dergelijke parkeerbezetting wordt mogelijk door een extensief dynamisch parkeerverwijssysteem in het gehele plangebied en bij alle parkeerfaciliteiten waarop een beroep wordt gedaan, dit systeem wordt toegepast. In scenario A is de totale parkeercapaciteit in de bestaande parkeergarage ca.361 parkeerplekken (door het fysiek koppelen) ten opzichte van ca. 400 parkeerplekken in scenario B. Scenario A In onderstaande tabel is de parkeervraag en het beoogde parkeeraanbod voor scenario A weergegeven. Voor dit scenario geldt dat een fysieke koppeling plaatsvindt tussen de bestaande parkeergarage en de nieuwe parkeergarage De Stadsmaker. Het parkeeraanbod en bijbehorende routering corresponderend met tabel 3-3 is in figuur 3-3 weergegeven

Figuur 3-3

Overzicht toekomstige parkeerfaciliteiten en routering Scenario A

12

Het ophogen van de huidige bezetting met een robuustheidscheck is niet verplicht conform de Regeling Parkeernormen 2016, maar om een toekomstbestendige oplossing te bieden is dit wel meegenomen.

17 (23)

Tabel 3-3 Parkeerbalans Scenario A Aanbod Nieuwe parkeergarage De 227 Stadsmaker Parkeerhuis 167

Maaiveld (Overtoom/Werkerlaan) Bestaande parkeergarage (restcapaciteit) Totaal

114

Vraag Parkeervraag eigen ontwikkeling Compensatie huidige parkeerplaatsen binnen plangrens Toepassing deelauto’s

514 138

-16

128 636

636

Verschil

0

Aan de parkeervraag wordt in scenario A voldaan. Scenario B In onderstaande tabel is de parkeervraag en het beoogde parkeeraanbod voor scenario B weergegeven. Voor dit scenario geldt dat geen fysieke koppeling plaatsvindt tussen de bestaande parkeergarage en de nieuwe parkeergarage De Stadsmaker. Het parkeeraanbod en bijbehorende routering corresponderend met tabel 3-4 is in figuur 3-4 weergegeven.

Figuur 3-4

Overzicht toekomstige parkeerfaciliteiten en routering Scenario B

18 (23)

Tabel 3-4 Parkeerbalans Scenario B Aanbod Nieuwe parkeergarage De 227 Stadsmaker Parkeerhuis 154

Maaiveld (Overtoom/Werkerlaan) Bestaande parkeergarage (restcapaciteit) Totaal

102

Vraag Parkeervraag eigen ontwikkeling Compensatie huidige parkeerplaatsen binnen plangrens Toepassing deelauto’s

514 138

-16

165 648

636

Verschil

+12

Aan de parkeervraag wordt in scenario B voldaan. 3.6 Toetsing fietsverkeer Het stedelijk plan heeft in het beginsel weinig invloed op de afwikkeling van het fietsverkeer. De verkeersdruk neemt toe door het stedelijk plan. Hierdoor is meer sprake van zowel gemotoriseerd verkeer als fietsverkeer. Zoals benoemd in paragraaf 3.3 is de inrichting van de Werkerlaan (tussen de Mastenbroekallee en Veldbeemdgras) niet meer passend bij de toekomstige verkeersintensiteiten. Conform CROW richtlijnen Duurzaam Veilig dient het fietsverkeer hier te worden gescheiden van het gemotoriseerd verkeer (de Werkerlaan krijgt een volwaardige gebiedsontsluitende functie). Het is aan het bevoegd gezag om te oordelen omtrent de aanvaardbaarheid van de verkeerstoename in deze specifieke situatie. 3.7 Toetsing bevoorrading en hulpdiensten Met betrekking tot de bereikbaarheid voor hulpdiensten is het een voorwaarde dat de panden en voorzieningen voor hulpdiensten te bereiken moeten zijn. In de VO-fase is rekening gehouden met de bereikbaarheid door middel van rijcurven. Het overgrote deel is reeds bereikbaar omdat openbare- en/of bevoorradingsroutes al uitgewerkt zijn en waar de hulpdiensten gebruik van kunnen maken. De gewenste expeditie route is in figuur 3-5 in rood aangegeven.

19 (23)

Figuur 3-5

Expeditieroutes toekomstige situatie

De bestaande expeditiestraat (groene lijn) speelt hierbij een belangrijke rol. Er wordt onderzoek gedaan de rijrichting van west naar oost te maken in plaats van oost naar west zoals in de huidige situatie het geval is. Dit betekent dat de ‘groene zone’ voor grote bevoorradingsvoertuigen toegankelijk blijft. Ter plekke van het bevoorradingspunt van de ontwikkeling is een ‘keerbeweging’ mogelijk. Bevoorradingsverkeer komend vanuit zuidelijke richting (via Duiker) kunnen achteruit insteken en na het lossen weer voorwaarts uitrijden en linksaf richting Duiker. Ter hoogte van de lichtblauwe ster is sprake van ‘selectieve toegang’, door middel van verkeersborden en/of fysieke middelen. Eventueel kan met bijvoorbeeld venstertijden worden gewerkt. Het parkeerdek onder het bewegingshuis blijft toegankelijk voor bewoners. In verband met de bevoorrading worden binnen het Voorlopig Ontwerp een aantal hoofdkaders gehanteerd (aan de hand van figuur 3-5). Hulpdiensten hebben via selectieve toegang altijd de mogelijkheid om van noord naar zuid te rijden. Op afroep geldt dit ook voor verhuisdiensten, glazenwassers etc. · Groene en gele zone (Markt) selectieve toegang, met venstertijden. · Gele zone niet toegankelijk voor zwaar bevoorradingsverkeer, wel voor bestelbusjes, eigenaren (met uitzondering van de marktdag) en huisvuilophaaldienst, alle binnen de eventuele venstertijden.

· Oranje zone niet toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer (met uitzondering van hulpdiensten). · Blauwe zone niet toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer (met uitzondering van scenario B).

20 (23)

4

Conclusie Verkeersonderzoek

Samenvattend heeft het stedelijk uitbreidingsplan met haar extra verkeersintensiteiten geen substantiële invloed op de verkeersstructuur, de verkeersafwikkeling, het gebruik en de verkeersveiligheid. Het plan voorziet verder in de gewenste parkeerbehoefte bij zowel scenario A als B. Wel is sprake van een noodzakelijk toekomstige functiewijziging van de Werkerlaan (tussen de Mastenbroerkerallee en Veldbeemgras) omdat de functie, vorm en gebruik niet meer overeenkomen. Het is aan het bevoegd gezag om te oordelen omtrent de aanvaardbaarheid van de verkeerstoename in deze specifieke situatie. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op het effect van het voorgenomen stedelijk plan op de verkeersstructuur, de verkeersintensiteiten en de verkeersafwikkeling, de verkeersveiligheid en de gevolgen voor langzaam verkeer, en op de bevoorrading en bereikbaarheid voor hulpdiensten. Effect op de verkeersstructuur en op de verkeersintensiteiten Het stedelijk plan heeft geen invloed op de (hoofd)verkeersstructuur in en rond de omgeving van het stedelijk plan. De bestaande aan- en afvoerwegen voor gemotoriseerd en fietsverkeer blijven qua ligging intact. Wel is bij de Werkerlaan (tussen de Mastenbroekerallee en Veldbeemgras) sprake van een toekomstige functiewijziging als gevolg van de toename van het verkeer.

Deze is zodanig dat sprake is van een etmaalintensiteit die niet past bij de huidige inrichting van de weg (functie, vormgeving en gebruik komen niet meer overeen conform de landelijke CROW richtlijnen). Binnen de huidige structuur moet het betreffende deel van de Werkerlaan daardoor worden opgewaardeerd naar een volwaardige gebiedsontsluitingsweg binnen de bebouwde kom, met als belangrijkste wijziging dat fietsers geen gebruik meer maken van de rijbaan. Het is aan het bevoegd gezag om te oordelen omtrent de aanvaardbaarheid van de verkeerstoename in deze specifieke situatie. De wegenstructuur van de ontwikkeling van het stedelijk plan zelf, dus de wegen die aansluiten op de ontsluitende hoofdstructuur, worden ontworpen op basis van de landelijke CROW richtlijnen. Effect op de verkeersafwikkeling Voor de afwikkeling op kruispuntniveau zijn de kruisingen Belvédèrelaan – Duiker en Werkerlaan – Overtoom onderzocht. Bij de kruisingen Belvédèrelaan – Duiker is sprake van de ontsluiting van de parkeerfaciliteiten in zowel scenario A als B, en bij de kruising Werkerlaan – Overtoom betreft het de ontsluiting van de nieuwe garage aan de noordzijde bij scenario B. Voor beide kruisingen geldt dat de toekomstige verkeersintensiteiten in het drukste uur goed te verwerken zijn en het niet leidt tot afwikkelingsproblemen.

Effect op de verkeerveiligheid en gevolgen langzaam verkeer Het Voorlopig Ontwerp is gebaseerd op ‘verkeersveilig ontwerpen’. De ontwerpen zijn uitgevoerd op basis van landelijke CROW richtlijnen waarbij gebruik is gemaakt van ‘verantwoord verkeersveilig maatwerk’ door ervaren verkeerskundig ontwerpers. Op VO-niveau ligt een veilig nieuw ontwerp aan de westzijde van het bestaande winkelcentrum, waar nadrukkelijk is gekeken naar de veiligheid van de kwetsbare verkeersdeelnemer, ofwel de voetgangers en fietsers. Dit geldt zowel voor de infrastructuur als ook bij de aansluitingen van de nieuwe parkeergarage en bestaande parkeergarage bij scenario B.

21 (23)

Aan de oostzijde van het bestaande winkelcentrum wordt door de toename van het verkeer de veiligheid niet verminderd. Door het instellen van een gewenste 30km zone, met de bijbehorende inrichtingseisen, wordt het als een verblijfsgebied beschouwd en komt de gemiddelde snelheid lager te liggen hetgeen gunstig is voor de kwetsbare verkeersdeelnemers. Ook de inzet van een parkeerverwijssysteem draagt bij aan de verkeersveiligheid doordat sprake is van minder zoekend verkeer. Door de gewenste wijziging van de rijrichting in de expeditiestraat wordt de verkeersveiligheid voor met name voetgangers beter omdat sprake is van een verbeterde zichtsituatie. Effect op het parkeren Op basis van de genoemde uitgangspunten voorzien scenario A en B in de berekende parkeervraag. Door de inzet van een parkeerverwijssysteem met actuele informatie op panelen/borden kan de gewenste efficiëntie worden behaald doordat minder zoekend verkeer gebruikt maakt van de aanwezige infrastructuur. Effect op de bevoorrading en bereikbaarheid hulpdiensten De bevoorradingsroutes worden afgestemd op de inrichting van het stedelijk plan en vormen op basis van de uitgangspunten en hoofdkaders geen belemmering. Binnen het proces van het DO (Definitief Ontwerp) wordt dit nader uitgewerkt.

Met betrekking tot de bereikbaarheid voor hulpdiensten is het een voorwaarde dat de panden en voorzieningen voor hulpdiensten bereikbaar zijn. In de VO-fase is de bereikbaarheid voor hulpdiensten binnen het ontwerp meegenomen. Omdat de bevoorradingsroute door het gebied loopt, is de noodzakelijke fysieke ruimte aanwezig om de bereikbaarheid van hulpdiensten te garanderen.

22 (23)

Bijlage 1

Wachttijden kruispuntberekeningen

Kruispunt Zuidentree (Scenario B)

Kruispunt Werkerlaan – Overtoom (beide scenario’s A en B)

23 (23)

7 maart 2022 bestemmingsplan Stadshagen I, uitbreiding winkelcentrum

Bijlage 4 Verkennend Natuuronderzoek, Sweco, 04-05-2020

56/784

Rapport Projectnummer: 371956 Referentienummer: SWNL0259652 Datum: 04-05-2020

Verkennend Natuuronderzoek Stadshagen Zwolle Oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur

Definitief

Opdrachtgever: VOF de Stadsmaker

Sweco Rozenburglaan 11 9727 DL Groningen Postbus 7057 9701 JB Groningen

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Groningen Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Rietje Klous Adviseur Ecologie M +31 6 20134740

Verantwoording Titel Subtitel

Verkennend Natuuronderzoek Stadshagen Zwolle Oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur

Projectnummer

371956

Referentienummer

SWNL0259652

Revisie

D01

Datum

04-05-2020

Auteur(s)

Rietje Klous

E-mailadres

Rietje.klous@sweco.nl

Gecontroleerd door

Germ Zeephat

Paraaf gecontroleerd

Goedgekeurd door

Tim Verver

Paraaf goedgekeurd

nl_rapport.docx 20161201

2 (16)

Inhoudsopgave 1

Inleiding .................................................................................................................. 4

1.1

Kader van het onderzoek ........................................................................................ 4

1.2

Ligging plangebied en voorgenomen activiteiten .................................................... 4

2

Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden................................................ 5

2.1

Toetsingskader ........................................................................................................ 5

2.2

Inventarisatie ........................................................................................................... 6

2.3

Analyse van de mogelijke effecten .......................................................................... 6

3

Wet natuurbescherming: soortenbescherming ................................................. 8

3.1

Toetsingskader ........................................................................................................ 8

3.2

Methode ................................................................................................................... 9

3.3

Voorkomende ecotopen ........................................................................................ 10

3.4

Planten................................................................................................................... 10

3.5

Vleermuizen ........................................................................................................... 10

3.6

Overige zoogdieren ............................................................................................... 10

3.7

Vogels .................................................................................................................... 11

3.8

Amfibieën en Reptielen ......................................................................................... 11

3.9

Vissen .................................................................................................................... 11

3.10

Ongewervelden ..................................................................................................... 12

4

Natuurbeleidskaders ........................................................................................... 13

4.1

Toetsingskader ...................................................................................................... 13

4.2

Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................... 13

5

Conclusies / aanbevelingen ............................................................................... 15

nl_rapport.docx 20161201

3 (16)

1

Inleiding

1.1 Kader van het onderzoek VOF de Stadsmaker heeft Sweco gevraagd de conditionerende onderzoeken uit te voeren ten behoeve van de uitbreiding van het winkelcentrum Stadshagen te Zwolle. Voorliggend natuuronderzoek is een van deze onderzoeken. Projecten of handelingen dienen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: • Wet natuurbescherming:

 Natura 2000-gebieden  Soorten

• Natuurnetwerk Nederland (NNN) gebieden buiten het NNN (o.a. weidevogelleefgebied). Dit natuuronderzoek is erop gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het projectgebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het verkennend onderzoek is de eerste stap in de procedure. Afhankelijk van het resultaat moeten de navolgende stappen al dan niet worden doorlopen. In dit verkennend natuuronderzoek heeft toetsing plaatsgevonden op beschermde Natura 2000-gebieden, beschermde soorten en op de natuurbeleidskaders. 1.2 Ligging plangebied en voorgenomen activiteiten Het plangebied ligt westelijk van het huidige winkelcentrum Stadshagen en bestaat uit de Belverderelaan, parkeerterrein, grasvelden en een kinderdagverblijf (containerbouw). In figuur 1.1 is het plangebied weergegeven.

Figuur 1.1: Ligging plangebied (rood omkaderd) met rechts het huidige winkelcentrum.

nl_rapport.docx 20161201

4 (16)

2

Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden

2.1 Toetsingskader Bescherming van Natura 2000-gebieden vindt plaats op grond van de Wet natuurbescherming. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- respectievelijk verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken kent de Wet natuurbescherming (Wnb) een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb), en een vergunningplicht voor projecten en andere handelingen die (significant) negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding zijn.

Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het plan of een vergunning voor het project worden verleend indien de ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project nodig is omwille van een dwingende reden van groot openbaar belang, er geen alternatief mag zijn met minder grote effecten op Natura 2000 en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Afdeling heeft geoordeeld dat het PAS niet aan alle eisen van de Habitatrichtlijn voldoet. Het PAS geeft onvoldoende zekerheid dat met de uitgifte van ontwikkelingsruimte significante gevolgen voor Natura 2000 zijn uitgesloten. De consequentie is dat het PAS niet als basis voor toestemming voor projecten of andere activiteiten kan worden gebruikt. Toetsing van effecten van stikstofdepositie gaat daarom weer volgens de in voorgaande alinea beschreven procedure. Consequenties uitspraak ABRvS over PAS De ABRvS heeft enkele wettelijke bepalingen uit de Wnb, het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming onverbindend verklaard.

De belangrijkste consequenties daarvan zijn: • Het verbod op extern salderen is opgeheven. Er mag dus weer extern gesaldeerd (salderen met emissierechten van stoppende veehouderijen of industriële bedrijven) worden. Dit echter onder strikte voorwaarden. Zo mogen de stoppende bedrijven niet al zijn meegenomen in het PAS. In beginsel zijn in het PAS alle bedrijven opgenomen die binnen 1 km van Natura 2000-gebieden liggen en in de periode 2015-2018 zijn gestopt. • De PAS-lijst met 118 PAS-gebieden is onverbindend verklaard. In de eigenstandige ecologische beoordeling moet dus ook getoetst worden op de niet PAS-gebieden (o.a. Vogelrichtlijngebieden).

nl_rapport.docx 20161201

5 (16)

• Drempelwaarde (0,05 mol N/ha/jr) en afstandsgrenswaarden (o.a. 3 km voor wegverkeer) komen te vervallen.

• De referentiedata uit het PAS (feitelijke depositie 2012-2014) voor het bepalen of sprake is van een toename aan stikstofdepositie komen te vervallen. Dat wil zeggen dat weer relevant wordt of voor een bepaalde activiteit toestemming is verleend voordat het betreffende gebied waar die activiteit gevolgen voor heeft als Vogelrichtlijngebied werd aangewezen respectievelijk als Habitatrichtlijngebied door de Europese Commissie op de lijst van gebieden van communautair belang werd geplaatst. Voor Vogelrichtlijngebieden gaat het hierbij om 10 juni 1994 of later (veelal 24 maart 2000), bij Habitatrichtlijngebieden gaat het in de regel om 7 december 2004. 2.2 Inventarisatie Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Uit deze gebiedendatabase blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht is. Dit ligt op circa 1,3 km oostelijk van het plangebied. Ook Rijntakken ligt met 2 km afstand op beperkte afstand tot het plangebied. Beide gebieden zijn zowel aangewezen als Vogelrichtlijn- als Habitatrichtlijngebied. Er zijn dus stikstofgevoelige habitattypen in de nabije omgeving aanwezig. In figuur 2.1 is een globaal overzicht weergegeven van het plangebied ten opzichte van de omliggende Natura 2000-gebieden.

Figuur 2.1: Globale ligging van het plangebied (rood omcirkeld) t.o.v. Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht oostelijk en Natura 2000-gebied Rijntakken westelijk.

2.3 Analyse van de mogelijke effecten Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht op circa 1,3 km afstand.

nl_rapport.docx 20161201

6 (16)

Directe aantasting zoals oppervlakteverlies en versnippering van een Natura 2000-gebied is niet aan de orde omdat de werkzaamheden buiten de begrenzing van een Natura 2000gebied plaatsvinden. Verstoring van verstoringsgevoelige dieren door beweging, geluid, trilling en licht gedurende de realisatiefase en gebruiksfase reikt tot maximaal enkele honderden meters ver. De afstand tot Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht is veel groter en bovendien ligt het plangebied in de stad waar al veel achtergrond verstoring aanwezig is. Er treedt geen verstoring op die negatieve effecten op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. In de twee dichtstbij gelegen Natura 2000-gebieden zijn stikstofgevoelige habitattypen aanwezig. Zowel de aanlegfase als de gebruiksfase zal leiden tot extra stikstofuitstoot. Om vast te kunnen stellen of additionele depositie plaatsvindt in de omliggende Natura 2000-gebieden wordt een stikstofberekening met de Aerius calculator uitgevoerd. Hiervan wordt een afzonderlijke rapportage opgesteld.

nl_rapport.docx 20161201

7 (16)

3

Wet natuurbescherming: soortenbescherming

3.1 Toetsingskader In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) • lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; onderdeel b.

de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of

nl_rapport.docx 20161201

8 (16)

vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de nieuwe wet geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de nieuwe wet. Er is dan geen ontheffing nodig. 3.2

Methode

Bronnenonderzoek De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het plangebied. De inventarisatie bestaat uit een bronnenonderzoek, een verkennend veldbezoek en habitatgeschiktheid beoordeling. Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en de ruime omgeving er omheen. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt: • NDFF (2015-2020);

• Soortenatlassen. Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 31 maart 2020 door een deskundig ecoloog van Sweco. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling is een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed kunnen worden door de voorgenomen activiteit. Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek en eventueel ontheffingsplicht in kader van Wet natuurbescherming van toepassing is. Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de Wet Natuurbescherming beschermde plant- en diersoorten. Niet-beschermde Rode lijstsoorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen

nl_rapport.docx 20161201

9 (16)

zoals diverse soorten paddenstoelen en vaatplanten worden niet in het onderzoek betrokken omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wet Natuurbescherming. 3.3 Voorkomende ecotopen Het plangebied ligt in de bebouwde omgeving en grenst aan een winkelcentrum. De volgende ecotopen zijn te onderscheiden: • Water: Langs de zuidgrens van het plangebied ligt een waterpartij en langs de noordzijde loopt een sloot. Het water behoort niet tot het plangebied; • (Gemaaid) grasveld en grasstroken; • Diverse kleinere groenstroken met struiken, waarvan twee met ook een jonge boom; • Weg, fietspad en parkeerterrein(allen asfalt) en trottoir (tegels): geen ecologische waarde. 3.4 Planten Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde plantensoorten. (NDFF, 2015-2020). Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van beschermde plantensoorten. Waargenomen zijn algemene soorten als duizendblad, smalle weegbree, paardenbloem en madelief. Beschermde soorten zijn hier door het ontbreken van geschikte groeilocaties niet te verwachten. Analyse en toetsing van mogelijke effecten De werkzaamheden hebben geen effect op plantensoorten behorend tot de beschermingsregimes van de Wet natuurbescherming aangezien deze niet voorkomen in het plangebied.

Aanvullend onderzoek naar beschermde planten en een mogelijke ontheffingsprocedure zijn daarom niet nodig. 3.5 Vleermuizen Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van gewone- en ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis (NDFF, 2015 - 2020). De twee bomen in het plangebied zijn te dun voor een vleermuisverblijf. Holtes zijn dan ook niet aangetroffen tijdens het veldbezoek. Ook maken deze bomen geen deel uit van een vliegroute. De aanwezige bebouwing in het plangebied is niet geschikt voor vleermuizen. Het betreft een tijdelijk school- en kinderopvangcomplex (containerbouw). Analyse en toetsing van mogelijke effecten Het plangebied is door het ontbreken van geschikt foerageergebied en van voor verblijfplaatsen geschikte bomen en gebouwen niet geschikt voor vleermuizen. Door de herinrichting zullen derhalve geen negatieve effecten op vleermuizen optreden. 3.6 Overige zoogdieren Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de Europees beschermde otter (in Twistvlietpark), de Nationaal beschermde eekhoorn en steenmarter en de in Overijssel vrijgestelde soorten egel, bunzing en wezel (NDFF, 2015-2020). De bomen

nl_rapport.docx 20161201

10 (16)

zijn ongeschikt voor nesten van eekhoorn en deze zijn dan ook niet waargenomen. De bebouwing is niet geschikt voor steenmarter. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Het plangebied is niet geschikt als leefgebied voor genoemde beschermde soorten. De herinrichting leidt daarom niet tot negatieve effecten op deze soorten. Wel dient tijdens de werkzaamheden de zorgplicht in acht te worden genomen. Aanwezige of passerende dieren moet de gelegenheid worden geboden het plangebied te verlaten. 3.7 Vogels Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Alle inheemse vogels zijn als Vogelrichtlijnsoort beschermd conform artikel 3.1 Wet natuurbescherming. Vogels zijn te allen tijde gedurende het broedseizoen beschermd. Op basis van het bronnenonderzoek is vastgesteld dat er in de directe en wijde omgeving van het plangebied diverse (broed)vogelsoorten zijn waargenomen (NDFF, 2015-2020). Tijdens het veldbezoek zijn geen jaarrond beschermde nesten waargenomen binnen het plangebied. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Verstoring van vogels treedt op wanneer er werkzaamheden uitgevoerd worden in de nabijheid van broedende vogels rond het werkgebied. Het betreft binnen dit project broedende vogels in oevers langs het plangebied. Door buiten het broedseizoen te werken, wordt verstoring van broedende vogels voorkomen.

De broedperiode loopt globaal van half maart tot begin augustus. Indien het niet te vermijden is in het broedseizoen te werken dient eerst onderzocht te worden of er in de nabijheid nesten of broedende vogels aanwezig zijn die verstoord kunnen worden. Indien dit het geval is, wordt gewacht met de werkzaamheden tot het moment dat de vogels uitgevlogen zijn. Jaarrond beschermde nesten zijn niet aangetroffen binnen het plangebied. 3.8 Amfibieën en Reptielen Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Er zijn binnen en nabij het plangebied geen waarnemingen bekend van beschermde amfibieën en reptielen. Wel is in de omgeving de vrijgestelde bastaardkikker waargenomen (NDFF, 2015-2020). In het plangebied, grotendeels verhard en in bebouwde omgeving, is geen geschikt leefgebied voor beschermde amfibieën en reptielen aanwezig. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Reptielen en beschermde amfibieën zijn niet waargenomen en wegens het ontbreken van geschikt habitat binnen het plangebied ook niet te verwachten. Negatieve effecten ten gevolge van de herinrichting treden voor deze soortgroepen niet op. Voor eventueel aanwezige passerende beschermde en vrijgestelde soorten dient de zorgplicht in acht genomen te worden, wat voornamelijk inhoudt dat deze de gelegenheid moet worden geboden het plangebied te verlaten..

3.9 Vissen Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig.

nl_rapport.docx 20161201

11 (16)

3.10 Ongewervelden Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Nabij het plangebied is de nationaal beschermde grote weerschijnvlinder (Twistvlietpark) waargenomen. Er zijn in de omgeving geen waarnemingen bekend van overige beschermde vlinders, libellen, of andere insecten (NDFF, 2015 - 2020). Tijdens het veldbezoek zijn geen aanvullende waarnemingen gedaan en is vastgesteld dat het plangebied niet geschikt is voor beschermde soorten. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Er zijn binnen het plangebied geen beschermde soorten waargenomen of te verwachten. Derhalve hebben de werkzaamheden geen negatief effect op deze soortgroep en is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

nl_rapport.docx 20161201

12 (16)

4

Natuurbeleidskaders

4.1 Toetsingskader Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd bestaat uit: • Provinciaal beleid

 Natuurnetwerk Nederland (NNN). 4.2 Natuurnetwerk Nederland Toetsingskader De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. De afweging voor ingrepen in het NNN gaat volgens het “nee, tenzij-principe”. In onderstaand schema is dit stapsgewijs weergegeven. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNN gebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. Een “nee, tenzij-toets” behoeft alleen te worden doorlopen indien er sprake is van een ROprocedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het plangebied.

Schema: Het ”nee, tenzij"-principe van het compensatiebeginsel. Inventarisatie De dichtstbijzijnde NNN gebieden liggen op meer dan 1,3 km afstand. Het betreft de Natura 2000-gebieden Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en Rijntakken (zie figuur 4.1). Analyse en toetsing Het plangebied ligt buiten de begrenzing van NNN Overijssel. Derhalve zullen geen negatieve effecten optreden ten aanzien van de kernwaarden van NNN.

nl_rapport.docx 20161201

13 (16)

Figuur 4.1 NNN (groen en blauw), uitwerkingsgebied ontwikkelopgave N2000 (geel) en zone ondernemen met natuur en water buiten de NNN (groen geblokt).

.

nl_rapport.docx 20161201

14 (16)

5

Conclusies / aanbevelingen

Wet natuurbescherming Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht op circa 1,3 km afstand van het plangebied. Directe aantasting zoals oppervlakteverlies en versnippering van een Natura 2000-gebied is niet aan de orde omdat de werkzaamheden buiten de begrenzing van een Natura 2000-gebied plaatsvinden. Verstoring van verstoringsgevoelige dieren door beweging, geluid, trilling en licht gedurende de realisatiefase en gebruiksfase reikt tot maximaal enkele honderden meters ver. De afstand tot Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht is veel groter en bovendien ligt het plangebied in de stad waar al veel overige verstoring aanwezig is. Er treedt geen verstoring op die negatieve effecten op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. In de twee dichtstbij gelegen Natura 2000-gebieden zijn stikstofgevoelige habitattypen (Uiterwaarden Zwarte Water op 1,3 km en Vecht en Rijntakken op 2 km). Zowel de aanlegfase als de gebruiksfase zal leiden tot extra stikstofuitstoot. Om vast te kunnen stellen of mogelijk negatieve effecten in de omliggende Natura 2000gebieden optreden door additionele stikstof uitstoot wordt een stikstofberekening met de Aerius calculator uitgevoerd. Hiervan wordt een afzonderlijke rapportage opgesteld. Soortenbescherming Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde soorten.

Beschermde soorten als vleermuizen, otter, eekhoorn, steenmarter en grote weerschijnvlinder die in de omgeving zijn waargenomen hebben geen leefgebied binnen het plangebied. De struiken in en de bomen nabij het plangebied kunnen gebruikt worden als broedplaats voor vogels. Om verstoring van broedende vogels te voorkomen, zullen de werkzaamheden buiten het broedseizoen (grofweg half maart t/m juli met uitloop tot halverwege augustus) uitgevoerd moeten worden. Indien uitvoering van de werkzaamheden in het broedseizoen niet is te voorkomen en in gebruik zijnde nesten van vogels kunnen worden verstoord, dient het terrein voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een deskundig ecoloog op aanwezigheid van in gebruik zijnde vogelnesten. Deze dienen gespaard te blijven zolang ze in gebruik zijn en mogen niet worden verstoord. Jaarrond beschermde nesten zijn niet aangetroffen binnen het plangebied. Zorgplicht Om verstoring van migrerende, overvliegende of foeragerende vleermuizen te voorkomen, dienen de werkzaamheden zo veel als mogelijk overdag uitgevoerd te worden en dient waar mogelijk tussen zonsondergang en zonsopgang geen directe werkverlichting of strooiverlichting (m.u.v. voertuigen) toegepast te worden, die op bosjes, bomen en gebouwen kan schijnen.

Voor eventueel aanwezige algemene (vrijgestelde) soorten in de Provincie Overijssel geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Hiervoor geldt wel de zorgplicht, wat betekent dat nadelige gevolgen voor planten en dieren zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Aanwezige dieren dienen in de gelegenheid gesteld te worden het plangebied te verlaten.

nl_rapport.docx 20161201

15 (16)

Natuurbeleidskaders Natuurnetwerk Nederland Het plangebied valt buiten de begrenzing van NNN in Groningen en valt tevens niet in overige natuur. Derhalve zullen geen negatieve effecten optreden ten aanzien van de kernwaarden van NNN.

nl_rapport.docx 20161201

16 (16)

7 maart 2022 bestemmingsplan Stadshagen I, uitbreiding winkelcentrum

Bijlage 5 Watertoets, Sweco, 07-04-2021

73/784

Ontwikkeling uitbreiding winkelcentrum Stadshagen Projectnummer: 371956 Referentienummer: SWNL0275004 Datum: 07-04-2021

Watertoets uitbreiding winkelcentrum Stadshagen Watertoets en waterparagraaf

Definitief

Opdrachtgever: VOF de Stadsmaker Postbus 877 7556 PJ HENGELO

Sweco Zuiderzeelaan 53 8017 JV Zwolle Postbus 1364 8001 BJ Zwolle

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Zwolle Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Remco Visser adviseur / projectleider cultuurtechniek M +31 6 51 29 56 59

Verantwoording Titel

Watertoets uitbreiding winkelcentrum Stadshagen

Subtitel

Watertoets en waterparagraaf

Projectnummer

371956

Referentienummer

SWNL0274004

Revisie

D02

Datum

07-04-2021

Auteur

Remco Visser

E-mailadres

remco.visser@sweco.nl

Gecontroleerd door

Tessa Andringa

Paraaf gecontroleerd

Goedgekeurd door

Maarten Imhof

Paraaf goedgekeurd

2 (20)

Inhoudsopgave 1

Inleiding .................................................................................................................. 5

1.1

Aanleiding ................................................................................................................ 5

1.2

Doel ......................................................................................................................... 5

1.3

Leeswijzer ................................................................................................................ 5

2

Gebiedskenmerken ............................................................................................... 6

2.1

Hoogteligging ........................................................................................................... 6

2.2

Bodemopbouw ......................................................................................................... 6

2.3

Grondwaterstand ..................................................................................................... 6

2.4

Infiltratiekansen........................................................................................................ 7

2.5

Oppervlaktewatersysteem ....................................................................................... 7

2.6

Wateroverlast ........................................................................................................... 8

2.7

Riolering ................................................................................................................... 8

3

Uitgangspunten ..................................................................................................... 9

3.1

Drooglegging en ontwatering................................................................................... 9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=882d7a11-d756-49f0-b2c9-63a8244a6340