5c.Zwolle, parapluplan cultuurhistorie, aanvulling_vastgesteld_1_BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
Tekst van het document
Getuigen van deze vele catastrofes zijn de vele wielen die we in de uiterwaarden en binnendijks terugvinden.
De Stadskolk aan de Hasselterdijk, één van de vele wielen die ontstonden bij dijkdoorbraken.
De laatste keer dat Mastenbroek onder water heeft gestaan was niet het gevolg van een dijkdoorbraak. Op 22 september 1944 had de Duitse bezetter opdracht aan het waterschap Mastenbroek gegeven om de polder onder water te zetten. Geallieerde troepen waren de week ervoor in Arnhem en Nijmegen geland en de Duitsers begonnen in hoog tempo de IJssellinie in gereedheid te brengen om de geallieerde opmars te stuiten. In dat kader moest de polder onder water gezet worden, zijn loopgraven aangelegd in de uiterwaarden van de IJssel en werd er een tankgracht gegraven langs de Zalkerdijk, op de rand van het inundatiegebied.
28
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
De Gennerdijk met de gerestaureerde Gennegersluis.
29
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
7. Zwolse kastelen, landgoederen en buitenplaatsen
Buitenplaats Boschwijk.
Opvallend is het grote aantal landgoederen en buitenplaatsen in het gebied. Een landgoed is een groot stuk land, bestaande uit bossen, landbouwgronden en een of meer pachtboerderijen. Vaak is er een landhuis aanwezig. De term buitenplaats is in de achttiende eeuw ontstaan en duidt op een rijke woning met een tuin en een parkbos. De grens tussen een landgoed en een buitenplaats is niet scherp te trekken: over het algemeen zijn buitenplaatsen kleiner dan landgoederen. Zodra agrarische gronden deel uitmaken van het goed spreken we van een landgoed. In 1967 is de oude gemeente Zwollerkerspel samengevoegd met de stad Zwolle. Voor die tijd waren stad en kerspel op verschillende manieren met elkaar verbonden. Ruimtelijk was de elite van de stad met het kerspel verbonden geweest door kastelen, havezaten en buitenplaatsen. De stedelijke elite verbleef het belangrijkste deel van het jaar in de stad en bracht in de zomer enige tijd door op de buitenplaatsen op het platteland. Dit was in navolging van de adel die al langer op het platteland woonde. De adel koos sinds de middeleeuwen voor een hoofdverblijf op het platteland te midden van de bezittingen en een verblijf gedurende de wintermaanden in de stad. Als bescherming van have en goed bouwde men een omgracht huis met zware muren en een ophaalbrug.
Omdat er voldoende water in de grachten moest staan bouwde men de huizen op plaatsen waar de aanvoer van voldoende water gewaarborgd was. Om die reden koos men voor de ligging buitendijks, aan de voet van de oeverwal in een strang van de rivier (de Vecht, het Zwarte Water) of aan de binnenzijde van de oeverwal, waar het kwelwater uit de oeverwal zorgde voor voldoende water in de gracht. Volgens een theorie van de waterbouwkundige J.P. van de Berg uit 1985 lagen de kastelen rond Zwolle behalve aan de rivieren bij samenvloeiingen van de loopvelden, dat zijn de gebieden die men ’s winters bevloeide om het land met een vruchtbaar kleilaagje te bedekken.
30
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Ten westen van de stad ligt het Mastenbroek, waar verschillende partijen steeds bezig waren hun belangen in het gemeenschappelijke bezit zeker te stellen. Een van deze partijen was de familie Van Voorst. Kasteel De Voorst is gebouwd in de dertiende eeuw, op de rand van het al ontgonnen gebied en het toen nog niet ontgonnen Mastenbroek. Mogelijk speelden de Voorsten oorspronkelijk een rol als beheerders in opdracht van de landsheer, de bisschop van Utrecht. Later kwamen hun belangen in strijd met die van de bisschop en vooral met die van Zwolle. In 1352 was er tussen de bisschop en de drie IJsselsteden een overeenkomst gesloten waarin werd bepaald dat de adel geen nieuwe versterkte huizen of kastelen meer mocht bouwen op hun bezittingen op het platteland met muren dikker dan ruim een halve meter. Hiermee werd voorkomen dat men vanuit deze kastelen voor de stad onwelgevallige handelingen uitvoerde, zoals het beroven en gijzelen van handelaren die de stedelijke markten bezochten, of dat de eigenaren andere stedelijke belangen zouden schaden. Tegelijkertijd werden kastelen van vijandige edelen belegerd en verwoest. Een van deze kastelen was het in 1362 verwoeste Voorst aan de rand van het Mastenbroek. Er waren edelen die, met inachtneming van de regels van 1352, rond Zwolle een versterkt adellijk huis hadden gebouwd.
Waarschijnlijk gebruikmakend van het vacuüm na de sloop van de Voorst was in de buurt van de oude burchtplaats het kasteel Werkeren ontstaan. Ten zuiden van de stad verrees kasteel Zuthem.
Ruïne van de havezate Windesheim, verwoest door een geallieerd bombardement in 1944. Op de achtergrond een van de bouwhuizen.
In Oost-Nederland en het aangrenzende Duitse gebied ziet men vooral vanaf het tweede kwart van de zestiende eeuw een groot aantal nieuwe huizen ontstaan. Oude kastelen werden geheel of gedeeltelijk afgebroken en vervangen door nieuwe. Deze adellijke huizen op het platteland noemde men sinds omstreeks 1530 havezaten. Daarnaast vestigden ook nieuwkomers zich op het platteland. Het aantal nieuwe aanvragen om als havezate erkend te worden was zo groot dat de Staten van Overijssel er paal en perk aan gingen stellen. De eigenaren van een havezate maakten aanspraak op vrijstelling van belasting voor hun – verdedigbare – huizen omdat ze bijdroegen aan de veiligheid van de
31
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
plattelandsbevolking. Bovendien maakten de eigenaren deel uit van de ridderschap en hadden zij zitting in de Staten van Overijssel. Terwijl in Twente en rond Deventer in het midden van de zestiende eeuw de grote bouwgolf plaatsvond, zou dit rond Zwolle pas een halve eeuw later gebeuren. Dit had te maken met de oorlogshandelingen in het begin van de Tachtigjarige Oorlog. De omgeving van Zwolle werd decennialang geteisterd door gevechten tussen Staatse en Spaanse troepen. De kastelen in de nabijheid van Zwolle waren een direct gevaar. Hier kon de vijand zich gemakkelijk nestelen en de stad belagen. Aan de onzekere toestanden kwam een einde door de grote veldtochten van Prins Maurits in 1591 en 1597. Dit was het moment dat er nieuwe huizen werden gebouwd door edellieden die in de voorafgaande tijd in hun huizen binnen de veilige muren van de IJsselsteden hadden gewoond. Zo bouwden de Schaeps rond 1610 op hun bezittingen de havezate Windesheim, waarvan de kelderverdieping nog bestaat. De Van Haersoltes bouwden in 1617 het imposante Huis Haerst in de gelijknamige buurtschap. De havezate lag op enige afstand van de Vecht langs de weg naar het noorden, net als de verdwenen havezate Den Ordel. Vlakbij de monding van de Westerveldse Aa in het Zwarte Water lag de havezate Westerveld, gebouwd tussen 1603 en 1606. Het U-vormig aangelegde huis was geheel omgeven door een gracht.
Ten oosten van het gebouw, buiten de gracht, lag een voorplein met een poortgebouw. Waarschijnlijk betrof het de grootste havezate in Salland. Het fraaie huis heeft ruim twee eeuwen zijn omgeving gedomineerd, tot het in 1816 werd afgebroken. Het poortgebouw bleef aanvankelijk gespaard, tot het aan het eind van de 19de eeuw eveneens gesloopt werd. Omstreeks 1950 werd de huidige boerderij Westerveld gebouwd, niet ver van de plaats waar de oude havezate had gestaan.
Het huis Westerveld.
Toen de rust op het platteland in de eerste helft van de zeventiende eeuw was teruggekeerd, stichtten ook stedelingen op hun erven rond de stad een eenvoudig verblijf. Aanvankelijk gebeurde dit in de vorm van een stenen kamer aan een pachtboerderij (een zogeheten lanterskamer). Later werd op het erf een eenvoudig huis gebouwd, vaak boven een half verzonken kelder en soms met een extra verdieping. Het 32
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
oudste deel van Soeslo is een dergelijk vroeg zeventiende-eeuws huis. Dergelijke buitenhuizen noemde men in West-Overijssel een spieker, een naam die verwijst naar de oorspronkelijke hoofdvorm die ontwikkeld is uit een spieker (graanschuur). In tegenstelling tot de huizen van de adel waren ze niet omgracht. De nog bestaande buitenplaatsen Soeslo, Boschwijk en Landwijk zijn enkele voorbeelden van deze ontwikkeling. In deze huizen woonde men in de zomermaanden terwijl men er, vanwege de geringe afstand tot de stad, ook regelmatig kortere tijd kon verblijven. De buitens lagen in de buurtschappen rond de stad, bij voorkeur aan de uitvalswegen, zoals Kranenburg, Arnichem en Den Doorn. In een aantal gevallen koos men voor een situering aan een van de weteringen (Kolkhof) of aan de Nieuwe Vecht (de verdwenen buitenplaatsen Vegtlust en Campherbeek in Berkum).
Op de kaart van Hottinger uit ca 1780 zijn bij Berkum en Herfte enkele landgoederen herkenbaar aan de parkaanleg en de structuur van bossen en lanen. Het noorden is links op de kaart.
In de loop van de zeventiende en achttiende eeuw zouden de spiekers havezaten het middelpunt gaan vormen van een uitstrekte tuin- en parkaanleg die aanvankelijk veelal enkel bestond uit een aantal lanen met een sterrenbosje. Ze vormden groene oases op het in die tijd vrijwel boomloze platteland. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw werden ze volgens de regels van de symmetrie aangelegd en ontstonden parken met een formele aanleg. Ook waterpartijen werden in het geometrische stramien opgenomen. Zo bezit Zuthem nog een overplaats met een waterallee of grand canal. De strakke classicistische huizen kregen voorpleinen met aan weerszijden vrijwel identieke bijgebouwen, de bouwhuizen waarin de paardenstallen en de koetshuizen waren onder gebracht. Van de buitenplaatsen
33
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Zuthem, Windesheim en Kranenburg zijn bouwhuizen bewaard gebleven; de hoofdgebouwen zijn verdwenen.
Kruispunt van lanen op buitenplaats Soeslo.
Een mozaïek van bossen, landbouwgronden en lanen van de buitenplaatsen overdekte de gemeente Zwolle aan het eind van de achttiende eeuw, getuige de militaire kaarten van Hottinger en van H. van Hooff uit 1781. Door het reliëf en de sterke versnippering van het grondbezit waren de landgoederen en buitenplaatsen veel kleiner dan op de Sallandse zandgronden waar men over uitgestrekte heidevelden kon beschikken voor de aanleg van uitgestrekte lanenstelsels en bossen. Bij een aantal huizen zijn lanen georiënteerd op points de vues, soms op kilometers afstand. De buitenplaats Schellerberg bijvoorbeeld had lanen die gericht waren op de Sassenpoort en de Peperbus. Aan het eind van de achttiende eeuw ondergingen de geometrische tuinen en parken onder invloed van Engeland een metamorfose. Er werden nieuwe parken aangelegd waarin het natuurlijke landschap middels kronkelende paden, serpentinevijvers, bergjes en weilanden werd nagebootst om romantische stemmingen op te wekken. Een belangrijk voorbeeld is het park van Windesheim dat aangelegd werd door Husly. De belangstelling voor de landschapsstijl was in de eerste decennia van de negentiende eeuw zo groot dat de landschapsarchitect Georg Blume, afkomstig van het hof van de vorst van Nassau-Weilburg, zich in Zwolle vestigde en hier een bloeiende praktijk kon opbouwen. Veel parken werden omgevormd in de landschapsstijl.
Vaak werden delen van de oude lanen, en van de oude bomen die nog niet kaprijp waren, ingepast in het nieuwe park. Sommige huizen werden in het begin van de achttiende eeuw fors uitgebreid door de bouw van een nieuw landhuis voor het bestaande (Soeslo, Kolkhof). Inmiddels was de rol van de adel door de komst van de Fransen en de daarmee samenhangende bestuurlijke hervormingen sterk ingeperkt. Het bezit van een havezate was niet langer vereist om zitting te nemen in de Ridderschap. Voor veel edelen was het niet langer nodig de kostbare havezaten in 34
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
stand te houden. In het begin van de negentiende eeuw zouden ze worden verkocht aan burgers die ze verder als buitenplaatsen gebruikten. Van andere havezaten werden de huizen gesloopt, de grachten gedempt, de lanen gekapt en de tuinen veranderd in weiland. In een enkel geval (Zuthem, Kranenborg) zou een van de bouwhuizen tot ver in de twintigste eeuw als boerderij functioneren.
Dienstwoning (rechts) en hoofdgebouw van Soeslo.
In de tweede helft van de negentiende eeuw ondergingen enkele buitenplaatsen nog een verandering zoals Schellerberg en Zandhove. De glorietijd van de buitenplaatsen was echter voorbij. Langs de uitvalswegen en de singels van Zwolle bouwde men grote villa’s met forse tuinen waar de nieuwe stedelijke elite de voorkeur aan gaf boven de grote afgelegen buitenplaatsen. Ook de tuinen zouden in de late negentiende en vroege twintigste eeuw veranderingen ondergaan. Ze werden omgevormd in late landschapsstijl, ook wel gemengde stijl genoemd. De formele tuin deed zijn herintrede. Vooral bij het huis verschenen opnieuw dergelijke tuinen. Zo legde Springer rond het Huis Windesheim geometrische tuinen aan, terwijl de landschappelijke aanleg op de rest van de buitenplaats gehandhaafd bleef. In de loop van de twintigste eeuw liep de belangstelling voor de buitenplaatsen sterk terug. Veel eigenaren konden het onderhoud door de gestegen loonkosten niet meer betalen en veel buitenplaatsen kregen een nieuwe functie als kantoor of zorginstelling. Sommige buitenplaatsen, zoals Zandhove, kwamen door de uitbreidingen van Zwolle geheel binnen het stedelijke gebied te liggen. De vormgevers van de buitenplaatsen in Zwolle Voor het inrichten of herinrichten van de tuinen en parken werden tuin- en landschapsarchitecten van naam ingehuurd.
Belangrijke vormgevers van de omgeving van Zwolle waren Blum, Van Lunteren en Springer. Georg Anton Blum, Blume of Blom werd in 1864 of 1865 geboren in Rheinland-Pfalz. In Kirchheim-Bolanden was een paleis van Karl Christiaan von Nassau-Weilburg (1735-1788), een hoge officier in leger van de Republiek en getrouwd met een zuster van stadhouder Willem V. Ze waren liefhebbers van de tuinkunst. In Den Haag liet het echtpaar ‘het Hotel Nassau-Weilburg’ bouwen, de 35
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
huidige schouwburg. Het is mogelijk dat Georg Anton bij zijn broer in Den Haag woonde, die in het gevolg van Karl-Christian von Nassau-Weilburg naar Nederland kwam. Wanneer en waarom hij zich in Zwolle vestigde is niet bekend. Blum werd architect genoemd evenals Hendrik van Lunteren, hoewel zij zich vooral als landschapsarchitect hebben gemanifesteerd. De eerst bekende opdracht is uit 1803 en betreft de nog bestaande aanleg op de buitenplaats Amelink bij Enschede voor de doopsgezinde Blijdensteins, die een relatie met Zwolle hadden. In 1812 heeft Blum het park van Windesheim aangelegd. Verder werkte hij op Dijkzicht, de Horte, Boschwijk en mogelijk op Arnichem. Tussen 1812 en 1815 was hij werkzaam op Vilsteren. Een van zijn belangrijkste ontwerpen is het park van de Fraelemaborg bij Slochteren. Blum overleed in 1827 op 62 jarige leeftijd in Zwolle ten huize van zijn knecht Albert van Gelder. Uit de onbetaalde rekeningen uit zijn boedel blijkt dat hij een fors aantal Zwolse patriciërs als opdrachtgever had.
De entree van buitenplaats Dijkzicht.
Hendrik van Lunteren is in 1780 in Doorn geboren en vestigde zich in 1806 in Utrecht. Hij wordt als architect en boomkweker aangeduid. In 1807 zou hij in Engeland hebben gewoond om een goed begrip te krijgen van de Engelse landschapstijl. De tuin van het gesloopte laatmiddeleeuwse paleis van de Utrechtse bisschop, aan de voet van de Domtoren, werd in 1810 ingericht als kwekerij ‘Flora’s Hof.’ Deze kwekerij zou door zijn zoon en kleinzoon worden voortgezet. Van Lunteren is vooral bekend als ontwerper van landschapsparken op de voormalige wallen van de vestingsteden. In het begin van de 19de eeuw verloren tal van steden hun vestingstatus. Op de wallen en bolwerken werden ‘wandelingen’ aangelegd voor de burgerij. Van Lunteren heeft ondermeer de wallen van Amersfoort tot landschapspark omgevormd. In 1828 werd de voormalige Nieuwe Schans tussen Zwolle en de IJssel veranderd in een park in landschapsstijl, dat de toepasselijke naam Het Engelse Werk kreeg. In 1835 legde hij bij de Sassenpoort het Potgieterpark aan. Dat Van Lunteren deze opdrachten kreeg van de stad Zwolle hangt mogelijk samen met het overlijden van Blum in 1827. Hendrik van Lunteren overleed in 1848 en zijn zoon Samuel zette zijn praktijk voort.
36
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Leonard Springer werd in 1855 geboren in Amsterdam als zoon van de bekende kunstschilder Cornelis Springer. Hij werd opgeleid aan de tuinbouwschool Linnaeus. Door het winnen van een aantal prijsvragen kreeg hij grote bekendheid. Vooral na de eeuwwisseling nam het aantal opdrachten sterk toe, vooral overheidsopdrachten zoals parken, begraafplaatsen etc. Hij was in zijn lange werkzame leven betrokken bij de (her)inrichten van zeer veel buitenplaatsen. Voor de adellijke familie de Vos van Steenwijk ontwierp hij tuinen bij de buitenplaatsen Windesheim (1910) en De Gelder (1911), tevens werkte hij voor de Twentse textielfabrikanten in Almelo en Oldenzaal. Hij ontwierp bij voorkeur in de zogenoemde ‘gemengde stijl’, een combinatie van landschappelijke met geometrische aanleg waarbij de geometrische aanleg in de nabijheid van het huis kwam te liggen. Hij zou als landschappelijk adviseur worden betrokken bij de aanleg van wegen en villaparken. Springer zou zich vanaf zijn 65e jaar vooral inzetten voor vakverenigingen. Hij stierf in 1940.
De verdiept aangelegde tuin op Windesheim, ontworpen door Leonard Springer.
37
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
8. Zwolle en de defensie
In de middeleeuwen vormden de kastelen en de stadsmuren de belangrijkste defensiewerken. Door de toepassing van vuurwapens en kanonnen verloren deze defensiemiddelen echter hun betekenis en moesten er nieuwe werken worden aangelegd. Rondom de steden werden uitgebreide wallen met bastions en andere verdedigingswerken aangelegd. De bastions van Zwolle en de verdedigingslinie tussen Zwolle en de IJssel zijn aangelegd aan het eind van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw. Van de middeleeuwse kastelen rond Zwolle is in het huidige landschap niets meer te zien. Een beperkte verdedigingsfunctie hadden de havezaten. Een huis werd pas als havezate erkend als het verdedigbaar was en van een gracht was voorzien, maar een belangrijke militaire betekenis hadden ze niet. Dit geldt in het bijzonder voor de havezaten die pas in de zestiende en zeventiende eeuw werden gesticht. Een ander stukje militaire geschiedenis is te vinden bij de Kuyerhuislaan tussen de Nieuwe Wetering en Veldhoek. Hier, op de grens van de marken Zwolle en Zalne, lag vroeger de stadslandweer van Zwolle. Een landweer is een aarden wal met een gracht erlangs. De wal was begroeid met dicht struikgewas, bij voorkeur meidoorns. Kuyerhuis is een verbastering van koerhuis, een wachtpost of wachttoren. Als er onraad dreigde werd een mand of koer omhoog gehesen om de mensen in de stad te waarschuwen.
Het koerhuis lag op de plaats waar de oude weg naar Twente de landweer kruiste. De Zwolse landweer is aangelegd omstreeks 1384.
Fortgracht van het Engelse Werk bij Zwolle.
De IJsselvallei is binnen het verdedigingssysteem van ons land altijd één van de belangrijkste linies geweest. Vanaf de Tachtigjarige Oorlog tot aan de Koude Oorlog na 1950 is er gebouwd aan de
38
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
IJssellinie. Prins Maurits begon vanaf 1589 met de systematische aanleg van wachtposten langs de rivier. Deze wachttorens werden omgeven door een aarden wal en soms door een gracht. In 1610 werden op de linkeroever van de IJssel tegenover ondiepten in totaal 26 kleine redoutes aangelegd. Later zijn hier nog meer posten of batterijen aangelegd. In 1944 werd de IJssellinie door de Duitsers ingericht als onderdeel van de ‘Westwall’, die liep van Basel naar het IJsselmeer. Geallieerde troepen waren in september bij Arnhem en Nijmegen geland en de Duitsers begonnen in hoog tempo de IJssellinie in gereedheid te brengen om de geallieerde opmars te stuiten. Op 22 september 1944 gaf de Duitse bezetter opdracht aan het waterschap Mastenbroek om de polder onder water te zetten. Tevens zijn loopgraven aangelegd in de uiterwaarden van de IJssel en werd er een tankgracht gegraven langs de Zalkerdijk, op de rand van het inundatiegebied. De enige herinnering aan deze Duitse IJssellinie is een betonnen kazemat aan de dijk bij Haerst.
De kazemat aan de Haersterdijk.
In de Koude Oorlog had de IJssellinie een grote defensieve betekenis als verdedigingslinie van de NAVO tegen mogelijke aanvallen van het Warschaupact,. Als de ‘Russen’ zouden komen kon men de Nederrijn en de Waal afdammen, zodat al het water uit de Rijn door het IJsseldal zou stromen. Bij Olst kon een stuw in de IJssel worden aangebracht, en via inlaatsluizen kon ook een groot deel van Salland onder water gezet worden. Verschillende onderdelen van deze linie, die in 1964 weer is opgeheven, zijn nog aanwezig. Ook het Gennegerzijl speelde een rol in de IJssellinie, Door de sluis af te sluiten kon men het laaggelegen broekgebied van Haerst, Genne en Holten onder water zetten bij een aanval van het Warschaupact. Door de ontwikkeling van zware transporthelikopters verloor de IJssellinie haar strategische betekenis.
39
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
9. Zwolle en het verkeer
Zwolle kon uitgroeien tot een belangrijke handelsstad dankzij haar ligging aan land- en waterwegen. In de negentiende eeuw werd Zwolle het belangrijkste knooppunt van spoor- en tramwegen in NoordNederland. De vaarwegen Via het Zwarte Water had Zwolle toegang tot de Zuiderzee. Opmerkelijk is dat deze korte waterloop kennelijk vroeger al zo belangrijk was dat de veel langere Vecht als een zijrivier werd gezien: de Vecht mondt uit in het Zwarte Water. Verder komen in het Zwarte Water de kleinere stroompjes Grote Aa en Westerveldsche Aa uit. Vanuit Zwolle voer men met kleine platboomde schepen (de Enter zompen) over de Vecht en de Regge naar Twente en Duitsland. De Vecht was tot in de buurt van Bentheim bevaarbaar. Het Rode Torenplein in de stad was de stapelplaats van Bentheimer zandsteen. Omstreeks 1600 is de Nieuwe Vecht tussen Zwolle en Berkum gegraven, waardoor men vanuit Zwolle rechtstreeks naar de Vecht kon varen en niet meer de omweg via het Zwarte Water hoefde te maken. De sluizen in de stad en bij Berkum (het Nieuwe Verlaat) zijn nog aanwezig, maar fungeren niet meer als schutsluis omdat een deel van de Nieuwe Vecht in de stad gedempt is. Ook de Sallandse weteringen hebben een rol gespeeld in het goederenvervoer van en naar de stad. Langs de Nieuwe Wetering en de Soestwetering lagen jaagpaden om de schepen te trekken.
De Nieuwe Wetering bij gemaal Linterzijl. Het jaagpad lag vroeger aan de overzijde van de wetering.
De weteringen in de Polder Mastenbroek werden in de loop van de zeventiende eeuw van groot belang als verkeersaders: de meeste weteringen deden dienst als trekvaart. De Kamperwetering, die ook wel Trekvaart wordt genoemd, de Kerkwetering, Hasseltse Wetering, Nieuwe Wetering en Oude Wetering functioneerden als trekvaart. Zo liep de trekvaart van Kampen naar Hasselt via de Trekvaart of Kamperwetering, Kerkwetering en Hasseltse Wetering. De trekvaart van Kampen naar Zwolle liep via de Trekvaart of Kamperwetering, Kerkwetering, Oude Wetering en vervolgens over het Zwarte Water.
40
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Ook van Zwolle naar Genemuiden kon men per trekschuit reizen: vanaf het Zwarte Water naar de Oude Wetering, Kerkwetering en Nieuwe Wetering. Bij de kerk van Mastenbroek kon worden overgestapt van de ene trekvaartroute naar de andere. Wanneer de Hermelijngracht of Tolgracht is aangelegd is niet precies bekend. De landweg tussen Zwolle en Groningen, via de Tolweg en de Nieuwedijk, bestond al in 1650, maar is op de zestiendeeeuwse kaarten van ’sGrooten en Van Deventer nog niet ingetekend. We mogen aannemen dat de gracht en de weg in het begin van de zeventiende eeuw zijn aangelegd. De gracht diende om het veengebied van Ruitenveen te ontsluiten. Via een zijkanaal kon het veengebied van de Veenekampen en de Meele worden bereikt. Op de kaart van Hottinger (1780) zijn twee verlaten (schutsluizen) in dit zijkanaal aangegeven. Door een schutsluis bij Berkum-Bruggenhoek, het Ordelsche Zijl, voer men de Vecht op. In de gemeente Zwolle is een klein deel van de Hermelijn- of Tolgracht bewaard gebleven.
Sluisbrug over de Katerveersluis in de Willemsvaart.
In 1819 is de Willemsvaart tot stand gekomen, waardoor Zwolle eindelijk een vaarverbinding met de IJssel kreeg. Lange tijd hadden Deventer en Kampen zich tegen een dergelijke verbinding verzet. Koning Willem I was de grote animator van dit werk. Via de (oude) Katerveersluis konden de schepen vanuit de IJssel de stad bereiken. De nieuwe, grotere sluis dateert uit 1873, net als de ijzeren ophaalbruggen. De nieuwe sluis is gerestaureerd in 1988, maar functioneert niet meer. De westelijke sluisdeuren zijn in 1992 vervangen door een gemaal ten behoeve van de aan- en afvoer van water naar en van Zwolle-Zuid. De oude sluis is nog in gebruik voor de recreatievaart en is gerestaureerd in 1995. Ten zuiden van de oude sluis bevindt zich een schotbalkenloods. Tot voor kort stond hier ook een tweebeukige werkplaats uit ca 1870. De werkplaats is waarschijnlijk gebouwd tijdens de aanleg van de nieuwe sluis. In de stad is de Willemsvaart gedeeltelijk gedempt. De oude sluis die toegang gaf tot de stadsgracht functioneert niet meer maar is nog wel zichtbaar.
41
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Vanaf 1810 is gegraven aan de Dedemsvaart. Door dit kanaal ontsloot men de grote veengebieden op de grens van Overijssel en Drenthe. Tussen Berkum en De Lichtmis werd in 1832 het Lichtmiskanaal gegraven, waardoor Zwolle ook een aansluiting kreeg op de Dedemsvaart. Het kanaal is gedempt bij de aanleg van de A28. In de uiterwaard van de Vecht is de uitmonding van het kanaal in de rivier nog te zien. Ook de oude sluiswachterswoning van de Berkummersluis is nog aanwezig, ten oosten van buitenplaats Dijkzicht.
Vm sluiswachterswoning van de Berkummerschutsluis.
In het midden van de negentiende eeuw kreeg de Overijsselsche Kanalisatie Maatschappij (OKM) toestemming om een aantal kanalen te graven in de provincie Overijssel. In 1851 begonnen de werkzaamheden. Het hoofdkanaal (van Zwolle naar Almelo) kwam gereed in 1855, het zijkanaal Deventer-Raalte-Damsholte-Lemelerveld werd in september 1858 opengesteld. Voor het hoofdkanaal maakte men gebruik van een deel van de Nieuwe Wetering. Een daling van de inkomsten uit de scheepvaart, mede veroorzaakt door de ontwikkeling van het Twentekanaal in de jaren dertig van de twintigste eeuw, bracht de OKM in financiële moeilijkheden. Om daar iets tegen te doen, werd in 1941 een nieuw bedrijf, de N.V. Maatschappij Overijsselsche Kanalen (MOK), opgericht. Het scheepvaartverkeer liep echter steeds verder terug en een aantal kanaalvakken werd voor de beroepsvaart gesloten en overgedragen aan het Waterschap Salland. Aan de MOK danken we de fraaie Hoevenbrug over de Nieuwe Wetering, gebouwd in 1949. De vaarweg door de Willemsvaart en de stadsgracht van Zwolle was in de loop van de twintigste eeuw een belemmering voor de binnenvaart geworden. Er werd een betere noord-zuidverbinding gecreëerd door de aanleg van het Zwolle-IJsselkanaal in 1964, die de IJssel en het Zwarte Water met elkaar verbindt. Langs het kanaal werden insteekhavens gegraven voor de industriegebieden Westenholte en Grote Voort.
42
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
De landwegen Voor de negentiende eeuw was men voor het vervoer per as aangewezen op enkele doorgaande wegen die bij Zwolle samenkwamen. Vanaf Berkum kon men over de Vechtdijk naar Hasselt reizen, net als via Westenholte over de dijk van het Zwarte Water. Over de dijk van de IJssel lag een weg naar IJsselmuiden, waar men kon oversteken naar Kampen. De weg over Ittersum en Windesheim naar Deventer was de belangrijkste noord-zuidverbinding. De rechtstreekse verbinding tussen Zwolle en Groningen liep vanaf het begin van de zeventiende eeuw over de Tolweg en de Nieuwendijk naar De Lichtmis. Na de aanleg van het Lichtmiskanaal kon men sneller over de jaagpaden van het kanaal naar de Lichtmis gaan.
De Tolgracht en Tolweg, de huidige N 758.
In zuidwestelijke richting liepen wegen naar Raalte, langs de Nieuwe Wetering, en naar Almelo via Wijthmen en Lenthe (de Oude Twentse Weg). Vanaf Frankhuis liep de Kamperweg in westelijke richting via Voorst, Westenholte en ’s-Heerenbroek naar IJsselmuiden, waar al vanaf 1448 een brug over de IJssel lag. Veruit de belangrijkste weg was de Hessenweg vanuit Zwolle naar Hardenberg en vandaar naar Coevorden en Neuenhaus in Duitsland. Deze weg was vanaf de middeleeuwen tot halverwege de negentiende eeuw een van de belangrijkste oost/west verbindingen in ons land en verbond Utrecht, Amersfoort en Amsterdam met grote Duitse steden als Munster, Bremen en Hamburg. Bij Berkum lag al vanaf de zestiende eeuw een vaste brug over de Vecht. Over de Hessenweg trokken de Hessische kooplieden met hun grote karren, die door drie of vier spannen paarden getrokken werden. In hun kielzog kwamen ook tal van werklieden uit Duitsland het land binnen, zoals de hannekemaaiers, ook wel ´Poepen´ genoemd. Hieraan dankt Berkum de bijnaam Poepershoek. Bij het Katerveer moest men de IJssel overvaren, want een vaste verkeersbrug over de IJssel is bij Zwolle pas in de twintigste eeuw gebouwd. Bij Hattem vertakte de Hessenweg zich in verschillende richtingen: via Epe naar Apeldoorn en Arnhem, en via Elspeet en Voorthuizen naar Amersfoort, Amsterdam en Utrecht.
Het oude tracé van de Hessenweg bij buitenplaats Dijkzicht.
43
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
De doorgaande wegen werden gebruikt door handelaars en vrachtrijders die hun waren naar de verschillende steden vervoerden. Zogeheten wagenveren verzorgden het transport van goederen en passagiers. Postiljons of postrijders vervoerden brieven en kleine pakketten te voet of te paard. Via deze wegen werden ook landbouwproducten en vee naar de markten in de stad vervoerd. Marskramers of ‘kiepkerels’ liepen met hun ransel met koopwaar naar het volgende dorp om te zien of ze daar nog wat konden verkopen. In het voorjaar kwamen de hannekemaaiers in groepen langs, op weg naar de weidegebieden in het westen, om daar hun geld te verdienen in de hooibouw. In het najaar keerden ze weer terug naar hun woonplaatsen in Duitsland. Het waren vaak kleine boeren die de zorg voor hun eigen bedrijf in de zomer toevertrouwden aan hun familie. En verder trokken over de wegen en paden vogels van verschillende pluimage: landlopers, bedelaars, struikrovers, kwakzalvers, kermisklanten enzovoort. In de twintigste eeuw is het wegenpatroon rondom de stad sterk veranderd. In de jaren ’30 is bij Spoolde de brug over de IJssel gebouwd. Na de Tweede Wereldoorlog werd ten noordwesten van de stad een nieuwe weg aangelegd voor het doorgaande verkeer richting Meppel en Amersfoort. De A 28 volgt dit tracé. Voor de snelweg werd in 1970 een nieuwe brug over de IJssel gebouwd, iets ten noorden van de oude.
Na Berkum volgt de snelweg het tracé van het Lichtmiskanaal, dat hiervoor werd gedempt. De Werkerlaan, de huidige Hasselterweg, kwam in de eerste helft van de twintigste eeuw gereed.
De IJsselbrug, gezien vanaf Katerveer.
De spoorwegen In de tweede helft van de negentiende eeuw werd Zwolle het belangrijkste spoorwegknooppunt van Noord-Nederland. De spoorlijnen naar Amersfoort en Kampen zijn in 1865 aangelegd, spoedig gevolgd door spoorverbindingen naar Meppel (1866), Deventer (1867), Almelo (1880) en Apeldoorn (1888, inmiddels opgeheven). Als laatste werd in 1903 de spoorlijn naar Ommen aangelegd. Behalve deze spoorverbindingen waren er tramlijnen naar het Katerveer (paardentram), Hardenberg, Meppel (langs
44
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
het Lichtmiskanaal), Nunspeet en Blokzijl. Al deze tramlijnen zijn opgeheven in de jaren ’30 van de twintigste eeuw.
De spoorlijn Zwolle-Groningen.
Om de verschillende wateren bij Zwolle over te steken moesten diverse spoorbruggen worden gebouwd. De meest bijzondere is de spoorbrug over de IJssel. In 1864 is door de Nederlandsche Centraal-Spoorweg-Maatschappij de spoorlijn Amersfoort-Zwolle aangelegd. Als overbrugging van de IJssel werd een enkelsporige brug gebouwd. In 1936 is deze brug vervangen door een nieuwe, bovendien werd er een tweede enkelsporige brug naast gebouwd. Beide bruggen bestaan uit zogeheten verstijfde staalboogbruggen en hebben een hefgedeelte. De spoorbrug is bijzonder omdat het een dubbele brug betreft en omdat voor het eerst in Nederland de constructie van verstijfde staalbogen werd toegepast. In 1940 en vooral in 1945 is zware schade aan de spoorbrug toegebracht. Na de oorlog is de dubbele brug in zijn oorspronkelijke vorm uit 1936 teruggebracht. Ook de dubbele spoorbrug over de Vecht, in 1867 gebouwd als kraanbrug waarvan het middengedeelte naar de zijkant kon worden weggedraaid, werd in 1945 opgeblazen. Aan de oorspronkelijke functie als kraanbrug herinneren twee bakstenen peilers in het midden van de rivier. De veerdiensten De eerste vaste verkeersbrug over de IJssel bij Zwolle kwam pas gereed in 1930. Voor die tijd moest al het verkeer per pont worden overgezet.
Eeuwenlang was het Katerveer de belangrijkste plaats waar voetgangers, rijtuigen, ruiters en transportwagens de IJssel overgezet werden. Het was een schakel in de Hessenweg tussen Amsterdam en Hamburg. Bij Oldeneel lag een voetveer naar Hattem. Tussen Westenholte en Zalk voer een pont die men kon bereiken via de Veerdam, in het verlengde van de Zalkerdijk. Bij Zalk is onlangs weer een voetveer in de vaart genomen, dat echter niet vanaf de veerdam vertrekt. Sinds 2006 vaart het Kleine Veer vanaf Spoolde in de zomermaanden om voetgangers en fietsers over te zetten. Over het Zwarte Water zijn voor zover bekend geen veerponten geweest. Over 45
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
de Vecht lag sinds de vijftiende eeuw een vaste brug in de Hessenweg bij Berkum. Verder naar het noorden lag een veer bij Arnichem en een voetveer tussen Genne en Langenholte. Ook het Haersterveer bij Arnichem vaart in de zomermaanden voor voetgangers en fietsers. Van de verdwenen veren zijn de veerdammen bij Oldeneel en Westenholte nog aanwezig. Bij het Katerveer en Oldeneel herinneren de veerhuizen nog aan de vroegere verkeersfunctie.
Het veerhuis bij het Katerveer.
46
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
10. Zwolse kloosters en begraafplaatsen
In de veertiende eeuw werd Zwolle het middelpunt van een belangrijke geestelijke stroming, die zich afzette tegen de wantoestanden bij de kerkelijke instellingen, zoals de aflaathandel en het luxueuze leven dat veel geestelijken leidden. De grondlegger van deze beweging, de Moderne Devotie, was de in Deventer geboren Geert Grote. In 1384 werd het eerste Zwolse broederhuis gesticht. Dit gebeurde vlak voordat Geert Grote aan de pest overleed. De broeder zochten al gauw naar een plek om het drukke stadsleven te ontvluchten en kregen daarvoor gelegenheid toen de marke Berkum grond op de Nemelerberg ter beschikking stelde voor het stichten van een onderkomen voor eenvoudige godvruchtige mannen. In 1386 werd hier een eenvoudige optrek gebouwd, die al snel zou uitgroeien tot een imposant kloostercomplex. Door de grote faam en betekenis van het klooster St.-Agnes of Bergklooster raakte de naam Nemelerberg wat op de achtergrond en staat de heuvel tegenwoordig bekend als de Agnietenberg. Het klooster geniet onder meer grote bekendheid omdat Thomas van Kempen er een groot deel van zijn leven doorbracht en er in de jaren 1464-1471 zijn beroemde kroniek schreef (Chronica Montis Sanctae Agnetis). Funderingsresten van de kloostergebouwen liggen onder de oppervlakte van de begraafplaats (De Kruijf e.a., 2000). Een ander klooster van de Moderne Devotie is gebouwd in Windesheim.
Hier begonnen aanhangers van de beweging uit Deventer in 1387 met de bouw van een klooster. Ook dit klooster groeide uit tot een grote en invloedrijk kloostercomplex. Het klooster werd het moederklooster van de internationale Congregatie van Windesheim, waar bijna honderd kloosters in binnen- en buitenland zich bij aansloten, waaronder het Bergklooster en het klooster Bethlehem in de stad. Van het Windesheimer klooster is nog wel iets te zien, want de oorspronkelijk kloosterbrouwerij uit omstreeks 1565 fungeert tegenwoordig als dorpskerk.
De dorpskerk van Windesheim.
47
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Het terrein van het Bergklooster is later ingenomen door de buitenplaats Kranenburg, tegenwoordig ligt hier de Algemene Begraafplaats. Andere begraafplaatsen in de gemeente zijn de begraafplaats in Windesheim en de Israëlitische begraafplaats aan de Kuyerhuislaan. In 1722 kreeg de joodse gemeenschap in Zwolle toestemming om een begraafplaats op de Luurderschans in te richten. Deze begraafplaats is in 1980 aan de gemeente verkocht en er werd een nieuwe locatie gevonden aan de Kuyerhuislaan. De oude graven zijn overgebracht naar de nieuwe begraafplaats. Het meest bijzonder is echter een graf op landgoed Arnichem, dat wel bekend staat als het ‘Graf van de negerslaaf’. Op de twee grafstenen staan Latijnse en Arabische teksten, waarop staat dat dit de rustplaats is van Lepejou. Lepejou was bediende van Joan Hendrik Tobias, een Zwolse patriciër die een tijdlang in Nederlands-Indië heeft gewerkt. Hij zou Lepejou hebben meegenomen naar Arnichem, waar hij in 1828 is overleden. Geen negerslaaf dus, Lepejou was afkomstig van Celebes en gezien de Arabische tekst waarschijnlijk moslim. Het graf – misschien wel het oudste moslimgraf in Nederland – is op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst.
Een van de stenen op het graf van Lepejou.
48
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
11. Zwolle en de bedrijvigheid
Van de vroegere bedrijvigheid in het buitengebied van Zwolle is weinig bewaard gebleven, met uitzondering natuurlijk van de landbouw. Langs het Zwarte Water en de Nieuwe Vecht hebben vroeger tal van industriemolens gestaan, waarvan de Passiebloem aan de Nieuwe Vecht als enige bewaard is gebleven. Bij Frankhuis heeft in de negentiende eeuw een kalkoven gestaan, die echter omstreeks 1900 alweer was verdwenen. In de uiterwaarden van de IJssel hebben enkele steenfabrieken gestaan, twee bij Oldeneel en een bij Windesheim. De oude ringoven van de NV Waalsteenfabriek Windesheim is gespaard bij de sloop van het fabrieksgebouw, toen de productie in 1982 werd beëindigd. De Windesheimer korenmolen is een achtkante, met riet gedekte stellingmolen op een houten onderbouw en een lage stenen voet. De molen is gebouwd in 1748, nadat een voorganger, die ten zuidwesten van het klooster had gestaan, afbrandde. De molen behoorde bij de havezate Windesheim. De molen is in 1952 en 2009 gerestaureerd.
De IJsselcentrale bij Harculo met de hoogspanningsleidingen in de Polder Sekdoorn.
De IJsselcentrale is in het begin van de jaren ’50 van de vorige eeuw gebouwd in opdracht van de NV Electriciteitsfabriek IJsselcentrale. De centrale is ontworpen door architect P.J. de Gruijter. De opening vond plaats in 1955. Voor de aanvoer van brandstof zijn ten noorden en zuiden van de centrale havens aangelegd, waarbij gebruik is gemaakt van twee grote wielen. Vroeger werd de centrale met kolen gestookt, tegenwoordig is de capaciteit teruggebracht en wordt er op aardgas en (bio)olie gestookt. Van de vijf schoorstenen zijn er in 1983 drie afgebroken. Het gebouw is een mooi voorbeeld van naoorlogse utiliteitsbouw en fungeert als ‘landmark’ voor de ruime omgeving. Door de vele hoogspanningsleidingen in het buitengebied is de aanwezigheid van de centrale ook merkbaar als men het gebouw niet kan zien.
49
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
12. Conclusies en aanbevelingen
Het landschap van de gemeente Zwolle heeft een lange geschiedenis. Al duizenden jaren geleden woonden en werkten er mensen in dit gebied. Van deze oudste bewoners is in het huidige landschap niet veel te zien, maar ongetwijfeld bevat de bodem nog tal van gebruiksvoorwerpen en bewoningssporen. De basis van het landschap van nu is gelegd in de middeleeuwen. Elke periode in de geschiedenis voegde weer nieuwe elementen aan het landschap toe. Het landschap is immers voortdurend in verandering. Steeds moest het worden aangepast aan de veranderde eisen die de mensen aan hun woon- en werkomgeving stelden. Deze ontwikkeling, de wordingsgeschiedenis van het landschap kunnen we herkennen aan landschapselementen als dijken, zandwegen, buitenplaatsen en de enken met de boerderijen eromheen. Deze elementen horen - net als gebouwde monumenten, boerderijen, archieven en volksverhalen – tot ons cultuurhistorisch erfgoed. Cultuurhistorische elementen en structuren zijn belangrijke aspecten van stad en landschap. Ze dragen bij aan de eigenheid van de streek, ze vormen oriëntatiepunten en ze zorgen ervoor dat bewoners en bezoekers zich met een stad of een streek kunnen identificeren. Ze vertellen het verhaal van de geschiedenis van het landschap. En ze dragen in hoge mate bij aan de belevingswaarde.
Wiel in de Stadslanden, langs de Hasselterdijk.
Het is daarom belangrijk dat dit bijzondere cultuurhistorische erfgoed, dit landschap met zijn kenmerkende onderdelen, ook in de toekomst bewaard blijft. De afgelopen decennia is er veel in het buitengebied van Zwolle veranderd. Ruilverkavelingen zijn uitgevoerd, nieuwe wegen werden aangelegd, de stad heeft zich sterk uitgebreid. Deze ontwikkelingen zijn ten koste gegaan van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Toch herbergt het buitengebied tal van elementen en structuren die de geschiedenis van het landschap illustreren. Deze zijn in de bijgevoegde cd-rom beschreven en van advies voorzien.
50
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Als we het buitengebied van Zwolle als geheel bekijken zijn er enkele landschapsvormende factoren geweest die een belangrijk stempel op het landschap hebben gedrukt en die de essentie van het landschap hebben bepaald. Deze factoren zijn: • De landbouw. De geleidelijke ontginning en ingebruikname van het gebied laat zich in de verschillende vormen van inrichting aflezen. Er zijn weinig gebieden in Nederland waar op zo’n kleine oppervlakte zoveel verschillende ontginningsvormen bij elkaar kunnen worden aangetroffen. De dorpen Langenholte, Herfte en Wijthmen met hun essen, de riviernederzettingen langs de IJssel, van Windesheim tot Spoolde, de laatmiddeleeuwse broekontginningen van Zuthem en de Polder Sekdoorn, tot en met de twintigste-eeuwse ontginningen in het veengebied van de Tolhuislanden en de Veenekampen zijn voorbeelden van vrijwel alle ontginningsvormen die we in Nederland kunnen aantreffen. Absolute topper is de Polder Mastenbroek, met zijn voor die tijd unieke inrichting. • De waterhuishouding. De strijd tegen het buitenwater is af te lezen aan de dijken langs de IJssel, het Zwarte Water en de Vecht. De vele wielen getuigen van de keren dat de dijken het niet konden houden en doorbraken, ten koste van veel schade en soms het verlies aan levens van mensen en dieren. Interessant zijn de maatregelen die men heeft moeten treffen om het binnenwater te beheersen.
Het stelsel van de Sallandse Weteringen, aangelegd in de veertiende eeuw, kent zijn weerga in Nederland niet. Deze weteringen zijn bepalend geweest voor de waterbeheersing van de laaggelegen mars- en broekgebieden, die via een netwerk van sloten, weteringen, sluisjes en gemalen op de grote Sallandse Weteringen zijn aangesloten.
Het vroegere stoomgemaal Westerveld.
•
De infrastructuur. Zwolle heeft zich tot een belangrijke handelsstad kunnen ontwikkelen dankzij de vele landwegen, kanalen en spoorwegen. Vanaf de middeleeuwen liep één van de belangrijkste oost-westwegen van ons land door de stad en door het buitengebied. Het Katerveer was een belangrijke schakel in deze Hessenweg, die Utrecht en Amsterdam verbond met Duitse steden als Bremen en Hamburg. Andere landwegen verbonden Zwolle met Twente, Groningen, Hasselt, Deventer en Kampen. Per schip kon men via het Zwarte Water naar de
51
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Zuiderzee varen en vandaar de havens in andere delen van het land en handelscentra in het buitenland, zoals het Oostzeegebied, bereiken. Veel is door Zwolle de afgelopen vijf eeuwen geïnvesteerd in de verbinding met het achterland. De Nieuwe Vecht, de Hermelijn- of Tolgracht, het Lichtmiskanaal en het Overijssels kanaal waren van groot belang om de benodigde landbouwproducten, hout, turf, zandsteen en vele andere goederen aan te voeren. Via de Willemsvaart en het Zwolle-IJsselkanaal kreeg Zwolle eindelijk haar zo begeerde verbinding met de IJssel. Behalve de waterwegen zelf vormen ook de jaagpaden, veerhuizen, bruggen, sluizen en sluiswachterswoningen waardevolle cultuurhistorische elementen.
IJsselzicht, het vroegere veerhuis bij het voetveer tussen Oldeneel en Hattem.
•
De buitenplaatsen. Adellijke families en rijke burgers hebben door hun buitenplaatsen en landgoederen een belangrijke bijdrage geleverd aan de vormgeving van het huidige landschap. Enkele tientallen buitenplaatsen hebben er in de omgeving van Zwolle gelegen. Sommige zijn nog aanwezig, andere zijn geheel verdwenen, enkele laten zich nog herkennen aan de laanstructuren, de bouwhuizen of door landschapselementen als het grand canal van de oude havezate Zuthem. In het kader van de huidige inventarisatie was het niet mogelijk gedetailleerd onderzoek te doen naar de tuingeschiedenis van de buitenplaatsen. Op grond van literatuuronderzoek en veldwerk is echter duidelijk geworden dat met name de parken van Boschwijk, Soeslo, Arnichem, Dijkzicht en Windesheim van grote cultuurhistorische betekenis zijn. Al deze parken bevatten waarschijnlijk elementen uit de vroege landschapsstijl. Dergelijke parken zijn zeldzaam in Nederland. Behalve het park van Boschwijk, dat goed onderhouden is, verkeren de genoemde parken in enigszins verwaarloosde staat. We bevelen aan onderzoek te laten uitvoeren naar de tuingeschiedenis van deze buitenplaatsen.
In de bijgevoegde inventarisatie zijn verschillende objecten beschreven die beschermd zijn volgens de monumentenwet. Waar dit niet het geval is geven we in sommige gevallen aan dat plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst overwogen zou moeten worden. Tijdens het onderzoek is ook gekeken naar ensembles, die vanwege hun cultuurhistorische betekenis voor bescherming in aanmerking
52
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
komen, bijvoorbeeld in de vorm van een beschermd landschapsgezicht. Het gaat om de volgende ensembles:
Cultuurhistorisch waardevolle ensembles. 1. Windesheim 2. Katerveer 3. Westerveld 4. Langenholte 5. Zalkerdijk
6. Haerst/Arnichem 7. Tolgracht 8. Berkummersluis 9. Oldeneel en Schelle 10. Veldhoek en Herfte
53
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Ensemble
Onderdelen
Windesheim
Zandwetering Dorp en dorpskerk Landgoed met bijbehorende gebouwen Kleiputten Resten steenfabriek
Katerveer
Willemsvaart Sluizen en bruggen Veerhuis en uitspanning Schotbalkenloods Werkplaats
Westerveld
Westerveldse Aa Stoomgemaal Erve Westerveld Havezateterrein Dijk Schotbalkenloods
Langenholte
Boerderijen Bebouwingsstructuur Brink Langenholterdijk Wielen Wegenstructuur
Zalkerdijk
Zalkerdijk IJsseldijk Wielen Boerderijen
Haerst
Den Doorn Arnichem Vechtdijk Wielen Gennegersluis Boerderijen Bebouwingsstructuur Tolgracht Tolweg Steenwetering Nieuwe Dijk
Tolgracht
Foto
54
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Berkummersluis
Lichtmiskanaal Dijkzicht Sluiswachtershuis Brugwachtershuis Hessenweg
Oldeneel en Schelle
Bebouwingsstructuur Wegenstructuur Schellerwade Schellerberg Veerhuis en veerstoep Schellerallee Steenwetering Bebouwingsstructuur Percelering Essen Kleinschaligheid
Veldhoek en Herfte
55
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Literatuur
Bieleman, J., 1980. Heino; een geschiedenis van mens en plaats. Zwolle. Demoed, H.B.,1987. Mandegoed schandegoed. De markeverdelingen in Oost-Nederland in de 19e eeuw. Zutphen. Ente, P., J.C.F.M. Haans & K. Knibbe, 1965. De bodem van Overijssel, de Noordoostpolder en Oostelijke Flevoland; toelichting bij blad 3 van de Bodemkaart van Nederland, schaal 1 : 200 000. Wageningen. Fockema Andreae, S.J., 1950. Studiën over waterschapsgeschiedenis II, Salland. Leiden. Gelderman, Edzard & Jaap Hagedoorn (red), 1994. Een aardsch paradijs. De buitenplaatsen Boschwijk, Landwijk en Veldwijk nabij Zwolle. Zwolle. Gevers, A.J. & A.J. Mensema (1997). De havezaten in Salland en hun bewoners. Alphen aan den Rijn. Heitling, Willy H. & Leo Lensen., z.j. Vijftig eeuwen volk langs de IJssel. Zutphen. Hove, Jan ten, 2002. Zandhove van buitenplaats tot verpleeghuis. Zwolle. Hove, Jan ten, 2005. Geschiedenis van Zwolle. Zwolle. Kruijf, Udo de, Jeroen Kummer & Freek Pereboom, 2000. Een klooster ontsloten. De kroniek van SintAgnietenberg bij Zwolle door Thomas van Kempen. Kampen. Kuijer, P.C. & H. Rosing, 1994. Bodemkaart van Nederland. Toelichting bij kaartblad 21-Oost Zwolle. Wageningen. Louwen, Jan & Han Prins (red), 1980. Ach lieve tijd. 750 jaar Zwolsen, Zwollenaren en hun.... Zwolle. Ogink, L. & T.
Groot Beumer, z.j., Het dorp aan de Oude Wetering; historisch overzicht van het dorp Lierderholthuis. z.pl. Pereboom, Freek, Jeroen Kummer & Harry Stalknecht (red), 1995. Omarmd door IJssel en Zwartewater. Zeven eeuwen Mastenbroek. Kampen. Pot, C.W. van der, 1972. Zwolle's omgeving omstreeks 1900. Zwolle. Schrier, D.M. van der, 1985. Zwolle Zwartewaterstad. In: Zwols Historisch Jaarboek. Zwolle Slicher van Bath, B.H., 1949. Overijssel tussen west en oost. In: Herschreven historie; schetsen en studiën op het gebied der middeleeuwse geschiedenis. Leiden, p. 172-235. Slicher van Bath, B.H., 1977. Een samenleving onder spanning. Geschiedenis van het platteland in Overijssel. 2e druk. Utrecht. Slicher van Bath, B.H., G.D. van der Heide, C.G.W.J. Hijszeler, A.C.F. Koch, E.C. Naschewski & E. Vroom, 1970. Geschiedenis van Overijssel. Deventer. Spek, Th., F.D. Zeiler & E. Raap, 1996. Van de Hunnepe tot de zee. De geschiedenis van het Waterschap Salland. Kampen. Stenvert, Ronald, Chris Kolman, Ben Olde Meierink m.m.v. Jan ten Hove, Marieke Knuijt & Ben Kooij, 1998. Monumenten in Nederland. Overijssel. Zeist/Zwolle. Verlinde, A.D., 1993. Sporen van menselijke bewoning en hun relatie met bodem en reliëf. In. M. Rappol (redactie). In de bodem van Salland en Twente: 165-190. Amsterdam. Verrips-Roukens, K., 1982. Over heren en boeren. Een Sallands landgoed 1800-1977. 's-Gravenhage.
Zanden, J.L. van & D.J. van der Veen, 1984. Boeren, keuters en landarbeiders. De sociale structuur van Salland aan het begin van de negentiende eeuw. Tijdschrift voor sociale geschiedenis 10: 155-194.
56
24 mei 2022 bestemmingsplan Zwolle, parapluplan cultuurhistorie, aanvulling
Bijlage 2 Cultuurhistorie Diezerpoort
61/504
DIEZERPOORT CULTUURHISTORISCHE ANALYSE Projectgebied Diezerpoort, Gemeente Zwolle Onderzoek i.o.v. de gemeente Zwolle, afd. monumentenzorg en archeologie en afdeling Strategie en Ruimte September 2010
MONUMENTEN ADVIES BUREAU drs. C.J.B.P. Frank drs. F.A.C. Haans
COLOFON Opdrachtgever Gemeente Zwolle Afdeling Ruimte & Strategie Afdeling Stad & Landschap Monumentenzorg en archeologie
mw. drs. C.H.J.M. van den Broek mw. V. Delmee BSc drs. J.H.J. van Hest ing. G. Korenberg mw. drs. M. Lemmens mw. drs. L. Valckx
Analyse en fotografie
drs. C.J.B.P. Frank drs. J.H.J. van Hest Historisch beeldmateriaal
Historisch Centrum Overijssel Diverse beeldbanken en literatuur Dit is een uitgave van het Monumenten Advies Bureau, Nijmegen, september 2010, copyright MAB Nijmegen 2010 Website: www.monumentenadviesbureau.nl
Bredestraat 1 6542 SN NIJMEGEN tel: 024-3786742 fax:024-3792477 E-mail: Info@monumentenadviesbureau.nl
Cultuurhistorische analyse Diezerpoort, Zwolle II september 2010 II blad 2
CULTUURHISTORISCHE INPUT PLANGEBIED DIEZERPOORT ZWOLLE INHOUDSOPGAVE: 1 INLEIDING 1.1 Cultuurhistorie in Diezerpoort 1.2 Diezerpoort verandert 1.3 De cultuurhistorische analyse 1.4 Het doel van de analyse 1.5 De opzet van het onderzoek, rapportage
4 4 4 4 5 5
2 SCHETS PLANGEBIED 2.1 Ligging en begrenzing 2.2 Hoofdstructuur, algemeen 2.3 Dieze West, algemeen historisch ruimtelijk beeld 2.4 De buurten in Dieze West nader beschouwd 2.5 Dieze Oost, algemeen historisch ruimtelijk beeld 2.6 Bebouwingskarakteristiek; historische bebouwing 2.7 Groenstructuren
6 6 6 7 9 13 16 22
3 HISTORISCH-RUIMTELIJKE ONTWIKKELING 3.1 Vroege ontwikkeling 3.2 Dieze 3.3 De Bagijneweide 3.4 Na de middeleeuwen ste 3.5 Grote veranderingen in de 20 eeuw 3.6 Na de Tweede Wereldoorlog
26 26 28 30 32 45 50
4 CULTUURHISTORISCHE KWALITEIT 4.1 Cultuurhistorische waarden, algemene omschrijving 4.2 Historische ruimtelijke structuren 4.3 Historische bouwkunde 4.4 Historische groenstructuren
57 57 57 60 62
5 AANBEVELINGEN 5.1 Inleiding 5.2 Aanbevelingen t.a.v. de karakteristiek gebied 5.3 Aanbevelingen t.a.v. de hoofdstructuren 5.4 Bebouwing/objecten
65 65 65 65 65
5.5 Rooilijnen, erfscheidingen, groen, etc.
65
6 OBJECTLIJSTEN PROJECTGEBIED
66
7 LITERATUUR / BRONNEN
69
Bijlage: ontwikkelingskaarten Dieze
70
LIJST CULTUURHISTORISCH WAARDEVOLLE BEBOUWING
73
BIJLAGEN : - Cultuurhistorische waardenkaart
Luchtfoto situatie circa 2010 (bron: bingmaps.com).
Cultuurhistorische analyse Diezerpoort, Zwolle II september 2010 II blad 3
1 INLEIDING
1.2 Diezerpoort verandert
1.1 Cultuurhistorie in Diezerpoort Ten noordoosten van de Zwolse binnenstad ligt de grote wijk Diezerpoort, een stadsgebied met een rijke geschiedenis, ontwikkeld vanuit de kleine voorstad, die in de middeleeuwen was ontstaan langs de uitvalsweg naar Berkum en Meppel. Een eeuwenoud stratenpatroon was het uitgangspunt voor een ogenschijnlijk organisch tot ontwikkeling gekomen, intensief bebouwde “nieuwstad”, die uiteindelijk vaste vormen kreeg na de laatste grote wijzigingen aan de vestinggordel rond de binnenstad van Zwolle. Op de Bagijneweide, van oudsher domicilie van onder andere blekerijen, ontstond na de komst van de HBS en het Ziekenhuis een woonbuurt met arbeiderswoningen én voorname herenhuizen. ste Op de uitgestrekte Diezerenk groeide vanaf het eerste kwart van de 20 eeuw in fasen een grote woonwijk, die een rijk geschakeerd beeld geeft van de opeenvolgende stedenbouwkundige en architectonische opvattingen gedurende de vorige eeuw. De Diezerpoort huisvestte vooral arbeiders, voorwie door woningbouwverenigingen en particulieren verschillende complexen zijn gerealiseerd. Voor de Tweede Wereldoorlog gebeurde dat in eenvoudige tuindorpachtige structuren, na 1950 volgens de modernistische uitbreidingsplannen. Tevens was er ruimte gereserveerd voor groenvoorzieningen op wijk- en buurtniveau, scholen, kerkgebouwen, sportvoorzieningen en een bedrijventerrein.
In het hart van Diezerpoort liggen de twee historische begraafplaatsen. Van die lange en rijke historie zijn allerlei relicten en structuren behouden gebleven. Vaak nog goed herkenbaar, zoals de compact bebouwde “Nieuwstad” met zijn historische perceleringen en de Rhijnvis Feithlaan, met de voorname rij herenhuizen, waarvan er vele zijn beschermd als gemeentelijk monument. Andere voorbeelden zijn de “tuindorpen” uit de jaren twintig en ste dertig van de 20 eeuw en de prestigieuze stadsuitbreiding uit de jaren vijftig en zestig. De verstedelijking van het gebied ging ten koste van het platteland van de Diezerenk, dat grotendeels werd weggevaagd. Toch bewaart Diezerpoort ook van deze voorgeschiedenis bijzondere sporen: een netwerk van oude landweggetjes, waartussen de vooroorlogse uitbreidingswijkjes een plaats vonden en zelfs nog enkele relicten van de vroegere agrarische bebouwing.
“Diezerpoort is volop in beweging”, constateert het Ontwikkelingskader Diezerpoort. De gemeente Zwolle investeert samen met de wijkbewoners, de ondernemers, woningbouwcorporaties en andere partners in de wijk, die een langdurig traject is ingegaan van sociale en economische vernieuwing. Die zal zich ook gaan vertalen in fysieke ingrepen in de wijk en nieuwe bouwprojecten. Het streven is dat dit gebeurt met respect voor bewoners, duurzaamheid en de cultuurhistorische waarden. Het Ontwikkelingskader biedt inspiratie en randvoorwaarden voor de veranderingen aan. De in deze rapportage gepresenteerde cultuurhistorische analyse is een verdere verdieping van historische component van de wijk. De analyse vertelt het verhaal van de Diezerpoort aan de hand van een aantal belangrijke ruimtelijke thema’s en beschrijft de belangrijke relicten van de historische ontwikkeling, die we in het gebied kunnen zien. Deze onderdelen vormen de cultuurhistorische component van de Diezerpoort. Elk afzonderlijk, maar vooral in onderlinge samenhang met het stadsgebied zijn zij de cultuurhistorische dragers van het gebied.
1.3 De cultuurhistorische analyse De volgende onderdelen komen in de analyse aan de orde: • Beschrijving van de historisch-ruimtelijke ontwikkelingen van de Diezerpoort in hoofdlijnen; • Beschrijving en overzicht van de aanwezige cultuurhistorische waarden (structuren, objecten); • Kwalificatie van de cultuurhistorische kwaliteit van alle aanwezige bebouwing (indifferent, attentiewaarde, waardevol, zeer waardevol); • Duiding van de cultuurhistorische waarden, in woord en beeld (Cultuurhistorische kaart) • Aanbevelingen ter behoud en versterking van de aspecten met een hoge cultuurhistorische waarde; • Historisch kaart- en beeldmateriaal;
Cultuurhistorische analyse Diezerpoort, Zwolle II september 2010 II blad 4
De ontwikkeling van het gebied wordt geschetst aan de hand van een aantal cultuurhistorische thema’s, die voor de wijk kenmerkend zijn.