4. Het OmgevingsEffectRapport (OER)
Tekst van het document
RAPPORT Omgevingseffectrapport Omgevingsvisie Zwolle Klant:
Gemeente Zwolle
Referentie: BG9815TPRP2004011733 Status:
Definitief/01
Datum:
24 juni 2020
Projectgerelateerd
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Koggelaan 21 8017 JN ZWOLLE Transport & Planning Trade register number: 56515154 +31 88 348 65 00 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: Omgevingseffectrapport Ondertitel: OER Omgevingsvisie Zwolle Referentie: BG9815TPRP2004011733 Status: 01/Definitief Datum: 24 juni 2020 Projectnaam: OER Omgevingsvisie Zwolle Projectnummer: BG9815 Auteur(s): Mark Groen
Opgesteld door:
Anja Boekenoogen, Gerard Kuiper, Luitzen Jager
Gecontroleerd door: Anja Boekenoogen Datum/paraaf: 24-06-2020, AB Goedgekeurd door: Mark Groen Datum/paraaf: 24-06-2020, MG
Classificatie Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever.
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
i
Projectgerelateerd
Inhoud Samenvatting
1
1
Inleiding
11
1.1
Aanleiding
11
1.2
De m.e.r.-procedure
11
1.3
Leeswijzer
13
2
Werkwijze en beoordelingssystematiek
14
2.1
Definitie beoordelingscriteria
14
2.2
Kwaliteitsniveaus
14
2.3
Rad van de Leefomgeving
15
3
Foto van de Leefomgeving
18
3.1
Waarom een ‘Foto van de leefomgeving’?
18
3.2
Rad van de Leefomgeving
19
3.3
Gezondheid
22
3.3.1 3.3.2 3.3.3 3.3.4 3.3.5
Beoordeling huidige situatie en referenties Luchtkwaliteit Geluidhinder Omgevingsveiligheid Bereikbaarheid sport- en speelplekken
22 22 23 24 25
3.4
Wonen
26
3.4.1 3.4.2 3.4.3 3.4.4 3.4.5 3.4.6 3.4.7
Beoordeling huidige situatie en referenties Ruimte voor recreatie Kwaliteit woonomgeving Nabijheid voorzieningen Vraag/aanbod woningvoorraad in balans Leefbaarheid Mate van functiemenging
26 27 27 28 29 29 31
3.5
Natuur
32
3.5.1 3.5.2 3.5.3 3.5.4
Beoordeling huidige situatie en referenties Natura 2000-gebieden Natuur Netwerk Nederland (NNN) inclusief verbindingen Biodiversiteit
32 32 33 34
3.6
Overig fysiek kapitaal
34
3.6.1 3.6.2 3.6.3 3.6.4 3.6.5 3.6.6
Beoordeling huidige situatie en referenties Oppervlakte stedelijk groen en water Drinkwaterwinning Bodemkwaliteit Archeologische verwachtingswaarde Cultuurhistorische en landschappelijke waarden
34 35 36 37 38 39
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
ii
Projectgerelateerd
3.7
Energie
40
3.7.1 3.7.2 3.7.3
Beoordeling huidige situatie en referenties Emissie broeikasgassen Energiegebruik
40 41 42
3.8
Klimaat
43
3.8.1 3.8.2 3.8.3 3.8.4
Beoordeling huidige situatie en referenties Wateroverlast Overstromingsrisico Hittestress
43 43 46 48
3.9
Mobiliteit
51
3.9.1 3.9.2 3.9.3 3.9.4 3.9.5
Beoordeling huidige situatie en referenties Doorstroming hoofdwegennet Logistiek: multimodale bereikbaarheid en kwaliteit knooppunten Personenverkeer: multimodale bereikbaarheid deelgebieden Beloopbaarheid en befietsbaarheid
51 51 52 53 55
3.10
Bereikbaarheid
56
3.10.1 3.10.2 3.10.3
Beoordeling huidige situatie en referenties Parkeergelegenheid auto en fiets Gebruik schoon vervoer en deelmobiliteit
56 56 58
4
Alternatieven en effecten
61
4.1
Alternatieven
61
4.2
Effecten alternatief A en B vs Referentie 2
62
4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4 4.2.5 4.2.6 4.2.7 4.2.8
Gezondheid Wonen Natuur Overig fysiek kapitaal Energie Klimaatadaptatie Mobiliteit Bereikbaarheid
65 66 67 67 68 69 69 71
5
Conclusies en aanbevelingen voor het vervolg
72
5.1
Conclusies en aanbevelingen
72
5.2
Monitoring
75
Bijlagen Bijlage 1 Beoordelingscriteria Bijlage 2 Aandachtspunten per wijk Bijlage 3 Dichtheden en voorbeelden
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
iii
Projectgerelateerd
Samenvatting Inleiding Dit OER onderzoekt de mogelijke effecten van de Ontwerp Omgevingsvisie Zwolle op de leefomgeving. OER staat voor Omgevings-effect-rapport en gaat alleen over de leefomgeving. Effecten op andere thema’s, zoals bijvoorbeeld de economie, komen hier niet in voor. Het OER is het resultaat van een wettelijk verplichte procedure: de m.e.r. M.e.r. staat voor milieu-effectrapportage en is een instrument om milieueffecten een plek te geven in besluitvorming. In het kader van de Omgevingswet wordt het rapport uit de m.e.r.-procedure steeds vaker een OER genoemd omdat meer dan alleen milieuaspecten worden beoordeeld. De m.e.r. kan voor concrete projecten gelden en voor plannen. In dit geval is de m.e.r. verplicht, omdat er in de Ontwerp Omgevingsvisie keuzes gemaakt worden over waar en hoeveel woningen er komen. Door middel van de m.e.r. krijgen milieu- en omgevingseffecten een plek in de totstandkoming en besluitvorming over de Ontwerp Omgevingsvisie. Het OER is parallel en in wisselwerking met de Ontwerp Omgevingsvisie opgesteld. De resultaten van het OER zijn daardoor direct in het proces van de Ontwerp Omgevingsvisie meegenomen. Door deze wisselwerking hebben beide stukken elkaar beïnvloed. Het OER is onderdeel van de Omgevingsvisie, maar is wel een apart stuk.
Het OER is namelijk door een andere partij gemaakt, zodat de kansen en risico’s onafhankelijk en zo objectief mogelijk in beeld zijn gebracht. Het detailniveau van de onderzoeken sluit aan op het detailniveau van de Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie kijkt naar de lange termijn (tot 2040) en is richtinggevend. De omgevingseffecten zijn daarom niet in detail berekend, maar in grote lijnen beschreven. De toekomst is immers erg onzeker. Vanwege deze onzekerheid zijn de omgevingseffecten niet concreet beschreven, maar signaleren we risico’s en kansen. Onderzoeksmethode In deze Omgevingseffectrapportage worden de effecten van (nieuw) beleid op de kwaliteiten van de leefomgeving beoordeeld. Om effecten te beoordelen zijn er criteria gedefinieerd die de kwaliteiten van de Zwolse leefomgeving beschrijven. In veel gevallen zijn dit criteria die betrekking hebben op milieuaspecten zoals deze ook in milieueffectrapportages worden gehanteerd. Nieuw is dat ook andere leefomgevingskwaliteiten in de beoordeling worden betrokken; kwaliteiten waarop vaak wel beleid wordt gevoerd en beleidsdoelstellingen voor gelden, maar waarbij nog niet altijd duidelijk is hoe een positief of negatief effect in de toekomst kan worden bepaald, zoals bijvoorbeeld de bereikbaarheid van sport- en speelplekken.
Om deze reden is in bijlage 1 voor alle criteria beschreven welke informatie gebruikt is en hoe de beoordeling heeft plaatsgevonden. Op basis van de beschikbare informatie is de beoordeling van de huidige situatie, de referentiesituatie en de alternatieven weergegeven in het Rad van de Leefomgeving. Dit rad geeft in één oogopslag weer welke veranderingen er op kunnen treden als gevolg van het autonome en het voorgestelde beleid. Onderstaand figuur geeft een globaal overzicht hoe de beoordeling van criteria in het rad wordt weergegeven.
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
1
Projectgerelateerd
Groen = positief/kans
Beoordelingskader: Thema’s en beoordelingscriteria
Oranje = neutraal/geen verandering Rood = negatief/risico
Waardering per beoordelingscriterium
Figuur A: Uitsnede en toelichting op Rad van de Leefomgeving
Wat is er beoordeeld? Het OER voor de Omgevingsvisie Zwolle richt zich op de ruimtelijk belangrijkste zaken die effect hebben op de fysieke leefomgeving: de woningbouwopgave als gevolg van de versnelde en versterkte groei van de bevolking. Het voornemen is om tot 2030 een aantal van 10.000 woningen bij te bouwen. Na 2030 wil Zwolle rekening houden met een opgave om nog eens 6.000 tot 10.000 woningen te bouwen, totaal dus 16.000 tot 20.000 woningen in de periode tot 2040. Dit wanneer de trek naar de stad zich verder doorzet en de bereikbaarheid/positionering van Zwolle in het land verbeterd. Bijvoorbeeld als gevolg van de nieuwe OV-toekomstvisie van het Rijk. De voorgenomen verdeling1 van de woningen over de bouwlocaties is: • 60% urbaan (binnenstedelijk, hoofdzakelijk gestapeld); • 40% suburbaan (nieuwbouwwijk buiten bestaande stad, voornamelijk grondgebonden). Voorts is van belang dat voor Stadshagen reeds een MER is uitgevoerd. Een groei van 3.000 tot 4.000 woningen suburbaan tot 2030 kan hier nog plaatsvinden en wordt daarom niet separaat in dit MER beschouwd. Voor de suburbane groei na 2030 wordt een MIRT-traject voorbereid. De Omgevingsvisie geeft daarom nog geen richting aan deze ontwikkeling, maar richt zich uitsluitend op de urbane groei in de bestaande stad op de locaties zoals weergegeven in onderstaande figuur B.
Opschaling na 2030 Het is goed mogelijk dat ook na 2030 de groei van Zwolle verder doorzet. Een studie van het Bureau Stedelijke Planning laat een mogelijke groei zien van ongeveer 16.000 huishoudens (met een navenant aantal woningen) in de periode tot 2040 (opschaling na 2030, laag). In een recente publicatie (2019) van het Zwolse Concilium is, als pleidooi voor een schaalsprong, als voorstel een indicatief, richtinggevend aantal van in totaal 20.000 nieuwe woningen aangehouden (opschaling na 2030, hoog). Ook de effecten van deze mogelijke groei in aantallen woningen worden in dit OER onderzocht. In de volgende tabel zijn de genoemde woningbouwopgaves per scenario weergegeven, onderverdeeld in urbaan en suburbaan te bouwen woningen. 1
Gezien de verwachte verschuiving van de verdeling 50/50 naar 60/40 met een grotere behoefte aan stedelijk wonen is voor de helderheid de 50/50 verdeling hier weggelaten. 24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
2
Projectgerelateerd
Tabel I: verwachte aantallen te bouwen woningen per scenario
1. 2. 3. 4. 5. 6.
Spoorzone Weezenlanden Noord IJsselhallen Kamperpoort Singelkwartier Oosterenk
10. Binnenstad 11. Zwartewater zone 12. Zwartewater allee
Figuur B: globale aanduiding (rood gearceerd) gedachte inbreidingslocaties (urbaan) (bron: gemeente Zwolle, februari 2020).
Bovenstaande heeft er toe geleid dat de volgende situaties beoordeeld zijn: 1. Woonvisie 2017: de bouw van 6.000 nieuwe woningen in de periode 2017-2027, waarvan 3.000 suburbaan in Stadshagen (reeds eerder beMERd), en 3.000 urbaan verdeeld over de stad. Hiervan zijn 3.000 woningen reeds gebouwd in de afgelopen drie jaren, en 3.000 woningen dus nog te bouwen in de periode 2020-2027 (gemiddeld 300 woningen per jaar). Omdat de referentiesituatie in 2030 wordt beoordeeld, wordt er voor dit OER vanuit gegaan dat dit bouwtempo wordt vastgehouden, waardoor het totaal aantal woningen tot 2030 4000 bedraagt (zie ook bijlage 3). Volgens de Woonvisie wordt 50% (2.000 woningen) urbaan gebouwd, dit is de (eerste) referentiesituatie voor het jaar 2030. 2. Ontwikkelingsstrategie Wonen 2019-2024: een versnelde groei ten opzichte van de woonvisie door het blijven bouwen in het tempo van afgelopen jaren met gemiddeld 1.000 woningen per jaar tot het jaar 2029. De gemeente heeft dit op basis van verwachte globale plancapaciteit uitgewerkt naar een te verwachten aantal van circa 10.000 te bouwen woningen tot het jaar 2030. De hiervan circa 6.000 urbaan te bouwen woningen op een nu voorzien aantal van negen inbreidingslocaties (zie figuur 3.1) is de tweede referentiesituatie voor het jaar 2030. In beide gevallen betreft het vastgesteld beleid.
In de NRD is aangegeven dat het verschil in effecten tussen beide situaties inzichtelijk zou worden gemaakt. Om deze reden worden ze beschouwd als twee verschillende referentiesituaties en zijn ze beide weergegeven in een separaat Rad van de Leefomgeving.
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
3
Projectgerelateerd
Referentiesituatie 2 vormt de basis voor de vergelijking van de alternatieven: A. Opschaal scenario laag: urbaan 9.500 woningen op de aangegeven locaties (conform prognose Buru Stedelijke Planning) B. Opschaal scenario hoog: urbaan 12.000 woningen op de aangegeven locaties (conform prognose Zwols Concilium) Effectoverzicht
Figuur C: Rad van de Leefomgeving met de beoordeling van de huidige situatie (witte lijn), Referentiesituatie 1 (blauw gestreepte lijn) en Referentiesituatie 2 (paarse gestreepte lijn).
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
4
Projectgerelateerd
Figuur D: Rad van de Leefomgeving met de beoordeling van Alternatief A ten opzichte van Referentie 2. Met de witte lijn is tevens de huidige situatie weergegeven.
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
5
Projectgerelateerd
Figuur E: Rad van de Leefomgeving met de beoordeling van Alternatief A ten opzichte van Referentie 2. Met de witte lijn is tevens de huidige situatie weergegeven.
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
6
Projectgerelateerd
Conclusies Wonen Zwolle heeft een forse woningbouwopgave om de vraag en aanbod van woningen in balans te brengen en te houden. Het Zwolse woonbeleid streeft naar een goede balans tussen binnenstedelijke en suburbane woonmilieus met een divers, vernieuwend, levensloopbestendig en betaalbaar woningaanbod. Het doel is voor iedereen een betaalbare woning naar wens in een inclusieve stad. Met de toe te voegen woningen blijft naar verwachting de balans tussen vraag en aanbod gelijk. Aandachtspunten ten aanzien van wonen zijn vooral de kwetsbare leefbaarheid in Kamperpoort en Holterbroek: door bij herontwikkeling niet alleen te kijken naar het projectgebied zelf maar ook de omgeving hierbij te betrekken zijn hier (verdere) verbeteringen mogelijk. De verdichting leidt over het algemeen tot andere bevolkingssamenstelling in de buurten; het is van belang te onderzoeken welke voorzieningen nodig zijn in deze veranderende stad en deze vervolgens op te nemen in de plannen en/of hier ruimte voor te bieden. Klimaat De ambitie van Zwolle met betrekking tot het klimaat is ‘een klimaatadaptief Zwolle’. Zwolle heeft hiervoor een klimaatcasco ontwikkeld en de Zwolse Adaptatie Strategie (ZAS) opgesteld. Uit het OER is gebleken dat in de referentiesituatie en in de alternatieven A en B in sommige wijken hele hoge woningdichtheden worden voorzien.
Bij de uitwerking en het ontwerp van deze wijken moet klimaat een aandachtspunt blijven. Met name voor hitte leiden de hoge dichtheden tot risico’s. Hoe meer woningen op beperkte ruimte, hoe moeilijker de klimaatadaptieve inrichting wordt. In de Omgevingsvisie staat dat de doelen voor klimaatadaptatie haalbaarder zijn bij een hoge dichtheid (pagina 40). Dit blijkt niet uit het OER. Er dient ten minste een expliciet beleid te worden geformuleerd om hittestress tegen te gaan bij verdere verstedelijking. Ten aanzien van de overstromingsrisico's is de gemeente goed op weg en worden lokaal verschillende maatregelen toegepast. De risico's zijn er vooral vanuit de weteringen. De mogelijke maatregelen om de overstromingsrisico's te beperken nog zijn onvoldoende zeker. Fysiek kapitaal Ten behoeve van dit OER is het fysiek kapitaal opgedeeld naar “natuur” en “overig fysiek kapitaal”. Het fysiek kapitaal van Zwolle is zeer waardevol. De ambitie van Zwolle met betrekking tot het fysiek kapitaal is dan ook ‘het behoud en versterken van fysiek kapitaal van Zwolle’. Cultuurhistorie, landschap, biodiversiteit en recreatie zijn daarvoor belangrijke pijlers. Gewenste ontwikkelingen in de gemeente Zwolle worden dan ook gestuurd op basis van de waarden van het fysiek kapitaal. Uit het OER blijkt vooral dat de biodiversiteit onder druk staat.
Dit is in de huidige situatie al het geval en wordt versterkt door de inbreiding op plekken binnen de Hoofdgroenstructuur, met name in Weezenlanden, Singelkwartier, Binnenstad en Zwartewater zone. Daarnaast is van belang dat de (recreatieve) druk op het groen als gevolg van de toename van het aantal inwoners steeds groter zal worden. Aanbevolen wordt om de biodiversiteit nadrukkelijker te monitoren, zodat meer inzicht ontstaat in de ontwikkeling ervan bij toenemende druk. Mobiliteit De mobiliteitsambitie van Zwolle is om bereikbaar, toegankelijk, veilig en duurzaam te zijn. Zwolle is de stad waar het meest gefietst wordt in Nederland, het tweede spoorknooppunt van Nederland én heeft een uitstekende autobereikbaarheid. Daarnaast heeft Zwolle een belangrijke functie als centrumgemeente in de regio. Om deze positie te behouden, ook als Zwolle blijft groeien, zet de gemeente voor mobiliteit in op drie pijlers: Een gastvrije en bereikbare stad, een veilige en toegankelijke stad en tot slot een innovatieve en vitale fietsstad. 24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
7
Projectgerelateerd
Om het gebied binnen de buitenring verkeersluwer te maken met meer ruimte voor voetganger, fietser en OV wordt een systeemsprong in het mobiliteit systeem van Zwolle beoogd. Wanneer het gebied binnen de buitenring autoluwer wordt, kan hier verdichting samengaan met meer verblijfskwaliteit en een stad met menselijke maat en schaal ontstaan. Het opdelen van dit gebied in kwadranten voor het autoverkeer, een essentieel onderdeel, gaat verkend worden. Uit het OER blijkt dat het hoofdwegennet verder belast wordt en er nog (onder andere in het kader van het MIRT-onderzoek A28) gezocht wordt naar oplossingen. Dit heeft negatieve gevolgen voor de (multimodale) bereikbaarheid. De toevoeging van extra woningen zal de druk op het (hoofd)wegennet laten toenemen. Een extra randweg in Zwolle is niet direct de oplossing: dit leidt tot meer verkeer dat ook weer ergens verwerkt moet kunnen worden. Extra woningen in en rond het centrum door verdichting leidt tot kortere verplaatsingsafstanden en meer kansen voor OV en fiets. Het is van belang dat de gemeente concreet opneemt wat ze gaat doen om de netwerken van de fiets en de beschikbaarheid van goed toegankelijke beveiligde fietsenstallingen bij woning en werk te verbeteren.
En zich daarnaast ook gaat richten op het bouwen van buurten (zodat een gemeenschappelijk belang ontstaat) voor doelgroepen die juist zijn georiënteerd op de fiets en het OV, en niet op autobezit. De gemeente kan nu reeds de hiervoor geschikte buurten aanwijzen. Hiermee wordt het gebruik van fiets en OV gestimuleerd, ontstaat meer draagvlak voor alternatieve concepten als MaaS of deelauto's, en ontstaat meer ruimte voor verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Om in lijn te komen met de Nationale Agenda Laadinfrastructuur 2030 is een plan van aanpak nodig voor de aanleg van substantieel meer laadpalen in de stad. Gezondheid Gezondheid staat in Zwolle hoog in het vaandel. De effecten van beleidskeuzes op de gezondheid worden daarom nadrukkelijk betrokken bij het maken van afwegingen. Gezondheid is een integraal en belangrijk maatschappelijk thema. Het draait daarbij naast beschermen vooral ook om het versterken van de aspecten in de leefomgeving die de gezondheid bevorderen en faciliteren. Vanuit dit OER zijn hiervoor de volgende criteria van belang: • Luchtkwaliteit • Geluidhinder • Omgevingsveiligheid • Bereikbaarheid sport- en speelplekken • Ruimte voor recreatie • Kwaliteit woonomgeving • Oppervlakte stedelijk groen en water • Bodemkwaliteit • Wateroverlast • Hittestress • Beloopbaarheid en befietsbaarheid
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
8
Projectgerelateerd
Onderstaande figuur geeft de effecten, kansen en risico's weer op de genoemde criteria. Referentiesituatie 1 is hierin overigens niet meegenomen. Weergegeven is de huidige situatie, de Referentiesituatie 2 en alternatief B met de hoogste toename van aantallen woningen en inwoners.
Figuur F: beoordeling criteria Gezondheid in Alternatief B ten opzichte van Referentie 2
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
9
Projectgerelateerd
Duidelijk blijkt dat criteria ten aanzien van het bevorderen van de gezondheid tussen de huidige situatie en de Referentiesituatie onder druk komen te staan. Vanuit de criteria voor het beschermen van de gezondheid vallen met name de risico’s ten aanzien van hittestress en geluid op. Ten aanzien van geluid geldt dat alle ontwikkellocaties in de stadskrans en de stadsruit zijn gelegen nabij grote infrastructurele werken (spoor en A28). Voor die gebieden brengt het risico’s met zich mee dat er meer geluidhinder-knelpunten ontstaan. Ook al dient de nieuwbouw te voldoen aan strenge eisen waar het gaat om geluidhinder in de gebouwen, kan er ook beneden de norm hinder zijn en ook juist buiten de gebouwen op terrassen en balkons. Dit geldt ook voor het aspect veiligheid, waarbij de ligging nabij infrastructuur van belang is. Het voorkomen van hittestress is nog geen gewoongoed in de ontwikkeling van woongebieden. Maatregelen om dit te beperken zouden integraal onderdeel van de ontwikkeling moeten zijn om te voorkomen dat kwetsbare groepen hier in de verstedelijkingsopgave nadelige effecten van ondervinden. Aan de kant van bevorderen is het beeld positiever. De Omgevingsvisie zet sterk in op een prettig leefklimaat, groene omgeving, welzijn en biodiversiteit. Hierdoor kunnen de negatieve effecten van de overige criteria deels gemitigeerd worden.
Aan deze kant zijn echter ook verbeteringen mogelijk. Voor sport- en speelplekken is bijvoorbeeld niks in de Omgevingsvisie opgenomen, terwijl nieuwe ontwikkelingen een mogelijkheid bieden om dit ook te verbeteren.
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
10
Projectgerelateerd
1
Inleiding
Dit document betreft het Omgevingseffectrapport (OER) bij de Ontwerp Omgevingsvisie Zwolle. Dit document is opgesteld gelijktijdig met het ontwikkelen en opstellen van de Ontwerp Omgevingsvisie en vormt een bijlage bij die visie. Het verdient daarom aanbeveling bij het lezen van het OER ook kennis te nemen van de Ontwerp Omgevingsvisie. Belangrijk bij het lezen van dit OER is dat het gericht is op de verstedelijksopgave van Zwolle en de aspecten die hierbij relevant zijn. Door het gelijk op lopen van de productie van het OER en de productie van de Ontwerp Omgevingsvisie zijn er in dit OER geen zogenaamde “botsproeven” opgenomen. Met botsproeven wordt vaak nagegaan in hoeverre verschillende keuzes elkaar ook positief of negatief beïnvloeden. Hierdoor kan een beter beeld ontstaan van de mogelijkheden en randvoorwaarden voor de uitvoerbaarheid van de visie. Hiervoor geldt dat, indien relevant, in een later stadium hiervoor aanvullende informatie kan worden gegenereerd.
1.1
Aanleiding
In 2021 treedt de Omgevingswet in werking. Hoofddoel is vereenvoudiging en integratie van beleid en regelgeving voor het totaal van de fysieke leefomgeving, met meer ruimte voor maatwerk en meer flexibiliteit om sneller in te kunnen spelen op veranderingen. De wet bundelt bestaande wetten op het gebied van bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer, landschap en natuur. Eén van de nieuwe instrumenten is de Omgevingsvisie: een integrale visie voor de langere termijn op de kwaliteit, inrichting, gebruik en beheer van de fysieke leefomgeving. De gemeente Zwolle heeft in oktober 2017 de Omgevingsvisie “Mijn Zwolle van Morgen 2030, Deel 1: Kernopgaven en ambities” vastgesteld. Er zijn drie kernopgaven geformuleerd: ▪ Versterken stedelijkheid en economie; ▪ Klimaatbestendig en energieneutraal; ▪ Vitale, solidaire, gezonde en duurzame stadsdelen. Naast de kernopgaven wordt het menselijk kapitaal gezien als drager van de stad en de fysieke stad als het fundament. Het gaat immers om mensen die in Zwolle wonen, werken of de stad gebruiken. De stad Zwolle en haar natuurlijke omgeving is van grote kwaliteit, die we willen behouden en versterken. De historisch gelaagde en waardevolle stad en landschappelijke omgeving zorgt voor een sterke identiteit en een gezamenlijke trots. In 2020 wordt de volgende Omgevingsvisie Zwolle vastgesteld.
Onderdeel van de besluitvormingsprocedure is de m.e.r.-procedure (formeel een milieueffectrapportage). Voorliggend Omgevingseffectrapport (OER) is hier het product van en levert de informatie die nodig is voor een zorgvuldig besluit over de Omgevingsvisie.
1.2
De m.e.r.-procedure
Milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. Het doel van de m.e.r. is het bieden van voldoende informatie om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming te betrekken. Het resultaat is een milieueffectrapport, afgekort MER. Het MER voor de Omgevingsvisie gaat niet alleen in op milieuaspecten, maar beschrijft ook breder de effecten op de leefomgevingskwaliteit. Om deze reden wordt dit stuk geen MER, maar een OER genoemd: Omgevingseffectrapport.
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
11
Projectgerelateerd
Waarom een OER ten behoeve van de Omgevingsvisie? De inhoud van de Omgevingsvisie bepaalt of het verplicht is een m.e.r.-procedure te doorlopen. Dit is het geval, wanneer: a) De Omgevingsvisie kaders stelt voor activiteiten die volgens de wet m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn. Denk bijvoorbeeld aan stedelijke ontwikkelingsprojecten, (her)ontwikkeling van bedrijventerreinen, oprichting van windturbineparken of de aanleg/wijziging van autowegen; b) Op voorhand niet kan worden uitgesloten dat als gevolg van de strategische keuzes in de Omgevingsvisie significante negatieve effecten optreden op Natura 2000-gebieden. Enkele keuzes binnen de Omgevingsvisie zijn kaderstellend voor toekomstige m.e.r.-plichtige activiteiten. Het betreft vooral de herstructurering en/of transformatie van bestaande woningvoorraad en werklocaties. De gemeente Zwolle kiest er voor om de procedure voor milieueffectrapportage te doorlopen. Dit doet zij bewust omdat ze groot belang hecht aan het volwaardig meewegen van (potentiële) milieu- en omgevingseffecten in de integrale keuzes in de Omgevingsvisie. Naast het voldoen aan de wettelijke verplichting wordt met de m.e.r. ook beoogd om transparant te zijn over het proces en de inhoud van de Omgevingsvisie. Daarnaast genereert het OER informatie voor een integrale afweging van beleidskeuzes.
Dat houdt in dat het OER inzicht geeft in de (samenhang tussen) omgevingseffecten en het doelbereik (de mate waarin ambities worden verwezenlijkt) van keuzes waarop de Omgevingsvisie betrekking heeft. Wat zijn de stappen voor de m.e.r.-procedure? De stappen in het planproces voor de Omgevingsvisie en de uitvoering van het OER zijn nauw aan elkaar verbonden. Er vindt een wisselwerking plaats tussen inhoudelijke uitwerking van de thema’s en voorstellen vanuit het visie-spoor, de beoordeling van effecten en advisering vanuit het m.e.r.-spoor. Daarnaast kent de m.e.r.-procedure een aantal stappen: ▪ Stap 1: Mededeling, kennisgeving over het voornemen. ▪ Stap 2: Inspraak, raadpleging betrokken bestuursorganen, wettelijke adviseurs en advies over reikwijdte en detailniveau. Deze stap is in het najaar van 2019 uitgevoerd. ▪ Stap 3: De gemeente stelt het ontwerp-OER op gekoppeld aan de ontwerp Omgevingsvisie. Dat betreft dit rapport. Het OER is tot stand gekomen tijdens de uitwerking van de ontwerp Omgevingsvisie. In het OER zijn de thema’s, die in de visie een plek krijgen, uitgewerkt. Ook is duidelijk gemaakt welk van deze thema’s een mogelijke impact hebben op de leefomgevingskwaliteit. ▪ Stap 4: Dit OER wordt gelijktijdig met de ontwerp Omgevingsvisie ter inzage gelegd. ▪ Stap 5: Inspraak. Een ieder kan zienswijze indienen op de ontwerp Omgevingsvisie en het ontwerp-OER.
▪ Stap 6: De Commissie m.e.r. brengt advies uit over het OER (toetsingsadvies), binnen de termijn die ook voor de zienswijzen geldt. ▪ Stap 7: Definitief besluit: De gemeente neemt een definitief besluit. Daarbij geeft het aan hoe rekening is gehouden met de in het OER beschreven gevolgen voor de leefomgevingskwaliteit, de zienswijzen en het advies van de Commissie m.e.r.. ▪ Stap 8: Bekendmaking besluit. Gedurende de inspraak periode voor de ontwerp Omgevingsvisie is inspraak op dit OER mogelijk op dezelfde wijze als op de ontwerp Omgevingsvisie. Commissie m.e.r. Het bevoegd gezag wordt in haar besluitvorming met betrekking tot het OER geadviseerd door de Commissie m.e.r. Deze onafhankelijke commissie bestaat uit deskundigen op het gebied van milieu, natuur, leefomgeving en duurzaamheid. Zij beoordeeld dit OER in relatie tot de Notitie Reikwijdte en
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
12
Projectgerelateerd
Detailniveau op volledigheid en objectiviteit en vormt op basis hiervan een advies voor het bevoegde gezag.
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt een toelichting gegeven op de beoordelingssystematiek met beoordelingscriteria. Bij de beoordeling in dit OER wordt gebruik gemaakt van het Rad van de Leefomgeving. De beoordeling met het rad wordt in dit hoofdstuk eveneens toegelicht. Hoofdstuk 3 bevat de beoordeling van de huidige situatie en de autonome ontwikkeling; dit wordt ook wel “Foto van de Leefomgeving” genoemd. Naar aanleiding van de NRD worden in dit hoofdstuk twee referentiesituaties toegelicht en beoordeeld. In hoofdstuk 4 worden de alternatieven beschreven zoals die zijn onderzocht en worden deze beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. In hoofdstuk 5 worden ten slotte de conclusies en aanbevelingen beschreven naar aanleiding van de effectbeoordeling. Hierbij wordt ook ingegaan op de monitoring.
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
13
Projectgerelateerd
2
Werkwijze en beoordelingssystematiek
In een Omgevingseffectrapportage worden de effecten van (nieuw) beleid op de kwaliteiten van de leefomgeving beoordeeld. Om effecten te beoordelen zijn er criteria te definiëren die de kwaliteiten van de Zwolse leefomgeving bepalen. In veel gevallen zijn dit criteria die betrekking hebben op milieuaspecten zoals deze ook in milieueffectrapportages worden gehanteerd. Nieuw is dat ook andere leefomgevingskwaliteiten in de beoordeling worden betrokken; kwaliteiten waarop vaak wel beleid wordt gevoerd en beleidsdoelstellingen voor gelden, maar waar dosis-effectrelaties veelal (nog) niet voor beschikbaar zijn, zoals bijvoorbeeld de bereikbaarheid van sport- en speelplekken. In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe tot beoordelingscriteria is gekomen en hoe de beoordeling van de referentiesituatie en het nieuwe beleid heeft plaatsgevonden.
2.1
Definitie beoordelingscriteria
Belangrijk bij de waardering van de kwaliteit van de leefomgeving aan de hand van de beoordelingscriteria is de navolgbaarheid en reproduceerbaarheid van waarderingen. De definitie van de beoordelingscriteria is gebaseerd op de beschikbare informatie in de huidige situatie en autonome ontwikkeling (2030 en waar mogelijk en relevant met een doorkijk naar 2040), de (milieu)wetgeving, het beleid en expert judgement op basis van tijdreeksen (ontwikkelingen over de afgelopen tijd) en geografische vergelijkingen (cijfers en trends van bijvoorbeeld vergelijkbare gemeenten). Eerst zijn de belangrijkste thema’s gedefinieerd, veelal gerelateerd aan bestaand beleid. Hierbij heeft ook de NRD als leidraad gefungeerd. Vervolgens zijn per thema beoordelingscriteria gedefinieerd waarvan bekend is dat er: ▪ Dosis-effectrelaties zijn ofwel het is bekend welk effect een verandering te weeg brengt; ▪ Een kwaliteit van de Zwolse leefomgeving mee wordt benoemd; ▪ Kwalitatief of kwantitatief informatie van beschikbaar is voor verleden, heden en/of toekomst en/of; ▪ Op basis van expert judgement te bepalen is hoe geformuleerd beleid uitwerkt. De gedefinieerde thema’s en beoordelingscriteria zijn weergegeven in tabel 2-1. Het beoordelingskader is gaandeweg binnen de procesaanpak van het OER verder aangescherpt, waarbij sommige criteria zijn opgesplitst of samengevoegd.
Waar relevant is dit in bijlage 1 vermeld bij de beschrijving van de criteria. Verderop in het volgende hoofdstuk wordt per thema beschreven hoe de kwaliteit in de huidige situatie en autonome ontwikkeling wordt beoordeeld. Tenslotte is voor ieder criterium aan de hand van een toetswaarde een schaallat bepaald voor het toekennen van een kwaliteitsniveau (zie ook bijlage 1).
2.2
Kwaliteitsniveaus
De beoordeling van de criteria resulteert per criterium in een kwaliteitsniveau: groen, oranje of rood. Per criterium is een schaallat gedefinieerd voor de toekenning van een kwaliteitsniveau. In zijn algemeenheid geldt: bij kwaliteitsniveau groen is sprake van een overwegend goede kwaliteit of een goede kans daarop, wettelijke of beleidsnormen worden (ruimschoots) behaald, er zijn geen knelpunten aanwezig of te verwachten. Bij rood is sprake van overwegend slechte kwaliteit of een duidelijk risico daarvoor, dat wil zeggen: er is sprake van of een risico op overschrijding van normen of op knelpunten. Bij oranje is er in zijn algemeenheid sprake van dat wettelijke of beleidsnormen juist worden gehaald, de kwaliteit zit dan tussen groen en rood in (zie ook figuur 2-1).
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
14
Projectgerelateerd
Voor het zo objectief, navolgbaar en reproduceerbaar mogelijk toekennen van kwaliteitsniveaus zijn twee aspecten bepalend: a. Beschikbare informatie en de status daarvan; b. Beschikbare toetswaarde voor het definiëren van kwaliteitsniveau groen, oranje, rood. Per beoordelingscriterium is een schaallat voor de kwaliteitsniveaus gedefinieerd op basis van bovenstaande twee aspecten. De onderbouwing bij toegekende kwaliteitsniveaus, de daarbij gehanteerde werkwijze en bronnen is opgenomen in de bijlage 1. Tabel 2-1: Beoordelingskader
Laag
Thema
People
Gezondheid
Planet
Luchtkwaliteit Geluidhinder Omgevingsveiligheid Bereikbaarheid sport- en speelplekken Wonen Ruimte voor recreatie Kwaliteit woonomgeving Bereikbaarheid voorzieningen Vraag/aanbod woningvoorraad Leefbaarheid Mate van functiemenging Natuur Natura 2000 NNN inclusief verbindingen Biodiversiteit Overig fysiek kapitaal Oppervlakte stedelijk groen en water Drinkwatervoorziening Bodemkwaliteit Archeologie Cultuurhistorie en landschap Energie Emissie broeikasgassen Energiegebruik Klimaat
Profit
Mobiliteit
Bereikbaarheid
2.3
Criteria
Wateroverlast Overstromingsrisico Hittestress Doorstroming hoofdwegennet Logistiek Personenverkeer Beloopbaarheid en befietsbaarheid Parkeergelegenheid auto en fiets Gebruik schoon vervoer en deelmobiliteit
Rad van de Leefomgeving
Op basis van de beschikbare kwantitatieve informatie en de gedefinieerde schaallat is het kwaliteitsniveau toegekend voor de huidige situatie, voor de meeste criteria betreft dit 2019. Het toegekende kwaliteitsniveau is een gemeentebreed beeld, daar waar er wijkgericht specifieke relevante afwijkingen zijn van het gemeentebrede beeld wordt dat in de onderbouwende beschrijving benoemd.
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
15
Projectgerelateerd
De toegekende kwaliteitsniveaus voor de huidige situatie zijn voor alle beoordelingscriteria in het Rad van de Leefomgeving toegekend, zoals onderstaand weergegeven.
Positief, goede kwaliteit, kans Juist op de norm, neutraal, geen verandering Negatief, slechte kwaliteit, risico
Beoordelingskader: Thema’s en beoordelingscriteria
Waardering per beoordelingscriterium
Figuur 2-1: Algemene schaallat van de beoordelingscriteria zoals visueel weergegeven in een uitsnede van het Rad van de Leefomgeving
Waardering autonome ontwikkeling Bij de beschouwing van beoordelingscriteria is een ‘waardering’ gegeven aan de autonome ontwikkeling, op basis van een kwalitatieve inschatting van ontwikkelingen die optreden als gevolg van: ▪ De mate waarin autonome trends en ontwikkelingen leiden tot een vooruitgang of achteruitgang van de huidige situatie, zoals demografische veranderingen, klimaatveranderingen en veranderingen in de woningmarkt. ▪ De mate waarin voortzetting van bestaand (gemeentelijk) beleid leidt tot een vooruitgang of achteruitgang (zie hoofdstuk 3). ▪ De mate waarin besluiten over plannen, programma’s en projecten die worden geïnitieerd door andere partijen zoals bijvoorbeeld Rijkswaterstaat of de Provincie Overijssel leiden tot een vooruitgang of achteruitgang (zie hoofdstuk 3) Planperiode of planhorizon De Omgevingsvisie Zwolle is gericht op 2030 met op onderdelen een doorkijk van 10 tot 20 jaar verder. Omdat de meeste beschikbare informatie of trends of prognoses voor leefomgevingsaspecten niet verder gaan dan 2030 of omdat de onzekerheidsmarge na 2030 te groot wordt, is in het OER 2030 in beginsel als toekomstjaar gehanteerd.
In het Rad van de leefomgeving wordt de autonome ontwikkeling (2030) visueel weergegeven met een gestippelde lijn.
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
16
Projectgerelateerd
Per criterium is een schaallat bepaald en wordt uitgegaan van de waardering van de huidige situatie. Ten opzichte van de huidige situatie kan er sprake zijn van een positieve (↗), gelijkblijvende (=) of negatieve (↘) ontwikkeling. De autonome ontwikkelingen kunnen per criterium verschillen in impact en onzekerheid. Er kan sprake zijn van: ▪ Geen impact ten opzichte van de huidige situatie. Er is sprake van een gelijkblijvende waardering De kleur blijft gelijk. Deze situatie wordt in de uitwerking visueel weergegeven met een ’=’. In het Rad bevindt de gestippelde lijn zich op dezelfde plek als de huidige situatie. ▪ Een beperkte impact en/of onzekerheid op de waardering van een criterium. Visueel wordt dit weergegeven met een positieve (↗) of negatieve (↘) pijl. In het Rad beweegt de gestippelde lijn zich binnen dezelfde kleur als de huidige situatie. ▪ Een grote impact en/of onzekerheid als gevolg van vigerend beleid, klimatologische of demografische ontwikkelingen. Visueel wordt dit weergegeven met een positieve (↗) of negatieve (↘) pijl èn een kleurverandering ten opzichte van de huidige situatie. In het Rad verplaatst de stippellijn zich naar een andere kleur ten opzichte van de huidige situatie.
Voor de waardering van de impact in termen van beperkt of groot geldt dat in de tekst zo veel mogelijk wordt beargumenteerd waarom op basis van expert judgement de impact als beperkt of groot wordt gewaardeerd. Voor de beoordeling van de alternatieven in hoofdstuk 4 wordt dezelfde systematiek gehanteerd. In het Rad van de Leefomgeving worden beperkte of grote effecten, risico's of kansen door middel van korte of langere pijlen.
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
17
Projectgerelateerd
3
Foto van de Leefomgeving
De foto van de leefomgeving laat zien bij welke leefomgevingsaspecten er nu en in de toekomst bij autonome ontwikkeling problemen en knelpunten optreden en welke autonome trends daarin te verwachten zijn. Zo brengt het in beeld wat de kwaliteit is van de verschillende aspecten van de Zwolse leefomgeving. In dit hoofdstuk wordt eerst in paragraaf 3.1 een korte toelichting gegeven op het waarom van een foto van de leefomgeving. Vervolgens wordt in paragraaf 3.2 ingegaan op de autonome ontwikkelingen die in dit OER beoordeeld zijn en wordt de beoordeling daarvan weergegeven in het Rad van de Leefomgeving. Het rad is dus een samenvattend overzicht van de beoordeling. Vervolgens wordt vanaf paragraaf 3.3 voor ieder thema en de bijbehorende criteria de beoordeling uitgebreid beschreven.
3.1
Waarom een ‘Foto van de leefomgeving’?
In beeld brengen van de kwaliteit van de leefomgeving Als vertrekpunt voor het OER van de Omgevingsvisie van Zwolle is een ‘Foto van de leefomgeving’ opgesteld: het beeld hoe de Zwolse leefomgeving er nu en in de toekomst (2030-2040) voor staat. Dit toekomstbeeld is de autonome ontwikkeling, de verwachte toekomstige situatie bij voortzetting van het huidige beleid, rekening houdend met autonome trends (bijvoorbeeld klimaatverandering) en al genomen besluiten over ingrepen in de leefomgeving. Deze autonome ontwikkeling is de referentiesituatie voor het OER. De mogelijke effecten van het nieuwe beleid in de Omgevingsvisie worden in beeld gebracht ten opzichte van deze referentiesituatie. De foto van de leefomgeving laat zien bij welke leefomgevingsaspecten er nu en in de toekomst problemen en knelpunten optreden en welke autonome trends daarin te verwachten zijn. Zo brengt het in beeld wat de kwaliteit is van de verschillende aspecten van de Zwolse leefomgeving. Hiermee kan de foto van de leefomgeving bijdragen aan het aanscherpen van de Omgevingsvisie en het maken van keuzes voor nieuw beleid. In de foto van leefomgeving wordt de leefomgeving beschreven aan de hand van de thema’s en beoordelingscriteria uit het beoordelingskader van het OER. Basis voor de effectbeoordeling in het OER De referentiesituatie vormt het vertrekpunt voor de effectbeoordeling in het OER (hoofdstuk 4).
Effecten van nieuw beleid worden in termen van kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten beschouwd ten opzichte van de referentiesituatie. Zo ontstaat een beeld van de te verwachten impact van het nieuwe beleid, inclusief mate van invloed dat het nieuwe (strategische) beleid heeft op autonome trends en ontwikkelingen ten opzichte van het bestaande beleid. Tevens basis voor monitoring Gezien de onzekerheid over de wijze waarop het beleid uiteindelijk wordt uitgevoerd én onzekerheid over de implicaties die het beleid op lange termijn zal hebben voor de fysieke leefomgeving, is het belangrijk om gedurende de uitvoering van het beleid middels monitoring ‘de vinger aan de pols te houden’. Ook voor deze monitoring is het belangrijk om een beeld te hebben van de uitgangssituatie waartegen autonome ontwikkelingen en het optreden van effecten, kansen en risico’s kunnen worden afgezet. Deze beschrijving van de ‘foto van de leefomgeving’ biedt daarom ook een basis voor toekomstige monitoring.
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
18
Projectgerelateerd
3.2
Rad van de Leefomgeving
De kwaliteiten van de leefomgeving en de effecten van de Omgevingsvisie worden in beeld gebracht aan de hand van het beoordelingskader (zie tabel 2-1). Het beoordelingskader volgt de brede en integrale benadering uit de Omgevingswet [Aan de slag met de Omgevingswet, 2019]. Dit betekent dat naast de thema’s binnen de fysieke leefomgeving het beoordelingskader ook meer sociale thema’s bevat. Met een dergelijk breed beoordelingskader kan het OER daadwerkelijk bijdragen aan een goede weging van belangen in de Omgevingsvisie van de gemeente Zwolle. Het beoordelingskader is het resultaat van een analyse van opgaven in de fysieke leefomgeving, doelstellingen in bestaand beleid en afstemming met het proces van raadpleging over de beoogde reikwijdte en detailniveau (NRD) van het OER. De NRD bevatte een eerste aanzet voor het beoordelingskader. Voor dit OER is de nadere analyse uitgevoerd. Daarbij is van belang dat het beoordelingskader zowel toepasbaar is in de beoordeling van kwaliteiten van de leefomgeving en effecten van nieuw beleid, als voor de beoordeling van de mate van doelbereik. Die beoordeling is weergegeven in het Rad van de Leefomgeving (zie ook paragraaf 2.3). Dit Rad van de Leefomgeving is onderstaand weergegeven en bevat de beoordeling van de huidige situatie (wit vlak) en de beoordeling van de referentiesituatie.
Omdat het rad de beoordelingen in één beeld vangt, wordt het ook wel de foto van de leefomgeving genoemd. Twee verschillende referentiesituaties 2030 De beschrijving en beoordeling van de effecten van de alternatieven voor de stedelijke groei vindt plaats ten opzichte van de referentiesituatie. Dit is de situatie in het planjaar van de Omgevingsvisie (referentiejaar), bij voortzetting van het huidige beleid. In het geval van de Omgevingsvisie Zwolle is het referentiejaar 2030 gekozen. De referentiesituatie is de ruimtelijke urbane woningbouwinvulling op basis van het huidige vastgestelde gemeentelijk woningbouwbeleid tot 2030 op de locaties zoals aangegeven in figuur 3-1, dat stoelt op twee besluiten: 3. Woonvisie 2017: de bouw van 6.000 nieuwe woningen in de periode 2017-2027, waarvan 3.000 suburbaan in Stadshagen (reeds eerder beMERd), en 3.000 urbaan verdeeld over de stad. Hiervan zijn 3.000 woningen reeds gebouwd in de afgelopen drie jaren, en 3.000 woningen dus nog te bouwen in de periode 2020-2027 (gemiddeld 300 woningen per jaar). Omdat de referentiesituatie in 2030 wordt beoordeeld, wordt er voor dit OER vanuit gegaan dat dit bouwtempo wordt vastgehouden, waardoor het totaal aantal woningen tot 2030 4000 bedraagt (zie ook bijlage 3). Volgens de Woonvisie wordt 50% (2.000 woningen) urbaan gebouwd, dit is de (eerste) referentiesituatie voor het jaar 2030. 4.
Ontwikkelingsstrategie Wonen 2019-2024: een versnelde groei ten opzichte van de woonvisie door het blijven bouwen in het tempo van afgelopen jaren met gemiddeld 1.000 woningen per jaar tot het jaar 2029. De gemeente heeft dit op basis van verwachte globale plancapaciteit uitgewerkt naar een te verwachten aantal van circa 10.000 te bouwen woningen tot het jaar 2030. De hiervan circa 6.000 urbaan te bouwen woningen op een nu voorzien aantal van negen inbreidingslocaties (zie figuur 3-1) is de tweede referentiesituatie voor het jaar 2030. In beide gevallen betreft het vastgesteld beleid. In de NRD is aangegeven dat het verschil in effecten tussen beide situaties inzichtelijk zou worden gemaakt. Om deze reden worden ze beschouwd als twee verschillende referentiesituaties en zijn ze beide weergegeven in onderstaand Rad van de Leefomgeving. Onder het Rad van de Leefomgeving wordt per thema een toelichting gegeven op de beoordeling.
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
19
Projectgerelateerd
1. 2. 3. 4. 5. 6.
Spoorzone Weezenlanden Noord IJsselhallen Kamperpoort Singelkwartier Oosterenk
10. Binnenstad 11. Zwartewater zone 12. Zwartewater allee
Figuur 3-1: globale aanduiding (rood gearceerd) inbreidingslocaties tot 2030 (bron: gemeente Zwolle, februari 2020)
In de bijlage 3 is een toelichting opgenomen op de verwachte dichtheden op de verschillende locaties met daarbij enkele referentiebeelden die waar noodzakelijk ook in de effectbeoordeling worden gehanteerd.
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
20
Projectgerelateerd
Figuur 3-2: Rad van de Leefomgeving met de beoordeling van de huidige situatie en referentiesituaties zoals in de
volgende paragrafen beschreven (referentiesituatie 1 = woonvisie 2017, referentiesituatie 2 = ontwikkelstrategie)
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
21
Projectgerelateerd
3.3
Gezondheid
In deze paragraaf wordt ingegaan op criteria die betrekking hebben op gezondheid in de leefomgeving. Het betreft criteria die tot gezondheidseffecten kunnen leiden (luchtkwaliteit, geluid en veiligheid), maar ook een criterium dat gezondheidsbevorderend kan zijn (bereikbaarheid sport- en speelplekken). Er zijn nog meer criteria die de gezondheid kunnen beïnvloeden, maar deze komen ook bij andere thema’s aan de orde (bijvoorbeeld hittestress, recreatie en bodemkwaliteit). Hiermee wordt een dubbele beoordeling van hetzelfde criterium voorkomen. De gezondheidscriteria uit alle thema’s worden in hoofdstuk 5 samengebracht.
3.3.1
Beoordeling huidige situatie en referenties
Onderstaande tabel geeft samenvattend de beoordeling aan zoals deze vervolgens ook wordt beschreven voor het thema gezondheid. Beoordelingscriteria
Referentie 1
Referentie 2
Luchtkwaliteit
=
=
Geluidhinder
=
=
Omgevingsveiligheid
=
↘
Bereikbaarheid sport- en speelplekken
=
↘
3.3.2
Huidige situatie
Luchtkwaliteit
Huidige situatie Voor de effecten van luchtkwaliteit op de gezondheid van de mens wordt gekeken naar de uitstoot van fijnstof en roet. Het wegverkeer heeft hierin een grote rol. Roet (EC) is een verzamelnaam voor de zwarte koolstofdeeltjes met een diameter van 10 tot 300 nanometer. In Zwolle liggen de hoogste waarden rond (binnenstedelijke) hoofdwegen, de maximale waarde is 1,05 μg EC/m3 (Atlas Leefomgeving, 2017) op de Burgemeester van Rooijensingel. Voor roet bestaat geen wettelijke norm en de gemeente Zwolle heeft hierin geen doelstelling. Voor fijn stof (PM10) zijn Europese normen vastgesteld. In Nederland wordt vrijwel overal aan de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 (40 μg /m3) voldaan, ook in Zwolle. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft, op basis van gezondheidskundige overwegingen, advieswaarden geformuleerd die lager zijn dan de huidige grenswaarden (20 μg/m3 voor PM10). De maximale waarden in Zwolle (18,5 μg/m3 op de Burgemeester van Rooijensingel/Groot Wezenland, bron Atlas Leefomgeving, 2017) overschrijden ook deze waarde niet.
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
22
Projectgerelateerd
Figuur 3-3: Fijn stof concentratie in Zwolle (RIVM, 2017)
Referentiesituaties 2030 De afgelopen decennia zijn de concentraties fijn stof sterk gedaald, de dalende trend vlakt nu af. In stedelijke gebieden dalen de fijnstof concentraties niet of nauwelijks meer, terwijl dit wel wenselijk is. Het RIVM geeft aan dat het onzeker is of de daling van fijnstofconcentraties doorzet door het al dan niet doorzetten van elektrisch rijden, de mate van verschoning van de scheepvaart, de gevolgen van de energietransitie en met name internationaal beleid ten aanzien van industrie, scheepvaart en wegverkeer. Voor fijnstof wordt dus zowel aan de Europese normen als WHO-advieswaarden voldaan (Atlas van de leefomgeving). De verwachting is dat dit zo blijft in de autonome ontwikkeling. Door de toename van het aantal woningen zal het aantal verkeersbewegingen ook toenemen. Omdat de trend is dat er meer elektrisch wordt gereden, is de verwachting dat in beide referentiesituaties de toename niet leidt tot een effect op de luchtkwaliteit.
3.3.3
Geluidhinder
Huidige situatie Volgens de Atlas van de leefomgeving (2018) heeft in Zwolle 2,4% van de bevolking last van ernstige geluidhinder als gevolg van industrie en bedrijven, 6% last van wegverkeer op wegen waar het niet harder mag dan 50 km/uur en 3% van wegverkeer op wegen waar het harder mag dan 50 km/uur. Dit lagere percentage wordt veroorzaakt door het geringer aantal wegen waar harder dan 50 km/uur gereden mag worden, de hoofdwegen genereren wel de hoogste geluidsproductie. Deze Zwolse percentages van ernstig gehinderden door geluid zijn de hoogste waarden van de Overijsselse grote steden. In het Actieplan Geluid (2018) van Zwolle zijn 17 gemeentelijke locaties met 1.432 woningen aangemerkt als geluidhinderknelpunten, een groot deel langs hoofdwegen. Er is dus een aanzienlijk aantal knelpunten met betrekking tot geluid (Actieplan geluid). Daarnaast worden ook de WHO-advieswaarden2 op veel 2
WHO-advieswaarde voor wegverkeer: 53 dB Lden en 45 dB Lnight; WHO- advieswaarde voor railverkeer: 54 dB Lden en 44 dB Lnight
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
23
Projectgerelateerd
plekken in de stad niet gehaald (figuur 3-4). Dit komt voornamelijk door wegverkeer, maar ook rondom het spoor is de geluidsbelasting hoog.
Figuur 3-4: Geluidsbelasting Zwolle 2018 (Atlas Leefomgeving)
Referentiesituaties 2030 Door het uitvoeren van maatregelen uit het Actieplan neemt de huidige geluidhinder op de knelpuntlocaties af. De groei van verkeer en bedrijvigheid laat de hinder elders echter toenemen. In de autonome ontwikkeling wordt derhalve geen substantiële verandering van de situatie verwacht. Ondanks de verschillen tussen de beide referentiesituaties, is de verwachting dat beide situaties niet wezenlijk van elkaar verschillen waar het gaat om de verandering van de geluidbelasting.
3.3.4
Omgevingsveiligheid
Onder veiligheid vallen diverse vormen van veiligheid. Waterveiligheid heeft te maken met overstromingsrisico’s die in het kader van het Deltaprogramma aangepakt worden. Verkeersveiligheid voetganger en fietser wordt reeds in de indicator “Beloopbaarheid en befietsbaarheid” behandeld. Sociale veiligheid is sterk afhankelijk van de inrichting op de plek zelf (zicht, overzicht en toezicht) en minder van de structuur van de stad. Onder omgevingsveiligheid wordt hier verstaan de externe veiligheid: de kans op en bijbehorende effecten van een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Huidige situatie Gevaarlijke stoffen kunnen opgeslagen worden bij bedrijven, zoals LPG-tankstations of getransporteerd worden over de weg, het water, per spoor of door buisleidingen en luchthavens. Door Zwolle lopen enkele belangrijke transportroutes voor gevaarlijke stoffen: de A28 en de N35, de IJssel, de spoorlijnen vanaf de 24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
24
Projectgerelateerd
IJsselbrug en naar Deventer, Hardenberg en Meppel en enkele buisleidingen voor gastransport. Daarnaast zijn er diverse inrichtingen op bedrijventerreinen en LPG stations langs hoofdwegen. Er zijn in de huidige situatie geen knelpunten conform de risicokaart.
Figuur 3-5: Externe veiligheidsrisico's (risicokaart.nl)
Referentiesituaties 2030 Door de aanwezigheid van transportroutes door de stad hebben diverse nieuwe binnenstedelijke bouwlocaties mogelijk te maken met maatregelen (bijvoorbeeld afstanden tot de route) als sprake is van kwetsbare groepen en/of grotere groepen. Het gaat dan om de Spoorzone, Zwartewaterallee, IJsselhallen en de Kamperpoort. In de Referentiesituatie 1 is de omvang en daarmee de kans op een toename van het groepsrisico beperkt. In Referentiesituatie 2 gaat het om duidelijk grotere aantallen waardoor er een zeker risico is op een toename. Dit is tenminste een aandachtspunt omdat langs diverse transportroutes wordt ontwikkeld.
3.3.5
Bereikbaarheid sport- en speelplekken
Huidige situatie Een gezonde, leefbare en veilige leefomgeving is als doel verankert in de maatschappelijke doelstelling van de Omgevingswet, en daarmee vanzelfsprekend onderdeel van de omgevingsvisie. Hierbij hoort ook dat er in de nabije omgeving van woonwijken, scholen en werklocaties voldoende mogelijkheid is om te bewegen en dat deze mogelijkheden uitnodigend zijn. De nabijheid van aantrekkelijke sport en speelplekken is van belang om mensen voldoende te laten bewegen, essentieel voor een gezonde en vitale samenleving.
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
25
Projectgerelateerd
Met veel groen, sportparken en recreatieplassen is Zwolle een goede plek voor buitensporten. Voor overdekte sporten heeft Zwolle voldoende sporthallen, commerciële fitnesscentra en faciliteiten voor aangepaste sporten. Zwolle had in het jaar 2017 26,3 sportaccommodaties per 10.000 inwoners. Dit is relatief hoog voor sterk stedelijke gebieden als Zwolle (18,7 gemiddeld in Nederland, bron sportenbewegenincijfers.nl). De sportinfrastructuur in Zwolle is dus goed op orde. Op een 5 puntschaal voor een beweegvriendelijke omgeving (met zaken als nabijheid sport- en speelplekken en wandel- en fietsroutes en buitengebied) scoort Zwolle in 2017 een 3,1, ook dit is hoger dan het landelijk gemiddelde (2,48) voor sterk stedelijke gebieden. Alleen op de nabijheid van het buitengebied scoort Zwolle relatief laag (1,5 ten opzichte van 1,89 landelijk). In het Buurt voor buurt onderzoek van de gemeente (2018) is de nabijheid van sport- en speelplekken ook onderzocht. Van de buurten waar de urbane woningbouw is voorzien, scoren met name Hanzepoort en de buurten in de binnenstad minder goed dan andere buurten van Zwolle. Kortom, er is een voldoende gedifferentieerd aanbod van sport- en speelplekken en de bereikbaarheid is meer dan gemiddeld volgens de inwoners van Zwolle.
Aandachtspunt is de bereikbaarheid van buitengebied en de lagere score voor de bereikbaarheid van sport- en speelplekken in Hanzeland en de buurten in de Binnenstad. Referentiesituaties 2030 Om de bereikbaarheid van sport- en speelplekken in Hanzeland en de buurten in de Binnenstad te verbeteren wordt het Engelenpad gerealiseerd, een verbinding tussen de binnenstad en Hanzeland naar het Engelse werk. Verder verandert er autonoom weinig aan de situatie. Het is niet duidelijk of de verdichting in de wijken van Referentiesituatie 1 verbetering op het gebied van bereikbaarheid van sport- en speelplekken betekent. In Referentie 2 ontstaat door een verdere verdichting een risico op verslechtering. Door het (nog) ontbreken van concrete aandacht aan deze voorzieningen bij inbreiding is het onduidelijk of de situatie daadwerkelijk verslechterd.
3.4
Wonen
3.4.1
Beoordeling huidige situatie en referenties
Onderstaande tabel geeft samenvattend de beoordeling aan zoals deze vervolgens ook wordt beschreven voor het thema wonen. Beoordelingscriteria
Referentie 1
Referentie 2
Ruimte voor recreatie
=
=
Kwaliteit woonomgeving
↘
↘
Nabijheid voorzieningen
↗
↘
Vraag/aanbod woningvoorraad in balans
↘
=
Leefbaarheid
↗
↗
Functiemenging
=
↗
24 juni 2020
Huidige situatie
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
26
Projectgerelateerd
3.4.2
Ruimte voor recreatie
Huidige situatie Zwolle heeft een aantrekkelijke historische binnenstad met een ruim aanbod aan winkels, horeca en voorzieningen. Daarnaast heeft Zwolle een aantrekkelijk buitengebied met diverse recreatiemogelijkheden van rustig wandelen en fietsen tot intensiever gebruikte locaties als de Wijthmenerplas, Agnietenplas en Milligerplas. De ligging aan de IJssel, het Zwarte Water en de Overijsselse Vecht maakt Zwolle aantrekkelijk voor watersporters. Op een 5 puntschaal voor een beweegvriendelijke omgeving scoort Zwolle voor de deelindicator nabijheid buitengebied (bos, heide en zand/strand) in 2017 relatief laag (1,5 ten opzichte van 1,89 landelijk in sterk stedelijke gebieden, bron: sportenbewegenincijfers.nl). Dit komt vooral door de geringe aanwezigheid van de onderzochte typen buitengebied. Het buitengebied van Zwolle kenmerkt zich juist door andere type landschappen die toeristisch recreatief ook interessant zijn: het coulissenlandschap en het rivierenlandschap (IJssel en de Vecht). Het aanwezige buitengebied is zonder belemmeringen goed bereikbaar doordat Zwolle een relatief compacte stad is. In het Buurt voor buurt onderzoek van de gemeente (2018) is onder andere de nabijheid van winkels, horeca, wijk- en ontmoetingscentra en culturele voorzieningen onderzocht. Over het algemeen scoren de centraal gelegen wijken hierin beter dan de wijken aan de randen van de stad.
Van de locaties waar woningverdichting is gepland scoren de buurten Wezenlanden, Kamperpoort en Binnenstad hoger dan gemiddeld. De overige scoren gemiddeld. Zwolle heeft een aanzienlijk percentage stedelijk groen en water (zie paragraaf 3.5.2), wat ook bijdraagt aan de recreatiemogelijkheden in de stad. Het beleid van de gemeente is erop gericht om de ruimte voor recreatie te bestendigen en te verbeteren, en de recreatieve mogelijkheden goed toegankelijk te maken. In de huidige situatie is er voldoende gedifferentieerd aanbod van goed bereikbare kwalitatief goede recreatiemogelijkheden, zowel binnen als buiten de kom. Het buitengebied is goed bereikbaar. Referentiesituaties 2030 In de autonome ontwikkeling zal dit niet of nauwelijks veranderen ervan uitgaande dat ook in de nieuwe ontwikkelgebieden functiemenging wordt toegepast zodat hier ook nieuwe recreatiemogelijkheden ontstaan. Referentie 1 en 2 zijn hierin nauwelijks onderscheidend. Hoewel met een grotere toename de draagkracht voor de voorzieningen groter is, zijn de verschillen per wijk relatief gering.
3.4.3
Kwaliteit woonomgeving
Huidige situatie De stad Zwolle en haar natuurlijke omgeving is van grote kwaliteit. De historisch betekenisvolle stad zorgt voor een sterke identiteit en een gezamenlijke trots en daarbij ook bewustzijn dat al dat moois gekoesterd en in stand moet worden gehouden. De eigenheid van de plek wordt zo steeds meer een leidend en inspirerend principe bij (ruimtelijke) ontwikkelingen. De kwaliteit van de woonomgeving is hoog. In het Buurt voor buurt onderzoek van de gemeente (2018) is onder andere de ervaring onder de inwoners over de fysieke woonomgeving onderzocht. Van de urbane ontwikkellocaties had met name Kamperpoort een lager dan gemiddelde score op woningen (aandeel sociaal, kwaliteit en tevredenheid woonomgeving) en voorzieningenniveau (hoeveelheid, onderhoud en beheer van de fysieke voorzieningen). Sinds de meting in 2018 zijn in Kamperpoort diverse verbeteringen uitgevoerd die leiden tot een verdere transformatie van de wijk: bouwplannen zijn gerealiseerd of in uitvoering en delen van de openbare ruimte zijn heringericht.
24 juni 2020
OER OMGEVINGSVISIE ZWOLLE
BG9815TPRP2004011733
27
Projectgerelateerd
Referentiesituaties 2030 De verdere verdichting van de stad en intensiever (ruimte)gebruik van de infrastructuur kan ten koste gaan van de kwaliteit van de openbare ruimte, maar kan ook een verbetering van deze kwaliteit leveren. Het is sterk afhankelijk van de wijze van invulling hiervan. De verdere verdichting van de stad brengt zowel kansen als risico’s met zich mee: nieuwe elementen kunnen bij een zorgvuldige inpassing de ruimtelijke kwaliteit versterken, maar kunnen deze ook op diverse manieren verminderen. Met name in de wijk Kamperpoort (waar de locatie IJsselhallen ook onderdeel van is) kan verdichting door herontwikkeling een kwaliteitsverbetering geven, mits in de fysieke woonomgeving ook een duidelijke kwaliteitsslag gemaakt wordt en dit als integrale ontwerpopgave wordt meegenomen bij de herontwikkeling. Voor de locatie Singelkwartier geldt dit in mindere mate ook voor de fysieke voorzieningen en in de Binnenstad voor de openbare ruimte (waaronder gebrek aan groen en parkeren en hinder van overlast gevende voorzieningen). Omdat dit nog niet concreet in plannen of beleid is vastgelegd, wordt dit in de beoordeling als een risico is gezien in beide referentiesituaties.