2a voorontwerp Buitengebied - Herfte, Wijthmen, cultuurhistorie_voorontwerp
Tekst van het document
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
lichte klei. Verder van de bedding van de rivier, waar het water minder hard stroomde of zelfs lange tijd stagneerde, kwamen de kleinere deeltjes tot bezinking. Dit fijnere materiaal (de komklei) bezonk in de laag gelegen terreinen, zoals de Polder Sekdoorn en het Lierder- en Molenbroek.
Dekzandruggen in de gemeente Zwolle.
8
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
De IJssel voerde haar water af naar het westen, naar het grote veen- en plassengebied van het Almere, het huidige IJsselmeergebied. Het ontstaan van de Zuiderzee en de verdere uitbreiding ervan had vooren nadelen. Voordeel was dat de ontwatering van het gebied verbeterde doordat de IJssel, de Vecht en het Zwarte Water hun water over het algemeen beter kwijt konden. Nadeel was dat het water in de Zuiderzee bij noordwesterstormen flink kon stijgen, waardoor de rivieren hun water niet meer konden afvoeren en er overstromingen optraden. Nieuwe afzetting van klei was het gevolg, totdat men de rivieren van dijken ging voorzien. De regelmatige overstromingen waren hiermee ten einde gekomen, maar de vele wielen bij de dijken getuigen ervan dat er in de loop van de geschiedenis tal van dijkdoorbraken zijn voorgekomen. Een bijzonder aardkundig fenomeen is de Schellerwade, een langgerekt water aan de binnenkant van de IJsseldijk. De vorm verraad dat we hier niet met een wiel te maken hebben: die zijn over het algemeen rond of ovaal, en niet zo langgerekt. De oorsprong van de Schellerwade is nog niet helemaal duidelijk. Mogelijk is het een oude bedding van de IJssel, maar waarschijnlijker is het dat de wade is ontstaan door een natuurlijke doorbraak van de hogere gronden langs de rivier, in de tijd dat er nog geen dijk lag.
Bij zo’n natuurlijke doorbraak ontstaat geen diep gat, zoals bij een dijkdoorbraak, maar een lange geul. Bodemkundigen noemen dit een crevassegeul. Dergelijke geulen zijn zeldzaam; ze komen maar op enkele plaatsen in het land voor.
De Schellerwade.
Ten noorden van de Vecht ontstonden in de loop van het holoceen moerassen waar veen tot ontwikkeling kwam. De veenlagen konden een dikte bereiken van enkele meters. Aan de randen van dit veengebied lagen natte broekbossen, zoals het Haersterbroek. Zo ontstond er in het huidige grondgebied van Zwolle een afwisselend landschap met hoogvenen, zandruggen, laaggelegen vlakke komgebieden met een klei- of veenbodem, zandige beekafzettingen en – na de bedijking – afzettingen van zand- en kleilagen in de uiterwaarden. Het gebied werd doorsneden door de Overijsselsche Vecht, het Zwarte Water, de Grote en Kleine Aa en de Westerveldse Aa, die vroeger wellicht een oude loop van de Vecht is geweest (Kuijer en Rosing, 1994). 9
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
4. Bewonings- en ontginningsgeschiedenis
Het gevarieerde landschap, de grote waterrijkdom met droge zandheuvels bij de rivieren heeft al vroeg aantrekkingskracht uitgeoefend op mensen, die er zich tijdelijk of permanent vestigden. De oudste vondst is een ongeveer 35.000 jaar oude vuurstenen vuistbijl die te voorschijn kwam bij zandwinning langs de Vecht (Ten Hove, 2005).
4.1 Prehistorie en Romeinse tijd In Zwolle en in de omgeving zijn vondsten bekend uit het mesolithicum (midden steentijd) en het neolithicum (nieuwe steentijd). Neolithische vondsten zijn gedaan in Windesheim, Spoolde en Wijthmen. De zandruggen tussen Windesheim en Spoolde werden bewoond door boeren uit de bronstijd (1800800 voor Chr.). Ook in Ittersumerbroek is bewoning uit de bronstijd aangetoond. Bij een opgraving die aan de bouw van de nieuwe wijk vooraf ging zijn paalgaten van verschillende boerderijen gevonden (Verlinde, !993). Deze boerderijen lagen op een zandrug, die later is overdekt met een laag rivierklei die afgezet is door de IJssel. Opmerkelijk waren de sporen van paalcirkels, door sommige onderzoekers geïnterpreteerd als de houten equivalenten van steencirkels als Stonehenge. Tabel 1 Overzicht van de archeologische periodes Nieuwe tijd Late middeleeuwen Vroege middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd Bronstijd Neolithicum (jonge steentijd) Mesolithicum (midden steentijd) Paleolithicum (oude steentijd)
1500 na Chr. – heden 1000 – 1500 na Chr. 450 – 1000 na Chr. 0 – 450 na Chr. 800 voor Chr. – 0 1800 – 800 voor Chr. 4000 – 1800 voor Chr. 8000 – 4000 voor Chr. ouder dan 8000 voor Chr.
De hoger gelegen zandgronden van Berkum en Langenholte zijn in ieder geval in de ijzertijd en de perioden erna bewoond geweest (schriftelijke mededeling van Hemmy Clevis, 2001). Op de zandrug van Langenholte, ter hoogte van De Kamp, zijn tijdens graafwerkzaamheden onder andere aardewerk en een voorraadkuil aangetroffen. De aanwezigheid van deze sporen doet vermoeden dat er een nederzetting heeft gelegen. De Kamp leverde nog meer vondsten op: in 1998 werden er twee mantelspelden uit de vroege middeleeuwen gevonden. Ook in het centrum van Zwolle zijn vondsten uit deze periode bekend. Bij de aanleg van een nieuwe weg naar de Wijthmenerplas zijn op de zandrug van Zalne sporen gevonden van een nederzetting uit de Romeinse tijd. Er werden enige honderden aardewerkscherven en een waterput gevonden, die erop wijzen dat er in de tweede of derde eeuw na Chr. een huis of boerderij moet hebben gestaan. Uit deze voorbeelden mag duidelijk zijn dat het landschap van de gemeente Zwolle al vroeg bewoond is geweest. Deze oude bewoning heeft echter weinig invloed gehad op de inrichting en vormgeving van het huidige landschap. Die kwam pas – langzaam, stukje bij beetje – tot stand vanaf de vroege middeleeuwen, de tijd van Karel de Grote.
10
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Zwolle in de zeventiende eeuw.
4.2 Middeleeuwen en nieuwe tijd Op veel plaatsen in ons land nam het aantal bewoners na de Romeinse tijd sterk af. Waarschijnlijk geldt dit ook voor Salland. Naderhand, in de vroege middeleeuwen, steeg het aantal inwoners in de IJsselstreek geleidelijk. In het kielzog van Deventer groeide Zwolle uit tot een belangrijke handelsplaats. Door de ontwikkeling van de stad veranderde ook het landelijke gebied. Aanvankelijk kon de bevolking van de stad gevoed worden door de voedselproductie in de stad en in de onmiddellijke omgeving. In en rond de stad lagen de tuinen, akkers en weilanden van de boeren die nog grotendeels in de stad woonden. Toen de bevolking verder toenam ging men over tot intensievere benutting van de gronden die tot die tijd niet of zeer extensief waren gebruikt. Laaggelegen gebieden als de Polder Mastenbroek, de Polder Sekdoorn en de Mars bij Herfte werden in de dertiende en veertiende eeuw ontgonnen. Het specifieke landbouwsysteem van de zandgronden deed zijn intrede in het gebied. Men legde akkers aan op de meest gunstige plaatsen op de dekzandruggen. De natte dalvormige laagten werden gebruikt als weide en hooiland en hier en daar lagen kleine heidevelden. De heidevelden en andere onontgonnen gronden waren noodzakelijk voor de bedrijfsvoering. Hier liet men het vee grazen en hier werden plaggen gestoken die met de stalmest werden vermengd.
In het voorjaar werd de mest op de akkers gebracht om de productie van – vooral – rogge te vergroten.
11
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
De stad Zwolle Op de langgerekte zandrug, op een plaats waar een aantal kleine beken zich verenigden tot de Aa, die later de naam Zwarte Water kreeg, ontstond de stad Zwolle. Wanneer de eerste bewoners op deze plek neerstreken weten we niet, maar in ieder geval bestond Zwolle al in de negende eeuw. In de elfde eeuw was de nederzetting kennelijk al zo uitgegroeid dat er een kerk gebouwd werd. De bisschop van Utrecht verleende Zwolle stadsrechten in 1230. Zwolle ontwikkelde zich tot een handelsstad. De ligging was gunstig: waterwegen en landwegen kwamen hier bij elkaar. De Vecht was ongeveer tot de huidige grens met Duitsland bevaarbaar; via het Zwarte Water voer men de Zuiderzee op en kon men het uitgebreide achterland bereiken, het Oostzeegebied, waarop de belangrijkste handel van de Nederlandse hanzesteden zich concentreerde. Over land liep er een belangrijke Hessenweg naar het oosten. Behalve handelsstad was Zwolle ook een belangrijk religieus centrum. Tal van kloosters bevonden zich in de stad en in het buitengebied De jonge stad ontwikkelde zich zo voorspoedig dat er een flinke uitbreiding plaatsvond in 1324. Toen is ook de aarden omwalling vervangen door de eerste stenen stadsmuur.
Aan de verdediging werd daarna nog het nodige gedaan: de Sassenpoort dateert van 1409 en de restanten van de verdedigingswerken aan de Waterstraat/Buitenkant stammen uit het eind van de vijftiende eeuw. In de veertiende en vijftiende eeuw kende Zwolle een periode van grote welvaart. Behalve de Sassenpoort werden onder andere de Grote Kerk en de Broerenkerk gebouwd. In de Tachtigjarige Oorlog, omstreeks 1590, is de stad opnieuw versterkt. Er werden elf bolwerken aangelegd, met brede singels eromheen, om de stad te kunnen verdedigen tegen vijandelijk vuur. Bovendien legde men een verdedigingslinie aan tussen de stad en de IJssel, die met vier schansen werd versterkt en waaraan later nog het huidige Engelse Werk is toegevoegd.
De verdedigingslinie tussen de stad en de IJssel (het noorden is beneden). Van de linie zelf is weinig bewaard gebleven, omdat hier in 1819 de Willemsvaart is aangelegd. Alleen de meest zuidelijke schans, het Nieuwe Werk (rechtsboven op de kaart) is bewaard gebleven: het staat nu bekend onder de naam het Engelse Werk.
In de zeventiende eeuw vond uitbreiding van het stedelijk gebied plaats: het deel ten noorden van de Thorbeckegracht is toen bij de stad gevoegd. In 1790 werd de vesting Zwolle opgeheven. De wallen en bolwerken zijn omgevormd tot plantsoenen in landschapsstijl volgens plannen van H. van Lunteren. Ook de verdedigingswerken buiten de stad, tussen Zwolle en de IJssel, verloren hun militaire functie. Het Nieuwe Werk, een schans die in 16981701 op advies van vestingbouwer Menno van Coehoorn is aangelegd, werd in 1828 omgevormd tot een wandelpark in de Engelse landschapsstijl. Sindsdien staat dit park bekend als het ‘Engelse Werk’. De economische situatie van Zwolle veranderde in de negentiende eeuw. De internationale handel bereikte na de Franse tijd niet meer de omvang van daarvoor. Om de handel nieuwe impulsen te geven zijn nieuwe kanalen aangelegd: de Willemsvaart in 1819 (de verbinding van Zwolle met de IJssel), het Lichtmiskanaal in 1832 (waardoor de stad een verbinding kreeg met de Dedemsvaart) en het Overijsselsch Kanaal (kanaalvak Zwolle-Almelo) in 1855. Ondanks al deze inspanningen werd het
12
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
transport over het water steeds minder belangrijk. In de tweede helft van de negentiende eeuw verschoof het accent in de richting van het transport per spoor. Het landelijke gebied Rondom de stad strekte het landelijke gebied zich uit. Ten noorden van de stad, tussen het Zwarte Water en de Vecht bevinden zich Brinkhoek, Berkum, Langenholte en de verdwenen buurtschap Dieze. Aan de overkant van de Vecht liggen Haerst en Bruggenhoek, genoemd naar de brug die hier al in de vijftiende eeuw over de Vecht lag. Ten oosten van de stad vinden we Zalné, Veldhoek, Herfte en Wijthmen, in het zuiden Ittersum, Windesheim, Harculo, Oldeneel en Schelle. Ten westen van Zwolle tenslotte de buurtschappen Spoolde, Voorst en Westenholte. We mogen veronderstellen dat de indeling in de verschillende buurtschappen voor een belangrijk deel al voor het jaar 1000 tot stand kwam. Dat wil echter niet zeggen dat er toen veel mensen woonden, of dat het hele gebied al in gebruik was genomen door de boeren die er toen leefden. Wel was het zo dat men dezelfde plaatsen uitkoos om te gaan wonen als vele eeuwen later nog steeds het geval was: op de hoge zandruggen. Pas bij de grote uitbreidingen van Zwolle in de twintigste eeuw werden ook de lage delen van het terrein als woon- en werkgebied ingericht; voor die tijd bleef men de hogere ruggen trouw.
De laaggelegen gronden waren aanvankelijk te drassig om er intensief gebruik van te kunnen maken. Pas omstreeks 1300 werden de Polder Sekdoorn, het Lierder- en Molenbroek en het Zuthemerbroek ontgonnen (Zeiler, 1996). De ontginningen hangen nauw samen met de aanleg van de grote Sallandse weteringen. Door deze weteringen verbeterde de afwatering van het gebied ten zuiden van de stad aanzienlijk. Sluitstuk van de middeleeuwse agrarische ontginningen was de inrichting van de polder Mastenbroek in de periode 1360-1370. Op de zandruggen lagen de boerderijen en de akkers, terwijl de lagere delen werden gebruikt als weiland en hooiland. Hier werden ook plaggen gestoken voor de bemesting van het bouwland, want de zandruggen waren wel droog, maar ook weinig vruchtbaar. De boeren mengden de plaggen met stalmest om de productiviteit van de akkers te vergroten. Er bestond een evenwicht tussen de individuele akkers en de gemeenschappelijk gebruikte gronden, de weiden, hooilanden en de – in dit gebied schaarse – heidevelden. Om de boeren in de buurtschappen te beschermen tegen nieuwkomers, die het evenwicht door nieuwe ontginningen zouden kunnen verstoren, werden er marke-organisaties opgericht. In deze marken werden de gebruiksrechten van de boeren op de gemeenschappelijke gronden geregeld, bijvoorbeeld hoeveel koeien en schapen er geweid mochten worden.
Bovendien legde men bepalingen vast over het onderhoud van wegen, dijken, kades en waterlopen. De marke Suolle kreeg in 1230 stadsrechten en ontwikkelde zich al snel tot een flinke stad. Zwolle werd omgeven door een krans van marken: Dieze, Langenholte, Berkum, Haerst, Genne en Holten, Zalne, Wijthmen, Herfte, Zuthem, Windesheim, Harculo, Ittersum, Oldeneel, Schelle, Assendorp, Spoolde, Voorst en Westenholte en tenslotte Mastenbroek. De marken in deze omgeving onderscheidden zich van bijvoorbeeld de Twentse marken doordat er veel minder gemeenschappelijke gronden waren. En voor een deel werden deze gronden ook al snel verdeeld; zo verkocht de marke Assendorp de laatste gemeenschappelijke bezittingen al in 1648. In Twente, maar ook in andere delen van Salland vond de verdeling van de markegronden pas in de negentiende eeuw plaats. Uiteindelijk zijn de markeorganisaties verdwenen: gemeenschappelijke gronden werden verkocht of verdeeld onder de rechthebbenden, en de verantwoordelijkheid voor wegen en waterlopen werd ondergebracht bij de gemeente of het waterschap. Opvallend is de grote invloed die de stad Zwolle op zijn omgeving heeft uitgeoefend. Zo heeft – behalve Windesheim – geen van de buurtschappen zich tot een zelfstandig kerkdorp kunnen ontwikkelen: men
13
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
kerkte in de stad. Ook bestuurlijk had de stad het nodige te vertellen op het omringende platteland: het stadsbestuur had in de middeleeuwen de bevoegdheid om de rechter of schout van het schoutambt Zwolle te benoemen. Dit schoutambt besloeg het huidige buitengebied van de gemeente. De invloed van de stad komt bovendien tot uiting in de vele landgoederen en buitenplaatsen van rijke Zwollenaren en het grondbezit van stedelijke instellingen. Deze invloed is in de loop der tijden alleen maar groter geworden, zeker nu de stad zich de afgelopen halve eeuw over een groot deel van het platteland heeft uitgebreid.
4.3 Recente ontwikkelingen
In de tweede helft van de vorige eeuw zijn in de omgeving van Zwolle ruilverkavelingen uitgevoerd, waarbij de agrarische productieomstandigheden werden verbeterd door de percelen van boeren bijeen te brengen, nieuwe boerderijen te bouwen en de waterbeheersing te verbeteren. Veel landschapselementen als houtwallen en meidoornsingels zijn verdwenen en de verschillen tussen kleinschalige gebieden en grotere open ruimtes zijn voor een deel verloren gegaan. In het kader van de ruilverkaveling Mastenbroek, uitgevoerd in de jaren ’70 van de twintigste eeuw, zijn de percelen vergroot, is de waterhuishouding aangepast en zijn diverse nieuwe boerderijen gebouwd. Grote veranderingen hebben zich na de Tweede Wereldoorlog voorgedaan door de uitbreiding van Zwolle. De groei van de stad was al in de negentiende eeuw op gang gekomen, maar kreeg na 1950 nieuwe impulsen. De samenvoeging van de gemeenten Zwolle en Zwollerkerspel maakte de aanleg van grote nieuwbouwwijken mogelijk.
Het uitbreidingsplan van Dudok en Kraayenhagen (1949).
Een belangrijke factor in de groei van Zwolle was de vestiging van de Centrale Werkplaats van de Staatsspoorwegen in 1870. De vele mensen die hier werk vonden werden voor een belangrijk deel 14
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
gehuisvest in Assendorp, dat in die tijd geweldig uitbreidde. De sluiting van deze werkplaats, in de jaren ’30 van de vorige eeuw, luidde een periode in van grote werkloosheid. De slechte economische toestand van de stad leidde ertoe dat de Utrechtse geograaf prof. L. van Vuuren werd gevraagd een onderzoek in te stellen. In 1939 bracht deze een omvangrijk rapport uit: ‘Rapport betreffende een onderzoek naar de welvaartsbronnen van de gemeente Zwolle’. Hierin heeft hij zijn ideeën uiteengezet over de ontwikkeling van de stad, bijvoorbeeld het creëren van ‘groene longen’, groengebieden die vanuit het landelijke gebied diep de stad binnen dringen. Dit ontwerpprincipe is in Zwolle op verschillende schaalniveaus toegepast: in de Wezenlanden en langs de Westerveldse Aa als forse groengebieden op stedelijk niveau, in tal van wijken op wat kleinere schaal. In de twintigste eeuw groeide de bevolking van de stad van 34.000 in 1909 tot meer dan 100.000 inwoners nu. Aanvankelijk werd de uitbreiding van de bebouwing gevonden in de (bestaande) wijken Kamperpoort, Diezerpoort en Assendorp. In het begin van de twintigste eeuw zijn de wijken Veerallee, Wipstrik, Pierik en Zeeheldenbuurt aangelegd. Na de Tweede Wereldoorlog werd duidelijk dat de groei van de stad nog verder zou doorzetten. In 1949 maakten W.M. Dudok en A. Kraayenhagen een structuurplan voor de verdere uitbreiding.
In dit plan is uitgegaan van uitbreiding in noordelijke richting en in het huidige Zwolle-Zuid. Dit plan werd als niet realistisch gezien en de heren werden bedankt voor de moeite. Prof. S.J. van Embden werd in de arm genomen. Zijn plan uit 1956 zou de basis vormen voor de noordelijke uitbreidingen van de stad: de wijken Holtenbroek en Aa-landen. Uiteindelijk werden toch ook de zuidelijke wijken gerealiseerd, zoals Dudok en Kraayenhagen al hadden voorgesteld. De meest recente stedelijke ontwikkeling vindt plaats in Stadshagen, aan de westkant van het Zwarte Water, en in de Haerster Markte, waar een bedrijventerrein wordt gerealiseerd. Bij de uitbreidingen van de stad zijn bijna overal scherpe overgangen gecreëerd tussen de stad en het platteland. Vaak is gebruik gemaakt van een nieuwe waterloop om de grens tussen beide te bepalen. Een moderne stadsbuitengracht, als het ware. De enige plaats waar de stad en het landelijke gebied niet duidelijk van elkaar gescheiden zijn is de oostkant, in de omgeving van Herfte en Brinkhoek. Hier gaat het platteland op een geleidelijke manier in de stad over. Grens tussen de stad en het landelijke gebied in de Aa-landen.
Het landelijke gebied in de gemeente is dus bijna overal sterk verweven met stedelijke aspecten. De aard van deze verweving is echter van plaats tot plaats verschillend. In sommige gevallen is de invloed van de stad merkbaar door het steeds groter wordende aandeel van niet-agrarische bewoners, die vrijkomende boerderijen kopen. De omgeving van Herfte en Brinkhoek zijn hier voorbeelden van. Erf en gebouw veranderen daardoor meestal sterk van karakter. In andere gevallen zijn de buurtschappen wel agrarisch gebleven en is de invloed van de verstedelijking beperkt gebleven. Dit is met name in Langenholte, Haerst, Windesheim, Harculo en Oldeneel het geval.
15
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Het landelijke gebied bij Windesheim. Op de voorgrond de Zandwetering, op de achtergrond de voormalige havezate Zuthem.
We kunnen stellen dat er veel is veranderd op het platteland van Zwolle. De stad en de ermee samenhangende infrastructuur zijn op vrijwel iedere plek hoorbaar, zichtbaar en merkbaar. Toch heeft het landelijke gebied van de gemeente verschillende kenmerken behouden die het agrarische verleden laten voortleven en die laten zien hoe men het landschap in vroeger tijden heeft ingericht en gebruikt. Zoals in de esdorpen Haerst en Langenholte. Zoals ook in het Zuthemerbroek en de Molenpolder bij Windesheim, het broekgebied ten oosten van Herfte en het Haersterbroek. Dit zijn laaggelegen gebieden, waar vanouds weinig of geen boerderijen stonden en die ook nu nog door hun rust en weidsheid een mooi contrast vormen met de drukte en de beslotenheid van de stad. Een ander kenmerk van het landbouwverleden zijn de vele boerderijen die de gemeente sieren, soms nog in functie als boerenbedrijf, meestal echter bewoond door burgers en soms helemaal in het stedelijke weefsel opgenomen.
16
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
5. Zwolle en de landbouw
Er was vroeger – meer dan tegenwoordig het geval is – een sterke samenhang tussen het boerenbedrijf en het omringende landschap. De wijze waarop het land door de boeren werd gebruikt was afhankelijk van de terreinomstandigheden, zoals waterhuishouding en bodemvruchtbaarheid. De akkers lagen op hogere kopjes dicht bij de boerderij, de lagere delen werden gebruikt als weiland of hooiland. Onontgonnen gronden, zoals heidevelden en grasland, werden gemeenschappelijk gebruikt. In het boerenbedrijf stond de veeteelt in dienst van de akkerbouw. Het voedsel voor mens en dier werd geproduceerd op de akkers, de dieren leverden de mest die nodig was voor de gewassen op de akkers. De akkers lagen vaak bijeen in grotere complexen, die essen of enken worden genoemd. De bodem van de akkers bestaat uit enkeerdgronden. Deze zijn ontstaan door eeuwenlange bemesting met potstalmest, die vermengd werd met heideplaggen, grasplaggen of bosstrooisel. Door het opbrengen van zoveel organische bestanddelen kreeg de bodem een donkere kleur. Wanneer het opgebrachte dek meer dan 50 cm dik is, wordt de bodem door bodemkundigen tot de enkeerdgronden gerekend. Wanneer het opgebrachte dek minder dan 50 cm dik is spreekt men van laarpodzolgronden. Doordat er bij Zwolle alleen maar smalle dekzandruggen voorkomen zijn hier geen grote escomplexen ontstaan.
De essen van Wijthmen en Herfte bijvoorbeeld zijn bescheiden bouwlandcomplexen, net als de Haerster Esch tussen Arnichem en Huize Den Doorn. Op andere plaatsen lag een mozaïek van graslanden en kleine bouwlanden of kampen, afhankelijk van de waterhuishouding en de bodemgesteldheid ter plekke.
Wijthmen is een mooi voorbeeld van een esdorp, met de Stramp Esch aan de westkant en de Wijthmer Esch aan de oostkant. Chromotopografische kaart van omstreeks 1900.
Markegenootschappen In de loop van de late middeleeuwen ontstonden de marken of markegenootschappen. De marken werden opgericht om de woeste gronden – essentieel voor de landbouw in die tijd – te beschermen. 17
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Deze bescherming was nodig door de toename van de bevolking in de loop van de twaalfde eeuw. De toen aanwezige boerenbevolking sloot zich aaneen in markegenootschappen om nieuwkomers te weren. Elke boer had een waardeel in de marke: een evenredig recht om vee te weiden en plaggen te steken op de gemeenschappelijke markegronden. Dit waren de slechtere graslanden, de heidevelden, de venen en de bossen. De markegronden waren heel belangrijk. Zij vormden aanvullende weidegronden voor het vee, dat onvoldoende voedsel kon vinden op de betere weilanden die wel privébezit waren. Het vee was een belangrijke mestleverancier voor de bouwlanden. De mest werd vermengd met plaggen die op de gemeenschappelijke gronden werden gestoken. De markegenoten bemoeiden zich niet alleen met de zaken die de landbouw aangingen. De marke behartigde ook de buurtschapbelangen, zaken die alle bewoners aangingen, zoals de school, de brandweer, het onderhoud van wegen, waterlopen en bruggen. In de negentiende eeuw zijn de marken opgeheven.
Boerderij aan de Brink van Langenholte.
Polder Mastenbroek
Een geval apart was Mastenbroek. Dit gebied, dat ingeklemd ligt tussen de IJssel, het Zwarte Water en het Ganzendiep, is pas ontgonnen in de veertiende eeuw. Dit is vergeleken met andere laagveengebieden vrij laat. De reden voor de late ontginning is het feit dat Mastenbroek lange tijd betwist gebied was. Rond 1200 maakten er drie partijen aanspraak op: • de bisschop van Utrecht, die als landsheer zijn invloed in het Oversticht, zoals Overijssel toen heette, wilde vergroten, • de plaatselijke Overstichtse adel die zelf het gebied in handen wilde krijgen, • de opkomende steden, die druk doende waren hun positie als handelscentra te versterken. Eerdere plannen voor de verdeling en ontginning van Mastenbroek waren steeds stukgelopen op de tegengestelde belangen van de verschillende betrokken partijen. De impasse werd met geweld doorbroken toen in 1362/1363 een strijd werd gevoerd tussen heer Zweder van Voorst en een alliantie van Kampen, Zwolle en de bisschop. Het kasteel van de heren Van Voorst in Westenholte werd tijdens 18
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
de gevechten verwoest. Uiteindelijk kon het gebied in 1364 worden verdeeld. De inrichting van Mastenbroek gebeurde op grond van een plan van Frederik Stoveken. Hij was landmeter van de bisschop van Utrecht en kreeg opdracht om het land op te meten en een verdelingsplan te maken zodat elke rechthebbende partij de juiste hoeveelheid grond toegewezen kreeg. Stoveken tekende een rechthoekig patroon van wegen en weteringen. Binnen de grote rechthoeken die zo ontstonden, werd een tamelijk regelmatige percelering van blokvormige of strookvormige percelen aangebracht.
De Nieuwe Wetering in de Polder Mastenbroek.
Als eerste werden sloten en weteringen gegraven, want een succesvolle cultivering van dit veengebied was alleen mogelijk als het overtollige binnenwater efficiënt kon worden afgevoerd. Uiteindelijk ontstond een systeem van weteringen, waarmee het gebied zover ontwaterd kon worden dat het voor intensief agrarisch gebruik geschikt werd. De weteringen vormen nog steeds belangrijke elementen in het landschap en zijn dan ook duidelijk herkenbaar, zoals de Bisschopswetering, Oude Wetering en Nieuwe Wetering. Rond 1381 is er nog een wetering aangelegd: de Kamperwetering. Langs de waterlopen legde men wegen aan, die ook nu nog belangrijke doorgaande wegen in het gebied vormen. Naast de gegraven weteringen zijn enkele oude veenriviertjes (vaak aangeduid als ‘riete’) gebruikt voor de afvoer van het binnenwater. Ook hiervan zijn er nog een aantal in het landschap zichtbaar, zoals de Riete bij Frankhuis en de Ruimzichtkreek die de grens vormt tussen de huidige gemeenten Zwolle en Zwartewaterland. Mastenbroek is het eerste gebied in Nederland, en misschien wel ter wereld, waar voor zo’n groot gebied een samenhangend inrichtingsplan is gemaakt en uitgevoerd. Anderhalve eeuw later zou de Beemster volgens dezelfde principes van Stoveken worden ingericht. De Beemster is vanwege zijn inrichting op de Lijst van het Werelderfgoed van Unesco geplaatst.
Misschien zou die eer eigenlijk eerder aan Mastenbroek hebben moeten toevallen…
19
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
De broek- en veengebieden in het noordoosten Het noordoosten van de huidige gemeente Zwolle is laat ontgonnen. Het landschap bestond vroeger uit enkele zones die ongeveer noordwest-zuidoost liepen. Evenwijdig aan de Vecht liggen de keileembulten van Haerst en Genne, met de Haerster Esch en de buitenplaatsen Den Doorn en Arnichem. Ten oosten daarvan vinden we een strook weilanden met een onregelmatige percelering, begrensd door De Wetering. De oude havezate Huis te Haerst lag net ten oosten van deze waterloop. Tussen De Wetering en de omstreeks 1800 gegraven Steenwetering lag het broekgebied van Haerst en Genne. Een broek is een nat bos, voornamelijk bestaande uit elzen, wilgen, essen en andere vochtminnende bomen en struiken. Verder naar het oosten ging het broekgebied geleidelijk over in het hoogveengebied van Ruitenveen. De Veenekampen en de Tolhuislanden liggen op de overgang naar het veen. Op de kaart van 1850 wordt het gebied doorsneden door de Tol- of Hermelijngracht met de erlangs gelegen Tolweg (ca 1600), de Nieuwe Dijk (ca 1600), De Steenwetering (ca 1800) en het Lichtmiskanaal (1832). Vermoedelijk heeft in de Veenekampen op enige schaal turfwinning plaatsgevonden, want langs de Nieuwe Dijk lag een smalle vaart met twee schutsluisjes, weergegeven op de kaart van Hottinger uit 1780.
Tot ongeveer 1900 is het gebied extensief gebruikt, wellicht is er wat veenboekweit verbouwd. Het natte karakter van het gebied komt tot uiting in de drie eendenkooien die er toen lagen. Van deze kooien is alleen het kooibos van de eendenkooi in de Haerster Markte overgebleven. De Haerster Markte wordt momenteel (2009) ingericht als bedrijventerrein Hessenpoort.
De omgeving van Haerst en Genne, weergegeven op de Topographische en Militaire kaart van het Koningrijk der Nederlanden uit omstreeks 1850. Langs de Vecht liggen de Haerster Esch, de boerderijen en de buitenplaatsen Ordel, Arnichem en Den Doorn. Ten oosten daarvan liggen de wei- en hooilanden die vermoedelijk al in de middeleeuwen zijn ontgonnen. Tussen De Wetering en de Steenwetering bevindt zich het broekgebied van Haerst en Genne, dat ten zuiden van de Tolgracht doorloopt in het Berkummerbroek. Oostelijk van de Steenwetering liggen de Tolhuislanden en de Veenekampen.
20
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Omstreeks 1900 is een begin gemaakt met de ontginning van de Veenekampen, de Tolhuislanden, het Berkummerbroek en de Berkummer Hooislagen. Brede sloten zorgen voor de ontwatering; de percelering is vrij onregelmatig. Het landschap heeft een uitgesproken open karakter, hier en daar onderbroken door verspreid gelegen boerderijen.
De Steenwetering met rechts de Tolhuislanden en links het Haersterbroek.
Herfte en Wijthmen De dorpen Herfte en Wijthmen liggen op een noordwest-zuidoost georiënteerde, smalle dekzandrug. Bij Herfte wordt de rug aan weerszijden begrensd door dalvormige laagten waar vroeger bovenlopen van de Westerveldse Aa liepen. Door de aanleg van de Herfterwetering en de Marswetering is de waterhuishouding veranderd. Tegenwoordig watert het gebied af op de Nieuwe Wetering. De boerderijen en akkers lagen op de dekzandrug. We vinden hier een aaneenschakeling van kleine essen, zoals de Stramp Esch en de Wijthmener Esch aan weerskanten van Wijthmen. De zandrug was te smal voor grote open akkercomplexen, ook op oude kaarten heeft de rug een besloten karakter door vele bosjes en erfbeplanting. Rondom de zandrug liggen laagten met een onregelmatige blokvormige percelering. Dit waren vroeger de weidegebieden van de boeren uit beide dorpen. Tot omstreeks 1950 waren er veel houtsingels langs de sloten te vinden. Verder naar het oosten ligt het marsgebied dat ontwaterd wordt door de Marswetering, de Emmerwaterleiding en de Emmertochtsloot. Dit open gebied, dat waarschijnlijk in de veertiende eeuw is ontgonnen, was in gebruik als hooiland. Op de hogere plekken lagen enkele bouwlandkampen.
In het huidige landschap is de structuur van het middeleeuwse landschap nog enigszins te herkennen, al zijn de kleine essen vrijwel geheel omgezet in grasland en zijn de meeste houtsingels langs de sloten in de lagere gebieden verdwenen. Ten westen van de dekzandrug is het landschap sterk veranderd door de Wijthmenerplas en het golfterrein.
21
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Het besloten landschap bij Herfte.
De nederzettingen langs de IJssel Windesheim en Harculo liggen op hogere gronden langs de IJssel. Windesheim ligt op een brede oeverwal die de rivier heeft gevormd en Harculo op een lange, vrijwel oost-west gelegen dekzandrug die tot voorbij Heino doorloopt. De hogere gronden werden benut als bouwland, in de uiterwaarden werd het vee geweid. De oostelijk gelegen broekgebieden zijn later ontgonnen, na de aanleg van de Soestwetering. Het Lierderbroek heeft een regelmatige strookvormige percelering. Vanuit de wetering, die de oude cultuurgronden van Lierderholthuis en Laag-Zuthem afgrensde, zijn rechte sloten tot aan de Soestwetering gegraven. Later is door dit broekgebied de Graven aangelegd. Het Windesheimerbroek en het Zuthemerbroek zijn vrij onregelmatige ontginningen in het restgebied tussen de Zandwetering en de Soestwetering. Het Windesheimerbroek werd aan de noordkant afgesloten door de Windesheimer Stouwe, een binnendijk die nu vrijwel uit het beeld verdwenen is. De Polder Sekdoorn ligt ingeklemd tussen de Soestwetering en de Nieuwe Wetering. Volgens Van der Schrier was Sekdoorn in 1312 nog niet ontgonnen. De percelering dateert waarschijnlijk van na de aanleg van beide weteringen. In het huidige landschap is het onderscheid tussen de oude cultuurgronden van Harculo en Windesheim en de broekontginningen bewaard gebleven.
De Wijeseweg langs de Zandwetering is ongeveer de grens tussen beide landschapseenheden. De dekzandrug tussen Harculo en Laag-Zuthem valt in het landschap nauwelijks op. De Jan van Arkelweg en de Zuthemerweg liggen op deze rug. Interessant is dat er drie boerderijen liggen die ‘hoogtenamen’ hebben: De Weekhorst aan de Jan van Arkelweg en Het Hooge Land en De Horst aan de Zuthemerweg. De Polder Sekdoorn, en zeker het gedeelte in de gemeente Zwolle, heeft door de grote zandwinplas en de vele hoogspanningsleidingen veel van haar cultuurhistorische betekenis verloren. Oldeneel, Schelle en Spoolde liggen op geïsoleerde rivierduinen, ontstaan in de laatste ijstijd of het begin van het holoceen. De lage heuvels worden omgeven door rivierklei die de IJssel heeft afgezet in de lagere terreinen. De lagere gronden ten oosten van de rivierduinen worden ontwaterd door de Steenwetering, bij Oldeneel heet dit gebied de Steenweteringslanden. De buurtschappen hebben een losse bebouwingsstructuur met een agrarisch karakter, hoewel er weinig agrarische bedrijven zijn
22
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
De dekzandrug ten oosten van Harculo valt in het landschap nauwelijks op, maar komt wel tot uiting in de namen van boerderijen: De Weekhorst, Het Hooge Land en De Horst.
overgebleven. Bij Oldeneel is het veerhuis IJsselzicht een belangrijke blikvanger, de veerstoep is nog aanwezig. Bij Schelle wordt de structuur vooral bepaald door de buitenplaats Schellerberg met de fraaie Schellerallee. Spoolde had een vrij omvangrijk bouwlandcomplex, de Spoolder Enk, die ten noordwesten van het dorp op de oeverwal van de IJssel lag. Door de aanleg van het Zwolle-IJsselkanaal is de relatie tussen de enk en de bebouwing verloren gegaan. In de uiterwaarden lagen graslanden, maar enkele hoger gelegen delen werden ook als bouwland gebruikt: de Spoolder Zaaiwaard. In de buurtschap staan nog enkele interessante boerderijen, zoals Eva’s Hoeve uit 1740 en ‘t Kleine Veer uit 1908. De boerderijen Belangrijke blikvangers van het landelijke gebied en dragers van het agrarische landschap zijn de boerderijen. In het kader van de uitgevoerde cultuurhistorische analyse is geen nader onderzoek gedaan naar de vele boerderijen in het buitengebied. Op de bij dit rapport gevoegde cd-rom is lijst opgenomen van waardevolle boerderijen, gebaseerd op de inventarisatie van historische boerderijen die de gemeente in 2002 heeft laten uitvoeren.
’t Kleine Veer in Spoolde, een boerderij van het Oldambtster type.
23
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
6. Zwolle en de waterhuishouding
In 1308 werd het Sallandse Dijkrecht afgekondigd door de bisschop van Utrecht. Dit gebeurde op de Spoolderberg, de plaats waar vanouds alle belangrijke gebeurtenissen in Salland werden besproken. De instelling van het dijkrecht betekent dat er toen een doorgaande dijk vanaf Deventer tot bij IJsselmuiden lag. Vermoedelijk lagen er voor die tijd wel hier en daar dijken om het water van de IJssel te keren, maar van een samenhangend systeem was toen nog geen sprake. Een van die oudere dijken was de Stouwdijk of Zalkerdijk bij Westenholte, die al in de dertiende eeuw wordt genoemd. Wat precies de functie van deze dijk is geweest is nog onduidelijk. Vermoedelijk diende de dijk om de buurtschappen Westenholte, Spoolde en Voorst te behoeden voor overstromingswater van de IJssel of van de Zuiderzee dat vanuit het noorden, over het toen nog niet ontgonnen Mastenbroek, de huizen en landbouwgronden kon bedreigen. Later kreeg de dijk een andere functie, als onderdeel van de dijkring van Mastenbroek. Toen moest de dijk er voor zorgen dat overstromingswater van de IJssel, komend uit het zuiden, niet in Mastenbroek terecht kwam maar werd afgeleid naar het Zwarte Water.
De Zalkerdijk.
De dijkring van Mastenbroek is in de jaren 1385-1390 tot stand gekomen. Door deze bedijking werd de komberging van de regio verkleind, wat tot gevolg had dat het water van het Zwarte Water en de Vecht behoorlijk kon worden opgestuwd. Waarschijnlijk zijn de dijken langs het Zwarte Water en de Vecht op het ‘schiereiland’ van Langenholte, Dieze en Berkum in dezelfde periode aangelegd, net als de dijk langs de noordelijke oever van de Vecht. Over de Vechtdijk bij Haerst is voor het eerst in 1402 melding gemaakt. Door de aanleg van de Sallandse Bandijk werd de afwatering van de laaggelegen gebieden van Salland bemoeilijkt. Weliswaar werden op verschillende plaatsen in de IJsseldijk uitwateringssluizen aangelegd, zoals bij Windesheim, maar kennelijk voldeed de situatie niet. Er werden grote waterlopen gegraven, de
24
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Dijken in het buitengebied van Zwolle. Rood: rivierdijken; paars: Zalkerdijk en Sekdoornse Dijk.
Sallandse weteringen, om het water uit het achterland naar het noorden af te voeren. Hiervoor werd een lage dekzandrug tussen Harculo en Heino doorgraven. Merkwaardig genoeg waterden de Sallandse weteringen niet af op de IJssel; het water werd helemaal naar Zwolle gevoerd om daar via de stadsgrachten te worden geloosd op het Zwarte Water. Kennelijk waren de waterstanden op het Zwarte Water gunstiger dan die op de IJssel. Misschien speelde ook de verminderde aanvoer van water naar Zwolle een rol. Voor de verversing van het water in de singel en de grachten was het van belang de Sallandse weteringen aan te sluiten op de stadsgracht. Ook voor de bevaarbaarheid van de verschillende waterwegen was dit van belang. 25
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Het noordelijke deel van de Polder Sekdoorn, ingeklemd tussen de Soestwetering en de Nieuwe Wetering. Beide weteringen zijn van dijken voorzien, dit in tegenstelling tot de Zandwetering. Over de dijken lopen jaagpaden ten behoeve van de scheepvaart. De Sekdoornse dijk is waarschijnlijk ouder dan de weteringen en heeft mogelijk als landweer gediend. Later vormde de dijk de scheiding tussen de Polder Sekdoorn ten zuiden ervan en de kleine polder Geeren aan de noordkant. Chromotopografische kaart, omstreeks 1900.
De grote weteringen hadden een belangrijke invloed op de waterbeheersing in de omgeving van Zwolle. Ten zuiden en oosten van de stad bestond het landschap uit een afwisseling van laaggelegen, drassige gebieden (de marsen en broeken) en lage dekzandruggen. Aanvankelijk waren alleen die plekken bewoond waar de boeren over een redelijke oppervlakte hooggelegen landbouwgrond konden beschikken. Door de aanleg van de bandijk van de IJssel, de grote weteringen en – daarop aansluitend – een fijn netwerk van kleinere weteringen en sloten, konden ook de lager gelegen gebieden in gebruik worden genomen. De ontginning van laaggelegen gebieden als de Polder Sekdoorn en het Lierder- en Molenbroek vond plaats in de veertiende eeuw. Zo’n 20 jaar na de ontsluiting en ontginning van Mastenbroek legde men een ringdijk om het gebied aan. Vermoedelijk had de ontwatering en het landbouwkundig gebruik inklinking en oxidatie van de veenbodem veroorzaakt en was het gebied gedaald ten opzichte van de omgeving. Om het water te lozen zijn er vijf sluizen aangelegd: Lutterzijl (Westerdrecht) aan het eind van de Bisschopswetering, Venerieterzijl aan het westelijke einde van de Oude Wetering, Genemuiderzijl aan het einde van de Nieuwe Wetering, Hasselterzijl tegenover Hasselt aan het eind van de Kamperwetering en het Rademakerszijl aan de oostkant van de Oude Wetering.
Al snel na het graven van de weteringen was bewoning in het veengebied mogelijk. Centraal in de polder, op het kruispunt van wegen en weteringen, is in 1408 de eenbeukige kerk van Mastenbroek gebouwd. De boerderijen kwamen aan de nieuwe wegen te staan. Kenmerkend is de bewoning op huisterpen. Ook nu staan de meeste boerderijen nog steeds hoger dan de omgeving. Kennelijk was er
26
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
vroeger nog regelmatig sprake van wateroverlast. Vooral in de winterperiode, als het water op de omringende rivieren hoog stond, kon men het water uit de polder slecht kwijtraken. Deze situatie verbeterde door de komst van poldermolens en later van gemalen.
Het Rademakerszijl in de Oude Wetering, via welke het water werd geloosd in het Zwarte Water. Het zijl diende tevens als schutsluis voor de schepen die van Zwolle naar Kampen of Genemuiden voeren.
Door de regelmatige en rationele inrichting oogt de veenontginning Mastenbroek als een droogmakerij. De grootschaligheid, de rechte wegen en vaarten, de regelmatig verspreide bewoning langs wegen en weteringen en de regelmatige verkaveling binnen de grotendeels rechthoekige blokken, zijn kenmerkend voor de polder Mastenbroek. We hebben de inrichting van de polder te danken aan landmeter Frederick Stoveken, die het plan van wegen en waterlopen tekende. De overlaat bij Deventer De stad Deventer maakte geen deel uit van de Sallandse dijkring. Bij hoog water op de IJssel overstroomde de omgeving van de stad. In 1610 werd besloten een nieuwe dijk langs de Schipbeek aan te leggen: de Snippelingsdijk. Het betekende echter dat al het water van de IJssel door de smalle doorgang ten westen van de stad moest worden afgevoerd, waardoor de kaden van Deventer zwaar op de proef werden gesteld. De Snippelingsdijk is verschillende keren doorgebroken. Bij hoogwater in 1658 is de dijk door de Deventenaren zelf doorgestoken, omdat het stadsbestuur bang was dat de kademuren het zouden begeven. Het gevolg was dat grote delen van Salland onder water kwamen te staan. Na een doorbraak in 1784 werd besloten de dijk te verlagen, zodat het IJsselwater gemakkelijker over de dijk kon stromen. Men dacht dat dit minder schade zou veroorzaken dan een echte dijkdoorbraak.
In 1809 werd de dijk voorzien van flauw hellende taluds, zodat het een echte overlaat werd. Dit betekende natuurlijk wel dat de lage gronden in het binnendijkse gebied bij elk hoogwater op 27
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
de IJssel overstroomd raakten. Via de Soestwetering en de Zandwetering moest het water weer worden afgevoerd. In de buurt van Zwolle trof men voorzieningen om een snelle afvoer naar het Zwarte Water mogelijk te maken. Dit lukte meestal niet: diverse keren is de Zalkerdijk doorgebroken en liep het water de Polder Mastenbroek in. Nadat het winterbed van de IJssel verruimd was kon de Snippelingsdijk in 1864 worden verhoogd en kwam er een einde aan de regelmatig terugkerende overstromingen. Dijkdoorbraken en overstromingen In het hele laaggelegen gebied rondom Zwolle zocht men de hogere plaatsen op om te gaan wonen. En waar geen hogere plekken waren, zoals in de polder Mastenbroek, wierp men huisterpen op om de boerderijen op te bouwen. Dit was niet voor niets: wateroverlast kwam vaak voor, hetzij door dijkdoorbraken, hetzij doordat de weteringen en sluizen het hemelwater niet konden afvoeren. Tussen 1428 en 1930 is de Polder Mastenbroek gemiddeld eens in de twaalf jaar ondergelopen als gevolg van dijkdoorbraken. In de nacht van 14 op 15 november 1775 was het water in de Zuiderzee als gevolg van een stormvloed zo hoog opgelopen, dat de Mastenbroekerdijk op maar liefst 37 plaatsen bezweek. Ook de dijken bij Langenholte en de Vechtdijk bij Haerst en Genne zijn diverse keren doorgebroken.
Getuigen van deze vele catastrofes zijn de vele wielen die we in de uiterwaarden en binnendijks terugvinden.
De Stadskolk aan de Hasselterdijk, één van de vele wielen die ontstonden bij dijkdoorbraken.
De laatste keer dat Mastenbroek onder water heeft gestaan was niet het gevolg van een dijkdoorbraak. Op 22 september 1944 had de Duitse bezetter opdracht aan het waterschap Mastenbroek gegeven om de polder onder water te zetten. Geallieerde troepen waren de week ervoor in Arnhem en Nijmegen geland en de Duitsers begonnen in hoog tempo de IJssellinie in gereedheid te brengen om de geallieerde opmars te stuiten. In dat kader moest de polder onder water gezet worden, zijn loopgraven aangelegd in de uiterwaarden van de IJssel en werd er een tankgracht gegraven langs de Zalkerdijk, op de rand van het inundatiegebied.
28
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
De Gennerdijk met de gerestaureerde Gennegersluis.
29
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
7. Zwolse kastelen, landgoederen en buitenplaatsen
Buitenplaats Boschwijk.
Opvallend is het grote aantal landgoederen en buitenplaatsen in het gebied. Een landgoed is een groot stuk land, bestaande uit bossen, landbouwgronden en een of meer pachtboerderijen. Vaak is er een landhuis aanwezig. De term buitenplaats is in de achttiende eeuw ontstaan en duidt op een rijke woning met een tuin en een parkbos. De grens tussen een landgoed en een buitenplaats is niet scherp te trekken: over het algemeen zijn buitenplaatsen kleiner dan landgoederen. Zodra agrarische gronden deel uitmaken van het goed spreken we van een landgoed. In 1967 is de oude gemeente Zwollerkerspel samengevoegd met de stad Zwolle. Voor die tijd waren stad en kerspel op verschillende manieren met elkaar verbonden. Ruimtelijk was de elite van de stad met het kerspel verbonden geweest door kastelen, havezaten en buitenplaatsen. De stedelijke elite verbleef het belangrijkste deel van het jaar in de stad en bracht in de zomer enige tijd door op de buitenplaatsen op het platteland. Dit was in navolging van de adel die al langer op het platteland woonde. De adel koos sinds de middeleeuwen voor een hoofdverblijf op het platteland te midden van de bezittingen en een verblijf gedurende de wintermaanden in de stad. Als bescherming van have en goed bouwde men een omgracht huis met zware muren en een ophaalbrug.
Omdat er voldoende water in de grachten moest staan bouwde men de huizen op plaatsen waar de aanvoer van voldoende water gewaarborgd was. Om die reden koos men voor de ligging buitendijks, aan de voet van de oeverwal in een strang van de rivier (de Vecht, het Zwarte Water) of aan de binnenzijde van de oeverwal, waar het kwelwater uit de oeverwal zorgde voor voldoende water in de gracht. Volgens een theorie van de waterbouwkundige J.P. van de Berg uit 1985 lagen de kastelen rond Zwolle behalve aan de rivieren bij samenvloeiingen van de loopvelden, dat zijn de gebieden die men ’s winters bevloeide om het land met een vruchtbaar kleilaagje te bedekken.
30
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Ten westen van de stad ligt het Mastenbroek, waar verschillende partijen steeds bezig waren hun belangen in het gemeenschappelijke bezit zeker te stellen. Een van deze partijen was de familie Van Voorst. Kasteel De Voorst is gebouwd in de dertiende eeuw, op de rand van het al ontgonnen gebied en het toen nog niet ontgonnen Mastenbroek. Mogelijk speelden de Voorsten oorspronkelijk een rol als beheerders in opdracht van de landsheer, de bisschop van Utrecht. Later kwamen hun belangen in strijd met die van de bisschop en vooral met die van Zwolle. In 1352 was er tussen de bisschop en de drie IJsselsteden een overeenkomst gesloten waarin werd bepaald dat de adel geen nieuwe versterkte huizen of kastelen meer mocht bouwen op hun bezittingen op het platteland met muren dikker dan ruim een halve meter. Hiermee werd voorkomen dat men vanuit deze kastelen voor de stad onwelgevallige handelingen uitvoerde, zoals het beroven en gijzelen van handelaren die de stedelijke markten bezochten, of dat de eigenaren andere stedelijke belangen zouden schaden. Tegelijkertijd werden kastelen van vijandige edelen belegerd en verwoest. Een van deze kastelen was het in 1362 verwoeste Voorst aan de rand van het Mastenbroek. Er waren edelen die, met inachtneming van de regels van 1352, rond Zwolle een versterkt adellijk huis hadden gebouwd.
Waarschijnlijk gebruikmakend van het vacuüm na de sloop van de Voorst was in de buurt van de oude burchtplaats het kasteel Werkeren ontstaan. Ten zuiden van de stad verrees kasteel Zuthem.
Ruïne van de havezate Windesheim, verwoest door een geallieerd bombardement in 1944. Op de achtergrond een van de bouwhuizen.
In Oost-Nederland en het aangrenzende Duitse gebied ziet men vooral vanaf het tweede kwart van de zestiende eeuw een groot aantal nieuwe huizen ontstaan. Oude kastelen werden geheel of gedeeltelijk afgebroken en vervangen door nieuwe. Deze adellijke huizen op het platteland noemde men sinds omstreeks 1530 havezaten. Daarnaast vestigden ook nieuwkomers zich op het platteland. Het aantal nieuwe aanvragen om als havezate erkend te worden was zo groot dat de Staten van Overijssel er paal en perk aan gingen stellen. De eigenaren van een havezate maakten aanspraak op vrijstelling van belasting voor hun – verdedigbare – huizen omdat ze bijdroegen aan de veiligheid van de
31
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
plattelandsbevolking. Bovendien maakten de eigenaren deel uit van de ridderschap en hadden zij zitting in de Staten van Overijssel. Terwijl in Twente en rond Deventer in het midden van de zestiende eeuw de grote bouwgolf plaatsvond, zou dit rond Zwolle pas een halve eeuw later gebeuren. Dit had te maken met de oorlogshandelingen in het begin van de Tachtigjarige Oorlog. De omgeving van Zwolle werd decennialang geteisterd door gevechten tussen Staatse en Spaanse troepen. De kastelen in de nabijheid van Zwolle waren een direct gevaar. Hier kon de vijand zich gemakkelijk nestelen en de stad belagen. Aan de onzekere toestanden kwam een einde door de grote veldtochten van Prins Maurits in 1591 en 1597. Dit was het moment dat er nieuwe huizen werden gebouwd door edellieden die in de voorafgaande tijd in hun huizen binnen de veilige muren van de IJsselsteden hadden gewoond. Zo bouwden de Schaeps rond 1610 op hun bezittingen de havezate Windesheim, waarvan de kelderverdieping nog bestaat. De Van Haersoltes bouwden in 1617 het imposante Huis Haerst in de gelijknamige buurtschap. De havezate lag op enige afstand van de Vecht langs de weg naar het noorden, net als de verdwenen havezate Den Ordel. Vlakbij de monding van de Westerveldse Aa in het Zwarte Water lag de havezate Westerveld, gebouwd tussen 1603 en 1606. Het U-vormig aangelegde huis was geheel omgeven door een gracht.
Ten oosten van het gebouw, buiten de gracht, lag een voorplein met een poortgebouw. Waarschijnlijk betrof het de grootste havezate in Salland. Het fraaie huis heeft ruim twee eeuwen zijn omgeving gedomineerd, tot het in 1816 werd afgebroken. Het poortgebouw bleef aanvankelijk gespaard, tot het aan het eind van de 19de eeuw eveneens gesloopt werd. Omstreeks 1950 werd de huidige boerderij Westerveld gebouwd, niet ver van de plaats waar de oude havezate had gestaan.
Het huis Westerveld.
Toen de rust op het platteland in de eerste helft van de zeventiende eeuw was teruggekeerd, stichtten ook stedelingen op hun erven rond de stad een eenvoudig verblijf. Aanvankelijk gebeurde dit in de vorm van een stenen kamer aan een pachtboerderij (een zogeheten lanterskamer). Later werd op het erf een eenvoudig huis gebouwd, vaak boven een half verzonken kelder en soms met een extra verdieping. Het 32
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
oudste deel van Soeslo is een dergelijk vroeg zeventiende-eeuws huis. Dergelijke buitenhuizen noemde men in West-Overijssel een spieker, een naam die verwijst naar de oorspronkelijke hoofdvorm die ontwikkeld is uit een spieker (graanschuur). In tegenstelling tot de huizen van de adel waren ze niet omgracht. De nog bestaande buitenplaatsen Soeslo, Boschwijk en Landwijk zijn enkele voorbeelden van deze ontwikkeling. In deze huizen woonde men in de zomermaanden terwijl men er, vanwege de geringe afstand tot de stad, ook regelmatig kortere tijd kon verblijven. De buitens lagen in de buurtschappen rond de stad, bij voorkeur aan de uitvalswegen, zoals Kranenburg, Arnichem en Den Doorn. In een aantal gevallen koos men voor een situering aan een van de weteringen (Kolkhof) of aan de Nieuwe Vecht (de verdwenen buitenplaatsen Vegtlust en Campherbeek in Berkum).
Op de kaart van Hottinger uit ca 1780 zijn bij Berkum en Herfte enkele landgoederen herkenbaar aan de parkaanleg en de structuur van bossen en lanen. Het noorden is links op de kaart.
In de loop van de zeventiende en achttiende eeuw zouden de spiekers havezaten het middelpunt gaan vormen van een uitstrekte tuin- en parkaanleg die aanvankelijk veelal enkel bestond uit een aantal lanen met een sterrenbosje. Ze vormden groene oases op het in die tijd vrijwel boomloze platteland. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw werden ze volgens de regels van de symmetrie aangelegd en ontstonden parken met een formele aanleg. Ook waterpartijen werden in het geometrische stramien opgenomen. Zo bezit Zuthem nog een overplaats met een waterallee of grand canal. De strakke classicistische huizen kregen voorpleinen met aan weerszijden vrijwel identieke bijgebouwen, de bouwhuizen waarin de paardenstallen en de koetshuizen waren onder gebracht. Van de buitenplaatsen
33
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
Zuthem, Windesheim en Kranenburg zijn bouwhuizen bewaard gebleven; de hoofdgebouwen zijn verdwenen.
Kruispunt van lanen op buitenplaats Soeslo.
Een mozaïek van bossen, landbouwgronden en lanen van de buitenplaatsen overdekte de gemeente Zwolle aan het eind van de achttiende eeuw, getuige de militaire kaarten van Hottinger en van H. van Hooff uit 1781. Door het reliëf en de sterke versnippering van het grondbezit waren de landgoederen en buitenplaatsen veel kleiner dan op de Sallandse zandgronden waar men over uitgestrekte heidevelden kon beschikken voor de aanleg van uitgestrekte lanenstelsels en bossen. Bij een aantal huizen zijn lanen georiënteerd op points de vues, soms op kilometers afstand. De buitenplaats Schellerberg bijvoorbeeld had lanen die gericht waren op de Sassenpoort en de Peperbus. Aan het eind van de achttiende eeuw ondergingen de geometrische tuinen en parken onder invloed van Engeland een metamorfose. Er werden nieuwe parken aangelegd waarin het natuurlijke landschap middels kronkelende paden, serpentinevijvers, bergjes en weilanden werd nagebootst om romantische stemmingen op te wekken. Een belangrijk voorbeeld is het park van Windesheim dat aangelegd werd door Husly. De belangstelling voor de landschapsstijl was in de eerste decennia van de negentiende eeuw zo groot dat de landschapsarchitect Georg Blume, afkomstig van het hof van de vorst van Nassau-Weilburg, zich in Zwolle vestigde en hier een bloeiende praktijk kon opbouwen. Veel parken werden omgevormd in de landschapsstijl.
Vaak werden delen van de oude lanen, en van de oude bomen die nog niet kaprijp waren, ingepast in het nieuwe park. Sommige huizen werden in het begin van de achttiende eeuw fors uitgebreid door de bouw van een nieuw landhuis voor het bestaande (Soeslo, Kolkhof). Inmiddels was de rol van de adel door de komst van de Fransen en de daarmee samenhangende bestuurlijke hervormingen sterk ingeperkt. Het bezit van een havezate was niet langer vereist om zitting te nemen in de Ridderschap. Voor veel edelen was het niet langer nodig de kostbare havezaten in 34
Cultuurhistorische analyse buitengebied Gemeente Zwolle _____________________________________________________________________________
stand te houden. In het begin van de negentiende eeuw zouden ze worden verkocht aan burgers die ze verder als buitenplaatsen gebruikten. Van andere havezaten werden de huizen gesloopt, de grachten gedempt, de lanen gekapt en de tuinen veranderd in weiland. In een enkel geval (Zuthem, Kranenborg) zou een van de bouwhuizen tot ver in de twintigste eeuw als boerderij functioneren.
Dienstwoning (rechts) en hoofdgebouw van Soeslo.
In de tweede helft van de negentiende eeuw ondergingen enkele buitenplaatsen nog een verandering zoals Schellerberg en Zandhove. De glorietijd van de buitenplaatsen was echter voorbij. Langs de uitvalswegen en de singels van Zwolle bouwde men grote villa’s met forse tuinen waar de nieuwe stedelijke elite de voorkeur aan gaf boven de grote afgelegen buitenplaatsen. Ook de tuinen zouden in de late negentiende en vroege twintigste eeuw veranderingen ondergaan. Ze werden omgevormd in late landschapsstijl, ook wel gemengde stijl genoemd. De formele tuin deed zijn herintrede. Vooral bij het huis verschenen opnieuw dergelijke tuinen. Zo legde Springer rond het Huis Windesheim geometrische tuinen aan, terwijl de landschappelijke aanleg op de rest van de buitenplaats gehandhaafd bleef. In de loop van de twintigste eeuw liep de belangstelling voor de buitenplaatsen sterk terug. Veel eigenaren konden het onderhoud door de gestegen loonkosten niet meer betalen en veel buitenplaatsen kregen een nieuwe functie als kantoor of zorginstelling. Sommige buitenplaatsen, zoals Zandhove, kwamen door de uitbreidingen van Zwolle geheel binnen het stedelijke gebied te liggen. De vormgevers van de buitenplaatsen in Zwolle Voor het inrichten of herinrichten van de tuinen en parken werden tuin- en landschapsarchitecten van naam ingehuurd.