1. Uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord 2024 – 2030
Tekst van het document
In dit spoor worden voor de industrie en de energiesector emissie-eisen opgenomen die zo dicht mogelijk aan de onderkant van de BREF-range liggen (zo weinig mogelijk uitstoot). Dit op het moment dat er een vergunning opgesteld of geactualiseerd moet worden. Het Rijk faciliteert het bevoegd gezag hierbij. Ook wordt nagegaan waar handhaving mogelijk kan helpen bij emissiereductie. Dit spoor geeft invulling aan de SLA-maatregelen 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 8. Spoor 2: Algemene regels
Emissie-eisen voor de industrie staan niet alleen in vergunningen, maar ook in regelgeving die het Rijk opstelt. Deze algemene regels worden aangepast op basis van haalbaarheidsonderzoeken. Dit spoor geeft invulling aan de SLA-maatregelen 6, 7 en 9. Spoor 3: Internationale inzet
Het Rijk zet in Europa in op ambitieus bronbeleid. Het gaat daarbij om onderhandelingen over de Richtlijn Luchtkwaliteit, IED (plus BREF-herzieningen) en de NEC-richtlijn. Uitstoot beperkt zich immers niet tot de landgrenzen en er moet oog zijn voor een gelijk speelveld. Dit spoor geeft invulling aan de SLA-maatregel 10. Naast deze maatregelen zijn er verschillende klimaatmaatregelingen die bijdragen aan een goede luchtkwaliteit. Bij deze klimaatmaatregelingen voert het ministerie van EZK het beleid. Als het relevant is, wordt hiervoor overleg gevoerd met het ministerie van IenW, waaronder over het thema biomassa. De SLA-maatregelen dragen ook bij aan de stikstofaanpak en daarmee aan het bereiken van de natuurdoelen.
Stakeholders Het bedrijfsleven is en wordt betrokken bij de uitwerking van maatregelen, pilots, kennisagenda en doorontwikkeling van beleid. Daarbij is de nadrukkelijke wens geuit om het luchtkwaliteitsbeleid in de context van aanpalende beleidsdossiers te bespreken.
40 | Uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord 2024-2030
1 Vergunnen (spoor 1) SLA-maatregel 1 Industrie Vergunningen voor de industrie moeten volgens Europese regelgeving voldoen aan BBT niveau. De BBT-conclusies zijn daarbij een belangrijke richtwijzer, maar deze bevatten een bandbreedte waarbinnen sprake is van BBT en het is aan de vergunningverlener om de emissie-eisen af te stemmen op de specifieke situatie. Partijen spreken af dat in nieuwe of geactualiseerde vergunningen die vanaf 2020 worden afgegeven, emissie-eisen staan die zo dicht mogelijk aan de onderkant van de BREF-range liggen (zo weinig mogelijk uitstoot).
SLA-maatregel 2 Provincies en gemeenten zetten zich in om scherp te vergunnen, hun vergunningenbestand tijdig te actualiseren en waar nodig toezicht te optimaliseren.
SLA-maatregel 4 Deelnemers zeggen toe de resultaten van de hieronder genoemde pilot, bij positief resultaat, standaard toe te passen in vergunningen voor de industrie.
1a Juridische analyse vergunnen In opdracht van het ministerie van IenW is een analyse gemaakt waarin de juridische kansen en knelpunten zijn beschreven om te vergunnen, met als doel emissies te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken. Een belangrijk deel van de studie gaat over IPPC-installaties (Integrated Pollution Prevention and Control) en verkent de juridische mogelijkheden om zo veel mogelijk aan de onderkant van de BREF-range te vergunnen. Vergunningverleners gaan hier vervolgens mee aan de slag en passen dit toe bij het verlenen en actualiseren van vergunningen. Trekker Overige stakeholders Planning
Rijkswaterstaat. Ministerie van IenW, gemeenten, provincies en omgevingsdiensten. 2020 – 2021: actualiseren van vergunningen; dit is een continu proces tot 2030. Beoogd effect Inzicht in de juridische mogelijkheden om zo laag mogelijk te vergunnen. 1b Verankeren van zo laag mogelijk vergunnen in lokaal beleid Veel vergunningverleners zien het zo veel mogelijk aan de onderkant van de BREF-range vergunnen op dit moment nog niet als de standaard. Hoewel BBT bepalen standaard regelgeving is en ook nu al moet gebeuren, kan het verankeren van scherp vergunnen in beleid van provincies en
gemeenten hierbij helpen. Het steunt vergunningverleners en helpt bij de onderbouwing om zo laag mogelijk te vergunnen. Hiervoor is een modeltekst voor de Nota vergunningverlening, toezicht en handhaving opgesteld. Die kunnen provincies en gemeenten overnemen bij het aanpassen van hun nota VTH (vergunningverlening, toezicht en handhaving). Dit zorgt ook voor harmonisatie in de vergunningverlening in Nederland. Meerdere provincies hebben hun beleid of hun nota inmiddels aangepast of zijn er mee bezig. Tegelijkertijd staat scherp vergunnen ook op het netvlies van omgevingsdiensten en streven ze daarnaar. Daarmee voldoen ze dan niet alleen aan maatregel 1 (streng vergunnen) maar ook aan SLA maatregel 4: het toepassen van de pilot. De pilot omvat namelijk het faciliteren van streng vergunnen. Het scherp vergunnen is een doorlopend proces, en zal op langere termijn effect sorteren. Trekker Themagroep Industrie. Overige Rijkswaterstaat, gemeenten, provincies en stakeholders omgevingsdiensten. Planning 2020 – 2025. Beoogd effect Lokaal vastgesteld beleid voor emissie-eisen in vergunningverlening. 1c Vrijwillige reductie In de Themagroep Industrie zijn presentaties gegeven over de milieu-investeringsaftrek (MIA) en de willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL) als financiële prikkels om verder te gaan dan wettelijk verplicht.
Verder wordt beoogd om een artikel voor de SLA-nieuwsbrief op te stellen, met enkele aansprekende voorbeelden van scherp vergunnen als inspiratie voor andere omgevingsdiensten. Het doel is dat provincies en gemeenten hiervan leren en dat ze dit toepassen bij hun eigen werk. Trekker
Provincies en gemeenten uit de Themagroep Industrie. Overige Rijkswaterstaat, het ministerie van IenW, stakeholders gemeenten, provincies en omgevingsdiensten. Planning 2020 – 2025. Beoogd effect Meer bedrijven die verder zijn gegaan dan de wettelijk verplichte emissiereductie. 1d BBT-kennis beschikbaar stellen Bedrijven moeten in ieder geval voldoen aan beste beschikbare technieken (BBT). Om goed te kunnen beoordelen of het bedrijf BBT toepast en mogelijk een lagere emissie kan halen, hebben de overheden hierover kennis nodig. Het zoeken is lastig en tijdrovend. In opdracht van Rijkswaterstaat heeft advies- en ingenieursbureau Tauw in dit kader de factsheets luchtemissiebeperkende technieken geactualiseerd (zie paragraaf 4) en stellen ze oplegnotities op voor
41 | Uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord 2024-2030
iedere herziene BREF (zie paragraaf 3). Deze oplegnotities geven informatie over emissieniveaus van best presterende installaties in Europa. Trekker Overige stakeholders Planning
Provincies en Rijkswaterstaat. Gemeenten, provincies, omgevingsdiensten. 2020 – 2022: oplegnotities schrijven is een doorlopend proces. Beoogd effect Emissiereductie door het delen van informatie over BBT.
2 Handhaving: kansen inventariseren en afspraken met ILT (spoor 1) SLA-maatregel 3 Industrie Partijen gaan na in hoeverre met beter toezicht emissiereductie kan worden bereikt en nemen zo nodig maatregelen om toezicht te verbeteren. Gemeenten en provincies nemen maatregelen om, waar nodig, het toezicht en handhaving te versterken. De Rijksoverheid ondersteunt gemeenten en provincies hierbij.
In oktober 2022 heeft Royal HaskoningDHV een voorverkenning gepubliceerd met praktische algemene tips om toezicht en handhaving te verbeteren. In de Themagroep Industrie analyseren werkgroepen hoe hier uitvoering aan gegeven kan worden en wat haalbaar is. Ook de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) biedt een helpende hand door deel te nemen aan de Themagroep Industrie en ideeën en suggesties aan te dragen voor een goede uitvoering van de SLA-maatregelen. Zoals aangegeven in een interview nemen de experts van ILT daarnaast in hun advies de afspraken uit het Schone Lucht Akkoord regelmatig expliciet mee. Het gaat dan om advies bij lopende wijzigingen van vergunningen van grote bedrijven. Trekker Themagroep Industrie. Overige Rijkswaterstaat leefomgeving, het ministestakeholders rie van IenW, gemeenten, provincies en omgevingsdiensten, ILT. Planning 2021 – 2030: zo nodig verbeteren van handhaving; dit is een continu proces tot 2030. Beoogd effect Emissiereductie via aanpassing van handhaving.
3 Advisering over toepassen BBT (spoor 1) SLA-maatregel 5 Industrie De Rijksoverheid zal provincies, gemeenten en omgevingsdiensten met kennis en capaciteit ondersteunen bij het doorlichten van de vergunningen teneinde deze op niveau te brengen. Hierover worden nadere afspraken gemaakt met ODNL en RWS Leefomgeving.
SLA-maatregel 8 Industrie Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Inspectie Leefomgeving en Transport) zal decentrale overheden en omgevingsdiensten adviseren bij de vergunningverlening over toepassing van BBT.
Als BBT-conclusies zijn gepubliceerd, moeten de vergunning en installatie hier binnen vier jaar aan voldoen. Om vergunningverleners hierin te ondersteunen, stelt Rijkswaterstaat oplegnotities op. Een oplegnotitie beschrijft op welke manier de BBT-conclusies te implementeren zijn in de Nederlandse situatie. Daarnaast kan deze oplegnotitie een nuttige functie vervullen bij de motivering van strenge(re) eisen in vergunningen en bij eventueel bezwaar en beroep. Inmiddels zijn er vijf oplegnotities voor de industrie opgesteld en gepubliceerd. Trekker Rijkswaterstaat. Overige Ministerie van IenW, gemeenten, provincies stakeholders en omgevingsdiensten. Planning 2020 – 2030. Beoogd effect Emissiereductie doordat meer vergunningen van IPPC-installaties op BBT-niveau vergund zijn.
4 Actualiseren factsheets reductietechnieken (spoor 1 en 2) SLA-maatregel 6 Industrie De Rijksoverheid onderzoekt – onder andere via de hieronder genoemde pilot - waar aanpassing van algemene regels, informatiedocumenten of kennisnetwerken kunnen helpen bij een betere implementatie van BBT-conclusies. Uiterlijk in 2021 worden conclusies hierover gerapporteerd en wordt gestart met de nodige vervolgacties.
42 | Uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord 2024-2030
Het bevoegd gezag moet beoordelen of een bedrijf BBT toepast. Hiervoor is kennis nodig over welke reductietechnieken er zijn en waar deze toe te passen zijn. De factsheets luchtemissiebeperkende technieken geven informatie over de technische werking en een indicatie van de kosten. Advies- en ingenieursbureau TAUW heeft in opdracht van het Rijk deze factsheets aangevuld en geactualiseerd. Bevoegd gezag (omgevingsdiensten) gebruikt deze informatie om een beeld te krijgen van de werking van de technieken en welke kosten ermee samenhangen. Trekker Rijksoverheid (Rijkswaterstaat). Overige Ministerie van IenW, gemeenten, provincies stakeholders en omgevingsdiensten. Planning 2020-2021 (afgerond). Beoogd effect Ondersteuning van vergunnen op BBTniveau.
5 Actualiseren algemene regels (spoor 2) SLA-maatregel 7 Industrie De Rijksoverheid streeft ernaar om de berekening van de financiële haalbaarheid van emissiereducerende maatregelen aan te passen, door rekening te houden met een reëel rentepercentage. Dit volgt uit de signaalrapportage van de ILT. Deze aanpassing in de berekening van de financiële haalbaarheid van emissiereducerende maatregelen kan leiden tot een reductie in de emissie van luchtverontreinigende stoffen zoals zwaveldioxide (SO2), stikstof (NOx) en fijnstof.
SLA-maatregel 9 Industrie De Rijksoverheid onderzoekt in 2020 welke emissieeisen in de algemene regels kunnen worden aangescherpt. Hierbij worden de reguliere stappen, waaronder consultatie, doorlopen. Hieronder vallen de generieke eisen in de huidige afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit en de eisen ten aanzien van biomassastook in kleine en middelgrote installaties. Daaruit voortvloeiende aanscherpingen zullen zo spoedig mogelijk worden omgezet in regelgeving. Daarnaast zal de regelgeving op enkele andere punten gemoderniseerd worden. Voorbeeld is het verlagen van de vermogensgrens van 15MW voor een vergunningplicht bij biomassa stook.
Na verschillende onderzoeken te hebben uitgevoerd, heeft het ministerie van IenW in 2020 en 2021 gewerkt aan een
wijzigingsvoorstel voor emissie-eisen in de algemene regels. De voorgestelde wijzigingen zien toe op: • het aanscherpen van emissie-eisen voor kleine en middelgrote biomassaketels; • het updaten van emissiegrenswaarden in paragraaf 5.4.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); • het actualiseren van de rentevoet voor de kosteneffectiviteitsmethodiek. Dit heeft geresulteerd in een definitief wijzigingsbesluit van het Bal, dat in 2022 is gepubliceerd. De wijziging van de rentevoet is in 2022 in een wijziging van de Omgevingsregeling opgenomen. De wijzigingen gelden sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het is mogelijk dat gedurende de SLAperiode nog aanvullende studies of wijzigingen nodig zijn. Trekker Overige stakeholders Planning
Rijksoverheid (het ministerie van IenW). Bedrijven, gemeenten, provincies, omgevingsdiensten, bedrijven en Rijkswaterstaat. Inwerkingtreding gelijktijdig met inwerkingtreding Omgevingswet. Beoogd effect Lagere emissies van bedrijven door actualisatie van de eisen in algemene regels.
6 Internationale inzet (spoor 3) SLA-maatregel 10 Industrie In de Europese onderhandelingen zal de Rijksoverheid inzetten op ambitieus bronbeleid. Omdat Nederlandse bedrijven vaak al voorlopen op het Europese gemiddelde, draagt het actualiseren van de BBT-conclusies bij aan een gelijk speelveld.
Het Rijk neemt deel aan Europese werkgroepen voor de uitvoering en evaluatie van de Richtlijn industriële emissies (RIE), de Richtlijn middelgrote stookinstallaties (MCPD), de NEC-richtlijn (National Emission Ceilings) en de Richtlijn Luchtkwaliteit. Bij de herziening van de Richtlijn Luchtkwaliteit zet Nederland zich ervoor in om de huidige grenswaarden meer in lijn te brengen met de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en om deze te ondersteunen met specifiek bronbeleid. Het Rijk speelt een actieve rol bij de herziening van de RIE en de herziening van de Richtlijn Luchtkwaliteit. Om emissies naar de lucht verder te reduceren zijn ambitieuze emissiegrens- waarden van belang. Als onderdeel van de RIE worden op Europees niveau BBT-conclusies met achterliggende BREF-documenten opgesteld. Nederland zet in op ambitieuze emissiegrenswaarden en het verkleinen van de range van toegestane emissies. Daarbij werkt het Rijk samen 43 | Uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord 2024-2030
met vergunningverleners om kennis uit te wisselen en informatie te verzamelen die een BREF-herziening ondersteunen. Trekker Rijksoverheid (het ministerie van IenW). Overige Rijkswaterstaat, vergunningverleners en stakeholders bevoegd gezag. Planning Doorlopend. Beoogd effect Emissiereductie in binnen- en buitenland door ambitieus bronbeleid.
Pilot Industrie Vergunningverlening en handhaving Doel van de pilot is dat binnen de provincie (als bevoegd gezag van IPPC-installaties) en haar omgevingsdiensten standaard scherp vergund wordt (binnen de BREF-range) en effectief gehandhaafd wordt op de emissie-eisen. Bij het sluiten van het Akkoord was het nog onduidelijk op welk niveau werd vergund en welke condities voor scherpe vergunning noodzakelijk zijn. De voorverkenning voor de pilot industrie en meerdere van genoemde maatregelen zijn erop gericht deze kennis op te doen en de vergunningverlening en handhaving te optimaliseren. Projecten die ertoe leiden om het (zoveel mogelijk) aan de onderkant van de BREFrange vergunnen goed van de grond te krijgen bij bevoegd gezag, zijn als pilot in te dienen. Denk bijvoorbeeld aan opleiding van vergunningverleners, toezichthouders en handhavers, of aan inhoudelijke ondersteuning bij vergunningverlening van installaties, die als voorbeeldcase dienen. Dit kan juridische, of technisch inhoudelijke ondersteuning zijn, of op het vlak van kosteneffectiviteit. De provincies hebben gezamenlijk een SpUk-aanvraag gedaan, waarmee cursussen voor omgevingsdiensten worden georganiseerd. Doel ervan is onder andere om vergunningverleners kennis te laten maken met instrumenten voor scherp vergunnen die er zijn, en juridische mogelijkheden toe te lichten.
Vrijwillige reductie In de pilot wordt daarnaast gekeken naar mogelijke condities en processen die bedrijven doen besluiten – vrijwillig – verder te gaan dan de eisen die zouden volgen uit het louter toepassen van BBT op het strengste niveau en die afdwingbaar zijn binnen de vergunning. Daarom is maatregel 1c vrijwillige reductie in de uitvoeringsagenda opgenomen.
9 Houtstook en particuliere huishoudens Luchtvervuiling uit woningen levert 14%9 van de gezondheidsschade op uit binnenlandse bronnen. Hieronder valt ook houtstook. De emissiecijfers van het RIVM laten zien dat het aandeel van houtstook in de emissies van primair fijnstof (PM2,5) vanwege de gewijzigde berekeningswijze is toegenomen van 10% naar 23%. Zonder aanvullend beleid zal de relatieve bijdrage van houtstook van particuliere huishoudens toenemen. Met de maatregelen uit het Schone Lucht Akkoord (SLA) wordt een afname van de gezondheidseffecten nagestreefd.
Ontwikkelingen tot 2024 Doel voor het thema houtstook is een dalende trend van emissies van houtstook naar lucht te realiseren ten opzichte van 2016. Speciale aandacht gaat daarbij uit naar het creëren van een gezondere leefomgeving met name ook voor gevoelige groepen. Tot 2023 lag de focus voor communicatie op het vergroten van de algemene aandacht voor houtstook en het terugdringen van de overlast via bijvoorbeeld tips voor schoner stoken. Vanaf 2023 ligt de focus op de bewustwording van de negatieve gezondheidseffecten van houtstook en het terugdringen van houtstook in het algemeen.
9
Vanaf 2021 zijn condensables (condenseerbare gassen) uit houtstook meegenomen in de emissieregistratie.
44 | Uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord 2024-2030
Het ministerie van IenW heeft in 2019 voorlichtingsmateriaal ontwikkeld voor gemeenten. Deze communicatietoolkit is in 2024 herzien. Er wordt ook gewerkt aan een landelijke communicatie-aanpak. Daarnaast moeten sinds 1 januari 2022 alle nieuwe kachels die op de Europese markt verkocht worden voldoen aan de Europese EcoDesign Verordening. In 2022 is er een Routewijzer houtstook en overlast opgesteld door gemeenten, omgevingsdiensten, RIVM, GGD GHOR, TNO, RWS en IenW. Deze routewijzer biedt gemeenten een handreiking (stappenplan) die ze kunnen toepassen bij overlast door houtstook. Daarnaast onderzoekt de Rijksoverheid samen met geïnteresseerde gemeenten en andere partners houtrook-meetmogelijkheden voor zowel de lokale gezondheidsimpact als geur(hinder). Sinds 1 november 2019 is er een landelijke stookalert op dagen met voor houtstook ongunstig weer. In 2023 is er een traject gestart om de Stookwijzer en het stookalert te integreren en te verbeteren. Daarnaast zijn er binnen de houtstook-pilots een aantal producten ontwikkeld om gemeenten handvatten te bieden om op een laagdrempelige manier stappen te zetten met betrekking tot houtstook.
De maatregelen Voor houtstook zijn in het SLA een aantal afspraken opgenomen. Deze zijn hier verder uitgewerkt in maatregelen. Een aantal maatregelen wordt uitgevoerd door provincies en gemeenten; voor andere maatregelen is het Rijk verantwoordelijk. De uitstoot van houtkachels is op verschillende manieren aan te pakken. De SLA-maatregelen laten zich onderverdelen in drie sporen: • Spoor 1: Voorlichting en informatie; • Spoor 2: Regelgeving uitstoot; • Spoor 3: Handhaving houtstook. Daarnaast zijn er twee pilots: • Pilot Houtstookvrije/houtstookarme wijken (afgerond 2023); • Pilot Stookverbod tijdens een stookalert (afgerond 2023). Spoor 1: Voorlichting en informatie
Niet elke stoker is zich ervan bewust dat houtstook de lucht op leefniveau verontreinigt en de gezondheid van de stoker zelf en van omwonenden negatief kan beïnvloeden. Daarom is bewustwording en voorlichting een belangrijk spoor in het thema houtstook. Gemeenten beschikken over voorlichtingsmateriaal over houtstook via de communicatietoolkit. Daarnaast wordt er een landelijke communicatieaanpak ontwikkeld. Dit spoor geeft invulling aan de SLA-maatregelen 1, 2 en 8 voor houtstook. Spoor 2: Regelgeving uitstoot
Het ontmoedigen van houtstook komt in de communicatie voorop te staan. Echter, houtstook mag nog wel. Emissieeisen zijn vastgelegd in EU-regelgeving; uitvoering ligt vast in Nederlandse wetgeving. Emissies van houtstook zijn het beste te reduceren door minder te stoken. In Nederland is het sinds 1 januari 2022 verboden om nieuwe kachels te verkopen die niet aan Ecodesign voldoen. Deze kachels zouden minder emissies moeten hebben dan oudere typen kachels. Naast eventuele regelgeving ten aanzien van emissies, wordt uitgezocht of er in gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid en/of waar huizen dicht op elkaar staan of waar al een milieuzone bestaat, een houtstookvrije zone in te stellen is. Ook worden de mogelijkheden onderzocht voor het opstellen van een houtstookvrije zone bij locaties waar hooggevoelige groepen langdurig verblijven, zoals scholen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Met het ingaan van de Omgevingswet zijn er nieuwe mogelijkheden om (overlast van) houtstook tegen te gaan, bijvoorbeeld door het instellen van houtstookvrije zones. Samen met geïnteresseerde gemeenten en het ministerie van BZK wordt in beeld gebracht wat deze nieuwe mogelijkheden zijn, hoe deze in 45 | Uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord 2024-2030
te vullen zijn en wat het Rijk kan doen om gemeenten daarbij te helpen. Dit spoor geeft invulling aan de SLA-maatregelen 3, 4, 5 en 11 voor houtstook. Spoor 3: Handhaving houtstook
Het Rijk werkt samen met gemeenten aan het ontwikkelen van een toetsingskader voor de beoordeling van houtstookoverlast en de gezondheidsimpact. Komend jaar wordt met name ingezet op mogelijkheden om geuroverlast objectief te toetsen, zodat gemeenten kunnen handhaven op overlast door houtstook. Samen met het RIVM wordt gewerkt aan de integratie van de Stookwijzer en het stookalert zodat er straks één eenduidig en helder instrument is waarop gemeenten zich kunnen baseren bij een stookverbod (bij code rood, bij code oranje en rood of bij ongunstige weersomstandigheden) en dit kunnen handhaven. Dit spoor geeft invulling aan de SLA-maatregelen 6, 7, 9 en 10 voor houtstook.
Stakeholders Bij de uitwerking van de maatregelen en pilots worden externe stakeholders nauw betrokken. Enerzijds gaat het om het bedrijfsleven (de kachelbranche) anderzijds om nietgouvernementele organisaties (NGO’s) die mensen vertegenwoordigen die gezondheidseffecten ondervinden van houtstook. Daarnaast worden (naast gemeenten en provincies) omgevingsdiensten, GGD GHOR en kennisinstellingen betrokken, omdat zij veel kennis in huis hebben.
1 Voorlichting en informatie (spoor 1) 1a Ontwikkelen en beschikbaar stellen van voorlichtingsmateriaal SLA-maatregel 1 Houtstook Voorlichting. De Rijksoverheid stelt in 2019 voorlichtingsmateriaal beschikbaar voor provincies en gemeenten waarin aandacht wordt besteed aan de gezondheidseffecten van houtrook (zowel winter- als zomerstook). Gemeenten en provincies zetten actief in op de inzet van voorlichting over houtstook via hun eigen communicatiekanalen op basis van het landelijk ontwikkelde materiaal, onder andere door op hun website en social media aandacht te geven aan de gezondheidsimpact van houtstook.
Het ministerie van IenW heeft in 2019 voorlichtingsmateriaal over houtstook ontwikkeld. Jaarlijks wordt voorafgaand aan het stookseizoen bekeken of en hoe dit materiaal
herijkt moet worden. Provincies en gemeenten kunnen het materiaal gebruiken voor voorlichting aan burgers. Burgers ontvangen zo informatie over de effecten van houtstook en de mogelijkheden om bewust(er) te stoken. De mogelijkheden om bewuster te stoken worden komend jaar aangepast naar meer bewustzijn van de negatieve effecten van houtstook en naar (vrijwillig) minder stoken, met name als de weersomstandigheden ongunstig zijn. Dit omdat er een stijgende trend te zien is in het stoken van hout en bewuster stoken niet helpt om de overlast daarvan te verminderen. Daarnaast wordt er de komende jaren gewerkt aan een landelijke communicatieaanpak. Het voorlichtingsmateriaal wordt herzien, zodat het geactualiseerde voorlichtingsmateriaal overeenkomt met de landelijke boodschap. Trekker Ministerie van IenW. Overige Rijkswaterstaat, RIVM, gemeenten, provinstakeholders cies, Milieu Centraal, Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Interprovinciaal Overleg (IPO), GGD GHOR. Planning Doorlopend. Beoogd effect Vermindering van luchtemissies door het actief delen van voorlichtingsmateriaal over gezondheidseffecten en het ontmoedigen van het stoken van hout. Het voorlichtingsmateriaal biedt ondersteuning bij de communicatie over houtstook en helpt bij het creëren van bewustwording.
1b Voorlichting meenemen bij energietransitie en aardgasvrije wijken SLA-maatregel 2 Houtstook Partijen besteden in de communicatie aan bewoners rondom de energietransitie en gasloze wijken aandacht aan de gezondheidseffecten van houtrook.
De energietransitie is een belangrijk thema waarmee overheden de komende jaren aan de slag gaan. De ambitie is om Nederland voor 2050 aardgasvrij te maken. Er is afgesproken dat gemeenten burgers informeren over de gezondheidseffecten van houtstook in de energietransitie. Woningeigenaren en huurders kunnen deze gezondheidseffecten meewegen in hun keuze voor een verwarmingsbron. Naast het opstellen van de Regionale Energie Strategieën (RES-en) hebben gemeenten warmtevisies en wijkuitvoeringsplannen (WUP’s) opgesteld. De effecten van houtrook hebben gemeenten ook opgenomen in deze WUP’s. Waar nodig ondersteunen de ministeries van IenW, EZK en BZK hierin. Informatie staat op de website regionale energiestrategie.
46 | Uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord 2024-2030
Trekker Gemeenten. Overige Ministeries van IenW, BZK en EZK en provinstakeholders cies. Planning Doorlopend. Beoogd effect Bewustwording van gezondheidseffecten en luchtkwaliteit door het gebruik van houtkachels bij de keuze voor verwarmingsbronnen. 1c Stookalert Maatregel 8 Houtstook Stookalert. Vanaf 1 november 2019 voert de Rijksoverheid een landelijk stookalert in op dagen met ongunstig weer. Bij ongunstig weer of een slechte luchtkwaliteit blijft de rook hangen en wordt door het RIVM een stookalert afgekondigd waarmee bewoners wordt afgeraden om de kachel aan te steken. De Rijksoverheid zal het stookalert onder de aandacht brengen. Deelnemende provincies en gemeenten geven actief via hun eigen kanalen aan als er sprake is van een stookalert.
Het KNMI en het RIVM hebben het stookalert in 2019 ontwikkeld in opdracht van het ministerie van IenW. Een stookalert waarschuwt bezitters van kachels en/of open haarden om niet te stoken bij ongunstige (weers)omstandigheden, omdat de rook dan blijft hangen en overlast en gezondheidsklachten geeft voor de stoker en de directe omgeving. Gemeenten en provincies zullen actief communiceren via hun eigen kanalen als het stookalert wordt afgegeven, bijvoorbeeld via website applicaties, social media en radio/ tv. Ter ondersteuning van deze communicatie is er sinds februari 2022 door het ministerie van IenW voorlichtingsmateriaal beschikbaar gesteld over het stookalert. Dit materiaal werd in oktober 2023 aangepast omdat de nieuwe Stookwijzer op Atlas Leefomgeving staat en deze wijziging in het voorlichtingsmateriaal werd opgenomen. In 2023 is er een traject gestart om de Stookwijzer en het stookalert te integreren tot één instrument. Sinds oktober 2023 is de Stookwijzer te vinden op de Atlas Leefomgeving website. Deze Stookwijzer heeft extra functionaliteiten, zoals de optie “vooruitkijken” voor particulieren, zodat zij beter rekening kunnen houden met situaties waarin hun houtstook overlast kan veroorzaken. In 2024 volgen verdere stappen van de integratie en verbetering van de Stookwijzer. Dit traject wordt door het RIVM in opdracht van het ministerie van IenW gerealiseerd.
In 2024 komt er een bijbehorende app, waarmee geïnteresseerden notificaties op hun telefoon kunnen ontvangen als er bijvoorbeeld een code rood geldt voor hun postcode.
Trekker
Het RIVM (in opdracht van het ministerie van IenW). Overige Rijkswaterstaat, KNMI, RIVM, provincies en stakeholders gemeenten. Planning Doorlopend. Beoogd effect Bewustwording van het feit dat het stoken van hout kan leiden tot overlast voor de omgeving. Er wordt minder vaak gestookt tijdens zeer ongunstige weersomstandigheden of slechte luchtkwaliteit.
2 Regelgeving uitstoot (spoor 2) 2a Ecodesign-verordening verder aanscherpen SLA-maatregel 5 Houtstook In Benelux en Europees verband zet de Rijksoverheid zich, in overleg met de sector, in voor verdere aanscherping op termijn van de Ecodesign-eisen voor nieuwe (particuliere) hout- en pellet kachels. De Europese Ecodesign-verordening zet een stap naar minder emissies uit kachels. De Europese Ecodesign 2022 richtlijn schrijft voor aan welke eisen (nieuwe) hout- en pelletkachels moeten voldoen. Sinds 1 januari 2022 mogen alleen toestellen op de markt komen die aan de type-keureisen voldoen. De type-keureisen gaan over het rendement, de veiligheidsaspecten en de uitstoot (emissies). Als een kachel aan de type-keureisen voldoet, mag de fabrikant een CE-markering aanbrengen. Trekker Ministerie van IenW. Overige Nederlandse Haarden- en Kachelbranche stakeholders (NHK), Vlaamse overheid Werkgroep internationale samenwerking, Europese lidstaten. Planning Afgerond in 2020. Beoogd effect Minder fijnstofemissies door aanscherping van de emissie-eisen voor nieuwe kachels.
47 | Uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord 2024-2030
2b Onderzoek naar aanvullende maatregelen SLA-maatregel 11 Houtstook De Rijksoverheid onderzoekt de mogelijkheid en effecten van aanvullende maatregelen om overlast door onjuist stoken tegen te gaan, waaronder de invoering van het Duitse systeem, conform de aanbevelingen van het IBO-luchtkwaliteit, voor controle op goed stookgedrag en certificering van de installatie van de kachels.
In 2021 heeft de Rijksoverheid samen met een begeleidingscommissie en adviesgroepen verkend welke aanvullende maatregelen in de Nederlandse situatie kansrijk en effectief kunnen zijn om overlast van houtstook te verminderen. In opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft Royal Haskoning DHV, deze verkenning uitgevoerd. Doel van het onderzoek was om de effecten van een breed pallet van maatregelen in kaart te brengen. Het beleidsverkenningsrapport werd in maart 2022 gepubliceerd en geeft een eerste beeld van mogelijke maatregelen, een raming van de effectiviteit en de kosten en uitvoeringsaspecten van de onderzochte maatregelen. Belangrijke conclusie uit het onderzoek is dat een verdere vermindering van de emissies en overlast mogelijk is, maar dat er geen makkelijke maatregelen voor handen zijn om de emissies van houtstook omlaag te brengen. Maatregelen die de emissies en de overlast sterk kunnen verminderen, vragen veelal een substantieel budget en/of substantiële handhavingscapaciteit en uitvoeringslasten en/of kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor huishoudens met een houtkachel of openhaard. Ook vraagt de uitvoering van veel maatregelen niet alleen de inzet van het Rijk, maar ook de inzet en uitvoering van andere partijen als gemeenten, provincies, uitvoeringsdiensten en marktpartijen.
In het onderzoek worden de uitvoeringsaspecten en het mogelijke draagvlak globaal geduid. Om een keuze te kunnen maken uit de maatregelen hebben de pilotgroepen, de themagroep houtstook, de medeministeries en de stakeholders zich kunnen uitspreken over de uitkomsten van het rapport. In de verzamelbrief Luchtkwaliteit is opvolging gegeven aan het beleidsverkenningsrapport. Maatregelen die in de komende jaren worden uitgewerkt en/of uitgevoerd zijn: (1) een landelijke communicatieaanpak (voorlichting en ontmoediging); (2,3) houtstookvrije zones in dichtbevolkte gebieden en bij scholen, ziekenhuizen en verpleeghuizen; (4) integratie en verbetering van de Stookwijzer en het stookalert; en (5) een pilot waarin verkend wordt hoe huishoudens die houtstook als hoofdverwarming hebben, gestimuleerd kunnen worden om over te stappen op een alternatieve vorm van (hoofd) verwarming.
Trekker Rijksoverheid (IenW). Begeleidings- Ministerie van IenW, BZK, Rijkswaterstaat, commissie RIVM, provincie Utrecht, gemeente Rotterdam. AdviesgroepenGemeente Utrecht, GGD Utrecht, gemeente Maastricht, Stichting Houtrookvrij, Longfonds, Nederlandse Haarden- en Kachelbranche, TNO. Overige Gemeente Helmond, Milieu Centraal, diverstakeholders se omgevingsdiensten: Omgevingsdienst IJmond, regio Nijmegen, regio Utrecht, Zuid-Holland-Zuid, TFZ Bayern, Algemene Schoorsteenvegers Patroons Bond, Vlaamse Milieumaatschappij, Woonbond (schriftelijke inbreng). Planning 2021 – 2023: in 2022 publicatie van de eerste verkenning. In 2023 de opvolging daarvan in de Verzamelbrief Luchtkwaliteit. Afgerond. Beoogd effect Inzicht in effecten en haalbaarheid van kansrijke aanvullende maatregelen. Verkenning Alternatieven voor houtstook als hoofdverwarming
In een representatieve flitspeiling die in november 2023 in opdracht van het ministerie van IenW door I&O Research is uitgevoerd kwam naar voren dat ongeveer 1,8% van de Nederlanders hout stookt als hoofdverwarming.10 In een pilot wordt verkend hoe degenen die houtstook als hoofdverwarming hebben, gestimuleerd kunnen worden om over te gaan op een alternatief. Trekker Ministerie van IenW en Rijkswaterstaat. Overige stake- Burgers, gemeenten en provincies. holders Planning 2024-2030. Beoogd effect Inzicht krijgen in de beste (meest succesvolle) aanpak om burgers met houtstook als hoofdverwarming te stimuleren om over te stappen op duurzame alternatieven.
10
Stoken van hout
48 | Uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord 2024-2030
3 Handhaving houtstook (spoor 3) 3a Routewijzer houtstook en overlast SLA-maatregel 6 Houtstook De Rijksoverheid actualiseert in samenwerking met geïnteresseerde gemeenten de toolkit Overlast van houtstook. Daarbij wordt onderzocht in hoeverre een onderbouwde gezondheidsschade kan worden meegenomen. Bij een positief resultaat kunnen gemeenten deze methode toepassen bij de handhaving bij overlast als gevolg van (onjuiste) toepassing van houtstook. Omgevingsdiensten, gemeenten, het RIVM, GGD GHOR, TNO, Rijkswaterstaat en het ministerie van IenW hebben samengewerkt aan een actualisatie van het Stappenplan bij houtstookoverlast. Het stappenplan heeft daarbij een nieuwe naam gekregen: Routewijzer houtstook en overlast. Deze routewijzer biedt gemeenten een handreiking bij overlast door houtstook. Ook de mogelijkheden voor gemeenten om hun eigen regels in omgevingsplannen op te stellen worden verkend. Bijvoorbeeld het stellen van aanvullende regels voor houtstook. De routewijzer beschrijft 3 routes, die elkaar kunnen aanvullen en versterken: • Een wijkgerichte ‘zachte’, preventieve aanpak; • De aanpak van ernstige overlastsituaties, waarover de gemeente klachten ontvangt; • Een aanpak met lokale regels om de luchtkwaliteit te verbeteren, overlast te verminderen en de handhaving bij overlastsituaties te vereenvoudigen.
De routewijzer is nu opgesteld en wordt de komende jaren periodiek geactualiseerd. Trekker Ministerie van IenW. Overige Gemeenten Arnhem, Helmond, Den Haag, stakeholders Venray, RIVM, GGD GHOR, omgevingsdiensten OZHZ, ODRA, ODIJmond, ODWB, Rijkswaterstaat, RIVM en TNO. Planning 2022: actualisatie van het stappenplan, ontwikkeling Routewijzer houtstook en overlast. Doorlopend: periodieke actualisatie. Beoogd effect Het creëren van een handreiking voor decentrale overheden en vermindering van overlast via voorlichting, wijkgerichte aanpak, stellen van regels en handhaving.
3b Meetmethode en gezondheidsimpact SLA-maatregel 7 Houtstook De Rijksoverheid test in 2020 in samenwerking met geïnteresseerde gemeenten de ontwikkelde methode voor het vaststellen van de lokale gezondheidsimpact van houtrook. Die methode is gebaseerd op het meten van de belangrijkste emittenten die bepalend zijn voor de gezondheidsimpact van houtrook. Bij een positief resultaat kunnen gemeenten deze methode mogelijk toepassen bij de handhaving bij overlast als gevolg van (onjuiste) toepassing van houtstook. In 2021 hebben RIVM, TNO, IRAS (universiteit Utrecht) en GGD Amsterdam het onderzoek Samenwerking Houtrookonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat houtrook te meten is met een continu metende roetmonitor. Voor toepassing bij handhaving moet de bijdrage van individuele kachels aan de blootstelling van de gehinderde aan te tonen zijn. Dat is op basis van het onderzoek met een enkele meting niet mogelijk. De Rijksoverheid heeft met onderzoekers, gemeenten en stakeholders overlegd om te bezien of er andere manieren zijn om overlast aan te tonen voor handhaving. Voor handhaving is het belangrijk om niet alleen de blootstelling aan houtrook vast te stellen, maar ook welke specifieke hout- of pelletkachel hiervoor verantwoordelijk is en welk deel van de blootstelling uit andere bronnen afkomstig is.
Dat is vooralsnog niet mogelijk met alleen een meting nabij de stoker of gehinderde. Het ministerie van IenW gaat samen met het RIVM en andere stakeholders onderzoeken welke handhavingsmogelijkheden er zijn op basis van geuroverlast. De resultaten hiervan worden met de medeoverheden gedeeld. Trekker Ministerie van IenW. Overige Rijkswaterstaat, gemeenten en provincies, stakeholders TNO, RIVM, Universiteit Utrecht (IRAS) en GGD Amsterdam. Planning Afgerond – zie conclusies in de Kamerbrief over ontwikkelingen houtrookemissies. Beoogd effect Inzicht in de mogelijke meetmethoden of andere handhavingsmogelijkheden, inzicht in emissies van houtstook en inzicht in gezondheidsimpact van houtstook op burgers. 3c Doorsturen klachten vanuit Stookwijzer naar gemeenten SLA-maatregel 9 Houtstook De Rijksoverheid zorgt ervoor dat klachten die via de landelijke website Stookwijzer binnenkomen worden doorgestuurd naar de aangesloten gemeenten.
49 | Uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord 2024-2030
De melding van overlast via de Stookwijzer is voor burgers een laagdrempelige manier om aan te geven dat zij overlast van houtstook ervaren. De Stookwijzer stuurt de meldingen automatisch door naar de deelnemende gemeenten. Dit geeft gemeenten inzicht in wanneer overlast wordt ervaren, evenals de omvang en mate van de lokale hinder. In november 2021 hebben alle gemeenten die destijds niet waren aangesloten bij de Stookwijzer een brief ontvangen van de staatssecretaris, met daarin de oproep om zich aan te sluiten. In februari 2024 waren er in totaal 136 gemeenten aangesloten bij de Stookwijzer. In 2023 werd er een traject gestart om de Stookwijzer en het stookalert te integreren tot één instrument. Sinds oktober 2023 is de Stookwijzer te vinden op de Atlas Leefomgeving website en heeft deze extra functionaliteiten zoals de optie “vooruitkijken” voor particulieren (zodat zij beter rekening kunnen houden met situaties waarin hun houtstook overlast kan veroorzaken). In 2024 volgen verdere stappen van de integratie en verbetering van de Stookwijzer. Dit traject wordt door het RIVM in opdracht van het ministerie van IenW gerealiseerd. In 2024 komt er een bijbehorende app, waarmee geïnteresseerden notificaties op hun telefoon kunnen ontvangen als er een code rood geldt voor hun postcode. Trekker Ministerie van IenW en het RIVM. Overige Rijkswaterstaat, gemeenten en provincies.
stakeholders Planning Doorlopend. Beoogd effect Meer inzicht in de omvang van lokale hinder. Laagdrempelige methode voor burgers om overlast te melden. Verbetering van de Stookwijzer. 3d Acteren door gemeenten bij herhaalde overlast SLA-maatregel 10 Houtstook Deelnemende gemeenten acteren daarop als sprake is van herhaalde overlast op een bepaalde locatie. Gemeenten nemen de meldingen van de Stookwijzer in ontvangst en kunnen bij herhaalde overlast optreden op basis van de meldingen. Hiervoor kunnen zij gebruik maken van de geactualiseerde Routewijzer houtstook en overlast. Bij herhaalde overlast kan bijvoorbeeld voorlichting aan stokers gegeven worden en kan buurtbemiddeling of handhaving ingezet worden. Gemeenten kunnen de specifieke zorgplicht verduidelijken of nadere regels stellen in het omgevingsplan, bijvoorbeeld door toetsingscriteria op te stellen voor het beoordelen van overlast of een wijkgerichte aanpak. De Themagroep houtstook wisselt kennis uit. Best practices en tips over een effectieve aanpak worden gedeeld met andere gemeenten en stakeholders.
Trekker Gemeenten. Overige stake- NHK, GGD GHOR, bewoners en diverse holders stakeholders. Planning Doorlopend. Beoogd effect Afnemende overlast voor bewoners bij herhaalde houtstook.
4 Pilot Houtrook SLA-maatregel 12 Houtstook Bij positieve uitkomsten van de hieronder genoemde pilot houtrook verkennen gemeenten de mogelijkheden om dit toe te passen.
Pilot Houtstookarme / Houtstookvrije Wijken Een aantal geïnteresseerde gemeenten hebben meegedaan aan een pilot waarin onderzocht werd welk pakket van maatregelen het meest adequaat is om te zorgen voor zo min mogelijk (overlast van) houtstook en wat erbij komt kijken om een nieuwbouwwijk houtstookarm te maken/te houden. De focus lag op de juridische en praktische mogelijkheden om houtstook te beperken en houtstookarme buurten te realiseren. De gemeenten hebben jaarlijks hun kennis en ervaring uitgewisseld via de Themagroep houtstook en resultaten gedeeld via de samenwerkingsruimte. Iedere gemeente heeft een eigen invulling aan de pilot gegeven. In Utrecht lag de focus op een stadsbrede benadering van de aanpak van de houtstookproblematiek, met een voorlichtingscampagne (Utrechtse stookstandaard), houtstooktrainingen en een subsidieregeling om het gebruik van open haarden en oude houtkachels uit te faseren. De gemeente Helmond onderzocht de mogelijkheden voor een houtstookarme nieuwbouwwijk. In Nijmegen heeft men zich gericht op de bewustwording van de gezondheidseffecten. In Nijmegen-West werd een proef met een subsidieregeling uitgevoerd. De subsidieregelingen voor het verwijderen van rookkanalen/kachels was heel succesvol. Het ministerie van IenW heeft daarom in 2023 een soortgelijke cofinanciering voor geïnteresseerde gemeenten opgesteld.
SLA-gemeenten konden via de SLA SpUks cofinanciering aanvragen voor het oprichten van een dergelijke lokale subsidieregeling. Onder de Omgevingswet bestaan er nu meer mogelijkheden voor gemeenten om houtstookvrije wijken en zones op te stellen. Om gemeenten hierbij te ondersteunen zijn er in opdracht van het ministerie van IenW blauwdrukken met juridische handvatten ontwikkeld. De Pilot Houtstookvrije wijken is in 2023 afgerond. Het doel van deze pilot was om de mogelijkheden voor gemeenten te onderzoeken om houtstookvrije/arme wijken te realiseren. Gemeenten waren zowel geïnteresseerd in houtstookarme/ vrije nieuwbouwwijken als in het aanpassen van bestaande 50 | Uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord 2024-2030
wijken. De concrete aanpakken van de pilotgemeenten zijn terug te vinden onder het thema houtstook op de SLA website. Er zijn twee producten binnen deze pilot ontwikkeld. Het eerste product werd door de gemeente Helmond gerealiseerd. Zij hebben een juridische verkenning uitgevoerd naar de mogelijkheden om een houtstookarme wijk onder de Omgevingswet op te stellen. Het tweede product is in opdracht van IenW opgesteld door een juridisch bureau. Het gaat hierbij om juridische blauwdrukken voor het opstellen van houtstookvrije zones en wijken onder de Omgevingswet. Deze blauwdrukken zijn opgesplitst in verschillende modules met verschillende mogelijkheden; bijvoorbeeld houtstookvrije zones bij ziekenhuizen, scholen en verpleeghuizen. Elke module bevat knip-en-plak regels die geïnteresseerde gemeenten kunnen gebruiken in hun omgevingsplannen. Beide producten zijn terug te vinden onder het thema houtstook op de SLA website. Trekker
Ministerie van IenW, Rijkswaterstaat en de gemeenten Utrecht, Helmond en Nijmegen. Overige Burgers, lokale aanbieders van kachels/ stakeholders NHK, Veiligheidsregio/Brandweer en SLAdeelnemers. Planning
2020 – 2024: afgerond. 2024: Het ministerie van IenW gaat in een apart traject verkennen wat de mogelijkheden zijn voor het opstellen van houtstookvrije zones in dichtbevolkte gebieden en rondom scholen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Beoogd effect Minder houtstookemissies in wijken. Inzicht in de mogelijkheden om eisen te stellen aan houtstook, uitstoot en fysieke omgeving en in de mogelijkheden voor handhaving en toezicht. Inzicht in de wijze waarop bewoners betrokken kunnen worden en kunnen worden verleid tot wijziging in hun stookgedrag. Inzicht in mogelijkheden in het omgevingsplan voor aanvullende regels. Kennisdeling vindt plaats en gemeenten gaan succesvolle maatregelen toepassen. Pilot Stookverbod bij een RIVM-Stookalert De Pilot Stookverbod bij een RIVM-stookalert is in 2023 afgerond. Het doel van de pilot was om uit te zoeken wat de mogelijkheden zijn voor gemeenten om een lokaal stookverbod bij een RIVM-stookalert in te stellen. De volgende producten zijn in dit traject gerealiseerd. In 2021 heeft het RIVM op verzoek van IenW een memo opgesteld met de uitgangspunten van het stookalert. Het doel van de memo was om de onderbouwing van het stookalert transparant
weer te geven en om duidelijk te maken wat het doel van het stookalert is. Daarnaast zijn er binnen deze pilot twee voorbeeldregels ontwikkeld. Het eerste voorbeeld van een beleidsregel werd door de gemeente Rotterdam opgesteld en is gebaseerd op het Bouwbesluit. Landsadvocaat Pels Rijcken heeft op basis van deze beleidsregel een juridische analyse (second opinion) opgesteld. Het tweede voorbeeld van een beleidsregel is gebaseerd op de Omgevingswet en door een werkgroep binnen de pilot ontwikkeld. Daarnaast is er een werkinstructie toezicht en handhaving houtstook opgesteld. Deze is op het Bouwbesluit gebaseerd. Verder is er binnen de pilot onderzoek gedaan naar de juridische mogelijkheden om een stookverbod op te leggen tijdens het stookalert. Tot slot zijn er communicatiedraaiboeken en communicatiematerialen ontwikkeld voor een gefaseerde lokaal-stookverbod aanpak. De draaiboeken zijn gebaseerd op een stookverbod tijdens een code rood van de Stookwijzer en betreffen de introductie van een stookverbod in een gemeente en de communicatie op de dag zelf van een stookverbod. Alle producten zijn terug te vinden onder het thema houtstook op de SLA website.
rood van de Stookwijzer wel een handhaafbaar stookverbod kunnen instellen. Het advies is nu om een lokaal stookverbod op basis van een code rood van de Stookwijzer in te stellen in plaats van een stookalert. Het juridische probleem wordt dan ondervangen omdat de huidige Stookwijzer op een postcode-4 niveau werkt. Dat betekent dat handhavers er zeker van kunnen zijn dat op een specifieke locatie de weersomstandigheden dermate ongunstig zijn dat niet gestookt zou moeten worden (dus code rood of code oranje en rood van de Stookwijzer).
Eén van de problemen bij het instellen van een stookverbod op basis van een stookalert was dat het gebied van een stookalert te groot was (provincie-niveau) om hierop effectief te handhaven. Daarnaast is een stookalert zo gedefinieerd dat als voor de helft van een provincie een code rood geldt (dus de weersomstandigheden zijn dermate ongunstig dat het beter is om niet te stoken), voor de hele provincie een stookalert wordt afgegeven. Dat levert juridische problemen op, omdat handhavers niet kunnen aantonen dat op een specifieke locatie ook daadwerkelijk een code rood geldt of gold. Het stookalert was initieel ook als voorlichtingstool ontwikkeld. Dit betekent dat de onderbouwing van het stookalert minder geschikt is om hierop een stookverbod te baseren. IenW heeft daarom het RIVM de opdracht gegeven om de Stookwijzer te verbeteren en verder te ontwikkelen, zodat gemeenten op basis van een code
Voor het begrijpen, uitwerken en uitvoeren van de maatregelen kunnen alle SLA-deelnemers terugvallen op basisinformatie over de betreffende houtstookmaatregelen. Deze informatie wordt verstrekt via diverse kanalen, zoals het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) en de samenwerkruimte van het Schone Lucht Akkoord.
51 | Uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord 2024-2030
Trekker
Ministerie van IenW, Rijkswaterstaat en gemeenten. RIVM, omgevingsdiensten.
Overige stakeholders Planning 2020 – 2024: afgerond. Beoogd effect Minder houtstookemissies in wijken en inzicht in de juridische mogelijkheden.
5 Informatievoorziening
Trekker
Deelnemers aan de themagroep Houtstook: gemeenten, provincies en Rijksoverheid. Overige Milieu Centraal, GGD, RIVM, KNMI en stakeholders Rijkswaterstaat. Planning Vanaf 2021. Doorlopend. Beoogd effect Begrip, uitwerking en uitvoering van de maatregelen.
10 Binnenvaart en havens
De binnenvaart draagt gemiddeld 6% bij aan de negatieve gezondheidseffecten van luchtvervuiling uit binnenlandse bronnen. Rondom vaarwegen kan deze bijdrage aanzienlijk hoger zijn. In het Schone Lucht Akkoord (SLA) is daarom het streven gedefinieerd om bij de binnenvaart een emissiereductie van verontreinigende stoffen te realiseren van ten minste 35% in 2035 ten opzichte van 2015. Een belangrijk deel van de verbetering van de luchtkwaliteit wordt gerealiseerd door de activiteiten binnen de Green Deal Zeevaart, Binnenvaart en Havens. Er zijn ook middelen beschikbaar gesteld om de uitstoot van schadelijke stoffen naar de lucht en de CO2-uitstoot door de binnenvaart en zeevaart terug te dringen. Bij de uitvoering van de SLAafspraken wordt samengewerkt en beide trajecten versterken elkaar in het streven naar een schonere scheepvaartsector. De lokale overheden die het SLA hebben ondertekend, committeren zich aan de doelstelling van het behalen van gezondheidswinst. De zeven SLA-maatregelen voor Binnenvaart en havens worden door de SLA-deelnemers, waar relevant, opgenomen in decentrale uitvoeringsplannen. Vanuit (SpUk) initiatieven wordt een pilot aanpak schone havens uitgewerkt met het SLA themateam Binnenvaart.
52 | Uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord 2024-2030
Ontwikkelingen tot 2024 In de uitvoering staan centraal: walstroom bevorderen, zero-emissie aanbesteden en inkopen (gunningscriteria) om te werken naar de zero-emissie binnenhavens in 2035 zowel aan de wal (droge kant) als bij de binnenvaartschepen. Om walstroom fiscaal te stimuleren (maatregel 1a) is vanaf 2021 de energiebelasting op walstroom sterk verlaagd. Voor maatregel 1b (realisatie walstroomvoorzieningen) wordt gewerkt aan walstroom voor Rijksligplaatsen met het doel om in 2030 alle Rijksligplaatsen van walstroom voorzien te hebben. Ook is de afgelopen jaren de SpUk SLA veelvuldig aangevraagd voor walstroom. Met diverse kennisdocumenten ‘verduurzaming binnenvaart’ is gewerkt aan maatregel 2: ‘Verduurzaming binnenvaart’. Dit onder meer door de invoering van het emissielabel binnenvaart, waarmee uniforme systematiek van bijvoorbeeld gedifferentieerde haventarieven en kortingen in te voeren zijn. Daarnaast is een kennisdocument opgesteld over emissiereducerende technieken voor binnenvaartschepen (zie Binnenvaart en havens - Schone Lucht Akkoord). Er wordt voor de Green Deal Scheepvaart gewerkt aan een convenant met relevante partijen om de toepassing van het emissielabel mogelijk te maken. Ook beleidsinstrumenten als het verbieden van aggregaten/generatoren als er walstroom aanwezig is en differentiatie van havengelden
aan de hand van het emissielabel worden verder ontwikkeld. Zie kennisdocumenten zoals Schone havens en binnenvaart, fase 1 - Schone Lucht Akkoord. Maatregel 3 en 4 Voor gunningscriteria bij aanbestedingen van infrastructurele projecten is de routekaart SEB van toepassing. Voor overheden is er een SpuK SEB (€ 180 milj) en voor de markt de subsidie SEB voor de meerkosten van emissievrije uitvoering van bouwwerkzaamheden (waaronder voor baggeren en onderhoud vaarwegen en havenbekkens). Voorbeelden van emissievrij uitgevoerde aanbestedingen zijn onder andere verzameld in het Kennisdocument gunningscriteria voor aanbestedingen en launching customership. Maatregel 4 en 5 Gunningscriteria voor aanbestedingen en launching customership (zie Schone havens en binnenvaart, fase 1 - Schone Lucht Akkoord). Dit document bevat voorbeelden van elektrificatie van de eigen vloot van overheden (werkschepen). Overheden passen al volop emissies in gunningscriteria toe bij veerdiensten, watertaxi’s en pleziervaart. Voor voorbeelden zie thema binnenvaart en havens op de SLA website. Maatregel 6 EU-fonds stimulering schone motoren. Zie de regeling “Subsidieregeling Verduurzaming Binnenvaartschepen”. Maatregel 7 Duurzame binnenhavens. Hier verkennen en werken SLA-ondertekenaars aan het samenbrengen van de maatregelen in een integrale aanpak voor een duurzame binnenhaven.
SLA pilots kunnen hiervoor een SpUk aanvragen.
1 Realiseren van walstroomvoorzieningen SLA-maatregel 1 Binnenvaart en havens De Rijksoverheid onderzoekt welke vorm van stimulering van walstroom het meest geschikt is (bijvoorbeeld fiscaal of subsidie). Daarbij wordt gekeken naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van de instrumenten. Op basis van deze analyse wordt eind 2019 een politiek besluit genomen over de uiteindelijke vormgeving van de maatregel vanaf 2021. Partijen stellen tot doel om voor alle locaties nabij substantiële bebouwing en hoge blootstelling, walstroomvoorzieningen te realiseren.
Bij gebruik van walstroom stoten schepen geen emissie naar de lucht uit als zij in havens aan de kade liggen. De maatregelen zijn gericht op het creëren van de voorzieningen en 53 | Uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord 2024-2030
het stimuleren van het gebruik van walstroom. 1a Fiscale stimulering walstroom Deze maatregel is ingevoerd: vanaf 2021 is de energiebelasting op walstroom sterk verlaagd. Dit stimuleert de toepassing van walstroom. Bij behandeling van het Belastingplan 2024 is amendement Omtzigt aangenomen, waardoor het fiscale voordeel in tien jaarlijkse stappen wordt teruggedraaid. 1b Realisatie walstroomvoorzieningen Doel
In de decentrale uitvoeringsplannen hebben partijen aangegeven op welke locaties zij van plan zijn om walstroom te realiseren. Naar verwachting zijn van de 2.500 tot 3.250 openbare ligplaatsen in Nederland voor binnenvaartschepen er 1.000 voorzien van walstroom. De haven van Rotterdam heeft hiervan zo’n 480 punten. Aan de hand van een inventarisatie van bestaande en geplande walstroompunten wordt een ontwikkelplan opgesteld voor de uitrol van walstroom op publieke kades van alle betrokken SLAdeelnemers. Inzet van de Rijksoverheid is dat alle Rijksligplaatsen die daarvoor geschikt zijn in 2030 voorzien moeten zijn van walstroom. Echter door problematiek zoals netcongestie is dit wellicht niet overal realiseerbaar. Uitvoering tot nu toe
Er wordt samenwerking gezocht met onder andere het Walstroomcollectief, een samenwerkingsverband van gemeenten, provincies, RWS en havenbedrijven die zich inzetten om walstroomvoorzieningen uit te breiden en het gebruik ervan te intensiveren. Dit collectief heeft een inventarisatie uitgevoerd van de vermogensbehoefte van bestaande en geplande walstroompunten. Ook is een marktconsultatie uitgevoerd onder aanbieders van walstroomvoorzieningen. Dit om de interesse te peilen in een gezamenlijke aanbesteding, die ook aandacht vraagt voor locaties waar beperkingen zijn voor netaansluiting. Meerdere SLA-ondertekenaars hebben SpUk-aanvragen gedaan voor walstroom of zijn dit nog van plan (gemeente Altena, Tilburg (walstroom in combinatie met batterij opslag), Lochem (uitbreiding bestaande walstroomkasten Port of Twente) en gemeente Papendrecht. Naast de ontwikkelingen van twee walstroompunten wordt hierbij ook de koppeling met een laadplein voor trucks nabij Kooihaven onderzocht. Gemeente Nijmegen zoekt het eigen financieringsdeel voor een aanvraag voor uitbreiding van walstroom op de Waalkade. Een andere aanvraag is in voorbereiding vanuit het walstroomcollectief voor een pilotlocatie voor het testen van nieuwe walstroomoplossingen, in het bijzonder voor locaties waar beperkingen zijn voor netaansluiting.
Het Rijk wil alle Rijksligplaatsen voorzien van walstroom. RWS heeft daarvoor in 2023 een inventarisatie gedaan naar alle ligplaatsen in het areaal van RWS. Daarbij is onderzocht welke Rijksligplaatsen daarvan kansrijk zijn om walstroom op uit te rollen. Uit het onderzoek blijkt dat er ca. 370 ligplaatsen geschikt zijn voor walstroom waarmee dagelijks circa 900 schepen te bedienen zijn. Vanwege de huidige problematiek van capaciteit en financiële middelen, kijkt het Rijk naar mogelijkheden voor een gefaseerde uitrol van walstroom op de Rijksligplaatsen. Aanvullende maatregelen en voorgenomen beleid betreffen subsidies voor walstroom voor zeeschepen in het kader van het stikstofbeleid (64 mln) en in het kader van het klimaatbeleid en AFIR (180 mln). Mogelijk komen er ook provinciale subsidies voor walstroom en voor de stikstofaanpak. Trekker
Deelnemers aan de themagroep Binnenvaart en havens. Overige Gemeenten, provincie Zuid-Holland en het stakeholders ministerie van IenW. Planning 2024: uitvoering pilots walstroom (op basis van SpUk-aanvragen). Beoogd effect Meer walstroomvoorzieningen.
2 Gebruik walstroom en verduurzaming binnenvaart SLA-maatregel 2 Binnenvaart en havens Waar walstroomvoorzieningen beschikbaar zijn verplichten partijen binnen de grenzen van hun wettelijke mogelijkheden de scheepvaart hiervan gebruik te maken en verbieden zij het gebruik van generatoren/aggregaten. Partijen delen actief de ervaringen en best practices bij de toepassing hiervan. Partijen streven inzet van gedifferentieerde tarieven/ kortingen op het binnenhavengeld ter verduurzaming van de binnenvaart, en streven naar uniformering in de te gebruiken systematiek.
Doel
Een aantal SLA-deelnemers heeft als onderdeel van hun decentrale uitvoeringsplannen een verbod ingesteld op het gebruik van generatoren. Dat stimuleert de binnenvaart om walstroom te gebruiken. In de pilot schone havens delen gemeenten hun ervaringen met het stimuleren van walstroomgebruik en schone binnenvaart. Deze ervaringen zijn vertaald in best practices die de basis vormen voor een blauwdruk voor andere gemeenten. Hiervoor is onderzoek gedaan naar uniforme systematiek van gedifferentieerde tarieven en kortingen (emissielabelsysteem) om de binnenvaart te verduurzamen. Er wordt 54 | Uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord 2024-2030
momenteel gewerkt aan een convenant met relevante partijen om de toepassing van het emissielabel in hun bedrijfsvoering mogelijk te maken. Uitvoering tot nu toe
Vanuit maatregel 2, onderdeel ‘verduurzaming’, is onderzoek gedaan naar uniforme systematiek van gedifferentieerde tarieven en kortingen (emissielabelsysteem) om de binnenvaart te verduurzamen. Daarnaast is als basis voor de blauwdruk uniforme stimulering een kennisdocument opgesteld over emissiereducerende technieken voor binnenschepen. In de kamerbrief van de minister voor Klimaat en Energie van 26 april 2023 over de voorjaarsbesluitvorming klimaat en in de brief van de staatssecretaris van IenW van 23 augustus 2023, is aangekondigd dat het emissielabel een wettelijke basis krijgt. En dat via een onderzoek wordt nagegaan aan welke scheepscategorie in welke periode een bepaald label op te leggen is. Doel: om in 2030 gemiddeld label B te behalen. Uit onderzoek zijn knelpunten naar voren gekomen voor het normeren van emissies, bijvoorbeeld door een emissielabel, en voor het unilateraal verplichten van het huidige emissielabel. Op basis daarvan kan worden geconcludeerd dat een verplichting van gemiddeld label B in 2030 voor de Binnenvaart juridisch niet uitvoerbaar is. In het derde kwartaal van 2024 wordt informatie over de te varen koers gedeeld met de betrokken partijen. Trekker Overige stakeholders Planning
Themagroep Binnenvaart en havens. Gemeenten, provincies en het ministerie van IenW. 2024: implementatie emissielabelsysteem door gemeenten, provincies en havenbedrijven, via pilots met Rotterdam en Nijmegen als goede voorbeelden. Beoogd effect Toenemend gebruik van walstroom en afnemend gebruik van generatoren en aggregaten. Introductie en uitrol van labelsysteem.