1. Ruimtelijke onderbouwing V3.0 (inclusief bijlagen)
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 75 van 128
beperkt kwetsbare objecten en PR10-6 voor kwetsbare objecten is daarmee ruimtelijk aanvaardbaar als toetsingskader voor de plaatsgebonden risicocontouren. De afstanden die bij deze normen worden gehanteerd, worden hierna geduid. Voor de bepaling van deze contouren wordt verwezen naar De 'Handreiking Risicozonering Windturbines' (v1.1, 20 mei 2020) en 'Handleiding Risicoberekeningen Windturbines' (versie oktober 2020) (hierna: Handboek risicozonering), als vervanger van het 'Handboek Risicozonering Windturbines' (2014) (hierna afgekort als: HRW).
Overige toetsingskaders Ook wordt voor de bepaling van de effecten op infrastructuren en objecten aansluiting gezocht bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Daarnaast hebben beheerders van infrastructurele werken randvoorwaarden voor situaties van uitval van belangrijke infrastructurele werken zoals grote gasleidingen en elektriciteitsvoorzieningen. Om hier rekening mee te houden is gekeken naar de invloed van plaatsing van windturbines op de leveringszekerheid en betrouwbaarheid van de nabije infrastructurele werken. In Tabel 5.11 staat het beoordelingskader voor veiligheid samengevat. Tabel 5.11 Beoordelingskader veiligheid Beoordelingscriterium
Effectbeoordeling
Toetswaarde van risico
Vergunningsafstand
Afkomstig uit
Bebouwing – Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten
Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen de maximale ligging van de plaatsgebonden risicocontour
max. PR 10-6 en max. PR 10-5
Verkeer – (Water)wegen
Rijkswegen binnen toetsafstanden
max IPR = 10-6 & max MR = 2x10-3 en invloed op gevaarlijke stoffen
Bij plaatsing op of boven gronden van Rijkswaterstaat
Beleidsregels van Rijkswaterstaat
Verkeer – Spoorwegen
Spoorwegen binnen toetsafstanden
max. IPR = 10-6 & max MR = 2x10-3 en invloed op gevaarlijke stoffen
11 meter vanaf het hart van het spoor
Beleidsregels beheerder (ProRail)
Industrie en risicovolle inrichtingen
Risico-inrichtingen en installaties binnen toetsafstanden en 10% toets voor significantie van effect
10%verwaarloosbaar toets en kwalitatieve effectbeoordeling
n.v.t
Onder- en bovengrondse transportleidingen
Toetsing aan effect op buisleiding en bijbehorend risico voor omgeving
Risicotoevoeging voor omgeving en trefkans van buisleiding
Adviesafstand uit de handleiding en handreiking risicozonering windturbines 2020)
Hoogspanningslijnen
Toetsing aan effect op hoogspanning
Trefkans van hoogspanningsnetwerk
Adviesafstand uit de handleiding en handreiking risicozonering windturbines 2020)
Dijklichamen en waterkeringen
Toetsing aan effect op waterkering
Trefkans van waterkeringen
Onderhavige ruimtelijke onderbouwing (ter vervanging van Activiteitenbesluit)
Bij plaatsing op of boven gronden van Rijkswaterstaat of Waterschap
Waterschap/ Rijkswaterstaat
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 76 van 128
5.4.2 Onderzoek Het Handboek risicozonering (HRW) adviseert een identificatieafstand waarbinnen het veiligheidsrisico voor objecten en infrastructuren onderzocht dient te worden. Deze afstand is gebaseerd op de maximale generieke werpafstand die plaatsvindt als windturbines tweemaal het nominale toerental draaien (ook wel 'overtoeren'). Objecten buiten deze afstand ondervinden geen risico en worden verder buiten beschouwing gelaten. Om de maximale effecten goed weer te geven wordt de werpafstand gehanteerd van een windturbine met een maximale werpafstand van 203 meter bij nominaal toerental en 518 meter bij overtoeren. Het windturbinetype wat gebruikt is voor bladworp is een Nordex N163/6.X op een ashoogte van 164 meter. Hiermee wordt een worst-case situatie inzichtelijk gemaakt voor momenteel beschikbare windturbinetypes. Voor de achterliggende berekeningen bij de hier genoemde afstanden wordt verwezen naar de externe veiligheidsanalyse in bijlage 4. Figuur 5.3 Weergave identificatieafstand
Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten De plaatsgebonden risicocontouren liggen volgens de vuistregels uit het HRW nooit verder dan de volgende afstanden: •
De PR10-5 contour ligt maximaal op een afstand van een halve rotordiameter (hier: 86 meter) en;
•
de PR10-6 contour ligt maximaal op de grootste afstand van of de tiphoogte of de werpafstand bij nominaal toerental (hier: 252 meter).
Voor de bepaling wat (beperkt) kwetsbare objecten zijn is aangesloten bij de definities uit artikel 1 lid 1 uit het Besluit externe veiligheid Inrichtingen (Bevi). Zo worden woningen met een plaatsingsdichtheid van meer dan 2 woningen per hectare gezien als kwetsbare objecten. Ook ziekenhuizen, scholen en andere gebouwen voor minder zelfredzame personen of gebouwen bestemd voor grote groepen langdurig
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 77 van 128
aanwezige personen met een hoge persoonsdichtheid zijn te definiëren als kwetsbare objecten. Kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlakte van meer dan 1.500 m 2 zijn kwetsbare objecten. Andere objecten waar personen in aanwezig kunnen zijn beperkt kwetsbare objecten. Beperkt kwetsbare objecten Bij de onderzochte opstelling zijn geen objecten aanwezig binnen de PR10 -5 contour. Kwetsbare objecten Er zijn drie objecten (gebouwen) aanwezig binnen de PR10 -6 contour. In Figuur 5.4 en Figuur 5.5 is te zien dat er drie gebouwen in de PR10-6 contour liggen en één er net buiten. De gebouwen zijn aangeduid met de letters A, B, C en D. Hieronder is een kort overzicht gegeven wat welk gebouw is:
•
terrein van Wehkamp met een groot pand (A; 54.916 m2) wat niet binnen de 1E-06 contour ligt, twee kleinere panden (C en D) die in zijn geheel hierbinnen liggen en een parkeerplaats, zie ook Figuur 5.5. De twee kleinere panden hebben op basis van het BAG geen of een overige gebruiksdoel en op basis van luchtfoto’s en Google StreetviewTM wordt hier geen langdurige aanwezigheid van personen verwacht. Deze zullen dan ook hooguit als beperkt kwetsbaar object worden beschouwd en mogen zodoende binnen de PR10-6 liggen.
•
Pand met woonfunctie (B); pand gelegen op een afstand van 245m en 275m van windturbine 2 en 3 respectievelijk. Deze woning is niet meer in gebruik en reeds wegbestemd. De verwachting is dat dit pand binnenkort geamoveerd zal worden. Geconcludeerd wordt dat dit object niet als kwetsbaar object wordt beschouwd.
Geconcludeerd wordt dat er geen bestaande kwetsbare objecten zijn gelegen binnen de PR 10 -6 contour.
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 78 van 128
Figuur 5.4 Weergave maximale ligging PR-contouren voor Energiepark Tolhuislanden
Figuur 5.5 Weergave maximale ligging PR-contouren windturbine 3
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 79 van 128
Ruimtelijke ontwikkelingen Naast invloed op bestaande objecten kunnen windturbines een invloed hebben op de mogelijkheden van bestemmingen in de nabije omgeving. Volgens het vigerende bestemmingsplan “Hessenpoort”38 zijn de volgende enkelbestemmingen gelegen binnen de maximale PR10-5 contour: •
Groen; Realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten is niet toegestaan.
De volgende enkelbestemmingen van bestemmingsplan “Hessenpoort” zijn gelegen binnen de maximale PR10-6 contour: •
Bedrijventerrein; Binnen de maximale PR10-6 contour mogen geen (bedrijfs)woningen en zelfstandige kantoren worden gerealiseerd. Kantoorruimte mag alleen worden gerealiseerd als ondergeschikt onderdeel van een bedrijf tot maximaal 2.000 m 2. Hierdoor zijn nieuwe kwetsbare objecten wel realiseerbaar binnen deze enkelbestemming. Om een indicatie te geven van de te verwachten overlap van de PR10-6 contour met het bedrijventerrein is de specifieke worst-case PR-contour berekend, welke anders is dan de generieke PR-contouren van 86 (PR10-5) en 252 (PR10-6) meter. De generieke PR-contouren zijn gebruikt als eerste indicatie, terwijl de specifieke PR-contouren een realistischer beeld geven van de daadwerkelijke PR-contouren die gerealiseerd gaan worden. In de praktijk liggen de specifieke PR-contouren altijd onder de generieke PR-contouren. De worst-case PR-contouren zijn berekend op basis van de bandbreedte uit Tabel 4.2 en komt uit op een PR10-5 contour van 61 meter en een PR10-6 van 203 meter. Deze overlap van deze PR10-6 contour met het bestemde bedrijventerrein is visueel weergeven in Figuur 5.6, waarin ook het bestemde bouwvlak is ingetekend. Met het huidige bestemmingsplan is het toegestaan een kwetsbaar object binnen de PR10 -6 contour te plaatsen.
•
De verkochte bouwvlakken zoals aangeleverd zijn kleiner dan de bestemmingsplanvlakken met de enkelbestemming bedrijventerrein. De uitgegeven bouwvlakken39 zijn inzichtelijk gemaakt (zie Figuur 5.7). Deze vlakken geven de ruimte binnen het bestemmingsvlak aan waar een gebouw wel daadwerkelijk in de praktijk ook gebouwd zal worden. Dit betekent dat dit de grens aangeeft tot waar de PR10-6 contour mag liggen zonder dat dit een belemmering voor de bouwmogelijkheden van de bedrijven oplevert. In de praktijk betekent dit dat de PR10-6 contour van windturbine 2 en 3 beperkt moeten worden tot 199m en 195m respectievelijk om geen belemmering te vormen voor eventuele toekomstige kwetsbare objecten.
•
Groen; Realisatie van kwetsbare objecten is niet toegestaan
•
Water; Realisatie van kwetsbare objecten is niet toegestaan
•
Verkeer; Realisatie van kwetsbare objecten is niet toegestaan
Geconcludeerd wordt dat er een beperkte overlap van de PR 10-6 contour met de enkelbestemming ‘bedrijventerrein’ optreedt. Als wordt gekeken naar de verkochte kavels op het bedrijventerrein (Figuur 5.7) zal een maximale PR10-6 contour van respectievelijk windturbine 2 en 3 van 199 en 195 meter resulteren in geen belemmeringen voor eventuele toekomstige kwetsbare objecten. In de aanvraag omgevingsvergunning is daarom verzocht om een vergunningvoorschrift op te nemen dat de PR10 -6 contour (o.b.v. uiteindelijk gekozen windturbinetype) van windturbine 2 en 3 respectievelijk maximaal 199 en 195 meter mag zijn.
38 39
Vastgesteld op 2 oktober 2012 Bron: verkooptekening gemeente Zwolle (09-03-2023),
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 80 van 128
Figuur 5.6 Overlap tussen worst-case PR-contouren en enkelbestemming ‘bedrijventerrein’
Figuur 5.7 Overlap tussen worst-case PR-contouren en verkochte bouwkavels als vlakken volgens de aangeleverde vlakkenkaart van Hessenpoort.
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 81 van 128
Groepsrisico Het groepsrisico is geen beoordelingskader voor windturbines, maar er kan wel op dit aspect ingegaan worden in het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing. De gevolgen van een ongeval voor een groep zijn wezenlijk anders voor een ongeval met gevaarlijke stoffen dan met een ongeval met een windturbine. Bij een ongeval met gevaarlijke stoffen kunnen slachtoffers vallen verspreid over een groot gebied afhankelijk van de wijze waarop de gevaarlijke stof zich verspreidt in de omgeving. Tevens zijn ook de elementen zelfredzaamheid en hulpverlening wezenlijk anders. Bij een ongeval met een windturbine zullen alleen slachtoffers vallen op de plekken waar eventueel afgebroken onderdelen van een windturbine terecht komen, hetgeen een beperkt gebied is. Om bij een ongeval met een windturbine een groep slachtoffers te krijgen moet er dus een grote personendichtheid zijn ter plaatse waar een onderdeel terecht kan komen. Indien er geen aanleiding is om een continue grote personendichtheid te verwachten binnen de contouren van een windturbine (PR 10 -5 / PR 10-6), dan valt een beoordeling van het groepsrisico van windturbines altijd positief uit. Voor objecten en gebouwen wordt al getoetst aan de PR-contouren. Er lijken in de nabije omgeving geen aanleidingen te zijn om een hoge personendichtheid te verwachten buiten de wegen en gebouwen.
Er is daarom geen aanleiding aanwezig om toetsing aan het groepsrisico voor dit project uit te laten voeren. Indien het bevoegd gezag eist dat het groepsrisico toch berekend moet worden, zal afgestemd moeten worden op welke wijze het groepsrisico berekend dient te worden.
Wegen Rijkswegen Het HRW stelt dat Rijkswaterstaat een vergunning afgeeft indien windturbines worden geplaatst op, in of over rijkswaterstaatwerken. Voor het verlenen van de vergunning hanteert Rijkswaterstaat een afstandseis van ten minste 30 meter of een halve rotordiameter. Alle drie de windturbines bevinden zich op een afstand groter dan de halve rotordiameter (86 meter) tot Rijkswegen, zie Figuur 5.8. Daarmee voldoen ze aan de gestelde afstandseisen waardoor er geen vergunning benodigd is. Alle drie de windturbines bevinden zich op een afstand groter dan de bladworp nominaal (203 meter) tot Rijkswegen, zie Figuur 5.8. Daarmee voldoen ze aan de gestelde afstandseisen waardoor er geen individueel passanten risico (IPR) en maatschappelijk risico (MR) berekening benodigd is.
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 82 van 128
Figuur 5.8 Wegen rondom Energiepark Tolhuislanden
Overige wegen Voor overige lokale wegen zijn geen algemene externe veiligheidsnormen van toepassing. Ter informatie worden de relevante lokale wegen hier kort benoemd. Windturbine 1 bevindt zich binnen de halve rotordiameter tot een ‘overige’ weg en lijkt te behoren tot de nabijgelegen boerderij voor toegang tot het nabijgelegen land. Hierdoor worden er geen significante hoeveelheden verkeer verwacht. Er zijn geen logische stopmomenten aanwezig langs deze wegen waarmee er geen langdurige verblijfstijd op deze wegen wordt verwacht. Gezien de zeer beperkte hoeveelheid verkeersbewegingen en de korte verblijfstijd nabij de windturbines zullen de risico’s voor passanten minimaal zijn en is nadere analyse van deze lokale wegen niet benodigd. Windturbine 2 en 3 bevindt zich binnen een halve rotordiameter tot een ‘overige’ weg Steenwetering. Op basis van de luchtfoto is dit een zand/fietspad waar net zoals de voorgaande weg geen significante hoeveelheden verkeer worden verwacht. Windturbine 2 bevindt zich ook nog naast een aftakking van dit zand/fietspad, waar ook geen significante hoeveelheden verkeer worden verwacht. De straat gelegen binnen de bladworp nominaal afstand van windturbine 3 is de Pommerenstraat met een busbaan en toegang tot een parkeerplaats van het bedrijventerrein (parkeerplaats zelf ligt er net buiten).
Er worden hier geen significante hoeveelheden verkeer verwacht. Ter informatie is het maximaal aantal passerende voertuigen welk binnen de MR van 2E-03 past berekend; 3.3 miljoen voertuigen per jaar. Dit aantal voertuigen gaat op deze straat niet worden bereikt.
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 83 van 128
Waterwegen Ook voor waterwegen geldt dat er enkel algemene beleidsregels beschikbaar zijn voor rijkswaterwegen. Voor overige waterwegen zijn geen algemene externe veiligheidsnormen van toepassing. Het hart van de dichtstbijzijnde waterweg in de omgeving (Overijsselsche Vecht) is gelegen op circa 1.724 meter afstand en de rand van het water is gelegen op 1.700 meter afstand. Dit is buiten de maximale effectafstand. Er zijn geen waterwegen die een risico ondervinden. Spoorwegen De eerste spoorweg in de omgeving ligt binnen de nominale bladworp afstand van de windturbine 1 en buiten de halve rotordiameter afstand van 86m. Dit betekent dat dit in ieder geval niet binnen 11 meter van het hart van het buitenste spoor ligt en er dus geen vergunningaanvraag benodigd is. Daarnaast is het ook buiten de minimaal 7,85 + halve rotordiameter (93,85m) wat het plaatsingsadvies van ProRail zelf is. Er zal dus geen onaanvaardbaar verhoogd risico voor de verkeersdeelnemers optreden als gevolg van de windturbines. Ter informatie is het maximaal aantal passerende trein welk binnen de MR van 2E-03 past berekend; ruim 85.000 treinen per jaar. Dit aantal treinen wordt op deze spoorweg niet bereikt.
Risicovolle inrichtingen en installaties Er zijn volgens de risicokaart (risicokaart.nl), geraadpleegd op 1 juni 2022, geen risicovolle installaties of risicovolle inrichtingen aanwezig binnen de maximale identificatieafstand van 518 meter. De eerste risicovolle inrichting is gelegen op ruim 700 meter afstand. De eventuele effecten op het nader te ontwikkelen energiecluster40 zijn beoordeeld in bijlage 4.
Buisleidingen Binnen de identificatieafstand bevindt zich één buisleiding. Het HRW geeft aan dat voor ondergrondse buisleidingen een adviesafstand geldt die gelijk is aan de tiphoogte van de windturbines óf indien deze groter is de werpafstand bij nominaal toerental van de windturbines. Op basis van maximale afmetingen zoals weergegeven in Tabel 4.2, wordt 252 meter aangehouden als toetsafstand. De toetsafstand ten opzichte van de nabijgelegen buisleidingen is weergegeven in Figuur 5.9. Hieruit volgt dat er geen buisleidingen binnen de toetsafstand liggen.
40
Regionaal Energiecluster Zwolle Noord, bestaande uit nieuwe hoogspanning installaties van TenneT en Enexis, groengasinstallatie en een waterstofhub
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 84 van 128
Figuur 5.9 De toetsafstand en nabijgelegen buisleidingen.
Overige leidingen Naast de hoofdgasinfrastructuur voor risicovolle stoffen zijn er mogelijk ook leidingen in het plangebied aanwezig voor niet-risicovolle stoffen (punt 1 in onderstaande kader). Een KLIC-melding kan inzicht verlenen in waar overige leidingen lopen. Deze kleinere leidingen hoeven in een risicoanalyse niet te worden beschouwd. Bij de bouw en aanleg dient rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige overige leidingen. Kader 5.1 Overige leidingen in het HRW
Buisleidingen worden in deze Handreiking onderverdeeld in: 1. leidingen waardoor minder risicovolle tot ongevaarlijke stoffen worden getransporteerd, zoals lage druk aardgasleidingen, leidingen voor niet gevaarlijke stoffen, drinkwaterleidingen, rioleringen, en stadsverwarming. Voor leidingen waardoor minder risicovolle tot ongevaarlijke stoffen worden getransporteerd, bestaan geen risicocriteria. Deze hoeven in een risicoanalyse dan ook niet te worden beschouwd. 2. leidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd, zoals hogedruk aardgastransportleidingen en hogedruk brandstofleidingen of (petro)chemische leidingen. De hier bovenstaande paragrafen hebben alleen betrekking op leidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd en onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vallen.
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 85 van 128
Hoogspanningsinfrastructuren Binnen de identificatieafstand bevinden zich één hoogspanningsleiding. Het HRW geeft aan dat voor hoogspanningsleidingen een adviesafstand geldt die gelijk is aan de tiphoogte van de windturbines óf indien deze groter is de werpafstand bij nominaal toerental van de windturbines. Op basis van de maximale windturbineafmetingen zoals weergegeven in Tabel 4.2, wordt 252 meter aangehouden als toetsafstand. De toetsafstand ten opzichte van de nabijgelegen hoogspanningsleiding is weergegeven in Figuur 5.10. Hieruit volgt dat er geen hoogspanningskabels binnen de toetsafstand liggen. Figuur 5.10 De toetsafstand en nabijgelegen hoogspanningsleidingen.
Bron: Pondera
Waterkeringen Er is geen waterkering aanwezig in de nabijheid van het plangebied van het beoogde windpark. De eerste waterkering is aanwezig op een afstand van circa 1,6 kilometer.
Kwalitatieve analyse ijsafworp scenario Op 1 tot 2 dagen per jaar kunnen de weeromstandigheden in Nederland zodanig zijn dat er sprake is van significante ijs aangroei aan de windturbinebladen. Bij het loskomen van deze ijsblokken kunnen gevaarlijke situaties ontstaan voor onbeschermde personen of door schrikreacties tijdens transport. Moderne windturbines zijn veelal voorzien van systemen die kunnen detecteren of er sprake is van aangroeiend ijs en/of weersomstandigheden waarbij ijsaangroei kan worden verwacht. Bij het merendeel van de aanwezige windturbines in Nederland hoeven geen specifieke maatregelen te worden genomen om ijsaangroei te voorkomen of het vallen van ijs te voorkomen doordat de meeste windturbines worden geplaatst in open agrarische gebieden waar weinig aanwezigheid van personen worden verwacht. Om ijsworp te voorkomen dient de windturbine te worden stilgezet indien significante ijsaangroei aanwezig is.
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 86 van 128
Het voorkomen van gevaarlijke situaties en het verplicht moeten stilzetten van windturbines is reeds geregeld in de regels van het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Om te analyseren of de omgeving gevoelig kan zijn voor ijsworp of ijsval wordt gekeken naar de directe omgeving van de windturbines tot aan een afstand gelijk aan de tiphoogte. Er zijn binnen dat gebied terreinen en objecten aanwezig die gevoelig zijn voor ijsworp of ijsval (zoals bijvoorbeeld bedrijven Wehkamp en enkele wegen/straten). Er wordt daarom geadviseerd om een goed ijsdetectiesysteem wat ijsaanvorming aan de bladen detecteert en de windturbine stilzet bij significante aangroei aan de windturbines. Daarmee worden de risico’s van ijsworp verkleind. Indien de rotor niet draait wordt ijsval verwacht tot een zone van circa een halve rotordiameter plus 11 meter als afglij / dwarrel zone. Vanwege de nabijgelegen wegen wordt geadviseerd om een ijsprotocol op te stellen. Hierin kan dan onder andere worden geregeld hoe de windturbine gepositioneerd moeten worden bij ijsaangroei zodat het afdwarrelende ijs geen gevaar voor de omgeving vormt. Ook het gecontroleerd afwerpen en weer opstarten kan daarin worden beschreven. Naast dat de omgeving gevoelig kan zijn voor ijsworp of ijsval, kan het geplande zonnepark onder windturbine 1 ook geraakt worden.
Het zonnepark ligt in de afglij / dwarrel zone en kan daardoor ook bij stilstand geraakt worden door ijsworp of ijsval. Er wordt geadviseerd om significante ijsaangroei te voorkomen. Hiervoor zijn het reeds beschreven ijsdetectiesysteem en/of individuele softwarematige detectie van toepassing. De laatste herkent een afwijking in de power curve van de turbine en koppelt daaraan mogelijk ijsafzetting. Het gebruik van de lokale wegen door passanten wordt zodanig laag geacht dat hiervoor geen maatregelen genomen hoeven te worden. Daar komt nog bij dat onbeschermde personen (niet in een auto) tijdens dergelijke winterse omstandigheden nog veel minder vaak aanwezig zullen zijn op de betrokken lokale wegen.
5.4.3 Conclusie De veiligheidsrisico's zijn onderzocht. Vanuit externe veiligheid is het plan ruimtelijk inpasbaar en haalbaar. Er wordt voldaan aan de gehanteerde norm van PR 10 -6 voor kwetsbare objecten en PR10-5 voor beperkt kwetsbare objecten. De PR10-6 contour overlapt wel beperkt met de enkelbestemming ‘bedrijventerrein’ van bestemmingsplan “Hessenpoort”. Als wordt gekeken naar de verkochte kavels op het bedrijventerrein (Figuur 5.7) zal een maximale PR10-6 contour van respectievelijk windturbine 2 en 3 van 199 en 195 meter resulteren in geen belemmeringen voor eventuele toekomstige kwetsbare objecten. In de aanvraag omgevingsvergunning is daarom verzocht om een vergunningvoorschrift op te nemen dat de PR10-6 contour (o.b.v. uiteindelijk gekozen windturbinetype) van windturbine 2 en 3 respectievelijk maximaal 199 en 195 meter mag zijn. Ook wordt er voldaan aan de normstelling van Rijkswaterstaat met betrekking tot wegen. De dichtst gelegen buisleidingen en hoogspanningsleidingen liggen buiten de adviesafstand en voldoen daarmee ook aan de eisen. De dichtstbij gelegen waterkering ligt niet in de buurt van de windturbines en ondervindt daarmee geen hinder. Het zonnepark brengt geen risico’s met zich mee op het gebied van externe veiligheid. Geconcludeerd wordt dat er is sprake van een goede ruimtelijke ordening voor het aspect externe veiligheid.
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 87 van 128
5.5 Gezondheid 5.5.1 Toetsingskader Er bestaat een relatie tussen milieu en gezondheid. Ook andere factoren dan milieufactoren zijn van invloed op de gezondheid van mensen, denk aan roken, beweging en het binnenklimaat van woningen. Uit ervaring bij projecten voor windenergie blijkt dat er bij omwonenden zorgen kunnen bestaan over de mogelijke gevolgen van windenergie op de kwaliteit van de leefomgeving. In deze paragraaf wordt daarom het onderwerp windenergie in relatie tot gezondheid nader belicht. Windturbines worden regelmatig in verband gebracht met een verscheidenheid aan gezondheidsproblemen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat er een onderscheid is tussen hinder en effecten op gezondheid, hoewel er wel een verband tussen beide bestaat. Hinder kan worden ondervonden, terwijl er geen sprake hoeft te zijn van gezondheidseffecten. (Ernstige) hinder zou kunnen leiden tot gevoelens van irritatie, boosheid en onbehagen en als gevolg daarvan tot gezondheidseffecten (zoals bijvoorbeeld slaapverstoring of hoge bloeddruk). Het aspect gezondheid maakt impliciet deel uit van eerdere paragrafen in dit hoofdstuk, aangezien de normen die zijn opgesteld voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid het doel hebben mensen te beschermen tegen onaanvaardbare hinder. Bij het vaststellen van die normen speelden gezondheidsaspecten een rol.
Voor het aspect gezondheid op zich bestaat er geen wettelijk toetsingskader. Wel zijn er in de loop der jaren meerdere wetenschappelijke studies uitgevoerd.
5.5.2 Onderzoek In paragraaf 5.2, 5.3, en 5.4 is al ingegaan op (hinder)aspecten die mede van belang kunnen zijn voor het effect op de gezondheid en bijbehorende wettelijke normen. Dit betreft de aspecten geluid, slagschaduw en veiligheid. In paragraaf 5.2 wordt ook al specifiek in gegaan op laagfrequent geluid, wat regelmatig wordt aangehaald als gezondheids- en hinder aspect in relatie tot windturbines. Voor deze aspecten is aangetoond dat het windpark voldoet aan de geldende normen en dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening op de individuele aspecten. Naast de geldende normen zijn er talrijke studies naar gezondheidseffecten van windturbines uitgevoerd. Juist omdat het om gezondheid gaat, wordt alleen gebruik gemaakt van die studies waaraan in belangrijke mate door onafhankelijke medici of gezondheidsinstituten is meegewerkt. Hieronder worden de meest relevante aspecten rondom gezondheid in relatie tot de ruimtelijke inpassing van de windturbines kort aangehaald.
Geluid Wetenschappelijke studies laten zien dat er geen significante relatie is gevonden tussen gezondheidseffecten en windturbinegeluid41, 42 & 43. Wel kunnen windturbines hinder (geluid, zicht, gevoel van onrechtvaardigheid) veroorzaken. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat er een verband bestaat tussen de totale hinder en gezondheidsklachten, maar er kunnen nog geen conclusies worden getrokken
41
"Windturbines: invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden", GGD Informatieblad medische milieukunde Update 2013; RIVM rapport 200000001/2013. Geraadpleegd van: http://www.rivm.nl/ 42 “Health effects related to wind turbine sound: an update”, oktober 2020, RIVM rapport 2020-0150. Geraadpleegd van: https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2020-0150.pdf 43 https://www.rivm.nl/sites/default/files/2021-08/Factsheet-windturbines.pdf
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 88 van 128
over de richting van dit verband: hebben mensen die ernstig worden gehinderd door windturbinegeluid meer gezondheidsklachten of worden mensen met gezondheidsklachten meer gehinderd door windturbinegeluid? In diverse onderzoeken is gevonden dat slaapverstoring en andere gezondheidseffecten van omwonenden van windparken gerelateerd kunnen zijn aan hinder, in plaats van directe blootstelling aan geluid van een windturbine. De gezondheidsklachten houden voornamelijk verband met een scala aan niet-akoestische factoren en minder met het feitelijke blootstellingsniveau. Voor andere gezondheidseffecten zoals hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen, mentale gezondheid en cognitieve effecten is niet voldoende bewijs gevonden.
Economische aspecten Economische aspecten kunnen van invloed zijn op de ervaring van hinder door windturbines. Omwonenden met een economisch voordeel van de windturbines ervaren over het algemeen minder hinder41.
Lichtschitteringen Wanneer de zon op de turbine schijnt, kan het zonlicht reflecteren op de rotorbladen in de richting van de beschouwer. Tegenwoordig worden windturbines uitgevoerd met een anti-reflecterende coating, zodat lichtschittering niet optreedt. RIVM (2013) bevestigt dit ook in haar informatieblad41. Voor het zonnepark kan er ook beperkt sprake zijn van lichtschittering. De meeste inkomende zonnestralen, die op zonnepanelen terecht komen worden geabsorbeerd en omgezet in elektriciteit. Echter, omdat de bovenste laag van de panelen van glas zijn gemaakt, zal een deel (<5%) van het zonlicht ook worden gereflecteerd. Op de glasplaat van de zonnepanelen wordt een anti-reflecterende coating aangebracht, die ervoor zorgt dat zo veel mogelijk zonlicht de zonnecellen bereikt. Voor zonnepanelen is dit standaardpraktijk en wordt dit geborgd door reflectiewaarden te controleren via de certificering en de NEN of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode. Daarnaast gaat het zonnepark uit van een zuid-opstelling. Op die manier wordt kan de beperkte reflectie die wel optreedt niet uitstralen naar omliggende woningen die voornamelijk ten noorden en oosten zijn gelegen. Bovendien is de aangrenzende spoorlijn aan de oostzijde verhoogd en omringt met bomen, waardoor er geen sprake kan zijn van lichtschittering op de aangrenzende woningen ten oosten van het spoor.
Elektromagnetische velden Elektrische, magnetische en elektromagnetische velden komen overal voor. Bekende natuurlijke vormen zijn Uv-straling (zon), infrarode straling (warme voorwerpen) en zichtbaar licht. Elektromagnetische velden zijn ook aanwezig bij bijvoorbeeld huishoudelijke elektrische apparaten, zoals de magnetron en de stofzuiger, en bij het transport van elektriciteit over lange afstanden (via hoogspannings-verbindingen). De sterkte van elektromagnetische velden neemt sterk af wanneer de afstand tot de bron groter wordt. Ook rondom de gondel en de kabels die de windturbine koppelen aan het hoogspanningsnet kunnen magnetische velden voorkomen. Het Landelijke Centrum Medische Milieukunde (LCM) adviseert situaties te voorkomen waarin kinderen langdurig worden blootgesteld aan een veldsterkte die (jaargemiddeld) hoger is dan 0,4 microtesla. Dit
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 89 van 128
advies richt zich op alle bronnen van magnetische velden die samenhangen met de elektriciteitsvoorziening44. Een windturbinegondel (boven op de mast) kan een hoge veldsterkte hebben, maar deze bevindt zich op een grote verticale afstand van plekken waar mensen langdurig verblijven (woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen). Recht boven kabels is de veldsterkte in de regel niet hoger dan 1 microtesla, maar deze kabels liggen nooit onder gebouwen waar mensen langdurig verblijven. Het is dan ook niet aan de orde dat de windturbine en de daarbij behorende kabels veldsterkten veroorzaken boven 0,4 microtesla op plaatsen waar mensen langdurig verblijven. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat elektromagnetische velden die in de buurt van windturbines en de daarbij behorende ondergrondse kabelverbindingen voorkomen, een gezondheidsrisico vormen. Het Kennisplatform EMV bevestigt deze conclusie ook in hun memo45. Op grond van de normen die gehanteerd worden voor windturbinegeluid, slagschaduw en externe veiligheid wordt al een zodanige afstand tussen windturbines en bebouwing aangehouden dat er geen sprake is van elektromagnetische hinder van de windturbines. Het elektromagnetisch veld dat de zonnepanelen opwekken is erg zwak. Om de laagspanning van zonnepanelen geschikt te maken voor het hoogspanningsnet is een omvormer nodig.
De omvormer zorgt voor een magnetisch veld, dat ruim onder de blootstellinglimiet van 0,4 microtesla blijft46. Bovendien kan er ter hoogte van de transformatorhuisjes sprake zijn van een elektromagnetisch veld. In de transformatorhuisjes wordt de elektriciteit naar een hoger spanningsniveau getransformeerd. Voor transformatorhuisjes geldt dat op enkele meters (ca. 4 meter) de magneetveldsterkte onder de 0,4 microtesla ligt47. De omvormers en trafohuisjes worden ook op enkele meters (ca 10m) van de erfgrenzen geplaatst en op 100 meter van de dichtstbijzijnde woning. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat elektromagnetische velden die in de buurt van het zonnepark voorkomen, een gezondheidsrisico vormen.
Trillingen Op grond van ervaringen op land blijkt dat fundaties van windturbines geen hinderlijke trillingen doorgeven aan de ondergrond en de omgeving. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft in een brief het volgende laten weten (2013)48: "de bewering in enkele literatuurbronnen dat ook overdracht door de grond plaats vindt is ongegrond, hetgeen blijkt uit nauwkeurige metingen van trillingsniveaus in de bodem rondom windturbines". Het Geo-Consultancy bureau Fugro heeft in het verleden bij een aantal windturbines verspreid over Nederland trillingsmetingen uitgevoerd met als doel het inzichtelijk maken van de optredende trillingsintensiteiten tijdens de regulier in bedrijf zijn van de windturbine 49. Over de bevindingen van destijds heeft Furgo in briefrapportage gerapporteerd. Fugro heeft metingen verricht bij de volgende locaties: •
Afrikahaven te Amsterdam. In oktober/november 2008 zijn metingen bij een drietal opgestelde 3 MW windturbines uitgevoerd;
•
Noordland (eiland Neeltje Jans/ Roompot). In januari/februari 2009 zijn metingen bij een tweetal 3 MW turbines uitgevoerd;
44
LCM Landelijk Centrum Medische Milieukunde, (2006) Standpunt ELF-EM velden elektriciteitsvoorziening en gezondheid Hoogspanningslijnen – Onderstations – Transformatorhuisjes. Definitieve versie, 21 juni 2006. 45 “Memo Elektromagnetische velden van windturbines” (2014) Bron: https://www.kennisplatform.nl/elektromagnetische-velden-vanwindturbines/ 46 https://www.kennisplatform.nl/hoe-sterk-zijn-elektromagnetische-velden-van-zonnepanelen/ 47 https://www.rivm.nl/hoogspanningslijnen/magneetvelden/transformatorhuisjes 48 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU (2013) Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33612-22.html 49 Fugro Geoservices BV, Aspect trillingen windpark Drentse Monden – Oostermoer, kenmerk 1016-0910000.B01v3/ASN, 12 december 2016
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 90 van 128
•
Eemshaven. In de periode januari – mei 2013 uitgebreide metingen (25 meetlocaties) bij een opgestelde 6 MW windturbine uitgevoerd.
Op basis van de resultaten van de hierboven beschreven metingen concludeert Fugro dat de invloed van trillingen bij het in gebruik zijn van de windturbines binnen een afstand van circa 15 tot 20 meter uit de windturbine nog enige invloed kan hebben, daarbuiten is deze invloed verwaarloosbaar.
Fijnstof Windturbines stoten uiteraard zelf geen fijnstof uit. Fijnstof is vooral afkomstig van wegverkeer en industrie. Windturbines hebben (mogelijk) een effect op de verspreiding van fijnstof doordat de wind in de zog achter de windmolen een hogere mate van turbulentie bevat, waardoor het verspreidingsgebied vergroot kan worden. De verspreiding van fijnstofuitstoot door verkeer heeft vanwege de grote horizontale afstand tussen ontvangers en windturbines geen significant negatief effect. De mate van verspreiding van industriële uitlaatgassen neemt toe als de afstand tussen een emissiebron en de windturbines kleiner is. De verspreiding neemt ook toe als de schoorsteen hoger is dan de as van de windturbine. Uit een onderzoek bij Tata Steel bleek dat bij een afstand van meer dan 1,5 kilometer vanaf de windturbines geen significante effecten waarneembaar zijn. Binnen 1,5 kilometer van windproject Brielse Brug zijn geen emissiebronnen met hoge schoorstenen aanwezig.
Neodymium In zienswijzen wordt regelmatig aandacht gevraagd voor het gebruik van neodymium in windturbines, ook in relatie tot gezondheid. Neodymium is een zeldzaam aardmetaal en wordt ook gebruikt voor de permanent magneten in windturbines met een 'direct drive' mechanisme (zonder tandwielkast). In bepaalde gebieden waar neodymium wordt gewonnen wordt gerapporteerd over gezondheidseffecten ter plaatse als gevolg van de verwerking van de radioactieve materialen die bij de winning van neodymium vrijkomen. Er is echter geen bewijs voor een relatie tussen de aanwezigheid van neodymium in windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden. Neodymium zelf is geen radioactief materiaal.
SF6 gas De Telegraaf concludeert in het artikel van 29 oktober 2019 (Windmolen lekt schadelijk gas) dat het toenemend gebruik van het gas zwavelhexafluoride – SF6 - een onbedoeld, maar direct gevolg is van de transitie naar duurzame energie. Het artikel baseert zich op een bericht van de BBC waarin een studie door de Cardiff University naar het Britse elektriciteitsnet wordt aangehaald. Hierin wordt gesteld dat de toename in het gebruik van SF6 een direct gevolg is van de groei van duurzame energiesector. Het klopt dat SF6 wordt toegepast in uiteenlopende onderdelen van het energiesysteem om kortsluiting te voorkomen. Andere fluoride-gassen worden gebruikt in verhittings- en koelapparatuur, zoals koelkasten, warmtepompen en airconditioners. Het BBC artikel stelt dat SF6 voornamelijk door lekkages terechtkomt in de atmosfeer. Bij windturbines kunnen deze lekkages ontstaan door mechanisch falen, slijtage van machines of tijdens onderhoud of ontmanteling van een windturbine. Ter voorkoming van vrijkomen van SF 6 in de atmosfeer wordt het bij reparatie en ontmanteling afgevangen. Vervolgens wordt het hergebruikt in nieuwe apparaten. Onderzoek van WindEurope50 wijst uit dat alle 100.000 windturbines in Europa jaarlijks naar schatting 150 kilo aan SF6 lekten in de afgelopen zes jaar. Dit staat gelijk aan een jaarlijkse uitstoot van 3.525 ton CO2.
Om dit in perspectief te plaatsen: deze 100.000 windturbines bespaarden in dat jaar 255 miljoen ton aan 50
https://windeurope.org/newsroom/news/wind-energy-and-sf6-in-perspective/
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 91 van 128
CO2 door 336 TWh aan groene stroom op te wekken. De lekkage van SF 6 vormt dan ook slechts fractie, namelijk 0,001%, van de vermeden uitstoot van CO2. Er is geen bewijs voor een relatie tussen de eventuele (zeer minimale) lekkage van SF 6 uit windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden. Windturbines zorgen juist voor een groot aandeel in vermeden emissies van CO2 omdat de elektriciteit duurzaam wordt opgewekt. Desondanks is het de verantwoordelijkheid van de windsector om het gebruik van SF6 waar mogelijk te verminderen en waar dit om praktische redenen niet mogelijk is te zorgen dat het risico op lekkages zo klein mogelijk is. Diverse alternatieven voor SF6 worden momenteel onderzocht, zoals nieuwe combinaties van schone gassen. Voor zover bekend heeft een zonnepark geen gezondheidsrisico’s.
5.5.3 Conclusie Windturbines kunnen bij individuen wel tot het ervaren van hinder leiden en daardoor indirect tot gezondheidseffecten. Er is echter geen rechtstreeks verband tussen windturbines en gezondheidseffecten aangetoond. Economische aspecten kunnen van invloed zijn op de ervaring van hinder door windturbines. Gelet op de uitkomsten van de onderzoeken naar de effecten op de omgeving (zoals geluid en slagschaduw) kan geconcludeerd worden dat het windpark gerealiseerd kan worden binnen de geldende wet- en regelgeving en is er voor de desbetreffende aspecten sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Er is voor het aspect gezondheid dan ook sprake van een goede ruimtelijke ordening.
5.6 Ecologie 5.6.1 Toetsingskader De (wettelijke) bescherming van ecologische waarden verloopt via twee sporen: via de bescherming van gebieden en soorten. De soorten- en gebiedsbescherming staan los van elkaar en hebben ieder hun eigen werking.
Gebiedsbescherming Bij gebiedsbescherming is onderscheid te maken in planologische- en wettelijke bescherming. De wettelijke bescherming is verankerd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Dit betreft de zogenaamde Natura 2000-gebieden. De planologische bescherming is verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de omgevingsverordening van de provincie Overijssel. Verder heeft de provincie Overijssel in de Omgevingsverordening nog gebieden vastgelegd die onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vallen. Tot slot ligt het projectgebied van Energiepark Tolhuislanden in een gebied dat in de Omgevingsvisie van Overijssel en het Natuurbeheerplan 2022 is aangemerkt als ‘Open grasland Weidevogelbeheer kritische soorten’. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden. Per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd voor de plant- en diersoorten waarvoor het gebied een belangrijke functie heeft.
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 92 van 128
Activiteiten, zoals de realisatie van windturbines, in Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als significant negatieve effecten op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen (IHD) zijn uitgesloten (zie Kader 5.5). De Nederlandse Natura 2000-gebieden maken ook onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Kader 5.2 Gunstige staat van instandhouding en 1%-mortaliteitsnorm
In het kader van de Wnb moet beoordeeld worden of de realisatie van Energiepark Tolhuislanden, op zichzelf of in samenhang met andere plannen en projecten in de omgeving, (significant) negatieve effecten kan hebben op het behalen van de IHD’s van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (in het kader van Wnb gebiedenbescherming) en/of sprake kan zijn van een effect op de gunstige staat van instandhouding (GSI) (in het kader van de Wnb soortenbescherming). Voor het beoordelen van de gevolgen door het optreden van aanvaringsslachtoffers is de basis hiervoor het 1%-criterium (verder 1%-mortaliteitsnorm) van het Ornis Comité. Volgens dit criterium kan iedere tol van minder dan 1% van de totale jaarlijkse sterfte van de betrokken populatie (gemiddelde waarde) als kleine hoeveelheid worden beschouwd. Het aantal aanvaringsslachtoffers is in dat geval verwaarloosbaar klein. Wanneer de voorspelde sterfte onder deze 1%-mortaliteitsnorm blijft kan een effect op het behalen van de IHD’s in Natura 2000-gebieden of de GSI van de betrokken populatie met zekerheid uitgesloten worden. Bij de beoordeling is rekening gehouden met de huidige staat van instandhouding van deze populaties.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Ingrepen in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op deze gebieden, of als negatieve effecten kunnen worden tegengegaan door het nemen van mitigerende maatregelen. De begrenzing en het beschermingsregime van het NNN is vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening. Weidevogelleefgebied Daarnaast maakt het gebied waar de windturbines worden aangelegd ook onderdeel uit van een weidevogelleefgebied. Het gaat om gebieden die in de Omgevingsvisie en het Natuurbeheerplan 2023 zijn aangemerkt als ‘Open grasland Weidevogelbeheer kritische soorten’. Dit betreft gebieden waar nog relatief hoge dichtheden van grutto, tureluur en wulp voorkomen, maar hier broeden ook andere soorten weidevogels. Hier geldt behoud openheid, rust en waterpeil. Dit betekent dat er voor het gebied ambities zijn voor het versterken en behouden van weidevogelwaarden. Voor deze gebieden geldt geen actieve planologische bescherming. De huidige Omgevingsvisie geeft wel aan dat functie van agrarisch natuurbeheer moet worden meegewogen bij nieuwe initiatieven (artikel 10.3.2.1).
Ontwerp-Omgevingsvisie en Ontwerp-Omgevingsverordening provincie Overijssel Op dit moment ligt een ontwerp actualisatie op de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening ter inzage. Volgens de planning nemen Provinciale Staten in november 2023 een besluit over voorgestelde aanpassingen. In de ontwerp Actualisatie Omgevingsverordening (artikel 4.64, derde lid) wordt aangegeven dat Omgevingsplannen (bestemmingsplannen) die betrekking hebben op functies binnen
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 93 van 128
leefgebieden voor weidevogels, moeten voorzien in een specifieke, daarop toegesneden functie die gericht is op instandhouding van de leefgebieden voor weidevogels dat in ieder geval tot uiting komt in behoud van openheid, rust en voldoende hoog waterpeil. In afwijking van artikel 4.64, derde lid, kan een omgevingsplan ontwikkelingen binnen leefgebieden voor weidevogels toelaten als: •
daardoor de omvang van een leefgebied voor weidevogels niet wordt verkleind;
•
er per saldo sprake is van een versterking van de kwaliteit van het leefgebied voor weidevogels;
•
er is aangetoond dat er in redelijkheid geen alternatieven voor de ingreep mogelijk zijn;
•
overblijvende negatieve effecten op leefgebieden voor weidevogels in voldoende mate worden gecompenseerd.
In bijlage 14 (compensatieplan weidevogelleefgebied) wordt nader ingegaan op bovenstaande voorwaarden voor afwijking van artikel 4.64, derde lid.
Soortenbescherming Relevante wetgeving op het gebied van de soortenbescherming is uitgewerkt in hoofdstuk 3 van de Wnb. De bescherming van flora en faunasoorten is in de Wnb opgedeeld in twee beschermingscategorieën: •
Strikt beschermde soorten: soorten van de Vogelrichtlijn (art. 3.1) en soorten van de Habitatrichtlijn (art. 3.5).
•
Overige beschermde soorten: nationaal beschermde soorten (art. 3.10).
Voor beide categorieën geldt dat het verboden is opzettelijk exemplaren te doden, vangen of plukken, en voortplantingsverblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of te beschadigen. Een belangrijk verschil tussen beide beschermingsregimes is dat voor de strikt beschermde soorten ook het opzettelijk verontrusten verboden is, terwijl dit voor de overige beschermde soorten niet het geval is.Voor vogels geldt daarnaast dat het opzettelijk storen niet verboden is in geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Voor de verdere uitgangspunten en achtergronden van het natuuronderzoek, zo ook voor de uitgebreide weergave van de resultaten van onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5.
5.6.2 Onderzoek windturbines Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden In de omgeving van de planlocatie zijn enkele Natura 2000-gebieden gelegen. Ten noordwesten, op ca. 7 km van het plangebied, ligt Olde Maten & Veerslootlanden. Ca. 15 km ten oosten van het plangebied ligt Vecht- en Beneden-Reggegebied. Beide Natura 2000-gebieden zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied en hebben geen instandhoudingsdoelen voor vogels of andere mobiele soorten. Het meest relevante Natura 2000-gebied in dit kader is het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte water en Vecht, op enkele kilometers ten zuidwesten van het plangebied. Dit gebied omvat het complex aan uiterwaarden van de Overijsselse Vecht en het Zwarte Water. Er komen hier verschillende habitattypen voor die kenmerkend zijn voor het rivierengebied, waaronder hooilanden, rivierbegeleidende bossen, hardhoutooibossen en natte graslanden. Naast de kwalificerende habitattypen is het gebied aangewezen voor vier habitatsoorten (Bittervoorn, Kleine en Grote modderkruiper, Rivierdonderpad),
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 94 van 128
enkele broedvogelsoorten (Roerdomp, Porseleinhoen, Kwartelkoning, Zwarte stern, Grote karekiet) en niet-broedvogelsoorten (Kleine Zwaan, Kolgans, Smient, Pijlstaart, Slobeend, Meerkoet en Grutto). Figuur 5.11 Natura2000 en NNN
Als de bouw of het gebruik van de windturbines negatieve effecten heeft op het behalen van instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden, is een vergunning op grond van de Wnb vereist. Ook kunnen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen, te verminderen of te compenseren nodig zijn. Voor het aspect ‘ecologie’ is een onderzoek uitgevoerd door Bureau Altenburg & Wymenga (zie bijlage 5 voor de natuurtoets). Voor Natura 2000-gebieden is onderzocht of er een reële kans bestaat op significant negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen of dat het optreden van significant negatieve effecten met zekerheid kan worden uitgesloten. Uit de natuurtoets blijkt dat de 3 nieuwe windturbines met zekerheid geen significant negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van alle habitattypen en soorten van Bijlage II Habitatrichtlijn, broedvogels en niet-broedvogels van Natura 2000-gebieden in de omgeving hebben. De eventuele effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie wordt behandeld in paragraaf 5.6.4. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De drie windturbines zijn niet gelegen binnen de grenzen van het NNN. Ruimtebeslag door de bouw van de drie geplande windturbines is daarmee uitgesloten. Wel zijn gebiedsdelen van het NNN gelegen in de nabije omgeving van de geplande windturbines.
Gezien de grote afstand tussen de gebieden zijn er geen negatieve effecten te verwachten op de wezenlijke waarden van het NNN. Weidevogelbeheergebieden
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 95 van 128
Het gebied waar de windturbines worden aangelegd maakt onderdeel uit van een weidevogelleefgebied. Het gaat om gebieden die in de Omgevingsvisie en het Natuurbeheerplan 2023 zijn aangemerkt als ‘Open grasland Weidevogelbeheer kritische soorten’. In gebied komen onder andere de volgende weidevogels voor: Grutto, Wulp, Tureluur, Veldleeuwerik, Graspieper en Gele Kwikstaart51. Uit de natuurtoets (bijlage 5) komt naar voren dat het effect van de verstoring van de windturbines en het zonnepark op de aanwezige weidevogels beperkt van aard is en niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de betreffende weidevogels. Er is er geen tegenstrijdigheid met de Wet natuurbescherming. Wel is er sprake van verlies aan weidevogelleefgebied door de realisatie van de windturbines. Op grond van de ontwerp-Actualisatie Omgevingsverordening dient dit verlies in voldoende mate te worden gecompenseerd. Coöperatie DTHL is voornemens om het verlies aan weidevogelleefgebied in de directe nabijheid van het project te compenseren. In bijlage 14 is het compensatieplan voor weidevogelleefgebied opgenomen. In dit plan is beschreven wat de compensatieopgave is en hoe de compensatie wordt geborgd en uitgevoerd. De totale compensatieopgave voor weidevogels komt neer op 6 hectare.
Ecologische groenstrook Ten zuidwesten van de noordelijke twee windturbines ligt een ecologische zone langs de Steenwetering die de noordoostelijke begrenzing van het bedrijventerrein Hessenpoort vormt. Deze ecologische zone is ook aangeduid als enkelbestemming ‘groen’ in het bestemmingsplan “Hessenpoort”. Deze groenvoorzieningen met recreatief medegebruik en natuurontwikkeling dient als visuele begrenzing van het bedrijventerrein Hessenpoort in relatie tot de directe omgeving. De ecologische zone is als inpassingsmaatregelen voor de realisatie van bedrijventerrein Hessenpoort opgenomen. De aanleiding ervoor lag mede in de wens te mitigeren voor verlies aan broedplaatsen van roofvogels en foerageergebied van vleermuizen door de realisatie van het bedrijventerrein. Uit het natuuronderzoek (bijlage 5) komt naar voren dat met name de vaart en de randen van de ecologische zone frequent worden gebruikt door verschillende soorten vleermuizen. Het gaat hier om foerageergebied, maar mogelijk ook om een vliegroute. Verstoringseffecten van foeragerende vleermuizen is niet aan de orde. Windturbines hebben mogelijk een aantrekkende werking op vleermuizen. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door insecten die zich bij specifieke omstandigheden op grotere hoogte rond windturbines verzamelen52.
Door de aanleg van de windturbines gaat er geen of nauwelijks foerageergebied of verblijfplaatsen van vleermuizen fysiek verloren. Negatieve effecten als gevolg van verlies van habitat is daarom niet aan de orde (zie bijlage 5). Wel is het van belang om bij aanlegwerkzaamheden verstoring van vleermuizen door licht te voorkomen. Om die reden wordt tijdens de bouwfase zoveel mogelijk overdag gewerkt met daglicht. Indien ’s avonds of ’s nacht werken noodzakelijk is en verlichting nodig blijkt, zal deze worden afgeschermd en alleen plaatselijk worden ingezet om uitstraling naar de omgeving en de ecologische zone, en daarmee mogelijke verstoring, te voorkomen. De aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen worden verderop in deze paragraaf behandeld. Ook voor jaarrond beschermde nesten voor roofvogels zijn geen effecten te verwachten (zie bijlage 5). Bovendien worden de windturbines en het zonnepark in principe niet in het broedseizoen aangelegd, tenzij het gebied vrij is (gehouden) van broedende vogels (zie ook verderop in deze paragraaf).
51 52
Natuurbeheerplan provincie Overijssel 2023 Van de Vliet (2018). Verminderen van effecten van windparken op vleermuizen. Bureau Waardenburg.
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 96 van 128