1. Ruimtelijke onderbouwing V3.0 (inclusief bijlagen)
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Energiepark Tolhuislanden Coöperatie Duurzaam Tolhuislanden 720153 | Definitief 18 september 2024
Pondera
Colofon
Hoofdvestiging Nederland
Soort document
Amsterdamseweg 13 6814 CM Arnhem 088 – pondera (088-7663372) info@ponderaconsult.com
Ruimtelijke onderbouwing
Postadres
Versienummer
Postbus 919 6800 AX Arnhem
Vestiging South East Asia Jl. Mampang Prapatan XV no 18 Mampang Jakarta Selatan 12790 Indonesia
Vestiging North East Asia Suite 1718, Officia Building 92 Saemunan-ro, Jongno-gu Seoul Province Republic of Korea
Projectnaam Energiepark Tolhuislanden
Definitief
Datum 18 september 2024
Project nummer 720153
Opdrachtgever Coöperatie Duurzaam Tolhuislanden
Auteur Joost Sissingh
Nagekeken door Martijn ten Klooster
Disclaimer In het onderzoek is gebruik gemaakt van algemeen geaccepteerde uitgangspunten, modellen en informatie die ten tijde van het opstellen van dit rapport ter beschikking stonden. Aanpassingen in de uitgangspunten, modellen of gebruikte gegevens kunnen leiden tot andere uitkomsten. De aard en de nauwkeurigheid van de gebruikte gegevens voor het onderzoek bepalen in belangrijke mate de nauwkeurigheid en de onzekerheden van de berekende uitkomsten. Pondera is niet aansprakelijk voor gederfde inkomsten of schade die wordt geleden door opdrachtgever(s) en/of derden uit conclusies die gebaseerd zijn op gegevens die niet van Pondera afkomstig zijn. Deze rapportage is opgesteld met de intentie dat deze alleen gebruikt wordt door de opdrachtgever en slechts voor het doel waarvoor de rapportage is opgesteld. Er mag geen beroep worden gedaan op de informatie uit deze rapportage voor andere doeleinden zonder schriftelijke toestemming van Pondera. Pondera is niet verantwoordelijk voor de consequenties die kunnen voortvloeien uit het oneigenlijk gebruik van de rapportage. De verantwoordelijkheid voor het gebruik van (de analyse, resultaten en bevindingen in) de rapportage blijft bij de opdrachtgever.
De Rechtsverhouding opdrachtgevers – architect, ingenieur en adviseur conform DNR 2011 is te allen tijde van toepassing.Pondera werkt met een kwaliteitsmanagementsysteem dat door EIK gecertificeerd is volgens de ISO 9001:2015 norm
Inhoudsopgave 1
Inleiding 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
2
Beleid 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
3
Huidige situatie
Planbeschrijving
41
Coöperatie Duurzaam Tolhuislanden _________________________________________ 41 Variantenonderzoek en voorkeursvariant ______________________________________ 45 Windturbines ____________________________________________________________ 46 Zonnepark ______________________________________________________________ 47 Kraanopstelplaats ________________________________________________________ 49 Toegangswegen _________________________________________________________ 50 Parkbekabeling en overige elektrische werken __________________________________ 51 Oppervlakte grondgebruik __________________________________________________ 52 Obstakelverlichting _______________________________________________________ 52 Landschappelijk beeld_____________________________________________________ 53
Onderzoek gevolgen voor de omgeving 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9
36
Plangebied en directe omgeving _____________________________________________ 36 Infrastructuur ____________________________________________________________ 36 Woningen ______________________________________________________________ 37 Bedrijvigheid ____________________________________________________________ 37 Natuur _________________________________________________________________ 38 Windparken in de omgeving ________________________________________________ 38 Landschappelijke structuur _________________________________________________ 39 Recreatie_______________________________________________________________ 40
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10
5
8
Beleid voor duurzame energie _______________________________________________ 8 Ruimtelijk beleid - Nationaal ________________________________________________ 13 Ruimtelijk beleid – Omgevingsvisie Overijssel __________________________________ 15 Ruimtelijk regelgeving - Omgevingsverordening Overijssel ________________________ 16 Ruimtelijke beleid – Gemeente Zwolle ________________________________________ 30 Conclusie ______________________________________________________________ 35
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8
4
1
Aanleiding _______________________________________________________________ 1 Ligging plangebied ________________________________________________________ 2 Geldend bestemmingsplan __________________________________________________ 3 Juridisch kader ___________________________________________________________ 5 Leeswijzer _______________________________________________________________ 7
55
Uitgangspunten windturbines _______________________________________________ 55 Geluid _________________________________________________________________ 61 Slagschaduw____________________________________________________________ 70 Externe veiligheid ________________________________________________________ 75 Gezondheid_____________________________________________________________ 88 Ecologie _______________________________________________________________ 92 Cultuurhistorie en archeologie _____________________________________________ 100 Water ________________________________________________________________ 103 Bodem________________________________________________________________ 112
Ruimtelijke onderbouwing 720153 Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18-9-2024 Pagina 1 van 2
5.10 5.11 5.12
6
Vliegverkeer en radar ____________________________________________________ 113 Overige aspecten _______________________________________________________ 118 Eindconclusie en voorwaarden omgevingsvergunning ___________________________ 123
Economische uitvoerbaarheid 6.1 6.2 6.3
7
125
Kostenverhaal __________________________________________________________ 125 Planschade ____________________________________________________________ 125 Financiële uitvoerbaarheid ________________________________________________ 125
Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 7.2 7.3
126
Procesparticipatie- en communicatie ________________________________________ 126 Vergunningprocedure en formele inspraakprocedure ____________________________ 126 Financiële participatie ____________________________________________________ 126
Bijlagen In de voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt op plekken verwezen naar bijlagen 1. Een overzicht van de verwezen bijlagen is hieronder weergegeven:
1
•
Bijlage 1: Selectie visualisaties
•
Bijlage 2: Milieunormenonderzoek
•
Bijlage 3: Onderzoek geluid en slagschaduw
•
Bijlage 4: Onderzoek externe veiligheid
•
Bijlage 5: Natuurtoets
•
Bijlage 6: Bureauonderzoek Archeologie
•
Bijlage 7: Watertoets
•
Bijlage 8: Toetsing LVNL
•
Bijlage 9: TNO radartoets
•
Bijlage 10: Verklaring van geen bedenkingen (VVGB) Defensie
•
Bijlage 11: Variantenonderzoek
•
Bijlage 12: Participatie- en communicatieplan
•
Bijlage 13: AERIUS-berekening stikstofdepositie
•
Bijlage 14: Compensatieplan weidevogelleefgebied
•
Bijlage 15: Landschappelijke inpassing zonnepark
•
Bijlage 16: Plan Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO)
•
Bijlage 17: Plankaart
Hier vallen niet de bijlagen van wetten onder.
Ruimtelijke onderbouwing 720153 Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18-9-2024 Pagina 2 van 2
1 Inleiding 1.1 Aanleiding In 2017 heeft de gemeente Zwolle de Zwolse Energiegids vastgesteld. Het gebied ‘Tolhuislanden’ is één van de gebieden met een relevante potentie voor duurzame energie. In de Omgevingsvisie van de gemeente Zwolle (2021)2 is het gebied Tolhuislanden opgenomen als zoekgebied voor de opwek van wind- en zonne-energie. De Omgevingsvisie geeft aan dat vanuit het oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik er kansen liggen voor het clusteren van grootschalige opwek van wind en zon in gebied Tolhuislanden. In Figuur 1.1 is het plangebied van Tolhuislanden aangegeven, op basis van de aangewezen gebieden in de Zwolse Energiegids en de gemeentelijke Omgevingsvisie. De gemeente Zwolle heeft de bewoners van het gebied Tolhuislanden de ruimte gegeven om zelf met een voorstel te komen voor de invulling van duurzame energie. De inwoners van het gebied Tolhuislanden hebben zich verenigd in de Coöperatie Duurzaam Tolhuislanden (hierna: coöperatie DTHL). Het doel is als gebied zelf te bepalen op welke wijze duurzame energie in het gebied wordt opgewekt en de verdiensten ervan zoveel mogelijk voor het gebied te behouden.
Op basis van een uitvoerig proces van gebiedsbijeenkomsten en werksessies met bewoners van het gebied Tolhuislanden is het volgende aanbod richting de gemeente Zwolle geformuleerd: 0,13 tot 0,30 Petajoule per jaar aan duurzame energie in Tolhuislanden middels zonne- en/of windenergie vanaf 2025. Deze doelstellingen zijn in een gebiedsovereenkomst tussen de coöperatie DTHL en de gemeente Zwolle vastgelegd (zie hoofdstuk 4 voor een nadere toelichting). De coöperatie Duurzaam Tolhuislanden (DTHL) heeft op basis van een vervolgproces de afgesproken doelstellingen uitgewerkt naar een concreet plan. Dat heeft ertoe geleidt dat de coöperatie voornemens is om drie windturbines en een zonnepark van circa 6,5 hectare te realiseren in het gebied Tolhuislanden, in de gemeente Zwolle. De windturbines hebben een vermogen van circa 6 megawatt (MW) per windturbine en het zonnepark circa 6 MWp. Het energiepark brengt naar verwachting tussen de 60 en 75 GWh per jaar aan elektriciteit op (circa 0,21 – 0,27 Petajoule). Dit is genoeg om circa 20.000 huishoudens te voorzien van elektriciteit. Deze rapportage beschrijft het initiatief en de gevolgen voor de omgeving vanuit de relevante beleids- en juridische kaders. Het rapport is de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag om vergunning om af te wijken van het bestemmingsplan.
2
Ons Zwolle van Morgen 2030, vastgesteld op 13 september 2021
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 1 van 128
Figuur 1.1 Plangebied Tolhuislanden
Bron: Pondera
Met de realisatie van de windturbines en het zonnepark wil de coöperatie invulling geven aan de afspraken die zij heeft gemaakt met de gemeente Zwolle en aan lokale ambitie om het zoekgebied voor windenergie te benutten. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het opwekken van duurzame energie, de energievoorziening zekerheid in Nederland en het beperken van de uitstoot van broeikasgassen om klimaatverandering te beperken.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is het gebied in de gemeente Zwolle ingesloten tussen de Rijksweg A28, de spoorlijn Zwolle-Meppel, bedrijventerrein Hessenpoort en de provinciale weg Hasselt-Nieuwleusen. Figuur 1.1 laat het plangebied zien van Tolhuislanden. Figuur 1.2 laat de voorgenomen activiteit zien van Energiepark Tolhuislanden, bestaande uit 3 windturbines en een zonnepark. In hoofdstuk 4 wordt de voorgenomen activiteit en totstandkoming nader toegelicht.
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 2 van 128
Figuur 1.2 Voorgenomen activiteit Energiepark Tolhuislanden
1.3 Geldend bestemmingsplan Ter plaatse van de beoogde windturbines en zonnepark geldt het bestemmingsplan “Buitengebied Haerst, Tolhuislanden” (vastgesteld op 27 november 2012) van de gemeente Zwolle. Er gelden de enkelbestemmingen ‘Agrarisch met Waarden - Natuur en landschap’ en ‘Agrarisch’ en de dubbelbestemming Waarde - Archeologie. Het zonnepark en de zuidelijke windturbine liggen in het gebied met de enkelbestemming ‘Agrarisch’ en de twee noordelijke windturbines liggen in het gebied met de enkelbestemming ‘Agrarisch met Waarden - Natuur en landschap’. Het landschap heeft een uitgesproken open karakter, hier en daar onderbroken door verspreid gelegen boerderijen (in paragraaf 4.10 wordt hier verder op ingegaan). Het gebied Tolhuislanden wordt in het bestemmingsplan gekarakteriseerd als ‘velden hoogveenontginning’. Verder heeft het gebied natuurlijke waarden in de vorm van open weidegebieden die een bijzonder waarde hebben voor weidevogels (in paragraaf 5.6 wordt hier nader op ingegaan). In de nabijheid van bedrijventerrein Hessenpoort geldt ook de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie 1’. Tevens zijn er verschillende agrarische woningen aanwezig. Daarnaast staan er in het noordoosten turbines, vier aan de westzijde van de spoorlijn in de gemeente Zwolle. Buiten de gemeente Zwolle zijn in de gemeente Dalfsen eveneens zes windturbines aanwezig.
Vier ten oosten van de spoorlijn, parallel aan de vier in de gemeente Zwolle en twee ten noorden daarvan (oostzijde spoorlijn). In Figuur 1.3 is een uitsnede gemaakt van het geldende bestemmingsplan voor het gehele plangebied. Het geldende bestemmingsplan Tolhuislanden laat de realisatie van de windturbines en een zonnepark met bijbehorende voorzieningen niet toe.
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 3 van 128
Figuur 1.3 Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied Haerst, Tolhuislanden
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl (bewerking door Pondera)
Ten zuidwesten van de windturbines geldt het bestemmingsplan “Hessenpoort” (vastgesteld op 2 oktober 2012). Tussen het bedrijventerrein Hessenpoort en de windturbines ligt een groene zone dat in het bestemmingsplan is aangeduid met de enkelbestemming ‘groen’. Hier wordt in paragraaf 5.6 verder op ingegaan. De gebiedsaanduiding luchtvaartzone staat nog in het bestemmingsplan, zie Figuur 1.4. Dit is een laagvliegroute van Defensie (linkroute-10A). Deze wordt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet opgeheven. In een brief van het ministerie van Defensie3 wordt aangeven dat totdat de wijziging van de ruimtelijke regelgeving is gerealiseerd er ontheffing mogelijk is. Voor aanvragen betreffende een bouwwerk van hoger dan 40 meter kan dit door middel van een verzoek tot ontheffing op grond van artikel 3.2 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) worden ingediend. Deze ontheffingsaanvraag wordt door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle aangevraagd. Deze aanvraag zal moeten worden beoordeeld door de minister van BZK in overeenstemming met de minister van Defensie. In de brief van het ministerie van Defensie3 wordt aangegeven dat de aanvraag niet zal worden geblokkeerd.
3
Ministerie van Defensie, 16 september 2020, kenmerk BS2020017040
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 4 van 128
Figuur 1.4 Uitsnede Bestemmingsplan Buitengebied Haerst, Tolhuislanden
Bron: ruimtelijkeplannen.nl
1.4 Juridisch kader Hieronder wordt ingegaan op de procedurele context voor dit plan en samenhang met de procedure van de milieueffectrapportage (m.e.r.).
Afwijking bestemmingsplan omgevingsvergunning Omdat het planvoornemen niet past in het geldende bestemmingsplan is een planologische procedure benodigd om het plan mogelijk te maken. De initiatiefnemer is voornemens om voor het bouwplan een aanvraag omgevingsvergunning in te dienen voor de activiteit: ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’. Dit betreft artikel 2.1 lid 1 aanhef en onder c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Via deze procedure (ex artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 Wabo) is het mogelijk om af te wijken van het geldende planologisch regime. Voorwaarde voor verlening van de vergunning is dat de activiteit niet in strijd mag zijn met een goede ruimtelijke ordening. In onderhavige ruimtelijke onderbouwing wordt toegelicht welke gevolgen het plan heeft voor de omgeving. Onderbouwd is dat geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de goede ruimtelijke ordening. Daar waar dat aan de orde is, wordt aangegeven op welke wijze afspraken die in dat kader nodig zijn, in de besluitvorming kunnen worden gewaarborgd.
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 5 van 128
Relatie met de milieueffectrapportage De procedure voor de milieueffectrapportage (m.e.r.) heeft tot doel om te waarborgen dat voor besluitvorming met potentieel aanzienlijke gevolgen voor het milieu dit milieubelang volwaardig wordt betrokken in de besluitvorming. De wettelijke eisen ten aanzien van m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r. wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C-activiteiten), activiteiten die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D-activiteiten) en activiteiten die wel zijn opgenomen in de D-lijst, maar in omvang kleiner zijn dan de opgenomen drempelwaarden. Voor deze laatste categorie geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark is aangewezen in het Besluit m.e.r. als categorie D22.2. Bij een opgesteld vermogen van 15 MW (elektrisch) of meer, of bij een windturbinepark bestaande uit 10 of meer windturbines, moet de m.e.r.-beoordelingsprocedure worden doorlopen. Daarbij wordt beoordeeld of er aanleiding is om potentieel aanzienlijke gevolgen voor het milieu te verwachten, en daarmee aanleiding om een m.e.r. te doorlopen. Onderhavig plan betreft de oprichting van drie windturbines van in totaal 15 MW of meer.
Daarmee valt de uitbreiding boven de in het Besluit m.e.r. opgenomen drempelwaarden en is er een m.e.rbeoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is opgesteld en als bijlage opgenomen bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning. In deze m.e.r. beoordeling staat beschreven wat de mogelijke milieugevolgen zijn van de beoogde windturbines. Uit de beoordeling blijkt dat wanneer er al milieueffecten zijn, die beperkt zijn en/of goed te mitigeren. Er is geen aanleiding om aanzienlijke gevolgen voor het milieu te verwachten die aanleiding geven een m.e.r. te doorlopen. De aanleg van een zonnepark niet is aan te merken als een activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit MER. Er is geen sprake van een landinrichtingsproject (categorie D9), gezien de beperkte schaal, omvang en ligging van het zonnepark. Het zonnepark betreft immers 6,5 hectare in een hoekje van een perceel grenzend aan een spoorlijn. Niet elke ontwikkeling in het buitengebied betreft een landinrichtingsproject (zie ook de uitspraak van de Raad van State en Rechtbank4). Het zonnepark heeft onvoldoende substantieel karakter om aangemerkt te kunnen worden als een landinrichtingsproject als bedoeld in het Besluit MER. Op grond hiervan hoeft er geen (vormvrije) m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd voor het zonnepark van Energiepark Tolhuislanden.
Bevoegd gezag Primair is de gemeenteraad op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevoegd gezag voor het vaststellen van een bestemmingsplan en Burgemeester en Wethouders voor het afwijken van het bestemmingsplan, hiervoor is wel een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad benodigd. Voor aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een omvang tussen de 5 en 100 MW zijn Provinciale Staten op basis van artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 bevoegd gezag voor het vaststellen van een inpassingsplan en het verlenen van de omgevingsvergunning. De provincie Overijssel op 21 maart 2023 heeft haar bevoegdheid om te beslissen over het project overgedragen aan de gemeente Zwolle.
Coördinatieregeling De initiatiefnemer verzoekt de gemeente Zwolle tot het toepassen van de coördinatieregeling als bedoeld in paragraaf 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. Door coördinatie worden besluiten die met elkaar 4
ECLI:NL:RVS:2019:2770 & ECLI:NL:RBNNE:2019:3853
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 6 van 128
samenhangen gelijktijdig in procedure gebracht en worden daarover gegeven zienswijzen en ingestelde beroepen gelijktijdig afgehandeld. Er is dus geen aparte bezwaarprocedure bij het bevoegd gezag en beroepsprocedure bij de rechtbank, maar rechtstreeks beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (beroep in één instantie). Conform de procedure kunnen tegen de ontwerpbesluiten door een ieder zienswijzen worden ingediend. De volgende besluiten worden gecoördineerd genomen: •
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning)
•
Ontheffing Wet natuurbescherming
Crisis- en herstelwet Hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet (Chw) gaat over het stroomlijnen en versnellen van procedures voor besluiten van ruimtelijke en infrastructurele projecten, zoals omgevingsvergunningen op basis van de Wabo. Het stroomlijnen van procedures houdt onder meer in dat er een versnelde afhandeling door de Raad van State geldt en het vereiste om direct inhoudelijke beroepsgronden in te dienen. De Chw is relevant voor projecten of categorieën van projecten benoemd de bijlagen van de Chw. De realisatie van de windturbine valt onder projecten, zoals bedoeld in Bijlage I van de Chw, onder 1.2: “aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998”, waardoor hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing is. Omdat er tijdsdruk zit achter de energietransitie is het zeer wenselijk de procedure te stroomlijnen met gebruikmaking van de Chw. Dit brengt onder meer met zich mee dat: •
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, na afloop van de beroepstermijn, een termijn van 6 maanden heeft voor het doen van een uitspraak op een beroep;
•
dat het beroepschrift meteen de gronden van beroep moet bevatten (het indienen van een pro-forma beroepschrift is niet mogelijk).
Het van toepassing zijn van de Chw dient vermeld te worden in bekendmaking, publicatie en besluitvorming.
1.5 Leeswijzer In dit hoofdstuk is een inleiding op het project gegeven. In hoofdstuk 2 wordt het beleidskader geschetst. In hoofdstuk 3 komt een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied en omgeving aan de orde, hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van het planvoornemen. In hoofdstuk 5 worden de milieuaspecten beschreven. Hoofdstuk 6 geeft ten slotte een toelichting op de financieel-economische uitvoerbaarheid van dit plan en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 7 van 128
2 Beleid Dit hoofdstuk beschrijft beleid en wet- en regelgeving specifiek op het gebied van duurzame (wind)energie en ruimtelijke ordening. Ook wordt ingegaan op nut en noodzaak van windenergie.
2.1 Beleid voor duurzame energie 2.1.1 Mondiaal klimaatakkoord Klimaatverandering is een mondiale uitdaging en vereist dan ook een mondiale respons. Deze respons kwam in december 2015 toen op de eenentwintigste klimaatconferentie in Parijs (COP21)5 195 landen, waaronder Nederland, instemden met een klimaatakkoord. Hieronder de belangrijkste punten uit het akkoord:
de gemiddelde temperatuur op de aarde mag niet meer dan 2 graden Celsius stijgen. Landen streven er naar de temperatuurstijging zelfs te limiteren tot maximaal 1,5 graden Celsius;
de partijen zullen zo snel mogelijk hun best doen om de uitstoot van broeikasgassen en schadelijke stoffen te verminderen in combinatie met de beschikbare techniek van dat moment. Daarbij wordt rekening gehouden met verschillen tussen landen; er is extra inzet nodig om negatieve gevolgen van klimaatverandering aan te pakken en de
hoeveelheid broeikasgassen terug te brengen zonder dat dit de voedselproductie in gevaar brengt;
alle partijen moeten financieel bijdragen aan het verlagen van de hoeveelheid broeikasgassen en
onderzoek doen naar klimaatbestendige ontwikkelingen; voor de klimaatconferentie van 2025 moeten de partijen van de klimaatovereenkomst van Parijs zich samen ten doel stellen elk jaar minstens 100 miljard dollar (91 miljard euro) ter beschikking te stellen aan armere landen die economisch moeite hebben de klimaatdoelstellingen te halen. Het geld zou vanaf 2020 beschikbaar moeten zijn; het verdrag is bindend en de landen verplichten zich het na te leven.
Zes jaar na het Akkoord van Parijs is tijdens de zesentwintigste klimaatconferentie van Glasgow (COP26) de balans opgemaakt en zijn nieuwe afspraken vastgelegd. Hieronder de belangrijkste punten: •
In lijn met de temperatuurdoelstelling van Parijs (beneden +2 graden en indien mogelijk +1,5 graden) moeten de deelnemende landen uiterlijk eind 2022 met aangescherpte klimaatdoelen voor 2030 komen;
•
Er wordt een oproep gedaan om de inspanningen op te voeren in het geleidelijk verminderen van het steenkool gebruik en een einde te maken aan subsidies voor fossiele brandstoffen;
•
Er gaat meer geld naar de ontwikkelingslanden om klimaatverandering tegen te gaan, vanuit de EU alleen al €100 miljoen;
•
Er wordt afgesproken de ontbossing tegen 2030 te stoppen en om te keren;
•
Er wordt afgesproken methaanuitstoot te verminderen;
•
Er zijn regels afgesproken die voortvloeien uit het Akkoord van Parijs, waaronder het opzetten van een mondiaal handelssysteem voor CO2-emissierechten.
5
De klimaatconferentie van Parijs 2015 (officieel: 2015 United Nations Climate Change Conference), die van 30 november tot 12 december 2015 plaatsvond in Parijs leidde tot het afsluiten van het "Akkoord van Parijs", dat op 22 april 2016 in New York is ondertekend. Het klimaatverdrag is 4 november 2016 in werking getreden.
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 8 van 128
2.1.2 Europese Klimaatwet Ook op Europees niveau zijn doelstellingen geformuleerd en vastgelegd om klimaatverandering tegen te gaan. Het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (EU) hebben op 28 juni 2021 de Europese Klimaatwet vastgesteld. Met de vaststelling is de doelstelling om in 2030 40% minder CO 2 uit te stoten dan in 1990 verhoogd naar 55%. Ook is vastgelegd dat de EU in 2050 klimaatneutraal moet zijn. Voor de productie en bevordering van duurzame energie uit hernieuwbare bronnen is algemeen beleid vastgelegd in de richtlijn hernieuwbare energie (2009/28/EG). Het vereist dat de EU tegen 2030 ten minste 32% van haar totale energiebehoeften met hernieuwbare energie vervult en bouwt voort op de reeds geboekte vooruitgang, waaronder de verwezenlijking van de EU-doelstelling van 20% hernieuwbare energie in 2020. Het tussendoel voor 2020 lijkt te zijn behaald met een aandeel van 21,3%. In 2021 is dit percentage iets opgelopen naar 23,9%.
2.1.3 Nationale Klimaatwet Om conform het Klimaatakkoord van Parijs de wereldwijde opwarming van de aarde en de verandering van het klimaat te beperken heeft Nederland op 2 juli 2019 de Klimaatwet vastgesteld. In de Klimaatwet staan drie doelen: 1. een vermindering van 49% (ten opzichte van 1990) van de broeikasgasuitstoot in 2030; 2. een vermindering van 95% (ten opzichte van 1990) van de broeikasgasuitstoot in 2050; 3. 100% broeikasgas-neutrale elektriciteit in 2050. Ter uitvoer van de Klimaatwet heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat op 1 april 2020 het Klimaatplan vastgesteld. Dit Klimaatplan bevat de hoofdlijnen van het nationale klimaatbeleid voor de komende 10 jaar (2021-2030). Daarnaast gaat het Klimaatplan, conform de Klimaatwet, in op de laatste wetenschappelijke inzichten over klimaatverandering, technologische ontwikkelingen, internationale beleidsontwikkelingen en de economische gevolgen. De inhoud van het Klimaatplan is voor een belangrijk deel bepaald door de hoofdlijnen van het Klimaatakkoord, dat in juni 2019 tot stand is gekomen met betrokkenheid van meer dan 100 maatschappelijke (publieke en private) partijen. In het klimaatakkoord staan afspraken tussen de overheid en vijf betrokken sectoren (elektriciteit, industrie, bebouwde omgeving, landbouw en transport).
Deze afspraken moeten er voor zorgen dat in 2050 de doelen, zoals opgenomen in de Klimaatwet worden gehaald. Afspraken over de opwek van duurzame energie, waaronder wind- en zonne-energie, zijn vastgelegd in het hoofdstuk 'Elektriciteit'. Zo is afgesproken dat in 2030 70% van alle elektriciteit uit hernieuwbare bronnen komt. Dat gebeurt onder andere met windturbines op zee, op land en met zonnepanelen op daken en in zonneparken (zie Kader 2.1). Voor wind en zon op land is afgesproken dat in 2030 minimaal 35 TWh geproduceerd moet worden. Het initiatief draagt met de realisatie van windturbines en een zonnepark bij aan deze doelstelling voor 2030 en de gewenste verdere doorgroei van het aandeel duurzame energie na 2030.
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 9 van 128
Kader 2.1 Windenergie ten opzichte van zonne-energie
Volgens het Rijksbeleid zijn de belangrijkste vormen van hernieuwbare energie in Nederland windenergie en zonne-energie. In de toekomst komen daar technieken bij die nu nog verder doorontwikkeld moeten worden, zoals aardwarmte, restwarmte en groene waterstof. Hoewel energie uit fossiele energiebronnen in de komende decennia nodig blijft, zal hernieuwbare energie een steeds groter onderdeel gaan uitmaken van de energiemix. Vier duurzame energiebronnen leveren daarbij de belangrijkste bijdrage voor Nederland: bio-energie, zonne-energie (met name elektriciteit uit zon-PV), wind op land en wind op zee. Bio-energie levert een belangrijk bijdrage aan de energievoorziening maar alsnog vrijkomende CO2-emissie en de beschikbaarheid hiervan (of van grondstoffen met de gewenste herkomst) beperkt de potentiële bijdrage. Zowel voor zonne-energie, wind op zee als wind op land wordt een grote bijdrage verwacht. Deze opgave is, gezien de huidige stand van zaken en de hoogte van de ambities, dermate groot dat de realisatie in de vorm van zon of wind op zee geen alternatief vormt voor het project. Er is een energiemix nodig waarbij alle vormen van duurzame energie, en windenergie in het bijzonder, een steeds belangrijker aandeel zal krijgen. Onderhavig initiatief levert en bijdrage aan het behalen van een dergelijke duurzame energiemix.
Regeerakkoord ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’ In december van 2021 is het nieuwe coalitieakkoord ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’ gepresenteerd. In dit regeerakkoord wordt de ambitie bijgesteld naar ten minste 55% in 2030 6.
2.1.4 RES West-Overijssel Een uitvloeisel van het Klimaatakkoord is dat 30 regio’s in Nederland een Regionale Energie Strategie (RES) opstellen. In de RES-en wordt per regio inzicht geven in het regionale bod voor grootschalige opwek van zonne- en windenergie dat bijdraagt aan doelstelling van 49% CO2-reductie in 2030 en concreet zorgt voor een opwek van 35 TWh hernieuwbaar op land. Gemeente Zwolle is onderdeel van de RES-regio West-Overijssel. Naast de gemeente Zwolle zijn er 10 buurgemeenten, de provincie Overijssel, 4 waterschappen en 3 netbeheerders en maatschappelijke organisaties vertegenwoordigd in de regio West-Overijssel. Deze regio heeft als doelstelling om in 2030, 1,86 TWH aan schone energie op te wekken met inzet van zon en wind. Begin 2025 moeten de vergunningen daarvoor verleend zijn. Ook is afgesproken te streven naar een verhouding van wind / zon van 60% / 40%. Dat betekent dat er nieuwe zoekgebieden voor wind- en zonne-energie worden gezocht. In Figuur 2.1 zijn de zoekgebieden vanuit de RES voor de gemeente Zwolle weergegeven.
6
Zie: https://www.rijksoverheid.nl/regering/coalitieakkoord-omzien-naar-elkaar-vooruitkijken-naar-de-toekomst/2.duurzaam-land/klimaat-en-energie
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 10 van 128
Figuur 2.1 RES zoekgebied wind en zon Tolhuislanden
Bron: RES West Overijssel 1.0.
Alleen in het noordoostelijk gebied word er ruimte geboden voor de ontwikkeling voor windenergie. In het zuiden van Zwolle is nog een klein gebied dat globaal staat aangegeven, maar dit komt voornamelijk door het zoekgebied in de gemeente Olst-Wijhe. Het gebied Tolhuislanden is ook aangewezen als zoekgebied voor zonne-energie. De afspraken van de RES 1.0 en eventueel nieuwe zoekgebieden worden in het provinciale- en gemeentelijke omgevingsbeleid geborgd. De RES 1.0 is in de zomer van 2021 vastgesteld door de gemeenteraden, Provinciale Staten en algemeen besturen van de waterschappen. In de RES 2.0 is gewerkt aan de uitvoering van de RES 1.0. In RES 2.0 is gekeken wat er in 2030 gerealiseerd moet zijn en wat daarvoor nodig is. Op 1 juli 2023 is de RES 2.0 ingediend bij het Nationaal Programma RES.
2.1.5 Programma Nieuwe Energie Overijssel (NEO) In het programma Nieuwe Energie Overijssel werkt de provincie met zeven kernpartners aan één ambitie: een energieneutraal Overijssel in 2050. Concreet is het doel 20% nieuwe energie en 6% energiebesparing in 2023. Het programma verbindt en versterkt partners en initiatieven die bijdragen aan de energietransitie in Overijssel. Naast de provincie, bestaan de kernpartners van Nieuwe Energie Overijssel uit gemeentes, waterschappen, netbeheerder Enexis, Natuur en Milieu Overijssel, woningcorporaties, VNO-NCW / MKB Nederland midden en Bio-energiecluster Oost Nederland (Sweco 2021). In het uitvoeringsprogramma 2017-2023 (2017) zijn acties en maatregelen opgenomen om de doelen te bereiken. Eén van de onderdelen van het uitvoeringsprogramma is energieopwekking. In de komende vijf
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 11 van 128
jaar wordt ingezet op een mix van bronnen zoals wind, zon en biomassa. De ambitie is om de hoeveelheid hernieuwbaar opgewekte energie te vergroten naar rond 20 PJ in 2023. Concreet wordt tenminste 1,4 PJ in 2023 gerealiseerd aan windenergie. Voor zonne-energie is de doelstelling bijna 2 PJ. Met betrekking tot bio-energie is het doel om in 2023 ruim 10 PJ aan energie te produceren uit biomassa. Verder wordt ingezet op bodemenergie en onder andere warmtepompen. Bij het uitvoeren van de uitvoeringsstrategie wordt onder andere aandacht besteed aan het vergroten van maatschappelijk draagvlak, innovatie en ruimtelijke ordening om meer ruimte te bieden aan met name zon- en windparken.
2.1.6 Zwolle geeft je energie In 2017 heeft de gemeente Zwolle het ambitiedocument ‘Zwolle geeft je energie’ gepubliceerd. In dit document worden de ambities voor de energietransitie uiteengezet. In het document worden de lijnen waarlangs de energietransitie moet plaatsvinden, de rol en de stip op de horizon voor de gemeente Zwolle bepaald. Als tussenstap op weg naar 2050 heeft de gemeente afgesproken dat in 2025 de hoeveelheid CO 2-uitstoot in vergelijking met 1990 25% lager ligt en dat we 25% van de totale energievraag op duurzame wijze opwekken. Concreet betekent dit voor 2025 een besparingsdoelstelling van 1,6 PJ/jaar en het jaarlijks opwekken van 1,2 PJ duurzame energie. Om deze doelstellingen te halen heeft de gemeente een aantal uitgangspunten. De gemeente kijkt ten eerste naar alle duurzame energiebronnen hoewel zon, wind en warmte zijn op dit moment de belangrijkste duurzame bronnen. Windenergie is met de huidige stand van de techniek onontkoombaar in de realisatie van de doelstellingen. Daarnaast kijkt de gemeente eerst naar welk deel van de ambitie binnen de gemeente Zwolle kan worden gerealiseerd. Zwolle heeft onvoldoende oppervlakte om de ambitie voor opwekking van duurzame energie volledig op eigen grond te realiseren. Daarom gaat de gemeente op regionaal en provinciaal niveau in gesprek over de energieopgave.
Ten derde stimuleert de gemeente bij voorkeur oplossingen met economische en sociale meerwaarde. Als laatste wordt er ruimte geboden voor experimenten en innovatie. De focus gaat de komende jaren onder meer naar de bescherming en ondersteuning van kleinschalige initiateven, energiebesparing van met name bedrijven en transformatie van de bestaande woningbouw. Daarnaast ligt de focus op de opwek van grootschalige energie. De gemeente zal in een proces met de stad een afwegingskader grootschalige duurzame energie opstellen waar grootschalige initiatieven voor windenergie- en zonneparken aan getoetst kunnen worden. Dit afwegingskader is uitgewerkt in de ‘De Zwolse Energiegids’.
2.1.7 Coalitieakkoord gemeente Zwolle Op 25 mei 2022 is het nieuwe coalitieakkoord ‘Samen voor een waarde(n)volle toekomst’ van de gemeente Zwolle bekend gemaakt. De gemeente Zwolle wil in 2040 klimaatneutraal zijn. Het gebied van Hearst / Tolhuislanden wordt gezien als meest kansrijke locatie voor de opwek van grootschalige
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 12 van 128
duurzame energie. Andere buurgemeenten7 hebben in aangrenzend gebied ook plannen voor windenergie. In dit gebied kan zich dan een clustering vormen van duurzame initiatieven.
2.2 Ruimtelijk beleid - Nationaal Het ruimtelijk Rijksbeleid is vastgelegd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro zijn concrete regels opgenomen waar rekening mee moet worden gehouden.
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De NOVI is op 11 september 2020 door het Rijk vastgesteld als structuurvisie onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (WRO). Zodra de nieuwe Omgevingswet in werking is getreden, wat naar verwachting op 1 januari 2023 zal gebeuren, geldt deze structuurvisie als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De "Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte" (SVIR, maart 2012), die in de tijd voor de NOVI de 'kapstok' voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties was en waarin onder ander windenergie eveneens was aangemerkt als een nationaal belang, komt door de NOVI te vervallen. De strategisch relevante delen van de SVIR gaan op in de NOVI. De NOVI is gericht op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu door (a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede leefomgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Klimaatadaptie en de energietransitie vormen een van de vier prioriteiten van de NOVI, naast een duurzaam en economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijke gebied. De NOVI is erop gericht om voor deze vier prioriteiten de nationale strategische beleidskeuzes te formuleren en hanteert daarbij als afwegingsprincipes dat combinaties van functies voor enkelvoudige functies gaan, dat kenmerken en identiteit van een gebied centraal staan en dat afwentelen wordt voorkomen. De NOVI ziet het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening (die in 2050 CO2-arm is) en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur als een nationaal belang. Ook windenergie speelt hier een belangrijke rol op zowel de Noordzee als op land. Ten aanzien van het behalen van de doelstellingen voor windenergie op land gaat de NOVI, naast de doelstellingen uit het Nederlandse Klimaatakkoord en vervolgens de RES'en, uit van de Structuurvisie Windenergie op land (SvWOL) uit 2014. Het Programma Energiehoofdstructuur zal de SvWOL opvolgen en wordt verwacht in 2022. Het programma hanteert als tijdshorizon 2030-2050 met de ambitie om tijdig te zorgen voor voldoende ruimte voor een nationale energiehoofdstructuur die in balans staat met andere opgaven en belangen en een goede leefomgevingskwaliteit.
De NOVI geeft als algemeen beleidskader voor de realisatie van hernieuwbare energie op land het streven naar zuinig en zoveel mogelijk meervoudig ruimtegebruik, waarbij vraag en aanbod van hernieuwbaar opgewekte elektriciteit zoveel mogelijk dicht bij elkaar worden gebracht. Daarnaast moet er zoveel mogelijk worden aangesloten bij de gebiedsspecifieke ruimtelijke kwaliteit en gaat de voorkeur uit naar grootschalige clustering van duurzame energie.
7
Zwolle, Staphorst, Dalfsen en Zwartewaterland
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 13 van 128
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)8 voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Bij de vaststelling van een ruimtelijke plan voor de ontwikkeling van een windturbine dient rekening gehouden te worden met de regels die het Barro stelt. Voor het plangebied zijn alleen de belangen van defensie relevant. Defensie In het Barro zijn regels opgenomen ten aanzien van militaire radarstations, beperkingen rondom een radarstation, als ook beperkingen in verband met militaire laagvliegroutes jacht- en transportvliegtuigen. De beoogde windturbine valt binnen de toetsingsvlakken van radarstations Nieuw Millingen en Twente. De beoordeling van gevolgen van de windturbines vindt plaats in hoofdstuk 5.
Voorkeursvolgorde Zon In de kamerbrief van 6 juli 2023 van Minister Jetten (de ‘tweede zonnebrief’) is de Voorkeursvolgorde Zon aangekondigd. Het kabinet wil de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk benutten met behoud van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Daarom wordt voor de hernieuwbare opwek met zon de Voorkeursvolgorde Zon gevolgd. In de afweging voor hernieuwbare opwek met zon-PV wordt daarbij door initiatiefnemers samen met bevoegd gezag in volgorde gezocht naar, hernieuwbare opwek met zon-PV op: 1. daken en gevels; 2. terreinen en objecten binnen bebouwd gebied; 3. terreinen en objecten in het landelijk gebied (m.u.v. landbouw- en natuurgronden); 4. landbouw- en natuurgronden. Kabinet werkt toe naar regels met de strekking “nee, tenzij” om landbouw- en natuurgronden zo veel mogelijk te vrijwaren van zon-PV. Er zal een beperkt aantal uitzonderingen voor zon-PV op landbouw- en natuurgronden, “nee, tenzij”, worden geformuleerd, waarbij de voorwaarden tijdelijkheid en multifunctioneel gebruik in ieder geval zullen gelden. De bedoeling is om de Voorkeursvolgorde Zon en de “nee, tenzij” juridisch te verankeren voor 1 juli 2024 in provinciale regels met of zonder een Rijksinstructieregel in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De provincie Overijssel heeft al een zonneladder verplicht gesteld bij de ontwikkeling van zonne-energie via de provinciale omgevingsverordening. Deze zonneladder geeft de voorkeursvolgorde aan bij de verdeling van de opwekopgave voor zonne-energie. In paragraaf 2.4.1 wordt het zonnepark van Energiepark Tolhuislanden hier aan getoetst. Bovendien wordt in paragraaf 4.4 de landschappelijke inpassing en het multifunctioneel gebruik van het zonnepark nader omschreven. Tot slot is het gebied Tolhuislanden in de Zwolse Energiegids (2017) en gemeentelijke omgevingsvisie (2021) aangewezen als zoekgebied voor de opwek van grootschalige wind- en zonne-energie. Vervolgens zijn de gemeente Zwolle en de coöperatie in 2020 een gebiedsovereenkomst9 overeengekomen met als doel om 0,13 tot 0,30 Petajoule jaarlijks op te wekken in het gebied Tolhuislanden door de realisatie van windturbines en/of 8
Besluit van 22 augustus 2011, houdende algemene regels ter bescherming van nationale ruimtelijke belangen (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) 9 9 maart 2020 met kenmerk 2020-03 JK
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 14 van 128
zonneparken (zie ook paragraaf 4.1). De keuze om ook een zonnepark te realiseren als onderdeel van de duurzame energieproductie mix is het resultaat van het doorlopen gebiedsproces (zie hoofdstuk 4 en bijlage 12). Het is wenselijk dat te respecteren. Om bovengenoemde redenen is er aanleiding om niet rechtstreeks gebruik gemaakt van de nieuwe Voorkeursvolgorde Zon.
2.3 Ruimtelijk beleid – Omgevingsvisie Overijssel In de provinciale omgevingsvisie de provincie Overijssel haar visie op de ruimte. Daarbij wordt gekeken naar zaken als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur. De provincie Overijssel geeft in de ‘Omgevingsvisie Overijssel 2017, Beken kleur’ aan in 2023 20% van de energie duurzaam op te willen wekken, de ambitie voor 2030 ligt op 30%. Het bereiken van deze ambitie moet voornamelijk plaatsvinden door het investeringsklimaat voor duurzame energie en besparing van energie aantrekkelijk te maken. Bij het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie geldt voor windenergie dat de provincie Overijssel in ieder geval de bestuurlijke afspraken met het Rijk over het realiseren van windenergie op land wil nakomen. Belemmeringen voor het plaatsen van windturbines worden daarbij zoveel mogelijk opgeheven. De provincie Overijssel maakt voor windenergie onderscheid in de volgende gebieden: •
kansrijke zoekgebieden: in deze gebieden maakt de provincie prestatieafspraken met gemeenten voor de bovenlokale ontwikkeling van windenergie;
•
uitgesloten gebieden: het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de nationale parken en de Nationale Landschappen, waaronder de IJssel ten noorden van de gronden van het plangebied (de ontwerp verordening 2021 heft dit generiek verbod op deze gebieden op);
•
overige gebieden: onder andere grotere bedrijventerreinen (groter dan 40 hectare) en langs infrastructuur.
Het plangebied behoort tot de gebieden waar windturbines mogelijk zijn (donkergroen) en waar windturbines mogelijk zijn onder voorwaarde (lichtgroen gebied). Hierna is een uitsnede uit de kaart gemaakt.
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 15 van 128
Figuur 2.2 Uitsnede Omgevingsvisie Overijssel
Bron: provincie Overijssel
Het gebied ten noordoosten van bedrijventerrein Hessenpoort is als kansrijk aangemerkt. Dit komt overeen met het plangebied van Tolhuislanden. Het kansrijke gebied wordt aan de westzijde echter begrenst door een ‘uitsluitingsgebied windenergie’ (lichtgrijs in Figuur 2.2). Dit is de nog te vervallen laagvliegroute 10A, hiermee hoeft geen rekening te worden gehouden (zie ook paragraaf 5.10). Op 18 juli 2023 heeft de provincie Overijssel een voorgenomen windbeleid gepresenteerd (kenmerk: 2023020819). De provincie wijst vier locaties aan die mogelijk gebruikt kunnen worden als grootschalige clusters voor windturbines. Het gaat om de volgende clusters: langs de A35, langs de A1, in de regio Ommen/Hardenberg en in de regio Zwolle, Staphorst, Dalfsen en Zwartewaterland. Buiten deze clusters werkt de provincie alleen mee aan initiatieven met 4 of meer windturbines. Voor 1 januari 2024 zal de aanscherping van het windbeleid ook worden verwerkt in het Provinciaal Programma Energie- strategie (PPE). Energiepark Tolhuislanden ligt binnen de cluster Zwolle, Staphorst, Dalfsen en Zwartewaterland, waardoor de eis van mimimaal 4 windturbines niet geldt voor dit project.
2.4 Ruimtelijk regelgeving - Omgevingsverordening Overijssel De Omgevingsverordening Overijssel10 is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor de onderwerpen waarvoor de provincie hecht aan de juridische borging van de doorwerking van het omgevingsvisiebeleid. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt en/of niet in de weg staat aan de ambities van Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In de Omgevingsvisie Overijssel is een 10
geconsolideerde versie vanaf 2017
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 16 van 128
Uitvoeringsmodel ontwikkeld voor het sturen op ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit waarbij drie stappen worden onderscheiden (OF-, WAAR- en HOE-benadering).
Figuur 2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie
Of – generieke beleidskeuzes Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidkeuzes van EU, Rijk of provincie. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes vastgelegd. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. Waar – ontwikkelingsperspectieven Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de provinciale visie worden zes ontwikkelingsperspectieven onderscheiden. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 17 van 128
verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Hoe – gebiedskenmerken Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype verstaan die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel beschrijft de Catalogus Gebiedskenmerken welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. In de volgende paragrafen wordt het initiatief opeenvolgend getoetst aan de generieke beleidskeuzes (OF), ontwikkelperspectieven (WAAR) en gebiedskenmerken (HOE).
2.4.1 Generieke beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste stap 'generieke beleidskeuzes' wordt opgemerkt dat sprake is van de ontwikkeling van een windenergieproject in het buitengebied. Hierdoor zijn met name artikel 2.1.5 (Ruimtelijke kwaliteit), artikel 2.1.6 (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving), artikel 2.1.8 (Kwaliteitsimpuls zonnevelden) en titel 2.15 (Windturbines) van de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Op deze artikelen wordt hierna nader ingegaan.
Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit In het betreffende artikel staat onder meer dat in de toelichting op bestemmingsplannen (of in dit geval onderhavige ruimtelijke onderbouwing) wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering). Gemotiveerd wordt dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. Inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. In de volgende paragrafen 2.4.2 en 2.4.3 wordt nader onderbouwd dat de nieuwe ontwikkeling past in het ontwikkelingsperspectief en bijdraagt aan het versterken van ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.
Artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Bestemmingsplannen voor de groene omgeving11 kunnen voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Dit artikel is niet van toepassing op de nieuwvestiging van een zonnepark. Hiervoor geldt de kwaliteitsimpuls zonnevelden (artikel 2.18, zie hieronder).
11
de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 18 van 128
Vanwege sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen kan er dus aanleiding zijn om een uitzondering te maken op de algemene regel ‘inbreiding voor uitbreiding' mits het verlies van ecologisch en landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd. De realisatie van het initiatief is een nieuwe ingreep en daarmee betekent het een impact in het bestaande landschap en ecologische waarden. De provincie vraagt met haar Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) een extra kwaliteitsinvestering in de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.
Coöperatie DTHL zal voor tien jaar lang € 10.000,- per jaar investeren in landschappelijke kwaliteit in de directe omgeving van de drie windturbines. Coöperatie DTHL zal een commissie aanstellen vanuit leden van de coöperatie. De commissie zal de KGO-middelen beheren en invulling geven aan de landschappelijke investeringen in afstemming met de gemeente Zwolle. In bijlage 16 is het KGO-plan voor Energiepark Tolhuislanden nader uitgewerkt. De KGO- middelen en het proces zoals omschreven in bijlage 16 zullen worden geborgd in een anterieure overeenkomst tussen coöperatie DTLH en de gemeente Zwolle. Bijgevoegd aan het KGO-plan geeft ook een voorlopige landschappelijke inrichtingsschets waarin de genoemde landschappelijke bouwstenen visueel zijn weergegeven. De schets kan worden gezien als landschappelijke bouwstenenkaart en eerste aanzet. De landschappelijke investeringen zullen in samenspraak moet worden ontworpen met de omwonenden, grondeigenaren, gemeente Zwolle en Provincie Overijssel. Bovendien worden de landschappelijke inrichtingsmaatregelen in samenhang met de civiele en elektrische werken (tijdelijke bouwplaats, kraanopstelplaatsen wegen, inkoopstation, kabels etc.) en overige ontwikkelingen in de directe omgeving ingepast.
Drie maanden voorafgaand aan de bouw van Energiepark Tolhuislanden zal een definitief KGO plan worden overhandigd aan het bevoegd gezag en ter goedkeuring voorgelegd. Verder wordt het verlies aan weidevogelgebied door de realisatie van de windturbines gecompenseerd (zie paragraaf 5.6 en bijlage 14). De financiële middelen die hiervoor nodig zijn staan los van de hierboven beschreven € 10.000,- per jaar.
Artikel 2.1.8 Kwaliteitsimpuls zonnevelden De provincie wilt uit oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zonnepanelen en andere vormen van zonne-energie zoveel mogelijk combineren met andere vormen van ruimtegebruik bij voorkeur met bebouwing. Daarom stelt de provincie de toepassing van de zonneladder verplicht bij initiatieven voor zonnevelden in de Groene Omgeving (zie hieronder een toelichting op de zonneladder). Volgens artikel 2.1.8 van de provinciale omgevingsverordening mogen bestemmingsplannen voorzien in de opstelling van zelfstandige en tijdelijke zonnepanelen in de Groene Omgeving uitsluitend worden vastgesteld als de maatschappelijke meerwaarde is aangetoond én is aangetoond dat het verlies van ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Bovendien gaat het daarbij om opstellingen van zonnepanelen voor een periode van niet meer dan 25 jaar op een wijze die omkeerbaar is en waarbij de oorspronkelijke bestemming gehandhaafd blijft. De omgevingsvergunning voor het zonnepark zal daarom worden aangevraagd voor een periode van 25 jaar. Meerwaarde kan worden aangetoond vanuit de volgende criteria: •
De mate waarin sprake is van meervoudig ruimtegebruik (combinaties met andere functies)
•
Maatregelen die getroffen worden om de impact te beperken en/of te compenseren
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 19 van 128
•
De mate waarin wordt aangesloten op de karakteristieken van het gebied (gebiedseigen/gebiedsvreemd)
•
Bijdrage aan maatschappelijke doelen (in ieder geval aan de provinciale doelen ten aanzien van duurzaamheid, maar ook aan draagvlak in de omgeving, bijdrage aan maatschappelijke cohesie, (financiële) bijdragen aan maatschappelijke opgaven, enz.)
In paragraaf 4.4 wordt nader beargumenteerd dat er sprake is van meervoudig ruimtegebruik en wordt een toelichting gegeven op welke manier het zonnepark landschappelijk wordt ingepast. De eventuele impact op het landschap of ecologie door de realisatie van het zonnepark zoveel mogelijk beperkt (zie hoofdstuk 4 en 5) en gecompenseerd (zie paragraaf 4.4). De mate waarin wordt aangesloten op de karakteristieken van het gebied wordt nader onderbouwd in paragraaf 4.4 en 4.10. De bijdrage aan maatschappelijke doelen, draagvlak, procesparticipatie en financiële participatie wordt nader beschreven in hoofdstuk 7.
Zonneladder Op 21 april 2020 heeft de provincie Overijssel een Handreiking zonnevelden gepubliceerd. In deze handreiking is een zogenoemde ‘zonneladder’ opgenomen. De zonneladder geeft de voorkeursvolgorde aan bij de verdeling van de opwekopgave voor zonne-energie. Met de zonneladder geeft de provincie Overijssel haar voorkeursvolgorde voor locaties voor zonneenergie installaties. Alle typen locaties en opstellingen zijn nodig om de energieopgave te realiseren, waarbij zoveel mogelijk stedelijk gebied (waaronder daken), erven en stads- en dorpsranden worden benut om het beslag op agrarische grond zo beperkt mogelijk te houden. Zonnevelden in het landelijk gebied zijn bij voorkeur onderdeel van gebiedsontwikkelingen of krijgen een multifunctionele invulling met andere opgaven in de groene ruimte. De zonneladder heeft drie treden: 1.
Stimuleren van: •
productie van zonne-energie op daken in bebouwd gebied: woningen, bedrijven, agrarische gebouwen, etc.
•
Gebruik van te bebouwen gebieden of bruikbare restruimte: ongebruikte gronden, bedrijventerreinen, boven parkeerterreinen en geluidswallen.
2.
•
Kleine, goed ingepaste velden op agrarische erven (tot ca. 2 ha).
•
Kleine, goed ingepaste zonnevelden van lokale initiatieven in stads- en dorpsranden (tot ca. 2
ha). Combineren met: •
Gebiedsopgaven in stads- en dorpsranden en in de groene omgeving zoals klimaatmaatregelen (waterberging en tegengaan bodemdaling), extensivering van landbouw, herstel landschap en biodiversiteit, etc. Door verschillende opgaven onder, tussen en rond de panelen te realiseren wordt de ruimte multifunctioneel gebruikt. Dit op basis van de 80-20 referentie: 80% ruimte voor het panelenveld en 20% ruimte voor groen en/of water.
•
Gebiedsontwikkeling in de groene omgeving, waarbij zonnevelden aansluiten op andere gebiedsontwikkelingen of een energielandschap vormen. Door opgaven met elkaar te verbinden wordt het mogelijk lokale maatschappelijke en sociale doelen te incorporeren in de gebiedsontwikkeling. Dit op basis van de 80-20 referentie: 80% ruimte voor het panelenveld en 20% ruimte voor groen en/of water.
3.
Limiteren van:
Ruimtelijke onderbouwing 720153 | Energiepark Tolhuislanden | Definitief | 18 september 2024 Pagina 20 van 128
•
Monofunctionele zonnevelden op agrarische grond of op water, primair gericht op produceren van duurzame energie. Dit op basis van de 80-20 referentie: 80% ruimte voor het panelenveld en 20% ruimte voor groen en/of water. Omdat meervoudig ruimtegebruik ontbreekt, wordt dit gecompenseerd met investeringen in maatschappelijke opgaven buiten het project. Bij locatiekeuzes worden goede landbouwgronden ontzien.
Het zonnepark van Energiepark Tolhuislanden grenst aan bedrijventerrein Hessenpoort en sluit aan bij de gebiedsontwikkelingen rondom Bedrijventerrein Hessenpoort en de eventuele uitbreiding. Bovendien wordt het zonnepark gecombineerd met het voorgenomen windpark van Energiepark Tolhuislanden. Het zonnepark is dan ook gelegen in een gebied waar tien bestaande windturbines staan langs spoorlijn Zwolle-Meppel en is gelegen in een gebied dat in de gemeentelijke Omgevingsvisie (zie paragraaf 2.5) is aangewezen als kansrijk voor grootschalige opwek van wind en zon. Bovendien is er ook sprake van overige energie-gerelateerde gebiedsontwikkelingen rondom dit zonnepark12. Het zonnepark in Tolhuislanden heeft dus betrekking op trede 2 van de zonneladder. In paragraaf 4.4 wordt verder ingegaan op de landschappelijke inpassing van het zonnepark en bovengenoemde 80-20 referentie voor zonneparken. Bovendien biedt het coöperatieve, lokale karakter van het project kansen om het zonnepark te verbinden met lokale maatschappelijke en sociale doelen (zie hoofdstuk 7 voor een toelichting op de maatschappelijke uitvoerbaarheid). De locatie van het zonnepark is het resultaat van het proces dat de inwoners in het gebied hebben doorlopen om te komen tot een keuze voor de wijze waarop zij de gewenste hoeveelheid duurzame energie opwekken.