1. Bestemmingsplan Vechtcorridor Noord, Hessenweg 19
Tekst van het document
Gedacht kan worden aan maatregelen zoals; • het tijdig geschikte vervangende nestplaatsen aanbieden; • het verbeteren van het habitat in bestaand leefgebied (mogelijkheden voor dekking, slaap-, drinkmogelijkheden en zandige plekken voor stofbaden); • de bebouwing aanpassen of eventueel slopen in de periode oktober tot en met februari (buiten het broedseizoen) of als uit een broedvogelinspectie door een ter zake deskundige blijkt dat broedende vogels ontbreken.
Quickscan natuurtoets ontwikkeling recreatiepark Hessenweg 19, Zwolle
07
De aanwezigheid van Huismus binnen het plangebied kan bij mogelijke negatieve effecten voldoende gemitigeerd worden en ook kan voldaan worden aan het wettelijk belang (volksgezondheid), waardoor uitzicht op een eventuele ontheffing is. De beoogde ontwikkelingen staan de haalbaarheid van het bestemmingsplan voor ontwikkeling van een recreatiepark niet in de weg. Overige soorten met jaarrond beschermde nestplaatsen Het merendeel van de aanwezige bebouwing biedt met name door afwezigheid van invliegopeningen geen mogelijkheden voor soorten met jaarrond beschermde nesten. Ook zijn geen sporen (uitwerpselen, prooiresten) aangetroffen die duiden op (permanente) bewoning. In de ruimere omgeving van het plangebied zijn (oudere) nesten van Buizerd, Boomvalk, Kerkuil en Ransuil bekend (NDFF 2018, Van der Sluis 2010). De ontwikkelingen binnen het plangebied hebben gezien de ruime afstand en aard en omvang van de activiteiten geen negatieve effecten op de functionaliteit van de nestplaatsen. Het plangebied bestaat voornamelijk uit bebouwing en intensief grasland en is daarmee van beperkte waarde als foerageergebied voor deze soorten. In de omgeving van het plangebied is daarnaast voldoende geschikt(er) foerageergebied beschikbaar, waardoor de functionaliteit van de leefomgeving niet in het geding komt.
Overige soorten waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn, zijn niet bekend en worden ook niet verwacht.
Overige broedvogels Door de aanwezigheid van bebouwing, bomen, struweel en bosschages is broedbiotoop aanwezig voor algemene vogelsoorten zoals Koolmees, Pimpelmees, Roodborst, Winterkoning, Zanglijster, Merel, Ekster en Houtduif. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt. Voor de te verwachten soorten in deze situatie kan half februari tot en met juli globaal worden aangehouden als broedseizoen. Echter wordt in het kader van de Wet natuurbescherming voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum.
3.3 Vleermuizen Vleermuizen zijn beschermd in de Wet natuurbescherming. Het leefgebied van de in artikel 3.5 (Habitatrichtlijn bijlage IV) beschermde vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden (zie ook kader 3.2). Hieronder worden deze onderdelen nader beschreven.
Quickscan natuurtoets ontwikkeling recreatiepark Hessenweg 19, Zwolle
08
Kader 3.2 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bomen, huizen, kelders et cetera en kunnen aanwezig zijn in de vorm van kraamverblijven / zomerverblijven, baltslocaties / paarverblijven en winterverblijven. Verstoring, beschadiging, vernietiging of het verwijderen van deze verblijfplaatsen is verboden. Vliegroutes Voor oriëntatie tijdens de trek van en naar hun verblijfplaatsen en foerageergebieden gebruiken vleermuizen veelal jarenlang dezelfde structuren. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Wanneer alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘onmisbaar’ en zodoende beschermd. Foerageergebieden Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, bomenrijen of boven water zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen. Foerageergebied van vleermuizen geniet binnen de Wet natuurbescherming echter geen juridische bescherming, tenzij het onmisbaar is voor het voortbestaan van een populatie.
Verblijfplaatsen Het opgaand groen binnen het plangebied biedt door afwezigheid van geschikte holten en spleten geen geschikte mogelijkheden voor boombewonende vleermuizen. Een enkele solitaire boom (Es) aan de oostzijde van het plangebied is wel potentieel geschikt door de aanwezigheid van holten. Het opgaand groen blijft behouden. Het plan heeft zodoende geen negatief effect op deze potentiele verblijfplaats. Het merendeel van de bebouwing (woonboerderij, houthok, metalen bijgebouw) is vanwege straksluitende boeiboorden en afwezigheid van dakpannen, spouwmuren en luiken ongeschikt voor gebouwbewonende vleermuizen. Aanwezigheid van vleermuizen in de twee stenen schuurtjes naast de woning (met golfplaten dak) is niet met zekerheid uit te sluiten. Geschikte verblijfplaatsen zijn aanwezig in de vorm van kieren en scheuren in de wanden en onder het dakbeschot. Onduidelijk is of deze bijgebouwen verbouwd gaan worden. Werkzaamheden (of sloop) kunnen leiden tot het verloren gaan van potentiële verblijfplaatsen. Indien werkzaamheden (of sloop) worden uitgevoerd aan deze bijgebouwtjes waardoor het ongeschikt wordt voor vleermuizen, dient tijdig aanvullend vleermuisonderzoek naar verblijfplaatsen te worden uitgevoerd conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad 2017). Dit betekent minimaal vier bezoeken in de periode half mei t/m september.
Mochten in de bebouwing verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn (indien aangetoond door aanvullend onderzoek), dan is het aanvragen van een ontheffing (looptijd minimaal 20 weken) en het nemen van mitigerende maatregelen noodzakelijk. Gedacht kan worden aan maatregelen zoals; • Bij de werkzaamheden aan/sloop van de potentieel geschikte bijgebouwen voor vleermuizen dient rekening gehouden te worden met de seizoensactiviteit van vleermuizen om verstoring in de meest kwetsbare perioden (kraam-, paar- en of overwinteringsperiode) te voorkomen. De precieze planning is afhankelijk van de uitkomsten van het aanvullend onderzoek en de functie die het plangebied heeft voor vleermuizen. Normaliter is de meest geschikte periode voor het uitvoeren van werkzaamheden 1 oktober - 15 november en 1 april -15 mei (weersafhankelijk);
Quickscan natuurtoets ontwikkeling recreatiepark Hessenweg 19, Zwolle
09
• Voorafgaand aan de werkzaamheden de bebouwing ongeschikt maken voor vleermuizen door tochtgaten te maken. Hiervoor zijn verschillende manieren, zoals het maken van gaten in muren, verwijderen van kozijnen en het verwijderen van (delen van) golfplaten en boeiboorden. Met een controle kan vervolgens gecheckt worden of de vleermuizen daadwerkelijk vertrokken zijn; • Ter vervanging van de te verwijderen verblijfplaatsen dienen vervangende verblijfplaatsen te worden gerealiseerd. Door het nemen van een dergelijk pakket aan mitigerende maatregelen en omdat voldaan kan worden aan een wettelijk belang is uitzicht op een eventuele ontheffing en staan de beoogde ontwikkelingen de haalbaarheid van het bestemmingsplan voor ontwikkeling van een recreatiepark niet in de weg.
Potentiële vliegroutes en foerageergebieden Het plangebied is door de afwisseling tussen grasland en opgaand groen en luwe zones geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Ook zijn in de nabijheid van het plangebied geschikte foerageermogelijkheden aanwezig. In eerder onderzoek zijn in de ruime omgeving van het plangebied de soorten Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger en Rosse vleermuis foeragerend waargenomen (Sietses 2012). Tijdens en na uitvoering van de plannen blijven foerageermogelijkheden beschikbaar. Het opgaand groen blijft behouden in de plannen. Binnen het plangebied zijn geen onmisbare lijnvormige elementen aanwezig. Negatieve effecten op vliegroutes en foerageergebied zijn niet aan de orde. Wel wordt geadviseerd zorgvuldig met buitenverlichting om te gaan. Onduidelijk is of er ook na zonsondergang activiteiten op het buitenterrein plaats gaan vinden. Door bijvoorbeeld gebruik te maken van lichtbronnen die naar beneden gericht zijn en/of amberkleurig verlichting gebruiken, kan lichtuitstraling richting de omgeving worden beperkt.
3.4 Grondgebonden zoogdieren Das In het plangebied zijn op een aantal plekken, zowel in de tuin als op het achterliggende grasland diverse foerageer- en loopsporen van Das aangetroffen (zie figuur 3.1). In het plangebied zijn geen vaste verblijfplaatsen van Das aanwezig. Binnen het opslagdepot van het Waterschap Groot Salland (180m ten zuidoosten van het plangebied) is een bewoonde burcht van Das aanwezig. In 2011 zijn daar twee exemplaren vastgesteld (Bunskoek en Veeman 2012). Tijdens het recente veldbezoek is aan de hand van de aanwezigheid van verse sporen vastgesteld dat deze nog steeds bewoond is (onduidelijk hoeveel exemplaren). Het primaire foerageergebied voor deze dieren bevindt zich nabij de burcht in de zone tussen de Vecht en de huidige N340 (Bunskoek & Veeman 2012). Via de faunapassage (buis) onder en de droge greppels langs de N340 bereikt Das ook de graslanden ten noorden van de N340 (zowel aan de oost- als westzijde van de spoorlijn Zwolle-Meppel). Als gevolg van de verlegging van de N340 en de afwaardering van de Hessenweg, kunnen exemplaren de graslandpercelen ten noorden van de huidige N340 eenvoudiger bereiken en dit gebied in grotere mate gebruiken om voedsel te vinden.
Quickscan natuurtoets ontwikkeling recreatiepark Hessenweg 19, Zwolle
10
De ontwikkelingen (zowel aanleg als gebruik) binnen het plangebied hebben gezien de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten geen effect op de verder gelegen dassenburcht. Daarnaast blijven de groensingels behouden, zodat Das deze - mits er geen hekken langs de randen van het plangebied worden geplaatst - kan blijven gebruiken om zich onopvallend langs te verplaatsen. Door invulling van het plangebied gaat wel een deel van het foerageergebied verloren. Het oppervlak dat verdwijnt is echter beperkt. Daarbij is Das vooral een nachtactief dier, zodat het plangebied - waar vooral overdag activiteiten plaatsvinden - gebruikt kan blijven worden om te foerageren. Daarbij is in de (directe) omgeving voldoende geschikt foerageergebied beschikbaar. De mate van afname van foerageergebied is dusdanig dat hierdoor geen significant negatieve effecten ontstaan. Vervolgstappen voor Das zijn niet aan de orde.
Figuur 3.1 Sporen van aanwezigheid Das in en rond het plangebied. Links: wissel Das in zuidoostelijke hoek van het plangebied. Rechts: vraatsporen in groensingel.
Kleine marterachtigen en egel Zowel kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) als de egel hebben de voorkeur voor structuurrijk kleinschalig (cultuur)landschap met voldoende dekking. Lijnvormige landschapselementen zijn belangrijk als verbinding binnen het leefgebied, maar ook tussen de verschillende leefgebieden. De verbindingen moeten voldoende dekking bieden door dichte vegetatie (Bouwens 2017). Kleine marters maken gebruik van een aantal rustplaatsen die ook kunnen dienen als voortplantingsplaats. Hiervoor gebruiken de marters vaak oude holen van andere dieren. In de winter zijn de kleine marters afhankelijk van goed geïsoleerde rustplaatsen. De egel voelt zich in allerlei biotopen thuis, als er maar voldoende voedsel en schuilgelegenheid is. Overdag houdt de egel zich meestal schuil onder struiken en bosschages, in composthopen of houtwallen.
Quickscan natuurtoets ontwikkeling recreatiepark Hessenweg 19, Zwolle
11
Het opgaand groen blijft behouden en het voormalig agrarisch grasland is ongeschikt voor marters en egels, vanwege het ontbreken van beschutting. Het houthok kan gebruikt worden als verblijfplaats door de egel en/of marterachtigen, echter deze blijft gehandhaafd. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde.
Overige soorten Vaste verblijfplaatsen van overige beschermde zoogdieren, zonder provinciale vrijstelling (bijvoorbeeld Waterspitsmuis, Boommarter Steenmarter, Eekhoorn) worden op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken en bekende verspreidingsgegevens (NDFF 2018, Sietses 2014/2012, Van der Sluis 2010) uitgesloten. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde. Wel zijn vaste verblijfplaatsen van diverse grondgebonden zoogdiersoorten aangetroffen en/of te verwachten. Dit zijn onder andere Rosse woelmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis. Bij uitvoering van de plannen kunnen exemplaren en vaste verblijfplaatsen van deze grondgebonden zoogdieren geschaad worden. In voorliggende situatie geldt in de provincie Overijssel vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen niet aan de orde is.
3.5 Amfibieën Oppervlaktewateren ontbreken binnen het plangebied, zodat voortplanting van amfibieën is uitgesloten. De ruigere delen binnen het plangebied (groensingels) en rommelige hoekjes in/rond de bebouwing kunnen als overwinteringsgebied fungeren. Uit de omgeving van het plangebied zijn amfibieën als Gewone pad, Bruine kikker en Meerkikker bekend (NDFF 2018, Van der Sluis 2010, Sietses & Veeman 2008). Bij de geplande werkzaamheden kunnen enkele exemplaren geschaad worden. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming. Andere beschermde soorten worden gezien de terreinkenmerken en bekende verspreidingsgegevens uitgesloten. Vervolgstappen voor deze soortgroep zijn niet aan de orde.
3.6 Overige soortgroepen Op basis van het veldonderzoek, de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (o.a. NDFF 2018, Sietses 2012, Van der Sluis 2010) wordt in het plangebied geen voortplanting of vaste verblijfplaatsen verwacht van overige beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming. Het nemen van vervolgstappen is niet aan de orde voor overige soortgroepen (reptielen, vissen en ongewervelden).
3.7 Conclusie soortbescherming Uit het ecologisch onderzoek blijkt dat met een aantal beschermde soorten (mogelijk) in het plangebied rekening gehouden dient te worden bij uitvoering van de plannen. Er zijn mogelijk beschermde vaste verblijfplaatsen van Huismus en vleermuizen aanwezig in het plangebied. Op dit moment is onduidelijk of en hoe potentieel geschikte bebouwing (de stenen bijgebouwtjes
Quickscan natuurtoets ontwikkeling recreatiepark Hessenweg 19, Zwolle
12
met golfplaten dak) gesloopt danwel verbouwd gaat worden. Door eventuele werkzaamheden aan deze bebouwing kan verstoring optreden en/of verblijfplaatsen verloren gaan. Bij werkzaamheden aan deze bebouwing dient nader onderzoek uit te wijzen of verblijfplaatsen aanwezig zijn. Om negatieve effecten tegen te gaan dienen diverse mitigerende maatregelen, zoals het creëren van vervangende verblijfplaatsen genomen te worden. Met deze werkwijze is sprake van uitzicht op een eventuele ontheffing voor de toekomstige uitvoering van de plannen en staan de ontwikkelingen daardoor de haalbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg. Daarnaast wordt geadviseerd zorgvuldig om te gaan met verlichting in de buitenruimte vanwege de foerageerfunctie voor vleermuizen. Binnen het plangebied kunnen diverse broedvogels verwacht worden. Voor werkzaamheden die broedende vogels verstoren wordt over het algemeen geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van werkzaamheden buiten het broedseizoen of voldoende afstand houden tot broedlocaties een goed alternatief biedt. Met deze werkwijze zijn vervolgstappen ten aanzien van broedvogels niet noodzakelijk. Het onderdeel soortbescherming in de Wet natuurbescherming vormt, met inachtneming van bovengenoemde werkwijze, géén belemmering voor het vaststellen en uitvoering van het bestemmingsplan voor de ontwikkeling van een recreatiepark.
Quickscan natuurtoets ontwikkeling recreatiepark Hessenweg 19, Zwolle
13
4. Voortoets Natura 2000 4.1 Ligging planlocatie in relatie tot Natura 2000-gebieden De planlocatie ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht ligt op een afstand van circa 200 meter ten zuiden van het plangebied (zie figuur 4.1). Het meest nabijgelegen deel is aangewezen als Habitatrichtlijngebied en aangewezen voor habitattypen en habitatsoorten. Het meest nabijgelegen Vogelrichtlijngebied (van belang voor broed- en niet-broedvogels) binnen Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht ligt op 1,5 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 7 kilometer afstand. Gezien deze ruime afstand en het ontbreken van ecologische relaties met de planlocatie blijven deze andere Natura 2000-gebieden buiten beschouwing.
Hessenpoort
Zwolle N340
Figuur 4.1 Ligging planlocatie (rood omlijnd) ten opzichte van Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht (geel: Habitatrichtlijn, groen: zowel Vogel- als Habitatrichtlijn). Bron: AERIUS Calculator.
4.2 Natuurwaarden Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht Algemene beschrijving De Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht betreffen het geheel aan uiterwaarden ten noorden van Zwolle waar de Overijsselse Vecht samenstroomt met het Zwarte Water. De Vecht is een regenrivier die in Duitsland ontspringt. Het gedeelte van de Vecht, dat in dit gebied is opgenomen, kronkelt sterk door het landschap. Een deel van de uiterwaarden wordt soms tot laat in het voorjaar onregelmatig overstroomd. Op
Quickscan natuurtoets ontwikkeling recreatiepark Hessenweg 19, Zwolle
14
de met steenslag beschermde oevers van de zomerdijk groeit vaak riet, ruigte of wilgenstruweel. De uiterwaarden bestaan uit buitendijkse graslanden, waarin strangen, kolken, rivierduinen en hakhoutbosjes voorkomen. Langs het Zwarte Water komen nattere graslanden voor. Dit gebied herbergt veel kievitsbloemgraslanden. Daarnaast komt in het gebied een aantal hardhoutooibosjes voor. Ook komen relicten van blauwgraslanden voor. Op hoger liggende zandige ruggen en langs en op de dijken komen lokaal goed ontwikkelde glanshaverhooilanden voor (Min. van LNV).
Instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht is aangewezen als speciale beschermingszone voor zeven habitattypen, twee habitatrichtlijnsoorten, vijf broedvogels en zeven niet-broedvogelsoorten (zie tabel 4.1). Voor deze typen en soorten gelden instandhoudingsdoelen in vorm van oppervlak, kwaliteit en populatieomvang (zie bijlage 1). Tabel 4.1 Beschermde waarden binnen Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht (Min. EZ 2013). Habitattypen
Broedvogels
Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden
Roerdomp
Stroomdalgraslanden
Porseleinhoen
Blauwgraslanden
Kwartelkoning
Ruigten en zomen (moerasspirea)
Zwarte Stern
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
Grote karekiet
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart) Droge hardhoutooibossen
Niet-broedvogels Kleine Zwaan
Habitatsoorten
Kolgans
Bittervoorn
Smient
Kleine modderkruiper
Pijlstaart Slobeend Meerkoet Grutto
4.3 Mogelijke effecten Het plangebied ligt buiten Natura 2000-gebied, zodat directe negatieve effecten waaronder oppervlakteverlies van habitattypen en leefgebieden op voorhand zijn uitgesloten. Op basis van de effectenindicator (synbiosys.alterra.nl, Broekmeyer 2005, 2010, Min. van EZ 2015), de ligging, het toekomstige gebruik van het plangebied en expert judgement worden indirecte negatieve effecten zoals verstoring (licht, geluid, trillingen en menselijke aanwezigheid) op habitatsoorten ook uitgesloten. De aangewezen habitatsoorten zijn namelijk watergebonden vissoorten. Er vinden in het kader van dit plan geen fysieke ingrepen en recreatie in of nabij de Vecht plaats, zodat effecten op de instandhoudingsdoelen van vissoorten zijn uitgesloten.
Quickscan natuurtoets ontwikkeling recreatiepark Hessenweg 19, Zwolle
15
Voor wat betreft de vogelsoorten zijn negatieve effecten - gezien de ruime afstand tot Vogelrichtlijngebied (circa 1,5 kilometer) en het tussenliggend afschermende gebied en de provinciale weg N340 - ook uitgesloten. Wel kan een toename van stikstofdepositie als gevolg van extra verwarmde bebouwing en verandering in verkeersbewegingen van het recreatiepark negatieve effecten op beschermde waarden in Natura 2000gebied(en) hebben. Uitsluitend het aspect stikstofdepositie wordt daarom hieronder nader beschouwd.
4.4 Effecten stikstofdepositie De regels waaraan stikstofberekeningen moesten voldoen waren voorheen vastgelegd in het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en verankerd in de Wet natuurbescherming. De Raad van State zette in 2019 een streep door het PAS, waarmee (het overgrote deel van) het tot dan toe gebruikte toetsingskader is komen te vervallen. Het Rijk en de provincies werken op dit moment aan een oplossing voor deze impasse, onder andere door het aanpassen van de Wet natuurbescherming (Spoedwet Aanpak Stikstof), het stikstofregistratiesysteem (SSRS) en de (provinciale) beleidskaders voor het salderen van stikstofemissies. Het rekenmodel AERIUS-Calculator (2020) wordt gebruikt om te bepalen of al dan niet sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Indien de stikstofdepositie niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar zijn vervolgstappen niet aan de orde. Indien wel sprake is van een depositie >0,00 mol/ha/jaar zijn een aantal instrumenten beschikbaar te bepalen of de toename van stikstofdepositie leidt tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied, waaronder: • Voortoets: hier wordt bepaald of je effecten op voorhand kunt uitsluiten, bijvoorbeeld door te kijken hoe gevoelig de aanwezige habitattypen en leefgebieden zijn voor stikstofdepositie.
• Passende beoordeling: indien effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten kunnen de effecten nader worden onderzocht in een passende beoordeling.
Uitgangspunten berekening Er is een gezamenlijke AERIUS-berekening gemaakt van de aanlegfase en de gebruiksfase (worst-case), omdat de aanlegfase zeer beperkt in tijd is en het bedrijf mogelijk (deels) geopend is tijdens de aanlegfase. De AERIUS-berekening is - gezien de verwachte uitvoeringstermijn - voor het rekenjaar 2020 uitgevoerd. De uitgevoerde berekening betreft een worst case benadering, aangezien het voornemen is om de bebouwing te verduurzamen door middel van isolatie en verwarmen zonder gebruik te maken van verbrandingsmotoren middels inzet van elektrische verwarming, warmtepomp en dergelijke. Daarnaast is in onderstaande uitgangspunten gebaseerd op overschattingen van de verwachte realiteit: Huidige bebouwing • In de bestaande situatie is een vrijstaande woonboerderij aanwezig. De oudere woning wordt verduurzaamd (geïsoleerd/nieuwe cv-ketel), waardoor het energieverbruik wordt verminderd. Ook is de oude
Quickscan natuurtoets ontwikkeling recreatiepark Hessenweg 19, Zwolle
16
CV-ketel vervangen door een nieuwe. Voor het woonhuis is daarom, conform de kengetallen voor ruimtelijke plannen (RIVM 2018), de emissie voor een vrijstaande nieuwbouwwoning genomen: 3,03 kg NOx/jaar. • De schuur (200 m2) wordt verwarmd met gaskachels. Deze verwarming wordt stopgezet en is buiten de berekening gelaten. Toekomstige bebouwing • Het gebruik van de woonboerderij (216 m2) is gelijk aan de huidige situatie. Per saldo verandert de uitstoot niet. De uitstoot vanuit de woonboerderij is daarom gelijkgesteld aan de uitstoot van de huidige situatie: 3,03 kg NOx/jaar. • Daarnaast gaat één van de bestaande schuren (40 m2) verwarmd worden middels een CV-ketel. De uitstoot van deze schuur is bepaald aan de hand van energiekentallen uit Sipma & Rietkerk (2016). De emissie van de schuur (0,5 kg NOx/jaar) is als vlakbron met een maximale uitstoothoogte van 8 meter en conform de instructie voor AERIUS-invoer (Bij12, 2020) met een spreiding van 4 meter ter plaatse van de beoogde bebouwing ingetekend. • Voor de recreatiefunctie wil de initiatiefnemer gefaseerd twee recreatiegebouwen/loodsen realiseren (twee gebouwen van ieder 950 m2 in twee bouwlagen). De loodsen worden gasvrij aangelegd en veroorzaken daarom geen stikstofuitstoot. Verkeer • De eigenaar van het initiatief woont en werkt vanuit de woonboerderij.
Het totaal aantal verkeersbewegingen voor de woon-werkfunctie bedraagt 11 motorvoertuigen/etmaal. • Voor het recreatiepark wordt na afronding van de 2e fase uitgegaan van maximaal 20.000 bezoekers (AKA Escape Rooms 2018). Een parkeerplaats voor 40 auto's wordt aangelegd. Daarnaast wordt transport per fiets gestimuleerd door de aanleg van een fietsenstalling voor 120 fietsen. De gemiddelde groepsgrootte dat gebruik gaat maken van de escaperoomfaciliteiten is circa 4 personen. Van de bezoekers komt ongeveer 75% met de auto, met 3 à 4 inzittenden per auto. Afgerond resulteert dit in 15 auto’s per etmaal. Na afronding van de 2e fase wordt met de nader in te vullen activiteiten ingezet op een langere verblijfsduur van de bezoekers in plaats van het aantrekken van meer bezoekers. • De locatie krijgt geen horecafunctie, er wordt alleen koffie/thee/fris aangeboden. Het transport van deze goederen wordt 1 keer peer maand aangeleverd met een bestelauto (licht verkeer). • Voor de bouw van de loodsen is uitgegaan van dat in totaal 12 vrachtwagens nodig zijn voor de aanvoer van materiaal. De bouw van de loodsen wordt met elektrisch materieel gedaan. • De (toename van) het verkeer op de Hessenweg ten opzichte van het bestaande verkeer (2017: 14.000 mvt/etmaal (bron NSL) is verwaarloosbaar. • Het verkeer is op de Hessenweg nog 250 meter richting Zwolle gemodelleerd.
Vanaf dit punt gaat het verkeer voor wat betreft rij- en stopgedrag als snelheid op in het heersende verkeersbeeld, rekening houdend met de maximumsnelheid op deze weg (80 km/uur).
Resultaat en conclusie AERIUS-berekening De AERIUS-berekening voor voorliggend plan (kenmerk: Rd7sFDKofCVV, d.d. 23 oktober 2020) laat zien dat het plan leidt tot een toename van stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht (figuur 4.2 en tabel 4.2. Daarom wordt nagegaan of op de locaties met een toename
Quickscan natuurtoets ontwikkeling recreatiepark Hessenweg 19, Zwolle
17
(>0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie sprake is van een overschrijding van de KDW (kritische depositiewaarde2) van de daar aanwezige habitattypen/leefgebieden door het project plus de ADW (achtergronddepositie3). De volledige berekening is in bijlage 2 toegevoegd. Tabel 4.2 maakt per hexagoon waar een toename is berekend inzichtelijk: • Welk habitattype ter plaatse aanwezig is, te weten: – H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) – H6510B Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart); • Wat de kritische depositiewaarde (KDW) van het betreffende habitattype is. • Wat de achtergronddepositie (ADW) ter plaatse is. • Hoeveel depositie in het betreffende hexagoon is berekend (projecteffect). Uit tabel 4.2 blijkt dat de depositie van het project en de achtergronddepositie samen in geen van de hexagonen leidt tot een (naderende) overschrijding van de kritische depositiewaarde. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van habitattypen Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) en Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart) zijn uitgesloten.
1 2 3
Figuur 4.1. Rekenresultaat van AERIUS-berekening met kenmerk Rd7sFDKofCVV, d.d. 23 oktober 2020.
2 De grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat of leefgebied significant wordt aangetast door de verzu-
rende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. 3 De huidige atmosferische stikstofdepositie in de lucht die op een bepaald habitattype of leefgebied neerslaat.
Quickscan natuurtoets ontwikkeling recreatiepark Hessenweg 19, Zwolle
18
Tabel 4.2 Rekenresultaat (mol/ha/jaar) van AERIUS-berekening met kenRd7sFDKofCVV, d.d. 23 oktober 2020. KDW: Kritische depositiewaarde (mol/ha/jaar), ADW: Achtergronddepositie (mol/ha/jaar). H6510A: Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver). H6510B Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart) Habitattype Nr x-coördi- y-coördiKDW ADW Projecteffect naat naat H6510A 1 207593 504407 1.429 1.344 0,01 H6510A 2 207593 504299 1.429 1.186 0,01 H6510B 2 207593 504299 1.571 1.186 0,01 H6510B 3 207686 504246 1.571 1.187 0,01
4.5 Conclusie Natura 2000 Het plangebied ligt op 200 meter afstand van het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (7 km). Uit de AERIUS-berekening blijkt dat het plan leidt tot een toename van 0,01 mol/ha/jaar op twee habitattypen in Natura 2000-gebieden Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van deze habitattypen zijn uitgesloten, omdat stikstof op dit moment geen knelpunt is. De huidige stikstofbelasting, inclusief het project, is lager dan de kritische depositiewaarde van de betreffende habitattypen. Overige effecten op Natura 2000 zijn uitgesloten. In het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden) is het voorliggende plan voor het ontwikkelen van een recreatiepark uitvoerbaar. Bij uitvoering van het plan is geen sprake van vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming.
Quickscan natuurtoets ontwikkeling recreatiepark Hessenweg 19, Zwolle
19
5. Natuurnetwerk Nederland 5.1 Provinciaal beleid Overijssel Uit de interactieve kaarten van de provincie Overijssel blijkt dat het plangebied geen deel uit maakt van een NNN-gebied. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op circa 300 meter afstand van het plangebied. De provinciale regels van Overijssel over het NNN gelden alleen voor gronden binnen het NNN. De nee, tenzij afweging is daarom niet aan de orde. Als gevolg van jurisprudentie (201509359/1/R1) is het wel nodig -in het kader van goede ruimtelijke ordening- te waarborgen dat een plan de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet aantast. Goede ruimtelijke ordening houdt in dat naastgelegen functies elkaar niet mogen hinderen. De onderstaande effectbeoordeling moet dus worden gelezen in het licht van goede ruimtelijke ordening.
5.2 Ligging planlocatie ten opzichte van het NNN Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNN (zie figuur 5.1). Het meest nabij gelegen NNNgebied ligt aan de zuidzijde van de Vecht op 260 meter afstand.
Figuur 5.1 Ligging plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van begrenzing Natuurnetwerk Nederland (Atlas van Overijssel).
5.3 Effectbeoordeling NNN Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNN en de provincie Overijssel kent ook geen externe werking ten aanzien van het NNN (Provincie Overijssel 2017a). Een nadere effectbeoordeling (een ‘Nee tenzij, toets) is zodoende niet aan de orde. Ook in het licht van een goede ruimtelijke ordening is er - gezien de afstand en de aard en omvang van de plannen - geen sprake van negatief effect (externe werking)
Quickscan natuurtoets ontwikkeling recreatiepark Hessenweg 19, Zwolle
20
op de wezenlijke kenmerken en de waarden van het nabijgelegen NNN-gebied. Dat wil zeggen dat rust, donkerte, openheid landschap, de kwaliteit van de bodem, water en lucht, waterhuishouding, oppervlakte, robuustheid, aaneengeslotenheid en de samenhang van het NNN, niet worden aangetast door de geplande ontwikkeling. Vervolgstappen ten aanzien van NNN-gebieden zijn niet aan de orde.
5.4 Conclusie NNN Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNN en de zone ONW. In het licht van een goede ruimtelijke ordening is er - gezien de afstand en de aard en omvang van de plannen - geen sprake van negatief effect op het functioneren van het nabijgelegen NNN-gebied. Vervolgstappen ten aanzien van NNNgebieden zijn niet aan de orde.
Quickscan natuurtoets ontwikkeling recreatiepark Hessenweg 19, Zwolle
21
6. Geraadpleegde bronnen Literatuur AKA Escape Rooms (2018). Onderzoek haalbaarheid AKA Recreatiepark Hessenweg 19. Broekmeyer, M. (2005). Effectenindicator N2000‐gebieden. Achtergronden en verantwoording ecologisch randvoorwaarden en sto‐ rende factoren. Broekmeyer, M.E.A. (2010). Update effectenindicator. Alterra, Alterra‐rapport 1976. Bij12 (2017). Kennisdocument Huismus, Passer domesticus. Versie 1.0, juli 2017. Bunskoek M. & I. Veeman (2012). Onderzoek Das Hessenpoort, Zwolle; Soortgerichte inventarisatie in het kader van de Flora‐ en faunawet. Rapport 11‐058. EcoGroen Advies, Zwolle. Bunskoek, M. (2011). Onderzoek kwalificerende broedvogels aanpassing N340 – Onderzoek in het kader van de Natuurbeschermingswet’. Rapport 10‐397. EcoGroen Advies BV, Zwolle. Gelder, A. (2017). Natuurtoets pontje camping Vecht & Zo. Beoordeling van effecten op wettelijke beschermde natuurwaarden. Rapport 16-203. Ecogroen bv Zwolle. Gemeente Zwolle (2010). Plan van aanpak ontwikkelingsplan Vechtcorridor Noord, 22 juni 2010. Heinen, M.A., M. van der Sluis & M. Wallink (2007). Amfibieën‐ en vissenonderzoek Hessenpoort fase II. Inventarisatie en beoordeling in het kader van de Flora‐ en faunawet. Rapport 07‐213. EcoGroen Advies BV, Zwolle. Ministerie EZ (2015). Effectenindicator Natura 2000-gebieden. Aanvulling bij het Alterra-rapport 1375 uit 2005. Ministerie van EZ (2013).
Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-036 | 036 Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Provincie Overijssel (2017a). Omgevingsverordening Overijssel 2017, vastgesteld: 12-04-2017. Provincie Overijssel (2017b). Omgevingsvisie Overijssel 2017, 12-04-2017 Provincie Overijssel (2012). Provinciaal Inpassingsplan N340/N48 Zwolle-Ommen. Juli 2012. Provincie Overijssel (2002). Atlas van de flora van Overijssel. Een overzicht van de verspreiding van wilde plantensoorten in de provincie Overijssel betreffende de periode 1975-1998. Provincie Overijssel, Zwolle RIVM (2018). Kengetallen ruimtelijke plannen. Sietses, D. & F. Samsen (2014). Natuurontwikkeling Kromme Kolk en ontstening vechtoevers. Voortoets in het kader van de Natuurbeschermingswet. Rapport 13-386. EcoGroen Advies BV, Zwolle. Sietses, D. (2012). Natuurtoets Vechtcorridor‐Noord. Beoordeling in het kader van de Flora‐ en faunawet en Natuurbeschermings‐ wet 1998. Rapport 12‐155 EcoGroen Advies BV, Zwolle. Sietses, D.J. & I. Veeman (2008). Onderzoek Poelkikker Hessenpoort II Zwolle. Notitie 31 juli 2008. Rapport 08‐236. EcoGroen Advies, Zwolle.
Quickscan natuurtoets ontwikkeling recreatiepark Hessenweg 19, Zwolle
22
Sluis, M. van der (2010). Flora‐ en fauna‐inventarisatie N340 Zwolle‐Ommen 2009 en 2010. Inventarisatie van natuurwaarden ihkv de Flora‐ en faunawet. Rapport 09‐110A. EcoGroen Advies, Zwolle. Steunpunt Natura 2000 (2010). Leidraad bepaling significantie. Nadere uitleg van het begrip ‘significante gevolgen’ uit de Natuurbeschermingswet. RG 07-07-09. Versie 27 mei 2010. Bij12 (2020). Instructies gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2020, versie 1.0, oktober 2020.
Internet AERIUS Calculator (https://calculator.aerius.nl/calculator/?locale=nl#) Atlas van Overijssel (http://gisopenbaar.overijssel.nl/viewer/app/atlasvanoverijssel_basis/v1) BIJ12: grenswaarden Natura 2000-gebieden (https://www.bij12.nl/onderwerpen/programma-aanpak-stikstof/vergunningen-enmeldingen/overzicht_grenswaarde-_verlagingen/) Effectenindicator (http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatorappl.) NDFF: Nationale Databank Flora en Fauna (https://ndff-ecogrid.nl/). Geraadpleegd op 9 maart 2018. PAS: Programmatische Aanpak Stikstof (pas.natura2000.nl). Ruimtelijkeplannen.nl (http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/)
Quickscan natuurtoets ontwikkeling recreatiepark Hessenweg 19, Zwolle
23
Bijlagen
Bijlage 1 – Instandhoudingsdoelen N2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht UITERWAARDEN ZWARTE WATER EN VECHT
SVI Landelijk
Doelstelling Oppervlak
Kwaliteit
Populatie
Habitattypen H3150
Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden
-
>
>
H6120
*Stroomdalgraslanden
--
=
=
H6410
Blauwgraslanden
--
=
=
H6430A
Ruigten en zomen (moerasspirea)
+
=
=
H6510A
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
=
=
=
H6510B
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart)
--
>
=
H91F0
Droge hardhoutooibossen
--
>
>
Habitatsoorten H1134
Bittervoorn
-
=
=
=
H1149
Kleine modderkruiper
+
=
=
=
Broedvogels A021
Roerdomp
--
=
=
1
A119
Porseleinhoen
--
=
=
10
A122
Kwartelkoning
-
=
=
5
A197
Zwarte Stern
--
>
>
60
A298
Grote karekiet
--
>
>
2
Niet-broedvogels A037
Kleine Zwaan
-
=
=
4
A041
Kolgans
+
= (<)
=
2100
A050
Smient
+
= (<)
=
570
A054
Pijlstaart
-
=
=
20
A056
Slobeend
+
=
=
10
A125
Meerkoet
-
=
=
320
A156
Grutto
--
=
=
80
Legenda: SVI landelijk: Landelijke Staat van Instandhouding (-- zeer ongunstig; - matig ongunstig, + gunstig); = Behoudsdoelstelling; > Verbeter- of uitbreidingsdoelstelling; =(<) Ontwerpaanwijzingsbesluit heeft 'ten gunste van' formulering. Populatie: voor broedvogels is dit de draagkracht van het aantal broedpaar, voor niet-broedvogels de draagkracht voor het aantal exemplaren.