1 b. Puntensysteem natuurinclusief bouwen en ontwerpen
Tekst van het document
BEBOUWING GROENE BUITENRUIMTE
Aanplant vogelbosje Aanplant van inheemse (besdragende) bomen en struiken. Ten gunste van:
Zangvogels, insecten en kleine zoogdieren.
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Buiten- en stedelijk gebied.
Oppervlakte:
Minimaal 100 m².
Min. benodigd/ max. toegestaan:
N.v.t.
Plaatsingseisen:
Inheemse (besdragende) bomen en struiken, zoals lijsterbes, meidoorn, dauwbraam, veldesdoorn sleedoorn en Gelderse roos. Bij voorkeur bomen aanplanten in de kern van het bosje en aan de rand van het vogelbosje aanplant van besdragende struiken.
Puntentelling
5
Per 100 m²: 5 punten. Maximaal 20 punten.
Toelichting Als plantafstand kan 1,5 bij 1,5 meter worden gehanteerd. Bij het aanplanten van verschillende soorten in één bosje, dienen de soorten in groepjes van 5-7 stuks per soort aangeplant te worden, om overgroei door sneller groeiende soorten te voorkomen. Na een paar jaar zal het vogelbosje meer gesloten raken. Snoeien alleen waar takken problemen geven.
BEBOUWING GROENE BUITENRUIMTE
Aanplant insectvriendelijke struik of boom Aanplant van een inheemse struik of boom die insecten aantrekt. Ten gunste van:
Insecten en vogels.
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Buiten- en stedelijk gebied.
Oppervlakte:
N.v.t.
Min. benodigd/ max. toegestaan:
N.v.t.
Plaatsingseisen:
Aangeplante struik of boom moet zelfvoorzienend zijn wat betreft water en voeding, dus in de volle grond en niet in pot of kuip. De struik of boom dient biologisch geteeld en inheems te zijn. Voorbeelden: Zoete kers, wilde lijsterbes, boswilg veldesdoorn, wilde kardinaalsmuts, rode kornoelje, eglantier, meidoorn.
1
Puntentelling Per struik of boom 1 punt. Maximaal 5 punten.
Toelichting Gelderse roos en sporkehout zijn goed voor insecten. Sporkehout is ideaal voor bijen vanwege de zeer lange bloeiperiode (mei-september) en nectarrijke bloemen. De bessen van Gelderse roos en sporkehout bieden ook voedsel voor vogels.
12 34
1.
Bloeiwijze Gelderse roos
2.
Bessen Gelderse roos
3.
Wilde lijsterbes
4.
Sporkehout
BEBOUWING GROENE BUITENRUIMTE
Kwetterplek huismus Groenblijvende struik of heg plaatsen als schuil-, slaap- en kwetterplaats. Ten gunste van:
Huismussen en andere kleine zangvogels.
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Buiten- en stedelijk gebied.
Oppervlakte:
Minimaal 4 m².
Min. benodigd/ max. toegestaan:
N.v.t.
Plaatsingseisen:
Minimaal 1,5 meter hoog. Gebruik dichte, inheemse en groenblijvende of bladhoudende struiken, zoals hulst, taxus, wilde liguster en beukhaag.
Puntentelling
2
Met 4 m²: 2 punten. Met 8 m²: 4 punten. Maximaal 4 punten.
Toelichting Deze maatregel is goed te combineren met andere maatregelen die ten gunste van huismussen zijn, zoals het geschikt maken van daken als nestlocatie of het aanbrengen van drinkplaatsen en zandbanken voor stofbaden.
BEBOUWING GROENE BUITENRUIMTE
Bloemrijke boomspiegel Boomspiegels beplanten of inzaaien met inheems bloemzaadmengsel. Ten gunste van:
Insecten en vogels.
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Stedelijk gebied.
Oppervlakte:
N.v.t.
Min. benodigd/ max. toegestaan:
N.v.t.
Plaatsingseisen:
Zaaien: kies een inheems zaadmengsel passend bij de regio. Vaste planten: ooievaarsbek, akelei, cichorei, sint Janskruid, margrieten, muskuskaasjeskruid, wilde marjolein, veldsalie, duifkruid, etc.
Puntentelling Per boomspiegel: 1 punt. Maximaal 10 punten.
Toelichting Door de bloemen in te zaaien worden de wortels van de bomen niet beschadigd.
Bron: Gemeente Amsterdam
1
BEBOUWING GROENE BUITENRUIMTE
Houtsnippers Aanbrengen van houtsnippers. Ten gunste van:
Paddenstoelen (schimmels).
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Buiten- en stedelijk gebied.
Oppervlakte:
Minimaal 2 m².
Min. benodigd/ max. toegestaan:
N.v.t.
Plaatsingseisen:
Houtsnippers aanbrengen op een schaduwrijke plek, om de groei van paddenstoelen te bevorderen.
Puntentelling Per 2 m² : 1 punt. Maximaal 5 punten.
Toelichting
1
BEBOUWING GROENE BUITENRUIMTE
Zandhelling Aanleggen van een zandhoop of -helling voor graafbijen. Ten gunste van:
Graafwespen, graafbijen en zandbijen.
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Buiten- en stedelijk gebied.
Oppervlakte:
Minimaal 4 m².
Min. benodigd/ max. toegestaan:
N.v.t.
Plaatsingseisen:
Op een zonnige plek, met weinig begroeiing. De simpelste aanleg van een zandhelling bestaat uit het recht weggraven van zand of leem op een plek waar de ontstane wanden van de kuil of de greppel gedurende een deel van de dag in de zon liggen. Een hoogte van 10 cm is al zeer geschikt, maar een hogere wand biedt meer variatie. De zandhoop of -helling vrijhouden van betreding.
Puntentelling
4
Zandhelling van 4 m²: 4 punten, per extra 2 m² zandhelling 2 punten extra.
Toelichting Een lichte vegetatie van wat mosjes, sedums en andere laagblijvende planten kan worden toegestaan om verwaaiing van een zandhoop te voorkomen, maar altijd moeten flinke stukken zand bloot liggen. Daarom vergen zandhopen vrij veel onderhoud, wat vooral moet plaatsvinden tussen oktober en maart.
BEBOUWING GROENE BUITENRUIMTE
Takkenril Aanleggen van een takkenril. Ten gunste van:
Marterachtigen, egel, muizen, vogels en amfibieën.
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Buiten- en stedelijk gebied.
Oppervlakte:
Minimaal 6 m² (hoogte 1-1.5 meter).
Min. benodigd/ max. toegestaan:
N.v.t.
Plaatsingseisen:
De takkenril aanleggen op een rustige plek. Eén keer per jaar de takkenril aanvullen met nieuwe takken.
Puntentelling 6 m² takkenril = 2 punten; per extra 2 m² een extra punt. Maximaal 7 punten.
Toelichting Voor het maken van een takkenril kan snoei- en takkenhout gebruikt worden.
2
BEBOUWING GROENE BUITENRUIMTE
Marterhoop Aanleg van een marterhoop. Ten gunste van:
Kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn).
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Buitengebied.
Oppervlakte:
Minimaal 3 m x 2 m x 1 m.
Min. benodigd/ max. toegestaan:
Maximaal 2 per project.
Plaatsingseisen:
Een marterhoop bestaat uit een bodem van dun materiaal als takjes, riet of gras. Hierop komt een kern van gestapelde boomstammen en takken van minimaal een meter hoog. Hieromheen komt een isolerende laag van riet/hooi. De marterhoop aanleggen op een plek waar niet vaak en veel mensen komen.
Puntentelling
5
Per marterhoop: 5 punten. Maximaal 10 punten.
Toelichting Door rondom de hoop braamstruweel aan te planten, wordt een geschikte omgeving gecreëerd voor kleine marterachtigen.
BEBOUWING GROENE BUITENRUIMTE
Ecologisch bermbeheer Beheermaatregel insectvriendelijk maaien door middel van sinusmaaibeheer of gefaseerd maaien. Ten gunste van:
Insecten, bodemleven, kleine zoogdieren en vogels.
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Buiten- en stedelijk gebied.
Oppervlakte:
Minimaal 100 m².
Onderhoud:
Maximaal 1 keer per jaar gefaseerd maaien op zandgrond en maximaal 2 keer per jaar gefaseerd maaien op kleigrond en laagveen. Maaisel afvoeren. Sinusbeheer is een alternatieve manier van gefaseerd maaien. Het werkt met meanderen Gefaseerd maaien kan overal worden toegepast. Hierbij zijn de overstaande stukken nooit meer dan dertig procent en worden bij een volgende maaibeurt wel weer gemaaid (bron: Vlinderstichting).
Puntentelling
5
Per 100 m² insectvriendelijk maaibeheer: 5 punten (mits beheer minimaal 3 jaar actief). Maximaal 15 punten per project.
Toelichting Op de websites van de Vlinderstichting en EIS Kenniscentrum Insecten, is veel informatie te vinden over gefaseerd maaien en sinusbeheer.
BEBOUWING GROENE BUITENRUIMTE
Lijnvormige houtstructuur Aanplant van een inheemse laanbeplanting, knotbomenrij of houtsingel/houtwal. Ten gunste van:
Vleermuizen, kleine zoogdieren, vogels en insecten.
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Buiten- en stedelijk gebied.
Oppervlakte:
N.v.t.
Min. benodigd/ max. toegestaan:
Lengte minimaal 100 m bij houtsingel/houtwal; breedte minimaal 4 m. Lengte minimaal 200 m bij laanbeplanting of knotbomenrij.
Plaatsingseisen:
Alleen inheemse (biologische gekweekte) soorten. Aanplanten van soorten in groepjes van 5-7 stuks per soort aangeplant te worden, om overgroei door sneller groeiende soorten te voorkomen.
Puntentelling
10
Houtsingel/houtwal per 100 m x 4 m: 10 punten. Maximaal 20 punten. Laanbeplanting of knotbomenrij per 100 m: 10 punten. Maximaal 20 punten.
Toelichting Bij voorkeur een zo hoog mogelijke diversiteit aan soorten aanplanten, of kijken naar de aantrekkelijkheid van de bomensoort voor insecten.
BEBOUWING GROENE BUITENRUIMTE
Tijdelijke natuur Tijdelijke natuur realiseren op braakliggende terreinen of overhoekjes. Ten gunste van:
Zoogdieren, insecten, amfibieën, vogels en planten.
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Buiten- en stedelijk gebied.
Oppervlakte:
Minimaal 200 m².
Min. benodigd/ max. toegestaan:
De tijdelijke natuur moet minimaal 1 jaar blijven staan.
Plaatsingseisen:
Door spontane ontkieming en door de ontwikkeling van planten zijn gang te laten gaan, ontstaan er vanzelf ruigtes die voor veel soorten als toevluchtsoord kunnen dienen.
Puntentelling
5
Oppervlakte van 200 m2: 5 punten, per 100 m2 extra: 1 punt extra. Maximaal 15 punten.
Toelichting Spontane vestiging van streng beschermde soorten wordt niet verwacht gezien de beperkte periode waarin de natuur in stedelijk gebied zal blijven staan. Op de website van Tijdelijke Natuur is veel extra informatie te vinden. Tip: de ontheffing tijdelijke natuur aanvragen zodat je niet in de knel komt met o.a. egel en kleine marterachtigen.
BEBOUWING GROENE BUITENRUIMTE
Verbinden groenstructuren Fysiek verbinden van twee reeds bestaande groenstructuren. Ten gunste van:
Zoogdieren, vogels, amfibieën en insecten.
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Buiten- en stedelijk gebied.
Oppervlakte:
N.v.t.
Min. benodigd/ max. toegestaan:
N.v.t.
Plaatsingseisen:
Maatregel kan op vele manieren tot uitvoering worden gebracht. Reeds bestaande groenstructuren die verbonden kunnen worden zijn bijvoorbeeld: twee bosjes met een weiland ertussen worden verbonden door een haag. Dit zorgt voor robuustere natuur. Uitsluitend gebruik van (biologisch gekweekte) inheemse soorten. Betreft maatwerk. Beoordeling ecoloog verplicht.
Puntentelling
15
Per verbinding: 15 punten. Voorwaarde: er dient een ecoloog/deskundige ingeschakeld te worden.
Toelichting Locaties die uitermate geschikt kunnen zijn voor deze maatregel zijn bijvoorbeeld te vinden in het agrarisch gebied of aan de rand van het bos. Hier liggen vaak geïsoleerde bosjes die door het aanplanten van een haag of een andere groene verbinder weer onderdeel gaan uitmaken van een groter geheel.
BEBOUWING GROENE BUITENRUIMTE
Vleermuiskelder in (geluids)wallen Aanleg vleermuiskelder in (geluids)wallen. Ten gunste van:
Overwinterende vleermuizen.
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Buiten- en stedelijk gebied.
Oppervlakte:
Minimaal 16 m³ inhoud.
Min. benodigd/ max. toegestaan:
N.v.t.
Plaatsingseisen:
De ruimte dient minimaal 2 meter hoog te zijn. De invliegopening moet 20 x 2 centimeter groot zijn. In de vleermuiskelder dienen minimaal twee wegkruipplekken te worden aangebracht. Dit kan door het aanbrengen van een ‘vleermuissteen’ (bijvoorbeeld de VK ST 02 van Vivara Pro) of het aanbrengen van een houten plaat tegen de wand met een ruimte van 1,5 tot 2 centimeter tussen de wand en de houten plaat. Zorg voor een vrije aanvliegroute voor vleermuizen. Geen opgaande begroeiing of verlichting bij de invliegopening. Betreft maatwerk.
Puntentelling
50
Vleermuiskelder: 50 punten. Voorwaarde: er dient een ecoloog/deskundige ingeschakeld te worden.
Toelichting Vleermuizen kiezen hun verblijfplaats soms op bijzondere plaatsen. Er zijn kolonies aangetroffen onder viaducten, onder bruggen met zwaar verkeer en in kerktorens met klokken. De weg langs een geluidswal hoeft dus geen beperking te zijn.
BEBOUWING GROENE BUITENRUIMTE
Vleermuisvoedselbosje Aanleg van voedselbosje met inheemse boomsoorten, waarbij het behoud van donkerte het belangrijkste uitgangspunt is als foerageergebied voor vleermuizen. Ten gunste van:
Vleermuizen.
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Buiten- en stedelijk gebied.
Oppervlakte:
Minimaal 50 m².
Min. benodigd/ max. toegestaan:
N.v.t.
Plaatsingseisen:
Inheemse boomsoorten (zoals de zomereik, beuk en iep) en minimaal driejarig plantmateriaal. Bosje nabij bebouwing, maar die niet verlicht wordt. Dit bosje vormt zo een ideaal foerageergebied voor onder andere gebouwbewonende vleermuizen. Het bosje moet binnen 100 meter van bebouwing worden aangeplant.
Puntentelling Voedselbosje van 50 m²: 10 punten. Per extra 100 m²: 10 punten extra. Maximaal 30 punten.
Toelichting
10
BEBOUWING GROENE BUITENRUIMTE
Diervriendelijke verlichting Bestaande straatverlichting vervangen door vogel- en vleermuisvriendelijke straatverlichting. Ten gunste van:
Vogels en vleermuizen.
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Buiten- en stedelijk gebied.
Oppervlakte:
N.v.t.
Min. benodigd/ max. toegestaan:
Alle verlichtingsarmaturen vervangen of weghalen.
Plaatsingseisen:
Gebruik aangepaste armaturen, waarbij er minimale uittreding van licht is naar de omgeving en naar boven toe. Kies voor roodkleurige verlichting en een zo laag mogelijke verlichtingssterkte.
Puntentelling
4
Compleet verwijderen van verlichting: 8 punten. Gebruik van diervriendelijke verlichting: 4 punten.
Toelichting Het weglaten van verlichting is de beste maatregel voor vleermuizen en vogels zoals uilen. Deze maatregel moet daarom alleen worden toegepast als het weglaten van verlichting geen optie is. Vooral het weglaten van verlichting op plekken waar wegen of fietspaden kruisen met groenstructuren als een laan of een houtwal, is waardevol voor vleermuizen in verband met hun vliegroute.
Overzicht maatregelen Puntentelling
Maatregel
Ten gunste van
Faunapassage zoogdieren Faunapassage amfibieën Green stepping stones Vleermuistoren Halfbestrating
Zoogdieren Amfibieën Insecten en een stabieler stadsklimaat Vleermuizen Afkoppeling grondwater, vogels, insecten en een stabieler stadsklimaat
25 20 2 20 1
VERHARDING
Verharding
BEBOUWING VERHARDING
Faunapassage zoogdieren Aanleg van een faunapassage om versnippering tegen te gaan. Ten gunste van:
Zoogdieren.
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Buitengebied.
Oppervlakte:
N.v.t.
Min. benodigd/ max. toegestaan:
N.v.t.
Plaatsingseisen:
Maatwerk. Schakel expert in. Bij de aanleg of reconstructie van een weg kan gekozen worden om een faunapassage, in de vorm van een tunnel of brug, aan te leggen. Door het aanleggen van een faunapassage kan versnippering worden voorkomen of tegen worden gegaan. Ontwerp van een faunapassage betreft altijd maatwerk en moet in samenwerking met deskundige ecologen worden ontworpen.
Puntentelling
25
25 punten per faunapassage. Maximaal 1 faunapassage voor zoogdieren. Inzet ecoloog verplicht.
Toelichting Een aanbeveling voor de aanleg van een faunapassage geldt met name voor locaties waar twee bosgebieden aan elkaar grenzen en een weg een harde grens vormt. Veelal zijn de locaties bekend waar veel dieren worden doodgereden. Wanneer dit niet bekend is, kan een (lokale) werkgroep hier mogelijk bij ondersteunen.
BEBOUWING VERHARDING
Faunapassage amfibieën Aanleg van een faunapassage voor amfibieën bij aanleg van een weg. Ten gunste van:
Amfibieën en grondgebonden kleine zoogdieren.
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Beide.
Oppervlakte:
N.v.t.
Min. benodigd/ max. toegestaan:
N.v.t.
Plaatsingseisen:
Bij het aanleggen van een weg kan een kleine faunapassage voor amfibieën worden aangebracht. De bovenzijde mag niet volledig afgesloten zijn, er moet nog licht doorheen vallen. Deze maatregel betreft maatwerk. In samenspraak met een deskundige ecoloog zal een passend ontwerp moeten worden gekozen en zal een inschatting moeten worden gemaakt van de effectiviteit van de maatregel. Door de open structuur is het noodzakelijk de passage jaarlijks te onderhouden.
Puntentelling
20
20 punten per faunapassage. Maximaal 1 amfibieënpassage. Inzet ecoloog verplicht.
Toelichting Het aanleggen van een faunapassage is aan te bevelen voor locaties waarvan bekend is dat daar amfibieën oversteken van overwinteringsgebied naar voortplantingswater. Veelal zijn deze locaties bekend en staan er in het voor- en najaar paddenschermen langs de weg. Wanneer dit niet bekend is, kan een (lokale) werkgroep hier mogelijk bij ondersteunen.
BEBOUWING VERHARDING
Green stepping stones Aanbrengen van plantenbakken of kleine groene daken als ‘stapstenen’ voor stadsnatuur. Ten gunste van:
Insecten en een stabieler stadsklimaat.
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Stedelijk gebied, alleen in de bebouwde kom.
Oppervlakte:
Van plantenbakken tot borders in alle maten. Toegestane maatregel op gebieden met veel verharding waar grote groene elementen lastig te realiseren zijn, zoals winkelcentra, parkeerterreinen etc.
Min. benodigd/ max. toegestaan: Plaatsingseisen:
Houd rekening met groeiplaats en -eisen van gekozen plantensoorten. Inheemse en gebiedseigen plantensoorten. Door het aanbrengen van plantenbakken of kleine groene daken (zoals bushokjes) ontstaan er kleine groene stapstenen voor insecten en bloemen. Ondanks dat de oppervlaktes klein zijn, kunnen grote aantallen bushokjes en/of bloempotten samen voor een grote oppervlakte groen zorgen in een stenen omgeving.
Puntentelling
2
2 punten per plantenbak. Maximaal 10 punten.
Toelichting Door gradiënten in het groenplan te verwerken, wordt habitat voor een grote verscheidenheid aan soorten gerealiseerd. Bij grotere groenverbindingen wordt het inschakelen van een expert geadviseerd, om een groenplan op te stellen voor het specifieke gebied.
BEBOUWING VERHARDING
Vleermuistoren Een vleermuistoren biedt verblijfplaatsen aan gebouwbewonende soorten als de gewone dwergvleermuis. Ten gunste van:
Vleermuizen.
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Buitengebied of rand stedelijk gebied.
Oppervlakte:
N.v.t.
Min. benodigd/ max. toegestaan:
Maximaal 1. De plaatsing is afhankelijk van schaduw, omliggende vegetatie etc. Daarom betreft dit maatwerk en is dit afhankelijk van de locatie. Dit betreft maatwerk. Schakel een expert in. Vleermuizen houden niet van kunstmatige verlichting, daarom mag de toren niet beschenen worden. Een vleermuistoren is alleen succesvol wanneer de vleermuizen de toren veilig kunnen bereiken, daarom dient een ecoloog te bepalen of er potentie is in het plangebied.
Plaatsingseisen:
Maatwerk.
Puntentelling 20 punten per vleermuistoren. Maximaal 1 toren. Inzet ecoloog verplicht.
Toelichting Aanbevelingen Verscheidene bedrijven ontwerpen een op maat gemaakte vleermuistoren die geschikt is voor de te verwachten soorten en landschapselementen. De kans van slagen met een dergelijke toren is groter dan een ‘standaardtoren’. Vleermuizen jagen op insecten. Vegetatie, kruiden en planten verhogen het aantal insecten rondom hun verblijfplaats.
20
BEBOUWING VERHARDING
Halfbestrating Aanbrengen van half groene verharding bij parkeervakken of opritten. Ten gunste van:
Afkoppeling grondwater, vogels, insecten en een stabieler stadsklimaat.
Eisen en randvoorwaarden Gebied:
Stedelijk gebied, alleen in bebouwde kom.
Oppervlakte:
Zoveel als mogelijk, zie: Toelichting
Min. benodigd/ max. toegestaan:
N.v.t.
Plaatsingseisen:
Deze bestrating wordt gelegd op een fundering van steenslag met daarop een onderlaag van teelaarde vermengd met zand, turf of kleikorrels. De vegetatie ontwikkelt zich vanzelf, eventueel kan dit met inzaaien worden bevorderd. Hiervoor dienen inheemse en gebiedseigen zaadmengsels te worden gebruikt. Tussen de half groene verharding kunnen bloeiende planten en zaadvormers groeien die voedselbron kunnen zijn voor insecten en vogels.
Puntentelling
1
Per 10 m² halfbestrating is 1 punt. Maximaal 10 punten.
Toelichting Pas voor het terrein het principe ‘onverhard, tenzij’ toe. Waar mogelijk is halfbestrating toegepast. Alleen waar het echt noodzakelijk is, worden directe tegels gebruikt. Hoe minder oppervlakte compleet verhard is, hoe beter. Overdadige begroeiing kan eventueel worden beperkt door het gebruik van schraal zand tussen de stenen. Halfbestrating is alleen niet geschikt voor delen die intensief worden gebruikt.