CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

1.a Ontwerp provinciale verordening

Raad Besluitvormingsronde 15 september 2025, gemeente ZwolleBij agendapunt: Concept provinciale omgevingsvisie23.785 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

48

TOELICHTING artikel 4.121 (instructieregel bossenstrategie) Provinciaal belang bossen en bomen Overijssel is een prachtige provincie met een zeer gevarieerd landschap. Bossen en bomen maken daar een belangrijk onderdeel van uit. Ze zijn van betekenis voor het behoud en de bescherming van plant- en diersoorten (biodiversiteit). Daarnaast vormt hout een duurzaam bouwmateriaal. Maar ook voor de kwaliteit van onze leefomgeving, voor een goed vestigingsklimaat voor wonen en werken én voor de regionale economie in Overijssel (denk aan toerisme) zijn bossen en bomen van belang. Bos en bomen kunnen daarnaast een belangrijke rol vervullen in de oplossing van het klimaatprobleem. Ze nemen immers CO2 op. Meer bomen en een gezonde bosontwikkeling betekent dus: minder CO2 in de lucht. We willen daarom meer mooie en gezonde bossen en bomen in Overijssel. Dat is goed voor de biodiversiteit, de kwaliteit van de leefomgeving en de vastlegging van CO2. Landelijke bossenstrategie Eind 2020 stelden Rijk en provincies een landelijke bossenstrategie vast met een ambitie voor meer en meer vitaal bos. Daarbij is aangegeven dat Rijk en provincies willen investeren in meer bomen buiten het bos en duurzaam gebruik van bomen en bos stimuleren. Er is een bestuurlijke afspraak gemaakt over financiering van de aanleg van 1.400 ha bos buiten natuurgebieden, aan te leggen vóór 2030.

Deze bosaanleg is bedoeld als compensatie van de uitgevoerde en nog uit te voeren kapwerkzaamheden in Natura 2000-gebieden. Overijsselse opgave Op 16 juni 2022 is de Overijsselse bossenstrategie 2020-2030 vastgesteld. De provincie sluit daarin aan bij de landelijke ambities voor meer bos. Dit betekent dat er 10% meer bos en 5% houtige elementen buiten het bos moet zijn gerealiseerd in 2030. Voor Overijssel betekent dit in totaal circa 3.900 ha bos extra. Daarnaast hebben we de ambitie om ons bos vitaal en klimaatbestendig te maken en houden. Om deze forse ambitie te realiseren is onder meer een subsidieregeling in het leven geroepen. Initiatiefnemers bieden we een vergoeding voor bosaanleg die vergelijkbaar is met de vergoedingen op basis van de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL). Het gaat om een vergoeding van de waardedaling van de grond en van de aanplant- en proceskosten. Grondeigenaren (met uitzondering van overheden) kunnen vervolgens voor het beheer op grond van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) subsidie aanvragen als de gronden binnen het NNN liggen. Juridische borging Als we als provincie subsidie verlenen voor de aanleg van nieuw bos, willen we wel zeker weten dat dit nieuwe bos daar in de toekomst ook in stand blijft.

Die zekerheid krijgen we als in het omgevingsplan van de gemeente geregeld is dat er op dat perceel alleen bos is toegestaan. De instructieregel bossenstrategie zorgt voor de juridische borging daarvan.

Artikelsgewijze toelichting Artikel 4.121 lid 1 Op grond van het eerste lid van artikel 4.XX zijn gemeenten verplicht om een passende regeling op te nemen in hun omgevingsplan voor gronden waarop in het kader van de Overijsselse bossenstrategie nieuwe bomen en andere houtopstanden zijn aangeplant. Dat kan een functietoedeling zijn van bos of

49

natuur, maar de regeling voorziet in ieder geval in een verbod om de nieuwe bomen en andere houtopstanden te kappen. Artikel 4.121 lid 2 In het tweede lid van artikel 4.XX is geregeld dat gemeenten geen nieuwe ontwikkelingen mogen toestaan die leiden tot aantasting van natuur- en landschapswaarden die gerealiseerd zijn door het aanplanten van nieuwe bomen en andere houtopstanden in het kader van de Overijsselse bossenstrategie. Artikel 4.121 lid 3 Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikken gemeenten over een omgevingsplan van rechtswege. De gemeenten zijn verplicht om uiterlijk 1 januari 2032 het tijdelijke deel van dat omgevingsplan om te zetten naar een omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet. De omzetting mag gefaseerd worden doorgevoerd. De verplichting in het eerste lid om het omgevingsplan aan te passen voor gronden waarop nieuwe bomen en andere houtopstanden zijn gerealiseerd, kan de planning van de gemeente voor de omzetting van het tijdelijke deel van het omgevingsplan doorkruisen. Om dat te voorkomen is in het derde lid van artikel 4.XX geregeld dat de verplichting om het omgevingsplan aan te passen pas uitgevoerd hoeft te worden op het moment dat de gemeente het tijdelijke omgevingsplan voor die gronden omzet naar het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 2.4 Omgevingswet.

Artikel 4.121 lid 4 Op grond van het eerste lid zijn gemeenten verplicht een verbod op te nemen voor het kappen van de nieuwe bomen en houtopstanden die in het kader van de bossenstrategie zijn aangeplant. Het kan zijn dat het op enig moment toch noodzakelijk is om bomen te kappen. Bijvoorbeeld omdat een boom is doodgegaan,als er gevaarlijke situaties ontstaan door een boom die dreigt om te vallen of in het kader van duurzaam bosbeheer. Lid 4 biedt de gemeente de ruimte om de kap van bomen en houtopstanden toe te staan als dit in het kader van beheer en onderhoud nodig is. Daarbij moet wel verzekerd zijn dat herplant plaatsvindt op dezelfde gronden.

50

Aanpassing Omgevingsverordening – nieuwe instructieregels Raatakkercomplexen en Karrensporenzones Waarom? Gedeputeerde Staten hebben besloten om de cultuurhistorische waarde van 10 raatakkercomplexen (ook wel bekend als Celtic fields) en 8 bundels karrensporen specifiek te gaan beschermen via het ruimtelijk spoor. Raatakkers (ook wel Celtic fields) zijn overblijfselen van vierkante of rechthoekige, aaneengesloten stukjes grond waar landbouw bedreven werd in de prehistorie. Karrensporen zijn overblijfselen uit onze vroege jaartelling en late middeleeuwen, die ons een spoor laten zien, gevormd door karren in onverharde ondergrond, als gevolg van intensief gebruik. Door met instructieregels bescherming te regelen in gemeentelijke omgevingsplannen blijven de allerlaatste prehistorische raatakkers en laat middeleeuwse karrensporen in Overijssel bewaard voor volgende generaties. Strekking aanpassing: De bescherming van raatakkercomplexen en karrensporenzones zal worden geregeld door in de Omgevingsverordening instructieregels op te nemen die de gemeente verplichten om in hun omgevingsplan te regelen dat op deze locaties nieuwe ontwikkelingen niet zijn toegestaan als die leiden tot aantasting van de unieke cultuurhistorische waarden die daar nog aanwezig zijn.

Tekstvoorstel: Artikel 1.1 (begripsbepalingen) Raatakkercomplexen Overblijfselen uit de prehistorie (IJzertijd) van vierkante of rechthoekige, aaneengesloten stukjes grond waar landbouw bedreven werd door de eerste agrariërs in de provincie Overijssel en die gekenmerkt worden door kwetsbaar microreliëf. Karrensporenbundels Overblijfselen uit de vroege jaartelling en late middeleeuwen van oude handelssporen die gevormd zijn doordat reizigers na verstuiving van zand met hun karren steeds weer naast het oude spoor gingen rijden, waardoor reliëfrijke bundels van sporen zijn gevormd in de onverharde ondergrond Afdeling 4.17 RAATAKKERCOMPLEXEN EN KARRENSPORENZONES Paragraaf 4.17.1 Raatakkercomplexen Artikel 4.126 (werkingsgebied instructieregel raatakkerscomplexen) 1. Deze paragraaf is van toepassing op gebieden die van grote cultuurhistorische en archeologische waarde zijn vanwege de unieke overblijfselen in het landschap van rechthoekige landbouwstructuren die stammen uit de Prehistorie (IJzertijd). 2. Deze gebieden zijn aangewezen als raatakkercomplex en als zodanig geometrisch begrensd.

51

Artikel 4.127 (instructieregel raatakkercomplex) Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een raatakkercomplex voorziet in een verbod op alle activiteiten die kunnen leiden tot aantasting van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van dat gebied. 2. Het omgevingsplan bevat in ieder geval het verbod om door afgravingen het karakteristieke microreliëf van de raatakkers te verstoren. 1.

TOELICHTING instructieregel raatakkercomplexen Overblijfselen uit de prehistorie in ons hedendaagse landschap zijn zeldzaam. Toch zijn er in Overijssel op enkele plekken nog de karakteristieke structuren van raatakkercomplexen te vinden die stammen uit de IJzertijd. Raatakkers zijn overblijfselen van vierkante of rechthoekige, aaneengesloten stukjes grond waar landbouw bedreven werd in de Prehistorie. Ze vertellen het verhaal van de vroegste landbouw in Overijssel, een thema dat onlosmakelijk van deze provincie is verbonden. Vroeger moeten er in Overijssel honderden van dat soort complexen geweest zijn, maar inmiddels zijn daar nog maar een paar grotere complexen van over. Bij de herziening van de Cultuurhistorische Waardenkaart van Overijssel in 2022 kwamen deze raatakkercomplexen naar voren als een nieuwe categorie van zeer waardevolle cultuurhistorische elementen. Uit nader onderzoek van de provinciaal archeoloog blijken er nog 10 raatakkercomplexen binnen Overijssel te liggen die nog redelijk gaaf te zijn, maar ook erg kwetsbaar. De 10 raatakkercomplexen liggen binnen natuurgebieden en grotendeels op gronden die beheerd worden door natuur- en landschapsorganisaties. De ligging binnen natuurgebied heeft ervoor gezorgd dat deze complexen nog grotendeels intact zijn.

Toch lopen de complexen het risico om aangetast te worden omdat er binnen natuurgebieden ook werkzaamheden worden verricht die het karakteristieke microreliëf van raatakkers kunnen verstoren. Raatakkercomplexen worden niet altijd gemakkelijk herkend in het landschap en worden niet beschermd door het Rijk. De geschiedenis van de raatakkercomplexen in Overijssel vertelt ons het verhaal van hoe de eerste agrariërs zich vestigden in Overijssel. Raatakkers zijn de vroegste landbouwmethode en daarmee onderdeel van onze Overijsselse identiteit en daarmee het beschermen waard. Vanwege het belang voor de cultuurhistorie van Overijssel, ziet de provincie de bescherming en behoud van de raatakkercomplexen als provinciaal belang. Met een instructieregel wordt geborgd dat de raatakkercomplexen een passende bescherming krijgen in gemeentelijke omgevingsplannen. Vanwege het belang om de raatakkers in de huidige staat te behouden, krijgen de gemeente de opdracht om in hun omgevingsplan alle activiteiten uit te sluiten die leiden tot aantasting van de cultuurhistorische en archeologisch waarden van de raatakkers.

Paragraaf 4.17.2 Karrensporenzones Artikel 4.128 (werkingsgebied instructieregel karrensporenzones) 1. Deze paragraaf is van toepassing op gebieden die van grote cultuurhistorische waarde zijn vanwege de unieke overblijfselen in de onverharde ondergrond van eeuwenoude handelssporen. 2. Deze gebieden zijn aangewezen als karrensporenzones en als zodanig geometrisch begrensd. Artikel 4.129 (instructieregel karrensporenzones) 3. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een karrensporenzone voorziet in een verbod op alle activiteiten die kunnen leiden tot aantasting van de aanwezige cultuurhistorische van dat gebied.

52

4.

Het omgevingsplan bevat in ieder geval het verbod om door afgravingen het karakteristieke microreliëf van de karrensporen te verstoren.

TOELICHTING Bij de herziening van de Cultuurhistorische Waardenkaart van Overijssel in 2022 kwamen zones met karrensporen in beeld als een nieuwe categorie in cultuurhistorisch zeer waardevolle elementen. Uit nader onderzoek van de provinciaal archeoloog bleken er in Overijssel nog 8 zones te zijn waar in het landschap nog karrensporen te vinden zijn in de ondergrond. Door verstuiving van zand en door met karren telkens maar weer naast het oude spoor te gaan rijden zijn reliëfrijke karrensporenbundel gevormd in de onverharde ondergrond. Het zijn overblijfselen uit de vroege jaartelling en late middeleeuwen van oude handelssporen die vertellen hoe er in Overijssel werd gereisd en handel werd gedreven. Er zijn nog maar een paar gave bundels over waardoor ze zeldzaam zijn. Karrensporen zijn erg kwetsbaar omdat het microreliëf gemakkelijk verstoord wordt door intensief gebruik van routes en werkzaamheden in het gebied. De bundels met karrensporen zijn vanwege hun zeldzaamheid en kwetsbaarheid het beschermen waard. Karrensporen worden niet beschermd door het Rijk en worden ook niet makkelijk herkend in het landschap. De 8 bundels karrensporen die de provincie wil beschermen liggen binnen natuurgebieden en grotendeels op gronden die beheerd worden door natuur- en landschapsorganisaties.

De ligging binnen natuurgebied heeft ervoor gezorgd dat deze de bundels met karrensporen nog redelijk gaaf zijn. Toch lopen de complexen het risico om aangetast te worden omdat er binnen natuurgebieden ook werkzaamheden worden verricht die het karakteristieke microreliëf van karrensporen kunnen verstoren. Met het bewaren van de karrensporen zorgen we ervoor dat het verhaal hoe onze voorouders reisden, zich verplaatsen en handel bedreven, en zich telkens weer aanpasten als gevolg van een zandverstuiving of ondergelopen gebied, ook voor toekomstige generaties terug te lezen is in het landschap. Zo blijft een stukje van de Overijsselse identiteit bewaard en beleefbaar. Vanwege het belang voor de cultuurhistorie van Overijssel, ziet de provincie de bescherming en behoud van de bundels met karrensporen als provinciaal belang. Met een instructieregel wordt geborgd dat de karrensporenbundels een passende bescherming krijgen in gemeentelijke omgevingsplannen, waarbij alle activiteiten die kunnen leiden tot verstoring van het microreliëf worden uitgesloten. Bij de aanduiding van de karrensporen is een zone aangehouden van 50 meter breed aan weerszijden van de karrensporen om te verzekeren dat ook geen activiteiten plaatsvinden in de directe omgeving van de karrensporen die tot verstoring van het microreliëf kunnen leiden.

53

Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel aanvullende eisen legger Waarom? Op verzoek van de waterschappen Drents Overijssels Delta en Vechtstromen wordt de verplichting geschrapt om in de legger van het waterschap lengte- en dwarprofielen van regionale waterkeringen en regionale oppervlaktelichamen vast te leggen. De verplichting om profielen vast te leggen is een aanvulling op de wettelijke eisen in de Omgevingswet. We zijn het met de waterschappen eens dat het voor de toets van waterstaatswerken aan de gestelde normen niet nodig is dat in de legger precies het lengteprofiel en dwarsprofielen van de regionale waterkeringen en regionale oppervlaktewaterlichamen worden bijgehouden. De beschermingszones rond de regionale waterkeringen zijn als beperkingengebieden opgenomen in de (kaart bij) de Waterschapsverordening. Het is niet nodig om ze ook nog een keer op te nemen in de legger. Dit voorkomt dubbel werk van het waterschap dat op andere plekken al verantwoordt hoe de waterstaatswerken erbij liggen. We vinden overzichtskaarten ook niet langer nodig en dus wordt de passage daarover in de toelichting ook geschrapt. De aanpassing is gebaseerd op het GS-besluit 15 april 2025, kenmerk 2025-011702.

Tekstvoorstel: Aanpassing artikel 5.8 (aanvullende eisen inhoud legger waterstaatswerken). Paragraaf 5.1.5 Watersysteem Artikel 5.8 (aanvullende eisen inhoud legger waterstaatswerken) 1. De waterschappen geven in de legger een nadere invulling van de begrenzing van regionale waterkeringen als bedoeld in Artikel 2.3 (aanwijzing regionale waterkeringen). 2. De legger bevat in aanvulling op de eisen die artikel 2.39 van de Omgevingswet daaraan stelt in ieder geval: a. het lengteprofiel en dwarsprofielen van de regionale waterkeringen en regionale oppervlaktewaterlichamen; en b. een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de regionale waterkeringen, regionale oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden. 3. In geval van het meanderen van een oppervlaktelichaam wordt in afwijking van het tweede lid, onder a, in de legger de ruimtelijke begrenzing en het minimale dwarsprofiel vastgelegd. 4. Voor bergingsgebieden wordt in de legger de ruimtelijke begrenzing en het bergend vermogen vastgelegd.

54

Artikel 5.9 (instructieregel waterschapsverordening profiel vrije ruime) De waterschapsverordening wijst voor primaire waterkeringen en regionale waterkeringen het profiel vrije ruimte aan, waarbinnen ontwikkelingen worden tegengegaan die een toekomstige dijkverzwaring in de weg kunnen staan. TOELICHTING Paragraaf 5.1.5 Watersysteem Legger In artikel 2.39 van de Omgevingswet is bepaald dat de beheerder zorg draagt voor de vaststelling van een legger. Daarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. In de Omgevingswet worden waterstaatswerken gedefinieerd als oppervlaktelichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk. In artikel 2.41 van de Omgevingswet is geregeld welke basisgegevens in de legger moeten worden opgenomen. De ligging van de waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones is aangegeven op overzichtskaarten. In artikel 2.22 en artikel 2.23 van de Omgevingswet is bepaald dat bij Omgevingsverordening regels kunnen worden gesteld over de inhoud of motivering van de legger, met inbegrip van een technisch beheerregister. In Artikel 5.8 wordt hieraan uitvoering gegeven. De beheerder draagt er zorg voor dat de gegevens in de legger actueel blijven.

De legger voor de oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, regionale waterkeringen of ondersteunende kunstwerken kan door de beheerder desgewenst bij een of meer afzonderlijke besluiten, in afzonderlijke documenten of gecombineerd worden vastgesteld. De provincie heeft de regionale waterkeringen indicatief op kaart gezet. Artikel 5.8 bevat de opdracht aan de waterschappen om de regionale waterkeringen meer gedetailleerd op kaart te zetten. De legger is van belang voor de toetsing van de waterstaatswerken aan de gestelde normen. Deze toetsing wordt mogelijk door de gegevens in de legger, waarin de vereiste toestand van de waterstaatswerken is aangegeven, te vergelijken met de feitelijke toestand van de waterstaatswerken. De legger die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld, moet worden onderscheiden van de legger als bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet. Desgewenst kunnen beide leggers in één document worden gecombineerd. De Waterschapswet bevat enkele procedurele bepalingen over de voorbereiding en vaststelling van de laatstgenoemde legger (toepassing inspraakverordening).

In het derde lid van artikel 2.39 van de Omgevingswet is bepaald dat bij of krachtens provinciale verordening vrijstelling kan worden verleend van de eis om op de legger ligging, vorm, afmeting en constructie van waterstaatswerken te omschrijven voor bepaalde waterstaatswerken die zich naar hun aard of functie niet lenen voor het omschrijven van die elementen, of van geringe afmetingen zijn. Waterschapsverordening In Artikel 5.9 is een instructieregel opgenomen voor de waterschapsverordening die de waterschappen verplicht om voor primaire en regionale keringen het profiel vrije ruimte aan te geven en daarbinnen ontwikkelingen tegen te gaan die een toekomstige dijkverzwaring in de weg kunnen staan.

55

Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel aanpassing normering wateroverlast Buitenpolder Kuinre Waarom? Op verzoek van het waterschap Drents Overijsselse Delta wordt de omgevingswaarde voor wateroverlast voor de Buitenpolder Kuinre naar beneden bijgesteld. In dat gebied blijkt er meer draagvlak te zijn voor de acceptatie van periodieke inundaties dan voor het nemen van maatregelen tegen wateroverlast zoals de aanleg van extra waterberging. Basis voor de aanpassing is het GS-besluit van 15 april 2025, kenmerk 2025-011702. Strekking van de aanpassing? De Buitenpolder Kuinre wordt - net zoals de veenweidegebieden rond de Weerribben nu al is – aangewezen als een bijzondere categorie binnen het beheersgebied van waterschap Drents Overijsselse Delta waarvoor een gemiddelde kans op overstroming van 1/10 per jaar wordt gehanteerd, waarbij 30% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben. Aanpassing Omgevingsverordening: Artikel 2.8 en de bijbehorende kaart met de omgevingswaarden wateroverlast wordt aangepast zodat voor de Buitenpolder Kuinre dezelfde norm voor wateroverlast gaat gelden als voor de veenweidegebieden rond de Weerribben.

Artikel 2.8 (uitgangspunten omgevingswaarden wateroverlast buiten de bebouwde kom) 1. Buiten de bebouwde kom geldt een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardig land- en tuinbouw, waarbij 1 % van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben; b. b.1/25 per jaar voor akkerbouw, waarbij 1 % van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben; c. 1/10 per jaar voor grasland, waarbij 5 % van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben. 2. In afwijking van het eerste lid, geldt binnen het beheersgebied van waterschap Drents Overijsselse Delta een gemiddelde kans op overstroming van 1/10 per jaar voor de veenweidegebieden rond de Weerribben en de Buitenpolder Kuinre, waarbij 30% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben. 3. In afwijking van het eerste lid, geldt binnen het beheersgebied van waterschap Vechtstromen een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1/10 per jaar voor landbouwgronden in beekdalen; b. 1/1 per jaar voor laaggelegen gebieden.

56

Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel gegevensverzameling grondwateronttrekkingen Waarom? De instructieregel voor waterschappen over de gegevensverzameling van grondwateronttrekkingen wordt uitgebreid, zodat ook kleinere grondwateronttrekkingen geregistreerd moeten worden. Voor een duurzaam grondwaterbeheer is het noodzakelijk om ook inzicht te krijgen in de kleinere grondwateronttrekkingen. De basis van deze aanpassing is het GS-besluit van 15 april 2025, kenmerk 2025-011702 Strekking van aanpassing Het derde lid van artikel 5.18 (instructieregels gegevensverzameling grondwateronttrekkingen) wordt aangepast zodat grondwateronttrekkingen vanaf een bruto pompcapaciteit van meer dan 10 kubieke meter per uur of een hoeveelheid van meer dan 12.000 kubieke meter per jaar geregistreerd moeten worden. Tekstvoorstel: Artikel 5.18 (instructieregels gegevensverzameling grondwateronttrekkingen) 1. De waterschapsverordening bepaalt dat: a. degene die grondwater onttrekt of water infiltreert, elk kwartaal de onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water meet met een nauwkeurigheid van ten minste 95%; b. degene die water infiltreert: 1) de kwaliteit van dat water meet, voor de parameters en met de frequentie die zijn opgenomen in bijlage 3 van de Drinkwaterregeling; en 2) de monsters analyseert volgens de eisen van bijlage 4 van de Drinkwaterregeling. 2.

In de waterschapsverordening kan worden bepaald dat voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties, in de voorschriften van de vergunning voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water of, als geen vergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift kan worden bepaald dat de hoeveelheid over een kortere tijdspanne wordt gemeten. 3. Het eerste lid geldt niet voor onttrekkingen of infiltraties kleiner dan 50.000 m3 per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal minder dan 50.000 m3 met een bruto pompcapaciteit kleiner dan 10 kubieke meter per uur dan wel een hoeveelheid minder dan 12.000 kubieke meter per jaar, tenzij het gaat om onttrekkingen of infiltraties op meer dan 50 meter beneden het maaiveld binnen de boringsvrije zone Salland Diep.

57

Aanpassing Omgevingsverordening – verdringingsreeks Waarom? Gedeputeerde Staten hebben op 28 januari 2025 ingestemd met het geactualiseerde Waterakkoord Twentekanalen-Overijsselse Vecht. Het Waterakkoord Twentekanalen-Overijsselse Vecht 2025 bevat afspraken tussen Rijkswaterstaat, provincies Overijssel en Drenthe en waterschappen Vechtstromen, Drents Overijsselse Delta en Rijn en IJssel over de wateraanvoer vanuit de IJssel, via sluis Eefde en de Twentekanalen richting Overijssel en delen van Drenthe. Op die manier wordt een deel van Overijssel en Drenthe van oppervlaktewater voorzien. In het kader van dit waterakkoord is afgesproken dat de regionale verdringingsreeks voor de Twentekanalen wordt aangepast zodat deze aansluit bij andere zoetwaterregio’s, zoals Noord-Nederland. Een verdringingsreeks geeft aan hoe het oppervlaktewater wordt verdeeld in tijden van watertekort en is van toepassing voor alle gebieden waar rijkswater kan worden aangevoerd. De regionale verdringingsreeks is geactualiseerd op basis van de inventarisatie van de watervraag voor alle functies, waaronder kwetsbare natuur en zettingsgevoelige gebieden. Met de actualisatie zijn de verschillen tussen de twee regionale verdringingsreeksen nagenoeg opgeheven. Dit vergroot de eenduidigheid voor waterbeheerders en gebruikers in beide gebieden.

De enige uitzondering is dat in de verdringingsreeks voor het Twentekanalengebied een watervraag is opgenomen voor doorspoeling van stedelijk water in geval van (de kans op) acuut risico voor de volksgezondheid. Deze watervraag is in de verdringingsreeks voor Noord-Nederland niet nader gespecificeerd. Basis van deze aanpassing is het Waterakkoord Twentekanalen-Overijsselse Vecht 2025.

Strekking aanpassing: Het huidige artikel 5.22 (regionale verdringingsreeks onttrekking Twentekanalen/Overijsselse vecht) wordt vervangen door een nieuw artikel 5.22 (regionale verdringingsreeks onttrekking Twentekanalen/Overijsselse Vecht): Tekstvoorstel: Afdeling 5.2 REGIONALE VERDRINGINGSREEKS Paragraaf 5.2.1 Rangorde van waterschaarste regionale wateren Artikel 5.21 (regionale verdringingsreeks onttrekking IJsselmeergebied) 1. In geval van watertekort of dreigend watertekort, wordt voor de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 3.14, vierde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. gebruik als industrieel proceswater; b. tijdelijke beregening van kapitaal-intensieve gewassen. 2. In geval van watertekort of dreigend watertekort, wordt voor de verdeling het beschikbare water over de in artikel 3.14, vijfde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

58

a. peilhandhaving; b. doospoelen en onttrekking voor beregening van akkerbouw; c. beregening van gras/mais; d. doorspoelen; e. overige belangen. Artikel 5.22 (regionale verdringingsreeks onttrekking Twentekanalen/Overijsselse vecht) 1. In geval van watertekort of dreigend watertekort, wordt voor de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 3.14, vierde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. onttrekking voor proceswater; b. doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken wordt; c. beregening van kapitaalintensieve gewassen. 2. In geval van watertekort of dreigend watertekort, wordt voor de verdeling het beschikbare water over de in artikel 3.14, vijfde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. doorspoelen in geval van (de kans op) acuut risico voor de volksgezondheid; b. scheepvaart; c. peilhandhaving en beregening voor akkerbouw; d. beregening gras/maïs; e. peilhandhaving en doorspoeling van niet kwetsbare natuur; f. doorspoeling voor aquatische ecologie (KRW). Artikel 5.22 (regionale verdringingsreeks onttrekking Twentekanalen/Overijsselse Vecht) 1.

In geval van watertekort of dreigend watertekort, wordt voor de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 3.14, vierde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. gebruik als industrieel proceswater; b. tijdelijke beregening van kapitaal-intensieve gewassen. 2. In geval van watertekort of dreigend watertekort, wordt voor de verdeling het beschikbare water over de in artikel 3.14, vijfde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. doorspoelen in geval van (de kans op) acuut risico voor de volksgezondheid b. peilhandhaving; c. doospoelen en onttrekking voor beregening van akkerbouw; d. beregening van gras/mais; e. doorspoelen; f. overige belangen. Aanpassing toelichting: Afdeling 5.2 REGIONALE VERDRINGINGSREEKS In artikel 2.42 lid 2 van de Omgevingswet en artikel 3.14 Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat bij provinciale verordening voor de regionale wateren de rangorde kan worden bepaald van de maatschappelijke en ecologische behoeften bij watertekorten. In de Artikel 5.21 en Artikel 5.22 is voor respectievelijk het IJsselmeergebied en het Twentekanalen/ Overijsselse Vechtsysteem van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

59

Van watertekort is sprake als de vraag naar water groter is dan het aanbod via wateraanvoer van buiten het watersysteem. Het beheer van het regionale watersysteem is er, onder andere, op gericht alle watervragers zoveel mogelijk van het benodigde water te voorzien. In tijden van watertekort is dit echter niet meer mogelijk. De gevolgen voor waterverbruikers kunnen aanzienlijk zijn. De regionale verdringingsreeks biedt helderheid over welke behoefte in een situatie van watertekort voorgaat boven de anderen en draagt bij aan een slagvaardig en eenduidig optreden van de waterbeheerder in situaties van watertekorten. We volgen hiervoor de landelijke verdringingsreeks. Voor de onttrekkingen in het IJsselmeergebied en het Twentekanalen / Overijsselse Vechtsysteem is het echter noodzakelijk om een aparte verdringingsreeksen in deze verordening op te nemen. Daarbij wordt in de verdringingsreeks voor het Twentekanalengebied een watervraag is opgenomen voor doorspoeling van stedelijk water in geval van (de kans op) acuut risico voor de volksgezondheid. Deze watervraag is in de verdringingsreeks voor Noord-Nederland niet nader gespecificeerd. Deze uitzondering is aanleiding om de verdringingsreeks voor Twentekanalen/Overijsselse Vecht in een apart artikel te regelen (artikel 5.22 (regionale verdringingsreeks onttrekking Twentekanalen/Overijsselse Vecht).

Artikel 2.42 van de Omgevingswet legt de landelijke verdringingsreeks vast. De landelijke verdringingsreeks bepaalt hoe het beschikbare water in de door het Rijk beheerde wateren wordt verdeeld in tijden van watertekort. De reeks is van toepassing in alle rijkswateren. Daarnaast is er een groot aantal gebieden waar het oppervlaktewater niet door het Rijk beheerd wordt. In de landelijke verdringingsreeks zijn de 'watergebruikers' ingedeeld in 4 categorieën. De categorieën 1 (veiligheid en voorkomen onomkeerbare schade aan waterkeringen, onomkeerbare klink en zetting en onomkeerbare schade aan natuur) en 2 (drinkwatervoorziening en energievoorziening) en de prioriteitsvolgorde daarbinnen zijn door het Rijk vastgesteld. Er is geen ruimte voor regionale invulling. Binnen de categorieën 3 en 4 is er wel ruimte voor een regionale prioritering op basis van minimalisatie van de economische en maatschappelijke schade. Op 16 februari 2022 heeft de provincie Overijssel de Bestuursovereenkomst Waterverdeling regio IJsselmeergebied ondertekend. In deze bestuursovereenkomst is afgesproken dat de provincies Groningen, Drenthe, Friesland, Flevoland, Noord-Holland en Overijssel een uniforme verdringingsreeks zullen hanteren.

Daardoor wordt verzekerd dat tijdens een (dreigend) watertekort op eenduidige wijze afspraken gelden en communicatie over de waterverdeling volgens de laatste inzichten plaatsvindt. In de Bestuursovereenkomst is de volgende verdringingsreeks afgesproken voor de categorieën 3 en 4:

Categorie 1 het waarborgen van de veiligheid tegen overstroming en het voorkomen van onomkeerbare schade Subcategorieën van 1 1.1 de stabiliteit van waterkeringen

Categorie 2 nutsvoorzieningen

Categorie 3 kleinschalig hoogwaardig gebruik

Subcategorieën van 2 2.1 drinkwatervoorzien ing

Subcategorieën van 3 3.1 gebruik industrieel proceswater

60

Categorie 4 overige belangen (economische afweging, ook voor natuur) Subcategorieën van 4 4.1 peilhandhaving

1.2 het voorkomen van klink en zettingen

(leveringszekerheid ) 2.2 energievoorziening (leveringszekerheid )

3.2 Tijdelijke beregening kapitaalintensieve gewassen

1.3 natuur, voorzover het gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade

4.2 doorspoelen en onttrekking voor beregening van akkerbouw 4.3 beregening van gras/maïs 4.4 doorspoelen 4.5 overige belangen

gaat voor 2 ->

gaat voor 3 ->

gaat voor 4 ->

Deze aanpassingen in de rangorde van functies bij de verdeling van water in geval van schaarste zijn vertaald in de tekst van artikel 5.21 van de Omgevingsverordening Overijssel 2024 over de verdringingsreeks IJsselmeer. Gedeputeerde Staten hebben op 28 januari 2025 ingestemd met het geactualiseerde Waterakkoord Twentekanalen-Overijsselse Vecht. Het waterakkoord Twentekanalen-Overijsselse Vecht 2025 bevat afspraken tussen Rijkswaterstaat, provincies Overijssel en Drenthe en waterschappen Vechtstromen, Drents Overijsselse Delta en Rijn en IJssel over de wateraanvoer vanuit de IJssel, via sluis Eefde en de Twentekanalen richting Overijssel en delen van Drenthe. Op die manier wordt een deel van Overijssel en Drenthe van oppervlaktewater voorzien. In het geactualiseerde Waterakkoord Twentekanalen/Overijsselse Vecht is afgesproken dat de regionale verdringingsreeks van de Twentekanalen zodanig wordt geformuleerd dat deze aansluit bij andere zoetwaterregio’s, zoals Noord-Nederland. In de geactualiseerde regionale verdringingsreeks valt de watervraag voor ‘tijdelijke beregening kapitaalintensieve gewassen’ onder categorie 3 van de regionale verdringingsreeks. Voorbeelden van dit type gewassen zijn o.a. bomenteelt, bloembollen- en bloementeelt.

Dit betekent dat de watervraag van deze gewassen een hogere prioriteit kan krijgen bij watertekorten ten opzichte van de watervraag van functies in categorie 4 (zoals bijvoorbeeld grasland en akkerbouw, scheepvaart, niet-kwetsbare natuur, doorspoeling stedelijk gebied). Dit houdt concreet in dat - om economische en maatschappelijke schade van droogte bij kapitaalintensieve gewassen te kunnen verminderen - in categorie 3 van de regionale verdringingsreeks een reservering is opgenomen. Deze reservering mag iedere waterbeheerder inzetten onder een aantal voorwaarden, onder andere wat betreft de maximale watervraag voor deze gewassen. In de praktijk zal de watervraag voor dit soort gewassen in Twente en zuid-Drenthe zeer beperkt zijn. De hoeveelheid kapitaalintensieve gewassen in dit deel van het land is namelijk beduidend kleiner is dan die in Noord-Nederland.

61

Aanpassing Omgevingsverordening -aanvulling toelichting paragraaf 4.11.2 windenergie Waarom? Op basis van de Elektriciteitswet zijn Gedeputeerde Staten in ieder geval bevoegd gezag voor de vergunningverlening van windparken met een capaciteit tussen 5 en 100 MW. In de nieuwe Energiewet die op 1 januari 2026 in werking treedt wordt de ondergrens opgehoogd. Reden daarvoor is dat de nieuwe type windturbines een groter vermogen hebben dan oudere types en de gemeente daardoor nooit meer bevoegd gezag zou kunnen zijn voor een klein windpark. In de Energiewet wordt geregeld dat Gedeputeerde Staten in ieder geval bevoegd gezag zijn voor windparken van 15 tot 100 MW. Dat wil niet zeggen dat de provincie niets meer mag zeggen over kleinere windparken. Wel moet dan - gelet op het subsidiariteitsbeginsel in de Omgevingswet – gemotiveerd worden dat er sprake is van provinciaal belang en dat het doeltreffend en doelmatig is dat de provincie daarop stuurt. Inmiddels zijn programmeringsafspraken gemaakt die terug te vinden zijn in sectie 3.2 van het Provinciaal Programma Energiestrategie. Strekking aanpassing: De toelichting op paragraaf 4.11.2 wordt aangevuld met tekst waarin wordt ingegaan op de nieuwe Energiewet. Ook wordt gemotiveerd waarom het noodzakelijk is dat de provincie ook onder de Energiewet kan sturen op kleinere windparken.

In de toelichting op artikel 4.108c (programmeringsafspraken windenergie) maken we duidelijk dat de geldende progammeringsafspraken te vinden zijn in het Provinciaal Programma Energiestrategie (PPE).

Tekstvoorstel: Paragraaf 4.11.2 Windenergie Provinciaal belang In de Omgevingsvisie is de provinciale ambitie vastgelegd van een betrouwbare, duurzame en betaalbare energievoorziening met beperking van uitstoot van broeikasgassen. Daarbij zet de provincie in op een transitie waarin aan de ene kant bespaard wordt op energie door het terugdringen van het energieverbruik en het efficiënter gebruik van energie. Aan de andere kant zal er in de opwekking van energie een omslag gemaakt moeten worden van afhankelijkheid van fossiele brandstoffen naar het steeds verder vergroten van het aandeel hernieuwbare energie in de energievoorziening (energie uit bronnen als de zon, wind, biomassa en ondergrond). Overijssel wil bijdragen aan een klimaatneutraal Nederland in 2050. In West-Overijssel is in de Regionale Energie Strategie (RES) de ambitie geformuleerd om 1,794 TWh aan duurzame energie op te wekken in 2030. Het RES-gebied Twente heeft als ambitie om 1,5 TWh duurzame elektriciteit duurzaam op te wekken in 2030. Om die ambitie te kunnen realiseren (3,3 TWh duurzame energie in 2030, waarvan 2 TWh duurzame energie door wind op land) zal er ruimte gemaakt moeten worden voor wind- en zonne-energie, naast de inzet op energiebesparing en het verbeteren van systeemefficiëntie.

62

Bij het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie geldt voor windenergie dat de provincie in ieder geval de bestuurlijke afspraken met het Rijk over het realiseren van windenergie op land wil nakomen. Op grond van artikel 6.2 van de nieuwe Energiewet is de provincie in ieder geval bevoegd gezag voor de aanleg of uitbreiding windparken met een capaciteit van ten minste 15 MW maar minder dan 100 MW, met inbegrip van de aansluiting van dat windpark op een systeem. De ondergrens voor windparken waarvoor de provincie in ieder geval bevoegd is wordt daarmee ten opzichte van wat in de Elektriciteitswet was geregeld opgehoogd. Reden daarvoor is dat nieuwe types windturbines inmiddels een groter vermogen hebben dan oudere types. Voor windparken met een capaciteit van minder dan 15 MW geldt dat de provincie daarvoor ook het bevoegd gezag kan zijn als wordt voldaan aan het subsidiariteitsbeginsel (artikel 2.3 Omgevingswet). In dat kader merken we op dat het realiseren van het windbeleid zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie en uitgewerkt in het Provinciaal Programma Energiestrategie (PPE), van provinciaal belang is.

Voor de ambities die daarin zijn benoemd en de evenwichtige spreiding van de opwek van windenergie over de provincie, is het nodig dat de provincie op basis van de programmeringsafspraken en de daaraan gekoppelde verdeling van schaarse rechten kan sturen op de tijdige realisatie van windturbines op geschikte plekken in de provincie. Als gemeenten conform de programmeringsafspraken en op basis van dezelfde criteria als de provincie hanteert voor de verdeling van schaarse rechten, medewerking verlenen aan windturbineparken van minder dan 15 MW, dan is er voor de provincie geen aanleiding om gebruik te maken van de ruimte die artikel 2.3 Omgevingswet biedt om daarvoor provinciale bevoegdheden in te zetten. In die gevallen is het doelmatiger en doeltreffender dat de gemeente daarvoor vergunning verleend. … Artikel 4.108c (programmeringsafspraken windenergie) We gaan maken programmeringsafspraken maken met gemeenten waarin we vastleggen hoeveel windturbines er per gemeente gerealiseerd gaan worden om te voldoen aan de afspraken die gemaakt zijn in het kader van de Regionale Energiestrategie. Daarmee zorgen we voor een evenwichtige spreiding van de opgave voor windenergie over de provincie Doel daarvan is de openheid en kwaliteit van het landschap te waarborgen.

In het Provinciaal Programma Energiestrategie is vastgelegd hoe Hoe we de programmeringsafspraken gaan maken en welke inhoud de afspraken hebben. krijgen, werken we verder uit in het Provinciaal Programma Energiestrategie. De geldende programmeringsafspraken staan in sectie 3.2 van het Provinciaal Programma Energiestrategie.

63

Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel aanpassing kaart overstroombaar gebied Waarom? Op de kaart met overstroombare gebieden staan nog enkele gebieden waarvoor het waterschap in 2018 na het afwaarderen van enkele regionale keringen verantwoordelijk is geworden voor de normering van de waterkeringen. Basis voor de aanpassing is het GS-besluit 15 april 2025, kenmerk 2025-003597. Strekking van de aanpassing We passen de kaart met overstroombare gebieden aan. De binnendijkse gebieden langs de Bovenstroomse Vecht en het Kanaal Almelo-De Haandrik worden van de kaart gehaald. Aanpassing kaart: De binnendijkse gebieden langs de Bovenstroomse Vecht en het Kanaal Almelo-De Haandrik worden van de kaart gehaald.

64

Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel artikel 3.132 (aanvulling vergunningsplichtige ontgrondingsactiviteiten) Waarom? In de Omgevingsverordening vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet waren functionele ontgrondingen in opdracht van Rijkswaterstaat en provincie vrijgesteld. Met de beleidsarme omzetting van de Omgevingsverordening is dit niet correct overgenomen. Strekking aanpassing In de toelichting op artikel 3.132 (aanvulling vergunningsplichtige ontgrondingsactiviteiten) staat: “Het opruimen van waterkeringen wordt aangewezen als een vergunningplichtige activiteit omdat er vaak cultuurhistorische en landschappelijke waarden bij betrokken zijn die om in concrete afweging vragen”. Uit artikel 3.133 lid 1 onder b blijkt duidelijk dat het de bedoelding is dat het aanleggen, verhogen, verzwaren of onderhouden van waterkeringen is vrijgesteld van de vergunningplicht. Aanpassing artikel 3.132 (aanvulling vergunningsplichtige ontgrondingsactiviteiten) Door het schrappen van de zinsnede ‘aanleggen, onderhouden, wijzigen of’ wordt de tekst van artikel 3.132 onder b wordt de tekst weer kloppend gemaakt. Onder b komt dan te staan: ‘het opruimen van rijkswaterstaatswerken en werken door of op last van de provincie Overijssel’.

Tekstvoorstel: Artikel 3.132 (aanvulling vergunningsplichtige ontgrondingsactiviteiten) Het verbod in artikel 5.1 van de Omgevingswet om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten bedoeld, geldt in afwijking van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving ook voor de volgende activiteiten: a. het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van een werk door of in opdracht van gemeenten of waterschappen, met inbegrip van de aanleg van waterpartijen als meer dan 10.000 m3 vaste stoffen uit één of meer waterpartijen wordt ontgraven en waarbij dieper wordt gegraven dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau; b. het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van rijkswaterstaatswerken en werken door of op last van de provincie Overijssel; c. het aanleggen, onderhouden of veranderen van een oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in art 16.7, onderdeel j, onder 2 van het Besluit activiteiten leefomgeving als: 1) het oppervlaktewaterlichaam een bodembreedte van niet meer dan 5 m; en 2) grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; d. het ontgronden voor een waterput, reservoir bassin, vijver, poel of daarmee vergelijkbare voorziening zoals bedoeld in artikel 16.7, onderdeel a, onder 2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als er meer dan 500 m3 vaste stof wordt ontgraven; e.

het aanleggen of wijzigen van gronddepots zoals bedoeld in art 16.7, onderdeel k onder 1, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als de grond meer dan 5 jaar voor de voorgenomen ontgrondingsactiviteit is neergelegd.

65

Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel indieningsvereisten meldingen ontgrondingen Waarom? In de Omgevingsverordening die gold tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet, was geregeld dat in alle gevallen waar bij een vrijgestelde ontgronding méér dan 10.000 m³ grondspecie werd ontgraven, dit bij de provincie moest worden gemeld (artikel 3.3.2.2, lid 1). Hierbij werd verwezen naar het e-formulier dat op de provinciale website ter beschikking werd gesteld (Melding van vergunning vrijgestelde ontgronding). Door indieningseisen op te nemen in dit formulier kunnen we controleren of de initiatiefnemer terecht geconstateerd heeft dat er een vrijstelling geldt voor de betreffende activiteit en geen vergunningplicht. Strekking aanpassing Artikel 3.134 van de huidige Omgevingsverordening regelt het gebruik van het elektronische formulier dat op de datum van indiening van de aanvraag beschikbaar is via de landelijke voorziening. Met de toevoeging van het derde lid aan artikel 3.134 worden weer dezelfde indieningsvereisten aan de melding verbonden zoals die ook golden tot in werking treden van de Omgevingswet. Door specifieke eisen aan het indienen van de melding te stellen, kan beoordeeld worden of de melding op de juiste gronden is ingediend.

Tekstvoorstel: Aan artikel 3.134 (meldingsplicht vrijgestelde ontgrondingsactiviteiten) wordt een derde lid toegevoegd: Artikel 3.134 (meldingsplicht vrijgestelde ontgrondingsactiviteiten) 1. Het is verboden om zonder voorafgaande melding een ontgrondingsactiviteit bedoeld in artikel 16.7 en artikel 16.8 van het Besluit activiteiten leefomgeving en als bedoeld in het artikel 3.133 van deze verordening, te verrichten als daarbij meer dan 10.000 m3 wordt ontgraven. 2. De melding wordt uiterlijk twee weken voor het begin van de ontgrondingsactiviteit langs elektronische weg bij Gedeputeerde Staten gedaan met gebruikmaking van het elektronische formulier dat op de datum van indiening van de aanvraag beschikbaar is via de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 20.21 van de Omgevingswet. 3. Bij een melding van een, van vergunning vrijgestelde, ontgrondingsactiviteit, als bedoeld in art 3.134 lid 1, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. Een gewaarmerkte tekening met kadastrale aanduiding, waarop de ligging van het te ontgronden terrein is aangegeven. b. Een situatiekaart waarop de ligging van het te ontgronden terrein is aangegeven (schaal 1:10.000 of 1:25.000). Ook moet u op deze situatiekaart de locatie van een eventueel aan te leggen depot aangeven. c. Een exemplaar van de betrokken bestektekening inclusief dwarsprofielen. d.

Een plankaart bestemmingsplan (indien van toepassing). e. Een MER of notitie mer-beoordeling f. Een ondertekende machtiging als u dit formulier invult als gemachtigde. g. Straatnaam en huisnummer, postcode en plaats h. Kadastrale gegevens i. Begindatum en einddatum uitvoering werk

66

j.

Maximale diepte ontgronding beneden de oorspronkelijke ligging van de (water) bodem (m) k. Oppervlakte die ten hoogste wordt ontgrond (m2) l. Totale hoeveelheid te ontgraven grondspecie (vast - m3 gemeten in profiel) m. Totaal af te voeren hoeveelheid (vast - m3 gemeten in profiel) n. Omschrijving van het werk (vooral de doelstelling van het werk) o. Welke soorten oppervlaktedelfstoffen komen vrij uit het werk en worden afgevoerd (gemeten in profiel)? (selecteer het aantal) p. Verwacht u dat alle hierboven aangegeven oppervlaktedelfstoffen in het lopende kalenderjaar op de markt komen?

67

Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel correctie instructieregel bodemsaneringen in grondwaterbeschermingsgebieden Waarom? Er staat een verkeerde verwijzing in artikel 4.116 (toepassingsbereik paragraaf aanpak bodemverontreiniging). Strekking van de aanpassing: De verwijzing in artikel 4.116 (toepassingsbereik paragraaf aanpak bodemverontreiniging) naar paragraaf 5.1.4.5.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), wordt gewijzigd in een verwijzing naar paragraaf 5.1.4.5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Tekstvoorstel: Artikel 4.116 (toepassingsbereik paragraaf aanpak bodemverontreiniging) 1. Deze paragraaf geeft instructieregels voor gemeenten over activiteiten met mogelijke risico's voor de kwaliteit van het grondwater en in het bijzonder voor de kwaliteit van het grondwater in of nabij waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones, zoals: a. graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als bedoeld in paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. saneren van de bodem, als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, als bedoeld in paragraaf 5.1.4.5.1 van het Besluit activiteiten kwaliteit leefomgeving. 2. Deze instructieregels zijn alleen van toepassing voor activiteiten waarvoor op grond van artikel 5.2.2.

van het Besluit activiteiten leefomgeving een voorafgaand bodemonderzoek moet worden verricht.

68

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=c2487e05-5b96-49d7-9c83-818617c6f655