1.a Ontwerp provinciale verordening
Tekst van het document
Tekstwijzigingen: Afdeling 4.4 STUREN OP WATER EN BODEM Artikel 4.13 (klimaatrobuust water- en bodemsysteem) 1.
2.
3.
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. In de onderbouwing bedoeld in het eerste lid wordt bij een ontwikkeling in het landelijk gebied in ieder geval duidelijk gemaakt hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is. Voor de toepassing van lid 2 worden de volgende gebieden aangewezen als regionaal perspectief water en bodem: a. zandgronden; b. IJssel, Vecht en Delta; c. veenweidegebieden; d. bebouwd gebied.
26
Toelichting Artikel 4.13 (klimaatrobuust water- en bodemsysteem) Provinciale ambitie De ambitie van de provincie is dat regionale watersystemen klimaatbestendig en veilig zijn, voldoende en goed (drink) water bieden voor verschillende functies en waarbinnen het grond- en oppervlaktewater van goede ecologische en chemische kwaliteit is. Ook zet de provincie in op het behoud en herstel van bodemkwaliteit, zodat ook het bodemsysteem de veranderingen kan opvangen die optreden door de opwarming van de aarde en verandering van het klimaat. Een klimaatrobuust water- en bodemsysteem is een veerkrachtig, regionaal systeem van grondwater, oppervlaktewater en bodem dat gebruiksfuncties in staat stelt om beter mee te bewegen met de effecten van klimaatverandering. Daarin zijn de seizoenseffecten van droogte en natte perioden meer in balans, houden gebruiksfuncties rekening met natuurlijke omstandigheden zoals reliëf en bodemopbouw en is er ruimte om extreme weersomstandigheden op te vangen. In plaats van het water- en bodemsysteem met technische ingrepen steeds weer aan te passen aan de functiewensen en effecten van klimaatverandering, kiest de provincie voor het uitgangspunt dat het wateren bodemsysteem sturend is voor het landgebruik. Functies voegen zich daarbij naar het peil of waterbeschikbaarheid.
Een robuust water- en bodemsysteem is essentieel voor het toekomstige functioneren van stad en land. Behoud en herstel is nodig om te anticiperen op effecten van klimaatverandering en is een essentiële voorwaarde en een kans voor versterking van natuur, landbouw, waterkwaliteit en beperking van broeikasgasemissies. Onderzoeksverplichting Voor de leefbaarheid van Overijssel in de toekomst is het noodzakelijk dat het natuurlijke systeem - meer dan nu - leidend is voor ontwikkelingen. Daarom wil de provincie dat er bij nieuwe ontwikkelingen wordt onderzocht of die passen bij een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Vastgelegd moet worden hoe de ontwikkeling gaat bijdragen aan het behoud en het versterken van dat systeem. In de toelichting op het omgevingsplan wordt hiervoor een onderbouwing geleverd. Nieuwe ontwikkelingen zijn ontwikkelingen waarvoor het geldende omgevingsplan moet worden gewijzigd. Als een gebied geherstructureerd wordt, biedt dat de kans om de nieuwe ontwikkelingen in het bestaande bebouwde gebied zo vorm te geven dat die bijdragen aan een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Regionale perspectieven water en bodem Overijssel kent in het landelijk gebied vier verschillende gebieden op basis van het aanwezige water- en bodemsysteem (zie kaart) met elk een eigen regionaal perspectief voor water en bodem voor de (middel)lange termijn (2030-2050).
Ontwikkelingen in het landelijke gebied moeten bijdragen aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is. Zandgronden: op langere termijn speelt bij de zandgronden de onzekerheid dat wateraanvoer in gebieden waar dit nu nog mogelijk is, in de toekomst niet meer gegarandeerd is. Op De hogere zandgronden zonder de mogelijkheid van externe wateraanvoer is: het perspectief is gericht op een vergroting van de watervoorraad in het voorjaar zodat grondwater langer beschikbaar blijft. Dit kan bereikt worden door een tragere waterafvoer, hogere grondwaterstanden en een vergrootte sponswerking van de bodem (water vasthouden). Daarnaast kunnen grotere beekdalen en overstromingsvlakten de
27
piekbuien beter verwerken en vermindert wateroverlast lager in het systeem. Met deze maatregelen zal de concurrentie om water in het voorjaar en de zomer afnemen, omdat de grondwatervoorraad langer op peil blijft. Op zZandgronden met de mogelijkheid voor wateraanvoer: hier is het perspectief gericht op het opvangen van de gevolgen van extreme neerslag en tijdelijke tekorten. Het watersysteem kan piekbuien beter verwerken waardoor wateroverlast en hinder lager in het systeem beperkt blijft. Zorgvuldig beheer van de (grond)watervoorraad moet ervoor zorgen dat ook bij droogte voldoende water beschikbaar blijft voor de aanwezige functies. Bij het wegzakken van het (grond) waterpeil zal, zolang er voldoende oppervlaktewater is, aanvulling plaats vinden vanuit de IJssel en het IJsselmeer. Dit gebiedsvreemde water is voor een aantal gebruiksfuncties van onvoldoende kwaliteit. Omdat wateraanvoer van buiten het gebied steeds vaker niet mogelijk zal zijn, is het lange termijnperspectief gericht op het onafhankelijk worden van de aanvoer. De IJssel, Vecht en Delta: het perspectief voor de IJssel en Delta is een klimaatrobuust watersysteem met hoge ecologische kwaliteit dat extremen kan opvangen door (internationaal) integraal riviermanagement en hoogwaterbeschermingsmaatregelen.
Het perspectief voor de Vecht is een klimaatrobuuste halfnatuurlijke laaglandrivier van hoge ecologische kwaliteit, voldoende afvoer jaarrond en afvlakking van extremen door integraal riviermanagement van bron tot monding. De Veenweidegebieden: hier is het perspectief gericht op het beperken van de bodemdaling en minimalisering van broeikasgasemissies. Dat kan door waterstanden te verhogen waarbij de gebruiksfunctie het peil volgt. Zo draagt dit perspectief ook bij aan klimaatadaptatie en -mitigatie. Wij zoeken in gebiedsprocessen naar passende maatregelen waarbij oog is voor perspectief voor de landbouw, de leefbaarheid van het platteland en het economische perspectief van het hele gebied. Bebouwd gebied: hier is het perspectief gericht op het niet verder vergroten en tegengaan van de klimaatopgave. We vragen bij locatiekeuzes voor nieuwe verstedelijking rekening te houden met de bodem en de plek in het watersysteem en kwetsbare plekken te mijden. We willen voorkomen dat - als er op kwetsbare plekken gebouwd wordt - problemen in kosten, tijd en locatie worden afgewenteld. Voor bestaande bebouwing en infrastructuur vragen we gemeenten en initiatiefnemers om bij renovatie of herbouw van bestaande bebouwing en infrastructuur op kwetsbare plekken het ontwerp te heroverwegen.
Samen met gemeenten en waterschappen, werken we de regionale perspectieven voor bodem en water verder uit en maken we inzichtelijk hoe deze perspectieven richting gaan geven aan ruimtelijke ontwikkelingen. Weging waterbelang Het is een wettelijke verplichting van de gemeente om het waterschap om advies te vragen voor de weging van het waterbelang (paragraaf 5.1.3 Besluit kwaliteit leefomgeving). We vinden het belangrijk dat gemeenten het waterschap zo vroeg mogelijk in het planproces betrekken bij nieuwe ontwikkelingen. Het waterschap beschikt over veel kennis van het regionale water- en bodemsysteem. Voor een goede afweging van alle betrokken belangen in het kader van evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is een brede insteek van het waterbelang nodig. Dat begint al bij de locatiekeuze, waar de vraag aan de orde gesteld moet worden of het gebied - gelet op het water- en bodemsysteem - geschikt is voor de beoogde functie. Voor de provincie weegt het advies van het waterschap zwaar bij de beoordeling of is voldaan aan de instructieregel sturen op water en bodem.
28
Paragraaf 4.5.3 Werklocaties (bedrijventerreinen en kantorenlocaties) Waarom? In de tekst van de nieuwe Omgevingsvisie staat dat we sturend willen zijn specifiek op behoud van HMC (hogere milieu categorie 3, 4 ,5) bedrijventerreinen en watergebonden kavels. Ook het rijk spreekt deze urgentie uit en zoekt naar adequaat beleid via de Ruimtelijk economische visie en de Nota Ruimte. Het besef bij rijk, provincies en gemeenten is met name gevoed door oproep van ondernemers, VNO-NCW, MKB-Nederland en de Ports van Twente, Deventer en Zwolle om als overheden hierop beleid in te richten. Met de bewoordingen in de visie van ‘sturing op HMC en watergebondenheid van kavels’ spreekt de provincie de ambitie uit, maar in de uitvoering moet het zijn beslag krijgen. In de programmeringsafspraken vangen we deze aspecten niet geheel op omdat die vooral gericht zijn op nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein. Om te zorgen dat gemeenten deze sturing verankeren hun omgevingsplan worden in de Omgevingsverordening twee nieuwe instructieregels opgenomen. Daarmee wordt sturing gegeven op de ambities in de Omgevingsvisie voor bedrijventerreinen met hogere milieucategorieën en watergebonden bedrijventerreinen.
Strekking inhoud: De instructieregel voor bedrijventerreinen waar op grond van het geldende omgevingsplan activiteiten in milieucategorie 3, 4 en 5 zijn toegestaan, verplicht gemeenten om de milieugebruiksruimte die nu geregeld is, te handhaven. Er komt bij deze instructieregel geen kaart: bepalend is wat er in het omgevingsplan nu al is geregeld voor zwaardere bedrijvigheid. Het eerste lid is vrij absoluut geformuleerd. Om te voorkomen dat ook gewenste transities op of in de nabijheid van dit type bedrijventerreinen door het verbod op inperking van milieugebruiksruimte worden getroffen, is in lid 2 de mogelijkheid om af te wijken ingebouwd. De instructieregel voor watergebonden bedrijventerreinen verplicht gemeenten om in hun omgevingsplan te regelen dat zich hier alleen watergebonden bedrijven kunnen vestigen. De bedrijventerreinen waarvoor deze instructieregel gaat gelden, worden in de Omgevingsverordening aangewezen en op kaart gezet. Deze instructieregel geldt niet alleen voor nieuw te ontwikkelen watergebonden bedrijventerreinen, maar ook voor bestaande bedrijventerreinen die ontwikkeld zijn voor watergebonden bedrijvigheid. Daar kunnen op dit moment bedrijven gevestigd zijn die niets doen met gebruik van of vervoer over water. De opdracht aan de gemeente is om binnen de aangewezen gebieden niet-watergebonden bedrijven in het omgevingsplan ‘specifiek te bestemmen’.
Wanneer deze zittende bedrijven op deze locatie stoppen, moeten hun opvolgers wel weer watergebonden zijn. Deze constructie moet ervoor zorgen dat aangewezen watergebonden bedrijventerreinen op termijn weer beschikbaar komt voor bedrijven die wel gebruik maken van het water of afhankelijk zijn van vervoer over water. Tekstwijzigingen: Artikel 4.26a (bedrijventerreinen en milieuzonering) 1. Omgevingsplannen die betrekking hebben op bedrijventerreinen waarop activiteiten zijn toegestaan in milieucategorie 3, 4 en 5 als bedoeld in de VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering, moeten blijven voorzien in regels voor deze locaties en voor de omgeving van deze
29
locaties die gericht zijn op het handhaven van de bestaande milieugebruiksruimte voor activiteiten in deze milieucategorieën. 2. In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan nieuwe ontwikkelingen toelaten die de aanwezige milieugebruiksruimte kunnen aantasten als die van groot openbaar en bovenlokaal belang zijn en mits aannemelijk gemaakt is dat daarvoor geen reële alternatieven zijn. Toelichting artikel 4.26a (bedrijventerreinen en milieuzonering) Provinciaal belang In Overijssel is het aanbod van bedrijventerrein waarop activiteiten in de hogere milieucategorieën zijn toegestaan relatief beperkt. Dit aanbod staat onder druk door transformatie en herstructurering. Door het toevoegen van milieugevoelige functies op of in de nabijheid van bedrijventerrein waar tot dan activiteiten waren toegestaan in de hogere milieucategorieën, wordt de milieugebruiksruimte voor dit type bedrijvigheid steeds verder ingeperkt. De ontwikkeling van nieuw bedrijventerrein voor bedrijvigheid in de hogere milieucategorieën is een complexe opgave. Een vervangende locatie voor een bestaand bedrijventerrein in de hogere milieucategorieën dat getransformeerd wordt ten behoeve van andere stedelijke functies, is daardoor niet eenvoudig te realiseren.
Het is daarom belangrijk om zuinig te zijn op bestaande bedrijventerreinen die in de behoefte kunnen voorzien aan locaties waar hogere milieucategorieën zijn toegestaan. Een van de redenen waarom we sturen op behoud van bestaande bedrijventerreinen met hogere milieucategorieën (3, 4, 5) is dat we dit type bedrijventerrein nodig hebben voor de transitie naar een circulaire economie en de energietransitie. Het past bij het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik dat we inzetten op het behoud van het bestaande areaal aan werklocaties en van de geldende milieucategorieën. Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik betekent dat bij vraag naar bedrijventerrein dat geschikt is voor hogere milieucategorieën, altijd eerst gekeken wordt naar mogelijkheden om bestaand bedrijventerrein daarvoor te benutten, bijvoorbeeld door herstructurering. Het blijft bij het toepassen van het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik overigens mogelijk om het bestaand bebouwd gebied uit te breiden met nieuw bedrijventerrein, als inbreiding in redelijkheid niet mogelijk is. Milieuzonering Het onderscheid in lagere en hogere milieucategorieën is gebaseerd op de VNG-handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ (2024). Die handreiking vervangt de eerdere VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009.
De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van milieuhinderlijke activiteiten onder de Omgevingswet. Het basisprincipe is nog steeds functiescheiding (waar nodig) en inwaartse zonering ten opzichte van milieugevoelige functies. In de nieuwe handreiking wordt gewerkt met zones met oplopende beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit. Handhaven aanwezige milieugebruiksruimte op bedrijventerreinen De instructieregel bedrijventerreinen en milieuzonering verplicht gemeenten om de bestaande ruimte op bedrijventerreinen voor bedrijfsactiviteiten in de hogere milieucategorieën in principe te handhaven. Inperking van de bestaande milieugebruiksruimte op dit type bedrijventerrein is alleen toegestaan als zich op of in de nabijheid van het bedrijventerrein nieuwe ontwikkelingen aandienen die van groot openbaar en bovenlokaal belang zijn en waarvoor aannemelijk gemaakt is dat daarvoor geen reële alternatieven zijn. Dit is geformuleerd als een afwijkingsmogelijkheid onder voorwaarden en voorkomt dat ook gewenste
30
transities op of in de nabijheid van dit type bedrijventerreinen getroffen worden door het verbod op inperking van milieugebruiksruimte in lid 1. Daarbij tekenen we aan dat woningbouwlocaties en nieuwe bedrijventerreinen die bedoeld zijn voor lokale behoefte van bovenlokaal belang kunnen zijn, vanwege de bijdrage die deze locaties conform de programmeringsafspraken leveren aan het aanbod voor de regio. In dat geval kan dus ook een beroep gedaan op de uitzonderingsmogelijkheid in het tweede lid.
Artikel 4.26b (aanwijzing watergebonden bedrijventerreinen) 1. Als watergebonden bedrijventerreinen zijn de volgende gebieden in Overijssel aangewezen en als zodanig geometrisch begrensd: a. Almelo: Haven Almelo, Haven Businesspark XL-1 b. Deventer: Bergweide 4 c. Enschede: Haven Enschede d. Hardenberg: Bruchterweg-Nieuwe Haven e. Hengelo: Haven Hengelo Twentekanaal f. Hof van Twente: Havens Delden, Goor, Markelo g. Kampen: Haatlandhaven, Zuiderzeehaven h. Zwartewaterland: terminal Hasselt, Industriehaven Genemuiden, Zwartsluis/Kranerweerd i. Zwolle: Voorst (Katwolderhaven, Scaniahaven, Katwolderhaven, (olie)terminals Katwolderweg) 2.
Artikel 4.26c (instructieregel watergebonden bedrijventerreinen)
1. Omgevingsplannen die betrekking hebben op watergebonden bedrijventerreinen laten in deze gebieden uitsluitend bedrijvigheid toe die gebruik maakt van vervoer over water of anderszins afhankelijk is van de toegang tot oppervlaktewater. 2. In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan bedrijvigheid toelaten die geen gebruik maakt van (vervoer over) water voor zover het gaat om bedrijven die daar al gevestigd zijn. Toelichting artikel 4.26b en 4.26c (watergebonden bedrijventerreinen) Provinciaal belang We zien met name in onze binnenhavens kansen voor de transitie naar een circulaire economie. De toenemende vraag naar havengebruik, op- en overslag via water, vraagt sturing op huisvesting van watergebonden bedrijvigheid en een efficiënt gebruik van kadefaciliteiten in binnenhavens. We gaan zuinig om met de voorraad van watergebonden kavels door deze te behouden voor watergebonden bedrijven die daadwerkelijk gebruik maken van de kadefaciliteiten of anderszins afhankelijk zijn van de toegang tot oppervlaktewater. Kadefaciliteiten Locaties met geschikte kadefaciliteiten voor de industrie zijn schaars en het ontwikkelen van dit soort bedrijventerreinen is zowel lastig als kostbaar. Daarom is het belangrijk om de beschikbare ruimte in binnenhavens en kavels aan het water te behouden, te reserveren en optimaal te benutten voor watergebonden bedrijvigheid.
In de gemiddelde binnenhaven wordt nu een groot deel van de kavels aan het water gebruikt door bedrijven die geen watergebonden activiteiten uitvoeren. Vaak zijn deze kavels wat
31
betreft ligging, vorm, omvang, milieucategorie en bereikbaarheid, uitstekend geschikt voor watergebonden bedrijfsactiviteiten. Reserveren watergebonden bedrijventerreinen voor watergebonden bedrijfsactiviteiten Met de instructieregel ‘watergebonden bedrijventerreinen’ reserveren we locaties aan vaarwater die aangewezen zijn als ‘watergebonden bedrijventerreinen’ voor bedrijvigheid die ook daadwerkelijk gebruik maakt van de gebruiksmogelijkheid die de ligging aan water biedt. Deze instructieregel geldt niet alleen voor kavels die nog moeten worden uitgegeven, maar ook voor kavels die op dit moment in gebruik zijn bij bedrijven die geen watergebonden activiteiten uitvoeren. Voor die bedrijven geldt dat gemeenten in het omgevingsplan kunnen regelen dat op die locatie hun bedrijfsactiviteiten mogen blijven uitoefenen. Dit is geregeld in de afwijkingsmogelijkheid in lid 2 van de instructieregel. De regeling in het gemeentelijk omgevingsplan moet zo worden ingericht dat wanneer de niet-watergebonden bedrijvigheid op die locatie eindigt, het volgende bedrijf dat zich daar vestigt wel een watergebonden bedrijf moet zijn.
32
Aanpassing Omgevingsverordening – stedelijke centra Waarom? In de nieuwe Omgevingsvisie wordt het begrip ‘stedelijke centra’ niet meer gebruikt. Dit begrip wordt op dit moment onder andere gebruikt in de instructieregel voor grootschalige detailhandel op perifere locaties. Inhoudelijk wijzigt het beleid voor grootschalige detailhandel op perifere locaties niet. Strekking aanpassing: Voor de instructieregel voor grootschalige detailhandel op perifere locaties schrappen we het begrip ‘stedelijke centra’ en benoemen we dat deze regel geldt voor de kernen Almelo, Borne, Deventer, Enschede, Hengelo, Kampen, Oldenzaal en Zwolle. Dit levert een aanpassing op van artikel 4.21 (grootschalige detailhandel op perifere locaties) en van artikel 1.1 (begripsbepalingen). Tekstwijzigingen: Artikel 4.21 (grootschalige detailhandel op perifere locaties) 1.
2.
In afwijking van Artikel 4.18, eerste lid kan in stedelijke centra de kernen Almelo, Borne, Deventer Enschede, Hengelo, Kampen, Oldenzaal en Zwolle nieuwe grootschalige detailhandel worden toegestaan op perifere locaties, alleen als: a. voor deze vorm van grootschalige detailhandel aantoonbaar geen ruimte gevonden of gemaakt kan worden binnen of direct aansluitend aan het kernwinkelgebied van de kern; en b. aangetoond is dat de vestiging niet leidt tot onevenredige aantasting van het voorzieningenniveau of de leegstand in de regio of de vitaliteit van kernwinkelgebieden of een onevenredige aantasting van het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de kernen; en c. regionale afstemming heeft plaatsgevonden met buurgemeenten en Gedeputeerde Staten. De vestiging van een grootschalige detailhandel op een locatie buiten het kernwinkelgebied als bedoeld in lid 1, wordt alleen mogelijk gemaakt met een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit waarbij afgeweken wordt van het geldende omgevingsplan (buitenplanse omgevingsplanactiviteit) op basis van een concreet verzoek.
Artikel 1.1 (begripsbepalingen) … stedelijke centra de steden Almelo, Borne, Deventer, Enschede, Hengelo, Kampen, Oldenzaal en Zwolle … Toelichting: Artikel 4.21 (grootschalige detailhandel op perifere locaties) De vestiging van nieuwe grootschalige detailhandel buiten kernwinkelgebieden moet ook in de stedelijke centra de kernen Almelo, Borne, Deventer Enschede, Hengelo, Kampen, Oldenzaal en Zwolle een uitzondering blijven. Daarom mag hiervoor niet op voorhand (zonder een concrete aanvraag) ruimte worden geboden in bestemmingsplannen. Wanneer zich een initiatief voordoet, kan daarvoor de route van een buitenplanse afwijking worden gevolgd, zoals mogelijk wordt gemaakt voor omgevingsplanactiviteiten waarvoor afgeweken wordt van het geldende omgevingsplan (artikel 5.21, lid 2 onder b Omgevingswet).
33
Met deze regeling wordt voldaan aan afspraken die met het Rijk zijn gemaakt over grootschalige detailhandel met regionale effecten, gelet op de mogelijke gevolgen die dat soort vestigingen kunnen hebben voor het voorzieningenniveau in binnensteden.
34
Aanpassing Omgevingsverordening – energiesysteem Waarom? In de Overijsselse energievisie hebben we aangegeven dat we voor een toekomstbestendig, betaalbaar, betrouwbaar, veilig, duurzaam en rechtvaardig energiesysteem inzetten op een gebalanceerde energiemix. Een eerste stap om dit te bereiken is om bij nieuwe ontwikkelingen na te denken over de impact van die ontwikkelingen op het energiesysteem, waarbij met name de belasting van het elektriciteitsnet vanwege de huidige congestieproblematiek aandacht vraagt. Dit betekent ook dat gemeenten bij omgevingsplannen die voorzien in nieuwe ontwikkelingen nadenken over de effecten op het energiesysteem. Strekking aanpassing De instructieregel stelt een motiveringseis aan gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen die een aansluiting nodig hebben op het energiesysteem. In de onderbouwing van de wijziging van het omgevingsplan moeten gemeenten laten zien hoe rekening wordt gehouden met de effecten van de nieuwe ontwikkelingen op de energiebalans op het energiesysteem. Daarbij moeten ze ook nagaan of er maatregelen mogelijk zijn waarmee negatieve effecten op de energiebalans worden voorkomen.
Tekstvoorstel
Artikel 1.1 (Begripsbepalingen): … energiesysteem de verbinding tussen vraag en aanbod (opwek en gebruik), transport en opslag van verschillende energievormen …
Afdeling 4.16 ENERGIESYSTEEM Artikel 4.125 (instructieregel energiesysteem) 1. 2.
In een omgevingsplan dat nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt waarbij sprake is van gebruik, productie of transport van energie, wordt rekening gehouden met de effecten daarvan op het energiesysteem. In de onderbouwing van het omgevingsplan bedoeld in het eerste lid, wordt gemotiveerd welke maatregelen zijn afgewogen waarmee negatieve effecten op het energiesysteem voorkomen kunnen worden.
Toelichting artikel instructieregel energiesysteem Provinciaal belang In de Overijsselse Energievisie hebben we aangegeven dat we in Overijssel kiezen voor een toekomstbestendig, betaalbaar, betrouwbaar, veilig, duurzaam en rechtvaardig energiesysteem. We willen een gevarieerde energiemix met een grotere rol voor energiebesparing, warmte, waterstof en biogas/groen gas. Met gemeenten en netbeheerders voeren we het gesprek hoe we dit kunnen bereiken. Dit doen we langs de lijnen van sneller bouwen, programmeren & prioriteren van uitbreidingen van het energiesysteem en beter benutten van het bestaande en toekomstige energiesysteem.
35
Het is van provinciaal belang dat gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen nadenken over de impact van die ontwikkelingen op het energiesysteem, waarbij met name de belasting van het elektriciteitsnet vanwege de mogelijke congestieproblematiek aandacht vraagt. Dit maakt slimme keuzes en adaptief handelen noodzakelijk. Gemeenten hebben door het toelaten van bepaalde energievragende en/of energieleverende functies in bepaalde gebieden invloed op de belasting van het energiesysteem. Voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het belangrijk dat er goed gekeken wordt naar de effecten van het toelaten van een energievragende en/of energieleverende functie op een bepaalde locatie op de ontwikkelingsmogelijkheden voor andere (maatschappelijke) functies in de (ruime) omgeving. De effecten van nieuwe ontwikkelingen met impact op het energiesysteem, kunnen gemeentegrensoverschrijdend zijn en zijn dat in veel gevallen ook. Tegelijkertijd is sprake van een gedeeld belang om het energiesysteem ook in de toekomst goed te laten functioneren. Gevolgen nieuwe ontwikkelingen Nieuwe ontwikkelingen kunnen grote effecten hebben op het energiesysteem en de mogelijkheden voor andere ontwikkelingen in de omgeving.
Daarom vragen we van gemeenten om in een vroegtijdig stadium van de planontwikkeling de mogelijke effecten op het energiesysteem goed in beeld brengen en die in de afwegingen te betrekken. We verwachten van gemeenten en initiatiefnemers dat zij goed nadenken over mogelijke maatregelen om negatieve effecten op het energiesysteem te voorkomen of te beperken. Dat kunnen alternatieve mogelijkheden zijn die minder impact hebben op he energiesysteem. Motiveringseis De regeling voorziet in een bijzondere motiveringsplicht, om te verzekeren dat aan de effecten van nieuwe ontwikkelingen op het energiesysteem in een vroegtijdig stadium van de planontwikkeling aandacht wordt geschonken. Daarbij verwachten we van gemeenten dat zij in deze motivering in ieder geval de ambities betrekken voor de ontwikkeling van het energiesysteem zoals vastgelegd in de provinciale Energievisie, waaronder in ieder geval de ambitie van een gevarieerde energiemix van warmte, waterstof, biogas en elektriciteit. De afwegingen die de gemeente maakt, worden verantwoord in de toelichting op de wijziging van het omgevingsplan. Daarvoor zou een aparte energieparagraaf kunnen worden opgenomen in de toelichting. We ontwikkelen samen met gemeenten een handreiking die de gemeenten gaat helpen om een onderbouwing te leveren waarmee zij voldoen aan de motiveringseis in dit artikel.
Overigens blijven daarnaast op nieuwe ontwikkelingen de generieke bepalingen in Afdeling 4.2 en Afdeling 4.3 (principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) van toepassing.
36
Aanpassing Omgevingsverordening – algemene toelichting 0.1 Ambitie en bestuursfilosofie van de provincie Overijssel In de Omgevingsvisie Overijssel geven we onze visie op de fysieke leefruimte in Overijssel, hoe we - samen met onze partners - vorm en kleur willen geven aan die ruimte en hoe wij als provincie ons daar de komende jaren voor inzetten. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit en gezondheid zijn daarbij de leidende principes of 'rode draden'. In de Omgevingsvisie benoemen we de onderwerpen die de provincie op dit moment tot haar belang rekent. Per thema is nader uitgewerkt wat de provinciale ambities zijn. In paragraaf 4.2 van de Omgevingsvisie zijn de provinciale ambities op hoofdlijnen samengevat. In de Omgevingsvisie hebben we het instrumentarium aangewezen waarmee wij aan de ene kant ruimte bieden aan de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel en tegelijkertijd de kwaliteit van het Overijssels landschap versterken. Instrumentarium waarmee wij als provincie onze ambities realiseren en waarmee tegelijk partners ruimte houden hun eigen doelen te realiseren. In de Omgevingsvisie Overijssel geven we onze integrale visie op de fysieke leefruimte in Overijssel. In de visie benoemen we onze ambities, doelen en het provinciale beleid zoals we die ook door middel van deze Omgevingsverordening willen vormgeven.
We beschrijven in de Omgevingsvisie hoe wij de uitvoering zien van dat beleid in de verschillende gebieden van Overijssel. In de Omgevingsvisie constateren we dat het niet gaat passen als we alle opgaven naast in elkaar in de ruimte zouden plaatsen. Daarom moeten we zuinig, zorgvuldig en meervoudig met die ruimte omgaan. Dit vraagt om het maken van keuzes, het goed inpassen van ontwikkelingen en het grijpen van kansen. We zoeken daarom naar samenhangende oplossingen en verweving van opgaven. Hierdoor kunnen opgaven elkaar versterken. In gebieden moeten alle belangen die bij een ontwikkeling betrokken zijn zorgvuldig worden afgewogen. In de Omgevingsvisie is een provinciale redeneerlijn ontwikkeld die ervoor moet zorgen dat provinciale belangen daarin op een evenwichtige wijze in de totale belangenafweging worden meegenomen. In de Omgevingsvisie worden vier leidende principes benoemd die we daarbij als uitgangspunt gebruiken: − duurzaam omgaan met ruimte en voorraden; − water- en bodem sturend; − inzetten op krachtige DSS-regio’s. − voortbouwen op onze bestaande netwerken. Naast ruimtelijke aspecten spelen in ons beleid ook sociaal-maatschappelijke en economische aspecten een rol. Die wegen we mee met behulp van de rode draden ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit, gezondheid en duurzaamheid. Ook in ons economische beleid zetten we in op het versterken van de brede welvaart.
In onze Omgevingsvisie bakenen we af wat we op grond van wettelijke taken moeten doen voor de fysieke leefomgeving in onze provincie en wat we daarnaast van provinciaal belang vinden. We sturen met ons beleid en met ons uitvoeringsinstrumentarium zoveel mogelijk op doelen, zodat er ruimte blijft voor maatwerk en gebiedseigen oplossingen. Daardoor kan flexibel worden ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen.
37
Bestuursfilosofie De provincie Overijssel streeft naar maatschappelijke resultaten die belangrijk zijn voor de bewoners van Overijssel. Daarvoor: • pakken we complexe maatschappelijke uitdagingen integraal en samen met publieke, private en maatschappelijke partners aan; • bieden we bestuurlijke partners op het meest geëigende schaalniveau ruimte om op eigen gezag te handelen; • beperken we bestuurlijke en ambtelijke drukte door eenvoudige en heldere regels.
0.1.1 Instrumentenkoffer De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Deze instrumenten volgen uit de drie 'productielijnen' van de provincie: visie, waarborg en realisatie. De productielijn 'visie' omvat instrumenten als de Omgevingsvisie Overijssel en het verwerven en delen van kennis. De productielijn 'realisatie' omvat instrumenten als (prestatie)afspraken, gebiedsontwikkelingen uitvoeringsprojecten (inclusief inpassingsplan) en subsidies en fondsen. De verordening is één van de instrumenten uit de productielijn 'waarborg'. Hieronder vallen ook toezicht en handhaving en instrumenten als zienswijze, bezwaar en aanwijzing. Het gaat daarbij allereerst om beleidsinstrumenten zoals de Omgevingsvisie en de verplichte en vrijwillige programma’s op basis van de Omgevingswet. Ook het (gezamenlijk) kennis verwerven en delen beschouwen we als beleidsinstrument. Daarnaast beschikken we over uitvoeringsgerichte instrumenten zoals gebiedsontwikkelingen, (prestatie)afspraken, uitvoeringsprojecten (al dan niet inclusief een projectbesluit) en subsidies en fondsen. De Omgevingsverordening is een instrument waarmee de juridische doorwerking van beleid verzekerd kan worden. Het borgen van beleid doen we verder met toezicht en handhaving en instrumenten als zienswijze, het instellen van beroep en het nemen van instructiebesluiten.
Bij de inzet van instrumenten streven we naar toepassing van de meest optimale mix, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten bepalen we aan de hand van drie criteria die de hoofdlijnen vormen van onze bestuursfilosofie: De keuze voor inzet van deze instrumenten bepalen we aan de hand van deze drie criteria: • realisatie door partnerschap en positie bewoners: met welk participatievorm kunnen we maatschappelijke opgaven zo goed mogelijk aanpakken en is het in belang van de rechtsstaat? • effectiviteit: met welk instrument kan het doel het best worden bereikt? • doelmatigheid: welk instrument voorkomt onevenredige administratieve lasten en/of bestuurlijke drukte? 0.1.2 Inzet van de verordening We zetten de verordening in voor onderwerpen waarvoor de provincie het belangrijk vindt dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt niet meer geregeld dan nodig is voor het belang zoals dat in de Omgevingsvisie is verwoord en in programma’s wordt uitgewerkt. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie dus niet in nieuw beleid. Uitgangspunt voor het stellen van regels in de verordening zijn de drie criteria: • realisatie door partnerschap;
38
• •
effectiviteit (decentraal wat kan, centraal wat moet en ruimte voor partners); en doelmatigheid (deregulering en helderheid).
Dit betekent onder andere dat we met de regels die we stellen medeoverheden partners als gemeenten, waterschappen, ondernemers en bewoners zoveel mogelijk in positie brengen om verantwoordelijkheid te nemen. Ook regelen we niet meer dan strikt noodzakelijk. De inzet van de verordening beperkt zich tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of noodzakelijk is om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Dubbelingen met andere regelgeving vermijden we. Wat ergens anders geregeld is, bijvoorbeeld in de Omgevingswet of sectorale wet- en regelgeving, wordt niet nog eens geregeld in deze verordening. Daarmee voorkomen we extra regeldruk. Bij de flexibiliteitsbepalingen in deze verordening is het uitgangspunt 'decentraal wat kan, centraal wat moet' toegepast. We kiezen voor ruime afwijkingsmogelijkheden en in principe niet voor ontheffingsconstructies. Ook is zoveel mogelijk gekozen voor positief geformuleerde voorwaarden. In enkele gevallen was het niet goed mogelijk om een bepaling te formuleren als een 'ja, mits-constructie' en is een bepaling voor de benodigde juridische helderheid toch geformuleerd als een 'nee, tenzijconstructie'.
Bij het stellen van regels die zich richten op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is volgens de geest van de Omgevingswet in principe afgezien van rechtstreeks werkende regels. Een uitzondering op deze regel wordt gevormd door de geitenstop. Met rechtstreeks werkende regels is de bevriezende werking van het voorbereidingsbesluit van 28 september 2018 overgenomen. Omdat het bij de geitenstop gaat om een tijdelijk verbod om het aantal geiten uit te breiden als voorzorgsmaatregel in afwachting van de resultaten van landelijk onderzoek, is een ruime termijn genomen voor de instructie om de geitenstop te regelen in omgevingsplannen. In de tussentijd zorgen de rechtstreeks werkende regels ervoor dat het aantal geiten niet kan toenemen. 0.1.3 Status van de Omgevingsverordening De Omgevingsverordening richt zich - net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel - op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Dit betekent dat regels worden gesteld op het gebied van de ruimtelijke ordening, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, landschappen, natuur en cultureel erfgoed ruimte, erfgoed, water, bodem, klimaat, milieu, gezondheid, natuur, landbouw, landschap, wonen, werken, recreëren, mobiliteit, ondergrond, netwerken en cultuur.
Daarmee geven we invulling aan de opdracht van artikel 2.6 van de Omgevingswet om één omgevingsverordening vast te stellen met daarin alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. Rechtsbescherming De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat algemene regels. Tegen het besluit tot vaststelling van algemene regels staan daarom geen bezwaar- en beroepsmogelijkheden open. Wel kunnen belanghebbenden in procedures tegen bijvoorbeeld omgevingsplannen, de onverbindendheid van de Omgevingsverordening inroepen. Artikel 2.32 van de Omgevingswet biedt de mogelijkheid om ontheffing te verlenen van instructieregels. De ontheffing is bedoeld voor gevallen die in het algemeen voorzienbaar zijn, maar niet in het specifieke geval. In artikel 2.32, lid 5 is bepaald dat een ontheffing alleen wordt verleend als de uitoefening van de taak of bevoegdheid waarvoor ontheffing wordt gevraagd onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met de regel waarvan ontheffing wordt gevraagd.
39
Ontheffing van instructieregels in een omgevingsverordening voor de inhoud van het omgevingsplan is mogelijk, als deze verordening dit zelf zo bepaalt (artikel 2.32, eerste lid, Omgevingswet). In de Omgevingsverordening Overijssel 2024 wordt deze bevoegdheid toegekend aan Gedeputeerde Staten voor alle instructieregels in Artikel 1.4 (hardheidsclausule instructieregels). Wanneer een ontheffing is verleend of geweigerd, kan hiertegen door belanghebbenden bezwaar en beroep worden ingesteld. De procedure daarvoor is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bewoners van Overijssel worden bij elke wijziging van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening betrokken, in ieder geval volgens de openbare voorbereidingsprocedure. In de Participatieverordening is vastgelegd wanneer en hoe betrokken partijen in de gelegenheid worden gesteld om vroegtijdig inbreng te leveren bij aanpassingen van beleid en de regels die daarvoor in de Omgevingsverordening worden gesteld. … 0.2.1 Fundamentele herziening omgevingsrecht Het Rijk heeft met de vaststelling van de Omgevingswet en de bijbehorende uitvoeringsbesluiten en uitvoerigsregeling een fundamentele herziening van het omgevingsrecht gerealiseerd. Doel van de Omgevingswet is dat het omgevingsrecht inzichtelijker en voorspelbaarder wordt en het gebruiksgemak van iedereen groter wordt.
Ook moet er onder de Omgevingswet meer ruimte komen voor initiatieven van onderop. De Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking treedt is getreden, integreert zo'n 26 wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving. Hieronder vallen onderwerpen als: bouwen, milieu, waterbeheer, ruimtelijke ordening, monumentenzorg en natuur. Met de Omgevingswet wil het Rijk het wettelijk systeem 'eenvoudig beter' maken. … 0.2.3 Instrumenten onder de Omgevingswet De Omgevingswet biedt de provincie diverse juridische instrumenten om de doorwerking van beleid te realiseren, zoals dat is vastgelegd in de Omgevingsvisie en beleids- en uitvoeringsprogramma’s. Instrumenten om de uitvoering van het beleid zelf ter hand te nemen In de eerste plaats biedt de Omgevingswet de provincie instrumenten om de uitvoering van het beleid zelf ter hand te nemen. Het gaat dan om de volgende instrumenten: • het provinciale projectbesluit; • de provinciale omgevingsvergunning waarbij in afwijking van het geldende omgevingsplan wordt verleend ten behoeve van een bouwplan; • de coördinatieregeling die het mogelijk maakt om vergunningen parallel te schakelen; • het instrumentarium van het grondbeleid (voorkeursrecht, onteigening en grondexploitatiebevoegdheden).
Instrumenten voor de beleidsdoorwerking vooraf De provincie beschikt op grond van de Omgevingswet over de volgende instrumenten voor de beleidsdoorwerking vooraf: • de provinciale Omgevingsverordening; • het provinciale instructiebesluit.
40
De Omgevingsverordening bevat de instructieregels van Provinciale Staten (PS) gericht aan gemeenteraden om de inhoud van en de toelichting op gemeentelijke omgevingsplannen in overeenstemming te brengen met de inhoud van de verordening. Provinciale Staten kunnen een termijn stellen waarbinnen de instructie moet zijn opgevolgd. Ook kunnen zij bij regels aangeven in welke gevallen daarvan kan worden afgeweken en onder welke voorwaarden. De provinciale instructie is een instructiebesluit gericht aan één of enkele gemeenten om een gemeentelijk omgevingsplan met een bepaalde inhoud vast te stellen. Niet juridische instrumenten voor de doorwerking vooraf zijn beleidsregels, bestuursafspraken (prestatieafspraken) en het vooroverleg over gemeentelijke ruimtelijke plannen. Instrumenten voor de beleidsdoorwerking achteraf Voor de beleidsdoorwerking achteraf kunnen de volgende juridische instrumenten worden ingezet: • zienswijzen op omgevingsplannen; • beroep tegen vastgestelde omgevingsplannen; • provinciale interventie waarmee een (deel van) een omgevingsplan wegens strijd met het provinciaal belang buitenwerking kan worden gesteld; en • niet verlenen van instemming voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als deze activiteit is opgenomen op de lijst advies en instemming (artikel 16.15 a sub d Omgevingswet).
Het instrument van reactieve interventie kan worden ingezet als een zienswijze van de provincie niet is overgenomen of als het omgevingsplan gewijzigd is vastgesteld. De reactieve interventie kan zich alleen richten op die onderdelen van het omgevingsplan waarin een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aan de orde is. Een andere voorwaarde is dat er sprake moet zijn van provinciale belangen als bedoeld in artikel 2.3 van de Omgevingswet. De reactieve interventie is daarmee een instrument om de naleving van de Omgevingsverordening af te dwingen, maar ook van beleid dat niet goed geregeld kan worden in de verordening of alleen op een manier die onevenredig veel bestuurslasten met zich mee zou brengen. 0.2.4 Sturen en samenwerken onder de nieuwe Omgevingswet In het document 'Sturen en samenwerken onder de nieuwe Wet ruimtelijke ordening' (2008) is de provinciale bestuursfilosofie op basis van de Wro weergegeven. Deze bestuursfilosofie is ook toe te passen op de uitoefening van taken en bevoegdheden onder de Omgevingswet. Voor de provincie Overijssel is uitgangspunt dat gemeenten primair de instantie zijn die in omgevingsplannen de doelen van de Omgevingswet van duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van de fysieke leefomgeving juridisch vastleggen.
Daarbij gaat de provincie er vanuit dat de gemeenten rekening zullen houden met het provinciale belang. Door middel van instructieregels in de Omgevingsverordening en met voorkantsturing zal de provincie tijdig helder maken op welke wijze volgens haar rekening moet worden gehouden met dat provinciale belang. Als overleg niet leidt tot het veiligstellen van het provinciaal belang, zal de provincie haar juridisch instrumentarium inzetten. Daarbij is op voorhand geen enkel instrument uitgesloten. Dit betekent dat de provincie zienswijzen zal indienen bij de gemeenteraad en beroep op de Afdeling Bestuursrechtspraak zal instellen tegen gemeentelijke (ontwerp)plannen die in strijd zijn met het provinciaal belang, maar zo nodig een reactieve interventie zal doen waarmee het betreffende omgevingsplan buiten werking wordt gesteld. De provincie geeft als dit nodig is voor het provinciaal belang met een instructiebesluit de opdracht aan een of meer gemeenteraden om hun omgevingsplan aan te passen. Dat zal alleen bij uitzondering gebeuren. De provinciale sturing op de inhoud en de onderbouwing van omgevingsplannen vindt in principe vooraf plaats met de instructieregels in de provinciale Omgevingsverordening.
41
De provincie is op grond van de Energiewet verplicht om een projectbesluit te nemen voor windprojecten met een capaciteit tussen 10 en 100 MW. De provincie zal alleen overgaan tot het vaststellen van projectbesluiten als opvolger van het provinciaal inpassingsplan als een gemeente niet bereid is of niet (tijdig) in staat blijkt een omgevingsplan vast te stellen hoewel het provinciaal belang daarom vraagt. De provincie zal verder alleen overgaan tot het vaststellen van projectbesluiten als een gemeente niet bereid is of niet (tijdig) in staat blijkt een omgevingsplan vast te stellen hoewel het provinciaal belang daarom vraagt. De provincie zet als volgt in op het realiseren van provinciaal belang: • accent op samenwerking, overleg en voorkantsturing; • realisatie door (voor-)overleg en (prestatie-)afspraken; • bij strijdigheid: zienswijze geven, eventueel gevolgd door reactieve interventie/beroep en het niet verlenen van instemming bij een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De verordening wordt ingezet als dit selectief en doelmatig is, van belang voor de positie van de bewoners, als het Rijk dit eist of ter voorkoming van extra regels in een Algemene Maatregel van Bestuur. Overige instrumenten zoals het projectbesluit en de proactieve interventie zet de provincie selectief in.
De verordening is dus één van de instrumenten ter realisatie van beleidsambities van provinciaal belang. In de Omgevingsvisie Overijssel wordt de inzet van dit instrument bepaald, maar ook van de andere instrumenten Daarnaast zullen als dit nodig is voor provinciaal belang ook andere instrumenten worden ingezet zoals (prestatie-)afspraken, gebiedsontwikkeling/uitvoeringsprojecten, subsidies en fondsen en kennis verwerven en delen. 0.2.5 Principebesluit tot inzet van de verordening Met de provinciale verordening kan het provinciaal bestuur vooraf regels stellen die gemeenten bij het maken van omgevingsplannen in acht moeten nemen. De provincie Overijssel zet in principe alle instrumenten uit de gereedschapskist van de Omgevingswet in, dus ook de verordening. We gaan hier terughoudend mee om en zetten de verordening alleen in als het provinciale belang daarom vraagt. 0.2.6 Nieuwe Omgevingsvisie De Omgevingsvisie van Overijssel biedt al in de geest van de Omgevingswet een integraal beleidskader voor alle aspecten van het fysieke domein die van provinciaal belang zijn. De Omgevingsvisie kan daardoor ook onder de Omgevingswet als provinciaal beleidskader dienen en is na enkele aanpassingen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet gebracht. De Omgevingswet regelt echter geen overgangsrecht voor omgevingsverordeningen.
Daardoor vervalt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Omgevingsverordening zoals die in 2009 is vastgesteld en daarna geactualiseerd en gereviseerd is. Vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet is deze nieuwe verordening vastgesteld. De oude Omgevingsverordening is beleidsarm omgezet in afwachting van de integrale herziening van de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening die volgens planning eind 2024 zal worden vastgesteld. Deze nieuwe verordening is daardoor inhoudelijk grotendeels gelijk aan de oude Omgevingsverordening, maar wel helemaal herschreven en nu Omgevingswet-proof. De inhoud van deze Omgevingsverordening sluit aan op de nieuwe Omgevingsvisie waarin het beleid op hoofdlijnen is vastgelegd en op de verplichte en vrijwillige beleids- en uitvoeringsprogramma’s die daaraan uitwerking geven.
42
0.2.7 Instructieregels van het Rijk Het Rijk heeft in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgelegd wat de nationale belangen en ambities zijn. Omdat ook voor de NOVI geldt dat het als beleid alleen het Rijk zelf bindt, is er voor gekozen om bepaalde belangen juridisch te borgen door middel van instructieregels. Deze instructieregels zijn te vinden in het Besluit kwaliteit leefomgeving. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels die voor het merendeel gericht zijn aan gemeenteraden. Deze inhoudelijke instructieregels verplichten om in omgevingsplannen op een bepaalde manier rekening te houden met nationale belangen. Voor een beperkt aantal onderwerpen is gekozen voor een getrapte regeling. Daarbij krijgt de provincie de opdracht om een nadere invulling te geven aan een nationale belang en daarvoor in de provinciale verordening instructies over omgevingsplannen op te nemen voor gemeenteraden. Niet elk nationaal thema waarvoor een getrapte regeling is gekozen, is voor elke provincie relevant. Zo zijn er in Overijssel geen erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde aangewezen. Voor de provincie Overijssel is alleen de opdracht om het Natuurnetwerk Nederland nader te regelen van toepassing. Met de regeling in Paragraaf 4.7.2 van de Omgevingsverordening wordt voldaan aan de opdracht in 2.44, lid 4 van de Omgevingswet.
Bij de Omgevingswet horen vier algemene maatregelen van bestuur die nadere invulling geven aan wat er in de Omgevingswet op hoofdlijnen voor het omgevingsrecht is geregeld. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat de instructieregels van het rijk, beoordelingsregels en regels over omgevingswaarden. Het Omgevingsbesluit (Ob) geeft regels over het bevoegd gezag voor vergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan de algemene regels voor activiteiten in de leefomgeving en of voor die activiteiten een vergunning of een melding nodig is. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan de regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Ook geeft het Bbl regels over de staat en gebruik van een bouwwerk en over het uitvoeren van bouw- en loopwerkzaamheden. Deze uitvoeringsregelgeving moet ervoor zorgen dat bij de toepassing van de instrumenten van de Omgevingswet sprake is van zorgvuldige afwegingen en een heldere besluitvorming. Het Besluit Kwaliteit Leefomgeving bevat ook de regeling voor de verstedelijkingsprincipes die van het Rijk moeten worden toegepast. In de Ladder voor Duurzame verstedelijking is een rechtstreeks werkende motiveringseis opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen die gericht is op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand.
Op grond van de Ladder voor Duurzame verstedelijking moet nagegaan worden of er behoefte is aan een stedelijke ontwikkeling en of in die behoefte kan worden voorzien in of aansluitend aan het bestaande stedelijke gebied. In de Omgevingsverordening leggen we de Overijsselse Principes voor duurzame verstedelijking vast. wordt een nadere provinciale invulling gegeven aan de nationale Ladder voor Duurzame verstedelijking., waarbij een koppeling wordt gelegd met het principe van concentratie en de wijze waarop in Overijssel invulling wordt gegeven aan de regionale programmering van wonen, bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel. Daarin leggen we nadrukkelijk een koppeling met de ruimtelijke ordeningsprincipes zoals concentratie, nabijheid en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik door meervoudig en multidimensionaal gebruik van de ruimte. In de Overijsselse verstedelijkingsprincipes is een belangrijke rol weggelegd voor regionale programmering van wonen, bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel. Daarmee wordt de behoefte van
43
ontwikkelingen op het gebied van wonen en werken onderbouwd en is een zorgvuldige afstemming van het aanbod in de regio verzekerd. … Afdeling 3.6 GRONDWATERBESCHERMING Artikel 3.32 (grote en grootschalige risicovolle activiteiten in grondwaterbeschermingszones) In grondwaterbeschermingszones geldt voor grote en grootschalige risicovolle activiteiten een verbod met een mogelijkheid van een omgevingsvergunning. Het gaat hier om activiteiten die grote tot zeer grote risico's met zich kunnen meebrengen voor de bescherming van de grondwater-kwaliteit. Bij de beschrijving van de activiteiten en de gekozen grenzen/drempelwaarden is aansluiting gezocht bij het Besluit milieu-effect-rapportage 1994, zoals die gold vóór de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit op 1 april 2011. Er is geen sprake van een directe inhoudelijke relatie. Er kunnen naast mer-beoordelingsplichtige activiteiten ook andere activiteiten voorkomen met specifieke risico's op verontreiniging van het grondwater, die vanwege aard en omvang als grote of grootschalige risicovolle activiteiten kunnen worden beoordeeld en daarmee vergunningplichtig zijn in de zin van de verordening. Qua beoordeling van de risico's gaat het dan om de kenmerken van een activiteit (o.a.
omvang, cumulatie risico's, risico op calamiteiten, bekendheid risico's, omkeerbaarheid nadelige effecten) en om de plaats waar de activiteit plaatsvindt (o.a. ligging ten opzichte van winputten, kwetsbaarheid bodem). In die zin kan het begrip 'grote en grootschalige risicovolle activiteiten' in artikel 3.31 van de verordening ruim worden geïnterpreteerd. Het gaat om het specifieke belang van de grondwaterbescherming. Het tweede lid bevat een niet-limitatieve opsomming van grote en grootschalige risicovolle activiteiten. Hierna wordt een beschrijving van de activiteiten gegeven op basis waarvan kan worden vastgesteld in welke situaties een vergunningplicht geldt. De afbakening van de grenzen tussen grote en grootschalige risicovolle activiteiten is ook van belang voor de toepassing van de ruimtelijke regels in Paragraaf 4.8.2. Zie ook de toelichting op Paragraaf 4.8.2. a. Bij grote respectievelijk grootschalige dag- of verblijfsrecreatie (recreatieve of toeristische voorzieningen) kan worden gedacht aan voorzieningen of een combinatie van voorzieningen met een oppervlakte van ten minste 1 hectare (groot) respectievelijk 10 hectare (grootschalig) in het beschermingsgebied. De vergunningplicht geldt voor voorzieningen met een oppervlakte van 1 hectare of meer in de grondwaterbeschermingszone. b.
Van grote respectievelijk grootschalige woningbouwprojecten is sprake ingeval van de bouw van meer dan 10 woningen (groot) respectievelijk 100 woningen (grootschalig) in de grondwaterbeschermingszone. Een vergunningplicht bestaat bij de bouw van meer dan 10 woningen. c. Bij grote respectievelijk grootschalige stedenbouw denken wij aan de aanleg of de wijziging of uitbreiding van stadsprojecten met inbegrip van winkelcentra, bedrijven voor horeca, handel en dienstverlening of parkeerterreinen betrekking hebbend op een oppervlakte van ten minste 1 hectare (groot) respectievelijk 10 hectare (grootschalig) in de grondwaterbeschermingszone. Een vergunningplicht geldt vanaf 1 hectare.
44
d. Grootschalige wegen zijn stroomwegen (hoofdwegen, autosnelwegen en autowegen) en de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken voor het verkeer. Onder grote autowegen worden begrepen gebiedsontsluitingswegen. Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van genoemde wegen geldt een vergunningplicht. Voor de begrippen stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen wordt verwezen naar de provinciale Omgevingsvisie. e. Met grote parkeerterreinen/transferia worden ondermeer bedoeld parkeerterreinen/ transferia voor ten minste 50 personenauto's, parkeerterreinen voor transportmaterieel, zoals vrachtwagens, tankauto's, bussen en dergelijke en parkeerterreinen waar handelingen met schadelijke stoffen (bijvoorbeeld overslag) plaatsvinden. Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van genoemde parkeerterreinen geldt een vergunningplicht. Van een grote waterweg/haven is sprake ingeval de waterweg/haven kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van 250 ton tot 900 ton. Van een grootschalige waterweg/haven kan worden gesproken bij een waterweg/haven die kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van 900 ton of meer. De vergunningplicht geldt voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van waterweg/havens die kunnen worden bevaren door schepen met een laadvermogen vanaf 250 ton.
Voor aanleg, wijziging en uitbreiding van spoorwegen en bijbehorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken voor het verkeer per spoor geldt een vergunningplicht. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een bedrijventerrein is vergunningplichtig bij een oppervlakte van ten minste 1 hectare in de grondwaterbeschermingszone. In dat geval is sprake van een groot bedrijventerrein. Van een grootschalig bedrijventerrein is sprake bij een oppervlakte van ten minste 10 hectare in de grondwaterbeschermingszone. f. Van een grote buisleiding is sprake ingeval van een buisleiding voor het transport van olie (producten), chemicaliën of gas (met uitzondering van aardgas) die over een lengte van 1 kilometer of meer is gelegen of geprojecteerd binnen een grondwaterbeschermingszone. In dat geval geldt een vergunningplicht. Grootschalige buisleidingen zijn buisleidingen die over een lengte van 5 kilometer of meer in een grondwaterbeschermingszone liggen. Ook deze buisleidingen zijn vergunningplichtig. Voor transportleidingen voor aardgas, water, afvalwater en stoom geldt geen vergunningplicht. Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de risico's op verontreiniging van het grondwater afnemen.
45
Aanpassing catalogus gebiedskenmerken Wat is de rol/ doel In de Omgevingsvisie staat de rode draad ruimtelijke kwaliteit. Dit voeren we o.a. sinds 2009 uit met de Catalogus Gebiedskenmerken. Onze partners zijn bekend met deze methode en positief over het gebruik hiervan. In deze Catalogus Gebiedskenmerken beschrijven we het provinciaal belang van de verschillende gebiedstypen en kenmerken en voegen hieraan een ambitie en sturing (normeren, richting geven, inspireren) toe. De Catalogus is separaat bijgevoegd. Hoe werkt het in de praktijk Nadat de of-vraag en de waar-vraag zijn beantwoord, komt de Catalogus in beeld voor de hoe-vraag. De gebiedskenmerken sturen dan de manier waarop de ontwikkeling plaats kan vinden: welke kenmerken en kwaliteiten willen we behouden, versterken en ontwikkelen. De Catalogus werkt al jaren goed, dit horen we zowel vanuit partners als vanuit de interne organisatie. Waarom nu een actualisatie Ruimtelijke kwaliteit is geen urgente opgave van de nieuwe omgevingsvisie. Daarom vinden alleen aanpassingen plaats om de catalogus aan te laten sluiten op de wijzigingen in de omgevingsvisie. Wat houdt de actualisatie in De inhoud van de Catalogus is grotendeels gelijk gebleven. Gewijzigd is de Stedelijke laag om deze beter te laten aansluiten bij de vernieuwing van ons beleid en meer recht te doen aan onze kwaliteitsambities.
Ook de laag van de beleving is aangepast om deze meer gebiedsgericht te maken. Hierin heeft cultureel erfgoed ook een goede plek gekregen. Wat is de relatie met de omgevingsverordening De Catalogus Gebiedskenmerken is onderdeel van de Omgevingsverordening en geeft invulling aan de rode draad ruimtelijke kwaliteit. In de omgevingsverordening staat dat initiatiefnemers, waaronder gemeenten, in hun omgevingsplannen rekening moet houden met de Catalogus Gebiedskenmerken.
46
2 Overige actualisatieonderwerpen (APK)
47
Aanpassing Omgevingsverordening – Afdeling 4.13 BOSSENSTRATEGIE Waarom? In de Omgevingsverordening wordt een nieuwe instructieregel bossenstrategie opgenomen die ervoor moet zorgen dat gemeenten in hun omgevingsplan gaan regelen dat nieuwe bossen waarvoor de provincie subsidie heeft verleend ook in de toekomst gehandhaafd blijven Strekking aanpassing: De nieuwe instructieregel verplicht gemeenten om hun omgevingsplan een passende regeling op te nemen voor bomen en andere houtopstanden die aangeplant zijn op basis van de bossenstrategie. De gemeenten moeten in ieder geval kap verbieden. Op dat kapverbod kan de gemeente uitzonderingen maken als kap nodig is voor herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. In de instructieregel wordt verder geregeld dat gemeente de instructie pas hoeven uit te voeren op het moment dat ze voor de locatie het tijdelijke deel van het omgevingsplan omzetten naar een omgevingsplan zoals bedoeld in de Omgevingswet. Op het moment dat gemeenten aan de nieuwe bos een functie natuur of bos heeft toegekend, zorgt de instructieregel in artikel 4.65 (bos en natuur buiten het NNN) ervoor dat deze functietoedeling ook in de toekomst gehandhaafd blijft. Tekstvoorstel: Artikel 4.121 (instructieregel bossenstrategie) 1.
Omgevingsplannen die betrekking hebben op gronden waarop bomen en andere houtopstanden zijn geplant in het kader van de Overijsselse bossenstrategie, voorzien in regels voor deze gebieden die gericht zijn op behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden, waarbij in ieder geval het kappen van houtopstanden niet is toegestaan. 2. Omgevingsplannen die betrekking hebben op gronden waarop bomen en andere houtopstanden zijn geplant in het kader van de Overijsselse bossenstrategie, voorzien niet in nieuwe ontwikkelingen waardoor de aanwezige en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden worden aangetast. 3. Tot 1 januari 2032 wordt de instructie in lid 1 uitgevoerd op het moment dat het deel van het tijdelijke omgevingsplan dat van toepassing is op gronden waarop bomen en andere houtopstanden zijn geplant in het kader van de Overijsselse bossenstrategie, wordt omgezet naar het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 Omgevingswet. 4. Gemeenten kunnen in afwijking van het bepaalde in lid 1 in het omgevingsplan regelen dat het kappen van houtopstanden is toegestaan als dit nodig is voor herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden, mits herplant op dezelfde gronden is verzekerd.