CConstaterende datZwartewaterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1c - Regels en Toelichting BP met bijlagen

Raadsvergadering 10 oktober 2024, gemeente ZwartewaterlandBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Uitbreiding begraafplaats De Santvoirt Hasselt23.425 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

25

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze ‘s nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de ‘lichte’ gebieden. ‘’Bakens in de tijd – IJssellinie inundatieveld” Bakens in de tijd zijn relicten van diverse aard uit verschillende perioden van de wordingsgeschiedenis van Overijssel. Geologische monumenten (bv pingo’s), archeologische monumenten en vindplaatsen, schansen, verdedigingslinies, kapelletjes, religieuze monumenten, historische wegen tot landschappelijke ensembles zoals De Kolonie. Bakens zijn niet alleen (water)torens en andere hoge, kenmerkende bouwsels, ook patronen als de (ruil)verkavelingsstructuur vormen een baken in de tijd. De essentie van de bakens in de tijd is, dat ze de verhalende laag toevoegen aan het landschap. Het zijn belangrijke ingrediënten in de opbouw van gebiedsidentiteit. Het zijn plekken waar ‘tijdsdiepte’ tot intense indrukken leidt.

Creëer verbindingen en verbanden tussen bestaande bakens die onderdeel van een groter geheel zijn, maar nu verloren of geïsoleerd in het landschap liggen. Voeg bakens van deze tijd toe. Behoud monumenten, karakteristieke gebouwen en cultuurhistorische waarden door ze bewust in te zetten in gebiedsopgaves. Maak de bakens meer zichtbaar en ontwikkel recreatieve routes langs deze bakens met uitleg over de ontstaansgeschiedenis. Toetsing van het initiatief aan de ‘Laag van de beleving’ Ten aanzien van het aspect donkerte is het van belang om op te merken dat nagenoeg de volledige kern Hasselt als zodanig is aangemerkt. In de omgeving van het plangebied is reeds sprake van verlichting door stedelijke functies. Overigens is er ter plaatse van de begraafplaats geen sprake van een onevenredige toename van lichtuitstraling. Dit geldt ook voor het beheerdersgebouw. Wat betreft het IJssellinie inundatieveld kan worden gesteld dat er in het plangebied geen bijzondere geologische danwel bouwkundige monumenten aanwezig zijn. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 5.7, waar nader wordt ingegaan op het aspect archeologie. Geconcludeerd wordt dat de ‘Laag van de beleving” zich niet verzet tegen de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.5

Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1

Structuurvisie

4.3.1.1 Algemeen Op 25 april 2013 heeft de gemeenteraad de ‘Structuurvisie, tevens woonvisie Zwartewaterland 2013’ vastgesteld. Met de structuurvisie spreekt het gemeentebestuur zich uit over het beoogde beleid voor de komende jaren. De structuurvisie heeft geen directe bindende werking voor de burger, op basis van de structuurvisie worden nog geen ontwikkelingen daadwerkelijk mogelijk gemaakt. Wel biedt de structuurvisie het ruimtelijke kader voor de uitwerking van concrete plannen en projecten. De uitwerking van de structuurvisie vindt plaats door middel van het vaststellen van bestemmingsplannen voor de diverse ontwikkelingslocaties. Deze zijn wel rechtstreeks bindend voor de burger. Het plangebied ligt, op basis van de Structuurvisie Zwartwaterland, binnen het gebied dat aansluit op bestaande voorzieningen (afbeelding 4.6). BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan

Afbeelding 4.6: Uitsnede Structuurvisie Zwartwaterland (Bron: Gemeente Zwartewaterland)

In dit geval is met name het beleid omtrent maatschappelijke voorzieningen van belang: De leefbaarheid van de kernen en buurtschappen is een belangrijke toetssteen bij het maken van keuzen voor ruimtelijke ontwikkelingen. Hierbij wordt er op ingezet dat Genemuiden en Hasselt het huidige voorzieningenniveau behouden en dat in Zwartsluis de elementaire voorzieningen aanwezig blijven. Daarnaast dient op het niveau van onderwijs en zorgvoorzieningen creatief te worden gezocht naar een verbreding. Het doel is het verkrijgen van een meerwaarde door combinaties van functies: een multifunctioneel centra. Een combinatie van commerciële en maatschappelijke functies is hierbij wenselijk. Het is van belang dat de leefbaarheid van de kernen in stand blijft. Dat betekent dat op het gebied van zorg, onderwijs en welzijn voorzieningen moeten blijven. Voor een deel is de gemeente daarvoor afhankelijk van rijksbeleid of beleid van externe instanties. Het gemeentebestuur zal er krachtig op blijven inzetten dat deze voorzieningen voor de gemeente Zwartewaterland blijven bestaan. Ook zijn er voorzieningen die hetzij vanuit de gemeente hetzij als particulier initiatief in stand moet en kunnen worden gebleven. Een zorgvuldig beheer van de openbare ruimte is onontbeerlijk.

4.3.1.2 Toetsing van het initiatief aan de Structuurvisie Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van een begraafplaats en de bouw van een opslaggebouw voor het beheerdersgebouw. Er is een concrete behoefte aan deze ontwikkeling. De begraafplaats draagt bij aan het behoud van de leefbaarheid, doordat een elementaire voorziening uitbreidingsmogelijkheid krijgt. Het initiatief sluit aan bij het streven om in de kern Hasselt het huidige voorzieningenniveau te behouden door een bestaande voorziening toekomstbestendig te maken. Het beheerdersgebouw zorgt ervoor dat er voldoende capaciteit ontstaat om materialen op te slaan. Hierbij wordt het algemeen belang (onderhoud van de gemeente) gediend. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een strijd met de structuurvisie.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan 4.3.2

Stadsrandvisie Hasselt

4.3.2.1 De Visie De historische ontwikkeling van de Hanzestad Hasselt heeft geleid tot een aantal zelfstandige ruimtelijke gebieden met elk een stadsrand. Het stadshart, rivier en dijken, omliggend landschap, 20e-eeuwse woongebieden, recreatie en bedrijven vormen nu niet één ruimtelijk geheel met daaromheen één stadsrand, maar vormen een vlechtwerk van gebieden en randen die het historische centrum aan het zicht onttrekt. De opgave is om de barrièrewerking van de stadsranden en infrastructuur te veranderen in verbindingen, waardoor de verschillende gebieden elkaar weer meer betekenis en belevingswaarde kunnen geven. Hiertoe is de Stadsrandvisie Hasselt opgesteld. Deze visie is door de raad vastgesteld op 7 juli 2016. De Stadsrandvisie zal dienen als inspiratiebron en leidraad bij nieuwe ontwikkelingen en bij beheer van groen en gebouwen in de stadsranden. Als een particulier of een ondernemer of de gemeente een plan wil maken voor een beeldbepalende locatie in de stadsranden kan hij in de stadsrandvisie informatie en inspiratie vinden. De gemeente zal de stadsrandvisie ook betrekken bij het beoordelen van plannen van derden. Het plangebied is in afbeelding 4.7 met de gele cirkel aangeduid.

Afbeelding 4.7: Uitsnede van de Stadsrandvisie Hasselt (Bron: Gemeente Zwartewaterland)

4.3.2.2 Toetsing van het initiatief aan de Stadsrandvisie Hasselt Bij de uitwerking van de plannen is nadrukkelijk rekening gehouden met de stadsrandvisie. Zo hebben de landschappelijke lijnen de vormgeving van de uitbreiding van de begraafplaats bepaald. Daarnaast voorziet het initiatief in het realiseren van meer groen in de stadsrand. Het plan is dan ook in overeenstemming met de Stadsrandvisie Hasselt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan 4.3.3

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke uitgangspunten, zoals verwoord in de hiervoor behandelde gemeentelijke beleidsdocumenten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op een bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit milieueffectrapportage.

5.1

Geluid

5.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

In dit geval gaat het om de realisatie van een begraafplaats. Deze functie wordt niet aangemerkt als een gevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh). De aspecten wegverkeers,- railverkeers- en industrielawaai zijn daarom niet van belang. 5.1.3

Conclusie

De wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.2

Bodem

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. In dit geval is door Kruse groep een bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting. In dit geval is tevens een geotechnisch onderzoek vereist. Door een dergelijk onderzoek wordt inzicht verkregen in de actuele grondopbouw. Met dit inzicht is een advies opgesteld ten aanzien van de ophoging van het terrein en de te verwachten zettingen. Het geotechnisch onderzoek is uitgevoerd door Wiertsema en partners. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting. Hierna wordt op beide onderzoeken ingegaan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan 5.2.2

Situatie plangebied

Geotechnisch onderzoek Uit het geotechnisch onderzoek blijkt dat de bodem ter plaatse van de voorgenomen uitbreidingslocatie van de begraafplaats aan de Doctor H.A.W. van der Vechtlaan te Hasselt hoofdzakelijk uit zand bestaat. In twee van de vijf uitgevoerde boringen worden in het geheel geen samendrukbare bodemlagen van betekenis aangetroffen. In de overige drie boringen is een matige slappe veenlaag van maximaal 1 m dikte aangetroffen en komt maximaal enkele decimeters slappe klei voor. Het maaiveld ter plaatse van de uitbreidingslocatie ligt fors lager dan de bestaande begraafplaats en moet 1,8 à 2,3 m worden opgehoogd om de uitbreidingslocatie op gelijke hoogte te brengen met de bestaande begraafplaats. Uitgaande dat met zand wordt opgehoogd bedragen de te verwachten zettingen als gevolg van deze ophoging tot maximaal 0,3 m. Doordat de zettingen relatief snel tot stand komen en restzettingen relatief kort na aanbrengen van de terreinophoging beperkt zijn, worden de zettingen weinig beperkend geacht voor het gebruik van de locatie als begraafplaats (er zal kort na ophoging/inrichting van het terrein reeds begraven kunnen worden). Aanbevolen wordt om de noodzakelijke ophoging van het terrein nader te onderzoek. Op verzoek is voor het bepalen van de te verwachten zettingen uitgegaan van een ophoging van het terrein tot het niveau van de bestaande begraafplaats.

Dit betekent een forse (kostbare) ophoging, waarbij het de vraag is of deze technisch gezien noodzakelijk is. Bij ophoging van het terrein tot een niveau van NAP +2,15 m neemt de drooglegging1 toe tot 2,75 m ten opzichte van het zomerstreefpeil en tot 3,05 m ten opzichte van het winterstreefpeil. Bij begraving in twee lagen bedraagt de vereiste ontwateringsdiepte2 2,15 m. Uit oogpunt van de ontwatering kan worden volstaan met een lagere aanleghoogte al dan niet in combinatie met de aanleg van drainage. Bodemonderzoek Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: Deellocatie A De 3 mengmonsters van de fijne fractie van de onderzochte puinmonsters zijn niet asbesthoudend. Deellocaties B en C In de toplaag (B- MM FF en C - MM FF) van beide druppelzones is analytisch geen asbest aangetoond. Overig terreindeel In de bovengrond BG I, BG II en BG III en in het grondwater (peilbuis 1 en 2) zijn licht verhoogde gehalten gemeten, die geen aanleiding geven voor nader bodemonderzoek. De ondergrond is niet verontreinigd. De 4 mengmonsters van de fijne fractie zijn niet asbesthoudend. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er naar onze mening geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren.

De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. 5.2.3

Conclusie

Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

1

onder drooglegging wordt verstaan: de afstand tussen het maaiveldniveau en het waterpeil in de open watergangen

2

onder ontwateringsdiepte wordt verstaan: de afstand tussen het maaiveldniveau en de (periodiek) hoogste grondwaterstand

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen:  

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:   

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

De in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling is aan te merken als een project welke “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van luchtkwaliteit. 5.3.3

Conclusie

Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden). Het transporteren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart Overijssel staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • • •

5.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie

Eén en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan •

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als ‘gemend gebied’. Bij ‘gemengde gebieden’ moet gedacht worden aan: • • • •

stadscentra, dorpskernen en winkelcentra; horecaconcentratiegebieden; zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen; (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid.

De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied is gelegen in een stadsrandgebied, waar geen sprake is van sterke menging van functies. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan 5.5.3

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Voor een begraafplaats geldt een richtafstand van 10 meter voor het aspect ‘geluid’. De dichtstbijzijnde gevoelige functie betreft de woning aan de Doctor H.A.W. van der Vechtlaan 15. Het woonperceel ligt direct aangrenzend aan de beoogde begraafplaats. Gezien de korte ligging tot deze woning is er door Alcedo een akoestisch onderzoek naar de mogelijke geluidhinder afkomstig van de uitbreiding van de begraafplaats. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting. Hierna worden kort de belangrijkste resultaten samengevat. Uit het onderzoek is gebleken dat ter plaatse van de gevels van de woning en op het hele perceel voldaan kan worden aan de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. Ter plaatse van de gevels van de woning wordt ook voldaan aan de richtwaarde voor een rustige woonwijk, die 5 dB(A) strenger zijn dan de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. In alle situaties wordt op een groot deel van het perceel voldaan aan de richtwaarde, waardoor hier sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Aan de randen van het perceel kan de richtwaarde overschreden worden, maar wordt nog steeds voldaan aan de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. Hiermee is nog steeds sprake van een aanvaardbare situatie. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat alleen op de dagen dat er onderhoud wordt gepleegd met de gras maaier, blad blazer of wanneer er een uitvaart is, er sprake is van relevant geluid. De overige dagen zal ruimschoots aan de richtwaarden voor een rustige woonwijk voldaan worden. Geconcludeerd wordt dat er ten aanzien van het aspect ‘geluid’ wordt geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de Doctor H.A.W. van der Vechtlaan 15. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woning hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Een begraafplaats wordt niet gezien als een milieugevoelige functie. Dit geldt ook voor het opslaggebouw. Er is dan ook geen sprake van enige vorm van hinder door bestaande functies in de omgeving. 5.5.4

Conclusie milieuzonering

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan

5.6

Ecologie

5.6.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.2

Gebiedsbescherming

5.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied in het kader van de Wet natuurbescherming. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft het gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en is gelegen op een afstand van circa 290 meter (zie afbeelding 5.2). In dit geval is er door BJZ.nu een stikstofdepositie berekening uitgevoerd voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is als bijlage 4 opgenomen. Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de aanlegfase blijkt dat in de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j, maar niet groter dan 0,05 mol/ha/j. Doordat er sprake is van een tijdelijke stikstofdepositie die kleiner is aan 0,05 mol/ha/j voor een periode korter dan twee jaar, geldt landelijk de lijn dat deze geringe en tijdelijke depositie op voorhand niet leidt tot significante negatieve effecten voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.

Het vorenstaande betekent in dit geval dat de geringe stikstofdepositie niet leidt tot een vergunningsplicht voor het aspect stikstof. Daarnaast is voor de gebruiksfase geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Gelet op het vorenstaande is hiermee dan ook geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als NNN zijn gelegen op circa 290 meter (afbeelding 5.2). Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten de NNN en de aard en omvang van voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan

Afbeelding 5.2: Ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland (Bron: Provincie Overijssel)

5.6.3

Soortenbescherming

In dit geval is door Natuurbank Overijssel een quickscan ecologie uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 5 van deze toelichting. De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingsplaats s te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, amfibieën-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten.

Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels in de beplanting. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Bomen en struiken dienen gerooid te worden buiten de voortplantingsperiode van vogels. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende amfibieën-, vogel- en grondgebonden zoogdiersoorten niet beschermd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan van het plangebied als foerageergebied niet aangetast. Mits bezette vogelnesten beschermd worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Vanwege de ligging buiten beschermd natuurgebied en de lokale invloedsfeer, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden. De Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Overijssel vormen geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten. 5.6.4

Conclusie

Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.7

Archeologie & Cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied Samenvatting In dit geval is door Laagland Archeologie een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 6 van deze toelichting. In het noordoostelijke deel van het plangebied is sprake van een (laag) rivierduin. In het overige deel van het plangebied zijn geen rivierduinafzettingen aangetroffen. Het hier aangetroffen bodemprofiel is kenmerkend voor een komgebied. In twee boringen is de C-horizont van het rivierduin aangetroffen. Een B- en BChorizont is in één boring aangetroffen.

De top van het duin ligt hier echter circa 40 – 70 cm lager dan in de andere twee boringen. Waarschijnlijk was in de rivierduintop in boringen 1 en 3 ook sprake van bodemvorming; hier echter is de natuurlijke ondergrond tot in de C-horizont verstoord. Dit betekent dat een eventuele vindplaats hier ook grotendeels verdwenen is. Ter hoogte van boring 2 – waar een B- en een BChorizont is aangetroffen - zou in principe nog een redelijk intacte vindplaats kunnen worden verwacht. De aanwezigheid van een podzolprofiel duidt erop dat dit deel van het plangebied gedurende langere tijd voldoende ontwaterd is geweest om bodemvorming mogelijk te maken. Het is niet helemaal zeker of het kleipakket bovenop het rivierduin hier ter plekke door de nabije waterstroom is afzet en vervolgens verstoord is geraakt of dat het van elders is opgebracht. Derhalve kan de archeologische verwachting voor wat betreft latere perioden niet worden aangescherpt en blijft de algemene verwachting (laat-paleolithicum – late middeleeuwen) rondom boring 2 van kracht. In het overige deel van het rivierduin gebied is de top verdwenen. Alleen (zeer) diepe grondsporen kunnen hier nog worden verwacht.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan Het resterende deel van het plangebied betreft een komgebied. Tussen 3850 en 2750 voor Chr. ontstond hier veengroei dat zich tot in de nieuwe tijd kon handhaven. Gedurende deze periode was dit relatief laaggelegen deel niet geschikt voor bewoning. De te verwachten bodemverstoringen zullen in de meeste gevallen niet tot in de top van het rivierduin bij boring 2 reiken. Bij eenlaagsgraven wordt het bodemprofiel hier niet verstoord. Bij dubbele graven is er een kans op verstoring, afhankelijk van de dikte van de op te brengen grondlaag. Enkel in het geval van driedubbele graven wordt de intacte top van het dekzand hier verstoord. Selectieadvies Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat. In drie boringen is een rivierduin aangetroffen en in slechts een deel is de top van het rivierduin nog intact. Dit betreft een relatief laaggelegen deel, dat niet of nauwelijks zal worden aangetast in de nieuwe situatie. Om deze reden wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven van archeologisch onderzoek. De implementatie van dit advies is in handen van de gemeente Zwartewaterland, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente, de Afdeling Erfgoed, team Archeologie Zwolle.

Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Reactie regio-archeoloog Op d.d. 21 mei 2019 heeft de regio-archeoloog het volgende advies gegeven: Op basis van het uitgevoerde onderzoek is vast komen te staan dat een deel van het plangebied ligt op een rivierduin. Dit rivierduin is in een aantal boringen (1,2 en 3) aangetroffen. In de overige boringen is klei-opveen met daaronder dekzand aangetroffen (boring 4 en 5). Terecht wordt in de rapportage vermeld dat de gehanteerde methode niet geschikt is om archeologische indicatoren op te sporen en dat er meer geschiktere methoden beschikbaar zijn. Dit was volgens het onderzoek ook niet het doel In de conclusie en resultaten wordt verder vermeld dat er sprake is van een rivierduin waarvan alleen in boring 2 delen van een bodemopbouw (B-en BC horizont) zijn aangetroffen en in de overige twee boringen (boring 1 en 3) de ondergrond tot de C-horizont is verstoord. Uit ervaring blijkt dat veel rivierduinen en vooral de jongere exemplaren nauwelijks verstoord zijn. Hier kunnen echter nog wel diepe grondsporen worden verwacht.

Op basis van dit onderzoek kan op het rivierduin nog steeds sprake zijn van een archeologische vindplaats en dient hier ook een dubbelbestemming gehandhaafd moet blijven. Het selectieadvies waarbij sprake is van vrij gave voor verder vervolgonderzoek is dan ook gebaseerd op de nieuwe uitgangssituatie waarbij sprake is van ophoging van het terrein en het niet dieper aanleggen van de graven dan de top van het rivierduin. Indien dit door de gemeente wordt gewaarborgd dan kan dit selectieadvies blijven bestaan. Dit doet echter niets af aan de dubbelbestemming omdat de eventuele vindplaats dan juist beschermd wordt met een ophogingspakket, maar nog steeds aanwezig is. Bij een verandering van bestemming en eventuele latere ontgravingen kan deze dan nog steeds worden bedreigd. Kortom, het advies wordt onderschreven, maar wel onder voorwaarden van voldoende ophoging van het terrein. Vervolg Het advies van de regio-archeoloog wordt in acht genomen. Zo is in dit plan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ ter plaatse van de rivierduin gehandhaafd. Op basis deze bestemming is het niet mogelijk om werkzaamheden in de bodem uit te voeren, tot een grotere diepte dan 0,5 m zonder dat is aangetoond dat archeologische waarden niet worden aangetast.

Aan een omgevingsvergunning kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg regels verbonden worden tot onder andere verplichte technische maatregelen om monumenten in de bodem te behouden. Dit kan onder andere een ophoging betreffen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan Door deze dubbelbestemming worden de archeologische waarden beschermd. Het is niet mogelijk om zonder maatregelen bodemingrepen uit te voeren. Hiermee is de beoogde ophoging ter behoud van de waarden geborgd. De betreffende rivierduin (tevens dus locatie waar een archeologische dubbelbestemming is opgenomen) is in de volgende afbeelding weergegeven.

Afbeelding 5.3: Ligging van de rivierduin (Bron: Laagland Archeologie)

5.7.2

Cultuurhistorie

5.8.7.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.7.2 Situatie plangebied Het plangebied zelf kent, op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel, geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich tevens geen rijks- of gemeentelijke monumenten. 5.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen nader archeologisch onderzoek benodigd is en het aspect cultuurhistorische geen belemmering vormt voor voorgenomen ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4

Waterschap Drents Overijsselse Delta (DOD)

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het beleid van het Waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het Waterbeheerplan 20162021, de beleidsnota Water Raakt!, Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en Onderhoud 2050, Beleid Beheer en Onderhoud Stedelijk water 2013-2018 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De genoemde beleidsdocumenten kunnen worden ingezien op het hoofdkantoor van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Ook zijn deze te raadplegen op de internetsite: www.wdodelta.nl. Op gemeentelijk niveau is het in overleg met het waterschap opgestelde gemeentelijk Waterplan en het (verbreed) gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van belang. Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland.

Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan 6.1.5

Gemeente beleid

6.1.5.1 Gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2019 (GRP 2015-2019) Het beheer van het riool is één van de kerntaken van de gemeente. Het beleid voor rioleringszorg in Zwartewaterland staat in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP), zoals vastgesteld op 20 november 2015. Duurzaamheid en de scheiding van hemel- en afvalwater staan in Zwartewaterland centraal. Bovendien is er aandacht voor sociale- milieu-, omgevings- en economische aspecten. In het GRP staat op welke wijze de gemeente binnen de planperiode haar riolerings- en watertaken invult, welke werkzaamheden zij hiervoor doet en gaat doen, wat het kost en op welke wijze deze kosten gedekt worden. 6.1.5.2 Waterplan Zwartewaterland Gelet op de ligging van de gemeente te midden van veel water is een goede waterhuishouding van dit gebied van essentieel belang. Diverse woonwijken hebben te maken met relatief hoge grondwaterstanden en relatief hoge oppervlaktewaterstanden. Dit vergt een goede afstemming. In het waterplan zijn met de waterpartners in dit gebied afspraken gemaakt ten aanzien van het beleid en de uitvoering van maatregelen. Het beleid en maatregelen zijn geformuleerd rondom de pijlers waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. Ook is een samenhangend beeld geschetst van de wensen en de noodzakelijke ingrepen die hiervoor nodig zijn.

6.2

Watertoets

6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsproces

Uit de watertoets blijkt dat de normale procedure van toepassing is. Het waterschap heeft op d.d. 31 juli 2019 een inhoudelijke reactie gegeven. Hierbij is een uitgangspuntennotitie meegestuurd. De uitgangspuntennotitie is uitgewerkt in een waterparagraaf. Hier wordt in de volgende subparagraaf op ingegaan.

6.3

Waterparagraaf

6.3.1

Algemeen

Het waterschap adviseert om de uitgangspunten te verwerken in deze paragraaf. Hierna wordt op de verschillende uitgangspunten ingegaan:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan Watersysteem Binnen het plangebied ligt een beschermingszone van een A-watergang en een B-watergang. De functie van deze watergang moet te allen tijde worden gegarandeerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de beschermingszone van deze watergang zoals in de Keur beschreven. In dit plan wordt hiermee rekening gehouden door langs deze watergangen de zone voor beheer en onderhoud te waarborgen. Er is tevens geen sprake van maatregelen aan deze watergang. Er wordt geen deel gedempt en er worden geen bouwwerken of grondwerken uitgevoerd nabij deze watergang. Ter plaatse van de zuidelijke watergang geldt reeds een waterbestemming. Deze ligt buiten het plangebied en blijft gehandhaafd. Tot slot wordt opgemerkt dat er met dit plan niet wordt voorzien in lozing van vervuild water op deze watergangen. Beheer en onderhoud De manier van onderhoud van de watergang veranderd door de nieuwe situatie niet ten opzichte van de oude situatie. Er blijft, conform de huidige situatie, voldoende ruimte om de watergang te beheren en onderhouden. Waterveiligheid •

Overstromingsrisico

Algemeen De provincie Overijssel schrijft voor dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in overstroombaar gebied een overstromingsrisicoparagraaf moet worden opgenomen in de toelichting bij bestemmingsplannen. Onder overstroombaar gebied verstaan we gebieden die normaal gesproken niet onder water staan, maar kunnen overstromen (tijdelijk onder water staan) als gevolg van een extreme gebeurtenis. Het gaat zowel om buitendijkse gebieden die bij hoogwater overstromen (bijvoorbeeld uiterwaarden) als om de beschermde gebieden achter de dijk (binnendijkse gebieden) die alleen bij een calamiteit onder water komen te staan. Inzet is het voorkomen van slachtoffers en van economische schade. Het plangebied ligt binnen dijkring 9 ‘Vollenhove’. Vanwege deze ligging dient er een nadere motivering plaats te vinden. Risico-inventarisatie De ernst van een overstroming wordt bepaald door: • de maximale waterdiepte tijdens een overstroming (is af te leiden uit de risicokaart); • de kans op een overstroming; • de beschikbare tijd voor evacuatie / noodmaatregelen (hoe lang duurt het tot het water er is?) Op de risicokaart komt het volgende kaartbeeld naar voren bij overstromingen van een middelgrote kans heeft (1/100 jaar). Dit zijn de overstromingen vanuit het primaire systeem (bijvoorbeeld de IJssel of de Vecht) waar de dijken een strenge norm hebben.

Voor de betreffende locatie wordt een waterdiepte van 0,0 tot maximaal 1,5 m gevonden. In afbeelding 6.1 is dit weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan

Afbeelding 6.1: Kans op overstroming in het plangebied (Bron: Risicokaart.nl)

Allereerst dient te worden aangegeven dat het plangebied ten behoeve van de ontwikkeling wordt opgehoogd. Het maaiveld ligt nu namelijk fors lager dan de bestaande begraafplaats. De ophoging varieert tussen de 1,8 en 2,3 m, een en ander afhankelijk van meerdere factoren (onder andere voortkomend uit het geotechnisch onderzoek en het archeologisch onderzoek). Door deze ophoging is de kans op overstroming al grotendeels verdwenen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt er echter alsnog ingegaan op eventuele noodmaatregelen en evacuatiemogelijkheden. Evacuatie en (nood)maatregelen Bij de ontwikkeling van het plangebied dient rekening te worden gehouden met mogelijke overstroming(en). Het betreft ook een stuk bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. De volgende maatregelen zullen worden genomen; • aanvullend ophogen (zie voorgaand) van het plangebied; • voldoende hoog aanbrengen vloerpeil ter plaatse van het opslaggebouw; • evacuatiemogelijkheden in meerdere richtingen vanaf de begraafplaats; • aansluiting van het plangebied op dichtstbijzijnde weg waardoor bereikbaarheid gewaarborgd blijft.

Wateroverlast Het plan wordt zo ontworpen dat kortstondige hevige buien zonder problemen kunnen worden opgevangen in de openbare ruimte of op particulier terrein. Het plangebied is grotendeels onverhard en groen, waardoor voldoende ruimte is om het water te infiltreren. Compensatie is niet aan de orde, gezien het plan qua toename van bebouwing kleinschalig is. Overigens is, zoals aangegeven, voldoende ruimte om waterberging en infiltratie te realiseren.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan Waterkwaliteit De activiteiten die op de begraafplaats worden ondernomen, maken dat bij het ontwerp en gebruik van de begraafplaats rekening moet worden gehouden met de bodemgesteldheid en de grondwaterstand. Het waterschap schrijft voor een richtlijn uit de technische adviezen voor de Inrichting van Begraafplaatsen en Graven uit de Inspectierichtlijn Lijkbezorging toe te passen. Het doel is tweeledig: • •

het goed functioneren van de begraafplaats; het voorkomen van verontreiniging van grond- en oppervlaktewater.

Er wordt voldaan aan de benodigde ophoging, zodat zonder drainage aan de vereiste ontwateringsdiepte wordt voldaan. Eén en ander is onderzocht in het geotechnisch onderzoek (zie paragraaf 5.2 en bijlage 2). Met de daarin genoemde aanbevelingen en de aanbevelingen van het waterschap wordt in de nadere planuitwerking rekening gehouden. Mocht het nodig zijn, dan zal drainage worden toegepast. De voorkeur van het waterschap is om dit niet toe te passen. Drainage zal dan ook enkel toegepast worden wanneer dit noodzakelijk blijkt om aan de gewenste ontwateringsdiepte te kunnen voldoen. In paragraaf 4.1.2 en 4.1.3 is reeds getoetst aan de wet op Lijkbezorging en de bijbehorende inspectierichtlijn. Met de voorwaarden vanuit deze richtlijn en wet wordt rekening gehouden. In dit geval al er nauwelijks sprake zijn van de afvoer van vervuild hemelwater. Het schoon hemelwater kan vanaf het dak van het te bouwen gebouw af worden gevoerd naar het oppervlaktewater. Er wordt met het gebouw rekening gehouden met duurzaam bouwen. De plannen zijn nog niet concreet uitgewerkt. In een later stadium wordt dit geconcretiseerd. Er is in dit plan geen sprake van geïsoleerde vijverpartijen of watergangen. Tot slot worden er ten aanzien van waterkwaliteit geen materialen gebruikt die een verontreiniging van het oppervlaktewater met zich meebrengen.

Met de bouw van het gebouw worden duurzame materialen zoals hout en steen toegepast. Riolering Er is in dit geval geen sprake van een nodige uitbreiding van de rioolcapaciteit. Het plan voorziet slechts in één sanitaire voorziening. Deze kan eenvoudig afgewikkeld worden op het bestaande riool. Dit wordt overigens gescheiden van het hemelwater afgevoerd. Er worden in dit plan voldoende groenvoorzieningen gerealiseerd om de infiltratie van hemelwater te realiseren. Externe werking ruimtelijk plan Bij de externe werking gaat het erom dat het grond- en oppervlaktewatersysteem wordt beschermd en gehandhaafd om nadelige gevolgen op de omgeving zoveel mogelijk te voorkomen. In dit geval wordt dit bereikt door de grondwaterstanden binnen het in te richten plangebied tijdens en na het bouwrijp maken niet structureel te verlagen. Daarnaast wort er bij de bouw rekening gehouden met de bodemgesteldheid en de relatief hoge grondwaterstanden (onder andere door ophoging). 6.3.2

Reactie waterschap

Het waterschap heeft op d.d. 24 maart 2021 een reactie gegeven, waarin het akkoord ging met de waterparagraaf. Hierna is de reactie weergegeven. Er wordt voldoende rekening gehouden met de uitgangspunten van het waterschap zoals die zijn geformuleerd in paragraaf 6.3 van het bestemmingsplan. In het plangebied liggen watergangen van het waterschap. Er heeft afstemming plaatsgevonden over het onderhoud van deze watergangen en het ontwerp van de begraafplaats is daar op aangepast. Ten aanzien van het beheer en onderhoud van de watergang gelden de volgende uitgangspunten als aanvulling op de uitgangspunten in paragraaf 6.3: •

• •

We voeren eenzijdig onderhoud uit met een midikraan i.v.m. de draagkracht van de grond, het maaisel voeren we af in het stedelijk gebied. We onderhouden de zuidelijke watergang vanaf de Zuidzijde We onderhouden de watergangen 1 X per jaar. De reikwijdte van de midikraan is max ongeveer 6 m tot 6.40 m vanuit het midden van de kraan We zijn een onderhoudspad van 5 meter nodig en we onderhouden van insteek tot insteek.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Uitbreiding begraafplaats De Sandtvoirt Hasselt Bestemmingsplan

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14583032/1