CConstaterende datZwartewaterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1- Bestemmingsplan -Roskam en Klaver Toelichting

Raadsvergadering 10 november 2022, gemeente ZwartewaterlandBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen herontwikkeling bestemmingsplan Roskam en Klaver16.623 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Mogelijk is er vroeger een pad of verhardingslaag aangebracht richting de schuur op de noordwestzijde van de locatie bestaande uit gebroken baksteen, beton en asbest. De verontreiniging met asbest is met het uitgevoerde verkennend- en nader bodemonderzoek asbest voldoende vastgesteld. In bijlage 10 van het bijgevoegde bodemonderzoek is een tekening met de interventiewaarde contour opgenomen. De interventiewaarde contour is gebaseerd op het verkennend- en nader bodemonderzoek asbest. Geconcludeerd wordt dat het asbest heterogeen verdeeld aanwezig is op de noordwestzijde van de locatie. Het asbest is aanwezig in zowel de fijne fractie (< 20 mm) als grove fractie (> 20 mm). De totale omvang van de verontreiniging met asbest in de grond wordt geschat op circa 234 kubieke meters bodemvolume (circa 780 m2 oppervlakte, traject: 0,0 – 0,3 m –mv.). In bijlage 10 is een overzichtstekening bijgevoegd met de ontgravingscontour. De bodemverontreiniging met asbest is vermoedelijk veroorzaakt vóór 1993 waarmee sprake is van een historische bodemverontreiniging. Zolang de noordwestzijde van de locatie permanent bedekt is met gras en niet wordt bewerkt zijn er geen humane risico’s te verwachten volgens bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering 1 juli 2013. Er hoeft dus niet met spoed gesaneerd te worden bij het huidige gebruik van de locatie.

Aanbevelingen Op de locatie worden woningen met tuin gerealiseerd. Aanbevolen wordt om de verontreiniging met asbest in de grond op de noordwestzijde van de locatie te saneren. Het asbest is heterogeen verdeeld aanwezig op de noordwestzijde van locatie. Daarom wordt aanbevolen de ontgravingscontour ten opzichte van de interventiewaarde contour iets te verruimen zodat al het asbestmateriaal verwijderd wordt. De interventiewaarde- en ontgravingscontour zijn opgenomen in bijlage 10 van het bijgevoegde bodemonderzoek.

4.5

Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

26

Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgesteld geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het plangebied bevindt zich in stedelijk gebied langs twee wegen, de provinciale weg N331 en de Westeinde. Westeinde is een weg met één rijstrook waarbij een snelheidsregime geldt van 30 kilometer per uur. Hiervoor geldt geen geluidszone. En hoeft geen nader onderzoek voor worden gedaan. Voor de Provinciale weg (N331) geldt een geluidszone van 200 meter, aangezien het een weg is binnen stedelijk gebied, bestaande uit twee rijstroken.

Nu de mogelijke bouwlocatie zich binnen deze 200 meter bevindt (circa 35 meter), is er een akoestisch onderzoek noodzakelijk. Door Munsterhuis Geluidsadvies is een akoestisch onderzoek uitgevoerd betreffende het bepalen van de geluidsbelasting ter plaatse van de gevels van te bouwen woningen en appartementen gelegen aan de Westeinde te Zwartsluis. Het akoestisch onderzoek is als bijlage 3 bij dit bestemmingsplan bijgevoegd. Hierna worden de resultaten kort besproken. Voor meer informatie wordt verwezen naar bijlage 3. Uit het onderzoek is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van het wegverkeer op de Provinciale weg (N331) wordt overschreden ter plaatse van de woningen 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9. Datzelfde geldt voor alle appartementen. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor stedelijk gebied wordt niet overschreden. Daarmee wordt tevens voldaan aan de maximale ontheffingswaarde uit het geluidbeleid van de gemeente Zwartewaterland. Er dient een hogere grenswaarde procedure gevolgd te worden voor wegverkeerslawaai afkomstig van de Provinciale weg (N331) voor de benoemde woningen en appartementen. Voorts is gebleken dat de gecumuleerde geluidsbelastingen exclusief aftrek ten gevolge van de Provinciale weg (N331) ter plaatse van de woningen 4, 7, 8, 9 en alle appartementen hoger zijn dan 53 dB.

Voor deze woningen en appartementen dienen er extra geluidwerende voorzieningen bepaald te worden om aan het maximale binnenniveau van 33 dB te kunnen voldoen. Dit zal in een gevelwering onderzoek moeten worden aangetoond. Op 22 oktober 2020 is door Munsterhuis Geluidsadvies een vervolg onderzoek uitgevoerd om de geluidbelasting ter plaatse van de gevels van de te bouwen woningen en appartementen gelegen aan de Westeinde in Zwartsluis te bepalen. Het doel van dit onderzoek is inzicht te geven in de geluidbelasting op de woningen wanneer het wegdek van de provinciale weg voorzien zal worden van stillere asfalt dan de SMA11 en wanneer de snelheid van 80 naar 50 km/uur verlaagd zal worden. Daarnaast inzicht in de geluidbelasting met een combinatie van deze twee maatregelen. De geluidbelastingen zijn vastgesteld door middel van Standaard Rekenmethode II, zoals beschreven in het ‘Reken- en meetvoorschrift Geluid 2012. Het vervolg onderzoek is als bijlage 4 bij dit bestemmingsplan bijgevoegd. De resultaten van dit onderzoek worden hierna kort besproken. Voor meer informatie wordt verwezen naar bijlage 4. Uit het vervolg onderzoek is gebleken dat wanneer het wegdek van de Provinciale weg (N331) voorzien zal worden van stillere asfalt dan de SMA11 en wanneer de snelheid van 80 naar 50 km/u zal worden verlaagd, dit gunstig is voor een aantal woningen en appartementen.

Op het moment dat alleen het wegdek wordt aangepast en voorzien van bijvoorbeeld dunne deklagen, dan zal de geluidbelasting met 2 a 3 dB worden verlaagd en zijn op een aanzienlijk minder aantal woningen en appartementen aanvullende geluidwerende maatregelen nodig.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

27

Wanneer de snelheid op de Provinciale Rondweg van 80 naar 50 km/uur zou gaan, dan zal de geluidbelasting met 1 a 2 dB worden verlaagd en zijn op een minder aantal woningen en appartementen aanvullende geluidwerende maatregelen nodig. Wanneer zowel het wegdektype wordt aangepast als de snelheid wordt verlaagd zal de geluidbelasting met 3 a 4 dB worden verlaagd en zijn op een aanzienlijk minder aantal woningen en appartementen aanvullende geluidwerende maatregelen nodig. Industrielawaai Er wordt voldaan aan de richtafstanden in het kader van industrielawaai. Dit is in paragraaf 4.2 beschreven. Conclusie Met inachtneming van de voorgestelde maatregelen en het aanvullende onderzoek, vormt dit aspect geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

4.6

Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets en conclusie Voorliggende ruimtelijke ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 9 vrijstaande woningen en 13 appartementen waarbij twee vrijstaande woningen tot twee 2-onder-1 kap woningen kunnen worden omgezet. Woningen zijn opgenomen in de Regeling NIBM (Niet in betekenende mate).

Dit is een lijst met categorieën van gevallen, waaronder dus wonen. Er is ter plaatse van het plangebied sprake van twee ontsluitingswegen, namelijk de Westeinde en de Provinciale weg (N331). Hierbij geldt dat tot 3000 woningen plannen worden aangemerkt

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

28

als NIBM. Een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Om ook te kijken of de voorgenomen ontwikkeling onder de 3% valt, is van het NIBM-tool gebruikgemaakt. Voor het bepalen van het extra verkeer wordt gebruik gemaakt van de kengetallen zoals die zijn opgenomen in CROW publicatie 381. De maximale verkeersgeneratie van een vrijstaande woning bedraagt 8,6 verkeersbewegingen. Voor 9 vrijstaande woningen geldt derhalve een verkeersgeneratie van 77,4 verkeersbewegingen. Aangezien twee vrijstaande woningen omgezet kunnen worden naar twee 2-onder-1-kap woningen, wordt de verkeersgeneratie van de vrijstaande woningen verhoogd met de verkeersgeneratie van de tweekappers. Eén 2-onder-1-kap woning heeft op basis van CROW publicatie 381 een verkeersgeneratie van maximaal 8,2 verkeersbewegingen per woning. Voor twee 2-onder-1-kap woningen komt dit neer op 16,4 verkeersbewegingen. Samen met de verkeersgeneratie van de vrijstaande woningen komt dit neer op 93,8 verkeersbewegingen. Voor wat betreft de appartementen geldt op basis van CROW publicatie 381 een verkeersgeneratie van maximaal 7,8 verkeersbewegingen per appartement. Voor 13 appartementen bedraagt de verkeersgeneratie derhalve 96,2 verkeersbewegingen. Samen met de verkeersgeneratie van de grondgebonden woningen, komt dit neer op in totaal 190 verkeersbewegingen.

Als dit aantal ingevuld wordt in het NIBM-tool, dan blijkt uit het NIBM-tool dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. In figuur 4.2 wordt een fragment van het NIBM-tool weergegeven.

Figuur 4.2: Fragment NIBM-tool (Bron: Info Mill) Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

4.7

Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

29

Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden.

Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets en conclusie In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich twee mogelijke risicobronnen. Op een afstand van 0,6 km zit er een zwembad met mogelijke gevaarlijke stoffen en op een afstand van 1,3 km een autobedrijf met mogelijke gevaarlijke stoffen. Zie figuur 4.3 voor een fragment van de risicokaart.

Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl). Gezien de relatieve afstand tussen het plangebied en de risicobronnen, geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

30

inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.8

Water

Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied werden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 bereikt moesten worden. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het beleid van het Waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021, de beleidsnota Water Raakt!, Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en Onderhoud 2050, Beleid Beheer en Onderhoud Stedelijk water 2013-2018 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De genoemde beleidsdocumenten kunnen worden ingezien op het hoofdkantoor van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Ook zijn deze te raadplegen op de internetsite: www.wdodelta.nl. Op gemeentelijk niveau is het in overleg met het waterschap opgestelde gemeentelijk Waterplan en het (verbreed) gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van belang.

Gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2019 (GRP 2015-2019) Het beheer van het riool is één van de kerntaken van de gemeente. Het beleid voor rioleringszorg in Zwartewaterland staat in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP), zoals vastgesteld op 20 november 2015. Duurzaamheid en de scheiding van hemel- en afvalwater staan in Zwartewaterland centraal. Bovendien is er aandacht voor sociale- milieu-, omgevingsen economische aspecten. In het GRP staat op welke wijze de gemeente binnen de planperiode haar riolerings- en watertaken invult, welke werkzaamheden zij hiervoor doet en gaat doen, wat het kost en op welke wijze deze kosten gedekt worden. Waterplan Zwartewaterland Gelet op de ligging van de gemeente te midden van veel water is een goede waterhuishouding van dit gebied van essentieel belang. Diverse woonwijken hebben te maken met relatief hoge grondwaterstanden en relatief hoge oppervlaktewaterstanden. Dit vergt een goede afstemming. In het waterplan zijn met de waterpartners in dit gebied afspraken gemaakt ten aanzien van het beleid en de uitvoering van maatregelen. Het beleid en maatregelen zijn geformuleerd rondom de pijlers waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. Ook is een samenhangend beeld geschetst van de wensen en de noodzakelijke ingrepen die hiervoor nodig zijn.

Watertoets Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Watertoetsproces Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Zie bijlage 7. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de 'normale procedure'. Het waterschap heeft in dit kader een uitgangspuntennotitie gestuurd, waarbij het waterschap adviseert om deze uitgangspunten te verwerken in het

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

31

plan. Het doel van de uitgangspuntennotitie is om in de initiatieffase van een plan bruikbare informatie aan te leveren voor de waterhuishouding in en rond het plangebied. Het waterschap heeft in een mail (d.d. 10 juli 2020) uitgangspunten gegeven voor het opstellen van een waterparagraaf. Deze uitgangspuntennotitie is opgenomen in bijlage 8. Daar wordt hierna op ingegaan. Daarnaast is reeds vooroverleg gevoerd met het waterschap. Uit deze overleggen zijn een aantal zaken naar voren gekomen welke in dit hoofdstuk ook benoemd zullen worden. Watervergunning Er zal voor de volgende werkzaamheden een watervergunning worden aangevraagd: activiteiten uitvoeren in, op, boven, over of onder een waterstaatwerk of bijbehorende beschermingszone: dempen van een oppervlaktewaterlichaam, aanleggen van kabels en leidingen en het aanbrengen van verhardingen. Waterhuishoudkundige aspecten Watersysteem Binnen het plangebied ligt, zoals te zien op figuur 4.4, de Whaa, een vaarweg welke kan worden afgesloten middels een sluis. Deze vaarweg is in beheer bij de provincie Overijssel. De functie van deze watergang moet te allen tijde worden gegarandeerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de beschermingszone van de vaarweg. Deze beschermingszone is 10 meter breed. Wanneer er werkzaamheden uitgevoerd worden aan de beschoeiing is hier een ontheffing voor nodig.

Hierover is reeds contact geweest met de provincie Overijssel. Er wordt een C-watergang (sloot) op het terrein gedempt. Voor het dempen, verleggen of graven van wateren (ook die niet in beheer zijn bij het waterschap) dient altijd een Watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Drents Overijsselse Delta.

Figuur 4.4: Locatie plangebied

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

32

Waterveiligheid In de nabijheid van het plan ligt, zoals te zien in figuur 4.5, een primaire en een overige waterkering. De functie en stabiliteit van deze waterkering moet te allen tijde worden gegarandeerd. Het appartementengebouw welke aan de zuidoostzijde van het plan gesitueerd is valt binnen de beschermingszone van de primaire waterkering. Op basis van de keur geldt binnen de beschermingszonde van een primaire waterkering de vereiste om middels een variantenstudie aan te tonen dat er geen andere locatie mogelijk is om het gebouw te plaatsen alvorens er gebouwd kan worden. Er dient (na afstemming met het waterschap) een notitie te worden opgesteld waarin wordt onderbouwd dat er geen andere locatie voor het appartementengebouw mogelijk is. Dit is een separaat onderdeel waaraan initiatiefnemer buiten het bestemmingsplantraject invulling zal geven. Voor het borgen van deze vereiste is een voorwaardelijke verplichting opgenomen bij de bouwregels voor het appartementengebouw behorende bij het voorliggende bestemmingsplan, zodat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen daaraan getoetst kan worden. Daarmee is de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan geborgd en zijn er geen belemmeringen.

Figuur 4.5: Legger keringen waterschap nabij het plangebied In het plan wordt, zoals reeds aangegeven een C-watergang gedempt. Deze bevindt zich vlak bij de primaire waterkering. Daarnaast wordt het maaiveld verhoogd t.b.v. de nieuwe inrichting. Het waterschap gaat akkoord met de voorgenomen terrein wijzigingen, deze hebben geen negatieve invloed op de waterkering. In een waterveiligheidsrapportage dient te worden aangetoond dat de waterveiligheid niet achteruit gaat tijdens en na uitvoering van de werkzaamheden. Dit is een vereiste ongeacht de periode van het jaar waar in wordt gewerkt. Deze moet door de initiatiefnemer worden opgesteld en worden ingediend bij het waterschap. Overstromingsrisico Het plan ligt tussen verschillende stroomgebieden in. Namelijk het fluctuerende waterpeil van het Zwartewater en de Boezem Noordwest Overijssel. Rond het plangebied liggen primaire en overige keringen die in het beheer van het waterschap zijn. Het waterpeil in dit gebied hangt samen met het waterpeil van de Whaa. De Whaa is weer onder invloed van de sluizen en het fluctuerende waterpeil van het Zwartewater.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

33

Door de ligging van het plan heeft het projectgebied een verhoogd risico op overstromingen. Door het gedeeltelijk ophogen van het peil wordt het overstromingsrisico verkleind. Bovendien ontstaat hierdoor een gelijk maaiveld, wat praktisch is bij de inrichting van het terrein. In de praktijk zal het er op neer komen dat de grond aan de waterzijde gemiddeld met circa 50 centimeter zal worden opgehoogd. Wateroverlast In het ontwerp van het plan is er weinig ruimte om hemelwater te bergen. Het laagste deel van het plan bevindt zich namelijk naast de primaire kering en hier mag, in verband met de kans op piping, niet gegraven worden voor bijvoorbeeld drainage, infiltratiekratten of een wadi. Daarnaast is de ondergrond van het plangebied ongeschikt om veel water te kunnen laten infiltreren. Door de glooiing van het gebied, de straat loopt namelijk vanaf Westeinde af richting de primaire dijk, kan het water bovengronds afstromen en zijn geen kolken en leidingen nodig. Het hemelwater zal tijdens een bui via een vertraagde afvoer (een rietpassage) uitstromen op de Whaa. Bij buien van geringe intensiteit zal het water afstomen richting de Whaa, zonder dat dit tot overlast leidt. Bij buien van hevige intensiteit zal het water ook afstromen richting de Whaa, waarbij het water voor korte tijd op het maaiveld blijft staan. Door verhoogde vloerpeilen (25 tot 30cm t.o.v.

straatpeil) treedt er geen wateroverlast op bij woningen of andere kwetsbare functies. Er wordt door de initiatiefnemer een waterhuishoudkundig plan opgesteld waarin zal worden toegelicht welke invloed de vermeerdering van verhard oppervlak (dakoppervlak en bestrating) heeft op de afvoer van hemelwater. Om grondwateroverlast te voorkomen wordt het maaiveldniveau verhoogd. Daarnaast zal de aanleghoogte van de vloerpeilen minimaal 0,80 meter boven de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) komen. Riolering en waterkwaliteit Er is in dit plan sprake van een gescheiden stelsel. Vuilwater wordt via het riool afgevoerd. Het hemelwater wordt oppervlakkig afgevoerd naar grond- en oppervlaktewater via een vertraagde afvoer (rietpassage). Alleen schoon hemelwater (vanaf dakoppervlakken en woonerven) mag direct afstromen op het oppervlaktewater. Licht verontreinigt water (vanaf de woonstraat) wordt via een bodempassage geloosd op het oppervlaktewater. Het vuilwater wordt aangeboden vanaf de woningen en stroomt via een leiding in de woonstraat onder vrij verval naar een centrale pompput. Vanaf hier wordt het middels een persleiding in een put in Westeinde gepompt. Vanuit hier vervolgt het vuilwater zijn weg naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Externe werking ruimtelijk plan Bij de externe werking gaat het erom dat het grond- en oppervlaktewatersysteem wordt beschermd en gehandhaafd om nadelige gevolgen op de omgeving zoveel mogelijk te voorkomen. In dit geval wordt dit bereikt door de grondwaterstanden binnen het in te richten plangebied tijdens en na het bouwrijp maken niet structureel te verlagen. Daarnaast wordt er bij de bouw rekening gehouden met de bodemgesteldheid en de relatief hoge grondwaterstanden. Beheer en onderhoud De manier van onderhoud van de watergang de Whaa veranderd door de nieuwe situatie niet ten opzichte van de huidige situatie. Er blijft, conform de huidige situatie, voldoende ruimte om de watergang te beheren en onderhouden. Ook tijdens de bouwfase zal hier rekening mee gehouden worden. Dit onderhoud kan varend worden uitgevoerd. De kering en percelen op de kering blijven ten alle tijden bereikbaar vanaf de woonstraat en vanaf de N331, zodat de schouw plaats kan vinden, schade hersteld kan worden en er gemaaid kan worden. Met inachtneming van het vorenstaande wordt geacht dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect 'water' voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

34

4.9

Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Bij dit bestemmingsplan wordt gebruikgemaakt van een QuickScan natuurwaarden, zie ook bijlage 5. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) Het plangebied ligt op minimaal 60 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Zie figuur 4.4 voor een fragment van de ligging van het plangebied vergeleken met het Natuurnetwerk Nederland.

Figuur 4.4: Fragment ligging plangebied (Bron: Natuurbank Overijssel) De invloedssfeer van de voorgenomen ontwikkeling is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. Ook ligt het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Natura 2000-gebied Op een afstand van circa 60 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich het Natura 2000-gebied 'Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht'. Dit gebied is teven aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Op een afstand van circa 450 meter ten noorden van het plangebied bevindt zich het Natura 2000-gebied 'De Wieden'. In figuur 4.5 wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden weergegeven.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

35

Figuur 4.5: Fragment ligging plangebied en Natura 2000-gebied (Bron: AERIUS Calculator 2020) Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan niet uitgesloten worden. Mogelijk leiden voorgenomen activiteiten tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten vast te kunnen stellen, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Op 20 oktober 2021 is er een stikstofberekening uitgevoerd. De uitwerking van deze berekening is als bijlage 6 opgenomen in de voorliggende bestemmingsplan. Hieronder wordt de conclusie van deze berekening besproken. Voor de concrete inhoud wordt verwezen naar bijlage 6. Uit de berekening is gebleken dat er als gevolg van het gebruik van de nieuw te realiseren woningen/appartementen aan de Westeinde 13a en 15 te Zwartsluis er NOx en NH3 vrijkomt. Door uitvoering van de AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de gebruiksfase ligt de emissie niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx of NH3 plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg het gebruik van de beoogde woningen/appartementen.

De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemene- en weinig kritische beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten verschillende grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

36

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Voor de amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten, die vaste rust en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van vaste rust- en/of voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren niet aangetast. Conclusie Afhankelijk van de tijd van het jaar, waarin de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden, kunnen beschermde dieren gedood worden, eieren beschadigd/vernield worden en vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van beschermde dieren beschadigd/vernield worden. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor beschermde dieren niet aangetast.

Voor de beschermde dieren en de vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen die mogelijk negatief beïnvloed worden als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Deze vrijstelling geldt niet voor vogels en bezette vogelnesten. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet zonder ontheffing negatief beïnvloed worden. Voor het doden van de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Een negatief effect op Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht kan volledig uitgesloten worden op basis van de AERIUS berekening opgenomen als bijlage 6. Er zijn dus geen wettelijke consequenties voor wat betreft stikstof. Wettelijke consequenties samengevat: - Geen bezette vogelnesten negatief beïnvloeden zonder ontheffing; - Broedvogelscan uitvoeren indien bebouwing gesloopt wordt tijdens de voortplantingsperiode (i.v.m. zorgplicht).

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

Archeologie Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn, dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Toetsing De gemeente Zwartewaterland beschikt over een eigen archeologische verwachtingskaart. Hieruit blijkt dat het gebied ligt binnen een gebied met een 0% verwachtingswaarde. Dit houdt in dat er geen kans is op het aantreffen van archeologische waarden. Daarom wordt geconcludeerd dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

37

Figuur 4.6: Uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: gemeente Zwartewaterland) Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toetsing Het plangebied zelf kent, op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel, geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich verscheidene monumenten. De in dit plan besloten ontwikkeling doet echter geen afbreuk aan de kwaliteiten van deze monumenten, aangezien de locatie wordt herontwikkeld met een passende functie die qua bebouwing aansluit bij omliggend gebied. Conclusie Geconcludeerd wordt dat zowel het aspect 'Archeologie' als 'Cultuurhistorie' geen belemmering vormen voor onderhavig bestemmingsplan.

4.11

Verkeer / parkeren

Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (december 2018)' van het CROW en het gemeentelijk beleid. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte. Middels een maximum en minimum wordt een bandbreedte gegeven. In dit geval is voor wat betreft de gemeente Zwartewaterland uitgegaan van een stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’ (Bron: CBS Statline). Gezien de ligging van het plangebied binnen Zwartsluis kan het worden aangemerkt als stedelijke zone ‘rest bebouwde kom’.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

38

Toets Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van 9 vrijstaande woningen en 13 appartementen mogelijk, waarbij tevens de mogelijkheid wordt gegeven om van twee vrijstaande woningen 4 twee-onder-één kapwoningen te maken. Bij maximale planinvulling kan het bouwprogramma onderverdeeld worden in: 13 appartementen 7 vrijstaande woningen 2 twee-onder-één kapwoningen Parkeren De gemeente Zwartewaterland heeft bij vergelijkbare woningbouwontwikkelingen, waar ook dure appartementen zijn gerealiseerd, een norm van 1,8 parkeerplaatsen per appartement gehanteerd. Derhalve wordt geacht dat ook voor onderhavig geval een norm van 1,8 parkeerplaatsen per appartement geldt. Uitgaande van 13 appartementen komt dit neer op 23,4 parkeerplaatsen. Voor de appartementen worden er 24 parkeerplaatsen gerealiseerd, dus wordt voldaan aan de parkeernorm. Voor wat betreft de vrijstaande woningen bevindt zich op eigen terrein minimaal twee parkeerplaatsen. Dit is in overeenstemming met de norm voor grondgebonden woningen. Verkeer Voor het bepalen van de verkeersgeneratie wordt de CROW-publicatie 381 gebruikt, waarin kengetallen zijn opgenomen die landelijk geaccepteerd zijn en gezien worden als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeersgeneratie.

Volgens de CROW-publicatie 381 heeft een vrijstaande koopwoning, gelegen in een gebied als hierboven aangegeven, een verkeersgeneratie van dagelijks maximaal 8,6 verkeersbewegingen. Voor 7 vrijstaande woningen geldt derhalve een verkeersgeneratie van dagelijks 60,2 verkeersbewegingen. Voor wat betreft de twee-onder-één kapwoningen geldt per woning een verkeersgeneratie van dagelijks maximaal 8,2 verkeersbewegingen. Omdat er maximaal 4 twee-onder-één kapwoningen gerealiseerd kunnen worden, komt dit neer op een verkeersgeneratie van dagelijks 32,8 verkeersbewegingen. Voor de appartementen geldt een verkeersgeneratie van dagelijks maximaal 7,8 verkeersbewegingen per appartement (uitgaande van dure koopappartementen). Voor 13 appartementen komt dit neer op 101,4 verkeersbewegingen. De ontsluiting van het plangebied vindt plaats aan de noordzijde van het plangebied, waar een in- en uitrit wordt gerealiseerd die aansluit op de weg Het Westeinde, welke in een directe verbinding staat met de N331. Dit betreft een erftoegangsweg met een maximumsnelheidsregime van 30 km/h. Het hierop aansluiten van het plangebied past bij de beoogde functie van het plangebied. Het verkeer van en naar de woningen / appartementen kan op deze weg eenvoudig afgewikkeld worden.

Daarbij kan over het algemeen worden opgemerkt dat de verkeersbewegingen in de toekomstige situatie lager zullen zijn, aangezien de voorheen aanwezige bedrijfsfunctie reeds een bepaalde verkeersgeneratie met zich meebracht en deze als het ware gesaldeerd kan worden met de verkeersbewegingen als gevolg van het beoogde gebruik van het plangebied. Conclusie Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de aspecten 'verkeer' en 'parkeren' geen belemmeringen vormen voor onderhavig bestemmingsplan.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

39

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Planopzet en systematiek

De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2

Toelichting op de regels

5.2.1

Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

40

bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen.

Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2

Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen Artikel 3 Groen Deze bestemming betreft de groen bestemmingen die zich binnen het plangebied bevinden (o.a. bomen). Artikel 4 Verkeer

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

41

Deze bestemming betreft in eerste instantie de ontsluitingsweg die het plangebied met de Westeinde verbindt, waardoor de woningen en/of appartementen met de auto dan wel met een ander vervoermiddel bereikt kunnen worden. Daarnaast betreft deze bestemming de parkeerplaatsen en het deel van de weg daarvoor aan de noordwestzijde van het plangebied. Dit voor het opheffen van de versmalling ter plaatse. Artikel 5 Wonen - Gestapeld Deze bestemming betreft de appartementen, waarbij een bouwvlak is opgenomen om de appartementen te kunnen bouwen. Daarnaast kent deze bestemming een maatvoering die het maximum aantal wooneenheden aangeeft. Aangezien in onderhavig geval het gaat om 13 appartementen, is de maatvoering op 13 gesteld. Alvorens een omgevingsvergunning kan worden verleend voor de activiteit bouwen, dient er een notitie te worden overhandigd waarin middels een variantenstudie is aangetoond dat er geen andere mogelijkheden zijn en daarom gebouwd moet worden in de A-watergang. Artikel 6 Wonen Deze bestemming betreft de vrijstaande woningen en/of 2-onder-1 kap woningen. In de regels is opgenomen dat er maximaal 18 woningen binnen deze bestemming gerealiseerd kan worden.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

42

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

43

Hoofdstuk 7 7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Conform het door de provincie Overijssel gehanteerde beleid is voor het plan een vooroverleg noodzakelijk met de provincie. Waterschap Drents Overijsselse Delta Op 17 april 2020 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Drents Overijsselse Delta. Daarbij is gebleken dat de normale procedure gevolgd dient te worden. De uitgangspunten van het waterschap zijn uitgewerkt in 4.8 Water. Hierover dient het waterschap een advies uit te brengen.

7.2

Inspraakprocedure

Het voorontwerpbestemmingsplan 'Herontwikkeling Roskam en Klaver' heeft zes weken ter inzage gelegen. Tijdens de inspraaktermijn zijn er inspraakreacties binnengekomen. De inspraakreacties zijn beantwoord middels het document opgenomen als Bijlage 9 bij de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan. Daarin is allereerst ingegaan op een algemene toelichting wat betreft diverse verkeer gerelateerde aspecten, waarna de diverse inspraakreacties afzonderlijk zijn beantwoord. De inspraakreacties hebben geleid tot enigszins aanpassingen in het plan. Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan is groter gemaakt, zodat ook de parkeerplaatsen en het deel van de weg daarvoor wordt meegenomen. Dit om de versmalling ter plaatse op te heffen. Verder hebben de inspraakreacties niet geleid tot aanpassingen in het plan.

7.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 17 mei tot en met 28 juni voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn er drie zienswijzen binnengekomen. Deze zienswijzen zijn door de gemeente Zwartewaterland beantwoord in de zienswijzennota opgenomen als bijlage 10 bij de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan. De zienswijzen hebben geen aanleiding gegeven tot planaanpassing. Onderhavig bestemmingsplan kan ongewijzigd worden vastgesteld.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11974436/1