CConstaterende datZwartewaterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1- Bestemmingsplan -Roskam en Klaver Toelichting

Raadsvergadering 10 november 2022, gemeente ZwartewaterlandBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen herontwikkeling bestemmingsplan Roskam en Klaver16.623 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver

Plangegevens Naam: Plantype: IMRO: Status:

Herontwikkeling Roskam en Klaver bestemmingsplan NL.IMRO.1896.BP0072-VS01 vastgesteld

Datum:

19-9-22

Projectnummer:

18JA070

Opdrachtgever:

Opsteller:

Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV Stationsstraat 37 7622 LW BORNE T) 074 – 255 7020 E) info@ad-fontem.nl

Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV | Stationsstraat 37 | 7622 LW Borne | T 074-2557020 | F 074-265967 | E info@ad-fontem.nl

Herontwikkeling Roskam en Klaver

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer

3 3 3 4 5 5

Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie

6 6 7

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid

10 10 13 20

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering 4.3 Geur 4.4 Bodem 4.5 Geluid 4.6 Luchtkwaliteit 4.7 Externe veiligheid 4.8 Water 4.9 Ecologie 4.10 Archeologie en Cultuurhistorie 4.11 Verkeer / parkeren

22 22 23 25 25 26 28 29 31 35 37 38

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek 5.2 Toelichting op de regels

40 40 40

Hoofdstuk 6

43

Economische uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg 7.2 Inspraakprocedure 7.3 Zienswijzen

44 44 44 44

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

2

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Voor de locatie Westeinde 13a en Westeinde 15 in Zwartsluis, het voormalige bedrijventerrein van zeevis groothandel Roskam en Klaver, is een plan ontwikkeld ten behoeve van woningbouw. De initiatiefnemers zijn voornemens om de bestaande bebouwing te slopen, zodat ruimte ontstaat voor de ontwikkeling van 13 appartementen en maximaal 9 vrijstaande woningen waarbij de mogelijkheid wordt gegeven om van twee vrijstaande woningen maximaal 4 twee-onder-1 kap woningen te maken. Deze ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan, omdat de huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden dit niet toelaat. Door het ontbreken van relevante afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk om de ontwikkeling mogelijk te maken. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Ligging Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Zwartsluis en bestaat uit het bedrijfsperceel ter plaatse van Westeinde 13a en het woonperceel Westeinde 15. Daarnaast uit een klein deel van het naastgelegen perceel. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Zwartsluis, sectie D, perceelnummers 3995, 3997 en deels 4582. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied globaal weergegeven.

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: atlasvanoverijssel.nl). Begrenzing De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto met kadastrale begrenzingen weergegeven waarop het plangebied te zien is (rood omkaderd). Zie de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan voor de exacte begrenzing van het plangebied.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

3

Figuur 1.2: Begrenzing plangebied (bron: atlasvanoverijssel.nl).

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Het perceel is gelegen binnen de beheersverordening ‘Bedrijventerreinen Zwartewaterland’, vastgesteld door de gemeente op 06-06-2013.

Figuur 1.3: Uitsnede beheersverordening 'Bedrijventerrein Zwartsluis' (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Aan het plangebied behorende bij Westeinde 13a is de bestemming 'Bedrijf' toegekend met een bouwvlak, de maatvoering maximale bouwhoogte van gedeeltelijk 7 meter en 6 meter, en een maximum bebouwingspercentage van 70%. Daarnaast bestaat de aanduiding 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie'. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor bestaande bedrijven. Daarnaast heeft de toegang tot het perceel de bestemming 'Verkeer - Verblijf'. Voor het gehele plangebied geldt de dubbelbestemming

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

4

'Waterstaat - Waterstaatkundige functie'. Aan het plangebied behorende bij Westeinde 15 is de bestemming 'Wonen' toegekend met een bouwvlak, de maatvoering maximum goothoogte 4 meter, maximum bouwhoogte 6 meter en op het zuidelijke deel van het perceel de aanduiding 'Waterstaat - Waterkering'. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor reguliere woningen. Het zuidelijke deel van het kadastrale perceel heeft de bestemming 'Water'. Een gedeelte van het plangebied heeft de bestemming 'Groen'. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor groenvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, verkeer- en verblijfsvoorzieningen, fiets- en voetpaden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Het geldende bestemmingsplan biedt daarmee geen mogelijkheden om de voorgenomen herontwikkeling te realiseren. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk.

1.4

De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige bestemmingsplan 'Herontwikkeling Roskam en Klaver' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1896.BP0072-VS01); Bijlagen bij de toelichting; Regels; Bijlagen bij de regels.

1.5

Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

5

Hoofdstuk 2 2.1

Het plan

Huidige situatie

Het plangebied ligt in het westelijke deel van de kern Zwartsluis. De nabije omgeving kenmerkt zich met name door woonfuncties en bedrijfsfuncties. Het plangebied wordt globaal begrenst door een groensingel aan de westzijde, de weg Westeinde aan de noordzijde, het water De Whaa aan de oostzijde en de provinciale weg aan de zuidzijde. In onderstaand figuur is een luchtfoto opgenomen van het plangebied.

Figuur 2.1: Luchtfoto met de kadastrale grenzen (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Het plangebied betreft het voormalige bedrijventerrein van de zeevis groothandel Roskam en Klaver. Momenteel worden de opstallen gebruikt voor opslag ten behoeve van het bedrijf wat momenteel ter plaatse gevestigd is. Ten zuiden van het bedrijfsterrein is een woonperceel aanwezig. Onderstaand zijn enkele foto's van het plangebied weergegeven.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

6

Figuur 2.2: Westeinde 15 Zwartsluis (bron: Google Maps)

Figuur 2.3: Westeinde 13a Zwartsluis (bron: Google Maps)

2.2

Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie wordt het plangebied opnieuw ingericht ten behoeve van woningbouw. Het plan bestaat uit de realisatie van 13 appartementen en 9 vrijstaande woningen waarvan twee vrijstaande omgezet kunnen worden naar maximaal 4 twee-onder-1-kap woningen. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een beeldkwaliteitsplan gemaakt (concept). Dit plan is als Bijlage 1 opgenomen bij de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan. Middels het beeldkwaliteitsplan wordt de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied geborgd. Voor de concrete inhoud wordt verwezen naar het beeldkwaliteitsplan. De belangrijkste uitgangspunten worden hierna besproken. De toekomstige indeling van het plangebied is weergegeven in figuur 2.4. Binnen het plangebied wordt er een ontsluitingsweg gerealiseerd die vanaf Het Westeinde door het plangebied naar het zuiden loopt. De verbinding met Het Westeinde vindt plaats middels een in- en uitrit. Rondom de ontsluitingsweg binnen het plangebied onder andere bomen en andere groenvoorzieningen worden geplant, om te zorgen voor een aantrekkelijke ruimtelijke

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

7

kwaliteit en klimaatadaptatie binnen het plangebied. De grondgebonden woningen zullen aan beide zijden van de ontsluitingsweg worden gesitueerd met een verspringende rooilijn, waarbij de voorgevel gesitueerd zal zijn op de ontsluitingsweg. Op eigen terrein zal ruimte zijn voor het parkeren van auto's. Het appartementengebouw wordt op het zuidelijke deel van het plangebied gesitueerd met daarnaast een parkeerterrein voor de bewoners van het appartementengebouw. In figuur 2.5 is een impressie opgenomen van een mogelijke zijaanzicht van het plangebied in de toekomstige situatie.

Figuur 2.4: Toekomstige indeling plangebied (bron: bdg Architecten).

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

8

Figuur 2.5: Impressie toekomstige situatie plangebied (bron: bdg Architecten).

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

9

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1.

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie Wonen is één van de basisbehoeften van mensen. In de Nationale Omgevingsvisie wordt aangegeven dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang. Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio's) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot.

De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het Rijk is systeemverantwoordelijk. Het is de rol van het Rijk om de kaders te stellen, te stimuleren, eventueel te sanctioneren, waar nodig middelen ter beschikking te stellen – bijvoorbeeld via de huurtoeslag, hypotheekrenteaftrek of de regeling woningbouwimpuls voor gemeenten – en met gemeenten en provincies samen te werken om (bovenlokale, inclusief grensoverschrijdende) knelpunten op te lossen en realisatie van de nationale belangen te waarborgen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de sloop van de huidige bebouwing aan de Westeinde 13-15 en in de realisatie van nieuwbouw in de vorm van 13 appartementen en 9 vrijstaande woningen, waarbij twee vrijstaande woningen omgezet kunnen worden naar maximaal 4 twee-onder-1-kap woningen. Zoals hierboven is beschreven ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving en de woningvoorraad bij de gemeenten

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

10

en provincies. In paragraaf 3.2 wordt het initiatief getoetst aan het provinciale beleid. Daarin wordt aangetoond dat het past binnen het provinciale beleid ten aanzien van wonen. Daarmee past het plan binnen de prioriteiten van de NOVI en kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid. 3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. Artikel 3.1.6 lid 2 Bro luidt als volgt: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De toetsing aan de ladder schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. stedelijke ontwikkeling: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen, met de daarbij behorende infrastructuur met bijbehorend groen en water en het hiertoe bouwrijp maken van gronden’. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.

De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Onderhavig plan De definitie voor een stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1, lid 1, Bro) luidt als volgt: Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Er is geen ondergrens bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is. Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Uit een uitspraak van de ABRvS op 16 september 2015 blijkt dat bij een ontwikkeling van 11 woningen geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 Bro (ABRvS 16 september 2015 ECLI:NL:RVS:2015:2921). Uit een ander uitspraak van de ABRvS op 25 maart 2015 blijkt dat bij een ontwikkeling van 12 woningen wel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 Bro (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953).

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als er minder dan 12 woningen worden ontwikkeld.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

11

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van 13 appartementen en 9 vrijstaande woningen waarbij de mogelijkheid gegeven wordt om van maximaal twee vrijstaande woningen 4 twee-onder-1-kap-woningen te maken. Bij een volledige planologische maakt onderhavig bestemmingsplan dus 24 woonfuncties mogelijk. Hieruit volgt de conclusie dat met dit totaal aantal te realiseren woonfuncties sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 Bro. Een stedelijke ontwikkeling dient in een behoefte te voorzien. Hieronder wordt ingegaan op de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Kwantitatief Naast de gemeentelijke woonvisie waarin het gemeentelijke beleid is vastgelegd is er in Overijssel een systeem van regionale woonafspraken. Uitgangspunt is dat iedere gemeente ontwikkelt voor de eigen behoefte, de provincie borgt dit. In het RWP Twente/West-Overijssel zijn afspraken vastgelegd waaraan gemeenten in Twente/West-Overijssel zich moeten houden. De woningvraag en -aanbod voor deze regio's zijn in kaart gebracht op basis van dezelfde uitgangspunten en er zijn afspraken gemaakt over programmering en afstemming van woonplannen. Over het plan dient regionale afstemming plaats te vinden, wanneer een plan bestaat voor een woningbouw van meer dan 25 woningen. Voorliggend bestemmingsplan maakt maximaal 24 woningen mogelijk.

Een regionale afstemming kan derhalve achterwege blijven. Er is in de gemeente Zwartewaterland nog voldoende ruimte in de verhouding tussen de netto woningvraag en het planologische aanbod van 395 woningen. De nieuwe woningen / appartementen binnen het plangebied zullen slechts een klein deel van deze ruimte benutten. Geacht wordt hiermee dat voorliggend plan in overeenstemming is met de woonafspraken. Voor een nadere toelichting hierop wordt naar paragraaf 3.3.2 verwezen. Kwalitatief In 2017 heeft de gemeente Zwartewaterland een woonvisie vastgesteld. Voorafgaand aan deze woonvisie is in de gemeente Zwartewaterland een woonbehoefteonderzoek uitgevoerd. Hierin staan een aantal zaken benoemd, die herontwikkeling van het terrein ten behoeve van woningbouw voor gezinnen (grondgebonden woningen) en ouderen (appartementen) ondersteunen (Bron: Woningbehoefteonderzoek Zwartewaterland en Woonvisie Zwartewaterland (2017). Hierna wordt op de verschillende van belang zijnde onderdelen ingegaan: Veel gezinnen, weinig jonge eenpersoonshuishoudens Zwartewaterland is niet de gemiddelde gemeente in Nederland. Er wonen relatief veel gezinnen en maar weinig jonge eenpersoonshuishoudens. Zwartewaterland kent dan ook relatief veel koopeengezinswoningen. Het hoge aandeel gezinnen zorgt in de gemeente Zwartewaterland voor veel aanwas van jonge kinderen.

Het geboorteoverschot (verschil tussen het aantal geboortes en het aantal sterfgevallen) ligt bijna 5 keer hoger dan het landelijk gemiddelde. Daar staat tegenover dat de gemeente Zwartewaterland de laatste jaren inwoners verliest door verhuizingen.

Figuur 3.1: Huishoudenssamenstelling in Zwartewaterland (bron: Woonvisie Zwartewaterland).

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

12

Sterke groei huishoudens tot 2025 De huishoudensgroei zet in de komende jaren nog stevig door in gemeente Zwartewaterland. In de periode 2015-2025 komen er zo'n 1.000 huishoudens bij. Vanaf 2025 wordt een afvlakking van de toename verwacht. Naast deze trendraming is ook een raming gemaakt van de situatie waarbij er geen sprake is van een negatief migratiesaldo (‘migratiesaldo = 0’, oftewel natuurlijke bevolkingsgroei). In deze variant komt de huishoudensgroei een stuk hoger uit (2.070 extra huishoudens tot 2040). Deze twee varianten van de huishoudensprognose bieden een bandbreedte waarbinnen het aantal huishoudens in Zwartewaterland zich kan gaan ontwikkelen. Recent is ook de referentieraming van Primos 2016 voor de gemeente Zwartewaterland verschenen. Deze voorspelt de komende 10 jaar tot 2040 een lagere huishoudensgroei dan de referentieraming van Primos 2015 (770 extra huishoudens versus 980 extra huishoudens). Voor de woonvisie en onderliggend woningbehoefteonderzoek is verder uitgegaan van Primos 2015. Behoorlijke toename gezinnen en vergrijzing in Zwartewaterland In de afgelopen tien jaar was er in de gemeente Zwartewaterland reeds sprake van enige ‘vergrijzing’. Met name het aantal ‘emptynesters’ (een- en tweepersoonshuishoudens van 55 tot 75 jaar) nam toe. Het aantal gezinnen nam iets af, maar bleef relatief hoog ten opzichte van het landelijke beeld.

Ook in de toekomst is er sprake van een sterke vergrijzing, met name van het aantal huishoudens van 75 jaar en ouder. De verwachting is dat dit aantal tot 2040 meer dan verdubbelt tot circa 1.900 huishoudens (zie figuur 3.1). Zwartsluis is van de drie kernen momenteel het meest vergrijst en Genemuiden juist het minste. Naar de toekomst toe worden de verschillen tussen de kernen kleiner en wordt de grootste toename van het aantal oudere huishoudens in Hasselt verwacht. Ook heeft Zwartewaterland te maken met ontgroening: het aantal jonge een- en tweepersoonshuishoudens zal naar verwachting op termijn dalen. Maar in tegenstelling tot veel andere dorpse en landelijke gemeenten wordt in Zwartewaterland wel een toename van het aantal gezinnen met kinderen verwacht tot 2040 met een kleine 300 huishoudens. Conclusie Met de realisatie van voorliggend plan kan er voorzien worden in een aanwezige behoefte binnen de gemeente Zwartewaterland. De vrijstaande woningen zijn geschikt voor gezinnen en de twee-onder-1-kap-woningen voor zowel starters als kleine gezinnen. De appartementen zijn geschikt voor senioren/ouderen die een- en tweepersoonshuishoudens hebben. Daarnaast worden de woningen/appartementen duurzaam gebouwd, waardoor deze de milieu niet zullen belasten.

Verder wordt geacht dat de appartementen, maar ook de grondgebonden woningen, geschikt zijn om daar voor een langere tijd te wonen. Dit omdat de kavels redelijk groot zijn voor eventueel toekomstige uitbreidingen en omdat zowel de appartementen als de woningen in alle hedendaagse wensen zullen voorzien. Tot slot is de beoogde woningbouwontwikkeling gelegen binnen het bestaande stedelijk gebied, waardoor wordt voldaan aan het principe van zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik (inbreiding voor uitbreiding). Resumerend kan worden geconcludeerd dat voorliggend plan een meerwaarde heeft voor de gemeente Zwartewaterland.

3.2

Provinciaal beleid Overijssel

3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

13

3.2.2

Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts.

De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleidsen kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

14

het uitgevoerd kan worden.

Figuur 3.2: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel). Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hierbij is onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 2.1.3) van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt. Hieronder worden de relevante beleidskeuzes besproken: artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

lid 2 Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

15

Doorwerking voor voorliggend plan: Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de sloop van bestaande bebouwing en in de nieuwbouw van nieuwe woningen/appartementen. Er is sprake van een herstructurering van ruimte binnen bestaand bebouwd gebied. Het plan voldoet daarmee aan het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Doorwerking voor voorliggend plan: Eén van de kenmerken van Zwartsluis is dat er aan het water wordt gewoond. De locaties voor woningbouw zijn in Zwartsluis zogenaamde 'transformatielocaties'. In voorliggend plan wordt het bestaande voormalige bedrijventerrein herontwikkeld, zodat mogelijk wordt om appartementen, vrijstaande en/of twee-onder-1 kap woningen te realiseren. De grondgebonden woningen worden aangesloten op de rooilijn van de woningen in de omgeving. Dit wordt gedaan op een verspringende wijze. Door het gebruiken van een transformatielocatie wordt tevens gebruik gemaakt van de kwaliteiten ter plaatse. Om de ruimtelijke kwaliteit te kunnen borgen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Geconcludeerd kan worden dat er voldaan wordt aan artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit.

Artikel 2.2.2 lid 1 en lid 4 (Realisatie nieuwe woningen) 1. Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw. 4. De behoefte aan nieuwe woningen zoals bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht te zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende woonafspraken zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming. Doorwerking voor voorliggend plan: Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 13 appartementen en 9 vrijstaande woningen, waarbij de mogelijkheid wordt gecreëerd om van twee vrijstaande woningen maximaal 4 twee-onder-1-kap woningen te maken. Er is sprake van een concrete behoefte vanuit de gemeente Zwartewaterland om deze locatie te herontwikkelen. In Zwartsluis is er namelijk meer ruimte voor woningen, uitgaande van het aanbod aan locaties, dan er woningvraag is. Dit wordt nader in paragraaf 3.3.2 toegelicht. Het voornemen verzet zich niet tegen het gestelde in artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening.

Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang. In figuur 3.3 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

16

Figuur 3.3: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is globaal omlijnd (bron: provincie Overijssel) Zoals uit bovenstaande figuur af te leiden valt, bevindt de locatie zich binnen het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. Hier geldt dat er altijd gebouwd mag worden voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem. De plannen van initiatiefnemers doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen extra belemmeringen op voor de functies in de omgeving. Er wordt rekening gehouden met de groen bestemmingen door het behouden van die bestemmingen en door het extra beplanten van bomen binnen het plangebied. Als gevolg van de ontwikkeling zullen de woningen aan de oostzijde van het plangebied en appartementen aan het water liggen, zodat aan het water gewoond kan worden. Dit is in lijn met de kenmerken van dit gebied. Gebiedskenmerken Natuurlijke laag De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier ‘van nature’ op vestigt.

Deze natuurlijke laag is het resultaat van de wisselwerking tussen abiotische (fysische) en biotische factoren en processen. Zo zorgden ijs-, wind- en waterstromen in Overijssel voor het ontstaan van een afwisselend landschap van stuwwallen, dekzandgronden, beekdalen en natte laagtes en bepaalden de stroomsnelheden van IJssel, Vecht, Regge of Dinkel waar het fijne (komgronden) en waar het grovere sediment (oeverwallen) werd afgezet. En ontwikkelde veen zich daar, waar het water maar moeilijk weg kon. De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Laagveengebieden (in cultuur gebracht)' (zie figuur 3.4). Het plangebied is globaal omlijnd.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

17

Figuur 3.4: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) De laagveengebieden beslaan grote gebieden waar onder invloed van stagnerend water en grondwater uitgestrekte veenmoerassen zijn ontstaan. Zwartsluis behoort tot de ontgonnen gebieden. De gronden hier zijn geschikt gemaakt om op te bouwen. Om die reden kan de natuurlijke laag buiten beschouwing worden gelaten, aangezien de oorspronkelijke waarden van deze laag niet meer voorkomen in het plangebied en/of de directe omgeving. Laag van het agrarisch cultuurlandschap Deze laag is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden - en worden - gebracht. De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'Laagveenontginningen' aan het gebied toe. In figuur 3.5 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven. Het plangebied is globaal omlijnd.

Figuur 3.5: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) De kenmerken van de 'Laagveenontginningen' zijn open, laag en nat landschap ontstaan door occupatie vanuit de bewoonde hogere randen. Deels door vervening, deels door alleen ontwatering. Kenmerkende zonering van intensief gebruik langs de bewoonde randen en extensief gebruik naar het achterland. Als ontwikkelingen plaatsvinden in de laagveenontginningen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van het lint als

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

18

karakteristieke bebouwingsstructuur. Het slotenpatroon en, waar aanwezig, de houtsingels als accentuering van de ruimtelijke structuur respecteren en versterken bij de verdere ontwikkeling van de agrarische functie. Bij het realiseren van de appartementen en grondgebonden woningen wordt er aangesloten op de karakteristieke bebouwingsstructuur van Zwartsluis. Ter plaatse is het oorspronkelijke slotenpatroon door begroeiing niet meer te zien. Omdat de sloot geen functie meer heeft en in de toekomst geen functie zal hebben, wordt deze drooggelegd. De begroeiing wordt zoveel mogelijk behouden en er worden in het plangebied bomen geplant om het eventuele verlies aan groen te compenseren. Stedelijke laag De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen. Het gaat in deze laag om de dynamiek van de steden en de grote infrastructurele verbindingen, maar ook om de rust van de dorpen en de landelijke wegen en paden. De bedrijventerreinen zijn georganiseerd op basis van uitgegeven kavels aan bedrijven. Het zijn meestal monofunctionele werkgebieden met een 'no nonsense' karakter en vaak krappe openbare ruimtes. De stedelijke laag kent het kenmerk 'Bedrijventerrein' aan het gebied toe. In figuur 3.6 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven. Het plangebied is globaal omlijnd.

Figuur 3.6: Stedelijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Als ontwikkelingen plaatsvinden op of rond bedrijventerreinen, dan dragen deze bij aan versterking van het vitale karakter en de kwaliteit van bedrijventerreinen, aan het verbinden van het terrein met de omgeving en aan versterking van de profilering gericht op onderlinge differentiatie, met respect voor het verstedelijkingspatroon. Als gevolg van de ontwikkeling zullen er op het voormalige bedrijventerrein woningen en appartementen worden gebouwd. De nieuwe bebouwing voegt zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel van de omgeving. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

19

planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie tevens woonvisie Zwartewaterland 2013

Op 25 april 2013 heeft de gemeenteraad van Zwartewaterland de Structuurvisie tevens woonvisie Zwartewaterland 2013 vastgesteld. In deze structuurvisie is de visie van de gemeente Zwartewaterland opgenomen over de ruimtelijke ontwikkelingen die tot 2025 wenselijk zijn in de gemeente. Daarbij moet worden opgemerkt dat er voor een aantal ontwikkelingen een onderscheid gemaakt wordt tussen de visie op korte termijn en de visie op langere termijn. We verstaan dan onder 'korte termijn' een periode van vijf jaar. Dit onderscheid komt ook terug in het uitvoeringsprogramma. Dat heeft er mee te maken dat bij visies op langere termijn niet goed te voorzien is of er niet voorziene (externe) ontwikkelingen zullen komen, die op termijn een correctie op de visie noodzakelijk maken. Op de structuurvisiekaart is het plangebied aangemerkt als 'Cultuurhistorie' en op de visiekaart voor de specifiek gebied is het plangebied aangemerkt als 'Voorzieningen bestaand'. In figuur 3.7 is de visiekaart weergegeven. Het plangebied is globaal omlijnd.

Figuur 3.7: fragment visiekaart (Bron: ruimtelijkeplannen.nl) Volgens de structuurvisie is er bijzondere aandacht nodig voor de kernontwikkeling in Zwartsluis. Door de beperkte uitbreidingsmogelijkheden zal de woningbehoefte vooral via transformatie moeten worden opgevangen, omdat de herstructurering van de corporatievoorraad grotendeels is afgerond. Extra aandacht en inzet van (onorthodoxe) middelen is noodzakelijk, omdat woningbouw in transformatiegebieden kostbaar en moeizaam te plannen is. In de visie wordt er op de invulling van deze locaties ingezet. In Zwartsluis is ruimte voor meer woningen, uitgaande van het aanbod aan locaties, dan er woningvraag is. Dit staat in de structuurvisie 2005-2020. De herontwikkeling van een voormalige bedrijfslocatie en een woonperceel sluit aan bij het beleid van de gemeente.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

20

3.3.2

Woonvisie Zwartewaterland 2017

Het toekomstbeeld voor de gemeente Zwartewaterland is een gemeente met onderscheidende en vitale kernen met een goed woon- en leefklimaat, waar iedereen met ‘roots’ in de gemeente kan (blijven) wonen als dat de woonwens is. Door ontgroening, vergrijzing en het grote vertrekoverschot van de laatste jaren, kan het voorzieningenniveau en de leefbaarheid van de kernen op termijn echter onder druk komen te staan. Om een gedifferentieerde en evenwichtige bevolkingsopbouw te behouden is meer differentiatie in de woningvoorraad gewenst, zodat zowel jongeren als ouderen en gezinnen in Zwartewaterland kunnen (blijven) wonen. De gemeente wil voorkomen dat bepaalde doelgroepen wegtrekken vanwege een gebrek aan passend aanbod in de gemeente Zwartewaterland. De ontwikkeling van levensloopbestendige appartementen en kavels waar gezinnen een vrijstaande woning kunnen bouwen, draagt bij aan de diversiteit van het woningaanbod. De demografische ontwikkelingen in Zwartewaterland zijn vergelijkbaar met de ontwikkelingen in andere gemeenten in Overijssel. Vergrijzing en toename van het aantal huishoudens zijn onderwerpen van gesprek.

Figuur 3.8: Plancapaciteit tot 2025 vergeleken met behoefte (bron: Woonvisie 2017) In bovenstaande tabel is de plancapaciteit tot 2025 afgezet tegen de woningbehoefte in die periode. Daaruit blijkt dat er in de huidige programmering tot 2025 nog ruimte is voor ca. 270 extra woningen, op basis van de trendraming van Primos 2015. Op basis van de trendraming van Primos 2016 bedraagt deze ruimte ca. 60 woningen. Wanneer wordt uitgegaan van de cijfers op basis van migratiesaldo=0 zal er echter tot 2025 nog ruimte zijn voor ca. 420 woningen. Op basis van alle scenario's past de geplande capaciteit tot 2025 in de verwachte woningbehoefte. Voor de periode tot 2040 wordt een verdere toename van het aantal huishoudens voorzien. Afhankelijk van de prognose (Primos 2015 of 2016 en Primos 2015 migratiesaldo = 0’) ligt dit binnen de bandbreedte 290 tot 950 woningen. Deze prognose biedt voldoende ruimte voor de voorgenomen ontwikkeling. In het bestemmingsplan ‘Om de Weede fase 1B Zuid, Hasselt’ wordt aangegeven dat er in de gemeente Zwartewaterland sprake is van een kwantitatieve actuele behoefte van 670 woningen voor de periode 2017 t/m 2026. Hiertoe komen we door de vraag op basis van actuele huishoudensprognose af te zetten tegen het aanbod in harde plannen (directe bouwtitels, uitwerkingsplichten en wijzigingsbevoegdheden). Woningvraag voor gemeente Zwartewaterland bedraagt 670 woningen.

Aanbod in harde plannen goed voor 412 woningen. De resterende actuele behoefte die hieruit volgt is 258 woningen. Er is dus ruimte in de verhouding tussen de woningvraag en het planologische aanbod van 258 woningen. Er resteert naast Hasselt om de Weede 1B Zuid nog ruimte voor 196 woningen. Daarnaast sluit het initiatief aan bij het principe ‘inbreiding gaat voor uitbreiding’ omdat onder andere een voormalige bedrijfslocatie herontwikkeld wordt waarbij zuinig en zorgvuldig wordt omgegaan met de ruimte. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de principes van het woonbeleid van de gemeente Zwartewaterland.

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

21

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets en conclusie Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r.

en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage.

Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

22

of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Dit omdat de nieuwe woonfuncties, mede dankzij de nieuwe woonfuncties die met het bestemmingsplan 'Westpunt Zwartsluis' mogelijk zijn gemaakt, goed binnen de omgeving past. Daarnaast wordt met de realisatie van nieuwe woonfuncties een bestaand bedrijfsfunctie wegbestemd, wat voor de omgeving vanuit milieu oogpunten wenselijker is. Een woonfunctie is immers geen milieubelastende functie voor de omgeving. Tot slot is het e.e.a. tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Geacht wordt hiermee dat deze paragraaf in dit geval beschouwd kan worden als de vormvrije m.e.r.-toets en derhalve een m.e.r.-aanmeldnotitie niet noodzakelijk is. Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect vormvrije m.e.r.-beoordeling geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.

4.2

Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

23

Toets en conclusie In het voorliggende geval ligt het plangebied binnen het bestaand bebouwd gebied in Zwartsluis. Door de aanwezigheid van meerdere functies (o.a. bedrijf, wonen en maatschappelijk) en doordat het plangebied gelegen is aan een vrij druk bereden weg, wordt geacht dat er sprake is van een gemengd gebied. Geacht wordt hiermee dat de richtafstanden vanuit de VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' met 1 trede verlaagd kunnen worden. Bij het realiseren van nieuwe bestemmingen dient er gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe milieugevoelige functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Aangezien woonfuncties milieugevoelige functies betreffen, dient er tussen een milieubelastend object (bedrijf) en de beoogde woningen/appartementen een bepaalde afstand te bestaan. In de omgeving van het plangebied zijn meerdere bedrijven gelegen. In de onderstaande tabel zijn de in de omgeving aanwezige bedrijven/andere milieubelastende functies genoemd welke van invloed kunnen zijn op het plangebied.

Daarbij is uitgegaan van de maximale planologische invulling van de betreffende bestemming. Tevens is aangegeven onder welke milieucategorie deze bestemmingen of functies vallen, welke richtafstand op basis van de VNG uitgave geadviseerd wordt en wat de onderlinge afstand is met de beoogde woonfuncties op het plangebied. Daarbij is gemeten vanaf de kadastrale perceelsgrens van de milieubelastende functie tot de plek waar de dichtstbijzijnde milieugevoelige functie (woning) wordt beoogd. Adres

Bestemming

Huidige functie

Maximale plan invulling/ Milieucategorie

Richt afstand gemengd gebied

Onderlinge afstand met de beoogde woon functies

Westeinde 17

Bedrijf

Drukkerij

Bedrijfsfuncties/ 10 m Milieucategorie 2

ca. 15 m

Westeinde 27

Bedrijf

Bouwmarkt

Bedrijfsfuncties/ 10 m Milieucategorie 2

ca. 15 m

Westeinde 41

Wonen

Softwarebedrijf/ Bedrijfsfuncties/ 0 m - kantoor Milieucategorie 1

ca. 80 m

Stroombeek 1a Maatschappelijk Begraafplaats Begraafplaats

Begraafplaats/ 0m Milieucategorie 1

ca. 120 m

Wolvenjacht 2

Recreatie Jachthaven

Botenverhuur

Botenverhuur/ Milieucategorie 3.1

30 m

ca. 100 m

Adelaarstraat 6

Bedrijf

Tapijtfabriek

Tapijtfabriek/ Milieucategorie 4.1

100 m

ca. 178 m

Gezien de onderlinge afstand vanaf de perceelsgrens van de genoemde bedrijven tot ongeveer de plek waar de dichtstbijzijnde woonfunctie wordt beoogd telkens meer bedraagt dan de grootste richtafstand die voor de betreffende functie wordt geadviseerd op basis van de VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van de beoogde woonfuncties sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van zowel grondgebonden woningen als appartementen mogelijk. Woonfuncties zijn niet milieubelastend. Dit betekent dat er geen

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

24

sprake is van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Omgekeerd worden ook geen bedrijven aangetast in hun ontwikkelingsmogelijkheden gezien de richtafstanden vanuit de VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' ruimschoots worden behaald. Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.

4.3

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets en conclusie In de nabije omgeving bevinden zich geen agrarische bedrijven met dieren. Vanuit dit aspect worden dan ook geen belemmeringen verwacht voor voorliggend bestemmingsplan.

4.4

Bodem

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Bodemonderzoek Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek (projectnummer 193931/JJS , d.d. 20 juni 2019) om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen (zie bijlage 2). Bij het verkennende bodemonderzoek is de onderzoekslocatie beschouwd als onverdachte niet-lijnvormige locatie.

De kwaliteit van de grond en het grondwater ter plaatse van de locatie is met het uitgevoerde geactualiseerd verkennend bodemonderzoek voldoende vastgesteld. In de onderzochte bovengrondmonsters zijn maximaal achtergrondwaarde overschrijdingen aan lood, zink, PAK, PCB en minerale olie aangetoond. In de onderzochte monsters van de ondergrond zijn maximaal achtergrondwaarde overschrijdingen aan cadmium, kwik, lood, zink, PAK en minerale olie aangetoond. In het grondwater is maximaal een streefwaarde overschrijding aan barium aangetoond. De achtergrondwaarde overschrijdingen zijn deels te relateren aan de bijmengingen

bestemmingsplan Herontwikkeling Roskam en Klaver NL.IMRO.1896.BP0072-VS01

25

(baksteen, puin, kooltjes, glas) in de grond. De achtergrondwaarde overschrijdingen in de zintuiglijk schone grond zijn niet eenduidig te verklaren. Op grond van onderliggend onderzoek zijn er, ten aanzien van de kwaliteit van de bodem, op basis van de Wet bodembescherming (Wbb) geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. Ter plaatse van inspectiegat 03, 04 en 11 op de noordwestzijde van de locatie is asbest (<20 mm) en asbestmateriaal (>20 mm) aangetoond. Hierbij overschrijdt het totaal gewogen asbestgehalte de norm voor nader onderzoek van 50 mg/kg ds. Ter plaatse van de overige inspectiegaten is plaatselijk analytisch asbest (<20 mm) en geen asbestmateriaal (>20 mm) aangetoond. Hierbij overschrijdt het totaal gewogen asbestgehalte de norm voor nader onderzoek van 50 mg/kg ds niet. Naar aanleiding van de resultaten is een nader bodemonderzoek asbest uitgevoerd. Op de noordwestzijde van de locatie is in 4 van de 5 sleuven asbestmateriaal (> 20 mm) aangetoond. Daarnaast is in 3 van de 5 sleuven analytisch asbest (< 20 mm) aangetoond. Hierbij overschrijdt het totaal gewogen asbestgehalte de interventiewaarde van 100 mg/kg ds ter plaatse van inspectiesleuf SL04 (traject: 0,0 – 0,3 m –mv.) en SL05 (traject: 0,0 – 0,3 m –mv.). Ter plaatse van de overige inspectiesleuven wordt de interventiewaarde niet overschreden. De herkomst van het asbestmateriaal in de grond is niet bekend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11974436/1