CConstaterende datZwartewaterland
Koppel je AI →
Document · PDF

b. Bijlage 2 - Rapport van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten 30 oktober 2020 -Rapport Roemer

Raadsvergadering 20 mei 2021, gemeente ZwartewaterlandBij agendapunt: Raadsvoorstel Vervolgtraject arbeidsmigranten en beschikbaar stellen krediet30.160 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

‹

B

Invoering verhuurdersvergunning Met een sluitende registratie van feitelijk verblijfadres (zie hoofdstuk 3 over registratie) krijgt de gemeente beter zicht op de woonsituatie van arbeidsmigranten. Maar instrumenten om effectief op te treden tegen oneigenlijk gebruik van woningen zijn beperkt als de situatie eenmaal bestaat. Daarom adviseert het Aanjaagteam om gemeenten de mogelijkheid te geven een verhuurdersvergunning in te voeren. Kern van de verhuurdersvergunning moet zijn dat gemeenten eisen kunnen stellen aan de verhuurder, zoals bijvoorbeeld een Bibob-toets (een mogelijkheid voor een overheids­ orgaan om een onderzoek in te stellen naar een vergunnings(aanvraag) gebaseerd op de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur).38 Ook kunnen gemeenten via de vergunning eisen stellen aan het aantal personen waaraan mag worden verhuurd en (voor zover mogelijk) aan kenmerken van de doelgroep waaraan mag worden verhuurd. Indien nodig, kunnen gemeenten bestuursrechtelijk beboeten of anderszins bestuursrechtelijk optreden met, in de meest vergaande variant, het sluiten van het pand en gedwongen verkoop of zelfs onteigening.

Het Aanjaagteam adviseert dat de verhuurdersvergunning niet alleen betrekking heeft op eengezinswoningen en verkamering, maar ook ziet op huisvesting op het bedrijfsterrein en vormen van groepshuisvesting, in door de gemeente aan te wijzen gebieden. Het Aanjaagteam adviseert het mogelijk te maken dat, bij het aanwijzen van gebieden binnen de gemeente waarop de verhuurdersvergunning van toepassing wordt verklaard, bestaande verhuursituaties hier ook onder te laten vallen , zodat dus een verhuurdersvergunning moet worden aangevraagd. Bij een negatief besluit door de gemeente zal een redelijke termijn moeten worden gesteld om de bestaande verhuur­situatie te beëindigen. Gemeenten kunnen hiermee malafide verhuurders weren en ongewenste bestaande situaties beëindigen. Een aantal initiatieven zoals in Groningen (algemene vergunning voor kamerverhuur) en Schiedam (gericht vergunningsbeleid bij overlast) biedt hiervoor

38 De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (http://wetten.overheid.nl/ BWBR0013798/2016-07-01) (Bibob) is een (preventief) bestuursrechtelijk instrument. Als er een ernstig gevaar dreigt dat bijvoorbeeld een vergunning wordt misbruikt, kan de bevoegde overheidsinstantie de aanvraag weigeren of de afgegeven vergunning intrekken.

›

≡

40 | Geen tweederangsburgers

houvast. Het Rijk moet de juiste wettelijke grondslag creëren, die niet afhankelijk moet zijn van schaarste op de woningmarkt, maar te allen tijde moet kunnen worden ingezet bij wantoestanden door verhuurders, in dit geval met arbeidsmigranten als huurders. Om te voorkomen dat iedere gemeente bij toepassing van dit nieuwe instrument zelf het wiel moet uitvinden dient er, bij voorkeur in samenwerking met de VNG, aandacht voor te zijn in een handreiking en dient een modelvergunning te worden opgesteld. Een door het kabinet aangekondigde maatregel als de opkoopbescherming, zou ook moeten worden bezien op bruikbaarheid tegen malafide opkopers die arbeidsmigranten uitbuiten. Opgekochte panden worden in de praktijk namelijk ook wel misbruikt om te verkameren en arbeidsmigranten te huisvesten onder slechte omstandigheden.

C

Handhaving door gemeenten De kwaliteit van lokaal beleid staat of valt met goede handhaving en toezicht. Maar door de kluwen aan wet- en regelgeving rondom huisvesting is ook goede handhaving en toezicht een uitdaging. De handreiking aan gemeenten met sturingsmogelijkheden zou dus ook uitleg moeten bevatten over de mogelijkheden om te handhaven, op basis van ten minste het bestemmingsplan, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Bouwbesluit, de Huisvestingswet en in extreme gevallen op basis van de Woningwet.

‹

4.2 Stimuleren om tot meer huisvesting voor arbeidsmigranten te komen Gezien de schaarste aan woningen heeft de zoektocht naar nieuwe locaties de hoogste prioriteit. Daarnaast moet worden gekeken naar de mogelijkheden voor het verdelen van de arbeidsmigranten over de bestaande voorraad woningen. Er wordt nu immers gewoond op plaatsen waar dat niet gewenst is. De Nationale Verklaring uit 2012 heeft laten zien dat overheden, belangenbehartigers en bedrijfsleven bereid zijn om de handen ineen te slaan om het huisvestingsprobleem voor arbeidsmigranten aan te pakken. Het gevoel van urgentie is echter de afgelopen jaren weggeëbd en de resultaten waren onvoldoende om de groei van het aantal arbeidsmigranten bij te houden. Het Aanjaagteam adviseert daarom de Nationale Verklaring uit 2012 te revitaliseren en te borgen dat de aandacht erop gericht blijft. Daartoe dient de voortgang hiervan opgenomen te worden in de jaarlijkse rapportage Arbeidsmigranten aan de Tweede Kamer die beschreven is in het hoofdstuk over institutionele inbedding.

A

Afspraken over de landelijke opgave en gemeentelijke opgave Het Aanjaagteam adviseert dat het Rijk en de provincies in 2021 afspraken maken over de huisvesting van arbeidsmigranten als vast onderdeel van de landelijke woningbouwopgave. Het ministerie van BZK zou jaarlijks de opgave voor de aandachtsgroep arbeidsmigranten op nationaal niveau moeten vaststellen. Deze landelijke opgave zou gebaseerd moeten zijn op de provinciale en regionale analyse van het tekort aan huisvesting voor arbeidsmigranten. Deze landelijke opgave dient in overleg met provincies vertaald te worden tot gemeentelijke opgaven. Provincies dienen in het provinciale RO-beleid voldoende ruimte te geven voor het realiseren van opgave voor huisvesting van arbeidsmigranten. Gemeenten zouden de mogelijkheid moeten hebben te schuiven met de opgave in regionaal verband, onder de voorwaarde dat de opgave als totaal wordt gehaald: wat de ene gemeente niet realiseert zou de andere gemeente extra moeten realiseren.

›

≡

41 | Geen tweederangsburgers

B

Regionale deals voor meer huisvesting Huisvesting van arbeidsmigranten is een regionale opgave. De provincie organiseert afspraken met gemeenten binnen de regio’s. Daarbij wordt samengewerkt met overheden, bedrijfsleven en huisvesters. Provincies zouden de inzet van regiodeals en regionale beheersstichtingen, waar goede voorbeelden van bestaan zoals in Tiel en West-Friesland, moeten stimuleren. Woningbouwcorporaties kunnen een belangrijke partij zijn bij het oplossen van het huistingsprobleem voor arbeidsmigranten. De corporaties waren in 2012 medeondertekenaar van het Nationaal Akkoord en realiseren in 2020 ook weer huisvesting voor arbeidsmigranten blijkens de Staat van de Woningmarkt. Het Aanjaagteam adviseert dan ook de corporaties nadrukkelijk te betrekken bij de regionale deals voor meer huisvesting.

C

Effectrapportage bij nieuwe bedrijvigheid Bij besluitvorming over nieuwe bedrijvigheid zouden gemeenten en provincies de huisvestingsvraag als gevolg van de inzet van arbeidsmigranten onderdeel moeten maken van het vestigingsbeleid. Daardoor worden potentiële knelpunten met betrekking tot de huisvesting van arbeidsmigranten eerder onderkend. Deze verplichting zou moeten worden vastgelegd in de provinciale RO-verordening.

‹

4.3 Betere kwaliteit van de huisvesting Het Aanjaagteam ziet een taak voor de bestaande keurmerken om het gebruik van de keurmerken te stimuleren en de normen aan te scherpen en onderling te integreren. Het Rijk zou via de jaarrapportage in de gaten moeten houden of dat voldoende vordert. Gezien de urgentie heeft de Rijksoverheid de verantwoordelijkheid om wettelijk vastgelegd beleid voor de kwaliteit te realiseren als dat niet of onvoldoende lukt in de markt zelf.

A

Integreer het SNF- en AKF-keurmerk Het bestaan van twee keurmerken met verschillende normen leidt tot veel discussie in de praktijk. De SNF- en AKF keurmerken komen grotendeels met elkaar overeen, maar kennen ook enkele wezenlijke verschillen39. Het gaat daarbij om: - Steekproefsgewijze controle (SNF) versus 100% controle van de locaties (AKF); - Centrale administratie van alle huisvestingslocaties (SNF) versus administratie door de deelnemer aan het keurmerk (AKF); - Aangekondigde controles en alleen onverwacht naar aanleiding van klachten (SNF) versus onverwachte controles (10% bij AKF); - Het niet toestaan van mobiele huisvesting zoals caravans en portocabins (SNF) versus het wel toestaan daarvan (AKF); - Alle woonfuncties onder één dak (SNF) versus niet onder één dak (AKF); - Minimale eisen aan oppervlakte slaapvertrek (3,5 m2) (SNF) versus geen minimale eisen (AKF); - Wel (SNF) of geen (AKF) eisen aan beheer; - Openstaan voor alle werkgevers (SNF) of niet (AKF – alleen agrarische werkgevers met werknemers in dienst waarvoor huisvesting wordt aangeboden). De verschillen tussen de keurmerken komen vooral voort uit de sector waaruit ze zijn ontstaan: uitzendbranche versus agrarische sector. AKF is gericht op de land- en tuinbouw waarbij tijdens de oogstperiode gedurende korte tijd (kleinschalige) huisvesting nodig is,

39 De volledige tabel is te vinden op: https://flexwonen.nl/wpcms/wp-content/uploads/2020/02/ Overeenkomsten-en-verschillen-AKF-en-SNF-26-februari-2020.pdf

›

≡

42 | Geen tweederangsburgers

waar SNF zich richt op meer langdurige inzet van uitzendkrachten en daarbij behorende meer grootschalige huisvesting. Het Aanjaagteam pleit voor een integratie van beide keurmerken tot één keurmerk langs de volgende inhoudelijke lijnen: - Huisvesting op het werk mag, indien het voldoet aan de eisen van het (geïntegreerde) keurmerk en er sprake is van een zelfstandig huurcontract; - Er vindt een 100% controle plaats van de locaties en naar aanleiding van klachten; - Er is een centrale administratie van de huisvestingslocaties beschikbaar bij het keurmerk; - Mobiele huisvesting kan voor de duur van een oogstseizoen en niet buiten de periode 1 april tot 1 oktober, met een maximum van 4 maanden. Huisvesting moet (AKF-) gecertificeerd zijn. Bewoning buiten deze periode is niet toegestaan. Ook mobiele huisvesting vereist een verhuurdersvergunning en gaat gepaard met een huurcontract ‘naar aard van korte duur’; - Woonfuncties moeten onder één dak zijn, tenzij sprake is van mobiele huisvesting; - Ook mobiele locaties moeten voldoen aan de wet- en regelgeving en worden toegepast binnen de juiste bestemming.

Ook een stacaravan moet nu al voldoen aan het Bouwbesluit, toercaravans zijn niet geschikt om in te wonen en de gemeente kan met het bestemmingsplan mobiele oplossingen wel of niet toestaan; - 1 persoon per slaapkamer met een minimaal oppervlakte van 5,5 m2 (ongeveer 3 keer het oppervlakte van een éénpersoonsbed) en de woonvoorziening heeft minimaal 15 m2 leefoppervlakte per persoon (inclusief genoemde 5,5 m2); - Er is sprake van beheer waar ook eisen aan worden gesteld; - Een geïntegreerd keurmerk staat voor alle werkgevers en uitzenders open; De huisvesting wordt gecertificeerd, niet de verhuurder of aanbieder van de huisvesting.

‹

Het geïntegreerde keurmerk valt onder de werking van de Raad voor de Accreditatie.

B

Overgang naar de nieuwe norm Nieuwe woningbouw en te transformeren panden zouden moeten voldoen aan het Bouwbesluit en het geïntegreerde SNF/AKF-keurmerk. Gemeenten kunnen dit niet stellen als voorwaarde voor het afgeven van een (ver)bouwvergunning (vanwege uitputtendheid van het Bouwbesluit en art. 122 Woningwet en jurisprudentie). Daarom adviseert het Aanjaagteam het mogelijk te maken dat gemeenten deze eis kunnen stellen in het kader van de verhuurvergunning: gemeenten moeten daarin de eis kunnen opnemen dat de huurder een ruimte huurt die voldoet aan de eisen van het geïntegreerde SNF/AKF-keurmerk. Bestaande huisvestingslocaties zouden een redelijke termijn moeten krijgen om de transformatie naar de nieuwe norm te laten plaatsvinden. Het Aanjaagteam adviseert het geïntegreerde keurmerk daartoe een voorstel te laten ontwikkelen.

C

Aangepaste oppervlaktenorm in het Bouwbesluit Op dit moment is de norm voor leefoppervlakte in het Bouwbesluit per persoon 12 m2.40 Aan het Bouwbesluit zouden eisen moeten worden toegevoegd voor de huisvesting van arbeidsmigranten naar analogie van de bepalingen voor studenten. Daarin wordt een ondergrens voor woonoppervlakte van 15 m2 vastgelegd. Hoewel het Bouwbesluit per 1 januari 2022 opgaat in de Omgevingswet, kan het vastleggen van deze norm in het Bouwbesluit ervoor zorgen dat de 15 m2 ook een vertrekpunt vormt voor beleid in decentrale omgevingsplannen.

40 Zie artikel 7.18 over ‘overbewoning’.

›

≡

43 | Geen tweederangsburgers

D

Geïntegreerd SNF/AKF keurmerk voor overige woonvormen Voor alle woonvormen, ook die op bedrijfsterreinen, boerenbedrijven of vakantieparken, moet het SNF- of AKF-keurmerk worden gehanteerd door uitzendbureaus. Het Aanjaagteam adviseert aan SNF en AKF om woonoppervlakte-eisen voor huisvesting zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen drie jaar op te trekken naar minimaal 15 m2 conform de aanbeveling voor het Bouwbesluit. Als blijkt dat dit niet haalbaar is, adviseert het Aanjaagteam dat het kabinet wettelijke middelen inzet om kwaliteitsverhoging van de huisvesting voor arbeidsmigranten af te dwingen en daarmee gelijke rechten voor arbeidsmigranten te realiseren.

E

Samenwerking tussen gemeenten en keurmerken in de handhaving Het is belangrijk dat alle huisvestingslocaties voor arbeidsmigranten deelnemen aan een keurmerk voor huisvesting (SNF, AKF of, zoals het Aanjaagteam adviseert, een gezamenlijk keurmerk) en aan de eisen voldoen. Daarom stelt het Aanjaagteam voor dat het voor gemeenten juridisch mogelijk wordt gemaakt dat gemeenten deze eis kunnen stellen, bijvoorbeeld via de eerder vermelde verhuurdersvergunning. Om te kunnen toetsen of alle huisvestingslocaties ook daadwerkelijk een keurmerk bezitten, dient gegevensuitwisseling mogelijk te zijn tussen het keurmerk en de gemeenten. Gemeenten moeten zicht hebben op alle huisvestingslocaties voor arbeidsmigranten in de gemeenten en dienen daartoe het overzicht te krijgen vanuit het (geïntegreerde) keurmerk.

‹

Het keurmerk voert controles uit en geconstateerde tekortkomingen worden opgelost waarbij het keurmerk later constateert of de problemen ook daadwerkelijk zijn opgelost. In situaties waar dat niet lukt, dient het keurmerk te worden ingetrokken voor de desbetreffende locatie en de gemeente daarover te worden geïnformeerd. Wanneer duidelijk wordt welke huisvesting niet gecertificeerd is, zouden de locaties moeten worden opgeheven, en wordt de huisvester verantwoordelijk voor alternatieve huisvesting. Gemeenten zouden een handhavingsstrategie moeten hebben ten aanzien van het totaal van de arbeidsmigrantenhuisvesting, waar de signalen vanuit de keurmerken één van de informatiebronnen zijn.

4.4 Woonbescherming voor de arbeidsmigrant Het is belangrijk dat voor de arbeidsmigrant een vorm van woonbescherming komt die de afhankelijkheid van de werkgever inperkt. Doel is dat bij verlies aan werk men gebruik mag blijven maken van de huisvesting zolang men de kosten vergoedt en bij het niet meer kunnen betalen van de kosten (vanwege het verlies aan inkomen) er een redelijke termijn is om het vertrek naar het thuisland te regelen dan wel ander werk te vinden.

A

Een zelfstandig huurcontract voor alle woonvormen In het eerste advies van het Aanjaagteam is al geadviseerd dat alle verblijf van arbeidsmigranten, op het bedrijfsterrein of in een vorm van groepswijze huisvesting, gebaseerd moet zijn op een zelfstandig huurcontract. Onderdeel van een huurcontract is een opzegtermijn voor de verhuurder van minimaal één maand. Indien de verwachting is dat het verblijf korter dan vier maanden zal zijn, dan kan een huurcontract ‘naar aard van korte duur’ volstaan. Met de private partijen en het geïntegreerde SNF/AKF- keurmerk zouden daarvoor afspraken moeten worden gemaakt over de tijdslimiet van deze contractvorm. Een termijn van vier maanden sluit aan bij de zogenaamde oogstkalender van de land- en tuinbouwsector en creëert verbinding met de verplichting dat een arbeidsmigrant zich als ingezetene registreert.

›

≡

44 | Geen tweederangsburgers

Indien het verblijf langer gaat duren dan vier maanden, zou het gebruik van de huisvesting gebaseerd moeten zijn op een tijdelijk huurcontract (maximaal twee jaar voor zelfstandige woonruimte en vijf jaar voor onzelfstandige woonruimte). Met die contractvorm bestaat er huurbescherming, omdat de verhuurder niet tussentijds kan opzeggen, en huurprijs­ bescherming, doordat toetsing van de huurprijs bij de huurcommissie mogelijk is. In geval het niet mogelijk blijkt om met de private partijen tot een dergelijke afspraak te komen adviseert het Aanjaagteam wet- en regelgeving dusdanig aan te passen dat alsnog op deze wijze voor de arbeidsmigrant wettelijke woonbescherming ontstaat. Via de jaarrapportage arbeidsmigranten (zie hoofdstuk institutionele inbedding) dient over de voortgang van het gebruik van contractvormen gerapporteerd te worden.

B

‹

Ontkoppeling huur- en arbeidscontract op papier en in de praktijk Waar een integraal contract voor arbeid en wonen als service richting de arbeidsmigrant kan worden gezien, wordt de arbeidsmigrant hierdoor ook afhankelijk van de werkgever. Daarom adviseert het Aanjaagteam te streven naar ontkoppeling van arbeidscontracten en huurcontracten. Deze ontkoppeling kan op meerdere manieren vorm krijgen: - door als onderdeel van de certificering van uitzendbureaus en in het geïntegreerde SNF/AKF keurmerk op te nemen dat geen sprake mag zijn van integrale contracten en daarbij ook aan te geven dat twee losse contracten, evt. met dezelfde rechtspersoon de standaard worden; - door te stimuleren dat uitzendbedrijven hun huisvestingsactiviteiten ontkoppelen van de uitzendactiviteiten en de huisvestingsvraag wordt ingevuld door in huisvesting gespecialiseerde bedrijven die zo veel als mogelijk de diensten direct aan arbeids­ migranten aanbieden. Het zal enige tijd duren alvorens het beoogde einddoel van volledige ontkoppeling tussen werk en wonen bereikt kan zijn omdat er eerst voldoende hoogwaardige huisvestinglocaties beschikbaar moet zijn (en gemeenten daar in de bestemmingsplannen de ruimte voor geven) en uitzenders en huisvesters tijd nodig hebben om dat ook in de praktijk vorm te geven. Daarom stelt het Aanjaagteam bovenstaande stappen voor.

›

≡

45 | Geen tweederangsburgers

5

Gezondheid en welzijn van arbeidsmigranten

Het Aanjaagteam constateert verschillende problemen op het gebied van gezondheid en welzijn van arbeidsmigranten in Nederland. Arbeidsmigranten die fysiek werk verrichten en lange dagen maken, lopen extra risico op lichamelijke klachten door het werk. Daarnaast heeft het Aanjaagteam te horen gekregen dat er ook een groep arbeidsmigranten in Nederland is die last heeft van onzekerheid en psychische klachten. Door onbekendheid met het Nederlandse zorgsysteem en door de angst om hun baan te verliezen bij ziekte, blijven arbeidsmigranten onnodig lang rondlopen met klachten waardoor zij uiteindelijk te laat de juiste zorg ontvangen.

Zorgpas

‹

Het Aanjaagteam heeft situaties aangetroffen waarbij arbeidsmigranten wel via het loon een zorgpremie betalen, maar geen beschikking hebben over een zorgpas, zorgpolis of ander bewijs van verzekering. Dat zorgt voor onzekerheid en onrust bij deze mensen, waardoor zij bijvoorbeeld minder snel naar de huisarts durven. Een zorgpas of de zorgpolis is een middel om aan te tonen dat je verzekerd bent, maar dit is niet het enige bewijs. Een zorgverlener kan op basis van het BSN checken of iemand verzekerd is. Dan is een zorgpas in principe dus niet nodig. Dat neemt echter niet weg dat een arbeidsmigrant die geen zorgpas of zorgpolis heeft ontvangen, het gevoel heeft onverzekerd te zijn. Steeds meer zorgverzekeraars gaan ertoe over de zorgpas en/of polis digitaal te verstrekken. Gecombineerd met toegang tot de ‘mijn omgeving’ van de verzekerde arbeidsmigrant is het fysiek verstrekken van een zorgpas of polis steeds minder nodig. Met een DigiD (die een arbeidsmigrant dan wel moet hebben) kan de arbeidsmigrant toegang krijgen tot de ‘mijn omgeving’. Daarnaast treft de Inspectie SZW ook situaties aan waarbij de werkgevers wel de kosten van een zorgverzekering inhouden op het loon, maar geen verzekering afsluiten. Dit is een vorm van oplichting. Deze arbeidsmigranten zijn dus daadwerkelijk onbewust onverzekerd – een zeer onwenselijke situatie.

Ook de toegang van arbeidsmigranten tot de zorg zelf is een probleem. Ingezetenen moeten een zorgverzekering hebben.41 Deze verzekeringsplicht geldt ook voor niet-ingezetenen die loonbelastingplichtig zijn vanwege in Nederland verrichte arbeid. Een zorgverzekering vervalt ingevolge de Zorgverzekeringswet van rechtswege als de verzekeringsplicht eindigt. Om arbeidsmigranten een goede zorgverzekering te kunnen bieden, zijn er veel werkgevers die voor de arbeidsmigrant een zorgverzekering regelen en de premie inhouden op het loon. Dit kan een prima service zijn voor arbeidsmigranten die voor een korte periode in Nederland zijn om te werken en op deze wijze zich niet het (ingewikkelde) Nederlandse zorgstelstel eigen hoeven te maken. Maar het probleem is dat arbeidsmigranten die hun baan verliezen vrijwel altijd ook per direct onverzekerd raken. Een arbeidsmigrant is immers zelden een ingezetene. Tijdens de coronacrisis werd dit pijnlijk duidelijk, toen arbeids­ migranten die zich ziekmeldden hun arbeidscontract verloren en dus ook hun aanspraak op zorg. Dat is onwenselijk, en draagt bovendien bij aan de afhankelijkheid van arbeids­ migranten van de werkgever.

41 Dit is een andere definitie van ingezetene dan gehanteerd wordt in de BRP.

›

≡

46 | Geen tweederangsburgers

Naast toegang tot goede zorg, ontbreken er in sommige gevallen ook medische faciliteiten en voorzieningen in de omgeving van arbeidsmigranten. Zijn er genoeg huisartsen in de buurt waar een arbeidsmigrant naar toe kan als een nieuwe grote woonlocatie voor arbeidsmigranten ontstaat? Is de arbeidsmigrant goed op de hoogte qua rechten en toegang met betrekking tot zorg en welzijn? Dit hangt samen met het uitgangspunt van het Aanjaagteam dat we bewust beleid moeten gaan maken voor arbeidsmigranten. Als een gemeente bijvoorbeeld weet dat een grote groep arbeidsmigranten moet worden gehuisvest, zou de gemeente ook rekening moeten houden met de bijbehorende voorzieningen voor zorg en welzijn. Ook zorgverzekeraars hebben hierin een rol vanwege de zorgplicht jegens de arbeidsmigranten waarvoor zij een zorgverzekering hebben lopen. Als laatste is het belangrijk dat er duidelijke voorlichting komt over het Nederlandse zorgsysteem.

Goed voorbeeld: Zorg en Zekerheid en HollandZorg Zorgverzekeraar Zorg en Zekerheid heeft een aparte portal voor de arbeidsmigranten ingericht. Op het moment dat een BSN is afgegeven kan een uitzendbureau de arbeidsmigrant aanmelden voor een zorgverzekering, zo nodig met terugwerkende kracht.

‹

In de praktijk komt het voor dat een ‘nieuwe’ arbeidsmigrant zorg behoeft terwijl deze nog niet is aangemeld omdat het BSN nog niet is afgegeven. Mocht een verzekering om deze reden nog niet tot stand zijn gekomen dan neemt het uitzendbureau contact op met Zorg en Zekerheid en stelt de zorgverzekeraar zich garant voor de zorgkosten, zodat de arbeidsmigrant de zorg krijgt die hij nodig heeft. De polisvoorwaarden worden naast het Nederlands ook in het Pools en in het Engels beschikbaar gesteld. Zorgverzekeraar HollandZorg verstrekt sinds 1 juli aan alle arbeidsmigranten waarvan een email -adres bekend is, rechtstreeks digitaal een polisblad en een zorgpas. De polisvoorwaarden en de meest relevante stukken zijn in het Nederlands, Engels, Pools en Roemeens. Via de persoonlijke ‘mijn omgeving’ heeft de arbeidsmigrant ook alle relevante informatie beschikbaar. Ook HollandZorg gebruikt een vergelijkbaar portal, inclusief een garantstelling.

Wat gezondheidszorg betreft hanteert het Aanjaagteam twee doelen. Ten eerste moeten arbeidsmigranten kunnen rekenen op goede gezondheidszorg tijdens hun verblijf in Nederland. En ten tweede mag zorg niet een manier zijn waarop arbeidsmigranten afhankelijk worden gemaakt van hun werkgever. Het Aanjaagteam erkent dat het nuttig kan zijn voor zowel werkgever als arbeidsmigrant als de werkgever een zorgverzekering regelt. Daar willen wij ruimte voor geven. Het knelpunt zit in de directe beëindiging van de zorgverzekering bij verlies van een arbeidscontract. Het Aanjaagteam beveelt om die reden aan dat de mogelijkheid tot het verkrijgen van zorg niet gelijk stopt zodra het werk stopt, maar er voor de arbeidsmigrant een overbruggingsperiode komt. Daarnaast moet de zorg voor arbeidsmigranten toegankelijker worden, bijvoorbeeld door het aanbieden van informatie in de eigen taal of het Engels, alsmede het vereenvoudigen van het aanvragen van een DigiD.

›

≡

47 | Geen tweederangsburgers

5.1

Goede zorg in Nederland, zonder afhankelijk te zijn van de werkgever A

Regel verlengde zorgfaciliteiten Het Aanjaagteam adviseert het kabinet -zonodig wettelijk- te regelen dat arbeidsmigranten na afloop van hun arbeidscontract een korte periode gebruik kunnen maken van noodzakelijke zorg. Dat voorkomt dat arbeidsmigranten te afhankelijk zijn van hun werkgever. Een arbeidsmigrant die ingezetene is van Nederland blijft verzekerd voor zorg, ook als het arbeidscontract opgezegd wordt. Voor die arbeidsmigranten hoeven er geen verlengde zorgfaciliteiten geregeld te worden. Maar ook arbeidsmigranten die niet tevens ingezetene zijn, zouden zorg moeten kunnen krijgen als het werk stopt en de zorgverzekering derhalve is geëindigd. Regel, zo nodig bij wettelijk voorschrift, dat een arbeidsmigrant die niet tevens ingezetene is, gebruik kan maken van noodzakelijke zorg uit het basispakket van de Zorgverzekeringswet, gedurende maximaal 30 dagen nadat de verzekeringsplicht is vervallen.

‹

Er zijn meerdere groepen in de Nederlandse samenleving die zorg ontvangen zonder dat daar een gerichte betaling tegenover staat, zoals minderjarige verzekerden, onverzekerde dak- en thuislozen, asielzoekers en onverzekerbare vreemdelingen. Gegeven het kortdurende karakter van de verlengde zorgfaciliteit en het beperkte financiële belang, adviseert het Aanjaagteam uit praktische- en uitvoeringstechnische overwegingen om de uitvoering aan te laten sluiten bij de bestaande financieringssystematiek voor dergelijke groepen.

B

Bevorder toegankelijkheid van de verzekeringspolis Om zelfredzaamheid en onafhankelijkheid van arbeidsmigranten te stimuleren, dienen verzekerde arbeidsmigranten toegang krijgen tot de digitale, persoonlijke omgeving voor zorgverzekerden bij de zorgverzekeraar. Daarvoor is bij vrijwel alle zorgverzekeraars een DigiD nodig. Geef arbeidsmigranten die (nog) geen DigiD hebben de mogelijkheid om eenvoudig toegang tot de zogenaamde ‘mijn omgeving’ te krijgen. Zie ook de aanbeveling bij registratie. Het Aanjaagteam adviseert verzekeraars daarnaast om de verzekeringspolis digitaal aan de arbeidsmigrant ter beschikking te stellen, en om informatie over de verzekering ook in andere talen dan het Nederlands te verstrekken. Daarmee wordt de zelfredzaamheid en onafhankelijkheid van arbeidsmigranten verbeterd. Tegelijk lossen we zo het probleem op dat arbeidsmigranten niet over hun eigen zorgpas of zorgpolis beschikken. Het gaat uiteindelijk om het verzekerd zijn en met een DigiD kunnen arbeidsmigranten (los van het taalprobleem) of hun belangenbehartigers vaststellen of er sprake is van een zorgverzekering.

C

Voldoende medische voorzieningen in de regio Doordat arbeidsmigranten meestal slechts tijdelijk in Nederland zijn, zijn zij niet ingeschreven bij een huisarts. Het Aanjaagteam heeft vernomen dat sommige huisartsen weigeren om nieuwe arbeidsmigranten aan te nemen, omdat zij slechts tijdelijk op een bepaalde locatie wonen. Een mogelijke oplossingsrichting is het opzetten van regionale zorg op basis van de registratie bij huisvestingslocaties, omdat de bewoners van de huisvestingslocaties wel wisselen, maar de locaties niet. Het Aanjaagteam adviseert bovendien dat er afspraken worden gemaakt tussen zorg­ verzekeraars met huisartsen in de buurt van locaties waar veel arbeidsmigranten worden gehuisvest, waarbij aandacht is voor de specifieke situatie van arbeidsmigranten.

›

≡

48 | Geen tweederangsburgers

6

Betere handhaving en toezicht

Goed toezicht en goede handhaving is essentieel om naleving van de regelgeving te bevorderen en misstanden tegen te gaan. Maar toezicht moet altijd als sluitstuk van de regelgeving worden gezien. De aanbevelingen uit dit rapport vormen samen een sluitend systeem dat bij naleving van de regelgeving voor arbeidsmigranten in Nederland al grote stappen vooruit betekent. Maar de ervaring leert dat er altijd een poging tot fraude en malafiditeit zal worden gedaan. Daarom is het van belang de handhaving en het toezicht op regelgeving rondom arbeidsmigranten te verbeteren.

‹

Rondom arbeidsmigratie spelen verschillende toezichthouders een rol. De Inspectie SZW houdt toezicht en handhaaft op de werkvloer. Gemeenten hebben deze taken voor huisvesting. De Belastingdienst, UWV en SVB zijn aan zet wanneer het gaat om zaken als belastingen en premies. Het komt ook regelmatig voor dat arbeidsmigranten over de grens in Duitsland of België wonen en in Nederland werken. Dat vraagt grensoverschrijdende samenwerking met instanties in onze buurlanden. In de huidige omstandigheden rond het coronavirus spelen nog meer toezichts- en handhavingsinstanties een rol, zoals de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de politie en de boa’s in de veiligheids­ regio’s en de ILT en ook de GGD. In het uiterste geval, bij ernstige misstanden, kan ook de strafrechtelijke aanpak worden ingezet. Naast deze publieke toezichthouders zijn er ook private partijen die toezicht houden op de situaties waarin arbeidsmigranten zich bevinden. Wanneer er sprake is van afspraken tussen sociale partners in cao’s, kunnen sociale partners zelf de cao-naleving in een sector inregelen om andere standaarden te zetten. In de uitzendbranche is hiervoor een zelf­ standig toezichtorgaan van sociale partners opgericht, de Stichting Naleving CAO Uitzendbranche (SNCU) en voor bijvoorbeeld de bouwsector het Technisch Bureau Bouwnijverheid.

Naast deze private toezichthouders is er ook de controle op keurmerken. Zo kennen we in Nederland de SNF en het AKF om de kwaliteit van huisvesting te bevorderen. Daarnaast is de afgelopen jaren ingezet op zelfregulering in de uitzendbranche door middel van het SNA-keurmerk. Een derde van de uitzendbureaus is gecertificeerd door SNA, waarbij elke twee jaar wordt gecontroleerd of zij nog aan de voorschriften voldoen. Het toezichts- en handhavingslandschap is dus versnipperd. Dat is deels de reden waarom er problemen zijn bij de uitvoering van het toezicht en handhaving. Organisaties zorgen ervoor dat ze binnen hun eigen mandaat zaken op orde hebben, maar vergeten daarbij soms over de grens te kijken en meer vanuit het belang van één overheid op te treden. Waar dit wel gebeurt, verloopt samenwerking vaak stroperig en vergt dit veel van organisaties. Het kost mankracht en middelen en er moeten juridische en praktische obstakels overwonnen worden, voordat de instanties tot daadwerkelijk toezicht en handhaving komen. Organisaties zijn nog te weinig bezig met structurele gegevensuitwisseling – ook publiek-privaat en ook over landsgrenzen heen – op basis van de geldende privacywaar­ borgen. De wettelijke kaders beperken de gegevensuitwisseling, zeker als het gaat om publiek-private uitwisseling.

En in samenwerking wordt nog onvoldoende geïnvesteerd – er wordt niet altijd afdoende personeel beschikbaar gesteld om deel te nemen aan de samenwerkingsverbanden en er is nog niet overal structureel onderling overleg aan de top van toezichthoudende organisaties. Er zijn door de jaren heen succesvolle ad hoc samenwerkingsverbanden ontstaan en ontbonden, maar er is juist behoefte aan structurele samenwerkingsverbanden.

›

≡

49 | Geen tweederangsburgers

Samenwerkende toezichthouders Naar aanleiding van het eerste advies van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten is bij het Landelijk Operationeel Team-Corona een samenwerkingsplatform ingericht van veiligheidsregio’s, GGD en RIVM met landelijke toezichthouders als de Inspectie SZW en de NVWA, genaamd Samenwerkingsplatform ‘Arbeids­ migranten en Covid-19’. Het doel is om te komen tot een integrale en gecoördineerde operationele aanpak waarmee tijdig bij (potentiële) besmettingshaarden in sectoren met arbeidsmigranten kan worden geïntervenieerd. Dit is een stap vooruit, maar nog geen structureel samenwerkings¬verband. Goede voorbeelden van structurele samenwerkingsverbanden zijn de samenwerking in de Aanpak Malafide Uitzendbureaus (AMU) door Inspectie SZW, Belastingdienst en de UWV en de Landelijke Stuurgroep Interventies (LSI) met gemeenten, politie, OM, ministerie van SZW, Inspectie SZW, IND, UWV, Belastingdienst en SVB.

‹

Wanneer nieuwe wetgeving wordt bedacht om misstanden tegen te gaan, zoeken malafide ondernemers snel naar een nieuwe constructie. Hoewel dit inherent is aan toezicht, kunnen toezichthouders beter geëquipeerd worden om mee te gaan in deze ‘rat race’. Dat betekent dat naast het aanstellen van inspecteurs ook geïnvesteerd moet worden in samenwerking met de andere toezichthouders, waaronder structurele data-uitwisseling, kennisdeling, inzet van andersoortige interventies en grensoverschrijdende samenwerking. Toezicht in het nieuwe stelsel

Doordat het Aanjaagteam een systeem van verplichte certificering voorstelt, wordt een groot deel van het toezicht al aan de voorkant vervuld. De certificerende instantie zal immers in eerste instantie zelf onderzoek doen naar de (kandidaat-)gecertificeerde en op basis van die bevindingen een conclusie trekken. Dat geldt zowel voor huisvesting als voor de uitzendbureaus. Het private toezicht door certificerende instellingen is de eerste stap in het toezichtsysteem. Dit toezicht dient kwalitatief en kwantitatief op orde te zijn zodat alle uitzendbureaus en huisvestingslocaties periodiek worden getoetst op het voldoen aan de certificaatvereisten. De certificerende instellingen dienen op hun beurt voor deze werkzaamheden te vallen onder toezicht van de Raad voor Accreditatie. Daarmee stimuleren we dat de instellingen op een goede manier hun certificerende taak vervullen. Het Aanjaagteam adviseert daarnaast dat alle privaatrechtelijke toezichthouders een toezichtplan hebben en jaarlijks actueel houden en over de toezichtbevindingen jaarlijks rapporteren, zodat transparant is in welke mate het toezicht effectief is en ook zicht is op trends en ontwikkelingen bij het voldoen aan de vereisten. Het publiekrechtelijk toezicht, dat vooral door publieke toezichthouders als Inspectie SZW, Belastingdienst en gemeenten vorm krijgt, is de volgende schakel.

Waar de zelfregulering met verplichte certificering in combinatie met privaatrechtelijk toezicht zaken niet op orde kan krijgen, is het aan publieke toezichthouders, zoals gemeenten, Inspectie SZW en Belastingdienst, om bestuursrechtelijk en meer dwingend op te treden. De verwachting is ook dat er een behoorlijke signalering op gang gaat komen vanuit de private toezicht­ houders richting de publieke toezichthouders. Los daarvan dienen deze toezichthouders ook zelfstandig toezicht uit te oefenen. Gemeenten en Inspectie SZW dienen ook over een jaarlijks vastgesteld toezichtsplan te beschikken waaruit blijkt in welke mate toezicht plaats vindt in het verlengde van het privaatrechtelijke toezicht en in welke mate het zelfstandig toezicht is.

›

≡

50 | Geen tweederangsburgers

Het is onvermijdelijk dat het toezicht zowel op basis van de uitwisseling van signalen uit de praktijk, als op basis van een risicoanalyse vorm krijgt en dat keuzes moeten worden gemaakt waar de toezichtsinspanning op moet worden ingezet. Het Aanjaagteam pleit ervoor dat het privaatrechtelijke en het publiekrechtelijke toezicht dat vanuit een gemeenschappelijke risicoanalyse doet. Dat kan zowel gaan om de onderliggende fenomenen in de sector, als om de meest passende interventie. De strafrechtelijke aanpak kan hier eventueel op aansluiten. Gegevensuitwisseling nodig om samenhang in toezicht mogelijk te maken

Toezichthouders willen in beginsel graag met elkaar samenwerken, maar lopen vaak tegen praktische, juridische en organisatorische obstakels aan. Daarin is gegevensuitwisseling het grootste knelpunt. Om effectief toezicht te houden op alle regelgeving rondom arbeidsmigratie is het noodzakelijk dat publiekrechtelijke en privaatrechtelijke toezichthouders gegevens met elkaar kunnen uitwisselen. Omdat er zowel privaat- als publieks­ rechtelijk toezicht wordt uitgeoefend, is het belangrijk dat er een wettelijke basis voor die gegevensuitwisseling komt. Los van de mogelijkheden voor gegevensuitwisseling moeten de bevoegdheden van de betrokken partijen helder zijn, goed op elkaar aansluiten en dekkend zijn. Gaten in bevoegdheden kunnen niet worden opgelost met het uitbreiden van de mogelijkheden voor de uitwisseling van gegevens.

‹

Ontwikkelingen in het gezamenlijk toezichthouden Er bestaan al goede praktijken, zoals de iCov (de infobox voor Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen), waarbij meerdere partijen op een zorgvuldige wijze gegevens uitwisselen waar wellicht van kan worden geleerd. In dit verband is ook de lopende wetsbehandeling Wet Gegevensverwerking door Samenwerkingsverbanden relevant. Deze wet lijkt nog niet de basis te geven die nodig is om beoogde gegevensuitwisseling vorm te kunnen geven. Samenwerkingsverbanden gebaseerd op convenanten vallen nadrukkelijk buiten het wetsvoorstel, net als certificerende partijen.

6.1 Samenhang en samenwerking in toezicht met voldoende capaciteit Om meer samenhang in toezicht te bewerkstelligen geeft het Aanjaagteam de volgende aanbevelingen:

A

Samenhang in toezicht Het Aanjaagteam adviseert de samenwerking tussen inspectiediensten structureel te verbeteren. Daarvoor zouden private en publieke toezichthouders een gezamenlijk toezichtplan moeten opstellen, op basis van een gemeenschappelijke risicoanalyse en waaruit een gecoördineerde capaciteitsinzet blijkt. Dit kan gebaseerd worden op het LSI-model. Onder invloed van COVID-19 is een samenwerkingsplatform tussen toezichthouders opgezet dat zich momenteel richt op toezicht in relatie tot COVID-19 gerelateerde zaken. Het Aanjaagteam adviseert die samenwerking een structureel karakter te geven en uit te breiden naar alle arbeidsmigrant-gerelateerde onderwerpen zoals beschreven in dit advies.

›

≡

51 | Geen tweederangsburgers

Binnen het publieke domein bestaan structuren zoals de Veiligheidsregio en het Regionale Informatie en Expertise Centrum (RIEC) waarbinnen de samenwerking tussen publieke toezichthoudende en handhavende diensten vorm krijgt. Een dergelijke structuur om de samenwerking tussen publieke en private toezichthouders vorm te geven bestaat nog niet. Het is belangrijk dat daar eveneens een structuur voor wordt opgezet. Verder zou het goed zijn om uit te zoeken in hoeverre informatie- en analysedeling tussen civielrechtelijk, bestuursrechtelijk en strafrechtelijk toezicht kan helpen om meer inzicht te krijgen in de driehoek van werkgever (Inspectie SZW-domein), vervoer (politie of ILT) en huisvesting (gemeente). Doel hiervan is om snel multidisciplinair op te treden en verdere info te vergaren voor de toekomst. Tot slot zouden de private en publieke toezichthouders jaarlijks moeten rapporteren over de toezichtsresultaten.

B

Gegevensuitwisseling Er moet een wettelijke basis worden gecreëerd voor gegevensuitwisseling tussen zowel publieke toezichthouders als tussen publieke en private toezichthouders. Het Aanjaagteam adviseert daartoe de volgende stappen te zetten: - Inventariseer welke gegevens uitgewisseld moeten worden om tot een gemeenschappelijke risicoanalyse te komen en een daarop gebaseerde gecoördineerde capaciteitsinzet; - Schakel een onafhankelijke partij in om een plan op te stellen om gegevensuitwisseling tussen toezichthouders te versterken; - Stel vast of één van de betrokken organisaties alle informatie verzamelt met het doel om te komen tot een gemeenschappelijke risicoanalyse (en een gecoördineerd plan voor capaciteits-inzet), of dat hiertoe een specifieke organisatie opgericht moet worden (naar analogie van iCOV). Hierbij kan ook worden gekeken naar het Fins model van gegevensuitwisseling;42 - Stel op basis van deze uitkomst een juridisch kader op waarbinnen de gegevensuitwisseling kan plaatsvinden en voer daartoe, indien nodig, wetswijzingen door.

‹ C

Meer capaciteit Oneerlijk en onveilig werk – denk aan onderbetaling, te veel en te lange dagen werken, onveilige werkomstandigheden enzovoorts – vormt al jaren een probleem in de economie. De Inspectie SZW heeft daar uitgebreid aandacht voor, maar heeft tegelijkertijd al langer te maken met onvoldoende capaciteit om goed toezicht te kunnen houden. In het regeer­ akkoord van het huidige kabinet is mede daarom besloten structureel te investeren in de Inspectie SZW.43

42 In Finland is er een speciale unit binnen de Belastingdienst, met een eigen mandaat, toegang tot bulkdata van publieke organisaties. Deze ‘Grey Economy Information Unit’ produceert en publiceert vervolgens rapporten over deze ‘grijze economie’ en over de naleving en betrokken personen bij specifieke bedrijven. Hier hebben vervolgens in totaal 13 verschillende publieke organisaties, van de politie tot de belastingdienst, toegang tot. 43 De recente ‘ Programmarapportage Uitzendbureaus’ van de inspectie SZW beschrijft de problematiek in de uitzendbranche. De rapportage geeft tevens aan dat deze problematiek al langer bestaat en dat dit een belangrijke reden was om in het Inspectie Control Framework (ICF) in 2017 specifiek aandacht te vragen voor misstanden in de uitzendbranche (en bij hun inleners). Onderdeel van de analyse in het ICF was de ontoereikendheid van de inzet in de uitzendsector, met name gericht op eerlijk werk. Doelstelling in het ICF is de dekking op de problematiek rond oneerlijk werk te verdubbelen per 2022. De uitbreiding van de Inspectie SZW, waartoe in het regeerakkoord is besloten voor het doel eerlijk werk, vindt met name plaats in 2020-2022 en zal erin resulteren dat met de inzet op uitzendbureaus vanaf 2022 een capaciteitsinzet van 60 fte gemoeid is.

De rapportage van het programma uitzendbureaus over de afgelopen jaren is dus tegen de achtergrond van deze tekortschietende capaciteit.

›

≡

52 | Geen tweederangsburgers

Als de adviezen van het Aanjaagteam rondom certificering van uitzendbureaus worden overgenomen, zal er naar verwachting meer publiekrechtelijk toezicht nodig zijn om het systeem sluitend te houden. Enerzijds zullen de certificering en de private handhaving een stimulerend effect hebben op de spontane wetsnaleving doordat een deel van de bedrijven zich gedwongen ziet van de markt terug te trekken. Anderzijds zullen naar verwachting meer meldingen vanuit de private toezichthouders en de KvK komen die capaciteit vergen. Daarnaast kunnen de maatregelen tot meer bezwaar- en beroepsprocedures leiden. En is er veel inzet nodig om tot een gezamenlijke aanpak te komen en de gezamenlijke risico­ analyse te realiseren. Het is nog lastig in te schatten hoe sterk het aantal meldingen stijgt onder een nieuw stelsel, en hoeveel meer capaciteit daarvoor nodig is. Het Aanjaagteam adviseert om de capaciteit van de Inspectie SZW voor activiteiten met betrekking tot uitzendbureaus in eerste aanleg uit te breiden van 60 naar 150 fte.44 Dat is op basis van een prudente inschatting van een stijging in meldingen van 150%.45 Voor een geloofwaardig en sluitend systeem dienen die meldingen en signalen, zeker als ze voortkomen uit een meldplicht, te worden onderzocht.

De jaarverantwoording Arbeidsmigranten dient inzicht te geven in de mate waarin het toezicht effectief is en of verdere uitbreiding noodzakelijk is.

‹

Op het moment dat er meer gewerkt gaat worden in samenwerkingsverbanden, zullen ook de andere publieke toezichthouders (zoals Belastingdienst, gemeenten en, UWV) en de private toezichthouders hun capaciteit hiervoor moeten laten meegroeien.

D

Grensoverschrijdend werken Op dit moment is er bij verschillende inspecties en toezichthouders te weinig tijd en ruimte om zich te richten op grensoverschrijdende problematiek. Het Aanjaagteam adviseert een apart multidisciplinair team in te stellen dat alleen grensoverschrijdende zaken op zich gaat nemen, dat gezamenlijk kan inspecteren en gegevens kan uitwisselen in samenwerking met buitenlandse toezichthouders. De bemensing van dit team zou voor de Inspectie SZW begrepen zijn in de onder 6.3 genoemde uitbreiding voor activiteiten met betrekking tot uitzendbureaus, omdat meldingen over grensoverschrijdende misstanden met uitzend_ bureaus daar ook onder vallen. Daarnaast zouden toezichthouders actief gebruik moeten gaan maken van de Europese Arbeidsautoriteit en de mogelijkheden binnen de Benelux om gezamenlijke inspecties in te richten. Daarnaast moet er aandacht besteed worden aan bedrijven die mobiele werk­ nemers over de grens huisvesten.

E

Onaangekondigd inspecteren en meldplicht aan Inspectie SZW Op dit moment inspecteert de Inspectie SZW in principe altijd onaangekondigd, zodat de actuele situatie op de werkvloer onderzocht kan worden. Andere partijen, waaronder de SNF, AKF en SNA, doen dat niet altijd. Bij controles op woonlocaties met SNF- en AKFkeurmerken worden niet alleen de woonlocaties fysiek gecontroleerd op de mate waaraan de huisvesting aan de eisen voldoen, maar wordt ook de administratieve kant gecontroleerd. Omdat de administratie beschikbaar moet zijn tijdens de inspectie, wordt de gehele inspectie vooraf aangekondigd. Daarmee wordt ook gegarandeerd dat er iemand thuis is, zodat de privé-ruimtes van mensen ook gecontroleerd kunnen worden op de kwaliteitseisen. Daarnaast worden vaak niet alle locaties feitelijk bezocht, maar wordt volstaan met

44 Het gaat daarbij om een uitbreiding van structureel ruim 10 miljoen per jaar wat resulteert in een uitbreiding met 90 fte. 45 De afgelopen jaren waren er gemiddeld ruim 600 meldingen per jaar. Het is lastig te voorzien of deze aantallen door stelselwijziging met een factor 2, 10 of 20 zouden kunnen gaan toenemen.

›

≡

53 | Geen tweederangsburgers

één of enkele locaties per huisvestende organisatie.46 Ook SNA kondigt altijd haar bezoeken aan, zodat de administratie klaarligt. Het Aanjaagteam kan begrip opbrengen voor deze werkwijze. Toch zouden fysieke locaties ook onaangekondigd geïnspecteerd moeten worden, ook als dat betekent dat daarmee niet alle privé-ruimtes kunnen worden gecheckt. Een onaangekondigde inspectie geeft meer informatie over de daadwerkelijk gecontroleerde situatie in de praktijk dan alleen aangekondigde inspecties. Ditzelfde geldt voor de administratieve controles. Deze werkwijze moet worden vastgelegd in het gemeenschappelijke toezichtsplan van de keurmerken met de andere toezichthouders en gemeenten.

‹

Er kunnen situaties optreden waar de certificerende instellingen moeilijk mee kunnen omgaan: intimidatie richting de certificeerder, hardnekkig weigeren te voldoen aan eisen e.d. In die situaties is het logisch dat het certificaat wordt ingetrokken waardoor het betreffende uitzendbureau niet meer bonafide op de markt actief kan zijn. Het intrekken van de certificering zal altijd gepaard moeten gaan met een melding aan de KvK zodat de registratie kan worden aangepast. Certificerende instellingen dienen een meldplicht te hebben jegens de Inspectie SZW voor ernstige tekortkomingen die ze aantreffen en die niet binnen afzienbare tijd is opgelost. Samen met Inspectie SZW dient uitgewerkt te worden wat verstaand wordt onder een ernstige situatie. Het systematisch niet voldoen aan de meldplicht dient consequenties te hebben voor het mogen certificeren waarover met de Raad voor Accreditatie afspraken moeten worden gemaakt.

6.2 Verruimen sanctiemogelijkheden A

Omgekeerde bewijslast De arbeidsmigrant is voor zijn levensonderhoud en dat van zijn familie afhankelijk van het arbeidsloon. Het komt voor dat er géén, te laat of te weinig loon wordt betaald. Gezien de genoemde afhankelijkheid en zijn vertrouwen op een juiste loonbetaling beëindigt hij het dienstverband niet of later dan gewild. Een toegankelijke voorziening voor looncompensatie versterkt zijn positie en zal onderbetaling in het algemeen wellicht verminderen. Een bepaling in de WML over het rechtsvermoeden van een dienstverband van 6 maanden, analoog aan artikel 23 van de Wav, zal bij een ondeugdelijke administratie en vermoedelijke (al dan niet girale) onderbetaling een geschikt instrument kunnen zijn voor de aanpak van onderbetaling en rechtsherstel. Dit betekent dat bij gebrek aan de beoogde melding bij RNI het niet duidelijk is wanneer het dienstverband is aangevangen en dat dan sprake is van het rechtsvermoeden van een duur van 6 maanden.

6.3 Toezicht op de registratie van arbeidsmigranten A

Toezicht op registratie Het Aanjaagteam heeft diverse aanbevelingen gedaan over de registratie. Het is belangrijk dat op de systematiek van registreren een feedbackcyclus functioneert op basis waarvan toezichthouders acties kunnen ondernemen. Kern van de feedbackcyclus is dat het BSN in de loonaangifte keten kan worden vergeleken met de BRP/RNI. Op basis daarvan kan worden vastgesteld: - van welke BSN-nummers die in de loonaangifte worden gebruikt, geen Nederlands verblijfsadres bekend is;

46 SNF heeft besloten om vanaf 2021 certificering per pand in te voeren en daarmee alle locaties te inspecteren, in plaats van een steekproefsgewijze controle.

›

≡

54 | Geen tweederangsburgers

- van welke RNI-ingeschreven met een verblijfsadres in Nederland, het BSN-nummer niet (meer) wordt gebruik in de loonaangifte. Deze informatie zou periodiek (bijvoorbeeld maandelijks) kunnen worden gedeeld met alle gemeenten en betreffende werkgevers. Op basis daarvan kunnen RvIG of gemeenten acties ondernemen richting betreffende werkgevers en kunnen werkgevers bewerkstelligen dat arbeidsmigranten alsnog een correct verblijfadres doorgeven aan de gemeente. Zoals eerder aangegeven zou de RvIG hier de gegevensverwerkende rol in moeten krijgen. De RvIG kan dat niet alleen: actieve betrokkenheid van UWV en de Belastingdienst is noodzakelijk. RvIG, UWV en Belastingdienst zouden samen onder leiding van het RvIG de voorgestelde feedbackcyclus moeten uitwerken. Het Aanjaagteam legt hierbij het voortouw bij RvIG omdat BZK/RvIG de eerst aangewezene is voor de kwaliteit van de BRP inclusief het Register Niet-Ingezetenen. Toezichthouders, zowel de privaatrechtelijk certificerende als de publiekrechtelijke toezichthouders, dienen ook over deze informatie te kunnen beschikken om dit te betrekken bij de gemeenschappelijke risicoanalyse en het gecoördineerd inzetten van de toezichtcapaciteit.

‹

›

≡

55 | Geen tweederangsburgers

7

Institutionele inbedding van arbeidsmigratie

Veel verschillende instanties houden zich bezig met arbeidsmigratie. Alleen al vanuit de Rijksoverheid houden de ministeries van BZK, EZK, LNV, SZW en VWS zich ermee bezig. Maar ook decentrale overheden en private instanties zijn betrokken bij het onderwerp. Om de geconstateerde problemen goed te kunnen aanpakken is goede samenwerking belangrijk, zodat er vanuit een gemeenschappelijk perspectief aan oplossingen wordt gewerkt. Een voorwaarde voor goede samenwerking is een heldere verdeling van verantwoordelijkheden, zowel voor het opstellen van beleid rondom arbeidsmigratie als bij de uitvoering daarvan en het toezicht daarop.

‹

Arbeidsmigranten zijn volwaardig onderdeel van de Nederlandse samenleving, en naar verwachting zullen arbeidsmigranten ook de komende tijd onderdeel blijven uitmaken van de samenleving. Dat betekent dat Nederland zich daar ook op moet inrichten. Het Aanjaagteam constateert echter dat met name op regionaal en lokaal niveau vaak nog geen specifiek beleid over arbeidsmigratie is ontwikkeld. Het is belangrijk dat regionale en lokale autoriteiten een visie hebben op hoe zij met arbeidsmigratie willen omgaan en nader beleid ontwikkelen rondom arbeidsmigranten. Dat is niet altijd eenvoudig. Gemeenten en provincies geven aan dat zij soms te maken hebben met beperkte capaciteit voor de ontwikkeling van beleid, maar ook met onbekendheid met de problematiek of met ingewikkelde lokale politieke verhoudingen. Met name gemeenten geven hierbij aan dat zij ondersteuning zouden waarderen.

Tweederangsburgers Het Aanjaagteam heeft met arbeidsmigranten gesproken over hun ervaringen in Nederland. Hieruit kwam naar voren dat zij zich regelmatig behandeld voelen als een tweederangsburger. Zij ervaren verschillende drempels om volwaardig mee te kunnen doen in de maatschappij. Een paar arbeidsmigranten gaven bijvoorbeeld aan dat integreren in de Nederlandse samenleving lastig is, omdat ze geen toegang krijgen tot de inburgeringstrajecten en taalcursussen van de gemeente. Daarnaast wonen ze soms op bedrijventerreinen of ver verwijderd van een dorpskern. Ze komen daarnaast op het werk of in de buurt amper in contact met Nederlanders.

Al eerder zijn brede initiatieven genomen ten aanzien van problemen die arbeidsmigranten ervaren (zie bijvoorbeeld het rapport van de Commissie Koopmans uit 2011 en het Nationaal Akkoord rondom huisvesting uit 2012), maar die initiatieven hebben niet voldoende resultaat opgeleverd. Toch constateert het Aanjaagteam beweging in het dossier. In 2019 heeft de Rijksoverheid daarom samen met verschillende partijen een integrale agenda met acties opgesteld. Met het instellen van het Aanjaagteam is daar een vervolg op gemaakt.47

47 Kamerstukken II 2019/2020, 29861, nr. 48

›

≡

56 | Geen tweederangsburgers

7.1

Structurele aandacht vanuit het Rijk, provincies en gemeenten Arbeidsmigranten zijn onvoldoende zichtbaar voor Rijk, provincie en gemeenten. De aanbevelingen uit dit advies inzake de registratie helpen om het zicht op de arbeidsmigranten te verbeteren. Het is belangrijk dat de verbeterde registratie ook gebruikt wordt om contacten met deze groep te ontwikkelen zodat beleidsmakers en beleidsuitvoerders weten wat er speelt. Deze contacten zouden structureel vorm kunnen krijgen met vertegenwoordigers en belangenbehartigers van arbeidsmigranten, maar ook direct met de arbeidsmigranten zelf. De inbreng van arbeidsmigranten en hun belangenbehartigers heeft het Aanjaagteam erg geholpen om zicht te krijgen op de problematiek die arbeidsmigranten ervaren. Het is goed deze werkwijze voort te zetten bij de verdere uitwerking van de aanbevelingen.

Stuurgroep ‘Internationale Werknemers’ In Limburg hebben de Noord-Limburgse gemeenten en de provincie Limburg en Ondernemend Limburg (Limburgse Land- en Tuinbouw Bond (LLTB), Limburgse Werkgevers Vereniging en MKB-Limburg) een stuurgroep gevormd om zich te buigen over een goede aanpak van internationale werknemers. In de stuurgroep wordt er vooruitgekeken naar het verwachte aantal internationale werknemers (waaronder arbeidsmigranten en kennismigranten) en de huisvesting en voorzieningen die daarvoor nodig zijn. De stuurgroep ‘Internationale werknemers’ zet zich actief in om in de provincie een klimaat te scheppen waarbij de internationale werknemer zich welkom voelt.

‹ A

Betrek arbeidsmigranten bij de beleidsontwikkeling en beleidsuitvoering Het Aanjaagteam adviseert dat elke overheidsinstantie die beleid ontwikkelt rondom arbeidsmigranten bewust het perspectief van arbeidsmigranten zou moeten meewegen in de beleidsoverwegingen. Het Aanjaagteam denkt daarbij aan de Rijksoverheid, maar bijvoorbeeld ook aan gemeenten waar veel arbeidsmigranten wonen. Dit kan vorm krijgen door bijvoorbeeld een klankbordgroep of een consultatieronde in te richten waarbij arbeidsmigranten hun invalshoek kunnen delen. Er kan ook gedacht worden aan het inzetten van sleutelfiguren met dezelfde achtergrond als veel van de arbeidsmigranten. Dit kan zowel in de beleidsontwikkeling als bij de ondersteuning van arbeidsmigranten helpen. Door te werken met sleutelpersonen is er iemand die de arbeidsmigranten de weg kan wijzen doordat hij of zij dezelfde achtergrond heeft, de taal spreekt en de weg in Nederland al heeft leren kennen.

B

Stel integratietrajecten open voor arbeidsmigranten Er zijn arbeidsmigranten die voor langere tijd in Nederland willen blijven en zich hier willen vestigen. Op dit moment zijn de mogelijkheden voor deze arbeidsmigranten om Nederlands te leren en een soort integratietraject te volgen erg beperkt. Daardoor hebben arbeids­ migranten soms het gevoel als tweederangsburger behandeld te worden. Waar voor vluchtelingen veel (soms verplichte) regelingen zijn om integratie te bevorderen, zijn deze voorzieningen niet gemakkelijk toegankelijk voor arbeidsmigranten, terwijl ze wel actief bijdragen aan de Nederlandse economie. EU-arbeidsmigranten zijn niet inburgeringsplichtig, maar integratie kan wel gestimuleerd worden met dezelfde middelen als derdelanders die wel worden verplicht in te burgeren. Het Aanjaagteam adviseert daarom dat gemeenten de voorzieningen op het gebied van inburgering en integratie ook openstellen voor EU-arbeidsmigranten. Werkgevers zouden vanuit hun zorgplicht voor de arbeidsmigrant tevens de arbeidsmigranten op de mogelijkheden bij de gemeenten moeten wijzen en de arbeidsmigrant in staat moeten stellen

›

≡

57 | Geen tweederangsburgers

hieraan deel te nemen. Het Aanjaagteam heeft ook voorbeelden gezien waarbij werkgevers zelf taalcursussen en cursussen over Nederland aanbieden. Dit zijn goede voorbeelden die navolging verdienen en wellicht door sociale partners in cao’s verankerd kan worden.

7.2 Borging op landelijk en lokaal niveau A

Jaarlijkse rapportage arbeidsmigranten Het Aanjaagteam adviseert het kabinet om jaarlijks aan de Tweede Kamer te rapporteren over de ontwikkelingen rondom arbeidsmigranten door middel van een Jaarrapportage Arbeidsmigranten. De Jaarrapportage Arbeidsmigranten dient een tweeledig doel: (a) inzicht geven in de ontwikkelingen rondom arbeidsmigratie en (b) inzicht geven in de voortgang van de door het kabinet overgenomen aanbevelingen van dit tweede advies. Het Aanjaagteam adviseert dezelfde onderwerpen aan de orde te laten komen waarlangs dit advies is opgebouwd: regulering uitzendbranche, registratie, huisvesting, zorg en toezicht. Gegeven de noodzaak om ook provinciaal en gemeentelijk beleid te ontwikkelen, kan deze rapportage aan de Tweede Kamer ook een basis bieden om trends en ontwikkelingen te duiden die vragen om provinciaal en/of gemeentelijk beleid.

B

‹

Regel wetswijzigingen in een verzamelwet Dit advies behelst meerdere voorstellen die aanpassingen in wetgeving vergen. Juist om verbrokkeling in de aanpak te voorkomen adviseert het Aanjaagteam dat deze wijzigingen in samenhang behandeld worden en stelt derhalve voor dat wijziging van wetgeving van de onderscheiden departementen -naar aanleiding van deze aanbevelingen- in één Verzamelwet worden opgenomen. Dit ter bevordering van consistentie en samenhang en ter voorkoming van onvoldoende prioriteit aan aanpassingen in een bredere afweging.

C

Stel een Expertteam arbeidsmigranten in Het Aanjaagteam adviseert dat het Rijk een ‘Expertteam arbeidsmigranten’ opricht voor gemeenten en provincies dat in den brede kan ondersteunen bij het beleid rondom arbeidsmigratie en dat structureel monitort, begeleidt, feedback geeft, kennis deelt, etc. Dit team kan complementair werken aan het reeds bestaande ‘Expertteam woningbouw’ van het ministerie van BZK.

D

Verbeterde toegang tot het recht: arbeidscommissie De toegang tot het recht is voor arbeidsmigranten moeilijk: er zijn taalproblemen, men kent de procedures niet, men kan de eigen juridische positie onvoldoende inschatten en arbeidsmigranten hebben weinig hulp in de sociale omgeving om deze drempels te nemen. Het is gewenst dat de toegang tot het recht voor arbeidsmigranten verbetert. Een laag­ drempelige vorm van conflictbeslechting waarbij ook onderzoek gedaan wordt naar het conflict zal arbeidsmigranten helpen om de toegang tot het recht te vergroten. Een verbeterde toegang tot het recht heeft al langer de aandacht. In het rapport ‘Eerlijk Werk’, Brede Maatschappelijke Herwaardering (april 2019) wordt een geschillencommissie geopperd en de commissie Borstlap spreekt over een arbeidsombudsman. Het Aanjaagteam onderschrijft de behoefte aan een dergelijke voorziening en wijst in dat verband naar het terrein van de volkshuisvesting waar een dergelijke semi-rechtelijke voorziening bestaat in de vorm van de huurcommissie, dat overigens een publiek gefinancierde ZBO is. De huurcommissie doet uitspraken in conflictsituaties tussen huurder en verhuurder. De huurcommissie doet zelfstandig onderzoek indien partijen het oneens zijn over de feiten en doet een bindende uitspraak waartegen beroep mogelijk is via de normale rechter.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10108232/1